Naar boven

Java-bode : nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indie

31-03-1871

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 5

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1852-1957
Periode gedigitaliseerd
  • 1852-1897 / 1949-1957
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KB C 47
Nummer
  • 77
Jaargang
  • 20

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Open Antwoord.

Open Antwoord.

„Tegen al dat vague en onbestemde in de wet van De Waal kan ik niet strijden," zegt Mr. J. R. Couperus in de bijlage ') van zijn rekest aan de Eerste kamer der Staten generaal. En toch, de minister verlangt een strijd — een pennestrijd — over zijn koloniaal stelsel. 2) Wanneer ik dan ook nu, — dat „vague en onbestemde" J ten volle beamende —, hier aan de uitnoodiging van den minister zoowel als aan de uwe gehoor geef, doe ik zulks in de eerste plaats als belanghebbende, in de tweede plaats ten bate van het algemeen belang, zooals zulks door mij begrepen wordt. En nu ter zake. Nederland ziet over 't algemeen in Java een tweede Kanaiin, overvloeijende van suiker en koffij. Het gebied van het suikerriet vindt men vooral op den alluvialen bodem. Het strekt zich uit tot eenige honderden voeten boven de oppervlakte der zee, maar blijft, als gewas voor de groote kuituur, steeds onder de 1000 vt. hoogte. Het terrein voor den koffij-heester of-boom, voor zoover hij in het groot wordt aangekweekt, ligt, met weinig uitzonderingen, tusschen de 1000 en 4000 vt. hoogte. Boven de 4000 vt.,—alles in ronde getallen genomen, — worden de zoogenaamde Wildhout-bosschen gevonden. Deze wouden bevatten vele boomsoorten vermengd; djatiehout zal men er echter te vergeefs zoeken. Een groot gedeelte van den tijd zijn ze, met nog vele lager liggende gekultiveerde streken, geheel in wolken gehuld en van verre aan het gezigt onttrokken. De Wet van 8 April 1870 wijst in haar eerste hoofddeel (Alinea I) naar dat verheven en uitgestrekt terrein, dat van 1000 tot meer dan 4000 vt. Java's bergreuzen omgordelt. Zelf niet gemeenzaam met het ruime veld bekend, waarover zijne regeling zich zou uitstrekken, is het tot ongeluk van Java en Nederland gebleken, dat de minister niet als Mozes het talent had, wetten te maken voor een land, dat hij door eigen aanschouwing slechts uit de verte kende. Wel heeft Java zijn Nobo,'zijn teekenen van donderen bliksem, maar een Sinaï, met een in de wolken onzigtbaren Jehova, heeft onzen hedendaagschen wetgever niet ten dienste gestaan. Het Oostersche Erin wacht ook tot heden nog steeds zijn Gkdstone onder zijn overheerschers, om in eene voor uitvoering vatbare landwet eene betere toekomst te gemoet te gaan. Toch had, ook zonder deze laatste, de Agrarische wet met haar achteraan komend Kon. Besluit en ministeriële missive aan den Gouverneur-Generaal niet zulk een doolhof

1) De brochure: De Agrarische toet van den Minister l)e Waal, en hare toepassing volgens Fransen van de Putte, ter vierschare gebragt voor de Eerste Kamer der Staten Generaal, 's Hage bij Susan, 1870. 2) Volgens de Indische Landbouw Courant no. 12 van 1869, deed hij daartoe uitnoodigen in de Economist van Januarij (1869?)

