Naar boven

Soerabaijasch handelsblad

02-01-1883

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 7

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1865-1942
Periode gedigitaliseerd
  • 1865-1908 / 1929-1942
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • Koninklijke Bibliotheek C 64
Nummer
  • 1
Jaargang
  • 31

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XL Gedichten van F.L. HEMKES LEIDOEN E.J. BRILL 1882 „Mes chansons, O'est moi” BERANGER. (Aangeboden aan het Soer. H.B.)

XL Gedichten van F.L. HEMKES LEIDOEN E.J. BRILL 1882 „Mes chansons, O'est moi” BERANGER. (Aangeboden aan het Soer. H.B.)

11. i Na zooveel lof, mogen enkele voorden van kritiek niet ontbreken, al ware het alleen om een reeda hier en daar tnsschen geworpen bedenking te rechtvaardigen.— Mijne bezwaren betreffen alleen den vorm dezer gedichten. Hunne frischheid, hun gezonde zin vinden bij mij onverdeelde instemming, [1] Doch de vorm. . . . Reeds in de aangehaalde strofen, moeten som* mige regels den lezer wat zonderling lijn voorge. komen. Zoo is de constructie;

•Is de wimpel niet' wol/ . Zal met den ochtend delpbrandt van Bijn'; Morgen behouden in 't Wand zijn.— niet te verdedigen.— De 'ioeling dezer woorden nl: dat de achoenex ,jgen ochtend" de Nederlandsche knit tal be*a,.„ wordt er «f eenmaal te veel, of in het gl niet door uit" gedrukt. Ook de slotregels van het Bde oonplet van „verlangen" zijn onnauwkeurig En 'k trof de plek, waar güj wacht. Daar vond ik rust! Ons taaleigen had hier tro) in pl*Ats van ik trof geeischt. Het is waar, dat geval ware de ryhtmis verstoord, doch d%ad de dichter er maar iets anders op moeten iden: „daar is hij dichter voor!" Kleine onjuistheden als de in aangehaalde zijn in des heeren Hemkes niet zeldzaam. Af en toe maakt hij gebi van uitdruk* kingen als: „En 't ruischt dan uit den D^boom", Of: En 't tiddert en trilt in den teren schoot." die sterk naar germanismen »ken. In zijn overigens met gloed geschreven dlied komen de regels voor: Nooit zoolang nog sterreiiijden i Langs de hooge hemeln Zal de geest dien wij bien Immer sterven of verg\— Behalve dat de laatste regel voor < elotaccoord wat zwak is, is de weerslag van ier op nooit geheel overbodig en verhoogt daard nog de in* druk van matheid. —In een zijneminneliedjes roept hij uit: Gij zijt me als 't zonnetje in Q Mei, Zoo lieflijk, rein en goed; Dat brengt geblocmte in bosch wei, Gij vreugde in mijn gemoed.— En aan het slot van zijn gedichtjde Denne* boom", heet het: Een lieflijk ruisohen gaat door 'fcisch, Dat tooit zich met een hoogtijddc [j En knopt en geort; —de T)ea sin Knikt stervend naar het Zuiden hu— Dergelijke tegenstellingen, die menloor het cursiveeren van voornaamwoorden et doen opmerken, zijn, in de taal der poesie, nop haar plaats.— Men ver wij te mij niet, dat ik vit.c draag den heer Hemkes een veel te goed haitoe eQ gevoel te zeer bewondering voor het b*e zijner verzen, dan dat het mijn doel kanjn hem iets onaangenaams te zeggen. Doch de tal der lyriek behoort vlekkeloos te zijn en waa zij dit niet is, al zijn de smetjes ook nog zoo gering, daar heeft de kritiek haar stem te verhen. Te meer is zij dit verplicht, waar het haar vtkomt, dat de fouten of foutjes van een dichte al te gader uitvloeisels zijn van éen gebrek, jn na wil het mij toeschijnen, dat vlekjes van daoort, die ik hier boven aanstipte, alle een gevj zijn van des heeren Hemkeß gebrek aan zelfitiek. Alle onnauwkeurigheden in het bundeltje raren door een dichter als de onze in veinig agen tijds uit te wisschen geweest en, had hij >ven* dien kannen besluiten enkele voortbrengselenijner