Naar boven

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad

01-12-1881

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 6

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1863-1956
Periode gedigitaliseerd
  • 1863-1903 / 1947-1956
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 76
Nummer
  • 282
Jaargang
  • 30

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indisch Genootschap.

Indisch Genootschap.

's-Gravenhage, 26 October. In de gisteren avond onder voorzitterschap van mr. W. K. baron Van Dedem gehouden algemeene vergadering, was het onderwerp van behandeling de meermalen besproken quaestie over de verhouding van Indië tot N e d e r 1 a n d. Zij werd met groote nauwkeurigheid, zaakkennis en belezenheid ingeleid door dr. T. C. L. Wynmalen. Bpr. nam in de omstandigheid dat eerlang de Indische begrooting weder Ban de orde komt — met de daarbij geopende gelegenheid om Indië's belangen te bespreken — aanleiding, om als zijn overtuiging voorop te stellen, dat er, al moge ook de menigvuldige aanraking van het Plein met het Binnenhof te veel hebben doen afdalen in de onderdelen der koloniale huishouding, desniettemin, dank zij die inmenging der Staten-Generaal, veel is tot stand g ebracht dat tot zegen voor Indië is geweest, zoodat er dan ook een hemelsbreed verschil is op te merken tusschen Indië's toestand van tegenwoordig en dien bij de invoering der grondwet en van het rege.erin gsreglement.

Dit vooropstellende, meende spr. echter dat, zonder in het minst het vele goede voorbij te zien hetwelk voor Indië's belang werd tot stand gebracht in een ruim 25jarig tijdperk, ieder die geen vreemdeling is op koloniaal gebied toch zal moeten erkennen, dat de toestand der laatste jiren ver van alleszins bevredigend is. Hoe vaak werd niet vroeger in troonredenen en van de ministeriëele tafels met welgevallen gewezen op den voldoenden staat van ons» overzïesche bezittingen? Eu aan blijken van waardeering ontbrak het te onzent evenmin, vooral niet toen Indië schat op schat uitstrooide op den Nederlandschen bodem, en toen de kolonie, vroeger een lastpost, de voedster werd van het moederland, dat haar dan ook weldra luide verhief tot zijn plechtanker. Maar van een stemming en een geest, gelijk die zich in de laatste tijden meestal hebben geopenbaard, had men in vroeger jaren slechte zelden eenige taakenen aan te wijzen, en, wie daarmede de uitingen vaa het leven en denken der tegenwoordige Indische maatschappij vergelijkt, kan moeilijk den ernst van het oogenblik ontkennen. Er bestaan toch, zegt spr., daarginds grieven, ernstige grieven met betrekking tot een staatkundig en fiianciëel koloniaal beleid, tot b_-.uurs_aa.regelen en ook ten aanzien van hervormingen op ecDnomisch en sociaal gebied, waarven enkele alleszins gewenscht worden, doch tot dusver nog uitblijven; sommige nog steeds in de periode der voorbereiding of overweging ziju, terwijl andere zijn ingevoerd, in weerwil dat daartegen ernstige bezwaren werden en alsnog kunnen worden ingebracht.

Die grieven, hier in 't algemeen aangeduid, nu nader uiteeuzattende, geeft spr. daarvaa de volgende schets:

Man wraakt een fiaanciëale regeling tusschen moederland en koloniën, waardoor een onverdacht getuige historisch zich gerechtigd achtte „te boekstaven, dat vaa 1831—1878 van de Indische baten aan het Rijk minsten» 700 millioen meer zijn toegewezen dan het Rijk voor — of w ge..s 't bezit vaa — ladië uitgaf;" en de vraag wordt gedaan: „Met welk recht naastte N-_.riand die gelden?"

