Naar boven

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad

30-11-1897

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 8

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1863-1956
Periode gedigitaliseerd
  • 1863-1903 / 1947-1956
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 76
Nummer
  • 279
Jaargang
  • 46

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wagneriana. (*)

Wagneriana. (*)

beschreven voor De Locomotief.)

V. Bayreuth, 15 Augustus 1897. vatuat mijn verwachtingen ten aanzien vr Rheingold-oipxoering hoog, zeer °S gespannen waren, zal ik wel niet J^r behoeven te verzekeren. Misschien {0 s bet daaraan toe te schrijven, dat, Cl §>lsteren-avond, na bijna drie uren en met de grootste aan<L ' geluisterd en toegezien te hebben, j,-^ schouwburg verliet, de stemming tb 2°° Jut>elend was, als na uitvoert 011 *"e Bayreuth het geval pleegt te > ja, dat sporen van teleurstelling y te miskennen waren, er viel wederom veel te ge- or |_en. De korte introductie van het ij0 jjest, een in den aanvang rustige, \yoc^ langzamerhand meer bewegelijk V 0 r"*ende opeenvolging van hoogst een- W* 'ge aceoorden, doch die juist door 'tghÜ grooten eenvoud zulk een uitste* pf: ** voorbereiding vormt voor de H *eve toestanden waarvan de toe»°üwer zoo aanstonds getuige zal »> maakte een verrassenden indruk. W^ was als werd men plotseling in oen atmosfeer van on- lid en reinheid en toen, na weinige uten' het scherm zich opende, scheen va «aast natuurlijk dat men den bodem de Rijn en het daarover stroomen- J^ater voor zich had. t6tl Usschen rotsgevaarten en waterplan'Üke p°r' rezen en daalden de bekoor- Rijndochters in het doorschijnend «en * alS menschelijke visschen in Wüi r6usachtig aquarium!), sierlijk de Hm met de blanke armen, terwijl den rvth •VoeteD neerhangende gewa- volt Ch heen en weder wiegelden(l 2' °]lcooien in overeenstemming met Vr noogst ongewone en toch niet <i eind schijnende toestanden, klonken a eerste tonen van het beurtgezang <je hefelijke waternimfen, natuurgeluide > zich vervormend tot spraakklanken, lnt overgang vau de ahsomuziek naar het gezongen woord : Weia t Waga 1 Woge, du Welle, Walle zur Wiege! "Wagalaweia 1 Wallala, weiala weia! r ontbrak niets aan. Elk der drie l\ij^?ressen die de moeilijke rollen der e6jJ vervulden, beschikt over ttls .^eerlijk, klankvol geluid en, schoon 'le le<*ere stem op zich zelf reeds was, W^onzang was toch nog het verruk- S*' en der meest treffende oogen- V^UK n Vörmde de eerste verschijning \h Rijngoud. Een zonnestraal baant «H .een weg door de waterstroomen \w°et het goud dat, in een rotsge- Wotse,. gevat, eerst onzichtbaar was, e) § stralend te voorschijn komen. e Rijndochters, den aan haar zoréf et°evertrouwden schat ontwarend, hek vriend met uitbundige vreugde,, terwijl zij om de door goudglans ro*s heen zwemnien, e<l k het driestemmig gezang, ooren arten streelend, van haar lippen:

Rheingold 1 Rheingold 1 Leuchtende Lust, 'e lach'st du so heil und hehr t e PartiJ van Alberich werd goed \Ben en zeker niet minder goed 'I. eDe Locomotief van 12 November geacteerd en zoo leverde dan het eerste gedeelte van Rheingold, het tooneel op den bodem van den Rijn, inderdaad niets dan hoog genot op.

Doch bij het tweede tooneel, dat, na het verdwijnen van Rijn en Rijndochters, uit de nevelen voor ons oprees, een machtig berglandschap, verblijf der zich eeuwig noemende goden, konde hooge stemming niet stand houden. Er is in het optreden dier goden, van Wotan in de eerste plaats, zooveel weerzinwekkends, dat het onmogelijk is voor hen eenig ontzag, eenigen eerbied te gevoelen. Zeker stond de dichter voor een moeilijke taak.

