Naar boven

Leeuwarder courant

10-03-1893

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 12

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1813-1942
Periode gedigitaliseerd
  • 1813-1942
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • KBDK

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ECHO'S.

ECHO'S.

XII. In overoade tijden — het zal zeker wel veertig jaar geleden zgn! — was het geen zeldzaamheid een boek in handen te krijgen , waarvan de hoofdstukken lange titels droegen. Men bad titels van allerlei aard. Ernstige titels en snaaksche titels, onbegrijpelijke titels en glasheldere titels, titels, die men kon overslaan en titels, dio men bepaald moest lezen, hoogdravende titels en titels, die het nederige hart van den sohrgver weerkaatsten, gelijk een onbeslagan scheerspiegel de aankomende knevels van een piepjongen tweeden luitenant. En zoo herinner ik mg bij van Larnep, meen ik, eens boven een hoofdstak gelezen te hebben: Een kapittel, dat de lezer gerust mag overslaan.

Nu zou ik van avond wel graag boven mgne causerie willen zetten : Echo's, die de lezers gerust mogen overslaan.

Ja, gerust! Maar wacht even ! Je m' explique, zcoals een Fransch advocaat zon zeggen. Ik bedooi daarmede niet, dat niemand er notitie van moet nemen. Dat zon ik niets prettig vinden. Ik kon nu wel met een stalen gezicht beweren, dat mg dat niets kan schelen, maar dat zou toch niemand gelooven. Integendeel, ik ben er verschrikkelijk" ep gesteld, dat mgnhaer A en mevrouw B en juffrouw C en jongeheer D hunkeren naar hat oogenblik, waarop de courantejongen hun mgne artikelen brengt. Dat is —na het ontvangen van ons tractement — de zoetste satisfactie voor een dagbladschrijver. En ik zon voor goen geld ter wereld het genot missen, tot mg zelf te kunnen z.gg»n : Nn, op dit oogenblik, grijpen op zgn minst ee_ige dozgnen handen naar den Leeuwarder, slaan het nog vochtige drukwerk open en de eigenaars dier handen zoeken met ongeduld mgne Echo's. Ze hebben oogen noch voor de advertenties, noch voor de gemengde berichten, maar eenig en alleen voor mgne Echo's. Zoolang ie die niet gelezen hebben, zgn ze niet tevreden, evenmin als het schreiende kind van het reclame-plaatje, dat met alle geweld het stuk Pear's soap wil hebben.

Ik weet niet of hot inderdaad zoo gebeurt, maar ik stel mg maar vcor, dat het zoo gebeurt. Dat doen wg, causeurs, allemaal. Als we die overtuiging — gerechtvaardigd of ongerechtvaardigd — niet hadden, waarom zouden we dan schrijven ? We vinden natuurlgk , wat we zelf schrgven, het mooist van alles, al is het ook nog zoo dunnetjes. En dat is maar goed ook. Stel u eens ean causeur voor, die in zgn ziel overtuigd was, dat hg behoorde tot de „vervelende pisangs" en die tooh causerieën moest schrgven ! Welk eene marteling voor hem en voor zgne lezers I

Zoodat ik maar zeggen wil: wg willen gaarne gelezen worden en vinden, dat men ons ook fi^o lijk beat lezen kan. Ea beneem ons in 's hemels naam die illnsio niet, lezer! Anders zgn wg reddeloos verloren.

Zoo ik dus zooeven zeide, dat men de Echo's van van avond gerust kon overslaan, dacht ik daarbg niet aan alle lezers, maar aan sommigen onder hen. Ik wilde n.l. een onderwerp aanroeren , dat misschien niet in veler smaak zal vallen en waarvan in ieder geval mgne beoordeeling niet overeen zal stemmen met die van verschelden mijner stad- en gewestgenooten. Dat onderwerp is het Noodlot van Louis Couperus. Mag ik de personen, die daarmee dwepen, beleefd verzoeken , den raad op te volgen, in den titel van bovengenoemd hoofdstuk gegeven en mgne Echo's van heden over te slaan ? * 't Is Woensdag avond. De wind is gaan ligg3n en het is buiten zoo rustig, als iemand, die binnenskamers werken moet, maar verlangen kan. Mgn kacheltje snort lekker; het theewater suist en ik ben in een van die aangename, kalme stemmingen , waarin het een mensch goed voorkomt te leven.