Men wraakt het opleggen vau nieuwe belastingen, waar de voorstaaders der belastingplannen het bewijs schuldig blyven, ofdat de Indische inkomsten nie>t meer voldoende zija voor da uitgaven, welke ten behoeve van Indië worden gedaan, of dat er in werkelijkheid in Indië weinig of heel veel minder wordt opgebracht dan in het moederland, of dat een vergelijking van hetgeen hier te lande met hetgeen in Indië voor genoten staatsdiensten wordt vergoed, eenige bevoorrechtiDg van Indië kan aanwijzen! Man wraakt het talmen met het scheppen van land- ca waterwegea, mat het aanleggen van irrigatie-werken in Indië, terwijl hier te laade, zonder buitengewone financieele maatregelen, aan spoorweg- en havenbouw en aanleg van waterwegen wordt gearbeid; men betreurt het dat daaraan voor ladië niet te denken valt, zonder dat men bier te lande aatstjnds gewaagde vaa een leening, liefst ten laste der kolonie, aan wier openbare werken ternauwernood eenige millioenen van de sedert 1831 genaaste Indische baten ten goede mochten komen.

De zorg voor 't onderwijs wordt gewaardeerd, doch een ernstige grief wordt er o. a. van gemaakt, dat in een geheel andersoortige maatschappij een schoolreglement werd ingevoerd, sctiier gecopiëerd naar onze onderwijswet van 1857.

Verheerlijkt wordt hier de afschaffing der rottingstraf, ca, ondanks een schier eenparig protest van de Indische autoriteiten, werd hier besloten de strafbepaling tegen het verbreken van dienstovereen komsten in te trekken; men bejammert het in Indië dat de moderne humaniteit wel schijnt te kunnen verdragen, dat nog maar niet krachtig de hand aan den arbeid worde geslagen ter verzekering van veiligheid en politie of ter verbetering van lang afgekeurde gevangenissen.

Men wraakt het gemis of de verloochening van een leidende gedachte bij zoo menige hervorming. Waar vraagstukken als de conversie, heerendiensten en landrente aan de orde worden gesteld, vclgt de eene gouvernementscirculaire de andere op, doet de eene regeling de andere te niet, of maakt de eene regeling de andere verward; toen o. a. dezer dagen het oude conversie-vraagstuk opnieuw ter tafel werd gebracht, moest, als lot bevestiging van Van der Hoeven's ciritelgang der manschheid, een debat ei digen met een gedachtenwisseling over afkoop van heerendiensteu : een onderwerp reeds lang \óór de conversie-quaestie op degelijke wijze behandeld, d_.ch tot heden onopgelost gebleven. Het stelsel der cultures op hoog gezag vond _ler to laad* onverholen afkeuring, doch men verdenkt in tad'ë de oprechtheid van veler «delijke verontwaardiging, daar het blijkt, dat rij den moed niet hebben het uit ie werpen, naar het gedeeltelijk behcudcn nevens een vrije cultuur, hoewel elkf.nders natuurlijke vijanden, omdat beide concurrent zijn op de arbeidsmarkt en een geheel verschillenden socialen toestand onderstellen en helpen vormen. Tiet streven naar intellectueele en moreels «rheffirg van den iiiboorling wordt luide verkondigd, maar het zou daarmede, meent men daarginds, zeker geen schril contrast vormen, »oo men teven ernstig te rade ging om ingrijpende maatregelen te treffen tegen het'zedelijk ondermijnea van de Javaarscbe bevolking doer de verstompende en verdierlijkende opium. En terwijl men over een ca ander, en nog tooveel meer, luide zijn stem verheft in de Indische pers, die de afspiegeling is van het leven ca denken ("er Indische maatschappij, wratVt men hier, behoudens enkele gunstige uitzonderingen, de stemming daarginds, ergert zich hierover, of smaalt op de oi.tevreleuheid dt? kolonie, en voeg. daardoor aan de reeds bestaande grieven een nieuwe toe. Volgens spr. is dan oek het feit niet te loo«henen, dat in Indië, om nu biet te zeggen een bedenkelijke geest van ontevredenheid faeerscht, maar toch een r-penbarirg van gedachten en werschen waar te neman valt, te errstig Om tr medelijdend de schouders voor op te kalen als waren lij ds aandacht niet waard, . se toe te schrijven aan gebrek aan vaderlandsliefde.

Hij wil volstrekt niet de wijze, waarop meermalen die grieven ontwikkeld worden, in bescherming nemen, maar — er moet een poging worden beproefd tot wegnetning, zoo niot van alle, dan toch van de voornaamste grieven. Maar hoe?

