Naar boven

Bataviaasch nieuwsblad

02-07-1903

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 15

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1885-1950
Periode gedigitaliseerd
  • 1885-1942
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • Koninklijke Bibliotheek C 96
Nummer
  • 178
Jaargang
  • 18

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET INSTITUT COLONUL INTERNATIONAL TE LONDEN.

HET INSTITUT COLONUL INTERNATIONAL TE LONDEN.

ïC'est Ie jour oü I'on ne travaille pas a Londres", zeide een der leden van dit instituut op 26 Mei in de openingszitting, toen hij mededeelde dat de uit alle landen ter vergadering opgekomen autoriteiten op koloniaal gebied op beden, den 27en Mei, ook bij de Derbywedrennen verwacht werden en de zitting van het congres dus geschorst behoorde te worden. Toch denke men daarom niet dat feestvieren het doel is geweest, waartoe geleerden en mannen uit de practijk hier samen kwamen. Zeker zijn ze veel in aantal, de diners, luncheons, receptie's die op het programma staan voor de congresleden, een programma dat moet afgewerkt worden in den tijd van 21 Mei 's morgens te 11 ure, tot den29en Mei 's middags te 6 ure. Maar zijn juist niet die feestelijkheden een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van elk congres, zij het nationaal of internationaal ?

