Naar boven

De Oostpost : letterkundig, wetenschappelijk en commercieel nieuws- en advertentieblad

14-02-1861

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 4

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1853-1865
Periode gedigitaliseerd
  • 1853-1865
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • Koninklijke Bibliotheek NBM 1658 B 1
Nummer
  • 38
Jaargang
  • 9

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVEREENKOMSTEN MET INLANDERS.

OVEREENKOMSTEN MET INLANDERS.

{.Vervolg.) Op herziening der bepalingen omtrent het slijten van overeenkomsten met inlanders wordt dezer dagen meer en meer aangedrongen ook door schrijvers, met wier beginselen wij overigens niet overeenstemmen. (*) Het is vooral de heer J. R. Couperus, die in: een woord tergclegenheidder op handen zijnde ontmoeting der Oud- gouverneursgeneraal J. J. Bochussen en Mr. A. J. Duijmaer van Twist op het veld van vrijen arbeid, tot herziening der publicalie van 1838, No. 50 aanspoort. Doch, ofschoon in dit resultaat hem bijvallende, moeten wij met al onze kracht protesteren tegen de even schoonschijnende als gezochte uitlegging van eenige artikelen van het regerings-reglement, welke den schrijver tot dat resultaat heeft gevoerd. Te meer gevoelen wij ons daartoe gedrongen, omdat wij gelooven dat de heer Couperus in die wetsuitlegging het gevoelen der regeung zelve uitdrukt , en zijne , onzes inziens onjuiste, verklaring berust op eene groote verwarring in de opvatting van art. 56, 6e. alinea, waartoe zelf 3 vele voorstanders van den vrijen arbeid met hem vervallen. Het is daarom vooral, dat wij de overeenkomsten met inlanders willen beschouwen: met liet oog op artikel 56 van het reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie. De opvatting, die wij wilden bestrijden is deze : dat in art. 56 sprake zou zijn van den vrijen arbeid , zoo als die op Java bestaat, in het algemeen; wij voor ons meenen dat dit artikel behandelt: den overgang van het cultuursteUel tot vrijen arbeid in de toekomst, en in het minst niet op de tegenwoordig bestaande particuliere industrie doelt. Laat ons een paar voorbeelden van die verkeerde opvatting geven. De Nieuwe Rotterdamsche Courant beweert dat artikel 56 voorschrijft » Welke middelen de regering moet aanwenden , en niet mag nalaten om den vrijen arbeid [in het algemeen] voor te bereiden'. Bar-

(*) Zie behalve Baitholo: vrije iuüuur en vrije arbeid op Java, enz. ook vooral de juist per laatste mail ontvangen brochure van H. F. Morbotter: de regeling der Gouvernementsiui&er-eultuur, enz. waarin op bl. 64—68, eene door den achrijver overgenomen beschouwing omtrent do toepassing der overeenkomsten voorkomt, geheel overeenstemmende met den inhoud van ons laatste artikel. Overigens is er veel in die brochure dat van onze beschouwing afwijkt.