Wat moet pt gedaan worden? Z. i. sou reeds _n tent* st-p tot den vrede tijn een ondercoek dier grieven, en zulks als eisch een . geronde st -tkunde; het beklag zelf worde niet verdacht of met voorname verachting bejegend, do_h evenmin ook overschat. Men onderzoeke m . ernstigea wa&rheidssin de oorzaken der ontevredenheid en stelle eea onderzoek in naar de middelen tot een soo mogelijke wegneming der grieven. Bn men vergete daarby ni.t, voorgelicht door de lessen der koloniale geschiedenis, welke bittere vruchten het voor de bezitters en wetgevers van groote en rijke landen over zee heeft opgeleverd, waar zij da eischen en behoeften des tijds, waarven de vervulling van hen terecht mocht _;• wacht worden, hebben miskend.

Dese overweging brengt spr. tot de vraag s welke weg er bij voorkeur dient ta worden ingeslagen, ten einde otze roeping ln bet Oosten t 66 te vervullen, dat men aan ons bezit aldaar recht lats wedervaren. Is daartoe invoering of intrekking van dezen of genen bestuursmaatregel wel voldoende? Hij betwijfelt dit. Veeleer verdient z. i, overweging, of er niet een ingrijpende wijziging moet plaats hebben in de dusver bestaande verhouding tusschen Indië en Nederland; Of niet de toepassing der beginselen, die daaraan ten grondslag liggen, nadeelig terugwerkt, zoowel op de politiek, door .derlard tegenover lud'ë gevolgd, en op een g.id ca riehtig beheer zijner fr ancien, als op de Indische staatshuishoudirg in 't algemrei en op de stemming die in de Indisch Europeesche maatschappij wordt waargenomen. En soo kwam spreker tot ('o meer bepaalde beschouwing van Indië's betrekking tet Nederland, en van de denkbeelden en de tot dusver gehuldigde beginselen daaromtrent, in ééa woord i bet tegenwoordig standpu.Lt met de vraag daarnevens, of men zich dasrvan moet losrukken en een ander richtsnoer satn.-men.

Van de zeer uitvoerige schets van de tegenwoordige verhouding, toegelicht door het gevoelen van vele uitnemende staatslieden en schrijvers, worden hier slechts de algemeene gedaehtengang en de hoofdpunten vermeld, b. v. i

Maakt Indië tegenover ons Rijk een afzonderlijk geheel uit, een eigen organisme vormend door herkomst en historie, en waaruit over en weder verplichtingen ontstaan? Is het een deel van ons Rijk en zelfs het grootste deel er vaa? Of is het een wingewest, dat aan ons onderworpen is, om ons cijns te betalen, en heeft het geen anderen band met Nederland dan om diens schatkist met de vrucht Van zijn arbeid te dienen ?

Is ladië, gelijk Elout in Juli '54 in do Tweede Kamer vroeg, een domein ten bate van moederland en 's lands kas, of een kolonie, dit tot ontwikkeling van den bijzonderen handel en de bijzondere nijverheid en landbouw en tot vestiging van bijzondere personen moet dienstbaar wezen, waarop Pahud een poging aanwendde om te betoogen dat het een het andere niet uitsloot?

Nergens vindt spr. bij de verschilletde au. toriteiten door hem geraadpleegd (Thorbecke, Lenting, De Louter, Kuyper, Heemskerk Az., Pekelharing, De Sturler, De Waal en vooral C. Th. v. Deventer) eensluidende antwoorden of oplossingen, veeleer lijnrecht tegen elkander overs aande meeningen, of liever eene staalkaart van meeninzen.

