Naar boven

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad

07-02-1884

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 4

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1863-1956
Periode gedigitaliseerd
  • 1863-1903 / 1947-1956
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 76
Nummer
  • 33
Jaargang
  • 33

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PERSOVERZICHT.

PERSOVERZICHT.

In het Indisch Weekblad van het Recht van Maandag 4 Februari 1884 komt een stuk voor van den heer mr. C. Th. van Deventer getiteld: „De Inlandsche Militairen en het koninklijk besluit van 18 October 1882, n°. 26 {Staatsblad 1883, n°. 54). De heer v. D. geeft een overzicht van de in ons blad gevoerde polemiek over het feit dat een te Semarang in garnizoen zijnd Boegineesch soldaat voor deu politierechter te recht stond waardoor de Compagnie Boegmezen van dat garnizoen zich zeer ontevre« den betoonde; een polemiek die om langdradigheid te voorkomen, uitgesloten werd. Zij was geopend door Koelo Sampejan (zie Loc. 15 October 1883) met „Een noodkreet uit het leger-." Koelo Sampejan beklaagde zich in den vorm van een adres aan den Koning over de noodlottige gevolgen, die het in werking treden van het koninklijk besluit van 13 October 1882, Staatsblad 1883 n°. 54, voor de inlandsche militairen had na zich gesleept. De militaire gelederen toch, worden daardoor opengesteld voor dwangarbeiders en een smet gebracht op het Indische leger. Straf door eigen officieren volgens eigen wetten geve men den militair. Judex Civilis trachtte eenige dagen laten den geest van dit stuk te weerleggen onder den titel „Een troostwoord aan hel leger." Hoewel sympathie koesterende voor het krachtig ontwikkeld eergevoel dat uit Koelo Sampejans stuk sprak, achtte Judex Civilis de zienswijze daarvan niet de ware. Naar zijn meening was door de invoering van het koninklijk besluit, opgenomen in Stbl. 1883 n°. 54, voor inlandsche militairen de noodzakelijkheid niet geboren, om gewezen dwangarbeiders als kameraden aan hun zijde te dulden. Want art. 1 van dit besluit, hoewel het op personen aan de militaire jurisdictie onderworpen, de bepalingen van het algemeene strafrecht toepasselijk verklaarde, liet toch uitzonderingen toe, als de niet ingetrokken bepalingen van het C. W. L. en hieronder art. 21, luidende: Wanneer eenig militair ecu burgerlijk delict mocht hebben gepleegd, waarop een straf gesteld is welke hem naar militaire grondbeginselen ongeschikt zou maken om verder in den militairen dienst te blijven, zal de militaire rechter gehouden zijn, om, boven de s-raf op de burgerlijke misdaad gesteld, hem \ <oraf van den militairen stand vervallen te verklaren. Steunende op dit artikel komt J. C. tot de slotsom dat de toepassing van een burgerlijke straf op een burgerlijk misdrijf, voor den militair nimmer vernederend kan zijn; want alvorens die straf te ondergaan, dient de onder haar termen vallende militair eerst uit de gelederen verwijderd te worden. Dit is van 1850 af, volgens J. 0. de vaste jurisprudentie van het Hoog Militair Gerechtshof van Ned.-Indië geweest. Hard moge het zijn; maar de eer, het gehalte van het leger worden er door gesauvegardeerd en dit zal wellicht tengevolge hebben, dat de overheid, die er prijs op stelt goede soldaten in het leger te behouden, er toe komen zal de bepaling, die zij te kwader ure introk, weder in het leven te roepen: dat inlandsche militairen, ook wegens burgerlijke misdrijven kunnen verwezen worden tot de straf van detentie. De beschouwingen die de redactie van de Locomotief in haar mailoverzicht van 20 October aan de quaesties wijdde, waarbij zij op het verband wees tusscheD deze ontevredenheid der Boegineesche militairen en het koninklijk besluit, dat inlandsche militairen, om zekere misdrijven voor den civielen rechter