tholo is van meening, dat art. 56 den weg aanwijst, die bij de herziening der publicatie van 1838 moet worden gevolgd, almede in het verkeerde denkbeeld dat dit artikel op den vrijen arbeid inliet algemeen slaat. De heer Couperus w'1. uit art. 56 de vraag beantwoorden nln hoe verre nu reeds naast de in N. I. op hoog gezag ingevoerde cultures, wettiglijk kunnen bestaan of bevorderd worden vrije ondernemingen steunende op vrijwillige overeenkomsten met de inlandsche gemeenten en personen, toaarbij de tusschenkomst des bestuurs kan worden ontbeerd?" Het loopt in het oog tot welke consequenties, voor de particuliere nijverheid op Java gevaarlijk, die opvatting voert, ah zou in art. 56 sprake zijn van den vrijen arbeid in het algemeen, en de heer Couperus heeft dan ook met alle strengheid deze gevolgtrekkingen gemaakt, ja! die opvatting van art. 56 beheerscht zijne geheele uitlegging van art. 56 — 62. Art. 56, zoo is ongeveer de logische gang zijner redenering, spreekt slechts van eene voorbereiding tot vrijwillige overeenkomsten, die door dadelijke tusschenkomst en medewerking des betuurs zullen moeten werken, en deze medewerking moet bij de wet geregeld worden. In zijne meening, dat in art. 56 van vrijen arbeid in het algemeen sprake is, komt hij dus tot de gevolgtrekking: dat overeenkomsten in den geest der bestaande bepalingen, zonder dadelijke medewerking des bestuurs aangegaan, in strijd zijn met art. 56; dat, dewijl het thans slechts de tijd is van voorbereiding tot vrijen arbeid door overeenkomsten ; ook de vrije ondernemingen in den regel niet grondwettig bestaan, maar alleen voor de toekomst moeten worden bevorderd, voorbereid, en dus al dadelijk het sluiten van overeenkomsten met de bevolking omtrent het bebouwen van haar toekomende gronden, alsmede voor het uitsluitend leveren van grondstoffen zonder dadelijke medewerking des bestuurs, moet worden tegengegaan, maar alleen voor den vervolge (hoe ?en wanneer ?) bevorderd, dat alzoo eerst in de toekomst worde geboren een toestand van vrijen arbeid ter zake van landbouw, overeenkomstig art. 56 van het regoringsreglement, en thans alleen de uitgifte van woeste gronden, als in art. 62 bepaaldelijk en bij uitzondering voorgeschreven, met kracht moet worden in de band gewerkt. Uitgaande van dit denkbeeld, dat art- 56 spreekt van den vrijen arbeid in het algemeen, en niet slechts van den overgang daartoe der Gouvernementscultures, zoodat vrije arbeid op het oogenblik niet als bestaande erkend mag worden, behalve bij uitgifte van woeste gronden, komt de heer Couperus tot de meest gezochte uitlegging van zulke uitdiukkingen in het rcgeringsreglement, welke tot nu toe op de particuliere industrie, ook der Europeanen, op Java werden toegepast. Art. CO zegt.- ii de Gouverneur gei'er aal moedigt den handel, da nijverheid en den landbouw aan." Doch als nu de particuliere Enropesche ondernemingen van landbouw in het algemeen nog niet mogen bestaan hoc kan Z. E. dan die zaken aanmoedigen ? De Heer Couperus heeft er iets opgevoneïen: met handel, nijverheid en landbouw worden alleen de inlandsche bedoeld. Als of de inlandsche ondernemingsgeest konde bloeijen en aangemoedigd worden, zonder den bloei en de aanmoediging der vrije Europesche industrie ! De 4e alinea van art. 56 schrijft voor, dat de gouvernementscultures der inlandsche bevolking minstens bij gelijken arbeid gelijke voordeden moet opleveren als de vrije teelt. Derhalve Avordt het bestaan der vrije teelt erkend? Ja! zegt de heer Couperus, de inlandsche vrije teelt,, maar de vrije teelt voor Europeanen in het algemeen niet. Die uitdrukking slaat alleen op de vrije teelt in betrekking tot den inlandschen handel, nijverheid en landbouw. Alsof niet juist de voornaamste gouvs. cultures : suiker, koffrj, alleen inlandsch zijn geworden door Europeschen invloed, en alsof de vrije teelt dier producten, behalve voor Europesche ondernemers, algemeen bestond, en derhalve ten maatstaf strekken kon ter betaling van den verpligten arbeid! Men bespeurt het voordeel ," dat eene behoud* en hebzuchtige regering die alleen op vermeerde, ring van het batig saldo zou bedacht zijn, van zulke wetsuitlegging zou kunnen trekken. Opvoering der loonen voor gouvernements-» cultures tot den prijs, dien de Europesche ondernemers voor producten betalen, behoeit dan niet, want alleen de waarde dier zaken bij de in. landers onderling wordt als maatstaf aangewezen. Cultuurstelsel en vrije arbeid mogen nog niet doop vrijwillige overeenkomsten werken, en bij consa, quentie de particuliere industrie nog veel minder geheel zonder zulke overeenkomsten en zonder da» delijke medewerking des bestium bestaan, want het is nu slechts de tijd voor beide van voor* bereiding tot het invoeren van zulke contracten. Zietdaar dan eene en zij is da uitdrukking eener magtige rigting •» welke de vrije ondernemingen op Java, de ontkiemende welvaart der inlanders door haar, en de Europescho capitalen daarin geplaatst, bedreigt, ja! die haar bestaan regtstreeks zou willen vernietigen. Doch wij vreezen niet! Die' consequenties van het standpunt der reactie stellen het zoo onverholen in zijne afrigtelijke