Naar boven

Het nieuws van den dag : kleine courant

09-12-1892

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 12

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1870-1923
Periode gedigitaliseerd
  • 1870 t/m 1914
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB c226
Nummer
  • 7013

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET TOONEEL.

HET TOONEEL.

uNoodlot," naar Couperus' roman van dien naam, vertoond in den Tivoli-Schouwburg te Rotterdam. 's Zaterdags was te Rotterdam Noodlot gegaan, dat in het drama in Nederland, in den roman meer te Londen speelt; 's Zondags verscheen in het Handelsblad A taie of two Cities, van Londen en Parijs, mooi geschreven. De voorstelling der personen in Noodlot is lijnrecht tegenover het opwekkende en frissche van het dagbladartikel. De willelooze menschen nit Noodlot, met hun eeuwig: het noodlot wil het! hebben menigen toeschouwer van het drama in verzet gebracht, die met weerzin al het zieke, lage en ongezonde hoorde verheerlijken met den uitroep : het noodlot wil het. Bij het lezen van den roman wordt dit verzet, de weerzin tegen dat leven van twee jonge menschen in Londen erger en erger. Die jongelui in eene doode omgeving van zwakheid en verwijfdheid, in verblijven voor geestelijke opiumschuivers, nu eens elkaar als vrouwen liefhebbend — op het tooneel knielt zelfs de eene jonge man bij den anderen neer, legt het hoofd tegen de knieën en vleit hem of omarmt, streelt en verteedert hem, vol zoete woordjes - te zien voorgesteld als slachtoffers van het noodlot, het is niet waar, het is niet waar! Het gezond verstand komt er tegen op; de ervaring logenstraft het. Een gevoel van weebeid laat het drama, een gevoel van nog grooter weeheid dé roman na. Noodlot, als drama eu roman, behoort tot de ongezonde, totde zieke en ziekelijke literatuur. Eene verkwikking op al dat wille- en werkelooze gaf den volgenden morgen de lezing van A taie of two Cities : „Londen" — heet het daar o. a. — „Londen is de stad der drijvende visioenen, van de atmosfeer, waar feeën-nevels boven sluimerende schepen zweven in het licht der droomen. De harmonieën van grijs en geel en zilver en swart der nocturnes van Whistier treffen oog en ziel hier avond aan avond.

„Londen is souverein-mooi en grootsch en hoogmachtig. Het onverwachte ziet men er telkens, evenals het ongelooflijke en onmogelijke. Ze is zoo bezielend als de zee zelve... Ze is een'beweegkracht... Ze wekt 0p... Ze staalt... Ze maakt voor vermoeienis en duisternis onverschillig. Ze brengt hen, die liefhebben, nader tot één, want in die reuzenstad is het niet goed te leven, als men de hand kan uitsteken, zonder een vriendenhand te ontmoeten. Ze dwingt tot liefhebben, tot denken, tot werken, 't Is of het kloppen van die millioenen menschenharten te zamen een kracht vormt die men voelt, die meesleept. De nevelschimmen, die over de rnstelooze stad drijven, zijn schimmen van Noorsche helden en zeekoningen". ***