bracht en tevens het geneesmiddel van J.C. laakte, omdat toch niet aan elk misdrijf waarop bij den civielen rechter kettingstraf staat, verwijdering uit de gelederen kan vooraf gaan, lokten een tweeledig protest uit van J. C. Volgens dezen heeft het koninklijk besluit alleen betrekking op het materiëele, doch brengt het geenerlei verandering in het for>neele recht. De beschouwingen van onze redactie „dat de Begeering zelf tegen een veelvuldige verwijdering uit de gelederen veel bezwaar zou hebben" mochten zijn's inziens bij den rechter geen gewicht in de schaal leggen als derde kampstrijder trad nu Judex Militaris op (zie Locomotief van 24 en 25 October Een wanbegrip). Zijn beschouwingen wijken sterk af van die van Koelo Sampejan, dien hij terdege a faire neemt, wegens zijn heterogeen begrip van eer. In hoofdzaak komt hetgeen hij tegen Koelo Sampejan's zienswijze aanvoert, hierop neer: Eer is geen deelbaar iets, heeft geen verschillende eigenschappen die bijv. overgaan op den militair als militair en den burger als burger. Eer is iets dat beiden als kenmerkende hoedanigheid cif bezitten öf niet. De soldaat is vóór alle dingen burger. Zijn rechten en verplichtingen in de groote burgermaatschappij blijven behouden, hetgemeene strafrecht dat die maatschappij beheerscht, beheerseht ook hem, overal waar de bepalingen van het militair recht—dat van nature exceptioneel! is— ophouden. Logisch volgt daaruit, dat, wan-I neer een inlandsch militair een commun delict f' pleegt, bijv. diefstal, hij ook conform de bestaande bepalingen van het gemeene recht door den krijgsraad wordt gestraft met dwangarbeid buiten deti ketting. Het is volgens J. M. een wanbegrip, dat Koelo i Sampejan aan de straf vau dwangarbeid buiten I den ketting of aan die van ten arbeid stelling aan de publieke werken een onteerend karakter toeschrijft. Het misdrijf, niet de straf onteert. Eindelijk, veel is weggenomen van het sfootende der straf door de circulaire van den Directeur van Justitie van 22 April 1872 no, 1069, aan de Hoofden van gewestelijk bestuur, waarbij zij aangeschreven .worden, die straf, opgelegd' aan militairen welke niet voorzien zijn van een briefje van ontslag uit het leger, te laten ondergaan binnen de muren der burgerlijke gevangenis. J. M, had het gelukkiger gevonden zoo K. S. tegen de rottingstraf te velde ware getogen, want vinden zijn denkbeelden ingang, dan blijft er niets over dan hen, die voor diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, kwade administratie etcveroordeeld zijn, vervallen te verklaren van den militairen stand. Vooral tegen deze door J. M. gebezigde uit» drukking trok een „Hoeloebalang van het Indische Leger" inde Locomotief van 30 October weder te velde, met echte Hoeloebalangs onstuimigheid. Voorts acht hij het overbodig en ook een gevaarlijk werk om onzen zuiver inlandschen militair aan het verstand te brengen dat hij ook Nederlandsch Staatsburger is. In dat geval zou hij zich tot den gewonen koeli verlaagd achten, en zich niet meer voelen de „orang kompani." Laat de militaire kastegeest toch intact bij den niohammedaanschen, inlandschen militair, Na het optreden vaa dezen vierden kampioen, sloot de redactie van de Locomotief het strijd, perk. Zij bepaalde zich in haar mailoverzicht vin 27 October tot de mededeeling, dat de Besident van Semarang gelast had: dat de militairen die voor den civielen rechter verschijnen moesten, tot een geldboete zouden veroordeeld worden, blijvende zij overigens onderhevig aan de militaire straffen door den militairen rechter opgelegd. Tempering der ontevredenheid zou dit besluit ten doel hebben. Is de wet echter daarmee op zij geschoven, dan zou volgens de Bedactie der Liocomotief fiiale intrekking verkieselijk zijn. Het vervolg van dit artikel zien wij met belangstelling tegemoet.

Sluiten