ff» L l- v/ « DE UITKOMSTEN VAN HET HEDENDAAGSCHE DOOFSTOMMEN-ONDERWIJS TEN OPZICHTE VAN HET gMAAT^ SCHAPPELIJK LEVEN. & J» J, BRUINS DE UITKOMSTEN VAN HET HEDENDAAGSCHE DOOFSTOMMEN-ONDERWIJS TEN OPZICHTE VAN HET MAATSCHAPPELIJK LEVEN ACADEMISCH PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN DOCTOR IN DE GENEESKUNDE AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM, OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS J. K. A. WERTHEIM SALOMONSON, HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE, IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN OP DONDERDAG 15 DEC. 1921, DES NAMIDDAGS TE 3 UUR, IN DE AULA DER UNIVERSITEIT DOOR JAN JACOB BRUINS, ARTS TE ALKMAAR, :: GEBOREN TE AMSTERDAM. :: ALKMAAR - JUNG 6 VAN DER HOEK - 1921. AAN MIJN VADER EN DE NAGEDACHTENIS MIJNER MOEDER. Het verschijnen van mijn proefschrift geeft mij een aangename gelegenheid mijn dank te betuigen aan de Hoogleeraren en Doctoren, die tot mijn opleiding hebben medegewerkt. In het bijzonder dank ik U, Hooggeleerde BURGER, Hooggeachte Promotor, voor Uwe welwillende hulp en raadgevingen, mij bij de bewerking van dit proefschrift verleend; voor den aangenamen en bovenal leerzamen tijd, dien ik in Uw kliniek mocht doorbrengen en voor den steun, dien ik ook na dien tijd nog van U mocht ontvangen. Hooggeleerde QUIX, ook U dank ik voor de mij zoo vriendelijk verleende gastvrijheid in Uw kliniek en voor de lessen, welke ik van U mocht ontvangen. Zeergeleerde CAMPAGNE, U dank ik voor de praktische wenken, op de polikliniek door U gegeven. Zeergeleerde VAN GILSE, U dank ik voor hetgeen ik van U heb geleerd bij de klinische behandeling van patiënten. Ten slotte mijn dank aan allen, die mij bij de bewerking van mijn proefschrift hun hulp hebben verleend, inzonderheid aan de directeuren en het personeel der doofstommenscholen en aan hen, die mij bij mijn huisbezoeken hebben vergezeld en geholpen. INHOUD. BIz. Inleiding 1 HOOFDSTUK I. Literatuur omtrent de latere uitkomsten van het doofstommenonderwijs 5 A. Spreken en liplezen 5 Duitschland 5 Noorwegen 7 Denemarken 8 Engeland 9 Vereenigde Staten 11 B. Maatschappelijke toestand der doofstommen . . 14 a. Theoretische opmerkingen 14 b. Statistische gegevens 17 Duitschland 17 Denemarken 18 Zweden 19 Noorwegen 20 Engeland 21 Frankrijk 22 Italië 24 Rusland 25 Japan 25 Vereenigde Staten 26 c. National Deaf-mute College 28 d. Bijzonderheden over enkele andere beroepen, door doofstommen uitgeoefend 31 e. Slotsom .32 HOOFDSTUK II. Onderzoekingen aangaande Nederlandsche doofstommen 33 § 1. Methode van onderzoek 33 § 2. Spreken en liplezen 45 10 Bfe Omgang met anderen . . . 67 a. Omgang met huisgenooten 67 b. Omgang met hoorenden buiten het gezin . . 70 c. Omgang met andere doofstommen ..... 72 Invloed van het huwelijk op spreken en liplezen 73 §3. Beroepen en verdiensten 75 Schoenmaker 77 Kleermaker 80 Meubelmaker 82 Letterzetter 85 Landbouwer, landarbeider, tuinier 86 Diamantbewerker 87 Teekenaar, kunstschilder, beeldhouwer 88 Fotograaf, goudsmid, horlogemaker, kerk-ornamentmaker 88 Bootwerker, grondwerker, koopman, magazijnknecht, . sjouwerman, los werkman 89 Overige beroepen 90 Mannen, thans zonder beroep 90 Doofstommen in gestichten 91 Naaister 91 Dienstbode 92 Strijkster 92 Overige beroepen 93 In de huishouding werkzaam 93 In gestichten verpleegden 94 Verpleegden in Sint Michiels-Gestel 94 Beroepsveranderingen in alle beroepen tezamen ... 95 Beroepsverhoudingen bij oud-leerlingen van Rotterdam en Groningen afzonderlijk 96 § 4. Doofstommen en openbare liefdadigheid... 98 § 5. Doofstomheid en krankzinnigheid 100 § 6. Doofstommen en strafrechter 101 § 7. Godsdienstige verzorging van doofstommen. . 102 § 8. Vereenigingen van doofstommen 103 HOOFDSTUK EB. Gevolgtrekkingen 105 WENSCHEN. 122 STELLINGEN. 125 INLEIDING. Nadat van de middeleeuwen af reeds hier en daar een enkeling zich had bezig gehouden met één of meer doofstommen te onderwijzen, werd een uitgebreider en meer stelselmatig doofstommenonderwijs toch pas ingesteld in het einde der achttiende eeuw en wel door de beide grondvesters van twee tegenover elkaar staande stelsels: de 1'Epée en Heinicke. De 1'Epée onderwees volgens de gebarenmethode; Heinicke volgens de spreekmethode, die reeds een eeuw te voren hier te lande door den Amsterdamschen geneesheer Amman bij enkele doofstommen met uitstekend gevolg was toegepast. Reeds van den beginne af ontspon zich een strijd om den voorrang tusschen deze beide stelsels, die thans vrijwel ten gunste van de spreekmethode is beslecht, zij het dan ook, dat deze laatste nog niet aller goedkeuring wegdraagt. Op het eerste gezicht lijken gebarentaal en vingerspraak voor den doofstomme het meest aangewezen; voor hem, die niet hoort en daardoor niet spreekt, ligt het op den weg zich met gebaren te uiten en omgekeerd zal hij uit gebaren allicht begrijpen, wat er van hem wordt verlangd. Ook een normaal hoorende tracht in meerdere of mindere mate door natuurlijke gebaren zijne gesprekken duidelijker te maken. Maar naast die natuurlijke gebarentaal ontwierpen de 1'Epée en zijn navolgers een kunstmatige, die langzamerhand zóó volmaakt werd, dat daarmede alles te geven was, wat men kon verlangen. Met deze gebarentaal werden dan ook zeer goede uitkomsten bereikt. Verscheidene doofstommen verwierven zich door haat zulk een mate van kennis, dat ze later zelf als doofstommen-onderwijzer konden optreden (hier behoef ik slechts te herinneren aan Kr use). Ook nu nog wordt hier en daar de meening gehuldigd, 2 dat met de gebarenmethode dezelfde, zoo niet een betere, ontwikkeling is bij te brengen als met de spreekmethode. Maar langzamerhand is toch de eerste methode grootendeels door de laatste verdrongen, al komen er ook nu nog ontwikkelde doofstommen voor, die bijna geen woord kunnen spreken of liplezen. Voor den doofstomme zelf is de klankspraak zeker in groote mate moeilijk; voor hem is het liplezen niets meer dan een waarnemen van gebaren, die echter allerminst door duidelijkheid uitmunten. Dat de menschelijke taal weinig geschikt is om door het gezicht te worden verstaan, blijkt reeds hier uit, dat een aantal verschillende letters nagenoeg éénzelfde mondbeeld geven, b.v.: p, b en m; t, d en n; dat andere zeer moeilijk kunnen worden waargenomen, zooals die, welke achter in den mond worden gevormd; terwijl de h ten eenenmale aan de gezichtswaarneming ontsnapt. Maar niet alleen het liplezen, ook het spreken is voor den doofstomme zeer moeilijk, daar hij, afgezien van gevallen, waar groote gehoorresten bestaan, zijn eigen woorden niet hoort en het door hem gesprokene alleen kan controleeren door de gevoelsindrukken bij het uitspreken der woorden verwekt. Het is dus geen wonder, dat vele doofstommen de voorkeur géven aan gebarentaal en vingerspraak. Herhaaldelijk hebben zich doofstommen in dezen geest uitgelaten. Zoo vermeldt Heidsiek ') de uitspraak van de doofstommen-congressen in 1892 in Hannover, Wiesbaden en Neurenberg : „De deelnemers aan het congres verklaren zich eenstemmig tegen de thans in Duitschland gebruikte zuivere klankspraakmethode; spreken zich allen uit voor het samengaan van klank- en gebarenspraak". In gelijken geest werd er gesproken op het congres in Berlijn in 1902 2). Hier tegenover staat de uitspraak van Fehmers, die meedeelt, nooit volwassen doofstommen van de Rotterdamsche school (waar uitsluitend volgens klankspraak-methode wordt onderwezen) te hebben gesproken, die betreurden volgens de spreekmethode te zijn ') ]. Heidsiek: Horende Taubstumme, Breslau 1897, blz. 34. 2) A. F. Fehmers: Een congres van doofstommen. Berlijn. Augustus 1902 3 onderwezen. Wel geeft Fehmers toe, dat in een minder goed verlichte zaal aflezen van de lippen bijna onmogelijk moet zijn. Zooals ik zelf ook gezien heb, wordt dan met succes gebruik gemaakt van de vingerspraak en gebarentaal. Voor mededeelingen over afstanden van meer dan een paar meter is de gebarentaal zeker ook beter geschikt dan de klankspraak. Niettegenstaande de groote moeilijkheden en bezwaren, die blijkbaar de klankspraak voor doofstommen oplevert, heeft toch in het doofstommen-onderwijs de gebarentaal voortdurend terrein verloren. De oorzaak hiervan is de maatschappelijke afzondering, waartoe zij het kleine doofstommenwereldje veroordeelt. Dat de doofstomme zelf verlangt met de hoorende maatschappij te kunnen omgaan, maar tevens, dat de klankspraak voor hem zoo veel moeilijker is dan gebarentaal en vingerspraak, moge blijken uit een uitlating in het verslag 1900—1901 van de doofstommenvereeniging „Door Liefde Saamgebracht", waarin een beroep wordt gedaan op de welwillendheid van allen, die middellijk of onmiddellijk met de opvoeding en het onderwijs van de jeugd in verbinding staan, om ook de kennis van het vingeralphabet onder dè hoorenden te willen verspreiden. Dit beroep op hoorenden, waarvan de meesten nooit met doofstommen in aanraking komen, om de vingerspraak te leeren, is echter voor vervulling niet vatbaar. Willen dezen dus met hoorenden omgang hebben, dan zullen ze zich de middelen van verkeer dier hoorenden eigen moeten maken. Den doofstomme, wien in het verkeer met hoorende menschen geen ander middel dan de schrift ten dienste staat, laten de meesten links liggen. Wil de doofstomme in waarheid deel uitmaken van de groote maatschappij, dan moet hij haar taal leeren spreken en verstaan. Dit is de grondgedachte der Duitsche methode (juister: methode van Amman). Ook in ons land heeft de spreekmethode overal het terrein veroverd. In 1790 werd het instituut van Groningen opgericht, waar volgens door Guyot gewijzigde Fransche methode werd onderwezen; in 1840 het instituut van Sint 4 Michiels-Gestel, waar de methode van de 1'Epéé en diens opvolgers vrijwel onveranderd werd gevolgd. Daarnaast ontstond in Rotterdam in 1854 de inrichting, waar volgens spreekmethode werd onderwezen en wel met zulke goede uitkomsten, dat Groningen in 1865, Sint Michiels-Gestel in 1907 tot de klankspraak zijn overgegaan. Deze methode wordt eveneens gevolgd in de inrichtingen van Dordrecht en Amsterdam. ') We zien dus, dat hier, evenals in de meeste andere landen, in het doofstommenonderwijs de zoo logische en gemakkelijke gebarentaal is verdrongen door de spreekmethode, die zoowel van de doofstomme kinderen als van de onderwijzers groote offers aan inspanning en geduld vergt. Het is mijn doel geweest na te gaan, in hoeverre deze offers door de uitkomsten worden beloond, in hoeverre het onderwijs volgens de klankspraakmethode er in is geslaagd de doofstommen op te heffen uit hun afzondering en hen op te leiden tot waardige leden der maatschappij. Het is mij een vreugde door dit onderzoek te zijn tegemoet gekomen, aan een lang gekoesterden wensch van mijn leermeester. Professor Burger. Hem dank ik het dan ook, dat hij den gang van mijn onderzoek heeft aangegeven en mij heeft ingeleid bij hen, die mij bij mijn onderzoek hun hulp hebben verleend. Door zijn steun kreeg ik de gewaardeerde medewerking van de directeuren der verschillende doofstommenscholen en werd ik toegelaten in een kring van Haagsche doofstommen. Bij mijn bezoeken aan de Amsterdamsche doofstommen mocht ik veel hulp ondervinden van de heeren E. van Ijzer, A. R. Fe rw er da, onderwijzer aan de doofstommeninrichting aldaar, J. J. A. Capel, godsdienstonderwijzer voor de doofstommen en J. van Beelen van de vereeniging „Door Liefde Saamgebracht". Hun en allen, die mij verder bij mijn onderzoekingen hun hulp hebben verleend, betuig ik mijn oprechten dank. ') Zie voor de geschiedenis van het doofstommenonderwijs in Nederland: H. J. Lenderink: Blind en doofstom tegelijk, blz. 323 e. v. HOOFDSTUK I. Literatuur omtrent de latere uitkomsten van het doofstommen-onderwijs. Bij het opsporen van opgaven over maatschappelijke verhoudingen van doofstommen heeft het mij getroffen, dat ik daaromtrent betrekkelijk weinig in de literatuur vastgelegd vond. Behalve hier en daar enkele opmerkingen in geschriftjes van doofstommenonderwijzers vond ik slechts een paar uitgebreidere verhandelingen, n.1. van Uchermann, Lemcke, Mya ind en in „The Blind and the Deaf" van de Amerikaansche regeering. Voor verdere vermeldingen was ik in hoofdzaak aangewezen op tijdschrift-artikelen in de buitenlandsche vakliteratuur. Tot mijn leedwezen heb ik niet steeds opgaven gevonden over den aard van het onderwijs (klankspraak- of gebarenmethode), dat de doofstommen hadden genoten. Allereerst wil ik nu vermelden, wat ik vond over spreken en „liplezen"; daarna de mededeelingen over den maatschappelijken toestand der doofstommen. A. Spreken en liplezen. DUITSCHLAND. Haug, leeraar aan het doofstommen- en blindeninstituut te Gmünd, beschreef in 1845 zijn oordeel over dertien 6 Duitsche doofstommenscholen '): Op alle scholen waren klank- en schrijfspraak hoofdzaak; kunstmatige gebarentaal speelde een ondergeschikte rol. Ongunstig luidde zijn oordeel over de uitkomsten op de scholen te Linz, Weenen, München; gunstiger was het over die in Praag, Leipzig, Dresden, Keulen, Hamburg, Pforzheim; zeer gunstig was zijn oordeel over de uitkomsten in Weissenfels en Frankfurt am Main. Aangaande deze laatste school, een internaat met twaalf leerlingen en drie leerkrachten — eenerzijds dus een geregeld onderling verkeer tusschen doofstommen, anderzijds een geregeld toezicht van de onderwijzers — noemt hij de spraak buitengewoon verstaanbaar; van eenige leerlingen zeer goed; ook het afzien droeg zeer zijn goedkeuring weg. Van 177 leerlingen van de doofstommenschool te Camberg, waar de spraakmethode werd gevolgd, gebruikten 35 (19.8 °/0) uitsluitend of in hoofdzaak gebaren, 86 (48.6 °/0) gebaren en klankspraak, 56 (31.6 °/0) uitshdtend klankspraak. 2) Bic kers 3) vermeldt zijn ontmoeting met twee oud-leerlingen van Weissenfels, die zeer gemakkelijk mondeling, zonder eenige hulp van gebaren, met hem een gesprek voerden (een was zeven jaar op school geweest, sinds vijftien jaar ontslagen). „Onder elkaar verkeerden deze twee doofstommen uitsluitend door spreken en afzien met niet meer natuurlijke bewegingen dan gewoon hoorende vrouwen van een levendigen aard." Bickers vermeldt verder nog twee modemaaksters, die zich eveneens gemakkelijk met hen onderhielden en een schoenmakersbaas, die met drie door hem zelf opgeleide doofstomme knechts werkte. De baas zélf sprak heel goed, de knechts minder, maar toch ook alleszins verstaanbaar. 