Inderdaad ligt het nut en de kracht Tan dergelijke internanionale vereenigingen niet zoozeer in wat zij daadwerkelijk op hun congressen totstandbrengen, als wel in bet feit dat zij menseben die naar eenzelfde doel streven en zicb bewegen in eenigszins dezelfde streken van het menschelijk weten tot elkander brengen en daardoor wederzijdsche samenwerking en kennis en waardeering der producten van wederzijdschen arbeid bevorderen, als wel ook en niet het minst in dit feit dat van de samenwerking der invloedrijkste personen op eenig gebied uit vele landen licht een groote kracht kan uitgaan om regeeringen en volken meer en meer te doordringen van de juistheid van wat de besten op dat gebied als waar hebben erkend. 'Trouwens, het institut colonial international richtte, en mij dunkt, zeer terecht, zijn wijze van werken zóó in dat het meest belangrijke deel van zijn arbeid gevormd wordt juist door de voorbereiding die noodig is vóór het bijeenkomen van zijn congressen. Allereerst iets over geschiedenis en inrichting van het instituut. Terwijl langen tijd Engeland en Nederland de eenige koloniale staten van beteekenis waren, breidde in de laatste 80 jaren Frankrijk in het verre oosten en op de westkust van Afrika Rusland in Midden-Aziè', Duitschland in Afrika en Australië bun bezit voortdurend uit, terwijl sedert heel kort ook de jongste leden van de familie der machtige volken, de Vereenigde staten en Japan, hun plaats in de rij der koloniale staten innamen. Zoo werd de plaats, die open was gekomen, door den val van Spanje's weeldrijk. weder aangevuld, maar te» gelijk met üeze voortdurende expansie der groote naties, wijzigden zich geheel en al de begrippen over doel en wezen van het bezit van landen in andere werelddeelen Met die begripswijziging ging gepaard hst uitstaan, van belangstelling in koloniale zaken in steeds wijder kringer der volken. Voor staatslieden, geleerden, industrieelen en kooplieden in ontzaglijk grooten getale zijn de koloniën voorwerpen van voortdurende, nauwlettende opmerkzaamheid geworden. Het kan dus niet verwonderen dat daarmede ook een koloniale wetenschap is ontstaan, die heel wat meer omvat dan de kennis van eenige curiosa op ethnologisch en geografisch gebied en op dat der middelen om overzeesche cultures te doen bloeien, die voorheen het studieveld vormde van wie zich met koloniën bemoeide. Ontelbaar veel nieuwe problemen deden zich voor en worden nog telkens aan wetenschap en praktijk voorgelegd en de meest veelzijdige kennis is tot hun oplossing noodig. ' Nog tot in den laatsten tijd werkten echter in de verschillende landen regeering en wetenschap op dit gebied te geïsoleerd dan dat men van elkanders kennis behoorlijk partij kon trekken bij de bestndeering van sich opdoende quaesties. Voor alle naties bleef het dus steeds een zoeken en tasten met weinig vaste principes die leiding konden geven. Dit gemis en de groote wenschelijkheid voor alle koloniseerende staten om het aan te vullen, waren de aanleiding tot de oprichting van het Instituut Colonial International. In 1893 vertoefde de heer J. Chailley-Bert, de o. a. om zijn Les Hollandais a Java ook ten onzent welbekende fransche publicist op koloniaal gebied, in Nederland om, in opdracht der fransche regeering, ons systeem voor de opleiding der koloniale ambtenaren te bestudeeren. In een wegslepende rede, toen uitgesproken aan een diner bij den minister van koloniën, baron Van Dedem, bepleitte bij het groote nut eener associatie van geleerden, staatslieden en practici die in de verschillende landen autoriteiten waren op koloniaal gebied, welke sich ten doel zou stellen, zonder zich in het minst met Eolitiek in te laten, om alle quaesties die zich opdoen ij het besturen van de overzeesche gewesten te bestudeeren, om de reeds verkregen feitelijke kennis in alle landen en de daar bestaande koloniale wetgeving te verwerken en zoo te komen tot het stellen van algemeene beginselen die aan de behartiging van koloniale zaken door de regeeringen, bij de beoordeeling er van door de -volkeren in het vervolg leiding en richting zouden kunnen geven. De mannen die toen vooral groot enthusiasme voor dit denkbeeld toonden en ook verder bij de verwezenlijking er van hun krachtigste medewerking verleenden, waren wijlen professor Van der Lith en de minister van koloniën Fransen van de Putte. Met de heeren Chailley Bert en Léon Say werden zij de oprichters van het Institut Colonial International. In de rede