muze geheel achterwege te houden, of door alere, rijpere, te vervangen, ik zou zijn verzen mtnog meer ingenomenheid, dan waarvan ik reeda ge* tuigenis aflegde, hebben begroet. Zoo had ik,De Denneboom", „Kranke zielen" en „Leven" Iver niet onder de veertig uitverkorenen opgenaen en zonden sommige der in den Leidschen studen* ten-almanak voor 1879 opgenomen, met de on« miskenbare initialen F. L. H. geteekende gedichtjes bijv: „Tithouris," „Naar 't Oosten" en „Andreai Höfer" m. i. de leemte wonderwel hebben aan- Behalve deze bedenking heb ik er een, die in het algemeen tegen de rectificatie van den heer Hem* kes gericht is. Het aantal manlijke rijmklanken, dat in zijn gedichten voorkomt, overtreft dat der vrouwlijke of eleepende buiten alle verhouding. Het ia hier, dat ik den invloed der Engelache litteratuur meen op te merken. De Engelache taal is inderdaad zeer arm aan vrouwlijke eindklanken en hef natuurlijk gevolg daaivan is, dat men ook bij de beste Britsche dichters, de afwisseling tua* schen het weeker en het krachtiger element alechts spaarzaam aantreft. Zelfs al de kunstmiddelen, die een Byron met onvolprezen virtuositeit heeft aangewend, om dit gebrek te verhelpen, hebben niet kunnen beletten, dat in den Don Juan, het artistiekate, wat ooit in de Engelsche taal geschreven is, de wanverhouding, zij het dan ook tot een minimum teruggebracht, is blijven bestaan» Doch in onze taal is geenszins aanleiding te vinden, het zoo weldadige spel der klanken te ver. smaden. Onze beste dichters hebben ona tal van bewijzen gegeven, dat zoowel do zoetvloeiend" heid van het Zuiden, als de gespierdheid van het Noorden, in al haar schakeeringen binnen de grenzen van ons taaleigen valt. Wat heeft, dan den heer Hemkes bewogen, zoo beslist partij te trekken voor het manlijk element in de prosodie? Ik blijf er bij, dit niet anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen, dat onze dichter voornamelijk bij Engelsche meesters in de leer is geweest. — Zelfs het drietal in dea sonnetvorm geschreven gedichtjes, dat in het bundeltje voorkomt, bevat niet een vrouwelijken rijmklank en dat niettegenstaande deze vorm, ontleend aan de Italiaansche poesie, oorspronkelijk enkel vrouwlijko eindrijmen placht te bevatten, terwijl eerst later in Nederland en in Frankrijk in zwang kwam. sonnetten te schrijven in Alexandrijnen, maar met gelijkmatig verdeelde eleepende en stootende eindrijmen (2).— In Engeland echter, zooals blijkt uit de toch naar Italiaansche modellen vervaardigde klinkdichten van Shakespeare, gebood het karakter der taal het nagenoeg uitsluitend gebruik van het manlijk rijm. De nieuweren hebben dit voetspoor gevolgd en de heer Hemkea heeft er geen bezwaar ingezien voor onze, althans in dit opzicht rijkere taal, denzelfden weg te betreden. Voor ik van den dichter en zijn werk afscheid neem, nog een woord. — In de opdracht, die zijn gedichten voorafgaat, en die ik, kieschheidshalve, buiten de sfeer der kritiek stel, zinspeelt de heer Hemkea er op, dat hij in zijn eerstelingen de zeer verschillende aandoeningen, die des men* achen gemoed plegen te beroeren „naar de inspraak van (zijn) wezen en zijn hart" heeft beiongen. Het vluchtig overzicht, dat ik van zijn verzen gaf, was, naar ik mij vlei, voldoende, om de waarheid van deze bewering aan te toonen. Toch ia er nog ééns gemoedstemming door onzen dichter bezongen, die ik niet onvermeld mag laten en die bij hen, die zich met mij aan deze zijde van den Oceaan bevinden, ongetwijfeld op een warme sympathie rekenen kan. Het is de etemming, die spreekt uit het laatste gedicht van het bundeltje:' ,r ;