1) L. Haug. Ausführliche Nachrichten tiber zwanzig der vorzüglichsten Taubstummen-und Blinden-Anstalten Deutschlands. Augsburg. 1845. 2) Mededeeling bij V. Uchermann: Les sourds-muets en Norvège, blz. 495. 3) Jaarverslag van het instituut voor Doofstommen te Rotterdam 1856—1857. Bijlagen blz. 49 e. v. 7 Huschens, directeur van het instituut te Trier, geeft als zijn meening '): De meesten van hen — 90% — zijn in staat zich met de hoorende omgeving goed te verstaan, d.w.z. de klankspraak zoodanig te gebruiken, dat anderen hen begrijpen, terwijl ze zelf het tot hen gesprokene kunnen aflezen. NOORWEGEN. Uchermann 2) deelt omtrent de doofstommen in Noorwegen mede: Van 946 volwassen doofstommen gebruiken 200 (21°/0) alleen gebaren, 412 (43.6%) vingerspraak of schrijven, 110 (11.6°/o) vingerspraak en klankspraak,- 224 (23.7%) uitsluitend of in hoofdzaak klankspraak. Uchermann besluit verder uit zijn cijfers: 1°. Slechts een minderheid (+ 38 %) van de in klankspraak onderwezen volwassen doofstommen gebruikt uitsluitend of in hoofdzaak klankspraak als verkeersmiddel met hoorenden. 2°. De mannen büjven daarbij ten achter bij de vrouwen en zulks in de steden in sterkere mate dan op het platteland (stad: 26.9% mannen tegen 48% vrouwen; platteland 34% mannen tegen 43.3 % vrouwen). 3°. Dit geldt zoowel voor aangeboren als voor verworven doofstomheid. 4°. In het algemeen bezitten de aangeboren doofstommen minder vaardigheid in het spreken dan de verworven doofstommen. 5°. Vaardigheid in het spreken staat, wat betreft de aangeboren doofstommen, in onmiddellijk verband met de grootte der gehoorresten (van de aangeboren doofstommen, die volkomen doof waren, gebruikte niet één de klankspraak). 6°. Bij de verworven doofstommen staat de vaardigheid ') Huschens. Die sociale Bedeutung der Taubstummenbildung. Trier 1911. 2) V. Uchermann. Les sourds-muets en Norvège. Blz. 483 e. v. 8 in het spreken bovendien in verband met den leeftijd, waarop de doofheid is ontstaan. Over de grootere vaardigheid in het spreken zegt Uchermann, dat het uitmunten van de vrouwen boven de mannen zeer wel overeenkomt met de gewone waarneming van haar scherper opmerken van bijzonderheden, haar meerderen ijver, haar grootere nauwkeurigheid, die haar helpen bij het zich eigen maken van werktuigelijke gewoonten in het algemeen, zooals dat het geval is bij het spraakonderwijs. Daarbij komt nog haar grootere welsprekendheid en haar gemakkelijk bewaren van een verworven bekwaamheid, vooral wanneer ze deze, zooals in de steden, dikwijls kunnen te pas brengen. Voorts merkt hij op: Waar het percentage sprekende doofstommen in de steden bijna het zelfde is als op het platte land, daar is het aantal van hen, die uitsluitend vingerspraak of schrijftaal gebruiken veel grooter op het platteland, terwijl de middelsoort, die beide gebruikt op het platteland zwak vertegenwoordigd is. Dit is ongetwijfeld te verklaren door het feit, dat op het platteland minder gelegenheid tot oefening is, wat tengevolge heeft, dat men gemakkelijker de vaardigheid in het spreken verliest. DENEMARKEN. Aangaande het spreken van de volwassen doofstommen in Denemarken geeft Mygind ') de volgende tabel: M. Vr. Totaal. °/0 Uitsluitend klankspraak 19 22 41 7.1 Klankspraak -4- andere methoden 41 44 85 14.8 Uitsluitend gebaren 48 56 104 18.1 Uitsluitend schrijven 20 11 31 5.4 Uitsluitend vingeralphabet 26 20 46 8 Gebaren, schrift + vingerspraak 132 116 248 43.1 Geen opgave 11 9 20 3.5 Tezamen 297 278 575 100.— 1) H. M y g i n d. Die Taubstummen in Danemark. Zeitschrift für Ohren- heilkunde, Band XXII, 1892. 9 Van de volwassen doofstommen gebruikte dertig jaar geleden dus slechts 7.1 °/0 uitsluitend de klankspraak als verkeersmiddel. ENGELAND. Mac Leod Yearsley, ') geneeskundig inspecteur van de London County Council Deaf Schools, kwam na drie jaren onderzoek tot de uitspraak, dat het in Londen gevolgde stelsel van onderwijs, (dat grootendeels met het hier te lande gevolgde overeenkomt), niet het juiste is te noemen en een herziening en uitbouw in verschillende opzichten noodig heeft. De methode om allen volgens eenzelfde stelsel te onderwijzen, kan volgens hem niet de beste zijn, wijl 42.6 °/0 van de door hem geziene leerlingen slechts voldoende of onvoldoende kan liplezen. Hij grondt zijn meening op de volgende uitkomsten over het spreken van 390 oudere leerlingen der Londensche doofstommenscholen: Van 197 leerlingen, die bij opneming geen spraak hadden, was van 17 (8.6 °/0) de uitspraak zeer goed, van 67 (34 °/0) goed, van 53 (26.9 °/0) voldoende, van 60 (30.4 %) onvoldoende. Van 57 kinderen met spraakresten was de uitspraak zeer goed bij 23 (40.3 %), goed bij 29 (50.9 °/0). voldoende bij 5 (8.8°/0), onvoldoende bij geen. Van 56, die bij toelating tot de school nog een natuurlijke spraak hadden, was de spraak bij 42 (75 °/„) zeer goed, bij 13 (22.6 °/0) goed. bij 1 (2.4 %) voldoende, onvoldoende bij geen. Voor 80 kinderen, die geestelijke afwijkingen vertoonden, waren deze cijfers 2 (2.5 °/0), 5 (6.25 °/0), 12 (15 °/0) en 61 (76.25 °/o). Aangaande het liplezen deelt Yearsley de volgende cijfers mee: van 197 kinderen, die nooit gesproken hadden, ') Mac Leod Yearsley, „The education of the deaf', in „The Lancet" van Febr. en Mrt. 1911. 10 waren 26 (13.2 °/0) zeer goed, 87 (44.2 °/0) goed, 54 (27.4 %) voldoende en 30 (15.2 %) onvoldoende; voor 57 kinderen, die nog spraakresten hadden, werden deze cijfers: 45.6 % zeer goed, 35.1 % goed, 15.8% voldoende en 3.5 % onvoldoende en voor hen, die nog natuurlijke spraak hadden: 42.9 % zeer goed, 25 % goed, 12.5 % voldoende en 19.6 % onvoldoende. Nemen we alle kinderen, die gesproken hadden, samen als tegenstelling tot hen, die niet gesproken hadden, dan zien we, dat van die 113 er 50 (44.2%) zeer goed liplazen; 34 (30.1 %) goed; 16 (H.2 %) voldoende en 13 (11.5%) onvoldoende. Yearsley besluit hieruit tot de groote waarde, die het eens gesproken hebben voor den doofstomme heeft in verband met het beter leeren liplezen. Kerr Love ') zegt aangaande de leerlingen van de doofstommenscholen in Engeland, waar in de meeste volgens klankspraakmethode wordt onderwezen: „en toch is het klankspraakonderwijs niet zeer vruchtdragend voor zoover betreft goede spraak en liplezen." Hij zoekt de oorzaak hiervan in het gebruik van vingerspraak, hetzij in de klasse, hetzij er buiten. Aangaande Schotland zegt hij: „Over het algemeen vond ik in de instituten spraak en liplezen slecht". Het onderwijs wordt daar in theorie gegeven volgens „combined method", wat in de praktijk hoofdzakelijk neerkomt op het gebruik van vingerspraak. Uitvoeriger is hij over de Cabra-School in Dublin. „Het onderwijs wordt daar in hoofdzaak nog gegeven volgens de oude methode van de 1' Epée, in onderdeelen aanzienlijk verbeterd, met taai-resultaten, die zeer weinig onderdoen voor die van eenige andere school in het Vereenigd Koninkrijk en welke naderen tot die van de beste „oral schools" in de Vereenigde Staten. Klankspraak wordt alleen geleerd ') Kerr Love. The Schools for the Deaf in Scotland and Ireland. Glasgow 1919. 11 aan de weinigen, die reeds spreken en nog hooren en uitsluitend met de bedoeling datgene te onderhouden, wat van spreken en hooren bestaat (dus ongeveer overeenkomende met het vroegere stelsel in St. Michiels-Gestel). Natuurlijke en kunstmatige gebaren, vingerspraak en schrijven worden vrijelijk gebruikt en het resultaat is een taal, die vrijer en beter gebruikt wordt dan ik in eenige „combined school" in Engeland heb gezien". VEREENIGDE STATEN. Aangaande de doofstommen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika vinden we een aantal gegevens in de „Special reports" '), een statistisch rapport over de blinden en dooven, die in 1900 in de Vereenigde Staten aanwezig waren. Een groot bezwaar, dat echter het raadplegen dier gegevens met zich brengt, is dat hier onder het woord „deaf " zoowel dooveu als doofstommen worden saamgevat. Daar echter de statistiek een scheiding in groepen maakt op grond van den leeftijd van doof worden, daar is het toch mogelijk een groote groep van werkelijk doofstommen af te zonderen. Ik neem daartoe degenen, die vóór het eind van het vijfde levensjaar doof zijn geworden. De volgende groep (doof geworden tusschen vijf en tien jaar) is niet te gebruiken. Aangaande het spreken der doofstommen worden de volgende cijfers vermeld: van de doofgeborenen spreken 1217 (8.4%) goed, 2452 (16.9%) onvoldoende, 10805 (74.7%) fa» het geheel niet. Van de beneden den vijfjarigen leeftijd doof gewordenen spreken 3615 (20.1%) goed. 3839 (21.4%) onvoldoende. 10478 (58.5%) in het geheel niet. Gaan we na hoe het stond met de volslagen dooven, dan vinden we, dat van 12609 doofgeborenen 492 (3.9%) goed, 1) Special reports „The Blind and the Deaf" of the Bureau of the Census Department of Commerce and Labor 1900, blz. 79 e. v. 12 1589 (12.6 °/0) onvoldoende en 10528 (83.5 u/„) in het geheel niet spreken; voor 13543 beneden den vijfjarigen leeftijd doofgewordenen worden deze cijfers resp. 861 (6.4%); 2561 (18.9°/0) en 10121 (74.7%). Voor de dooven met gehoorresten vinden we de volgende opgaven: van 1865 doofgeborenen spreken 725 (38.8%) goed, 863 (46.3%) onvoldoende, 277 (14.9%) in het geheel niet; van 4389 beneden den vijfjarigen leeftijd doofqewordenen spreken 2754 (62.8 %) goed, 1278 (29.1 %) onvoldoende, 357 (8.1) in het geheel niet. We hebben hierbij te doen met opgaven over doofstommen, die wel, en over doofstommen, die geen bijzonder doofstommenonderwijs hebben genoten. In ieder geval echter is het resultaat van 1353 goede sprekers op 19124 zeker niet schitterend te noemen, als de rest (17771) onvoldoende of in het geheel niet spreekt. Bij deze beoordeeling is natuurlijk van het grootste gewicht, hoe het onderwijs is geweest, aangezien in de Vereenigde Staten eerst langzamerhand en nog geenszins volledig de verschillende methoden, waarbij spraakonderwijs slechts een onderdeel was, hebben plaats gemaakt voor de klankspraakmethode. Het aantal leerlingen, dat volgens deze methode werd onderwezen, is van 49.4 % in 1892 geregeld gestegen tot 63 % in 1900. Nemen we nu aan, dat de doofstommen, die in 1900 (het jaar van de Volkstelling, waarbij de gegevens voor de „Special reports" werden verzameld) vijftien jaar oud waren, allen de school hadden verlaten en acht jaar op school waren geweest, dan had dus ten hoogste 63% en ten minste 49.4 % van hen klankspraakonderwijs ontvangen. Waar het aantal doofstommen zonder gehoorresten kleiner is dan dat met gehoorresten, daar kunnen we aannemen, dat dus ten hoogste 30 % en ten minste 20 % van de volslagen dooven klankspraakonderwijs hebben genoten. Het aantal doorstommen zonder gehoorresten, die in 1900 vijftien jaar oud waren en goed spraken, laat zich bij benadering schatten op x 7.5%. Dit cijfer is ook zeker niet mooi te noemen; 13 daar dan ten hoogste nog maar '/4 tot 'ƒ3 van de volslagen dooven goed, 3/3 tot 3/4 onvoldoende of in het geheel niet spreekt. Aangaande het liplezen zijn in de „Special Reports" de cijfers minder uitvoerig (als gevolg van het aanzienlijk kleiner aantal ingekomen antwoorden). Van 14474 doofgeborenen was over 5137 personen geen opgave gedaan; van de 9337 anderen konden 3535 (37.9 °/o) liplezen, 5802 (62.1 %) niet liplezen; van 17932 beneden den vijfjarigen leeftijd doofgewordenen bestonden 10930 opgaven, waarvan 5024 (46 %) konden liplezen en 5906 (54°/0) niet liplezen. Over de verschillende wijzen, waarop de doofstommen zich onderhielden met andere menschen, vond ik de volgende opgaven: Van 11426 volslagen doofgeborenen gebruikten: 659 (5.8%) uitsluitend klankspraak'; 1422 (12.4%) klankspraak + andere hulpmiddelen; 9345 (81.8%) in het geheel geen klankspraak. Van 12770 voor het eind van het vijfde levensjaar volslagen doof gewordenen gebruikten: 1146 (9%) uitsluitend klankspraak; 2276 (17.8) klankspraak + andere hulpmiddelen; 9348 (73.2%) in het geheel geen klankspraak. Van 1770 doofgeborenen met gehoorresten gebruikten: 1156 (65.3%) uitsluitend klankspraak; 182 (10.3 %) klankspraak + andere hulpmiddelen; 432 (24.4 °/o) in het geheel geen klankspraak. Van 4301 vóór het einde van het vijfde levensjaar ten deele doofgewordenen gebruikten: 3342 (77.7 %) uitsluitend klankspraak; 269 (6.2 %) klankspraak + andere hulpmiddelen; 690 (16.1 °/0) in het geheel geen klankspraak. 14 B. Maatschappelijke toestand der doofstommen. A. Theoretische opmerkingen. Over de vraag welke beroepen voor doofstommen het meest geschikt zijn en welke niet, komen de meeningen der verschillende schrijvers in hoofdzaak vrijwel overeen; alleen in bijzonderheden staan ze soms tegenover elkaar. Omtrent het midden der vorige eeuw besprak in ons land Hofkamp') de eischen, waaraan een voor den doofstomme geschikt beroep moest voldoen. Ongeschikt noemde hij: 1°. die beroepen, waar gehoor een vereischte is, hetzij voor het werk zelf, hetzij voor het samenwerken met anderen; 2°. die, waarvoor hbogere geestelijke ontwikkeling wordt vereisch t; 3°. die, welke seizoenarbeid zijn. Het beroep moet winter en zomer kunnen worden uitgeoefend, het moet steeds een voldoend afzetgebied geven en weinig bedrijfskapitaal vorderen. Dezelfde meening vinden we later bij Heil2), Huschens3)Druschba 4). Op grond van die theoretische vereisch ten vond Hofkamp geschikt „voor jongens: kleermaken, timmeren, houtdraaien, schrijnwerken, kuipen, mandenmaken, letterzetten, verven en schilderen, verlakken, koper- en blikslaan, zeilmaken; voor meisjes: linnen- en wollennaaien, breien, mazen en stoppen. ') T. Hofkamp. Gedachten over het aanleeren van handwerken en ambachten door doofstommen. 1857. blz. 9. 2) J. D. Heil. Der Taubstumme und seine Bildung. 1880. Blz. 74 e. v. 3) Jak. Huschens: Die soziale Bedeutung der Taubstummenbildung. Trier. 1911. Blz. 78 e. v. 4) Anton Druschba: Die Erziehung der Taubstummen. 