behoeven te zijn, dat Ariadne's draad zelf hier ware t< kort geschoten. Maar ik ga verwijten en ben dus ook verpligt redenen daarvoor bij te brengen. Allons donc. Op den voorgrond stol ik, dat het nu hoofdzakelijk mijn doel is, een voldoend antwoord te vinden op de beide vragen: A. Zijn er op Java gronden, die voldoen aan alle door dei minister De Waal gestelde, al of niet bij name genoemdl vereischten, om in erfpacht te worden afgestaan? B. Zoo ja, voldoen die gronden zelf en de voorwaarden waarof ze verkregen kunnen worden, ook aan de vereischten, die dl kontraktant ter andere zijde daaraan moet stellen, met hè oog op eigen belangen en voordeel? ad A. Aan die vereischten voldoen niet en wordeu alzoo ook niet in de erfpacht begrepen (Art. 9, v. h. Kon Besluit van 20 Juli 1870, Ind. Staaisbl. No. 118); a. gronden waarop anderen regt hebben, indien zu ongenegen zijn zich van hun regt te ontdoen; b. gronden, naar de inzettingen der inlanders als gt wijde beschouwd; c. gronden voor openbare markten afgezonderd, of vool de openbare dienst bestemd; d. gouvernements-koffijtuinen. e. djati en andere houtbosschen, de laatste voor zoovel zij onder geregeld beheer zijn gebragt; ƒ. gronden, gelegen binnen een door den Gouverneul Generaal voor elk gewest vast te stellen afstand van GoU vernements-aanplantingen. g. gronden, gelegen in door Ons aan te wijzen strekeni die beschikbaar moeten blijven voor de uitbreiding der op hoog gezag ingevoerde koffijkultuur. Dit zijn dus reeds zeven rubrieken van uitgezonderde gronden. Deze zevenster of polyp heeft echter nog staartjes of armen. Van de erfpacht (volgens Art. 9) zijn toch evenzeer uit" gesloten : h. De ontginningen van inlanders buiten het gemeente gebied, krachtens Art. 6. bepaald. (K. Besluit Art. 7 e« de ministeriële toelichting op dit Art.) i. de ontginningen (door inlanders) van boschgronden volgens H. 111 Art. 53. V/h Reglement voor het beheer elde exploitatie der houtbosschen van den lande op JavW en Madura [Ind. Staatsblad 1865, No. 96). k. de woeste, met bosch begroeide gronden, waarvan le het daarop staande hout noodig is ter vooï' ziening in de behoefte aan hout der bevolking' van de streken waarin de gronden zijn gelegen! 2e door de uitroeijing eene verandering van he klimaat te vreezen is, Zie de Instruktie voor de Ambtenaren vooï het Boschwezen, belast met het onderzoek va"

woeste, met bosch begroeide gronden. I. alle gronden, wanneer de belangen van lager liggend 6 ! dessa's daarmede strijdig zijn, van wege het watergebruik- Verg. Missive van den 25 Julij 1870 aan den G. G-< [tot toelichting van Art. 12 Kon. Besluit; zoomede de lf 'struktie zoo even genoemd, ad II c. en d. | m. de maagdelijke gronden of die zulks geweest zijn» gelegen in de nabijheid van bestaande gouvernements koffij' tuinen, (waarschijnlijk ook van afgeschreven idem.) In d« toekomst is aan de hier eerstgenoemde gronden de eet beschoren om, op hoog gezag, (nieuwe) plantsoenen va" koffijboomen te dragen. De koffij-plantend e bevolking, —: d 6 huurders der aan den Staat behoorende koffij gronden, zo<r als de Minister het hier uitdrukt — zijn op aanwijzing verpligt deze (nieuwe) plantsoenen aanteleggen. (v. Toelichting op art. 6 K. Besl. en ook de praktijfcli Uit de toelichting en het voorbeeld omtrent de onder g\ van erfpacht uitgezonderde gronden is het duidelijk, dat *'"/ den regel de kategorien m en g naar verschillende gronde" heenwijzen. n. de gronden, aangeduid in 't K. Besluit, art. 18. Dit artikel voorziet, zooals de toelichting zegt, wat de kleine landgoederen aangaat, in eene sedert jaren erkende behoefte, die toenemen zal, naarmate de aanleg van spoor' wegen vordert. De grootte dezer perceelen mag tot vijfM! bouws gaan. Voor iemand, met Java's bergstreken bekend, is bc' duidelijk dat indien aldaar een 50tal bouws van de best' en gunstigst gelegen gronden met zorg worden uitgezocn' en gekozen, meermalen het geval zich kan voordoen, d«' in den omtrek daardoor eene uitgifte volgens art. 9. d. *■ van 500 bouws, feitelijk wordt belet of onmogelijk gemaakt- De gronden, geëigend of geschikt voor de oprigting val1 woonhuizen en etablissementen, met de daarvoor noodige materialen en levend water, eenmaal weggenomen zijnde > kunnen in den omtrek eome in 't geheel niet en in d' andere gevallen slechts met veel nadeel door andere vel* vangen worden. (Wordt vervolgd.) O. P. Hondiüs.

Sluiten