naaktheid ten toon, die consequenties zijn zóó geheel in strijd met den tijdgeest en de belangen van Java en Nederland, dat het zelfs eene regering, hoe vijandig gezind, niet zon kunnen, gelukken haar in volle kracht toe te passen, of de vrije arbeid zou haar zelve in zijnen Val medesiepen en- zich toch weder oprigten. Maar bovendien: de besproken, wetsuitlegging gaat-vrij achten het eene onwederlegbare en eenvoudige waarheid — van een valschen, grondslag uit. In art. 56 is geene sprake' van den reeds bestaanden vrijen arbeid maar alleen van de vcijze van overgang der verpligte cultures tot vrijen arbeid in de toekomst. »/De gouverneur generaal", zoo is het verband, whoudt, zooveel doenlijk, de op hoog gezag ingevoerde cultures in stand, laat die op billijke wijze werken, en neemt de bezwaren daartegen zooveel mogelijk weg, opdat alzoo voorbereid worde (natuurlijk voor die gwvernementecultures, want van de bestaande particuliere ondernemingen is geen sprake) eene regeling, steunende op vrijwillige overeenkomsten met de inlanders, gelijk die reeds voor particuliere ondernemingen is voorgeschreven, als overgang der verpligte cultures tot een toestand , waarbij de tusschenkomst de 3 plaatselijken bestuurs, bij het sluiten der overeenkomsten in zwang, geheel kan gemist worden". Het is uit het verband van den zin zóó duidelijk, dat hier niet van de particuliere maar slechts van de GouvernementscnltuTcs wordt gesproken, en die opvatting wordt zóó in het oog loopend bevestigd door het feit, dat vrije arbeid reeds bestaatmet overeenkomsten, ja zelfs geheel zonder deze, en derhalve zonder tusschenkomst des plaatselijken bestuurs, zoodat er van geene voorbereiding dier regeling van den vrijen arbeid, en dus ook niet van dezen zelven kan gewag gemaak*. worden, dat wij ons moeten verbazen hoe van alle zijden in dit artikel een voorschrift voor de regeling der .particuliere ondernemingen is gezien. Mogelijk zal de juistheid onzer opvatting worden erkend, doch daarbij de opmerking gemaakt, dat, daar het nieuwe regeringsregletnent alzoo geheel zwijgt van den vrijen arbeid, in tegenstelling van het' vorige, hetwelk dien bijzonder in bescherming nam, {staatsblad 1836 art, 102) dit stilzwijgen eene onverschilligheid, zoo geen tegenzin van den wetgever omtrent den vrijen arbeid verraadt. Wij kunnen ook dit niet toegeven. Daargelaten toch, dat de aanmoedigi g van handel, nijverheid en landbouw, aan den G. G: in het reglement voorgeschreven, en de vrije teelt, waarvan daarin wordt gesproken, naar ons inzien in den meest algemeenen zin behoort te worden opgevat, in tegenstelling van de beperkende en bekrompen opvatting van den heer Couperus ; daargelaten, dat, al ware zijne verklaring hier juist, toch de waarheid bleef bestaan, dat de inlandscheindustrieharengrootstenbloeiontvangtdoor de Europesche, zoodat bij consequentie ook de laatste door de regering moet worden aangemoedigd ter wille der eerste — dan zou nog een volkomen stilzwijgen van het regeringsreglement omtrent den vrijen arbeid, zoo als die thans bestaat afgescheiden van de Gouvs. cultures, eer eene gunstige dan eene ongunstige stemming van den wetgeverdienaangaande te kennen geven. De vrije arbeid met contracten toch, al bestempele men dien met den naam van dwang" bestond reeds tijdens de aanneming van het regeringsreglemcnt. Ja! die overeenkomsten zelve, gegrond op eene publicatie, die werd vastgesteld na de invoering van het cultuurstclsel, bewezen dat vi'ór het ontstaan vnn het regeringsreglement de vrije arbeid naast de Gouvernementscultures geduld*, en aangemoedigd werd. Gesteld nu, dat de nieuwe wetgever dien nadeelie hadde gevonden, I dan zou hij eene bepaling hebben moeten maken, waarbij de ontwikkeling daarvan werd beperkt of onmogelijk gemaakt, maar nu j dit niet is geschied, bekrachtigt hij door zijn stilzwijgen in beginsel den ouden stand van zaken. Daar overigens de vrije arbeid reeds bij ordonnantie was geregeld, en niet onder de onmiddelijke medewerking der regering behoorde te worden gebragt, zoo lag het - juist omdat hij de bestaande orde van zaken hijlijkte-volstrekt niet op den weg van den wetgever daarover te spreken, dan alleen in zoo verre de heerschende bepalingen ontrent den vrijen arbeid, als de leiddraad gebezigd werden die bij den overgang der Gouvernementscultures tot vrijen arbeid zou worden gevolgd. Doch gesteld ook dat de wet den vrijen arbeid in beginsel bestreed, en de regering wilde overgaan tot zijne opheffing: het gevolg van den strijd zou zijn: niet de nederlaag van den vrijen arbeid, maar wel de afschaffing eener onhoudbare wetsbepaling; want tegenover de meening van den heer Couperus ndal alles op aarde een beginsel van zelfvernietiging in zich sluit en dus ook het cultuurstelsef', staat de waarheid: dat de eeuwige wetten der natuur, en dus ook der staathuishoudkunde -wel door menschen ontdekt, maar niet door menschen gemaakt - nimmer kunnen worden vernietigd, en daarom de menschelijke wet, die het cultuurstelsel te voorschijn bragt, zal verdwijnen, maar de natuurwet, die den vrijen arbeid in het aanzien riep, onvergankelijk is. (Wordt vervolgd.), G

Sluiten