1913. Blz. 77 e. v. 15 Van belang bij het kiezen van een beroep is de meerdere geestelijke ontwikkeling (voor timmeren wordt meer vereischt dan voor kleermaken, voor kleermaken meer dan voor schoenmaken); voorts zijn van beteekenis de lichamelijke ontwikkeling, de handigheid en het beheerschen van spieren." Heil voegt hier nog aan toe, dat de arbeid niet te veel van de oogen mag vergen: „de doofstomme moet niet veel met vuur of met glanzend metaal omgaan." Ook Fröhlich ') vestigt in het bijzonder de aandacht op het vereischt zijn van een goede gezichtsscherpte voor vele beroepen, met name: boekdrukken, ciseleeren, goudsmeden, graveeren, etsen, schilderen, metselen, slotenmaken, kleermaken, behangen, meubelmaken, horlogemaken; minder streng zijn de eischen voor kuipen, houtdraaien, tuinieren, glazenmaken, zadelmaken, schoenmaken en vleeschhouwen; nog minder voor bakken, boekbinden, bezembinden, hoedenmaken, mandenmaken, smeden e. a. Bij de voor vrouwen geschikte beroepen wordt een goede gezichtsscherpte vereischt bij het borduren. Aangaande het kiezen van een beroep voor den doofstomme werd op het vijfde internationaal doofstommencongres in Luik in 1905 als wenschelijk aangegeven, dat het bestuur van het instituut daarbij rekening houde met het verlangen der ouders, met de neiging en den aanleg van den leerling, met de plaats, waar hij zich zal vestigen en den maatschappelijken toestand der ouders. Dat een zeer groote zorg noodig is bij het kiezen van een beroep wordt ook van Amerikaansche zijde met nadruk betoogd. 2) Verschil van opvatting heerscht voornamelijk waar het betreft land- en tuinarbeid en fabrieksarbeid. Fabrieksarbeid werd minder gewenscht geacht door Heil; Huschens daarentegen vond zeer geschikt, zoowel voor 4) R. F r ö h 1 i c h. Was soll der Taubstumme Zögling werden. Organ der Taubstummen-Anstalten in Deutschland. 1911. Blz. 248. ») The teacher of te Deaf. 1914. Blz. 200. 16 mannen als voor vrouwen: textiel-, sigaren- en andere fabrieken. Van Deensche zijde ') wordt gewezen op het bezwaar van het verdringen van handenarbeid door machinaal werk. De Deensche wet eischt verzekering van arbeiders tegen ongevallen, de premie voor doofstommen is hooger dan voor normaal hoorenden en zoo worden doofstommen vaak uitgesloten uit werkplaatsen. Ook Druschba wijst op het gevaar van machines voor doofstommen. Verschil van meening heerscht ook over land- en tuinarbeid. Pongratz2) vond landarbeid en huishoudelijke beroepen minder geschikt om hun minder goede geldelijke belooning. Huschens daarentegen acht ze weer bijzonder geschikt. Op grond van het bovenstaande komen we dus tot de volgende, voor doofstommen geschikte beroepen: voormannen: behanger, bezembinder, boekbinder, boekdrukker, bontwerker, ciseleur, fotograaf, glazenmaker, goudsmid, graveur, handschoenmaker, hoedenmaker, horlogemaker, kleermaker, koperén blikslager, kuiper, letterzetter, lithograaf, maker van kerkgewaden en -sieraden, mandenmaker, metselaar, meubelmaker, schilder, schoenmaker, slotenmaker, smid, timmerman, tuinier, verlakker, wagenmaker, zadelmaker, zeilmaker. Minder geschikt zijn: houtdraaier, sigarenmaker, wever, (fabrieksarbeid); bakker, vleeschhouwer (verkeer met hoorenden); landarbeider (lagere verdiensten); kunstschilder, beeldhouwer (pas op lateren leeftijd gaan verdienen). Als beroepen voor meer ontwikkelden vond ik vermeld die van tandtechnicus 3) en scheikundig analist 4). Voor vrouwen geschikte beroepen zijn: breister, huishoudster, kleermaakster, modemaakster, naaister, strijkster, ') Revue internationale de 1' enseignement des sourds-muets. 1906. Blz. 51 e. v. 2) Georg Pongratz: Allgemeine Statistik über die Taubstummen Bayerns. 1906. 3) Druschba, t. a. p. 4) Teacher of the Deaf. 1914. 17 waschmeisje. Voor dienstbode (kamermeisje, keukenmeisje) zijn vrouwelijke doofstommen alleen geschikt, wanneer er tevens een hoorende is voor het verkeer met leveranciers '). B. Statistische gegevens. DUITSCHLAND. Uit een tweetal statistieken van de jaren 1870 2) en 1871 3) wil ik het volgende aanstippen. In den kring Keulen kwamen op 223 doofstommen 63 personen voor zonder beroep; verder waren er 10 schoenmakers, 4 meubelmakers, 4 kleermakers, 35 land- en tuinbouwers, 21 daglooners, voorts ten getale van een of twee een menigte vertegenwoordigers van de meest uiteenloopende beroepen, zooals we die later ook bij de Nederlandsche doofstommen zullen aantreffen. Als bijzonderheid stip ik aan het beroep van mijnwerker. De vrouwelijke beroepen waren: dienstbode 12, naaister 26, breister 3. In den kring Maagdenburg kwamen op 384 personen 19 voor zonder beroep; van de mannen waren er o.a. 23 in den landbouw, 40 arbeider, 18 schoenmaker, 10 kleermaker, 4 meubelmaker; van de vrouwen 46 naaister, 11 dienstbode, 37 werkster, 38 dagloonster. In 1892 geeft Lemcke 4) voor de doofstommen in Mecklenburg over 385 personen o.a. de volgende cijfers: van de mannen hadden slechts 86 een beroep, van de vrouwen 56; de overigen, 243, oefenden geen beroep uit. De ») Heil, t. a. p. 2) Lent: Statistik der Taubstummen des Regierungsbezirks Köln. 1870. blz. 10. 3) B. F. Wilhelmi: Statistik der Taubstummen des Regierungsbezirks Magdeburg nach der Volkszahlung von 1871. 4) Christ. Lemcke: Die Taubstumheit im Groszherzogthum Mecklenburg-Schwerin. 1892. blz. 223. 18 mannen waren o.a. werkzaam als arbeider 36, schoenmaker 16, kleermaker 11, meubelmaker 1; de vrouwen als naaister 26, dienstbode 15, werkster 15 maal. In 1909 ') kozen de leerlingen van de Duitsche doofstommenscholen o.a. de volgende beroepen: van 288 jongens: schoenmakers 73, kleermaker 82, meubelmaker 36, letterzetter 4, landbouwer 18; van 190 meisjes: naaister of kleermaakster 106. Aangaande de geheele doofstommenbevolking vond ik ook cijfers vermeld 2), maar deze gaven alleen een indeeling in groote groepen, zooals: chemische industrie, textielindustrie, bouwbedrijven, e. d.; daalden echter niet tot afzonderlijke beroepen af, zoodat deze cijfers voor mijn doel weinig waarde hebben. Alleen wil ik aanstippen, dat in 1895 3), op een geheel van 28721 personen, 9690 mannen een beroep hadden en 6108 niet, en bij de vrouwen 4343 wel en 8583 niet. We zien dus als beroepen, die het meest door doofstommen beoefend werden: bij de mannen schoenmaker, kleermaker en meubelmaker, terwijl het aantal beoefenaren grooter wordt, naarmate we korter bij onzen hedendaagschen tijd komen, en bij de vrouwen naaister, kleermaakster, enz. DENEMARKEN. Mygind 4) deelt over zijn doofstommen (omstreeks 1880) het volgende mee: van 313 volwassen mannen waren o.a. 96 schoenmaker, 59 kleermaker, 37 meubelmaker, 2 doofstommenonderwijzer; van 122 vrouwen waren 72 naaister, 21 waschvrouw, 12 dienstbode. 1 doofstommenonderwijzeres; ') Blatter für Taubstummenbildung 1910. blz. 362 en 363. 2) Blader für Taubstummenbildung 1909. blz. 20. 3) R. Wollermann. Blatter für Taubstummenbildung. 1901. blz. 73. 4) H. Mygind: Die Taubstummen in Danemark. Zie boven. 19 156 vrouwen waren gehuwd of zonder beroep, ten laste van familie of gemeenschap. Aangaande de verdiensten deelt hij mede: in eigen onderhoud voorzien 188 m. 67.6%, 96 vr. 37.5% bij familie wonen 28 m. 10.1%, 69 vr. 26.9% ondersteund worden 48 m. 17.3%, 76 vr. 29.7% in werkhuizen zijn 9 m. 3.2%, 11 vr. 4.3% geen opgaaf over 5 m. 1.8%, 4 vr. 1.6% Van Meurs ') geeft op als beroepen, die in Denemarken geleerd worden: veld- en tuinarbeid, schoenmaker, kleermaker, meubelmaker, wagenmaker, boekbinder, behanger, stoffeerder, letterzetter, zadelmaker, goud- en zilversmid, diamantbewerker, beeldhouwer en schilder; huishouding, veld- en tuinarbeid, naaister, modiste, bloemenmaakster, strijkster, dienstbode. C a s t e x 2) geeft als beroepen op voornamelijk: meubelmaker, schoenmaker, kleermaker, wever, boekbinder, verder carton- en houtbewerker. De meeste doofstommen vinden hun bestaan in ateliers en werkplaatsen; slechts een klein aantal verricht landarbeid. B e r g h deelt aangaande de beroepen in het district Malmöhus het volgende mee 3): Einde 1910 waren in Malmöhus 383 doofstommen: 203 mannen en 180 vrouwen. De meeste mannen waren arbeiders in industrie of in een handwerk. Van de ongehuwde vrouwen was een deel werkzaam als arbeidsters in fabrieken, als naaisters en dienstmeisjes. 24,5% van de doofstommen, die den leerplichtigen leeftijd achter zich hebben, kunnen niet in eigen onderhoud voorzien. ') C. v. Meurs. De doofstommen in de maatschappij, blz. 17, e. v. 2) A. C a s t e x. Revue internationale de 1' enseignement des sourdsmuets, 1906, blz. 51, e. v. 3) E. B e r g h. Studiën über Taubstumheit im Regierungsbezirk Malmöhus. Deutsche medizinische Wochenschrift, 20 Mrt. 1919. ZWEDEN. 20 De sociale en economische verhoudingen zijn in de steden voor de doofstommen beter dan op het land en beter voor de mannen dan voor de vrouwen. NOORWEGEN. Uitvoerige beschouwingen over de beroepen geeft Uchermann '). Uit zijn opgaven wil ik bet volgende overnemen. Van 197 mannen in de steden waren de beroepen als volgt; schoenmaker 74, kleermaker 38, letterzetter 11, overige beroepen 74. Ondersteuning genoten 10 personen (5.1%). Van 107 vrouwen waren 28 gehuwd, de overigen werkzaam: als naaister 41, dienstbode 11, met andere bezigheden 27. Elf vrouwen (10.3%) werden door openbare liefdadigheid ondersteund. Op het platteland woonden 420 mannen, waarvan schoenmaker 102, kleermaker 26, meubelmaker 20, landarbeider, boerenknecht, werkman te zamen 128, overige beroepen 144. Ondersteund werden 35 mannen (8,3%). Van 366 vrouwen op het platteland waren slechts 16 gehuwd; 60 vrouwen waren naaister, 63 dienstbode, werkster en boerenmeid 50, werkzaam in huishouding of rentenierend 177. Ondersteuning genoten 59 vrouwen (16.1%). Uchermann vestigt de aandacht op de moeilijkheid van de beroepskeuze voor doofstommen, vergeleken met hoorenden. Geestelijk werk is nagenoeg uitgesloten, behalve in enkele gevallen, waar privaatonderwijs kan worden gegeven of groote gehoorresten bestaan. De meeste doofstommen zijn aangewezen op handenarbeid: bij de mannen handwerksman 51.8% arbeider 17.7% (te zamen 69.5%); bij de vrouwen 22.8% en 8.2% (te zamen 31%). Ondersteuning genoot ± 12% van de doofstommen. De verhouding was in de stad beter op het platteland (ondersteunde mannen in de stad 5.1% ') V. Uchermann. Les Sourds-muets en Norvège. Christiania 1901, blz. 464 e. v. 21 tegen op het land 8.3%; voor de vrouwen respectievelijk 10.3% en 16.1%). ENGELAND. Kerr Love ') deelt omtrent de Cabraschool in Ierland, waar de oude methode van de 1' E p ée wordt gevolgd, mee, dat de jongens daar worden onderwezen in: zadelmaken, schoenmaken en kleermaken. Na den schooltijd vinden de jongens gemakkelijk een plaats; in Ierland zijn 30 oud-leerlingen werkzaam als eigen baas. Grooter is de moeilijkheid bij het plaatsen van meisjes. Dikwijls keeren ze naar de school terug, wanneer ze op de verkregen plaats zich niet hebben kunnen handhaven. Bij een onderzoek naar de beroepen van de oud-leerlingen van de Royal School for deaf Children, die tusschen 20 en 25 jaar oud waren 2), werden 214 lijsten verzonden. Van de 120 aan jongens verzonden lijsten werd een antwoord ontvangen in 71 gevallen; een beroep hadden er 69 als volgt: houtbewerker 19, schoenmaker 14, boerenknecht 6, kleermaker 4, andere beroepen 16. Naar vrouweüjke oud-leeriingen werden verzonden 94 lijsten; antwoord gaven 58 personen. De beroepen waren: naaister en kleermaakster 15, dienstbode 8, strijkster 11, andere beroepen 8. Voorts waren in de huishouding 15, in een gesticht 1 doofstomme. Een dergelijk onderzoek bij oud-leerlingen van het instituut in Derby leverde het volgende op 3): beroepen van 218 mannelijke oud-leerlingen o.a. zadelmaker 8, kleermaker 11, blikslager 9, schoenmaker 22, meubelmaker 16, mijnwerker 25, letterzetter 3, tuinman 13, boerenknecht 17, politoerder 11, boekbinder 5, werkman 19. De beroepen van 148 vrouweüjke doofstommen waren verdeeld als volgt; naaister 30, mode- ') Kerr Love. The Study of the Deaf Child. Glasgow, 1909. 2) The Teacher of the Deaf 1909. Blz. 102 en 103. 3) The Teacher óf the Deaf 1909. Blz. 133. 22 maakster 14, kantwerkster 17, dienstbode 32, schoonmaakster 5, overige beroepen 50. Een onderzoek bij oud-leerlingen van de doofstommenschool in Preston gaf de volgende resultaten '): van 103 oud-leerlingen waren werkzaam als: politoerder 1, meubelmaker 11, schoenmaker 2, kleermaker 2, perser 1, boerenbedrijf 5, tuinman 5, arbeider 8, strijkster 2, modemaakster 1, kleermaakster 10, dienstmeisje 4, thuis 5, textielarbeidster 14. Aangaande oud-leerlingen van de doofstommenschool te Margate worden o.a. de volgende beroepen vermeld 2): schoenmaker 53, kleermaker 21, tuinman 13, houtbewerker 16, letterzetter 7, stoffeerder 3, graveur 2, mandenmaker 2, tandtechnicus 2, naaister 41, waschvrouw 24, dienstbode 7, stoffeerster 2. FRANKRIJK. Reeds spoedig na het oprichten van het doofstommeninstituut in Parijs werden er verschillende beroepen onderwezen, n.1. boekdrukken, houtdraaien, meubelmaken, slotenmaken, handschoenmaken, breien, kantwerken, weven, teekenen en schilderen en tuinarbeid; later ook lithografie en inlegwerk. In den loop der tijden zijn nieuwe beroepen erbij gekomen, andere afgevallen, zoodat nu nog beoefend worden: letterzetten, meubelmaken, houtsnijden, schoenmaken, kleermaken, tuinieren. In andere doofstommenscholen worden onderwezen 3): in Bordeaux (instituut voor meisjes): linnennaaien, borduren, kleermaken, porceleinschilderen en retoucheeren van photografiën; in Chambery: jongens: schoenmaken, meubelmaken, landbouw; meisjes: naaien en knippen, verstelnaaien, huishouden; de meeste meisjes zijn daar na het ontslag van de school werkzaam in zijdefabrieken. In particuliere inrichtingen ') The Teacher of te Deaf. 1911, blz. 80 en 81. 2) The Teacher of the Deaf. 1915, blz. 159. 3) Revue internationale de 1'Enseignement des sourds-muets. 1908. 