Naar boven

Het nieuws van den dag : kleine courant

09-04-1891

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 16

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1870-1923
Periode gedigitaliseerd
  • 1870 t/m 1914
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB c226
Nummer
  • 6496

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stellingen:

Stellingen:

I. Het fatalisme, dat in^ onze jongste letterkunde (in de romans van Louis Couperus) optreedt, verdient als ziekte-verschijnsel van onzen tyd de bijzondere aandacht. 11. Zijne oorzaken liggen in eene averechtsche theorie: een determinisme, dafc de feiten van het zedelijk leven miskent, en in eeno verkeerde levenspractijk : eene, die, do tuchteloosheid zelve, de motieven ter wilsbepaling verwaarloost. 111. Hoewel men mag verwachten, dat de kwaal juist in haar artistieke uiting op den duur haar correctief zal vinden, dient toch verdere besmetting te worden voorkomen. Daartoe is beter practijk zeker niet minder noodzakelijk dan juister theorie. Hij begon met de verklaring, dat hij in waarheid niets anders dan een woord ter inleiding wilde geven. Allereerst wordt een en ander uit Eline Vere van Louis Couperus meegedeeld, enkele aanhalingen uit dien roman gedaan, vooral gewezen op de noodlottige aantrekkelijkheid die Vincent voor Elina verkreeg met zijn pessimistische on fatalistische redeneeringen, en ;,eindelijk herinnerd hoe Eline, vol alkeer van zichzelve en verbittering tegen het lot, zieker en zieker wordfc naar lichaam en ziel. Niets baat meer, wat ter genezing beproefd wordt, het ziekteproces eindigt straks in suieide ; niet als wilsdaad eener zij 't dan ook voor éen oogenblik saamgegaardc energie maar — in de halve bedwelming vau den ingenomen laudanum, snakkend naar slapen, slapen, nam zij nog een druppel of wat meer, en ... twee — drie druppels te veel! Ziedaar de droevige eindindruk van het boek, die allerlei andere ontvangen indrukken van aangenamer aard uitwischt. Om Eline is 't den schrijver blijkbaar te doen, en dan, 0:11 de teekening van haar ziekteproces met zijn noodlottig verloop. De „Vincent" in Eline Vere treedt in „Noodlot" andermaal op in de gedaante van Robert van Maeren, doorgaans Bertie genaamd, d. w. z. wat Vincent onder zekere omstandigheden worden moet, is in Bertie te zien. Men voelt behoefte om dezen Bertie met allerlei leeiijke epitheta, te betitelen, die doortrapte cynicus nu wordt in al zijn drogredenen, beweegredenen, zijn fantasió'n, gore plannen, in heel het weefsel, waarin hij zolf verstrikt raakt en anderen ¦ verstrikt mot niets sparende nauwgezetheid in den trant der jongste Fransche school door Couperus met groote voorliefde en artistiek welbehagen geanalyseerd. Do theses van Vincent zijn hier vrecselyke en afzichtelijke ernst geworden. I. e. w. de schrijver heeft hier het Noodlot in zijn machtigen invloed en vreeselijke werking geschetst, maar ook alle krachten buitengesloten, die op andere wöze nog zouden kunnen inwerken, zoodat hij uu met noodwmdigheid laat gebeuren wat geschiedt. Vandaar ook de mogelijkheid van het einde, omdat de soln-yver het zoo wil, nl. waar hij er voor zorgt, dat het fleschje met doodend vocht in de droevige slotcatastrophe eerst door Eve weggeslingerd, in do plooien van het raamgordijn door _ haar wordt teruggevonden, ongebroken. „Frank, gilde zü in hare extase, Frank, zie hot is niet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot dat het niet heeft willen laten breken !'• maar de schrijver wilde, dat het niet breken zon. 't Spreekt vanzelf, we hebben hier met een roman, met een verdichting te doen, zooals zoo vaak, maar men zal moeten toestemmen, dat de auteur, hij zij naturalist of realist zooveel hij wil, zijn subjectiviteit niet verloochenen kan, zoodra hij feiten kiest en hun groepeering rogelt naar zjjn welbehagen, 't Is dan maar de vraag of de feiten in hun ouderlingen samenhang en iv verband met de karakters, die geteekend worden, een stuk werkelijkheid te zien geven, zooals zij is of althans kan zijn. In dit opzicht, noemt spreker „Noodlot" een hors d'oeuvre. Vincent in „Eline Vere" is een bestaanbaar wezen, maar Couperus heeft ons een Vincent laten zien, zooals hij worden moest, zonder tegenstand. Zoo is het gebeurd, dat men, ondanks veel schoons in Noodlot, ten slotte den indruk behoudt, als had men een poosje met eenige krankzinniger, geleefd. Ia dit waar, kan men dan niet vragen, mot welk reoht naar aanleiding van dit letterkundig product, van het fatalisme, zooals het daarin optreedt; wordt gewaagd als van ziekteverschijnsel van onzen tijd, dat de aandacht zou verdienen ? Couperus is ecu te ernstig artist om hier aan een product van eene ontstelde verbeelding te denken; hij heeft de neiging tot zekere theorié'u, dio in het fatalisme moeten uitloopen, waargenomen, die ziektestof bestaat en zij vreet in. De auteur huldigt schijnbaar zelf het fatalisme, hij voelt toch dat men 't zich als een dreigend spook var. het lijf' houden moet. De schrijver heeft willen zeggen : aan een fatalistische wereldverklaring zijn wij toe, en hiertoe kan zij, onder zekere omstandigheden althans moet zij leiden. Wij zijn ziek, zonder hoop op herstel. Bij Zola en zijn school ook ditzelfde fatalisme, maar zonder innerlijk protest, maar in Noodlot, hoe 11 en 't ook veroordeeld moge hebben, dat 'tin de Gids een plaats kon erlangen, geeft de mensehenziel zich niet gewonnen dan na bloedig verzet, na eene uiterste krachtsinspanning en met een smartelijken snik — dc mensehenziel van Louis Couperus, bedoel ik, zegt spreker. Niet te loochenen is dat ons geslacht aan die ziekte blootstaat; wij leven, onder zekere invloeden, de causaliteit voert onbeperkte heerschappij, en wy hebben ze op velerlei gebied gehuldigd, en zij heeft ons al meer en meer ovei'heerscht, ook op het gebied van het zielelcven. Spreker herinnert aan determinisme, hypnotlsme en suggestie, do causaliteitswet enz., die huu macht op den mensch hebben uitgeoefend ; overal worden wy bepaald, iv alles worden wy gemaakt, gekneed; do wet van oorzaak en gevolg fatsoeneert ons tot een ding onder de duizenden diugen. Een wet? Deze veronderstelt een wil, die baaistelt, een wil buiten u, die 11 vijandig is, dio u straks dwingt u niet handen en voeten gebonden over te geven, en die eindigt met u te vertrappen. Zoo reike de mensch der 19e eeuw, die het wereldraadsel waant te verklaren, de hand aan den mensch, die in zijne armelijke eerste beginselen vragend, angstig, bevend en sidderend voor het wereldraadsel staat: En dit