„Goenacht, vaartwel", in welke ook wij vei* koerd hebben, toen wij, zooals onze dichter, de vaderlandsche kust onze laatste groet schonken.— Hoe zijn de woorden nit ons eigen hart gegrepen: Wanneer ik u voorheen verliet. Dan was 't „Ge ziet mij spoedig weer." Thans lnidt de groet, die ik u bied: „Vaartwel, zoo 'k nimmer wederkeer." En hoe klagen wij in gedachten mede, waar de dichter zncht: Uier mocht ik wonen tot mijn dood; Is 't wonder, zoo mijn harte klaagt; 'k Ben als een vogel, dien de nood „Door konde en storm naar 't Zniden jaagt." Allen, die zijne gedichten hebben gelezen en nog meer zij die, zooals de schrijver dezer regelen, het voorrecht hebben hem persoonlijk te kennen» zullen beseffen, wat het den Vaderlander, wienin Engeland reeds het heimwee bekroop, kosten moest van zijns Hollandsche duinen en velden te schei, den. Ben ik wel ingelicht, dan is Zuid-Afrika het land, waar zich een werkkring voor onzen dichter ontsluit. Wij uiten van harte en vol vertrouwen den wensch, dat hij de rechten der dietsche taal daargints met kracht zal weten te verdedigen. En in de uren, die zeker niet nit zullen blijven, dat de gedachte aan het „zoet Holland, lieflijk Holland" hem met een weemoedig verlangen vervult, storte hij op nieuw zijn hart uit in gedichten, zooals hij ons reeds schonk. Niet alleen, dat hij er zelf troost door zal vinden, hij zal ook troost brengen aan menig ander, die verre van vader- of moederland den weg gaat, dien de omstandigheden hem aanwezen en die, wanneer des dichters scheppingskracht hem de dreven, waar hij zooveel zoets achterliet, voor het oog toovert, sommige zijner reinste en liefelijkste oogenblikken doorleeft,— Ambon, November 1882, C. Th. van DEVENTER. [I] Slechts eenmaal, meen ik, wordt onze zan. ger zich zeiven ontrouw en maakt hij zich schuldig aan ziekelijke overdrijving. Het is daar, waar hij een omgehouwen, hem eens dierbare lindeboom „in felle stervenspijn" tot hem doet „klagen"; „Ik zal na luttel dsgen „Uw laatste woning zijn". Doch zuilen wij hem om die eene afwijking hard vallen? „Qai n'a pas ótd Werther i vingt ans?" Laat ons den dichter liever prijzen, dat hij zich overigens van dergelijke verzuchtingen heeft weten vrij te houden.— (2J In Duitschland hebben de romantici en op huq voetspoor ook Göthe en Riickert den sonnet, vorm tot zijne oorspronkelijke gedaante teruggebracht. Welgeslaagde pogingen in deze richting vindt men, voor onze taal, in de sonnetten van den zoo fong ontslapen en betreurden Jacques Perk, De Fransche dichters handhavende traditie en schrijven bij voortduring hun sonnetten in rebels van dertien en twaalf lettergrepen, lloe deze kunstvorm zich in Fraßkrijk ontwikkeld heeft, bewijze het best de ongemeen artistieke en diepzinnige verzen van den heer Sully l'rudhomme. Dat ook in Nederland de kunst om klassieke „klinkerts" te schrijven nog niet verloren is gegaan, leerde ons onlangs de heer Alberdingk Thijm met zijn gespierd sonnet: aan de Vriesche schoonen."

Sluiten