23 worden het meest onderwezen: schoenmaken, land- en boschbouw; minder vaak meubelmaken, het minst letterzetten; in Arras ook broodbakken en machinebreien; in Gap: mandenmaken, koperslaan ; Annonay: zijdeweven; Bourg la Reine: corsettenmaken; na het ontslag gaan de meisjes naar fabrieken en verdienen dan 3,50 a 4 francs per dag. In het algemeen zijn de Fransche doofstommen in staat in eigen onderhoud te voorzien en komen ze niet ten laste van anderen. Omtrent Bordeaux vermeldt Cornié ') de beroepen uitgeoefend door 884 meisjes, die gedurende de jaren 1859—1903 aldaar onderwijs ontvingen, als volgt: 218 zijn teruggekeerd naar het gezin en verrichten huiselijk werk, naaiwerk, landbouwwerk of hadden, met name in de hoogere standen, teekenles, les in porceleinschilderen, waterverfschilderen; 96 waren gehuwd; 139 waren kostuum- of linnennaaister; de loonen, die deze vrouwen verdienden, waren over het algemeen niet lager dan die der hoorenden; 5 waren broeken- of vestenmaaksters. (Hij betreurt het, dat dit niet meer het geval is, want het is een van de meest opbrengende beroepen voor vrouwen. Als eigen werkster kunnen ze per dag een broek of vest maken, wat door de confectiemagazijnen te Bordeaux met 3,50 a 3,75 franc, te Parijs met 4,50 a 5 franc betaald wordt); 9 waren borduurster of kantwerkster; 2 waren corsetmaakster; 27 waren strijkster; 2 waschvrouw; 3 modiste; 8 waren bloemenmaakster; 8 waren schoenenstikster; 1 was parapluiemaakster; 2 waren retoucheerster; 2 kleurster van photografièn; 3 werkten in fabrieken als porceleinschilderes; 42 waren letterzetster; 12 zijdeweefster; 42 in een gesticht voor vrouwelijke doofstommen; 14 in andere gestichten; 39 werkten in land-, tuin- en wijnbouw. (Waar zin voor handenarbeid op het land in Frankrijk schaarsch is, hadden deze bijna het geheele jaar door werk, minder dagen zonder werk en hooger loon dan meisjes in andere beroepen op het ') Adrien Cornié. Etude sur 1'institution des sourdes-muettes de Bordeaux. 1903. blz. 75 e.v. 24 platteland); 42 werkten in verschillende fabrieken: kartonnage, papierwaren, knoopenfabricage, tapijtwerk, leerwerk; 16 waren dienstboden, meest in liefdadige instellingen. Over het algemeen verdienden de meisjes een loon, wisselend van 2—6 francs daags, waarmee ze, mits nog in den familiekring levende, ongeveer in eigen onderhoud konden voorzien. Opvallend is het groote aantal meisjes, die als letterzetsters haar brood verdienen. Voornamelijk waren deze werkzaam bij de firma Fkmin-Didot et Cie. te Messnil sur l'Estrée. Deze firma had speciaal ten behoeve van de doofstomme meisjes verscheidene maatregelen getroffen om ze zoo goed mogelijk haar vak te leeren, ze op aangename wijze te laten werken, ze buiten de werktijden om een gezellig huishoudelijk leven te verschaffen en ze te beschermen tegen gevaren, die haar meer nog dan hoorende meisjes uit den werkmansstand bedreigen. Een afzonderlijke afdeeling voor doofstomme werksters was er ook verbonden aan een zijdefabriek te Boussieu. Van de 600 werksters waren 45 doofstom, terwijl er voor 100 doofstommen plaats was. De meisjes werkten er onder leiding van geestelijke zusters. Al naar haar bekwaamheid werden ze gebruikt in verschillende takken van het bedrijf; verdiensten waren gemiddeld 2.50 franc daags. In 1881 waren een groot aantal doofstommen op de volgende wijze werkzaam '): ITALIË. landbouw herder 2576 mannen 73 23 15 1416 1209 vrouwen 12 visscherij mijnbouw industrie 760 ') Joseph Qaybough Gordon. Notcs and observatlons upon the Education of the Deaf. 1892. 25 handel 20 mannen 4 vrouwen transport 23 „ «— schipperij 25 „ — rentenier 300 „ 201 „ kantoorpersoneel 125 „ 161 „ rijksambtenaren 16 „ — dienstpersoneel 4 „ 1 „ koster 4 ziekenverpleging 1 „ — onderwijs 2 „ 9 „ schoone kunsten 30 „ — landmeter (surveyor) 1 >— marskramer 7 „ >— bedelaar 230 „ 179 RUSLAND. In Petersburg leeren de jongens voor meubelmaker, sloten» maker, blikslager, boekbinder, cartonwerker, boekdrukker. De in den leertijd verkregen vakkennis is zoo, dat de ontslagen leerlingen spoedig een baas vinden, vooral de letterzetters '). JAPAN. In Japan oefenen de doofstommen de volgende beroepen uit: kunst, landbouw, kleermaken, muziekinstrumentenmaken, photografie, porceleinschilderen, timmeren, schoenmaken, drukken, lithographie, goudlakken, zijdeschilderen, houtsnijden, schilderen, wasscherij, naaien, machinebreien 2). ') J. Robs. Das Taubstummen-Bildungswesen In Russland, im besonderen in St. Petersburg; in „Blatter für Taubstummenbildung. Juni 1907. 2) The deaf in Japan. The Teacher of the Deaf. Juni 1912. 26 VEREENIGDE STATEN. Gallaudet ') noemt als in 1886 op de Amerikaansche doofstommenscholen onderwezen beroepen: bakken, mandenmaken, boekbinden, bezembinden, meubelmaken, timmeren, stoelenmaken, koken, boetseeren, knippen, naaien, land- en tuinbouw, glazenmaken, breien, matrassenmaken, schilderen, drukken, schoenmaken, kleermaken, houtsnijden, graveeren, houtdraaien, huishouden, borduren, costuumnaaien, hemden maken. 348 oud-leerlingen van de doofstommenschool in Pennsylvania waren in 1884 werkzaam als: schoenmaker 35, lithograaf 1, kleermaker 18, landbouwer 47, drukker 9, sigarenmaker 16, wever 10, los werkman 35, naaister 36, in huishouding 72, andere beroepen 65. Van het Kansasinstituut waren op een geheel van 198 doofstommen: landbouwer 72, schoenmaker 31, timmerman en meubelmaker 30, drukker 20, kunstenaar 17. In de laatste jaren worden op de Amerikaansche doofstommenscholen meer dan 85 ambachten onderwezen 2); de meeste leerlingen trekken de beroepen van: timmerman, meubelmaker, schoenmaker, drukker, kleermaker, schilder en glazenmaker, metselaar, stoelenmaker, wever, barbier, smid; huishouding, naaister, breister, kleermaakster, costuumnaaister, borduurster, modemaakster. Een menigte cijfers geven ook weer de „Special Reports", maar ook hier kleeft het groote bezwaar aan, dat dooven en doofstommen tezamen worden beschouwd. Ter vergelijking met mijn eigen onderzoek kunnen daarom slechts enkele gegevens worden gebruikt. De beroepen der dooven in het algemeen waren verdeeld als volgt: landbouwbedrijven 43.8 %, technische bedrijven 29.4 %, dienstbetrekkingen 16.5 %, handel en verkeerswezen 6.9 %, hoogere beroepen ^•4 % (voor hoorenden waren deze cijfers resp. 35.7 °/0, ') Education of deaf cbildren. blz. 12, *) Industries taught in American Schools of the deaf. American Annals vol. LXV. No. 1. blz. 1. 27 24.4 %. 19.2 %, 16.4 %, 4.3 %). Onder de laatstcn werden gerekend: onderwijzers, leeraren aan „colleges", kunstenaars enz. De meeste dooven (89.7 %) worden dus aangetroffen in de eerste drie groepen, waar spreken en hooren minder noodig zijn; in de andere twee, waar spreken en hooren vereischt is, zijn slechts weinig dooven werkzaam (10.3 %) en dan nog meest dooven met gehoorresten, zooals blijkt uit volgende opgave: in landbouwbedrijven zijn van de er in werkende dooven 33.8 % volslagen doof, 66.2 % ten deele doof; in technische bedrijven respectievelijk 48.5 % en 51.5 %; dienstbetrekkingen 45.1 % en 54.9%, in handel en verkeerswezen 24.6 % en 75.4%; in hoogere beroepen 35.8 % en 64.2 %. Van grooten invloed op het beroep is het al of niet onderwezen zijn van den doove, zooals blijkt uit de volgende cijfers: Van de dooven werkzaam in: landbouwbedrijven is 75.8% °P school onderwezen; 16.3% niet; 7.9% onbekend; hoogere beroepen: 96.0% op school onderwezen; 1.5% niet; 2.5% onbekend; dienstbetrekkingen: 73.4% op school onderwezen; 18.6% niet; 8,0% onbekend; handel en verkeerswezen: 88.5% op scbool onderwezen; 5.3% niet; 6.2% onbekend; technische bedrijven: 89.4% op school onderwezen; 5,7% niet; 4.9% onbekend. Die invloed is dus het grootst, waar meer vakkennis vereischt wordt. In de andere, waar meer lichamelijk werk wordt verlangd, is het niet onderwezen zijn van minder invloed. Uit de cijfers van de Special Reports blijkt verder, dat van de vóór het 20ste jaar doofgewordenen 51.6% productief werkzaam waren; van de na het 20ste jaar doofgewordenen slechts 36.8%. De verklaring van dit eigenaardige feit wordt gezocht daarin, dat de vóór het 20ste jaar doofgewordenen zich geheel aan den dooven toestand aangepast en speciaal 28 daarop gericht onderwijs genoten hadden, terwijl dit met de op later leeftijd doofgewordenen niet het geval was en deze misschien niet de noodige energie hadden gehad, om zich in hun nieuwe levensomstandigheden in te werken en hun werk daarnaar te richten. Van de 35924 na het 20ste jaar doofgewordenen hadden slechts 135 bijzonder onderwijs genoten; van 50296 vóór het 20ste jaar doofgewordenen 25296. Bij het cijfer 51.6% moet er wel rekening worden gehouden met het feit, dat hiermee niet tevens bedoeld zijn de gehuwde vrouwen, zoodat dus het aantal, dat niet tot eigen onderhoud in staat is, niet bedraagt 48.4%, maar een kleiner percentage. C. National Deaf-mute College. Reeds omtrent het midden der vorige eeuw werd in Amerika gesproken over de wenschelijkheid van meer uitgebreid onderwijs aan doofstommen. HarveyPrindle P e e t') betoogde, dat in de zes a zeven jaar, die het onderwijs duurt, de doofstomme niet zooveel kan leeren als waarvoor hoorenden twaalf a vijftien jaar noodig hebben, eer hun opvoeding voltooid is. Daarom wilde Peet voortgezet onderwijs om de meer begaafde doofstommen tot grooter ontwikkeling te brengen. Hij bepleitte voor de besten hunner een twee tot vier jaren voortgezet na-onderwijs bestaande in: grondiger kennis van de taalgeschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, sterrekunde, teekenen. natuurwetenschappen, vreemde talen, boekhouden. Ook anderen koesterden dergelijke gedachten; met name het bestuur van „The Columbia Institution for the Deaf and Dumb", in 1857 in Washington opgericht. In 1864 kreeg dat bestuur het recht academische graden te verleenen. En zoo werd aan dit instituut verbonden een afdeeling „National ') HarveyP. Peet: Report on the education of the deaf and dumb in the higher branches of learning. 1852, blz. 8 e.v. 29 Deaf-mute College" '). De bedoeling daarvan was o.a. aan te toonen, dat ook doofstommen vatbaar zijn voor het volgen van verder onderwijs, zooals dat in „colleges" voor hoorenden werd gegeven. De uitkomsten hebben de juistheid van die opvatting afdoend bewezen. Het onderwijs komt in hoofdzaak overeen met hetgeen bij ons aan de hoogere burgerschool en het gymnasium wordt gegeven en omvat de volgende vakken: wiskunde, natuurkunde, plant- en dierkunde, scheikunde, psysiologie, geschiedenis, Engelsch, Fransch, Duitsch, Latijn, Grieksch, logica, philosophie, aesthetica, staatsinrichting en staathuishoudkunde, gymnastiek. Daar de leerlingen kwamen van al de verschillende inrichtingen, was men gedwongen het onderwijs grootendeels met gebaren en vingerspraak te geven, omdat anders zij, die niet konden liplezen het onderwijs niet zouden kunnen volgen. Dat deze instelling inderdaad in een behoefte is komen voorzien, blijkt uit het feit, dat reeds in 1893 aan het „College" niet minder dan driehonderd negentig doofstommen hadden gestudeerd. In 1886 deed Prof. Draper mededeeling omtrent de betrekkingen, door oud-leerlingen van het College verworven 2): redacteur van een dagblad, hulppostmeester, plantkundige, doofstommenonderwijzer, directeur van een doofstommeninstituut, onderwijzer-oprichter van een doofstommenschool, professor aan het „College", procureur bij de octrooiwet, klerk aan een departement of bibliotheek, bank of postkantoor, uitgever van een nieuwsblad, expert bij het maken van lenzen, zendeling onder de doofstommen, teekenaar op een architectenkantoor, architect-scheikundige, deelgenoot in een graanmalerij. Dat ook zonder te kunnen spreken een doofstomme een hooge mate van ontwikkeling kan krijgen, toont Gallaudet aan met het voorbeeld van een volslagen doofgeborene 2), die zijn verdere opleiding ontving aan het College en zich ') Zie Histories of American Schools for the Deaf. Uitgave van The Volta Bureau, Washington 1893. Volume II Article XX blz. 7 e.v. The Education of deaf children. 30 bekwaamde tot scheikundige. Deze kreeg een leidende positie aan een smelterij, schreef wetenschappelijke verhandelingen en werd later chef-scheikundige aan een groote suikerraffinaderij. Deze doofstomme kon alleen maar zijn gedachten schriftelijk of met vingerspraak uitdrukken. Ook zonder het speciale onderwijs aan het National College hebben verscheidene doofstommen kans gezien zich een groote mate van wetenschappelijke kennis eigen te maken. Ik noem eenige voorbeeldén: Douglas Tilden, doofgeworden op zijn vijfde jaar, leerde aan de „Californian Institution for the Deaf and the Blind", later aan de ..University of California", leerde beeldhouwen in New-York en Parijs, werd professor in het beeldhouwen aan de universiteit van California '); George Dudley van Epps, doofgeworden in zijn eerste jaar, kreeg van zes tot elf jaar privaatles, ging daarna drie jaar naar „Marist College" in Atlanta, vervolgens naar „the Wright Oral school for the Deaf" in New-York en in 1909 naar de „Georgia school of Technology", die hij in 1913 met den titel „Bachelor of Science" verliet. In dat jaar begon hij met de studie der scheikunde aan „John Hopkins University" en verkreeg daar in 1916 den doctorstitel op een proefschrift „Preparation of Nitrites" 2); G. Annand Mackenzie, een volslagen doofgeborene uit een gezin met nog twee doove broers, werd door zijn moeder onderwezen in vinger-alphabet, kreeg privaatles van een dooven leeraar, kreeg spreek- en lipleéslessen, ging later naar een openbare school, studeerde in Cambridge, waar hij den titel van „Bachelor of arts" behaalde 3); Prof. Dr. L. Berend, die in 1905 in Kiel tot buitengewoon hoogleeraar in scheikunde werd benoemd. Hij was doof geboren, sprak zeer goed, zoodat hij den indruk maakte, niet van een doove maar van een buitenlander 4). ') The Volta Review. Nov. 1913. 2) The Volta Review. April 1916. 3) The Volta Review. Nov. 1910. 4) Organ der Taubstummen-Anstalten in Deutschland. 1900, blz. 318. 31 D. Bijzonderheden over enkele andere beroepen door doofstommen uitgeoefend. Een verzameling van verschillende van die bijzonderheden geeft Roe ') b.v. een doofstomme ezeldresseur bij Barnum, een uitgever van een groot Noorsch dagblad, een operateur in een bioscope, een doofstom eigenaar van een koffiehuis te Weenen met doofstomme kellners en druk bezocht door lotgenooten, een uitvinder en fabrikant van drukpersen, rijwielherstellers, bijenhouders, een advocaat, een handelsreiziger, brandweerlieden. Maar ook aan zijn opgaven kleven weer de bezwaren reeds eerder genoemd, dat er geen scherpe scheiding is gemaakt tusschen dooven en doofstommen. Onder de zelden door doofstommen uitgeoefende beroepen mogen we zeer zeker rekenen, dat van een solodanseres 2), die in het Fürsttheater in Weenen optrad en danste op de maat, aangegeven door het stokje van den dirigent en verder dat van een twintigjarigen doofstommen acrobaat 3), die bij het circus Renz in Berlijn werkzaam was. Enkele jaren geleden zijn in Amerika twee doofstomme meisjes opgeleid tot ziekenverpleegster. Een ervan was volslagen doof, de andere had gehoorresten; de eene sprak goed, de andere niet. Ze waren werkzaam op kinderzalen, waar bij de nachtelijke diensturen een hoorende zuster van naastgelegen zalen een oogje in het zeil moest houden. De theoretische lessen waren door de vrouwelijke arts, op wier initiatief deze proef genomen werd, op schrift gesteld en zoo ter kennis van de zusters gebracht. De proef voldeed zóó goed, dat Dr. Richardson, die er mede begonnen was, ze met andere doofstomme voort wenschte te zetten 4). ') W. R. Roe. Peeps into the Deaf World. 