Naar boven

Soerabaijasch handelsblad

10-01-1906

Zoomen en navigeren

Gevonden in deze krant

Geen zoekvraag opgegeven

Zoeken in deze krant

Bladeren door deze krant

/ 14

Details

Kop
Soort bericht
Krantentitel
Datum
Editie
Uitgever
Plaats van uitgave
PPN
Verschijningsperiode
  • 1865-1942
Periode gedigitaliseerd
  • 1865-1908 / 1929-1942
Verspreidingsgebied
Herkomst
  • Koninklijke Bibliotheek C 64
Nummer
  • 8
Jaargang
  • 54

Gebruiksvoorwaarden Kranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Parlementaire redevoeringen. Rede van mr. C. Th. van Deventer. Zitting der Tweede Kamer van 16 November 1905.

Parlementaire redevoeringen. Rede van mr. C. Th. van Deventer. Zitting der Tweede Kamer van 16 November 1905.

Vervolg. Natuurlijk zullen, zooals in de Memorie van Antwoord wordt erkend, onze pogingen om een ordelijken staat van zaken in het leven te roepen, zooveel mogelijk vredelievend moeten zijn. Overreding is te allen tijde een beter wapen geweest dan geweld. Maar als overreding niet baat, als onze bedoelingen worden miskend, of, zooals op Celebes herhaaldelijk is geschied, onze op gesloten tractaten gegronde vertoogen zonder eenige uitwerking blijven; als derhalve alle vredelievende middelen zijn uitgeput, dan kan het toedienen van een harde les niet uitblijven. Een van de meest vredelievende mannen die ik ken, de assistent-resident Engelenberg, iemand met hooge idealen van zelfverloochening en menschenmin, heeft verleden jaar in het Indisch Genootschap als zijn mecning uitgesproken, dat een krachtig, beslist optreden van het Gouvernement in Midden-Celebes door de omstandigheden werd geboden. En reeds te voren had hij, de Tolstcïaan, het uitgesproken, dat ook in Zuid-Celebes met kracht zou moeten worden opgetreden.

*In Itet Vaderland van 6 Augustu8 1904 schreef de heer E. het volgende:

,Het is onze zwakke houding, sedert jaren tegenover Bone aangenomen, welke ons heeft doen dalen in de schatting van de vorsten van Zuid-Celebes. In Loewoc was een lied bekend, dat vertelde van het Nederlandseh- Indisch gouvernement, boe dit niet meer bij machte was de plant te snoeien, die het zelf geplant had. Die plant is het leenvorstendom Bone, dat aan ons zijn aanzijn te danken heeften dat in de laatste jaren zich schuldig maakt aan gewelddaden tegenover zijn buren en tegenover rechtstreeksche onderdanen van het gouvernement. Hoe groot voorstander ik ook ben van een vreedzame afwikkeling van quaesties, de hoogst ongunstige toestand, waarin deze streek van Celebes thans verkeert, doet mij alleen heil verwachten van een beslist optreden. Het bestuur heeft alle geduld, alle zachtheid aangewend. Bone is niet tot rede te brengen. Hier moet geslagen worden, kort en krachtig." Ik meen derhalve, dat wat wij in den laatsten tijd hebben zien gebeuren in de binnenlanden van Celebes, niet mag worden beschouwd als een uitvloeisel van gewelddadige veroveringspolitiek — die ook ik ten stelligste zou afkeuren — maar als een voor de volken van Celebes eu voor de toekomst van den ganschen Archipel noodzakelijke maatregel van orde. Ook het op energieke wijze fnuiken van het steeds voortwoekerend verzet in de Boven Doesoen van de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, kan op gelijke gronden niet anders dan goedgekeurd worden. Zelfs wil ik aannemen, dat waar men Atjeh onmogelijk kon loslaten, ook een uitbreiding van ons gebied, over de Gajo- en Alaslanden op den duur onvermijdelijk was, al kan niemand het dieper betreuren dan ik, dat bij de tochten der onzen door die streken zoo menig slachtoffer is moeten vallen en al ben ik nog altijd niet overtuigd, dat dit noodlottige bloedvergieten niet te beperken ware geweest. Trouwens al ben ik op de aangegeven gronden geenszins geneigd elk gewapend optreden per se af te keuren, nog minder gaarne zou ik alles wat bij die excursies of expedities geschiedt in bescherming willen nemen, Herhaaldelijk heb ik den indruk gekregen, dat door ons optreden onnoodige verbittering werd gewekt. In het Voorloopig Verslag is de vraag gesteld, of wel in voldoende mate getracht wordt de hardheid van den stryd te verzachten door het verleenen van medische hulp, ook aan gewonde vijanden. De Minister beantwoordt deze vraag zonder voorbehoud bevestigend. Ik moet aannemen, dat de Minister spoediger tevreden is dan ik, want mij komt wat ten deze gedaan wordt geenszins voldoende voor.

Ik meen mij te mogeu beroepen op het geneeskundig rapport van den officier van gezondheid H. M. Neeb, gevoegd bij het werk van den lste-luitenant J. C. J. Kempees: De tocht van overste van Daalen door de Qajo-, Alas- en liataklanden.

Daarin lees ik op blz. 248, aan het hoofd Bemoeienissen der ambulance met den vijand, het volgende: „Het aantal gewonden van den vijand, dat in de ambulance werd behandeld, kon uit den aard der taak niet groot zyn, zoowel omdat alle krachten van het personeel reeds in beslag genomen waren door het verplegen der zieken en gewonden der eigen troep, als ook omdat de beperkte voorraad verbandmiddelen een al te groote vrijgevigheid verbood." Hoe jammer het was, dat de ambulance bij deze gelegenheid niet ruimer was ingericht, blijkt duidelijk uit do enkele gevallen die vermeld worden, waarin verpleging van inlanders plaats had en die nagenoeg allo een bevredigend resultaat hadden.

Deze mededeeling wordt geheel bevestigd door het militair verslag van dien tocht, uitgegeven door het departement van oorlog in Nederlandsch-lndië, waaruit dezer dagen door de Avondpost zeer treffende fragmenten ziju overgenomen. Omtrent bemoeienissen met de gewonden van den vijand leest men in bedoeld verslag: „Daar de behandeling onzer eigen gewonden reeds nagenoeg allen beschikbaren tijd in beslag nam en onze voortdurende zorg vereischte, moest ook met het oog op den beperkten verbandvoorraad de hulp aan vijandelijke gekwetsten zeer beperkt worden; eene verbandlegging bij het meestal zeer groot aantal gewonden van den vijand zoude bovendien onze krachten verre te boven gegaan zijn. Werden gewonden als gevangenen naar ons bivak medegenomen, dan deelden ook zij in een geregelde verbandwisseling en nabehandeling..." Op grond van een en ander moet ik aannemen, dat althans bij bedoelden tocht niet in voldoende mate voor gewonde vijanden werd gezorgd. Ook bij het bloedig treffen in de Gedangan-zaak zijn do gewonden niet onmiddellijk na die bloedige demping van het oproer door den ofiicier van gezondheid verbonden en in verpleging genomen, maar eerst veel later door den civiel-geneesheer van Sidoardjo. Wordt vervolgd.

Sluiten