„Maar" — ik hoor de opmerking reeds maken — „personen, willeloos en werkeloos, kunnen bestaan, en het strekt den auteur juist tot eer die zóo voorgesteld te hebben als in Noodlot!" Dat alles is waar en zij toegegeven; maar de auteur is dan eerst auteur, dan eerst dichter en denker, als hij den achtergrond van het betere laat doorschemeren of aan het einde blinken, zelfs bij alle vernietiging, of als Ibsen den moerasgrond laat zien, waarop alle redeneeringen gebouwd zrjn. Shakespeare heeft niet alleen den mensch in zijn krachteloosheid (Hamlet eenigszins), in zijn verdorvenheid, in zijn wreedheid, kortom in al zijn slechtheid geteekend, hij verstond tevens de kunst en had het zedelijk bewustzijn om in de verwording van ieder der personen, in bet noodzakelijke van hun ondergang, te laten gevoelen, dat zij moesten ondergaan, opdat uit het slechte het betere kon geboren worden. De personen bij Shakespeare zijn geen schimmen en schaduwen; zij zijn allen strijders in en om het leven, en bovendien is ieder de afbeelding van zijn tijd. Gaan zij ten ouder, dan is de lezer of de toeschouwer overtuigd, dat dit hun eigen schuld is, dat zij wel degelijk een wil hadden, doch dat die wil te zwak bleek voor de omstandigheden, of, als zij reeds slecht van aanleg waren, dat de eene slechtheid de andere baarde. Doch bij geen enkelen der helden, zelfs niet bij de van aanleg verdorvenen, heette het in hun ondergang, dat zij er niets tegen hadden vermocht. Integendeel, zelfs bij een Bichard 111 komt nog zelfbeschuldigiug voor. Als hij gevoelt, dat hij ten onder moet gaan, wil hij niet. Hij biedt een koninkrijk aan voor een paard.

Gaat Hamlet ten onder door gebrek aan wilskracht, door al t<e veel denken, de toeschouwer, die hem ziet ten ouder gaan, begrijpt, dat het moest, heeft nog de grootste sympathie met den gevallene en fluistert eerbiedig mee: „Daar breekt een edel hart!" Hoor Hamlet in zijn overdenkingen over het raadsel : leven, over het zondige van zelfmoord, over bet zijn of niet zijn, tegenover de ziekelijke betoogingen in Noodlot Kan men dan ook, als een der personen in Noodlot door den ander met vele slagen en schoppen is doodgeslagen, zeggen: „Daar breekt een edel hart?" Ik geloof het niet. „Alles is misselijk ¦" mompelt men in de taal van den verslagene zelf. Want al de poezele en fiaweelige, poesmooie woordjes veranderen bij de vechtpartij dezer heeren in uitdrukkingen als: „misselijk, verdomd misselijk, vies!" Dat is hun krachtige taal. _ Een boek als Noodlot is nog ontzenuwender, zieker en nadeeliger van invloed dan het drama. Welk eene levensbeschouwing, welk een verderf voor het frissche leven, voor het vrije en gezonde denken, bevatten b. v. de laatste' uitingen va,n een ontmaskerd persoon, van den willelooze! Hij, die het onderspit moet delven (Bertie), zegt o. a. tot de bedrogenen (Frank) r „O, je begrijpt me niet; ik ben zoo gecompliceerd 1), dat je me niet begrijpt, maar probeer het even te begrijpen. Probeer dan even een mensch te zi.en zooais hij is, in al zijn troostelooze naaktheid, zonder conventioneele mooiigheid er om heen ! O God, ik zweer je, dat ik liever anders zou zijn .... Maar kan ik er iets aan doen, dat ik zoo ben ? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het te willen; ik denk, en ik denk anders dau ik zou willen denken, en zoo word ik geslingerd door het leven als een bal, als een bal. En wat heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te honden. . . P Wilskracht, geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt, maar ik heb nooit, nooit, nooit, zoo iets in me gevoeld, èn als ik wat doe, moet ik het zoo doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet!" Merk nu wel op, dat deze jonge man, verklarende geen wü te hebben, wel degelijk wil

1) Dit zegt Bertie in het drama ook, op het oogenblik, dat de een deu ander gaat doodslaan. Voor vechtersbazen dienen in 't vervolg catheders opgericht, om mooi te gaan spreken . „je begrijpt me niet, ik ben zoo gecompliceerd !•' om dan een dracht slagen op den gecompliceerdeu kop te krijgen.

heeft om een schurkenstreek uit te halen, te voren ze«r fijn uitgedacht, Heeft men dus alleen een Wii om het slechte te volvoeren en niet om naar het goede te streven ? En gesteld al eens, dat het noodlot, gelijk Couperus het wil, alle 's menschen handelingen bepaalde, zou dan niet een ieder verstandig doen om maar „bij de pakken" neer te gaan zitten, met de handen in den schoot ? Want wat zou, al ons doen baten ? Het noodlot zou ons toch beschoren.