1917. *) Blatter für Taubstummenbildung.. 1891. blz. 252. 3) Blatter für Taubstummenbildung. 1887, blz. 98. 4) The Volta Review. Nov. 1910. 32 E. Slotsom. Uit het gegeven overzicht over de in verschillende landen door doofstommen uitgeoefende beroepen blijkt dus, dat verreweg de meerderheid der mannen hun brood tracht te verdienen als schoenmaker, kleermaker, meubelmaker en letterzetter; de meisjes als: naaister en door huishoudelijk werk en dat slechts een minderheid een bestaan zoekt in andere handwerksvakken, terwijl een enkeling er toe komt zich onder de meer intellectueele beroepen een plaatsje te veroveren. De meerderheid van de doofstommen is in staat zichzelf te onderhouden, een minderheid is aangewezen op ondersteuning, hetzij van familieleden, hetzij van openbare of bijzondere liefdadigheid. Eenig verband tusschen de maatschappelijke verhoudingen, waarin de doofstomme verkeerde en de methode, volgens welke hij was onderwezen, was niet vast te stellen. HOOFDSTUK II. Onderzoekingen aangaande Nederlandsche doofstommen. § 1. Methode van onderzoek. Bij mijn onderzoek naar de levensomstandigheden van een groot aantal in Nederland woonachtige volwassen doofstommen heb ik gebruik gemaakt van lijsten, waarop ik de volgende vragen heb laten drukken: 1. Datum van ondervragen. 2. Naam van den doofstomme. 3. Woonplaats. 4. Geslacht. 5. Ouderdom. 6. Beroep. 7. Aard der doofstomheid. a. aangeboren. b. verworven. c. op welken leeftijd. d. door welke oorzaak. 8—9. Kunt ge nog iets hooren? Welke geluiden? 10. Bezocht de doofstommenschool te ... . van .... tot . . . . ? 11. Volgde herhalingsonderwijs te ... . van .... tot . . . . ? j2 Verloofd hoorende? Gehuwd ' doofstomme? 13. Waar hebt ge deze leeren kennen? 14. Zijn er nog andere doofstommen thuis? 15. Hoe spreekt ge? a. thuis. b. met hoorende menschen. c. met doofstommen. 16. Waar hebt ge vingerspraak geleerd en van wie? 17. Waar hebt ge uw beroep geleerd en van wie? ,„ ... , als eigen baas? 18. Waar werkt ge ^ - bij welken patroon? 19. Hoelang werkt ge daar al? 20. Zijt ge dikwijls van patroon veranderd? 34 21. Waarom veranderde u? zonder duurtetoeslag ? 22. Wat is uw verdienste per week met duurtetoeslag? 23. Verdienen andere knechts meer? 24. Waarom? 25. Hebt~ge~op school een ander beroep geleerd? 26. Welk? 27. Waarom zijt ge van beroep veranderd? 28. Zijt ge dikwijls zonder werk? 29. Waardoor? 30. Kunt ge geheel in eigen onderhoud voorzien? 31. Ook in dat van anderen? 32. Krijgt ge ook ondersteuning? 33. Hoeveel? 34. Van wie? in gezelschap? 35. Zijt ge graag liever alleen? 36. Hebt ge liefhebberijen? 37. Welke? 38. Kent ge vreemde talen? 39. Welke? 40. Zijn er doofstommen in uw familie? 41. Wie? 42. Waren uw ouders doofstom? 43. Waren ze bloedverwanten? 44. Hoeveel broers en zusters hebt ge? a. hoorenden. b. doofstommen. 45. Hoeveel kinderen hebt ge? a. hoorenden. b. doofstommen. c. gestorven. 46. Tot welk kerkgenootschap behoort ge? Oordeel van den ondervragenden medicus over: 47. Psychlschen toestand van ondervraagde. 48. Finantieele verhoudingen van het gezin. 49. Geestelijke ontwikkeling van het gezin. 40. Spreken van ondervraagde. 51. Liplezen van ondervraagde. 52. Gebaren. 53. Gehoor voor luide spraak. a. rechts. b. links. 54. Bijzonderheden. 35 Een groot aantal lijsten heb ik persoonlijk ten huize der doofstommen of bij hun kennissen of op plaatsen van geregelde samenkomsten ingevuld. Op deze wijze verkreeg ik gegevens over 556 personen. Verder heb ik naar plaatsen, waar volgens opgave van de verschillende scholen, doofstommen woonachtig zouden zijn, aan de daar wonende geneeskundigen vragenlijsten doen toekomen. Op deze wijze verzond ik aan 291 collega's 523 lijsten met als resultaat, dat ik van 151 geneeskundigen 279 lijsten geheel of gedeeltelijk ingevuld terug ontving. Hierbij komen nog 12 lijsten, die door andere personen of door enkele doofstommen zelf zijn ingevuld. Voorts heb ik gebruik mogen maken van het materiaal, dat door een commissie uit de „ Vereeniging ter Bevordering van het Doofstommenonderwijs in Nederland" was bijeengezameld, in verband met een enquête naar de resultaten van het vakonderwijs. Op deze wijze kreeg ik nog bijzonderheden over 285 personen. Mijn onderzoek steunt dus op een materiaal van elf honderd twee en dertig personen. Het geheele aantal doofstommen, in Nederland woonachtig, kan worden geschat op 2500 a 2600 (bij de volkstelling van 1909 werden opgegeven 2305 doofstommen, waarvan 1423 volwassenen, welke getallen door den directeur van het instituut voor doofstommen te St. Michiels Gestel veel te klein werden geacht '), waarvan 1600 a 1700 volwassenen. Mijn gegevens loopen dus over ongeveer twee derde deel der volwassen doofstommen. Wat zijn „volwassen" doofstommen? Als volwassen heb beschouwd die personen, waarvoor het tijdperk van geregeld schoolonderwijs is afgesloten en van de niet volgens een bijzondere methode onderwezenen degenen, die daarmede gelijk te stellen zijn. Wat zijn „doofstommen"? Burger2) ') Verslag van het instituut voor doofstommen te St. Michiels-Gestel over het jaar 1912, blz. 50. *) Burger. Leerboek der ziekten van ooren, neus, mond, keel en slok' darm 1918, blz. 542. 36 zegt dienaangaande: „Onder doofstomheid verstaat men aangeboren of in de eerste levensjaren ontstane doofheid van zoodanigen graad, dat het normale spreken achterwege is gebleven of de reeds aangeleerde spraak weer verloren is gegaan". Toch laat ons deze begripsbepaling in enkele gevallen in den steek. Wat moeten we verstaan onder eerste levensjaren? Om practische redenen heb ik in Hoofdstuk I blz. 11 daarvoor aangenomen den leeftijd tot het eind van het vijfde levensjaar. Dit is in zekeren zin onjuist; er zijn enkelen,die vroeger doof geworden zijn en dank zij hun onderwijs uitstekend zijn blijven spreken b.v. mijn No. 121, die bijna normaal sprak; en daarom en mede om zijn, zij het ook zeer geringe, gehoorrest zich niet als doofstom beschouwd wenschte te zien. Anderen zijn er, die eerst na hun vijfde levensjaar doof zijn geworden en die toch hun spraak voor het grootste deel hebben ingeboet. Hier zouden we dus zeer moeten individualiseeren. Een tweede punt van belang is de graad der doofheid. Wanneer is deze zoodanig, dat er geen gebruik van het gehoor te maken is bij het onderwijs en wanneer wel, met name op scholen voor slechthoorenden? Onder mijn materiaal komen er volwassenen voor, die als doofstomme zijn opgeleid, wier groote gehoorresten hen ongetwijfeld in staat zouden hebben gesteld het onderwijs voor slechthoorenden te volgen, dat echter in hun jeugd nog niet bestond. Uit mijn materiaal heb ik nu uitgesloten 22 doofstommen met groote gehoorresten (woordgehoor voor een of beide ooren op een afstand van meer dan 1 Meter), zoodat dus overblijven 1110 doofstommen. Wat betreft den gang van het onderzoek diene het Volgende: in den beginne had ik het voorrecht bij mijn huisbezoek te worden vergezeld door iemand, die met tal van doofstommen uitstekend bekend was en evengoed als zij gebaren en vingerspraak kende. Waar toevalligerwijze de meerderheid van de ondervraagden oud-leerlingen waren van Groningen, kwam mij deze hulp zeer goed te stade. Ik begon zelf met één voor één mijn vragen te stellen en de antwoorden te noteeren. 37 Kon ik mij met de klankspraak met de doofstommen niet verstaan, dan trad mijn geleider als tolk op. Later ging ik ook alleen op doofstommen-bezoek uit en waar het met woorden alleen niet ging, daar kwamen de schrift, een enkel gebaar, ook de hulp van huisgenooten het ondervragen aanvullen. Op deze wijze bezocht ik bijna alle doofstommen van Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Utrecht, Amersfoort en de tusschengelegen plaatsen benevens enkelen uit Rotterdam. In de meeste gevallen ging het ondervragen tamelijk vlot, slechts sporadisch heb ik hier en daar eenige terughoudendheid van de ondervraagden opgemerkt, die echter na eenig praten meestal spoedig verdween. De meeste moeite gaven die gevallen, waar de doofstomme in een omgeving van hoorenden verkeerde. Daar had ik meer te kampen met de weetgierigheid en het wantrouwen van die hoorenden dan van den doofstomme zelf. De grootste moeilijkheid gaf het invullen der antwoorden op de vragen 47, 48 en 49. In den korten tijd en met het beperkte gesprek, dat bij het ondervragen werd gevoerd, was het zeer moeilijk een eenigszins betrouwbaar oordeel te vormen omtrent den psychischen toestand en het intellect van den ondervraagde, temeer daar bij diegenen, die slecht spraken en liplazen, gemakkelijk een indruk van suffigheid ontstond. Een in bijzonderheden afdalend oordeel was daardoor niet mogelijk en zoo moest ik volstaan met een oppervlakkigen indruk. Hetzelfde geldt voor het oordeel over geldeüjke en geestelijke verhoudingen van de omgeving van den doofstomme. Waar echter de groote meerderheid mijner ondervraagden voortkwam uit arbeiders- en kleinen burgerstand, werd bier het oordeel in de groote meerderheid der gevallen vrijwel eensluidend: middelmatig. Afwijkingen daar beneden kwamen weinig voor, afwijkingen daarboven menigvuldiger en voornamelijk bij de beter gesitueerden. Wat aangaat het spreken en liplezen heb ik getracht den indruk, dien ik daarover kreeg, telkens zoo goed mogelijk met een cijfer weer te geven. Bij het spreken heb ik daarbij in hoofdzaak gelet op datgene, waar het voor het dagelijksch 38 leven het meest op aankomt, n.1. of de persoon zich voldoende kan verstaanbaar maken. Op de technische volmaaktheid en op de zuiverheid van taal (die bij een onderwijzer allicht het zwaarste zouden wegen) heb ik daarbij minder gelet. Over het eerste vooral zou ik niet graag zoo spoedig een oordeel vellen. Mijn meening over het laatste bepaalde ten deele bij de hoogere cijfers of het spreken met een 8, 9 of 10 gewaardeerd zou worden. Hoofdzaak, waarop ik gelet heb, bleef echter: wat is het resultaat van de aangeleerde spraak voor het dagelijksch leven? Bij het- liplezen zou ik gaarne gebruik hebben gemaakt van een aantal bepaalde woorden, teneinde naar verhouding van het getal der goed en dat der verkeerd afgelezen woorden een cijfer te kunnen geven. Waar dit theoretisch het meest juist schijnt te zijn, bleek het toch practisch niet uitvoerbaar, reeds om het feit, dat verschillende woorden eenzélfde mondbeeld geven (b. v. bad, ban, pan, pad, mat, man). Evenzoo was het onmogelijk cijfers te geven naar aanleiding van eén bepaald aantal zinnetjes, omdat voor het begrijpen van een zin van grooten invloed is of deze dingen weergeeft, die meer of minder verband houden met het dagelijksch werk en de dagelijksche omgeving van den ondervraagde. Ook hoorenden herkennen een veelvuldig voorkomend woord eerder dan een minder vaak voorkomend. Hoe weinig verstaat men b.v. dadelijk den naam van iemand, die zich voor het eerst aan ons voorstelt. Van een bepaald aantal proefwoorden of proefzinnen heb ik daarom moeten afzien. Ik heb mij dus geheel moeten laten leiden door den indruk, dien ik tijdens het vraaggesprek kreeg. Om daarbij toch eenigszins een maatstaf te hebben, heb ik mij zooveel mogelijk er toe bepaald, overal mijn vragen op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde te doen en dan mijn indruk over spreken en liplezen ineen cijfer uitgedrukt. De cijfers hebben dus een niet te betwisten betrekkelijke waarde. Maar behalve dat bleken zij ook een volstrekte waarde te bezitten. Dit is op de volgende wijze gebleken. Toen ik mijn materiaal verzameld had, heb ik aan de verschillende 39 doofstommen-inrichtingen een bezoek gebracht om mijn gegevens te vergelijken met de bijzonderheden, die aldaar omtrent de verschillende oud-leerlingen bekend zijn. Nagegaan heb ik dat voor de twee scholen, die de meeste door mij ondervraagden opgeleid hadden, n.1. 126 oud-leerlingen van Rotterdam en 222 oud-leerlingen van Groningen. Mijn waardeering van spreken en liplezen heb ik voor de door mij ondervraagden uitgedrukt in cijfers van 1 —10. Bij mijn bezoek aan Rotterdam en mijn gesprek met den directeur, den Heer P. J. Fehmers, die sinds tal van jaren aan het instituut verbonden is, was deze genegen zijn indruk over de verschillende oud-leerlingen, die hem voor het grootste gedeelte nog helder voor oogen stonden, uit te drukken in cijfers met overeenkomstige waarden als door mij er aan waren toegekend. Aangaande het spreken kon hij zich over 10 leerlingen geen duidelijk beeld meer vormen, over 116 wel. Ziehier nu de vergelijking van ons beider cijfers. I. Hetzelfde cijfer als ik, gaf hij in 36 gevallen (31 %). II. Een cijfer, dat 1 punt hooger was dan het door mij gegevene, in 36 gevallen (31 %). m. Een cijfer, dat 2 punten hooger was dan het door mij gegevene, in 16 gevallen (13.8 %). IV. Een cijfer, dat 3 punten hooger was dan het door mij gegevene, in 4 gevallen (3.4 °/0)- V. Een cijfer, dat 4 punten hooger was dan het door mij gegevene, in 1 geval (0.9 %)• VI. Een cijfer, dat 1 punt lager was dan het door mij gegevene,.in 21 gevallen (18.1 %)• VII. Een cijfer, dat 2 punten lager was dan het door mij gegevene, in 2 gevallen (1.7%). Nagenoeg eensluidend was ons oordeel dus in 93 (80.2 %) der gevallen. Verder is nog het volgende op te merken. Van de 16 ondervraagden van groep III hadden 14 geen gehoorresten; deze misten dus elke controle door het gehoor over hun spraak. De gemiddelde leeftijd van deze veertien was 408/14 jaar; er lag dus al een lange tijd tusschen bet verlaten van de school en mijn ondervragen. Gezien deze twee factoren is het zeer verklaarbaar, dat het spreken in een tamelijke mate had geleden. Hefzelfde geldt voor groep IV met 4 doofstommen, die geen gehoorresten hadden en gemiddeld 53'/4 jaar oud waren; en ten deele ook voor groep V, waar de 40 eenige vertegenwoordigster, twee en zeventig jaar oud, aan één oor slechts een kleine gehoorrest bezat. In groep VII, waar mijn oordeel 2 punten hooger was dan dat van den heer Fehmers, vinden we: één aangeboren doofstomme met rechts woordgehoor op bijna 1 M., links enkele woorden vlak bij het oor, klinkergehoor op ruim 2 M. en één op 6 jaar