't Is een van die oogenblikken, waarop men zichzelf zoo geheel toebehoort, waarin men zich zoo volkomen rekenschap geeft van zgn eigen gedachten en aan allerlei invloeden van buiten ontsnapt.

Terwgl ik hier in mgn eentje zit, wordt, naar ik hoop, voor een talrgk publiek in „de Harmonie" het Noodlot opgevoerd, een tooneelspel in drie bedrgven, geschreven door den heer G. Jager naar den roman van Louis Couperus. Ik ken dat tooneelspel niet, maar den roman heb ik een paar jaar geleden gelezen. Dat was eigenaardig: sedert geruimen tgd had ik in mgne correspondentie met het vaderland steeds opnieuw de vraag moeten beantwoorden: hebt gg Noodlot al gelezen? ledereen schreef mg over Noodlot. Men dweepte met Noodlot. Het was in De Gids gepubliceerd en het was prachtig. Maar men kan alle boeken niet leien en ook niet koopen. Ik wachtte dus, tot ik Pargs voor eenige weken verliet, om weer eens wat vaderlandsche lucht te happen en in mgne eerste vrge dagen zatte ik er mg toe, om te genieten van het veelbesproken en hooggeprezen boek.

Zelden ondervond ik grooter litterarische teleurstelling. Zonder eenig parti pris, integendeel vervuld met de oprechte begeerte, om het mooie te genieten, begon ik te lezen. Maar hoe verder ik kwam, hoe minder ik vond, wat ik gehoopt had te vinden. Het boek maakte mg wrevelig, en toen het uit was, gevoelde ik mg als iemand, die een zwaren plicht nauwgezet ten einde toe had vervuld.

Ik wil wel gelooven, dat de stgl, waarin het werk geschreven is, er iets toe medewerkte. Men moet mg dit vergeven en ook deze in het voorbijgaan gemaakte opmerking niet beschouwen als eene hatelijkheid aan het adres der jongere Nederlandsche schrijvers, maar een boek als Noodlot vind ik vermoeiend. Ik merk wel de heerlijke, bijna volmaakte beschrijvingen op, die Couperus als aquarellen hier en daar in zijn werk ophangt, beschrijvingen van wat gezien is en onderbonden, maar over het algemeen vond ik de taal van Uot noch vloeiend noch helder.

Maar wat mij vooral niet wilde bevredigen, dat waren de inhoud, de strekking, de karak'erontleding, de levensphilos"phie van het boek. Bij het eindigen kwam het mij voor, dat heel de wereldbol op des schrijvers hart moest rusten en hem het ademhalen beletten. Door Couperus' oogen bekeken votd ik het leven eindeloos treurig, zóó treurig, dat, indien ik, als hij, zoo door en door overtuigd was van ons onmachtig worstelen tegen het noodlot, ik mijzelf zon afgevraagd hebben, wat ik nog langer op ditondermaansche te doen had.

De held van Couperus' roman of liever het slachtoffer is Frank Westhove. Hg woont te Londen , heeft een mooi fortuin en geniet van alles, wat er in een wereldstad voor een beschaafd, ontwikkeld en rijk jongmensch te genieten valt. Tusschen twee haakjes zij opgemerkt, dat hg geen bepaalden werkkring heeft, maar voor zijn pleizier leeft. Dat is een belangrijk iets, waardoor veel verklaard wordt in Frank'a handelwijze.