Men oordeele: Er zijn er, in wier oog Indië ten win ge» en i», welke stelling zij meenen dat „op historische gronden berust", hetg _n echter door anderen als „h storisch onjuist" wordt gewraakt. Weder anderen beschouwen onse Ocst-Indische bezittingen noch als wingewesten, noch als koloniën, zocals de oudheid ds eene en de andere kende, maar als bezittingen, verkregen deels door de wapenen, deels uit kracht van verdragen, bezittingen alzoo van gemengde herkomst. Naar veler oordeel bestaan er ook afdoende redenen, die de Nederlandsche regeering moeten weerhouden Indië als wingewest te beschouwen en aan dat begrip de beginselen van bestuur voor Indië te ontleenen. Huns inziens moet die uitdrukking talfs als in meer dan één opzicht gevaarlijk worden veroordeeld, hetgoen echter niet algemeen wordt toegegeven; er zij* er die haar juist „eigenaardig aan den werkelijken staat van zaken beantwoordende" keuren. Doch hoe dit zij, op de bepalingen van ons geschreven staatsrecht komt het voornamelijk aan. Hier trad spr. in een breedvoerige uiteenzetting van de bepalingen der grondwet en hetgeen daaraan is voorafgegaan; van de poging der negen mannen, om in de grondwet als beginsel op te nemen, dat het koninkrijk der Nederlanden vcor een deel ook ligt buiten Europa; van het verzet daartegen geopenbaard; van het verschillend gebruik dat gemaakt wordt vnn art. 1 der grondwet, hetzij naast of wel tegenover art. 118; in één woord van het groote meerinesverschil, dat uit het geschreven recht niet schijnt te kunnen wordeu op- Dan rijst de vraag: aan welke zijde zich te scharen? Sprekers meening is uitgedrukt in deze Wanneer men de geschiedenis, de verschillende phasen onzer Grondwetsherziening nagaat, dan moet erkend worden, dat zij, die ecu geheele omkeering van hegirsden verlangd hadden, geenszins hun zin kregen, evenmin als rij, die voor het behoud der toen bestaande begiEselen gestemd waren. Geen organisch geheel werd er verkregen, geen zuiver systeem doorgevoerd. Man herinnera zich hoe Thorbecke zelf, met 't oeg op de ervaringen tijdens de herziening opgedaan, wel eeLS sprak van „denzelfden schroomvall:gen angst, — de wijze meiscben zeggen voorzichtigheid, — welke aan een rond stelsel van „koloniale wetgeving" zoolarg in den weg was, Letgeeu ook z. i. bleek uit het stelsel der regeering dat „geheele afwez:gheid van begr'p en begiLSil verraadt." Dit nu brengt spr. nog even terug op den strijd tusschen artt, 1 en 118 der Grondw.t, waaruit nader wordt aangetoond, hoe eigenlijk de tegenwoordige veihouding of toestand is. Deze wordt aldus gekarakteriseerd;