De overlevering spreekt nu eenmaal van een door Wotan tegenover de Reuzen begaan verraad en dit vergrijp moest, ook in het moderne gedicht, als tragische knoop dienst doen. Daardoor was dus de dichter genoodzaakt, zijn hoogst verheven held, den opperste der goden, dien hij, vóór allen, met majesteit en macht zou willen toerusten, al dadelijk te doen optreden in het weinig aantrekkelijk karakter van een. bedrieger.

Doch terwijl het nu, naar ik in alle bescheidenheid meenen zou, zijn taak had behooren te zijn, om dit eenmaal onvermijdelijk element van zijn tragedie zoo min mogelijk afbreuk te laten doen aan de waardigheid der Wotan?figuur, door bijvoorbeeld den god aanstonds als een berouwvol zondaar ten tooneele te voeren, dan wel door hem van den aanvang af zijn fout te doen erkennen en te doen pogen, het gepleegde onrecht te herstellen, zien .wij, bij de eerste ontmoeting, den opperste der goden in bewondering voorde door de reuzen gebouwde burcht; hooren wij hem pralen op het werk, waarvan hij zich zelf de eer toekent, en vernemen wij, als zijn eegade Fricka hem in herinnering brengt, dat nu ook het door de reuzen bedongen loon moet worden betaald, tot onze niet geringe verwondering, dat de heer der verdragen het met zijn woord niet nauw denkt te nemen: und Freia, die gute, geb ich nicht auf : nie sann dies ernstlich mem Sinn. Dat hij deze woorden wel ernstig meent, wordt bewezen, als onmiddellijk na het uitspreken ervan, de reuzen Fasolt en Fafner hun loonkomenopvorderen ln plaats van, als eerlijk man, ronduit, te zeggen,dat hij een belofte heeft gedaan die hij niet kan nakomen en te trachten de overeenkomst gewijzigd te krijgen, zoekt hij, tegen alle begrippen van goede trouw in, de gesloten overeenkomst als niet ernstig gemeend voor te stellen en ontziet hij zich niet de tegenpartij nog te bespotten op den koop toe: Wie schlau für Ernst du achfesl, Was wir zum Scherz nur beschlossen 1 Die liebliche Göttin licht und leicht, •Was taugt, euch Tölpeln ihr Reiz ? Geen wonder voorwaar, dat Fasolt daarop antwoordt: Höhnst du uns ? Ha 1 wie unrecht! Het komt Wotan's waardigheid geenszins ten goede, dat hij met al dat gedraai voornamelijk ten doel heeft, tijd te winnen. Meer dan eens hooren wij hem zijn verlangen naar de komst van Loge uitspreken. Wel slecht genoeg om het gegeven woord zonder een zweem van hartzeer te schonden, hapert het hem aan het verstand, dat noodig is om zijn boos opzet uit te voeren. Eerst als Loge eindelijk komt, herwint Wotan zijn zelfvertrouwen, doch niet hij, maar Loge is het, die de kastanjes verder uit het vuur haalt. Ook Wotan's houding tegenover den ring doet geheel onnoodig naar mij voorkomt, afbreuk aan de majesteit zijner figuur.

Dat hij dien ring, met list en geweld, rooft — het is zeker niet zooals het behoort, maar er zijn verdedigingsgron - den. Het bezit van den ring was nu eenmaal noodzakelijk om Freia uit de handen der reuzen te bevrijden; bovendien zou het de opperste macht verzekerend kleinood nog minder gevaarlijk zijn bij de domme reuzen, dan bij den geslepen, heerschzuchti^en, voor niets terug deinzenden Neveling. Maar dat Wotan, den ring geroofd hebbende, dien voor zich zelf wil houden, terwijl toch de reuzen, zoo duidelijk mogelijk, »das Rheingold, roth und licht" als losprijs bedongen hebben — dat is wel de jammerlijkste streek die de heer der verdragen kan begaan. Zouden wij hem anders wellicht nog hebben kunnen aanzien voor een overigens edeldenkend man, doch die, in een oogenblik van zwakheid meer beloofd hebbende dan hij houden kon, zich genoopt /iet, om erger te voorkomen, een hem zelf tegen de borst stuitende handeling te plegen, nu beginnen wij te vermoeden dat ontrouw en bedrog zijn tweede natuur zijn.