Op een goeden avond gaat Westhove naar zijn cottage terug, 't Is donker en snerpend winterweer. Bij het hek staat een bedelaar, die hem aanspreekt. In dien bedelaar herkent Frank een vriend uit zijn jengd : Robort van Maeren, den vroolijken „Bertie", die langzamerhand desporten der maatschappelijke ladder is afgedaald en nn de hand meet reiken, om hulp te vragen.

't Goede vriendenhart van Frank wordt warm. Bertie moet meê naar binnen. Hij moet getroeteld worden en de ellende verg6ten, waarin hij bijna was omgekomen. F .ark is rijk genoeg voor twee. Bertie zal hem het leven veraangenamen en als twee broers zullen ze samenwonen, putten nit de gemeenschappelijke beurs en verkeeren in denzelfden kring. Bertie laat zich dat alles welgevallen. Als een phenix nit de aech komt de gerafineerde Weltmann nit zgn schooierslompen te voorschijn. De Engelsche high-life neemt hem op. Robert van Maeren nestelt zioh in de cottage , slaat het geld van zgn vriend stuk en Frank vindt Bertie een zeldzaam eigenaardige figuur.

Ik weet niet of er veel zulke Franks gevonden worden. Ik betwgf.l het. Ik geloof, dat ik in staat zou zgn een vriend is nood'te heipen. Maar zoo ik dien vriend de behulp.ame hand gereikt had en hem zioh in mgn hui. zag nestelen, alsof er voor hem niets anders te doen ware, komt het mg toch voor, dat ik hem minder deerniswaardig en zedelgk vrg wat lager zou vinden, dan ik eerst gedacht had.

Maar Frank Westhove denkt er anders over. Bertie amuseert hem. Een rare vent, die Bertie! Een zeldzame verschgning! Som 3 krggt bg in e.ns een onwederstaanbaren aandrarg, om naar het slijk terug te keeren, waarin bg zoo lang rondplaste. Dan blijft hg eenige dagen weg, scharrelt rond in de wereld zgner vroegere kornuiten en komt wtêr tot Frank term? vnilenverloopen, zonder dat hg dezen over zgne ui.vluchtjcs meer vertelt, dan hg kwgt wil zgn. Ean rare vent, die Bertie! Zgn verleden .. ~ och, Frank weet daarvan maar weinig. Bertie is een origin.eltje en doet met zgn vriend, wat hg wil. 't Leven te Londen is op den duur wat eentonig. Zoo ze sens gingen reizen? Naar Noorwegen bg voorbeeld ? En de vrienden gaan op reis en onderweg leert Frank Eva kennen, het lieve, ontwikkelde Engelsche meisje, dat dweept met Ibsen. Lang duurt het niet of die twee gevoelen zich tot elkaar aangetrokken. Een engagement volgt, een engagement dat een eind zal maken aan Bertie's onbezorgd leventje. Dat is een doodstgding voor den klaplooper. Het engagement moet verbroken worden.

Daar komt het dan ook toe. Bertie weet door een geveinsd medelgden met het lot der arme Eva achterdocht te wekken in het hart van het jonge meisje. De twee wegen, die een oogenblik samenliepen, gaan weer uiteen: Frank en Era gaan ieder hun eigen kant uit, gescheiden door den toeleg van den vriend.

Maar er is eene gerechtigheid in de wereld. Het verraad komt uit. Eva en Frank ontmoeten elk.ar weer in Schereningen, en Frank, die eindelgk inziet, wiens dupe hg is geweest, wreekt zich op Bertie. Hg doet het op eene wgze, die gelukkig niet alle dagen voorkomt. In een vlaag van woede vliegt hg op Bertie aan, kngpt hem de keel dicht en beukt hem met vuistslagen, tot het gelaat van den schurk niet meer is dan eene ont.ettende, vormelooze massa.