H t denkbeeld o_ Moederland en Kolenie tot één rijk samen te binden wordt aanvaard, doch voor de pr act ijk onschadelijk gemaakt; met de eene hand wordt teruggenomen wat mot de andere wordt gegeven ; met a. w. het beging ol der e e u he id wordt aangenomen, doch aanstonds beroofd van gevolgen. Wel êêa, maar h!s gevo'g daarvan (als in Frankrijk) ook tot een evenredige'medewerking van het ééne deel van het Rijk tot de wetgeving van het geheel) daartoe kwam het niet) evenmin tot gelijkmatigheid in ce belastingen en in het genot der middelen ter bevordering van volkswelvaart on volksgelnk. En 166 wordt een stelsel gehuldigd van halfheid, van geven en nemer. Is hetgeen verdedigd wordt goed enindeprac'ijk uitvoerbaar, waarom het dan niet aanvaard met al zijn eons.quentiëi.? Blijkt het echter niet deugdelijk te zijn, wat reden is er dan om het niet te laten varen f Zulk eea toestand is waarlijk niet geschikt om vertrouwen te vestigen; veeleer zal het een gevoel van wrevel eo weenin opwekken, dat men In plaats van een ror.d stelsel van koloniale wetgeving te aanvaarden, bapalingen in 't leven roept ca oester digt, die, daar zij geen practisohe gevolgen kunnen hebben, als minder dan niets beteekenend kunnen worden gebrandmerkt. Die opvating l.ddt hem daa ook tot de vraag: of niet juist een dir oorzaken van de Indische grieven daarin ligt, dat men hier omtrent Indië's verhouding tot Nederland wèl een hervowniig ziet tot stand gebracht, maar daarbij een logisch, wel dooi dacht plan mist; dat men als 't ware beginselen erkent, zonder er tevens de gevolgen van te willen. M_tr afgescheiden nu nog van het geschreven staatsrecht omtrent de verhouding, vraagt spr. of men die verhouding juist teeket_t, waar men zich die kolonie als deel van dea moederstaat voorstelt, als behoorde zij tot het rijk der Nederlanden. Hij denkt het tegendeel en vindt een in zich zelf bestaand en afgeslote* rijk hier en een bezit over zee. Er kan ook wel gesproken worden van een historisch recht van Nederland a's veroveraar, doch de zelfzuchtige machts betrekking moet allengs eene beschermingsbetrekking worden. Welke coiclusie volgt nu bij spr. uit deze praemissen, en, als 't ware, uit den ganschen omvang van zijn betoog ? Hieruit volgt, zegt hij, dat vóór alles een staatkunde moet worden in practijk gebracht, waarmede een exploitatie stelsel onvereen igbaar is; een staatkunde, die ons tot een zedelijke opvoeding der aan ons bestnur onderworpen volkerengroep dringt; een staatkunde die ons, den rentmeester, de verplichting oplegt, Indië niet om pn fijt van winst, maar te zijnen meesten bate te beheeren en Indië bet eventueel innemen van zelfstandiger positie mogeli.k maakt, zoo het eens aan'aard mandaat — hetgeen God verhoede — moest worden nederlegd. Noodwendig dient dan ook beider huishouding ï.i.t dooreengewa:d, doch geheel van elkaar afgescheiden te worden; die van het moederland moet in zich zelf afgerond en bfgeslotea yijn, terwi.l eveaeens het bestuur ca beheer der overzetsche bezittingen overeenkomstig haar belang, natuur en aard, een zelfstandige inrichtii g behooren te vertoonen, waarbij elke valsche vermenging met het moederland worde vermeden, vooral wat de financieele huishouding betreft. Haar zelfstandige financieele positie moet dan worden erkend; uit de productie van eigen maatschappij worde betaald wat te haren behoeve wordt ten koste gelegd; geen vaste bijdrsge; batige sloten evenmin; alleen mag uit Indië's middelen worden genomen een restitutie van wat ter beatrijJing der kosten van ons bezit aldaar wordt uitgegeven, zonder ons verder eenig excedent toe te eigenen. Elk tere op eigen kracht. Indien Neder'and de kracht mist om eigen staatskosten uit eigen mideen te bestrijden, dan geraakt de eerbiediging van zijn zelfstandigheid in gevaar, en doet het tevens Indië tekort. Waar het bo ve n de restitutiesom, over de rechtmatigheid waarvan geen verschil van gevoelen kan bestaan, verder eenig excedent of hoe men 't ook moge noemen, zich wil toeeigenen, ontvangen of aannemen, spreker zou het als Nederlander niet dan met schaamte en als Christen met een onvoldaan geweten zien, zoo de nationale waardigheid zich daardoor niet beleedigd mocht achten.

Wordt de door hem aangewezen weg ingeslagen, Indië's verhouding tot Nederland dus opgevat en al haar consequentiën aanvaard, dan bestaat er, zegt spr. ten slotte, althans de kans dat Indië gelooft aan onze oprechtheid, en kans om te bereiken wat prof. Veth (Java deel II) zoo gaarne wenschte, namelijk om aan het bestuur eenheid en vastheid te geven, en te verhoeden dat heden worde afgebroken wat gisteren was opgebouwd; „den bM'd der eenheid tusschen het moederland en de Nederlandsche kolonisten weder te versterken, en te voorkomen dat door de wijze waarop hier de belangen van Java beha 'deid en raak miskend worden, een geest van ontevredenheid en verzet worden wakker gehouden, die meer kwaad kan stichten dan nu nog te berekenen vah".

Ofschoon sprekers rede niet met bepaalde conclusiën eindigde, zoo werden naar aanleiding daarvan, de volgende punten ter bespreking voorgesteld:

I°. Een onpartijdig onderzoek naar en een zooveel mogelijke tegemoetkoming aaa de grieven, door de Indisch-Europeesche maatschappij voorgedragen, is eisch eener gezonde staatkunde.