Couperus laat .in den roman Frank zeggen, dat Bertie, de verslagene, in zijne doode levensbeschouwing gelijk had, en dit slotwoord is het grootste verderf, dat van het boek uitgaat. „Bertie had gelijk in zijn 'laatste woorden. Hij was een zwak mensch, zei hij, geslingerd door het leven, zonder wilskracht. Hij had geen wilskracht, zei hij. Was het zijn schuld, dat hij ei geen had ? Hij verachtte zichzelven, dat hij gemeene dingen gedaan had. Maar hij had niet anders gekund. Nu, ik vergeef het hem, dat hij zwak was, want hij kon niet anders, en we zijiallemaal zwak; ik ben het 00k.... O, wat gal ik er voor, als hij nog leefde; Ik hield van hem, eens, en ik zou hem nu zeggen, dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf...." Hoe stuitend, daar ieder lezer weet, dat Bertie zijne slechte plannen met veel slimheid uitgedacht en met overleg volvoerd heeft. Doch Frank noemt dit „filosofie!" Aan den geheelen roman, bijna niet in het drama, kan men merken, er wordt zelfs op Gezinspeeld, dat hrj onder herinnering aan Ibsen't Spoken, geschreven is. Zelfs een oppervlakkig booordeeJaar zal onmiddellijk verklaren, dat ivuodlot a-a Spoken niets gemeens heeft. Al hangt ook over den roman als het ware ecu hemel van regen, gelijk in Spoken, al komt ook telkens het sombere, het regenweer uit Noorwegen, uü Moidehei, terug, al plaatst een der personei zich ook na zrjn dood, door de herinnering tusschen twee anderen in, het heeft met Spokey niets gemeens. Ibsen ia ook geen pessimist; i:i heeft het zelf verklaard. Ibsen volvoert zelfs in zijn somberste drama's den strijd naar hei betere, tot het verdrijven der duisternis, om te komen tot het licht. leder drama van Ibsen i; een daad van zelfbevrijding, en ieder werk vat] hem wijst op en wortelt iv de maatsch

waarin hij leeft. Bij Ibsen, en voornamelijk in Spoken, slaat men een blik in zichzelven en ziet, dat zelfs wat men gezond waande ziek is. Het toont ieder overtuigend, dat men niet alleen verantwoordelijk is voor zichzelf en voor het heden, maar ook voor zgn nakomelingschap en voor de toekomst. Spoken spreekt van geen vernietiging, maar van het noodzakelijke van het afsterven van oude zonden, om in de toekomst een leven van licht en rein geluk te hebben. Wat is daartegenover Couperus' Noodlot? Een mistroostig, doodsch, nuffig en muffig heden. De toekomst ? .... Geene. Vernietiging van het heden.... een door en door zieke lectuur, verheerlijkt door mode en nuffen. # # .. * De kunst van schrijven, het fluweelachtige en het poezele en de mooie, dwepende, niysterieuse oogen van de hoofdpersoon zullen velen, vooral dames, het verstand verduisteren en met alles doen meegaan. En toch is deze kunst van schrijven en voorstellen ook op zichzelf meer gemaakt, soms onmogelijk, nuffig en ongezond. Ik wil enkele voorbeelden aanhalen: Twee gelieven nemen zich voor te sterven. De uitverkoren schoone spreekt: „Een zacht vergift, niets pijnlrjks. lets zachts en het dan samen te drinken en elkaar vast te omhelzen en dan dood te gaan, dood te gaan, dood te gaan.... Het zal heerlijk sijn. Het zal roze en zilver en goud om ons zgn, als een zonsondergang." Mierzoet!

