Naar boven

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad

06-05-1901

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 12

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1863-1956
Periode gedigitaliseerd
  • 1863-1903 / 1947-1956
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 76
Nummer
  • 102
Jaargang
  • 50

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mr. C Th. Van Deventer over een Kamer voor Nederlandsch-Indië.

Mr. C Th. Van Deventer over een Kamer voor Nederlandsch-Indië.

De voorzitter van het Indisch genootschap, de Heer Mr. G. Pijnacker Hordijk, opende 2 April de gewone vergadering meteen herinneringawoord aan wijlen Prof. Van Der LUh.

Ofschoon het niet de gewoonte is in hel genootschap gewone led.n te herdenken wenschte hij ditmaal een eerbiedige hulde te brengen aan dezan doode. Het was hier de plaats nist om te wetenschappelijke verdiensten van den overledene te herdenken, no.h om, wat spr., die zoovele jaren hem kende anders gaarne zou doen, huide te brengen aan de bescheidenheid, hulp vi digheii en aodere goeds eigenschappen die den overledene he •>■ Maar wel scheen het hem gepa?t met dankbaarheid to herdenken wat wijlen Prof. Van Der Lith voor dit genootschap i^an. Minder in de taat'ita jaren, maar v heeft hij ten aanzien van vele \> onderwerpen de leden trachten voor te lichten op een wyze. die zijn voordrachten in dankbar, n blijven. De a.awezi^en gaven Blyk taet-teiui. den ter eere van de na^a bchtenis van den betreurden dooie ten voile in te st_nanen. Daarna hield de Heer Mr. C. Th. Van Deventer zijn voordracht over Ein Kamen voor Nederlandsch-Ind'.ë. Zijn inleidingswoord knoopte zich ook als vanzelf vast aan een weemoedige hulde aan de nagedachtenis Lith, die in lSv'B ia dit genootschap ov, wetgevende macht inliet moederland tot bef centraal bestuur in Ned.-Indië liet vvoerde, kort nadat Prof. De Louter ove centralisatie in Ned.-Indië had gesproker. Dtoen door wijlen Prof. Van Der Lith verde digde invoering van een Kolonialen Raad werd warir bestreden door don MiuisUr Van G.'.t stem. ~'eide onderwerpen dringen o*k nu weder naarden voorgrond, de vraag nl. of er, en zoo ja hoe verbetering behoort te wor len gebracht in de werkin» der moederlandsclic welgaving van Ned.-Icdië en het decentralisatievraagstuk, dit nog onlangs n. a. het ontwerp der Regeering door Mr. D. Fock hier werd behandeld. Beide vraagstukken behooren bij elkatder als uitvloeisels van eenzelfde overtuiging, rit. dat niet in den toestand van het oogenblik moet worden berust. De voorstanders van decentralisatie zullen moe-^ ten erkennen, dat daardoor het ideaal nog bij lange na niet is benaderd. Niet alleen in ladië schuilt het kwaad, maar ook in N land en al wordt de zorg voor locale belangen meer dan tot dusverre toevertrouwd aan het Indisch bestuur en de Indische ingezetenen, dan zal nog steeds het grootste bez-, blijven bestaan, dit over de voornaamste Indische belangen in hoogste instantie wordi beslist door een vergadering, welker leden slechts bij uitzondering eenige grondige kennis van Indië bezitten.

