Naar boven

Java-bode : nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indie

26-01-1861

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 10

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1852-1957
Periode gedigitaliseerd
  • 1852-1897 / 1949-1957
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 47
Nummer
  • 8

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een woord, ter gelegenheid der op handen zijnde

Een woord, ter gelegenheid der op handen zijnde ontmoeting der Oud-Gouverneurs-Generaal, J. J. Rochussen en Mr. A. J. Düymaer van Twist, op het veld van vrijen arbeid, door Mr. J. R. Couperus, voormalig raadsheer in het Hooggeregtshof en lid van het Hoog Militair Geregtshof van Nederlandsch-lndie. [Slot.)

Thans zijn wij gekomen tot de laatste paragraaf van art. 56, die luidt: dat alzoo worde voorbereid eene regeling, steunende op vrijwillige overeenkomsten met de betrokkene gemeenten en personen, als overgang tot eenen toestand, waarbij de tusschenkomst des bestuurs zal kunnen worden ontbeerd.

Daarin wordt den voorstanders van vrijen arbeid op Java een verschiet, maar ook «niet meer dan een verschiet geopend, waarin opheffing van de nu nog noodzakelijk geoordeelde tusschenkomst van het Bestuur, in de verre toekomst eenigennate zigtbaar wordt. Iv die zesde of laatste paragraaf heeft zich toch, volgens de verklaring van Mr. Couperus, de Regering slechts verbonden dan tot opheffing van het kultuurstelsel en invoering van vrijen landbouw arbeid op Java over te gaan, wanneer het voldoende zal gebleken zijn, dat door de bij de wet hepaalde vijf zuiver in gs-maatregelen van h.et kultuurstelsel, langs den langzainen weg van voorbereiding en daarop volgende overgang, het kultuurstelsel ondoelmatig en onhoudbaar is. Het kultuurstelsel moet zich dus van zelf, door voortgaande zuivering, zonder gevaar of schade voor Regering of den Javaan, in vrijen arbeid oplossen. Eerst dan belooft de wet het eerste door het laatste te zullen vervangen. Zoo nu verklaart Mr. C. art. b 6, 60 en 6-2 van het Regerings-reglenient, en besluit op grond daarvan, dat de naar zijn inzien te volgen verdere weg de navolgende is: 1°- dat regt op vrijen arbeid , ter zake van landbouw °P gronden, waarop de Inlanders eenig regt van eigendom, erfpacht als anderszins, kunnen doen gelden, in geenen decle kan steunen op het tegenwoordig werkend «egerings-regletnent; en dien ten gevolge niet kan verdedigd worden de stelling, dat naast de Gouvernementskukures, uit dien hoofde, grondwettig kunnen bestaan vrije ondernemingen, steunende op vrijwillige overeenkomsten^met de betrokkene gemeenten en personen, waarbij de tusschenkomst des Bestuurs kan "Worden ontbeerd;

2°. dat evenwel dusdanige ondernemingen grondwet tig behooren bevorderd te worden, en wel op dusdanige wijze, dat later Gouv ern emen t s-k ultures en partikuliere nijverheid naast elkander kunnen bestaan, en. zells bij geheele intrekking der Gouvernements-kultures. geen gevaar ontsta, dat partikuliere nijverheid de welvaart van Nederland en Koloniën eenïgermate kan in den Weg staan ;