2°. De toepassing van de dusver gehuldigde beginselen omtrent de verhouding tusschen Nederland en Indië werkt, blijkens de ervaring, nadeelig terug zoowel op de algemeene politiek, door Nederland tegenover Indië gevolgd en op een richtig beheer onzer financ ën, als op de Indische staatshuishouding in 't algemeen en op de stemming der Indisch-Europnepohe maatschappij. B°. Indien Nederland een eerlijke en rechtvaardige staatkunde tegenover Indië wil volgen, behoort het te breken met hetbatig-saldo stelsel, onder welken vorm dit ook in practijk worde gebracht, en nauwgezet het restitutie stelsel toe te passen.

Over een en ander had een vrij uitvoerige gedacfc4en*meUBgpU_atal waarvan de hoofdtrekken hier worden medegedeeld Hoewel deze punten van beraadslaging in dneen waren gesplitst, werd toch nog een algemeene discussie gevoerd over hun verbaal en samenhang en ook met het oog op inhoud en strekking der inleidingsrede. Zoo stelde de heer Kobidé v. d. Aa op den voorgrond, dat b. v. over punt n°. 1 —de erkenning dat een onpartijdig onderzoek en zooveel mogelijk tegemoetkoming aan rechtmatige grieven, eisch is een«r g _onde staatkunde. — wel nietfln-1 eenig bezwaar zal opperen. En zoo waren ook de volgende stellinzea over het wenscheH.Ve eener betere verhouding tusschen Ned. en Ind.'ë. vooral op fira^ciëel gebied, enden aandraag tot een meer rechtvaardige financieele staatkunde als uit rija hart gesneden. Het is de uitdrukking van het steeden sedert jarender liberale koloniale T>oliti°k. Minder kon hij zich vereenigen met de doctrinaire bp.chonwiriren nopens die ver bonding eeput uit de Grondwet. Ware er quaestie van ttrondwetshergiening, het zou ziju *-ut ku"«sen >-ebhen de artt. 1 en 118 en andere te verduidelijken of in Vreter verband te brengen, maar op dit oogenblik althans bes'aat het voornU_sl(.ht tot gnndwetsherzienlng niet. En gesteld dit ware wèl zoo, dan nog sou daardoor de verhouding van N"d»rland tot Indië green haar beter worden, en Indië's grieven sullen er niet doer verdwijnen. Met groot genoegen heeft hij ?ohter het slot der rede, de peroratie aangehoord en de aanbeveling eener behoorlijke fkanciëele afsoheidlng, zonder varmenging van kas of overstorting, van alle overschotten in één kas. Op dit punt is hij het geheel eens, maar wenschte te verneme» cf er tussehnn de

-*!»'«■' van Tidië en dit laatste deel deï rede ('e fi-s-'-'ë _e afsoheiding) Werkelijk verband bfttaat. Het antwoord van den heer Wijnmalen hierop luidde bevestigend, maar vooraf dankte hij voor de erkentenis van het bestaan der grieven in Indië en de noodzakelijkheid harer wf-ceming. In de Staten-generaal heerschte dat billijkheldsgevoel niet) getuige b. v. de qualitk-tie der adressen tegen de patentbelasting, souden zijn voortgevloeid uit gebrek a«._r" vaderlandsliefde. >.n wat nu het streven der lihera'e kol. politiek betreft, soo bewijfelde hij of die poliMek wel altoos gunstige gevolgen heeft gehad, en nog in 1873 heeft de geachte voorzitter aan de liberale partij daarover de lss gelezen en haar gemis aan een vast plan, am een afgerond stelsel, waaruit onsamenhangende maatregelen voortvloeiden, scherp voor oogsn gehouden. Wat bptreft den historieehen grondslag zijner rede heeft hij het eenheidsbeginsel tusschen Ned. en Indië als 't beginsel d»r liberale partij gekenschetst. Bi eenheidstheorie echter, uitvloeisel van het revolutionaire begrip, is voor hem en voor de anti revolutionaire partij niet te aanvaarden. En nu he_t hij doen uitkomen: dat de eenheid Btheorie alleen gevolad is waar het de dubbeltjes, de g^ldquaestis, betrof zonder de overige consequent _n van hst eenheidsbeginsel ta aanvaarden, en dat is z. i. de doodsteek voor een gezonde staatkunde ten opzichte van Ir,dië.

Sluiten