die de heer Chailley-Bert in de openingszitting van gisteren wijdde aan de nagedachtenis van Fransen van de Putte, herinnerde hij, als laatst overgeblevene van het viertal, aan deze geschiedenis van het ontstaan der vereeniging en aan de groote toewijding door beide Nederlanders ook daarna steeds aan den arbeid van het instituut betoond. In 1894 kon de eerste vergadering van de jonge internationale vereeniging te Brussel bijeenkomen, om er de vraag te behandelen, betreffende den invloed van het klimaat op den vooruitgang der kolonisatie. In 1895 werden te sGravenhage de quaestie's behandeld, die in verband staan met »la main d'oeuvre aux colonies" en met de opleiding der koloniale ambtenaren; in 1897 verschenen te Berlijn op de agenda de financieele betrekkingen tusschen moederland en koloniën en de ïegeling van het grondbezit in de laatsten; te Brussel behandelde het instituut in 1899 de spoorwegen in koloniën en nieuw-ontgonnen streken, te Parijs in 1900 de vakopleiding van inboorlingen der overzeesche gewesten en het oprichten van sanatoria aldaar, in 1901 te 's-Gravenhage het koloniaal onderwijs, de wijze van wetgeving voor de koloniën en het grondbezit aldaar. De comptes-rendus der zittingen geven in de verslagen der debatten zeer interessante beschouwingen over al deze quaesties, maar toch aarzel ik niet belangrijker nog te noemen de 17 tot nu toe door het instituut gepubliceerde dikke boekdeelen, bevattende de wetgeving en een schat van officieele bescheiden uit alle koloniala landen over bovengenoemde onderwerpen en notices bistoriques over die vragen, van de hand der eminentste geleerden. Deze bibliothèque coloniale internationale wier vorming alleen mogelijk was door den invloed dien een vereeniging van autoriteiten als in dit instituut kan uitoefenen, geeft een zeer waardevollen grondslag, een capital de la plus haute valeur, looals gisteren de voorzitter van het congres, lord Reay, rich uitdrukte, voor alle verdere studie van koloniale problemen. In elke zitting wordt voor de volgende een rapporteur aangewezen, die de bouwstoffen in de tusschen dit en het vorig congres verschenen deelen vervat moet verwerken in een rapport dat tot grondslag voor de discussies kan dienen. En deze rapports préliminaires die met elkander ook reeds een boekdeel van respectabelen omvang vormen, leveren weder een hoogst interessante en zeer nuttige bijdrage tot de koloniale lectuur. Zij geven ons de vrucht te zien van vergelijkende studies over de werkkrachten, de ambtenaren, het grondbezit, het verkeerswezen, het mijnwezen, het onderwijs, de methoden van wetgeving, de irrigatie en de verhouding tot het moederland in de koloniën van alle naties en over de verschillende wijzen van handelen der enropeesche mogendheden tegenover de protectoraten. Behalve het publiceeren dezer boekwerken en het houden van congressen, vermeldt artikel 1 der statuten als taak van het instituut, dat is : une association exclusivement scientifique et sans caractèie officie!, het stichten eener revue coloniale internationale en de oprichting van een bureau de renseignements dat de publicatie der genoemde boekwerken bezorgen moet en alle inlichtingen die het op koloniaal gebied gevraagd mochten worden, zal trachten te verstrekken. Het staat onder leiding van den secretaris-generaal, den heer Camille Janssen, honorair gouverneur-generaal van den Congostaat te Brussel, den man die al sedert jaren het leeuwendeel op zich neemt van den arbeid, noodig om het instituut geregeld zijn werkzaamheden te kunnen doen voortzetten. De leden der vereeniging door coöptatie gekozen uit de autoriteiten op koloniaal gebied van alle landen, zijn onderscheiden in drie categorieën: membres honoraires, membres effectifi van welke er CO in het geheel kunnen zijn, in vaste vehouding over de verschillende nationaliteiten verdeeld en membres associés. Op elk congres kiezen deze leden een internationaal bureau dat gedurende den tijd die tot het eerstvolgende congres verloopt, het bestuur voert en de betrekkingen tusschen de leden onderhoudt, daarin gesteund door den telkens voor 5 jaren verkozen secretaris generaal. Het zevende congres van het instituut kwam Woensdag j.l. des morgens te 11 uur bijeen in de vergaderingzaal van den engelschen raad van Indië in het historische India-Oflice,, gelegen aan de tegenwoordig niet minder algemeen bekende Downingstreet. Namens Z.M.'s regeering heette lord George Hanilton, secretaris van staat