Spr. stelde 'ijk voorop dit wij voor een moeilijkheid staan die in haai heelen omvang niet voor oplossing vatbaar is, omdat zij voortvloeit uit het historisch verband dat nu eenmaal bestaat tu-sciien den Nederlandsehen Staat en zijn overzeesche nederzettingen. Waar desouvewiuiteit van Ned.-ludië behoort tot de attributen van den Ne derL Staat, daar moet ook npodzakelijk de uitoefening dier souvereiniteit plaats hebben volgens de regelen, welke bet geheele samenstel dier staatsgemeeaschap beheerschen. Die regelen komen ten slotte alle neder op het beginsel dat geen enkel* daad van souvereiniteit wordt verricht zonder medewerking van of zander dat daarvan verantwoording verschuldigd is aan do vertegenwoordigers van bet Ned. valk. In den bestaan len staatsvorm, en spr. kan zich niet voorstellen dat verandering daarvan gewen'cht zou zijn, zullen de verte^enw digers van het Ned. voik steeds de bev heid hebben om op de behartiging van In belang toezicht te houden, van die bet: ging rekenschap te eischen en _ver dat be te beslissen. Erkennende dus de juistheid van den grondslag waarop bet thans geldend staatsn trent de verhouding tusschen Nede Ned.-Indië berust, was daardoor ni dat aües wat op dien grondslag is opgetrokken als onvermijdelijk :/.oet worden geaccepteerd of ais van voortreffelijke architectuur behoort te worden bewonderd. Hebbende Staten- Generaal vóór zij, overeenkomstig hun bevoegdheld, behalve de uitdrukkelijk in de Grondwet genoemde onderwerpen, ook tot zich trokken ere onderwerpen van koloniaal belang, waarvan hun een wettelijke regeling wenscheiijk toescheen, — o. a. de begrooting, da agrarische aangelegenheden, de i arieven van in- en uitvo.r eu de mijnwetgeving, — hebbon zij zorg gedragen tot hun vergadering krachtens wettelijke waarborgen en dus blyvend naast de bevoegdheid, ook de kennis hebben zou om over dergelijke het Indisch bestuur en de Indische maatschappij beheersciiende aangelegenheden te oordcelen en te beslissen 1

Op die rechtsvraag in den hooger, iiet woord moest het antw nend luiden. De samenstelling der Staten nerail geschiedt zonder eenig verband met den Indischen werkkring waarin zg zich hebbei. te bewegen. En toch heeft de vergadering, die uitsluitend met het oog ep Nederlandsche belangen is saa ingesteld maar tevens is aangenomen ook op Indische belangen toe te zien, .estreetd naar beperking van haar kolonialen werkkring tot het strikt noodzakelijke. Bet belangrijkste deel der Indische wetgeving is afhankelijk van de directe medewerking van het Nederl. Parlement en door middel van het begrootingsrecht dat de Nederl. wetgevende macht aan zich zelfheeft toegekend,oefent de volksvertegenwoordiging rschtstreeks invloed uit op alle bestuursaangelegenheden. Het belang van Ned.-Indië w rdt bij den bestaanden rechtstoestand niet vol' doende verzekerd.