doofgewordene zonder gehoorresten. Deze twee verkeeren, wat spreken betreft, in gunstige omstandigheden; mogelijk, dat hun spreken, althans voor de eerste, in het tijdperk na het verlaten der school beter is geworden. Ga ik nu de doofstommen rangschikken in groepen en wel: „spreken onvoldoende" (cijfers 1—4), „spreken voldoende" (cijfers 5—7), „spreken goed" (cijfers 8—10), dan had ik de doofstommen gerangschikt In dezelfde groep als de heer Fehmers in 78 gevallen (67.2 % van het geheele aantal); een groep lager geplaatst in 30 gevallen (25.9 %): een groep hooger geplaatst in 8 gevallen (6,9%). Moeilijker was het een vergelijking te maken tusschen mijn oordeel en dat van Groningen. De directeur, de heer R o o r d a, was veel korter en minder nauw met de oud-leerlingen in aanraking geweest dan de heer Fehmers. Zijn oordeel in cijfers weergeven, kon hij dus niet, tenminste niet over een belangrijk aantal. Daar heb ik derhalve mijn toevlucht moeten nemen tot de soms vage aanteekeningen, die ik vermeld vond over de ontslagen leerlingen. Toch kan ik, na een gesprek met den directeur, waarin hij mij de beteekenis uitlegde, die aan de verschillende omschrijvingen was te hechten, aangaande mijn cijfers het volgende zeggen: I. Mijn oordeel onvoldoende; schooloordeel onvoldoende: 8 gevallen. II. Mijn oordeel voldoende; schooloordeel voldoende: 47 gevallen, m. Mijn oordeel goed; schooloordeel goed: 8 gevallen. IV. Mijn oordeel onvoldoende; schooloordeel voldoende: 15 gevallen. V. Mijn oordeel voldoende; schooloordeel goed: 36 gevallen. VI. Mijn oordeel onvoldoende; schooloordeel goed: 4 gevallen. VII. Mijn oordeel voldoende; schooloordeel onvoldoende: 9 gevallen. VIII. Mijn oordeel goed; schooloordeel voldoende: 6 gevallen. IX. Mijn oordeel goed; schooloordeel onvoldoende: 1 geval. X. Mijn oordeel onvoldoende; schooloordeel op de grens van onvol¬ doende en voldoende: 8 gevallen. XI. Mijn oordeel voldoende; schooloordeel op de grens van voldoende en onvoldoende: 31 gevallen. XII. Mijn oordeel goed; schooloordeel op de grens van voldoende en onvoldoende: 3 gevallen. XIII. Mijn oordeel bekend, schooloordeel onvoldoende bekend: 46 gevallen. 41 Naar aanleiding van de gevallen, waarin mijn oordeel over het spreken afweek van de gegevens, die ik in de schoolopgaven vond, wil ik het volgende opmerken: Ad IV: van deze 15 doofstommen waren 9 gehuwd met een doofstomme, hadden 7 geen gehoorresten en waren 8 gemiddeld 50% jaar oud en dus al geruimen tijd van school af; voor deze waren er dus een drietal redenen, waardoor hun spreken na hun vertrek van de school minder kan zijn geworden. Ad V: hiervan waren er 23 gehuwd met een doofstomme en van die 23 'waren 6 volslagen doofgeboren; 5 aangeboren doof met kleine gehoorresten, gemiddeld 412/5 jaar oud en dus vrij lang van school; 7 verworven doof zonder gehoorresten; -4 verworven doof, waarvan 2 met groote resten, maar op 1 jaar doofgeworden en gemiddeld 451/2 jaar oud, dus lang van school, 1 met kleine rest en op 1 jaar doofgeworden; 1 op 3 jaar doofgeworden en nu 49 jaar oud; 1 was gehuwd met een hoorende, was op twee jaar doof geworden, had geen gehoorresten; 12 waren ongehuwd, waarvan 4 volslagen doof geboren, 2 verworven doof zonder resten, 5 aangeboren en 1 verworven doof met kleinere of grootere resten. Vrijwel allen verkeerden dus in min of meer ongunstige omstandigheden voor het behouden van een goede spraak. Ad VI: twee dezer 4 doofstommen waren zeer lang van school af en gehuwd met lotgenooten en wellicht daardoor sterk achteruitgegaan in spraak; voor de twee anderen kan ik geen oorzaak voor het groote verschil in waardeering der spraak vinden. Ad VU: zeven van de doofstommen dezer groep waren volslagen doof en hadden daardoor een minder fraai en minder welluidend stemgeluid, uit een oogpunt van stemtechniek is daarom misschien het schooloordeel „onvoldoende" uitgesproken, terwijl mijn oordeel, in hoofdzaak gegrond op het al of niet verstaanbaar zijn, nog „voldoende" kan luiden. Een nagenoeg gelijke toelichting geldt voor VUL Ad IX: hoe deze doofstomme, die flinke gehoorresten had en nu nog goed sprak, op school het oordeel „onvoldoende" kreeg, is mij niet verklaarbaar. Ad X, XI en XII: Het schooloordeel over het spreken was hier niet zoo omschreven, dat deze oud-leerlingen scherp te splitsen waren in een aantal „onvoldoenden" en een aantal „voldoenden". Zij stonden op de grens tusschen beide. Nemen we aan. dat ze zich verder ontwikkeld hebben in de richtingen, door mij aangegeven, dan zouden we voor X en XI kunnen aannemen, dat mijn oordeel gelijkluidend was met het schooloordeel; over- de onder XII vallenden zou ik een gunstiger oordeel geveld hebben dan de school. Ad XIII: hierin vielen 46 oud-leerlingen, waarbij van 21 een schooloordeel geheel ontbrak, terwijl er 25 als bekwaam, redelijk bekwaam, tamelijk bekwaam e.d.m. aangeduid waren. Redeneerende als bij X, XI en XII zouden we dan 42 in 18 gevallen komen tot een overeenstemming tusschen mijn oordeel en het schooloordeel, terwijl in 5 gevallen mijn oordeel gunstiger en in 2 gevallen ongunstiger luidde. We komen dus op het geheel van 222 oud-leerlingen tot een aantal van 201, waarbij mijn oordeel vergelijkbaar was met het schooloordeel, terwijl zulks in 21 gevallen niet mogelijk was. Tellen we nu de daarvoor in aanmerking komende cijfers bij elkaar op, dan vinden we, dat mijn oordeel gelijkluidend was met het schooloordeel in 120 gevallen (I, II, III, X, XI, 18 uit XÜI) of 59.7% van het geheele aantal; mijn oordeel ongunstiger in 57 gevallen (IV, V, VI en 2 uit XIII) of 28.4% van het geheele aantal; gunstiger in 24 gevallen (VII, VIII, IX en 5 uit Xin) of 11.9% van het geheele aantal. Vergelijken we deze cijfers 59.7%, 28.4% en 11.9% met de voor de Rotterdamsehe oudleerlingen gevondene 57.2%, 25.9%, en 6.9%, dan is een zekere overeenstemming niet te miskennen. Op een dergelijke wijze te werk gaande, kunnen we ook de cijfers voor het liplezen aan een onderzoek onderwerpen en vinden we dan voor Ro'terdam: 69.5 % 23.5% en 7% en voor Groningen: 59.7 % 28.9 % en 11.4 %. Op grond van de boven gegeven cijfers zou ik willen besluiten: 1°. dat ik bij mijn ondervragen een vrij juisten indruk heb gekregen van het spreken en liplezen der ondervraagden en dat de door mij met cijfers vastgelegde indrukken den grondslag mogen vormen voor verdere beschouwingen. 2 . dat in het leven na de schooljaren ongeveer twee derden van de door mij ondervraagden op hetzelfde peil zijn blijven staan als waarop ze van school gingen, dat ongeveer een vierde is gedaald en een tiende is vooruitgegaan, wat aangaat het spreken en liplezen. Om bij het bepalen van het meer of minder goed liplezen een foutieve te hooge waardeering te vermijden, mogelijk wanneer een ondervraagde groote gehoorresten had en het gehoor dus bij het begrijpen van het gesprokene een rol zou kunnen spelen, ging ik, zoodra ik dit laatste vermoedde of wanneer ik het uit het antwoord op vraag 8 en 9 bemerkte van de luide spraak over tot fluisteren, zoodat acustisch waarnemen van mijn vragen voor den ondervraagde niet meer mogelijk was. 43 Ter toelichting van vraag 53 diene het volgende: eerst rechts, daarna links, werd in het oor de klinker a geroepen. Bezold ') vond, dat in nagenoeg alle gevallen, waar klinkers werden verstaan, de eigen toon dier klinkers viel binnen het behouden deel der toonladder. De meeste vallen zelfs tusschen bx ~g2. Maar ook al valt de eigen toon van een klinker binnen het toongehoor van een bepaalde doofstomme, dan wordt nog een zekere toonintensiteit vereischt, zal de klinker worden waargenomen. De klinker a valt ook binnen 6'-f72 en wordt op den grootsten afstand gehoord; dit is dan ook, zegt Bezold, de klinker, die het meest door doofstommen wordt waargenomen. Ditzelfde vonden Schwendt en Wagner 2) bij een onderzoek van achten veertig leerlingen en oud-leerlingen van het instituut te Riehen. Van zes doofstommen met de grootste gehoorresten, bij wie de klinkers in het oor werden gesproken, hoorden alle zes beiderzijds de klinker a; vier hoorden beiderzijds en twee eenzijdig de klinker o; vier beiderzijds, één eenzijdig en één in het geheel niet de klinker u (Nederl. oe); vijf beiderzijds en één eenzijdig de klinkers e en i. Werden de klinkers niet in het oor gesproken, dan hoorden vijf beiderzijds met zekerheid en één twijfelachtig de klinker a; drie beiderzijds en drie niet de klinker o; één beiderzijds en de anderen niet de klinker u; drie beiderzijds, één eenzijdig, de anderen niet de klinker e; twee beiderzijds en de anderen niet de klinker i. Zij voegden hier aan toe: of a en i gehoord worden, is twijfelachtig, misschien worden ze herkend door het gevoel van den ademstroom. Hiervan uitgaande, begon ik met den klinker a vlak bij het oor luid te roepen. Werd deze als zoodanig waargenomen, dan bepaalde ik eerst, of er nog andere klinkers werden gehoord; daarna den grootsten afstand, waarop nog een klinker werd gehoord; vervolgens of ook woorden ') Bezold; Das Hörvermogen der Taubstummen. Wiesbaden 1896-1897. 2) A. Schwendt und F. Wagner: Untersuchungen von Taubstummen. Basel 1899. blz. 102 e. v. 44 werden verstaan, eventueel den afstand, waarop dit geschiedde en in enkele uitzonderingsgevallen ook het gehoor voor gefluisterde letters en woorden. Werd a niet als klinker waargenomen, doch slechts als geluidsgewaarwording aangegeven.dan probeerde ik of misschien andere klinkers werden gehoord en noteerde dan die. Werd a ook als geluid niet opgemerkt, dan werden, zooals me al spoedig bleek, ook andere klinkers niet gehoord en liet ik deze dan ook spoedig achterwege. Op deze wijze heb ik bij nagenoeg alle door mij ondervraagde doofstommen het aanwezig zijn van gehoorresten bepaald. Zoodoende kreeg ik een zuiverder en beter met andere aanteekeningen te vergelijken indruk dan door de beantwoording van vraag 9 alleen mogelijk zou zijn geweest. Over de gegevens, die mij door collega's en anderen werden verschaft, wil ik opmerken, dat deze, wat de antwoorden op de meeste vragen, maar vooral voor de vragen 50, 51 en 53 betreft, lang niet die waarde voor mijn onderzoek hebben, welke ik aan mijn eigen lijsten meen te mogen toekennen, omdat 1°. vaak de lijsten onvolledig waren ingevuld, 2°. over spreken en afzien verschillende personen hun meening volgens verschillende gezichtspunten zullen hebben bepaald. Wat de een voldoende noemt, zal een tweede misschien goed, een derde onvoldoende noemen en omgekeerd. Alleen het aantal (291) staat toe een gevolgtrekking te maken, waaraan eenige waarde is toe te kennen. Afdalen in bijzonderheden houd ik hier echter niet goed mogelijk. De gegevens, afkomstig uit de enquête van de Vereeniging voor doofstommenonderwijs betroffen in hoofdzaak de beroepen en verdiensten. Deze gegevens heb ik, met welwillende medewerking der directeuren, uit de schoolregisters kunnen aanvullen met enkele andere over aard der doofstomheid en de vaardigheid in spreken en liplezen, toen de leerling indertijd de school verliet. Een bezwaar hieraan verbonden is, dat we daardoor nog niet een waardeering hebben over het spreken en liplezen in den lateren tijd. 45 Alles bijeengenomen meen ik te mogen besluiten, dat ik uit mijn eigen ondervragingen ook in bijzonderheden afdalende gevolgtrekkingen mag maken, waarbij dan aan het op andere wijze verkregen materiaal een zekere versterkende of verzwakkende waarde mag worden toegekend. § 2. Spreken en liplezen. Allereerst heb ik nagegaan, hoe het stond met het spreken van de 1110 doofstommen en kreeg daarbij als resultaat, dat van 1073 personen, over wie dienaangaande opgaven bestonden: 146 (13.6%) goed. 526 (49.0%) voldoende, en 401 (37.4%) onvoldoende spraken. Voor 612 mannen werden deze cijfers resp. 91 (14.9%). 274 (44.8%) en 247 (40.3%); voor 461 vrouwen 55 (11.9%). 252 (54.7%) en 154 (33 4%). We zien hieruit, dat er meer mannen dan vrouwen zijn, die onvoldoende spreken; aan den anderen kant zijn het echter ook weer de mannen, die een meerderheid hebben, waar het het goede spreken betreft. Over het liplezen bestonden opgaven omtrent 1066 personen. Van deze konden 204 (19.1%) goed. 517 (48.5%) voldoende en 345 (32.4%) slechts onvoldoende liplezen. Voor 611 mannen werden deze cijfers 117 (19.1%). 279 (45.7%) en 215 (35.2%); voor 455 vrouwen werden ze 87 (19.1%). 238 (52.3%) en 130 (28.6%). Het liplezen bleek dus over het algemeen iets beter ontwikkeld dan het spreken; overigens zien we hier nagenoeg hetzelfde verschil tusschen vrouwen en mannen als bij het spreken. Vervolgens heb ik onderzocht, hoe het stond met de verdeeling in goed, voldoend en onvoldoend sprekenden en liplezenden bij de oud-leerlingen van de verschillende scholen en kwam daarbij tot de uitkomsten, weergegeven in de onderstaande tabellen: Goed Voldoende Onvoldoende . Geen opgaaf Tezamen Vr. Man. Tez. Vr. Man. Tez. Vr. Man. Tez. Vr. M. Tez. Vr. Man. Tez. Rotterdam 21 34 55 103 101 204 20 37 57 3 — 3 147 172 319 Groningen 19 28 47 89 125 214 60 100 160 12 12 24 180 265 445 St. Micbiels-Gestel 9 15 24 22 14 36 60 90 150 — 1 1 91 120 211 Dordrecht 2 5 7 12 12 24 3 11 14 3 1 4 20 29 49 Amsterdam — — — 1 — 1 1 J _ 2 2 Geen doofst, school 1 3 4 12 12 24 8 5 13 1 — 1 22 20 42 Buitenland __. _ 426 11 2 — —- — 5 3 8 2 Doofstommenscholen 1 — 1 325 — 2 2 4 4 8 Hoerende en doofst.sch. 2 68 66 12 1 1 2 — 9 13 22 Geen opgaaf — — — — — — — — — 134 1 3 4 Tezamen 55 91 146 252 274 526 154 247 401 20 17 37 481 629 1110 of voor de groepen Rotterdam, Groningen, St. Michiels-Gestel, Dordrecht, en geen doofstommenschool tot de volgende procentcijfers; Goed Voldoende Onvoldoende Tezamen Vr. Man. Tez. Vr. Man. Tez. Vr. Man. Tez. Vr. Man. Tez. Rotterdam 14.6 19.8 17.4 71.5 58.6 64.6 13.9 21.6 18 144 172 316 Groningen 11.3 11.1 11.2 53 49.4 50.8 35.7 39.5 38 168 253 421 St. Michiels-Gestèl 9.9 12.6 11.4 24.2 11.8 17.2 65.9 75.6 71.4 91 119 210 Dordrecht 11.8 17.9 15.6 70.6 42.9 53.3 17.6 39.2 31.1 17 28 45 Geen 4.8 15 9.8 57.1 60 58.5 38.1 25 31.7 21 20 41 Tezamen 11.9 14.9 13.6 54.7 44.8 49 33.4 40.3 37.4 461 612 1073 SPREKEN. Goed. Voldoende. Onvoldoende. Geen opgaaf. Tezamen Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Rotterdam 39 42 81 90 109 199 14 19 33 4 2 6 147 172 319 Groningen 26 38 64 90 123 213 51 92 143 13 12 25 180 265 445 St Michiels-Gestel 12 18 30 24 14 38 54 88 142 1 - 1 91 120 211 Dordrecht 6 12 18 8 8 16 2 8 10 4 1 5 20 29 49 Amsterdam — — — 1—1 1— 1— — — 2 Geen doofst, school 3 4 7 11 12 23 6 4 10 2 - 2 22 20 42 Buitenland -- - 527 -1 1 - — — 5 3 8 2 Doofst scholen 1—1 224 12 3— — — 4 4 8 Hoor. en doofst school 134 79 16 11 2— — — 9 13 22 Geen opgaaf — — — — — ^ 3 4 1 3 Tezamen 87 117 204 238 279 517 130 215 345 26 18 44 481 629 1110 of in procenten uitgedrukt: Goed. Voldoende. Onvoldoende. Tezamen. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Rotterdam 27.3 24.7 25.9 62.9 68.1 63.6 9.8 11.2 10.5 143 170 313 Groningen 15.6 15 15.2 53.9 48.6 50.7 30.5 36.4 34.1 167 253 420 St. Michiels-Gestel 13.3 15 14.3 26.7 11.7 18.1 60 73.3 67.6 90 120 210 Dordrecht 37.5 42.8 40.9 50 28.6 36.4 12.5 28.6 22.7 16 28 44 Geen 15 20 17.5 55 60 57.5 30 20 25 20 20 40 Tezamen 19.1 19.1 19,1 52.3 45.7 48.5 28.6 35.2 32.4 455 611 1066 LIPLEZEN. 4i 48 We zien dus, zoowel bij het spreken als bij het liplezen, vrijwel hetzelfde als boven blz. 45. Alleen bij het spreken van hen, die geen doofstommenschool hebben bezocht, is het percentage vrouwen, dat onvoldoende spreekt grooter dan dat der mannen (in tegenstelling met de andere groepen) en bij het liplezen moet bij de Rotterdamsche en Groningsche oud-leerlingen het percentage mannen, dat goed lipleest, onderdoen voor dat der vrouwen (in tegenstelling met wat we overigens in de groep „goed spreken" en „goed liplezen" aantreffen). Verder zien we uit de twee tabellen der procentcijfers, dat deze voor het spreken het gunstigst luiden voor de oud-Rotterdammers, dan volgen de oud-Dordtenaren, dan de oud-Groningers en ten slotte de oud-leerlingen van St. Michiels-Gestel. Degenen, die geen doofstommenschool hebben doorloopen, staan het naast bij de oud-Dordtenaren. Bij het liplezen staan de Dordtenaren bovenaan, wat „goed" betreft; de Rotterdammers, wat „goed" + „voldoende" betreft. Dan volgen de Groningers en ten slotte weer de oud-leerlingen van St. Michiels-Gestel. Ook hier staan de niet op een doofstommenschool onderwezenen het dichtst bij de oud-leerlingen van Dordrecht. Thans wil ik de groepen van oud-leerlingen van de verschillende doofstommenscholen in ons land aan een nader onderzoek onderwerpen. Allereerst moet een scheiding worden gemaakt in drieën: 1°. De door mijzelf ondervraagden (waar ondervragen en beoordeelen steeds op dezelfde wijze hebben plaats gehad). 2°. De door anderen ondervraagden (waar ondervragen en beoordeelen door een groot aantal personen zijn geschied en dus moeilijk in bijzonderheden te vergelijken cijfers hebben opgeleverd). 3°. De gegevens, verzameld uit het materiaal, verkregen door de enquête en aangevuld uit de archieven der inrichtingen, welke gegevens op verschillende wijzen waren 49 vermeld en daarom voor verdere bewerking buiten beschouwing zullen worden gelaten. Voor de doofstommen, die ik zelf heb onderzocht, vond ik voor het spreken het volgende: goed spreken 57 (10.6 %), voldoende 315 (58.5%). onvoldoende 166 (30.9%) en voor liplezen: goed 56 (10.4%), voldoende 301 (56.1 %), onvoldoende 180 (33.5%). Uit de gegevens van anderen heb ik het volgende vastgesteld: spreken: goed 40 (14.5 %). voldoende 83 (30.1 %), onvoldoende 153 (55.4%); liplezen: goed 107 (39.2%). voldoende 77 (28.2 %). onvoldoende 89 (32.6 %). Wat mijn eigen materiaal betreft, blijkt dus het liplezen iets minder te zijn dan het spreken. Wat het door anderen verschafte materiaal aangaat, blijkt het oordeel over liplezen veel gunstiger dan over het spreken, en loopen de meeningen omtrent het liplezen veel meer uiteen dan die omtrent het spreken. Wanneer ik wederom een indeeling maak naar de verschillende scholen, dan krijg ik de volgende cijfers: SPREKEN. Goed Voldoende Onvold. Onbekend Tezamen vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. Rotterdam 9 11 20 58 33 91 3 12 15 70 56 126 Groningen 9 13 22 63 77 140 32 28 60 104 118 222 StMich.-Gest. - 3 3 20 10 30 31 43 74 51 56 107 Dordrecht 1- 1 5 6 11 1 5 6 7 11 18 Amsterdam — — — 1 — 1 1— 1— — — 2 — 2 Geen doofst. _ 3 3 n 8 19 3 2 5 14 13 27 school , Buitenl. . 4 2 6-1 1 4 3 7 doorst. school 2 Doofst, sch. 3 2 5—2 2 3 4 7 Hoorende en 2 6 8 6 6 12 1 1 2 9 13 22 doorst. school Geen opgaaf — .— — — —> ■— — — ■— ■— 11— 1 1 Tezamen 21 36 57 171 144 315 72 94 166 — 1 1 264 275 539 Of In procenten voor Rotterdam, Groningen en St. Michiels-Gestel: Goed Voldoende Onvoldoende Tot. aantal bekend Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Vr. M. Tez. Rotterdam 12.9 19.6 15.9 82.9 58.9 72.2 4.3 21.5 11.9 70 56 126 Groningen 8.7 11 9.9 60.5 65.3 63.1 30.8 23.7 27 104 118 222 St. Michiels-Gestel - 5.4 2.8 39.2 17,9 28 60.8 76.7 69,2 51 56 107 Tezamen 8 13.1 10.6 64.7 52.6 58.5 27.3 34.3 30.9 264 274 538 LIPLEZEN. Goed Voldoende Onvoldoende Geen opgaaf Tezamen vr. m, tez. vr. m. tez. vr. m. tez. vr, m. tez. vr. m. tez. Rotterdam 12 13 25 51 32 83 6 11 17 1 — 1 70 56 126 Groningen 6 12 18 62 71 133 36 35 71 - - - 104 118 222 St. Michiels-Gestel — 3 3 21 8 29 30 45 75 — — — 51 56 107 Dordrecht 112 56 11 1 45 —- - 7 11 18 Amsterdam — — — 1— 1 1— 1 — — , — 2 — 2 Geen doofst.school 1 3 4 10 8 18 3 2 5 - - — 14 13 27 Buitenl. doofst, school — — — 42 6 — 1 1 — — — 4 3 7 2 Doofst, scholen — — — 224 1 23 — — — 347 Hoorende en doofstsch. 134 79 16 1 1 2 -- - 9 13 22 Geen opgaaf 1 1 Tezamen 21 35 56 163 138 301 79 101 180 1 1 2 264 275 539 O 51 In procenten: Goed Voldoende Onvoldoende Tezamen Rotterdam 17.4 23.2 20 73.9 57.2 66.4 8.7 19.6 13.6 69 56 125 Groningen 5.8 10.2 8.1 59.6 60.2 59.9 34.6 29.6 32 104 118 222 St.Mich.Gest. — 5.4 2.8 41.2 14.3 27.1 58.8 80.3 70.1 51 56 107 Tezamen 8 12.8 10.4 62 50.4 56.1 30 36.8 33.5 263 274 537 Waaruit we zien, dat de resultaten,* bereikt bij de oudRotterdammers, bovenaan staan; die van Sint Michiels-Gestel onderaan. Het aantal oud-leerlingen van Dordrecht wordt te klein, om daaruit gevolgtrekkingen van eenige waarde te kunnen maken. Uit het materiaal, mij door collega's verschaft, laten zich de volgende tabellen samenstellen: SPREKEN. Goed Voldoende Onvold. Geen opgaaf Tezamen vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. vr. m. tez. Rotterdam 6 6 12 16 12 28 17 25 42 3 — 3 42 43 85 Groningen 10 15 25 11 26 37 19 38 57 3 4 7 43 83 126 St. Mich. Gestel 2 2 4 15 23 38 — 1 1 17 26 43 Dordrecht — 22 459 25 7 6 12 18 Amsterdam — .— I— — —< — — .— — — — — Geen doofst, sch. 1—1 145 53 81 — 1 8 7 15 Buitenl. doofst. school Hoorende en doofst, school 7Dnnfet «•hnl.Mi — 1 - 1 1 - 1 Tezamen 17 23 40 34 49 83 59 94153 7 5 12 117 171 288 of in procenten voor Rotterdam, Groningen en St. MichielsGestel : Goed Voldoende Onvoldoende Tot. bekend Rotterdam 15.4 14 14.6 41 27.9 34.2 43.6 58.1 51.2 39 43 82 Groningen 25 19 21 27.5 32.9 31.1 47.5 48.1 47.9 40 79 119 St.Mich.-Gest. — — — 11.8 8 9.5 88.2 92 90.5 17 25 42 Tezamen 15.5.13.9 14.5 30.9 29.5 30.1 53.6 56.6 55.4 110 166 276 52 Goed vr. m. tez. Rotterdam 22 21 43 Groningen 20 26 46 St.Mich.-Gestel 3 4 7 Dordrecht 2 6 8 Geen doofst.sch. 2 13 Buitenl. doofst, school LIPLEZEN. Voldoende vr. m. tez. 9 12 21 11 27 38 3 4 7 3 2 5 1 4 5 1 — 1 Tezamen vr. m. tez. 42 43 85 43 83 126 17 26 43 6 12 18 8 7 15 1 — 1 Onvoldoende. Geen opg. vr. m. tez. vr. m, tez. 8 8 16 3 2 5 9 26 35 3 4 7 10 18 28 1 -1 1 4 5 3 2 5 2 —2 Tezamen 49 58107 28 49 77 31 58 89 9 6 15 117171288 In procenten: Goed Voldoende Onvoldoende Tot. bekend Rotterdam 56.4 51.2 53.7 23.1 29.3 26.3 20.5 19.5 20 39 41 80 Groningen 50 32.9 38.7 27.5 34.2 31.9 22.5 32.9 29.4 40 79 119 StG^stel 18,75 154 1665 1875 154 1665 625 692 667 16 26 42 Tezamen 45.4 35.15 39.2 25.9 29.7 28.2 18.7 35.15 32.6 108165 273 Voor liplezen komen we hier tot dezelfde volgorde als bij mijn eigen materiaal: 1. Rotterdam; 2. Groningen; 3. St. Michiels-Gestel. Voor het spreken wisselen Groningen en Rotterdam om. Ik herinner aan het vroeger gezegde omtrent de veel geringer waarde, die aan deze cijfers mag worden toegekend, in vergeüjking met die der door mij zelf onderzochte doofstommen. In het bovenstaande heb ik geen rekening gehouden met den aard der doofstomheid: aangeboren of verkregen, volslagen dooven of ten deele dooven. Wanneer ik op grond hiervan een scheiding maak, dan geeft dat voor mijn eigen materiaal: 53 SPREKEN. Goed Voldoende Onvoldoende spreken spreken spreken Aangeb.( volslagen dooven 2(1.2%) 105(62.8%) 60(36%) doofheid( ten deele dooven 25 (18.2%) 75 (54.8%) 37 (27%) Verw. ( volslagen dooven 14(10.7%) 78(59.5%) 39(29.8%) doofheid( ten deele dooven 13(15.3%) 46(54.1%) 26(30.6%) en het materiaal, verschaft door anderen: Goed Voldoende Onvoldoende spreken spreken spreken Aangeb. ( volslagen dooven 17(11.4%) 42 (28.2%) 90 (60.4%) doof heid( ten deele dooven 6(20%) 14(46.7%) 10(33,3%) Verw. (volslagen dooven 13 (20.3%) 15 (23.4%) 36 (56.3%) doofheid( ten deele dooven 2 (9.1%) 10(45.45%) 10(45.45%) Hieruit leest men de bevestiging der bekende feiten, dat voor het tot stand komen van een goede spraak het aanwezig zijn van gehoorresten van grooten invloed is en dat het eens gesproken hebben bijdraagt tot een betere spraakvorming; tevens echter, dat bij de verworven doofheid aanwezig zijn van gehoorresten niet zoo'n invloed heeft als men geneigd is te denken. In overeenstemming is dit echter met het op de scholen bekende feit, dat leerlingen met gehoorresten niet steeds de vlugsten zijn. Dit wordt verklaarbaar, wanneer we weten, dat volslagen doofheid bij de doofgewordenen meestal berust op letsels van midden- of binnenoor; doofheid met gehoorresten daarentegen betrekkelijk dikwijls op een of ander binnen den schedel zich afgespeeld hebbende aandoening, waar we naast de doofheid ook andere hersenletsels, wellicht ook intellectstoornissen kunnen verwachten. 54 LIPLEZEN. Eigen materiaal. Goed liplezen Aangeb. (volslagen dooven 6 (3,6%) doofheid/ ten deele dooven 22(15.9%) Verw. (volslagen dooven 14(10.6%) doofheid/ ten deele dooven 13(15.1 %) Materiaal, verschaft Goed door anderen: liplezen Aangeb. (volslagen dooven 55 (36.4%) doofheid/ ten deele dooven 11 (37.9%) Verw. ( volslagen dooven 25(41%) doofheid/ ten deele dooven 12(57.1%) Hoe luiden deze cijfers voor de verschillende scholen afzonderlijk? Ik zal mij hierbij bepalen tot mijn eigen materiaal, waarbij de beoordeelingen alle zijn geschied volgens denzelfden maatstaf. Ik vind dan voor Rotterdam het volgende: Voldoend Onvoldoend liplezen liplezen 92(55.40/o) 68(41 . 02; . geborenen 33 8'■>"*' 8'»'aar Ten deele doofgewordenen GRONINGEN. SPREKEN. Goed spreken: Volslagen doofgeborenen Ten deele doof- 27'/2jaar 7V3jaar 8«/2jaar geborenen 12' 13' 'a' Volslagen doof- 6 . 31 jaar 8 jaar g jaar gewordenen Ten deele doof- 2 34l/3jaar 8 jaar 8 jaar gewordenen ' Te zamen (20) 3j.l0m.(ll) 32 j. 10 m. 73/4jaar 8 j. 2mnd. Voldoende spreken: Volslagen doof- ^ . ? jaar 9 jaar geborenen Ten deele doof- 34 jaar ?2/ jaar g jaar geborenen ' Volslagen doof- 2 Qmnd 38 jaar 72/ jaar Q jaar gewordenen ' 60 Gemiddelde Gemiddelde Gemiddelde Gemiddelde leeftijd van leeftijd van den leeftijd bij op duur van den doofworden. ondervraagde. school komen. schooltijd. Ten deele doof- .... . gewordenen Ij Umnd. 45 jaar 8 jaar 9'/4jaar Te zamen (137) 2j.4m.(47) 37 jaar 7'/2jaar 9 j. 2 m. Onvoldoende spreken: Volslagen doof- _0 geborenen M J331" 8 iaar 9 )aar Ten deele doof- _ .. geborenen 51 'si331 8 J331 9''2 jaar Volslagen doof- ~ gewordenen 2 ,aar 53'/3jaar 7'/zjaar 9 jaar Ten deele doof- ^ . A .«-,,, gewordenen 4 mnd. 51'/2,aar 7 jaar 92/3jaar Te zamen (58) 2 j. 1 m. (26) 542'3 jaar 7 j. 7 m. 9 j. 2 m. GRONINGEN. LIPLEZEN. Goed liplezen: Volslagen doof- geborenen 01 J331" 8 i331" 9 jaar Ten deele doof- geborenen 2/ '3ar 7/2 jaar 87, jaar Volslagen doof- . .„., gewordenen 42'/3,aar 8'/3 jaar 82/3jaar Ten deele doof- -,^n gewordenen 2'4 jaar 36'/2jaar 8 jaar 8 jaar Voldoende liplezen: Volslagen doof- _... _,, geborenen 34/2 jaar 774jaar 974jaar Ten deele doof- _,. geborenen 33'/2jaar 773jaar 10 jaar Volslagen doof- . . . gewordenen 3 "J331^ 38 jaar 72/3jaar 9 jaar Ten deele doof- 15/ . „ gewordenen 1 'ejaar 43 jaar 8 jaar 9 jaar 61 Onvoldoende liplezen: Gemiddelde Gemiddelde Gemiddelde Gemiddelde leeftijd van leeftijd van den leeftijd bij op duur van den doofworden ondervraagde school komen schooltijd teborTnen°f" 543/4jaar 7'/2jaar 9 jaar Ten deele doof- C1U . 0 m; • , 51 /2 ïaar o jaar y'/2iaar geborenen ' olslagen doof- j .• j j mnd. 50 jaar 72/3 jaar 9 jaar gewordenen ' ' 10' ' ^eworde^ 2j-4mnd- 53Vsiaar 7 jaar 9'/2jaar Bij vergelijking van deze tabellen zien we, dat zoowel voor spreken als voor liplezen de uitkomsten belangrijk gunstiger zijn voor de oud-Rotterdammers dan voor de oud-Groningers. Duidelijker blijkt dit nog uit onderstaande verkorte lijst, waarin, naast de door mijzelf onderzochte gevallen, het mij door anderen verstrekte materiaal is verwerkt. SPREKEN (procenten). Eigen materiaal. Ander matertaai. Goed en voldoende. Onvoldoende. Goed en voldoende. Onvoldoende. Rotterdam 88.1 11.9 48.8 51.2 Groningen 73.0 27.0 52.1 47.9 LIPLEZEN. Rotterdam 86.4 13.6 80.0 20.0 Groningen 68,0 32.0 70.6 29.4 Ik behoef niet te herhalen, dat aan de door mijzelf onderzochte gevallen een veel hoogere waarde moet worden toegekend dan aan de andere groep, waar heel verschillende en persoonlijk zeer uiteenloopende maatstaven hebben gegolden. In mijn eigen materiaal heeft Rotterdam voor spreken een voorsprong van 15 %, voor liplezen van 18.4%; 62 in het andere materiaal voor liplezen van 9.4 %; daarentegen heeft hier Groningen voor spreken een voorsprong van 3.3 %. Tracht ik thans na te gaan, wat mijn cijfers opleveren ter mogelijke verklaring van de gevonden verschillen, dan komen daarvoor de volgende gegevens in aanmerking: 1°. De leeftijd, waarop de personen door mij zijn ondervraagd. Zoowel bij de Rotterdammers als bij de Groningers blijkt, dat deze leeftijd gemiddeld lager was bij de goede dan bij de slechte sprekers. Hieruit mag de voor de hand liggende gevolgtrekking worden gemaakt, dat na het verlaten van de school de spreek- en afleesvaardigheid afneemt. Er is echter een opvallend verschil tusschen Rotterdam en Groningen. Bij de Rotterdammers waren de groepen der „goede" en „voldoende" sprekers gemiddeld ouder dan bij de Groningers (35 jaar 6 maanden en 41 jaar 9 maanden voor Rotterdam, 32 jaar 10 maanden en 37 jaar voor Groningen); daarentegen waren de „onvoldoenden" in Rotterdam gemiddeld jonger dan in Groningen (41 jaar 9 maanden tegen 54 jaar 8 maanden). Daar nu echter van alle groepen tezamen de gemiddelde leeftijd van ondervragen der Rotterdammers (40 jaar 8 maanden) nagenoeg dezelfde was als die der Groningers (41 jaar 5 maanden, blijkt hieruit, dat bij de Rotterdammers het op school geleerde spreken zich gemiddeld beter heeft gehandhaafd dan bij de Groningers. 