voor Indië, het instituut welkom binnen de muren der hoofdstad van het britsche rijk en gaf na een rede den voorzittershamer over aan lord Reay, die dank zeide voor het welkom namens Z. M.'s regeering aan het congres toegeioepen en daarop voor de leden nogmaals uiteenzett'e wat, naar zijn meening richting en doel van de debatten in een vergadering als deze moesten zijn. De spreker constateerde o. a. het feit dat voor de eerste maal een vertegenwoordiger van het amerikaansche volk de zitting van het congres bijwoonde namelijk de brigade-generaal Greely en bracht aan het slot zijner rede een laatst saluut aan de afgestorven leden van het instituut, de heeren Hertzog, Fransen van de Putte, van Asch van Wijk, Elout en Stokvis, waarna nog verscheidene andere leden eenige woorden wijden aan de nagedachtenis dezer collega's. Behalve lord Reay en de secretaris generaal zaten aan de bestuurstafel nog Z. 11. hertog Johann Albrecht van Mecklenburg en de fransche gezant te Londen, de heer Cambon. Verder waren o. a. aanwezig voor Engeland: de ondersecretaris voor koloniën de Earl of Onslow, de oud gouverneur van Trinidad, Sir Hubert Jerningham, Sir Alfred Lyall, lid in den raad van Indië en ex-luitenantgouverneur der noordwestelijke provinciën van Britsch- Fndië en de Earl of Jersey, oud-gouverneur van Nieuw- Zuid-Wales ; voor Duitschland; professor Anton, hoogleeraar in de staathuishondkunde te Jena en de heer Von der Heydt, voorzitter der doitsche Oost-Afrika-Compagnie; voor België: de door de vredesconferentie welbekende ridder Descamps en kolonel Thijs, chef der belgische Congomaatschappij ; voor Frankrijk: prins Auguste d'Arenberg, president der Suezkanaal-maatschappij en de heeren professoren Bernard, Froidevaux en Girault, welke laatste op koloniaal gebied ook ten onzent bekend is door zijn werk: Principes de colonisation et de législation coloniale; voor Italië de oud-minister Bodio; voor Rusland de heer De Martens, de welbekende voorzitter der vredesconferentie. Nederland was ter vergadering vertegenwoordigd door de heeren mr. N. G. Pierson, graaf O. J. H. van Limburg Stirum, mr. C. Th. van Deventer, J. 11. Fransen van de Putte, prof. A. L. van Hasselt en den ingenieur der staatsspoorwcgen J. W. Post. Z. 11. de prins der Nederlanden had schriftelijk zijn spijt betuigd dat hij de zittingen niet kon komen bijwonen. Nadat de secretaris-generaal de hoop uitgesproken had dat alle regeeringen van koloniale mogendheden weldra het voorbeeld zouden volgen van Rusland en Frankrijk, die beide het instituut krachtig financieel ondersteunden, begonnen de eigenlijke werkzaamheden met de behandeling van het régime foncier aux colonies, aan de hand van een rapport van professor Anton over het régime foncier in de engelsche koloniën. Dit rapport sluit aan bij dergelijke verhandelingen van denzelfden geleerde over de regeling van het grondbezit op Java, in den Congostaat en de fransche koloniën, aan de bearbeiding van welke laatsten wijlen professor "Van der Lith een groot aandeel had. Het laatste hoogst interessante rapport handelt over de engelsche koloniën in Afrika, op de eilanden van Oceanië en in Britsch-Noord Borneo. Zeer roemt de schrijver daarin, vooral met het oog op z. g. »nieuwe landen" d.z. die waar landbouw en industrie nog geheel in primitieven toestand verkeeren, de werking van het Torrens-stelsel, een systeem van regeling der staving van de rechten op den bodem dat in den loop der debatten den titel verwierf van I'idéal de I'organisation du droit mobillièr, om zijn groote zekerheid en het buitengewone gemak tot het doen overgaan van den grond van hand tot hand dat er door wordt teweeggebracht. Uit Nieuw-Zeeland afkomstig vindt de »Torrens-Act" tegenwoordig in nieuwe landen o. a. ook reeds toepassing op de Fidyeilanden, in den Congostaat en, met enkele wijzigingen, in verschillende engelsché koloniën op de kust van Afrika. - Uit het rapport van professor Anton blykt verder ook hoe voorzichtig de westersche overheerscher in vreemde streken moet te werk gaan, wanneer hij oude instituten der bevolking, instituten soms zóó oud dat hun ontstaan onnaspeurlijk geworden is, wenscht te wijzigen naar eigen begrippen. Zoo vermeldt het geschrift hoe een poging der engelsche regeerinpc op de Fidjieilanden het collectief bezit van den grond die onvervreemdbaar aan den geheelen stam toebehoort, van welke ieder individueel lid een stuk tot zijn onderhoud in gebruik krijgt, in individueel