s°. dat het onderling verband tusschen het Gouvernements-kultuurstelsel en de partikuliere nijverheid van dien aard moet zijn, dat het Gou v ern cm en ts-k ui tuur stelsel in alle gestrengheid moet worden in stand gehouden, en der partikuliere nijverheid zoodanig terrein moet aangewezen worden, dat deze twee thans geheel in beginsel tegen elkander strijdende stelsels, niet met elkander in aanraking kunnen komen dan alleen daar, waar het bestaan der Gouvernements-kultures geen gevaar kan worden aangebragt; 4". dat in de toepassing van het kultuurstelsel eene zuiverheid moet aangebragt worden, die. niettegenstaande de belangen der Gouvernements- Kultures en der partikuliere nijverheid in beginsel tegenover elkander staan, evenwel moet aantoonen , dat in werkelijkheid dusdanig onderling verband ln die twee stelsels kan aangebragt worden zonder elkander vijandig te zijn; 3. dat daarom de vrije in dustrie op alle mogelijke wijzen moet bevorderd worden, zonder eenig denkbeeld van systematische tegenwerking ten yoordeele van eene kwalijk opgevatte strekking van het kultuurstelsel;

6". dat op grond van dien de uitgifte in huur van woeste gronden al dadelijk met kracht moet Worden in de hand gewerkt, steeds met het oog de daaromtrent bestaande, dan wel nader te verbeteren, regeling; 7°. dat daarentegen al dadelijk voor den vervolge met kracht moet worden tegengegaan het sluiten van overeenkomsten met de Inlandsche bevolking omtrent het bebouwen van hun toekomende gronden voor Partikulieren, of het uitsluitend leveren aan hen van bijzondere grondstoffen, zonder tusschenkomst des Bestuurs, dat is zonder diens dadelijke meewerking; evenwel met eerbiediging van reeds ve^regen regten; • dat evenwel het sluiten van dusdanige overeen- Komsten met tusschenkomst, dat is dadel ij ke medewerking des Bestuurs. voor den vervolge moet Devorderd worden, daar waar zy in het minst geen gevaar kunnen te weeg brengen aan de instandhouding der Gouvernements-kultures; Ji. dat die tusschenkomst, die dadelijke medewerking des Bestuurs, bij bet sluiten van dusdanige overeenkomsten, moet geregeld worden door eene koloniale ordonnantie van den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met de bevelen des Konings. en geenszins moet overgelaten worden aan de hoofden van Gewestelijk Bestuur;

lOr dat dusdanige regeling zoo spoedig doenlijk moet vastgesteld worden, zonder juist den tijd af te wachten, dat de zuivere toepassing van het kultuurstelsel reeds geboren zal zijn; 11". dat dusdanige regeling geheel en al in harmonie moet zijn mei de zui verings-maa tregelen door de wet aangegeven;

12°. dat alle bepalingen, strijdig met de vorengenoemde beginselen , en in bijzonderheid de Publikatie van 1838, zoo spoedig doenlijk worden opgeheven, en door anderen, daarmede overeenkomstig worden vervangen;

13. dat zoodra die zuivere toepassing van het kultuurstelsel werkelijk verkregen zal zijn, de tusschenkomst, dat is de dadel ij ke medewerking des Bestuurs, zal worden opgeheven, en moet plaats maken voor eene kontröle van het Bestuur over die zonder d a del ij k e m e d e w e rk i n g des Bestuurs te sluiten overeenkomsten;

14". dat alzoo in de toekomst wordt geboren een toestand van vrijen arbeid ter zake van landbouw, overeenkomstig art. 57 van het Regeringsreglement;

15. dat, zoodra onverhoopt mogt gebleken zijn, dat alle deze middelen ongenoegzaam zijn, ter bereiking van dit doel. en alzoo werkelijk zal aangetoond zijn, dat het kul tuu rstelsel on houd baar is, door de Regering wordt genomen het initiatief tot regeling dezer aangelegenheid bij de wet. 't Spreekt van zelf, niet allen zullen het eens zijn met de verklaring van Mr. Couperus. Dit zal vooral blijken uit de diskussien in de Tweede Kamer over genoemde artikelen. In tusschen betwijfelen wij het niet dat die verklaring, waarvoor wij de lezing deibrochure verder aanbevelen, velen in staat zal stellen om de te verwachten diskussien. in een levenskwestie van het hoogste belang voor de toekomst van Java, juister te beoordeelen. Daarom gaven wij onze beknopte zamenvatting daarvan.

Sluiten