zou niet een ziekteverschijnsel mogen heeten? Of noemt gft het liever een atavisme. Die ziektestof zit in de lucht! De uitwerking ia wrevel en bitterheid, willelooze apathie, levensmoede, melancholie, hopelooze lijdelijkheid, cynische ontken-ning, verloochening van meuschenadel.gewetenlooze, drievoudig vermaledyde beestelökheid. Het komt bij spreker niet op uit te noodigen in dezen schuilplaats te zoeken bij indeterminisme ; het determinisme is voor ons een huis, waarin wjj leven, zooals wij zijn, met al wat wij hebben. Op het determinisme als vrucht eener organische wereldbeschouwing rust al onze wetenschap. Het determinisme is de keerzy van ons vertrouwen op God en is eene uitdrukking van on: godsdienstig geloof. Jammer is 't intusschen, dat men zoovaak op letterkundig gebied haastig is geweest met gissingen en vermoedens aan te nemen als vaststaande determineerende feiten. Toch nemen de dwalingen, op dat gebied begaan, het feit niet weg, wij worden gedetermineerd. Maar behoort dat gedetermineerd zyn opgevat te worden in fatalistischen zin ? I Een dor oorzaken van hefc fatalisme schuilt in een determinisme, dat de feiten vau het zedelijk'leven miskent, nam. het eene, groote feit, de aard zelf van het zedelijk leven, dit nl., dat de mensch als zedelyk wezen, en in klimmende evenredige mate, zich vrij gevoelt, d. i. inderdaad vrij is. De mensch wordt niet in vrijheid geboren, maar is geroepen tot vryheid te komen. Al sloot Prof. v. Hamel te Amsterdam in zijue jongste oratie de theol. faculteit uit by ziju vragen om samenwerking, spreker roept de beoefenaars der godsdienstwetenschap op de schoone tank to aanvaarden, om te do*n ge-, voelen, dat onze idealen ontluiken uit zaadkorrels, door dezelfde hand in het menschelijk hart gezaaid, die ook den vroegen eu den spaden regen beschikt. Zü snyden aan dit soort van fatalisme den wortel af. Het fatalisme, waarmee wy hier te doen hebbon, is liet beginsel van een matten, tragen levensstroom. Deze menschen denken eu denken maar — over; niets. Zij voelen, voelen allerlei en gevoelen to«h eigenlijk voor niets. Zij leven, leven o zoo intens, ca leven toch ten slotte voor niets. t In de open lucht moet het worden gekweekt, de' tegenvoeter van de Calvinistische praedestinatieleer. Daarom is beter praktijk niet minder noodzakelyk i dan juister theorie. Er is positief veel te doen tot wering van verdere) besmetting van deze kwaal. , Een kwaad als kwaad te voelen, doordat het in zyn verderfelijke uiting enz. voor ons komt te staan, is reeds iets. Maar dan moeten, voor de genezing volgen kan, eerst de offers vallen. Onzer de taak dat aantal zoo klein mogelijk t* maken. Om het fatalisme in de kunst te bestrijden, is romans schrijven, die van beter dingen getuigen en dat met nog meer talent to doen. Zal de tijd komen dat de talenten die opdracht ge» voelen en aanvaarden en volvoeren ? Welk een macht ligt in de letterkunde vanden dag! Zij is toch eigenlijk niet anders dan de weerspiegeling van het leveu, waaruit zij opgroeit. Heeft Couperus de herinnering aan godsdieust in zijn romans verbannen, ook in zijn wei eid heeft hij, zoo 't schijnt, den uiterlijken vorm van godsdienst niet ontdekt of het moest de doodendc cultuur var. het Fatum zijn. Met een heenwijziug naar datjfceekendes tyds, roept spreker op tot den arbeid, wijst ons op onze taak, herinnert aan onze verantwoordelijkheid! O, ons korte leven, en de groote, groote levenskunst ! Het hierop volgend onderwerp was: 11. Het socialistisch ideaal, beoordeeld uit het oog» punt van godsdienst en zedelijkheid. (Edw. Bellamy: Looking Backward.) Referent: de Heer P. v. d. Veen, van Leiden.

Sluiten