Spreker wees er o. a. op dat het in Juli 1900 ing.diende gewichtige ontwerp der bi stuursdecentralisatie nog niet in de afdeelingen is kunnen worden onderzocht. Oo d lijd voor de openbare behandeling van de vi ijziging der Comptabiliteitswet zal wel opbreken, ofschoon de beginselen van financ; politiek voor Indië even belangrijk ziju al<* de oude wetgeving voor Nederland. Ook wees spr. er op dat het wetsontwerp in Sept. 1897 ingediend ter uitvoering van het voorschrift van art. 74 al. 2 der Comptabiliteitswet, om wettelijk te regelen de bestemming v*n voordeelige en de voorziening in de dekking van nadeelige sloten van vroerekening.n nog niet eens in de afdeelingen der Tweede Kamer is onderzocht. Die regeling moest voor de eerste maal geschieden over 25 jaar, van 1867—1891, doch het slot der i 1891 staat nog altijd niet wettelijk vast, ofschoon een daartoe strekkend ontwerp in Februari 1895 bij de Tweede Kamer is ingediend. Zóó wordt de door de wetgevende macht zelf gevindiceerde controle over ds uitvoering __r begroolingen — zonder Wette üuull'i' vgroot_ager__«>__- indardaai geheel oiseus is — door haar verwaar. niet te zeggen verzaakt. Het gebrek aan tjd ii de eenige verklaring voor deze nalatigheid. Aau voorstellen om tot verbetering te geil ett h t niet ontbroken, ring is z. i. alleen te verwacht» . van e. u regeling die inkrimping van den ko.rbeid der Staten-Generaal mogelijk . D .ze is door de instelling vm een seerenden raad niet te verkrijgen. Beperking van dien arbeid, binnen zijn natuur'ijke grenzen, ts alleen te verkrijger indien een deel van dien arbeid overgaat op een nader orgaan, een college bestaande uit met ladiê bekende personen, even onafhankelijk van ds Regeering a's van de Staten- Generaal zelf, met gewaarborgde openbaarheid harer overlegging, dat zich aitstuitend met Indische zaken zal hebban bazig te houden. Dat dergelijke regeling practisch uitvoerbaar is bewijst het Engelsche staatsrecht. Wat de plaats betreft door dergelijk lichaam in ons staatsrecht uit te oefenen, het zou niet mogen dsrogeeren aan het beginsel der ministeriëele verantwoordelijkheid. Ook de Minister vaa Koloniën zou verantwoordelijk moeten blijven aan de Voiksvertege_,woordigi .g en de verkregen instemming van hA Indisch college zou die verantwoordelijkheid niet opaeffen. De verantwoordelijkheid zou van een ander systeem moeten wezen in plaats van preventiet, repressief dat ita lij uitzondering zou worden toeg_- De Staten-Generaal zouden moeten neslisindien tusschen Kroon en het nieuwe lichaam gien overeenstemming kon worden verkregen. Eveneens als er Indische belangen van eoo overwegenden aard zijn dat de Volksvertegenwoordiging haar repressief toezicht daarvoor onvoldoende acht en die binnen den machtskring van den rijks wetgever wenscht te houden. Maar dergelijke gevallen zullen wel steeds uitzonderingen blijven. De inste'ing van een afzonderlijk lichaam, welks bevoegdheid over Indische zaken ongeveer gelijk zou zjjo aan die van de Staten-Generaal thans, zou B.i. tot groote verbetering van den bestaar, toestand leiden. De begrooting en alles wat __'di_ch_ wetgeving betrett zou door t' 1. geering, ni verkregen overeenstemming met het nieuwe lichaam, worden vastgesteii en geregeld en alleen in buitengewone geva!len zou de wetgever als hoogste staa* gaan, óók voor Indië zich doen gelden. Hoe de leden van die Kamer voor N Incië te kiezen ? Het meest afdoende zou zijn, door de ingezetenen van Ned.-Indië, maar bij de geringe ontwikkelingvan het public': ven in Indië is dit middel voorloopig niet voer toepassing vatbaar. Eu zelfs al ware het wel toe" te passen, zou spr. het onraadzaam vinden, want voor de goede werking van een vertegenwoordigend stelsel, moeten er verbanden voelinj bestaan tusschen k:ezers en gekozenen en dat is feitelijk onmogelijk, waar, zoo-,er, tusschen zetel van het vertegenwoordigend lishaam an de woonplaatsen der kiezers, ecu jialve wereld zou liggen. Liten we lieken ge<r__t in Indië ter zijner tijd r benutten vo_r bet tot stand brengen van eon vertegenwoordiging in Indië zelf. Maar waar het nieuwe college in Nederhnd moet ietelen, waar het noch door de Kroon/ noch door de Tweede Kamer, noch door de ingezetenen van Ned.-Indië benoemd moet worden, en toch moet voortkomen uit rechtstreeksche keuze van personen in Ned.-Indië die Indië kennen en boven alles geacht mogen worden in Indië belang te steilen, daar blijft niets anders over dan da keuze op te dragen aan de in Nederland woonachtig en tot kiesrecht bekwame oud-ingezetenen van Ned.-Indië. Die kiezers zouden bevoegd moeten zjjn tot het kiesrecht voor de Tweede Kamer der St-G., ingezetenen van Nederland, die ten minste één jaar achtereen ia Ned.