Da moordenaar komt na twee jaar nit de gevangenis. In dien tusschentgd is er eene groote omkeering in zgne besohouwingen gekomen. Da veerkracht is weg, de noodlotstheorie, waarvan Bertie 100 hoog kon ophemelen, om zgn eigen laagheid te verontschuldigen, is nu door Frank overgenomen. .Niets kunnen we tegen het noodlot. Onze handen zgn slap en onze wil is verlamd. We zgn, zooals we zgn moeten. Daartegen valt niets te doen." Eva vindt die theorie belachelgk en wil zioh opnieuw aan Frank verbinden , hoewel deze als een moordenaar door ieder wordt geschuwd. Maar haar vroegere verloofde weigert; met het noodlot valt niet te redeneeren; dat is geen dwaasheid, dat is phihsophie. _ Daarop nemen beiden vergif in, — een tragisch einde van een rampzalige geschiedenis.

Dat is in hoofdtrekken het weefsel, waarop Conperuß' roman is opgezet. Of het tooneelstuk van den heer Jager er iets of veel in wgzigde, weet ik niet. Maar het onderwerp komt mg voor de planken te somber voor. Niet verschrikking maar vroolgkheid of edele ontroering moet het tooneel geven. Ik wil wel schreien , maar daarvoor moet ik medeli-'den , sympathie gevoelen voor het slachtoffer. Ea het zal moeilgk zgn uit Noodlot iets odels te halen.

Die Frank Westhove met zgn zotte bevlieging voor een indringer als Bertie , eene bevlieging die maanden en maanden duurt, is een onnatuurlijk wezen , waarvoor men geen sympathie kan hebben. leder oogenblik zou men willen opspringen en hem toeroepen : .Maar, sakkerloot! ezel, smgt dien kerel dan toch de deur uit." Frank is alleen maar natuurlgk in den roman, wanneer hg op Bertie aanvliegt en dan gaat zgn woede wel wat ver. Maar onuitstaanbaar wordt hg, wanneer hg later, de theorieën van zijn vriend overneemt en de armen ever de borst kruist in afwachting der slagen van het noodlot. Watblief! Na de verschrikkelgke les, die hg heeft gehad , na den schurk ontmaskerd te hebben , die zijn geluk met volle bewustheid verstoorde, durft hg nog over een noodlot praten!

Frank en Bertie met elkaar zgn wonderlgke zedepreekers. Zoo Couperus ons wil doen aannemen, dat onze vrgheid niet bestaat, dat onze handen altgd en onder alle omstandigheden gebonden zgn, dat wg nooit ofte nimmer eenigszins ons eigen pad kunnen afbakenen, moet hg andere karakters teekenen dan Frank den nnttelooze en Bertie den schurk. Die beide heeren hebben weinig recht van meepraten. Als Frank in de business der groote Engelsche wereldstad had moeten slaven en zwoegen, zon hg waarschgnlgk anders over het fatum gedacht hebben. Bg Bertie is natuurlijk die noodlotstheorie niet waard bestreden te worden. Het is de theorie van bgna allen, die door eigen scbuld bun leven verknoeien. Maar dat Couperus een Bertie gebruikt , om ons tot fatalisten te willen maken, is geen gelukkige greop. * * * Daar komen de rgtnigen aanrollea. De voorstelling is gedaan. En nu schieten mg in eens een paar regel, van een Nederlandschen dichter in de gedachten: Zoek riet nw taak boven starren en zonnen ! Onder de menschen uw werkkring gezocht, En met de zuivring vws hirttn brgonnen, Uitgerukt al wat u ergeren mocht. Dat is wel zoo nuttig als al dat gepbilcsopheer over menschelgke vrgheid of mensehelgke gebondenheid. Wanneer men dat in praktijk brengt, ziet men, dat we waarlgk nog wel wat doen kunnen en, zoo de omstandigheden ons dikwgls leiden, wg toch ook de omstandigheden kunnen dwingen, ons te dienen.

Sluiten