Tweede voorbeeld. De vrijer van een meisje zit wegens manslag in de gevangenis. Dit meisje, gewend aan hallucinaties als aan periodiek komende hersenziekten, die weer vanzelve genazen, heeft, expres een gouden potloodje gekocht, met een almanakje, om daarin met „een blijden streep" iederen avond den dag door te schrappen, die haar de mooie toekomst naderbrengt, dat haar vrijer uit de gevangenis zal worden ontslagen. Dat mooie gouden, nergens anders voor gebruikte potloodje, hangende aan haar armband ... zegt veel. Deze voorbeelden zijn met vele te vermeerderen, vooral uit die gedeelten, waar de eenige dame spreekt van : „ik voel het zoo intens, zeo intens", en bijzonder, waar de twee heeren afrekening met elkander houden. *#* Wat meer bij/onder bet drama Noodlot betreft. ik ben, na de lezing van den roman en na nog eenmaal de vertooning van het drama te hebben bijgewoond, versterkt in de meening, dat de Heer Jaeger met het grootste talent van den roman een drama heeft gemaakt, doch dat hij er door den roman toe gedoemd is geweest een ouderwetseh zwart drama te schrijven, draaiende op de oude spil van achtergehouden brieven, met eene ruzie-scène aan het einde van een der bedrijven, voorts voorzien van moord en doodslag en een fonneele vechtpartij aan het slot, zoo echt en lang, dat men het hoofd er bij omdraait. Daar zwijgt de kunst en krijgt de politie het woord. Een paar versleten trucs van meiden en knechts, eerlijke en omgekochte, leiden het drama in en zijn hoog noodig voor de ontwikkeling. Erkend dient evenwel, dat de knecht in al zijne ledematen, zelfs tot in zijn tong, door het Noodlot verlamd schijnt. De grootste verdienste vaa den Heer Jaeger is, dat hij den roman niet in stukjes geknipt, maar zooveel mogelijk geconcepieerd heeft. Komisch is in het drama het optreden der paardrijderes en het terugkomen eener dame uit Roma, zoo blootshoofd maar, 's avonds in Scheveningen, op de villa van haar ruwen vrijer.

Is in den roman van karakter weinig sprake, in het drama nog minder. De eenige, die er negatief op lijkt, is de willelooze heer; de bedrogen vriend doet niet veel meer dan zich ongemotiveerd onhebbelijk tegenover zijn meisje te gedragen, ruzie te komen maken eu te vechten, terwijl het meisje en de ziekelijke heer gesprekken houden, die op het tooneel klinken als memoriën van toelichting. Ook is mij bij het bijwonen dér tweede vertooning het eerste bedrijf — als vertooning — het best bevallen, wat ik voornamelijk aan het schoone spel van den Heer Royaards en Mevrouw A. v. Biene- Poolman toeschrijf. Royaards vervult de rol van mensch zonder wil zóo voortreffelijk, dat zonder hem het stuk niet gegeven zou kunnen worden eu er misschien geen tweede acteur te vinden is, die hem dat uiterlijk' voorname, dat moeie, dat weemoedig sleclite, dat berekenend innemende, dat fulpe, dat mysterieuse en kwijuende nadoet. In het tweede bedrijf heeft hij oogenblikken, dat hij, door even heel flauw met de oogen te werken, ze op te slaan, door eene houding met bet hoofd, door een kox-- ten glimlach, zijn hoog spel laat zien. Aan het meesterlijk lijdelijk acteeren van Royaards is het te danken, dat men in hem het noodlot meent te zien. Mevr. v. Biene—Poolman verrast door afwezigheid van het rekkerige in haar spraak, dat soms haar spel ontsierde. Zij weet — slechts weinige oogenblikken laat het stnk dit toe — allernatuni-lijkst dartel te zijn, en de intieme tooneeltjes zeer mooi te spelen; bij enkele andere staat de routine, het dramatische en de pose haar in den weg. De Heer Jan C. de Vos heeft een persoon af te beelden, geheel onvolkomen geteekend. Waar hij te spelen heeft, in vertrouwelijke tooneeltjes met Mevr. v. Biene— Poolman, is hij de natuur zelf éM heeft hij iets innemends in de stem.