- Indië hebben doorgebracht. Ten slotte de grondwettelijke vraag. Spr. voor zich ziet niet er tegen op, waar het noodig mocht zijn, de Grondwet te herzien. Maar daar velen er kippenvel van krijgen, is het van praktisch belang of voor de instelling van de *Kamer van Ned.-Indië" Grondwetsherziening noodig zou wezen. De Grondwet nu zondert alleen van het uitsluitend regelingsrecht der Kroon uit de regeeringsreglementen, het muntstelsel en de comptabiliteit. Verder kunnen d-or de wet worden geregeld alle andere onderwerpen 200 dra daaraan behoefte blijkt te bestaan. Spr. vx>r zich had de overtuiging dat de Grondwet de instelling toestaat. Hij eindigde zijn belangrijk» voordracht met te wijzen op het ethisch beling dat zij die zich in Indië verdien .telijk hebben gemaakt in de Kamer van Ned.-Indië neg zouden kunnen medewerken tot ontwikkeling van lasulinde, de belangstelling zou blijven bestaan ook bij de Indische kiezers en opgewekt worden bij anderen en zoodoende zou Indië de vruchten plukken van den door hem aanbevolen maatregel. Op de inleiding volgde debat. Den Heer Engelbrecht lachte het denkbeeh zeer toe. Doch z. i zsu het niet uitvoerbaar zijn zonder grondwetsherziening. Voor vel. Aangelegenheden zou de Kamer niet dan eer adviseerend lichaam zija tegen den eigen wensch des inleiders. De Heer Mr. J. A. Levy meent dat de inleiding en het debat een bij uitstek afcademisch karakter draagt, liet iï niet aannemelijk dat binnen een afzienbaar tijdperk schijn of zweem van toepassing van het denkbeeld te bekennen zal zijn. Spr. meent dat de practische werking der Kamer van Ned.-Indië niet zou nneten zijn zuiver ethisch, maar ze zal moeten nagaan : hoe komt men aan bet geld om de noodig bevonden Indische belangen tot verwezenlijking te brengen. Dus zal steeds op den voorgrond treden de vraag of een noodig geöor deelde Indische hervorming mag afstuiten op de noodige financiëele middelen. De Kamer voor Ned -Indië zal dus voortdurend moeten aandrineen om meer uit de zakken der Nederl. belastingschuldigen te krijgen voor Indië dan thans het geval is. Daardoor zal een antagonisme ontstaan tusschen Nederland en Indië, tusschen wie niet enkel een band bestaat, maar waarvan de Grondwet zegt dat Indië een deel uitmaakt van Nederland. De Heer Mr. Fock ging wel met inleiders grondgedachte mede. Spr. heeft reeds in de artikelen in Het Vaderland aangetoond, dat de Staten-Generaal riet behoorlijk de Indische zaken behartigen. Maar spr. houdt vast aan zijn denkbeeld van den Kolonialen Raad en kan niet meegaan met de Kamer voor Ned.-Indië, die z. i. door den inleider zonderling wordt samengesteld De Heer Van Ko) acht het onderwerp geen academisch, maar een practisch onderwerp, dat moet opgelost worden nu gestreefd wordt om de belangen van Tndip t.«> hehartigen. In de verre toekomst zou een lud'sch parlement het meest rationeel zijn. Het denkbeeld van den inleider acht hij voor 't oogenblik onbereikbaar. De beste oplossing acht spr. thans invoering van een Kolonialen Raad. De Heer Van Sandick meent dat een groot bezwaar tegenwoordig is de onvoldoende voorbereiding der wetsontwerpen. Onbevoegd kan men de Tweede Kamer niet noemen of men moet dit ook doen voor tal van andere onderwerpen. Maar de belangstelling voor Indische zaken is geringer omdat het den kiezer overschillig is hoe een Kamerlid over koloniale onderwerpen spreekt; hèt heeft geen invloed op zijn herkiezing. De Heer Quarles Van Ufford begrijpt evenmin waarom een Koloniale Raad niet zou deugen en minder wenschèlijk zou zijn d~n een Kamer voor Ned.-Indië. Door Mr. Van Deventer werd aan de sprekers dank betuigd voor hun belangstalling Allerminst bedoelde sp*\ eenig antagonisme tusschen Indië en Nederland in 't leven te roepen; zijn doel is veeleer meer eensgezindheid te bewerken. Het is intusschen een feit dat het antagonisme bes-aat in Indië en ook in Nederland, getuide de rede van Mr. Levy. Het antagonisme wordt gewoonlijk opgewekt als gewezen wordt op het zwakke punt van de meeste menschen: de beurs. Spr. heeft gezegd dat onder normale omstandigheden de financiëele zorg aan een lichaam in Nederland kan toevertrouwd worden, en gestreefd worden om tot een sluipende begrooting te komen. Juist omdat de toestanden nu abnormaal zijn is dat niet het geval, Engeland heeft nooit nit Indië geld gelrokken om in eigen belangen te voorzien. Daar werkt de Council of India dan ook voortreffelijk zonder tot antagonisme aanleiding te geven. Spr. ontvouwde nader zijn bezwaren tegen den Kolonialen Raad als zuiver adviseerend College. In Engeland is hy dit niet, daar er overeenstemming moet zijn omtraDt de financiën. Spr. bestreed verder de bezwaren tegen ijjn stelsel, waarop nog replieken volgden. De voorzitter dankte den inleider voor zijn tot nadenken stemmende voordracht.

Sluiten