In het schilderen der andere goden en godinnen is Wagner, over het algemeen, evenmin gelukkig geweest. Fricka doet niet veel anders dan jammeren en kijven en gelijkt daardoor meer op sommige ons uit de Fliegende Bldlter bekende vrouwentypen, dan op het statige godenkarakter dat zij moet voorstellen. Van het Rijngöud hoorend, vraagt zij dadelijk of het kostbaar kleinood ook door een vrouw kan worden gedragen en als Loge, dc vraag bevestigend beantwoordend, er bijvoegt daf het dan tevens een afdoend middel is tot verzekering van »des Gatten Trou", lacht zij voor de eerste en laatste maal. —

Donner, Froh, Freia, het zijn allen onbeteekenende figuren, die, met uilzondering van de uitsluitend passieve Freia, zonder eenig gevaar voor de handeling, zouden kunnen worden gemist. De eenige onder al deze wezens van hooger orde, die zich door iets waarlijk buitengewoons onderscheidt, is Loge, de god van het vuur, voorgesteld als de verrader der andere goden, doch in waarheid hun redder. Hij is verstandig, hij is geestig en, niettegenstaande al zijn cynisme, weet hij zeer goed te onderscheiden tusschen recht en onrecht. Van het Rijngoud verhalend, verzuimt hij niet te doen uitkomen dat Wotan eigenlijk, zou moeten zorgen het goud weder lot de Rijndochters te-doen terugkeeren, al schept hij er ook een zeker behagen in dat Wotan, met al zijn macht, die daad van rechtvaardigheid niet plegen kan. Tusschen Loge aan den eenen en al de overige goden aan den anderen kant is inderdaad een zóó groot verschil, dat wanneer Loge, tegen het einde van Rheingold over zijn medegoden sprekend, zegt: Fast scham ich mich mit ihnen zu schaffen, zijn oordeel ons niet overdreven voorkomt. De muziek van Rheingold is overweldigend schoon, een waar wonder van plastische toonkunst vol afwisseling, rijk aan melodiën en verrassende harmoniën, schitterend in één woord. Toch zou ik mij als een slecht aanhanger van de door Wagner-zelven gepredikte leer doen kennen, indien ik, terwille van de groote schoonheden in het muzikaal gedeelte, de gebreken van het gedicht voorbij zag of zocht te vergoelijken. Het woord en de muziek zijn nu eenmaal in de kunst van Wagner niet te scheiden en het hooge genot dat deze geweldige meester ons zoo dikwijls heeft doen smaken, is alleen dan bereikbaar, indien beide elementen aan de hoogste eischen voldoen.

Aan dergelijke overwegingen dan was het toe te schrijven, dat, ondanks de onvergelijkelijke schoonheid van het eerste tafereel en het vele dat daarna, vooral op muzikaal gebied, nog te bewonderen viel, de eindindruk niet geheel bevredigend kon zijn. Ook — de uitvoering kwam mij af en toe voor wat mat te zijn en daar dit vooral het geval was met die gedeelten, waarvan mij de tekst het minst beviel, kan ik de gedachte niet van mij afzetten, dat ook de vertolkende artisten den invloed van het niet ten volle geslaagde der poëzie ondervonden. Niettegenstaande zijn machtig geluid, zijn onberispelijk zuiveren zang, zijn voortreffelijke dictie, kon Anton van Rooy mij niet «pakken" en, ofschoon hij fraai gebouwd en ver boven de middelbare lengte is, had hij voor mij niets imposants, zelfs deden de voorname houdingen van dezen godenkoning en vooral zijn- dikwijls herhaald beroep op de heiligheid van gedane beloften mij meer dan eens glimlachen. Daarentegen wist de tenor Heinrich Vogl, als Loge, te boeien en te treffen. Wel een bewijs, van hoe grooten invloed ten deze het gedicht was, want als zanger beeft Vogl, die de Logepartij reeds in 1876 te Bayreuth zong, zijn besten lijd stellig achter den rug, terwijl van Rooy, behalve door tal van andere goede eigenschappen, juist aantrekt door die heerlijke frischheid van stem, die alleen der jeugd eigen is. Vau harte hoop ik, dat de twee avonden die volgen, hem de gelegenheid zullen aanbieden een aan zijn schitterende gaven en groote kunstvaardigheid evenredigen indruk te weeg te brengen. C. Th. Van Deventer. (Wordt vervolgd.)

Sluiten