vervreembaar grondbezit te veranderen, moest worden ingetrokken en hoe dergelijke pogingen in Zuid-Afrika op grond der Glen Grey-Act van 1879, tot nog toe ook weinig succes hadden. Dat vooral bij weinig beschaafde, maar ook bij meer ontwikkelde doch in oostersch-religieuze begrippen opgegroeide volken alleen een politiek die zeer geleidelijke, zeer langzame vervorming der begrippen beoogt, succes kan hebben, werd trouwens in den loop der debatten nog herhaaldelijk betoogd. En zeker geldt dat niet het minst waar het quaesties van rechten op den bodem betreft, in dergelijke landen, waar de grond zoo niet de uitsluitende dan toch de aller»oornaamste bron van bestaan voor de inboorlingen vormt. Verder behandelt het rapport de hoogst gewichtige en epineuse vraag naar de methodes om den landbouw in nieuwe landen te ontwikkelen en in het belang der inboorlingen zelf, tot grooteren bloei te brengen. Hier werd door professor Anton een eercsaluut gebracht aan ons aloud cuttuurstelsel, een systeem dat hij, tegenover zorgelooze, in de kindsheid der ontwikkeling verkeerende volken het eenig goede acht. Wel ontkent hij niet de mistanden waartoe het ten onzent aanleiding gaf, maar hij meent dat het ook zonder die misstanden bestaan kan. Interessant zijn in dit verband zijn mededeelingen over een soort cultuurstelsel dat sedert 188 b bestaat op de Fidj i-eilanden en, oorspronkelijk gericht tegen de tot allerlei verkeerdheden aanleiding gevende emigratie, nog altijd bevredigende resultaten schijnt te geven. Hiernaast bepleit hij ook voor Zuid- Afrika het nut en de verdedigheid van den in den laatste n tijd voor dat land weder veel besproken, gedwongen arbeid, als een instutuut «basé sur Ie droit public, dans des limites déterminées et a des conditions de salaire et de protection les plus humaines possibles, sous Ie controle de I'Etat". Hij betoogt dat om wilde of halfbeschaafde volken tot werkzaamheid en ontwikkeling te brengen, er nog wat meer noodig is dan »des théones humanitaires seules en des grandes phrases". Hoewel dit laatste een uitspraak is die in onzen tijd van sentiment-scbwiirmerei ook op koloniaal gebied zeker behartiging verdient, iaat het zich begrijpen dat in het algemeen dit van des rapporteurs betoog zeer veel tegenspraak uitlokte. Ook bleek in dit debat nog weder zonneklaar het nut van internationale instellingen als deze vereenigmg. Immers een krachtige, zeer gedocumenteerde rede van den heer Pierson was noodig om verscheidene vreemde leden er van te overtuigen dat juist de historie van het cultuurstelsel in Nederlandsch-Indië heeft bewezen dat wel degelijk »les abus sont Ie système même" dat toepassing van het stelsel zonder misstanden een onbereikbaar ideaal is. Ook van andere sijde werd de vrij beid van den arbeid voor de inboorlingen krachtig verdedigd. De heer Chailley-Bert lichtte met interessante voorbeelden toe hoe uiterst moeilijk het steeds was om in Fransch Achter-Indië de inlandsche bevolking tot geregelden landbouwarbeid te krijgen, maar hoe men daar nu toch langzamerhand in slaagt door te maken dat de inlander bij den arbeid voor zichzelf een behoorlijk materieel belaag hebbe en door hem, zonder eenigen dwang, geleidelijk te overtuigen van het nut van den landbouw op behoorlijke wijze gedreven. . Niet minder pakkend was wat de kolonel Thijs mededeelde over den aanleg der Congospoorwegen. Ontzaglijke inspanning had het gekost om een handvol inlandsche werklieden bijeen te brengen, maar ze tot geregelden arbeid te krijgen, bleek ondoenlijk. In arren moede verzochten mijn ambtenaren den directeur toen, hun te vergunnen de werklieden door lichamelijke straffen te dwingen. Nood gedrongen, en, binnen de grenzen der wet, gaf kolonel Thijs toe, echter niet dan na vooraf gezegd te hebben dat hij hier slechts een proefneming zag van welker mislukking hij zeker was. Zoo gebeurde ook en toen paste hij toe een stelsel van humane behandeling en volkomen vrijheid, gepaard met geleidelijke overtuiging der inboorlingen dat hun eigen materieel belang door den arbeid gediend werd. Het resultaat was verrassend. Na korten tijd bestond geheel het personeel voor den aanleg uit inboorlingen van de landstreek zelf en door verhoogde werkzaamheid dier menschen, vorderde de werken sneller en veroorzaakten minder kosten. Eenige diners en de Derby-dag schorsten nu de werkzaamheden die den 28en Mei weder aanvangen met de voortzetting van hetzelfde onderwerp. (Nieuwe Ct).

Sluiten