Groote waardeering heb ik hem echter, gelijk steeds, Hamlet uitgezonderd, toe te brengen als regisseur, niet zoozeer om het lagere, het technische, dan wel om het hoogere, inlellectneele gedeelte zijner taak. Alles is éen van toon en vol juistheid van opvatting, vol stemming. De meid in het eerste bedrijf b. v. is dat reeds. Men hoort aan haar, dat zij de meid is, en Mevr. v. Rossum kan anders nog wel eens de woordjes onderstrepen en erg tooneel-meidachtig zijn. Zoozeer als het spel, bijzonder het fijne spel, van den Heer Royaards, van het eerste bedrijf en de regie van het geheel mij hebben voldaan, zoo weinig de inhoud. Want hoe is het mogelijk, dat een vriend op allerdroefgeestigste manier met een pas verloofd meisje over den angst om haar geluk zit te teemen en dat meisje dan telkens de oogen ten hemel slaat of droef naar beneden staart! Is dat ccii verliefd meisje in de dagen, waarvan de dichter zingt:

O Mocht het eeuwig, eeuwig duren Die schoone tjjd, die zoete uren.

Zou een pas verloofd meisje niet eerder een loopje mefc dien vriend nemen, hem hartelijk uitlachen, iv plaats van in zak en asch te gaan zitten? Is men bij een jong geëngageerd paartje of in een ziekenvertrek ? Welk een gezonde kerel is de zieke jongeling van Jan vau Beers geweest tegenover dezen geestelijken zoon van Couperus. Hij verzuchtte nog op ziju ziekbed om de mooie meisjes, die bij vedel en t»-»_a aan het ~wierei> waren. De ander komt eene jonge bloem, als het engagement er e-eu door is, met bezorgdheid over het aanstaand geluk aan boord, met tranen en verzuchtingen. We« zenlijk, Feith heeft, tegenover de geestelijke kin. deren van Couperus, nog gezonde jongens da wereld ingezonden. Ze vielen wel om van sentimentaliteit, maar ze waren nog poëtisch en romantisch. En wat een held wordt de Karel uit het liedje van die dagen, de Karel, die Rosa minde, tegenover ieder persoon uil Noodlot, al koopt Karel ook een geweer, om „zich te bevrijden van de teere minneklacht." Werkelijk, dit liedje, zoo aandoenlijk aanvangende met» „Karel was arm.... en Rosa was rijk", krijgt thans nieuwe beteekenis. *** Omdat het drama zoo pover is en minder arm schijnt door de memories van toelichting, om te wijzen op het ziekelijke en het ouderwetsche, is, naar aanleiding van het drama, een oogenblik over den roman gesproken. Noodlot heeft met de richting van De nieuwe Gids niets gemeen. Het levenlooze, de dorheid en de valsche redeneering, het staan buiten het leven, worden eerst recht duidelijk, als men wijst op een zweem vanovereenkomst tnsschen Bertie, den willelooze, uit Noodlot, en Steerforth in David Copperfield van Dickens. Daar waarschuwt Agnes, die geen hoogvliegster was en weinig van de wereld gezien had, David voor Steerforth; in Noodlot zit een verstandig, bereisd meisje vol aanbidding te luisteren naar het relaas over geluk door den ontzenuwden vriend van haar aanstaande. David Copperfield gaat zijn weg door een wezenlijke wereld, met haar Uriah Heep's, haar onsterflijke Micawber's, haar aandoenlijke kind-vrouwtjes, haar brave Peggotty's en de droef misleide Emilie's. De jongere schrijvers mogen meer visie van alles hebben — zooals men dat noemt —-, een Dickens is nog noodig, broodnoodig, om uit al de kinderen der mode, conventie, gezochtheid, gewildheid, der psychologie, enz., te komen onder echte menschen, die doen schreien en lachen, onder menschen, misschien niet intens mooi, maar van een geslacht, dat geest en hart had, dat men nooit vergeet, en dat iv goede en booze dagen ons troostend, trouw en onvergete< lijk blijft. J- H. R.

Sluiten