2°. Voor degenen, die niet van geboorte af doof waren, maar later doof zijn geworden, is van veel belang, of dit ongeluk op vroeger of op later leeftijd heeft plaats gevonden. Uit de cijfers blijkt, dat gemiddeld de leeftijd van doofworden het hoogst was van de „goede" sprekers, lager voor de „voldoenden", het laagst voorde „onvoldoenden". Ook blijkt er te dezen opzichte een verschil tusschen Rotterdammers en Groningers niet te bestaan. 3°. De leeftijd waarop met het doofstommenonderwijs werd aangevangen, is mede een punt van belang. Bij de Rotterdammers was deze leeftijd van de „goede en 63 voldoende" sprekers tezamen gemiddeld 6 jaar 9 maanden; voor de „onvoldoenden" 7 jaar 3 maanden. Bij de Groningers is het verschil minder duidelijk: voor de beide eerste groepen tezamen 7 jaar 6'ƒ3 maand, voor de „onvoldoenden" 7 jaar 7 maanden. Opvallend echter is het verschil tusschen Rotterdam en Groningen. Voor alle Rotterdammers tezamen bedroeg de leeftijd bij op school komen gemiddeld bijna 6 jaar en 10 maanden, voor alle Groningers gemiddeld 7 jaar en 7 maanden. 4°. Eindelijk kan van belang zijn de duur van den schooltijd. Deze bedroeg in Rotterdam voor de groepen „goed" en „voldoende" gemiddeld 8 jaar 10 maanden, voor de groep „onvoldoende" 8 jaar 6 maanden. In Groningen voor de eerste twee groepen tezamen 9 jaar, voor de groep „onvoldoende" 9 jaar 2 maanden. Voor alle groepen tezamen bedroeg de duur van den schooltijd gemiddeld: in Rotterdam 8 jaar 9 maanden, in Groningen 9 jaar 1 maand. Dit feit kan natuurlijk geenszins strekken tot verklaring van de betrekkelijk gunstiger cijfers van Rotterdam. Overigens moet ik voor de bespreking van de hier opgeworpen vraag naar het laatste hoofdstuk verwijzen. Wanneer ik nu naga, hoe het stond met de gehoorresten van Rotterdammers en Groningers, dan vind ik voor de Rotterdammers: Bij de goed sprekende doofgeborenen: 1 doofstomme, die eenzijdig geluid hoort; 3, die eenzijdig klinkers hooren; 2, die beiderzijds klinkers hooren; 1, die eenzijdig woorden hoort. Bij de goedsprekende doofgewordenen: 2 doofstommen, die beiderzijds geluid waarnemen; 1, die beiderzijds klinkers hoort. Bij de voldoende sprekende doofgeborenen: 2, die eenzijdig geluid hooren; 2, die beiderzijds geluid; 3, die eenzijdig klinkers; 5, die beiderzijds klinkers; 1, die eenzijdig woorden; 1, die beiderzijds woorden hooren. Bij de voldoende sprekende doofgewordenen: 2, die eenzijdig geluid; 3, die beiderzijds geluid; 6, die eenzijdig klinkers; 64 2, die eenerzijds klinkers, anderzijds geluid; 1, die beiderzijds woorden hooren. Bij de onvoldoende sprekende doofgeborenen: 1, die eenzijdig geluid en 1, die eenzijdig klinkers hoort. Voor de Groningers: Bij de goedsprekende doofgeborenen: 2, die eenzijdig geluid; 1, die beiderzijds geluid; 4, die eenzijdig klinkers; 1, die beiderzijds klinkers; 1, die beiderzijds woorden hooren. Bij de goedsprekende doofgewordenen: 2, die eenzijdig klinkers; 3, die eenzijdig woorden en 1, die eenerzijds woorden, anderzijds klinkers hooren. Bij de voldoende sprekende doofgeborenen: 8, die eenzijdig geluid; 8, die beiderzijds geluid; 8, die eenzijdig klinkers; 10, die beiderzijds klinkers; l.die eenerzijds woorden, anderzijds klinkers; 3, die beiderzijds woorden hooren. Bij de voldoende sprekende doofgewordenen: 4, die eenzijdig geluid; 4, die beiderzijds geluid; 5, die eenzijdig klinkers; 1, die eenzijdig woorden; 3, die beiderzijds woorden hooren. Bij de onvoldoende sprekende doofgeborenen: 3, die eenzijdig geluid; 5, die beiderzijds geluid; 2, die eenzijdig klinkers hooren. Bij de onvoldoende sprekende doofgewordenen: 5, die eenzijdig geluid; 2, die beiderzijds geluid; 2, die eenzijdig klinkers hooren. Voor het liplezen waren de opgaven ongeveer gelijksoortig. Wat de gehoorresten betreft, zien we dus, dat Rotterdammers en Groningers vrijwel in dezelfde omstandigheden verkeeren. Wat aangaat de oorzaken van het doofworden, daar waren de opgaven soms onduidelijk en werd verscheidene malen door de doofstommen een andere oorzaak genoemd dan ik in de schoolregisters vond opgeteekend. Een nauwkeurige bewerking acht ik daardoor minder goed mogelijk. In het oog loopende verschillen vond ik echter tusschen Rotterdammers en Groningers niet. 65 Van de oud-leerlingen van Dordrecht heb ik slechts een klein aantal kunnen ondervragen. Voor zoover ik uit die cijfers dan nog gevolgtrekkingen kon maken (waaraan echter om de kleinheid der cijfers geen groote waarde mag worden toegekend), dan zien we, dat de Dordtenaren zoowel wat spreken als wat liplezen aangaat, achterstaan bij de Rotterdammers (bij liplezen is het percentage „goed" wel hooger, maar het percentage „goed + voldoende" kleiner, dus het percentage „onvoldoende" weer grooter) en wat hooger staan dan de Groningers. Onder de doofstommen, die eerst op een hoorendeen daarna op een doofstommen-school zijn gegaan (22 in getal), troffen we er 12 aan, die op een leeftijd tusschen drie en tien jaar (gemiddeld 53/4 jaar) doof zijn geworden; hiervan waren er zes ten deele, vier volslagen doof (van twee was het onbekend). Van de tien doofgeborenen hadden negen gehoorresten, van één was dit onbekend. Nagenoeg al deze 22 doofstommen zullen dus vermoedelijk in hun eerste schooljaren nog min of meer hebben gesproken, en daardoor eerst op een school voor hoorenden zijn beland. Eerst later, toen bleek, dat ze hier het onderwijs niet konden volgen, zijn ze overgegaan naar een doofstommenschool. Niettegenstaande hiermede voor het behouden blijven van de spraak veel is verzuimd, hebben toch nog acht het tot de hoogte „goed" kunnen brengen, waaruit o.a. blijkt, van hoe groote waarde het eens gesproken hebben voor het tot stand komen van een goede spraak is. Onder de doofstommen, die niet op een doofstommenschool zijn geweest, zijn er enkelen, die tot bijzondere opmerkingen aanleiding geven. Ik zal mij daarbij beperken tot de door mij zelf ondervraagde doofstommen, en van de anderen slechts vermelden één vrouwelijke doofstomme, over wie Prof. Burger mij inlichtingen heeft verschaft. Van de drie goed sprekenden hadden twee de openbare 66 school bezocht en konden daar, dank zij matige gehoorresten, het onderwijs vrij goed volgen. Een dezer beiden had bovendien een goede leiding van zijn moeder gehad en had daardoor wat kennis van Fransch, Duitsch en Engelsch. De derde doofstomme was op 2'/2 a 3-jarigen leeftijd nagenoeg geheel doof geworden (hij hoorde beiderzijds alleen even geluid zonder verder iets te onderscheiden). Zoodra zijn ouders dit bemerkten, was hij onder leiding van een gouvernante gekomen, later op een instituut en had daarna van een kundig onderwijzer privaatlessen gekregen. Op die manier had hij uitstekend leeren spreken en liplezen, zoodat zijn gebrek alleen uit het eentonige van zijn spraak was te bemerken. Hij had een normale ontwikkeling gekregen, kende goed Fransch, Duitsch en Engelsch, matig Hebreeuwsch. Zijn vader, een wiskundige, had hem wiskunde geleerd en daardoor, alsmede door zijn goede algemeene kennis, had hij het weten te brengen tot wiskundig adviseur van een levensverzekeringmaatscbappij. Van den omgang met lotgenooten wilde hij niets weten; ook wenschte hij niet als doofstomme te worden beschouwd, waar hij nog een, zij het ook zeer kleine, gehoorrest bezat. Van 10 doofstommen, die voldoende spreken, waren 4 op zeven jaar doof geworden, 1 op twee jaar, 1 op één jaar; 8 doofstommen waren volslagen doof, 1 hoorde nog iets, 1 tamelijk veel, 2 dezer personen waren op een hoorenden school geweest en konden, doordat ze pas op zeven jaar doof waren geworden en dank zij groote toewijding hunner onderwijzers, het onderwijs vrij goed volgen. Vier waren op een school voor achterlijken geweest en konden daar, door de omstandigheid, dat de klassen klein waren en veel zorg aan hen werd besteed, met het onderwijs meekomen. Vier hadden privaatles gehad en daardoor een vrij goed spreken en liplezen geleerd. De vijf doofstommen, die onvoldoende spraken, waren allen volslagen doof, waarvan drie aangeboren en twee verworven. Eén dezer personen, een Rus, had in het geheel 67 geen onderwijs genoten; de anderen hadden korter of langer tijd les gehad op een school voor achterlijken; de uitkomsten waren echter bij allen gering. Omtrent de door Prof. Burger ondervraagde doofstomme kan ik het volgende mededeelen: deze was op vier jaar volslagen doof geworden. In aansluiting daaraan heeft dadelijk de moeder de zorg voor het behouden blijven der spraak op zich genomen; later kreeg patientje uitstekende privaatlessen en is ze flink algemeen ontwikkeld; leerde behalve Nederlandsen, dat ze volkomen beheerscht, Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch en is begonnen met Latijn. Liplezen gaat zeer goed, ook en soms nog beter in de vreemde talen (behalve Engelsch). Spreken gaat ook zeer goed, vrij zacht, maar vlot en niet onwelluidend. Uit dit geval en het op blz. 66 beschrevene zien we. wat groote zorg voor het behouden van de spraak bij hen, die eens gesproken hebben, vermag. Maar bovendien, dat een doofstomme, mits daaraan de uiterste zorg wordt besteed, evengoed als een hoorende voor een groote algemeene ontwikkeling vatbaar is en dus zijn gebrek als zoodanig niet de oorzaak behoeft te zijn, dat hij in ontwikkeling bij normaal-hoorenden ten achter blijft. OMGANG MET ANDEREN. Bij het onderzoeken naar de wijze, waarop de doofstomme zich onderhoudt met zijn omgeving, dienen we onderscheid te maken tusschen: a. omgang met huisgenooten; b. omgang met hoorenden buiten het gezin; c. omgang met andere doofstommen. A. Omgang met huisgenooten. Wanneer ik naga, hoe de door mij ondervraagde doofstommen zich in hun gezin met anderen onderhouden, dan kom ik tot de volgende uitkomst: 68 Het onderhoud geschiedt met: Mond Mond en Mond en Mond en Vingers Schrijven Gebaren Geen schrijven vingers gebaren opgaaf Rotterdam 104 2 — 15 1 — 3 1 Groningen 77 9 24 10 81 3 3 15 St. Mich.-Gestel 22 — 5 17 — 6 55 2 Dordrecht 16 1 — — 1 — — & Amsterdam 1 1 — — .— .— 2 doofst, scholen 6 — 1 — — — , Hoorenden en , - ca doofst, school ïó ~ ~ 5 3 ~ 1 ~ Buitenland 3 — — 2 1 — — i Geen doofst, sch. 20 — 1 3 3 — 1 — Tezamen 262 13 31 52 90 9 63 19 Voor de vijf groepen met de grootste cijfers in procenten: Mond Mond en Mond en Mond en Vingers Schrijven Gebaren Geen schrijven vingers gebaren opgaaf Rotterdam 82.5 1.6 — 11.9 0.8 — 2.4 0.8 Groningen 34.7 4.1 10.8 4.5 36.5 1.3 1.3 6.8 St. Mich.-Gestel 20.5 — 4.7 15.9 — 5.6 51.4 1.9 Dordrecht 88.9 5.55 — — 5.55 — — — Geen doofst, sch. 71.4 ~ 3.6 10.7 10.7 — 3.6 — Tezamen 48.6 2.4 5.8 9.6 16.7 1.7 11.7 3.5 Verkort: Mond en Vingers, gebaren Geen schrijven, vingers en schrijven opgaaf. Mond. of gebaren Rotterdam 82.5 13.5 3.2 0.8 Groningen 34.7 19.4 39.1 6.8 St. Mich.-Gestel 20.5 20.6 57 1.9 Dordrecht 88.9 11.1 — — Geen 71.4 14.3 14.3 — Tezamen 48.6 17.8 30.1 3.5 69 Aan de cijfers van de le tabel op blz. 68 wil ik de volgende opmerkingen toevoegen: Rotterdam: Van de 22 doofstommen, die zich thuis niet uitsluitend met den mond konden redden, waren er 19 gehuwd met een doofstomme; 4 waren doof geworden door hersenziekte; 6 hadden slechts een matig intellect; 2 hadden een slecht gezicht. Groningen : Van de 130, die thuis niet uitsluitend klankspraak bezigden, waren de meesten (109) gehuwd met doofstommen; 5 waren doof door hersenziekte; 6 vertoonden een matig intellect; 2 hadden een slecht gezicht; 7 hadden een hoogen leeftijd. Van de 77, die thuis uitsluitend klankspraak gebruikten, waren slechts enkelen (8) gehuwd en dan voornamelijk met Rotterdammers; de overigen waren ongehuwd en hadden thuis geen doofstommen in de omgeving. St. Michiels-Gestel: Van de 22, die thuis uitsluitend klankspraak gebruikten, was er één gehuwd met een hoorende en had goede gehoorresten; 15 waren ongehuwd en thuis bij hoorenden; 6 werden verpleegd in St. Michiels-Gestel (allen jong en 4 met flinke gehoorresten). Van de 66, die thuis nagenoeg uitsluitend andere middelen dan klankspraak voor verkeer bezigden, werden er 37 verpleegd in St. Michiels-Gestel en spraken niet of onvoldoende; 10 waren gehuwd met een doofstomme; 19, die in een hoorende omgeving vertoefden, hadden geen spreken geleerd. Dordrecht: 16 doofstommen, die thuis uitsluitend klankspraak gebruikten, waren alle ongehuwd en vertoefden in hoorende omgeving. Van de 2 anderen was één gehuwd met een doofstomme; de tweede sprak onvoldoende, maakte toch, maar bij uitzondering, gebruik van schrijven. We zien dus hieruit, dat de ongehuwde doofstommen, die thuis in een hoorende omgeving vertoeven, zich daar meerendeels weten te redden met spreken en liplezen. De met doofstommen gehuwden en zij, die in een gesticht worden verpleegd, gebruiken slechts ten deele klankspraak en daarnaast of in hoofdzaak andere methoden. 70 B. Omgang met hoorenden buiten het gezin. Aangaande de wijzen, waarop de door mij ondervraagde doofstommen zich met hoorenden buiten hun gezin onderhouden, vond ik het volgende: Mond Monden Monden Schrij- Gebaren Gebaren en Niet schrijven gebaren ven schrijven Rotterdam 73 40 6 1 — _ 6 Groningen 79 88 6 31 7 — 11 St. Michiels-Gestel 18 13 — 69 1 5 1 Dordrecht 8 10 _ ; Amsterdam 1 j Twee doofst, scholen 4 2 — — . i Hoorende en doofst, sch. 16 4 1 1 Buitenland 2 3 1 1 _ Geen 20 5 — 2f? 1 2 Tezamen 221 165 14 103 9 5 22 In procenten: Mond Monden Monden Schrij- Gebaren Geb.en Niet schrijven gebaren ven schrijven Rotterdam 57.9 31.7 4.8 0.8 — 2 4.8 Groningen 35.6 39.6 2.7 14 3.2 — 4.9 StMich-Gestel 16.8 12.2 — 64.5 0.9 4.7 0.9 Dordrecht 44.4 55.6 — — ~- _ Geen 71.4 17.9 — — 3.6 — 7.1 Tezamen 41 30.6 2.6 19.1 1.7 0.9 4.1 Verkort: Mond Mond, schrijven Schrijven Niet en gebaren en gebaren Rotterdam 57.9 36.5 0.8 4.8 Groningen 35.6 42.3 17.2 4.9 St. Michiels-Gestel 16.8 12.2 70.1 0.9 Dordrecht 44.4 55.6 _ Geen 71.4 17.9 3.6 7.1 Tezamen 41 33.2 21.7 4.1 71 Gaan wij na, welke gemiddelden in de 2e tabel op blz. 70 in de verschillende groepen voor spreken en Üplezen worden gemaakt, dan krijgen we de volgende uitkomst: Mond. Mond en Mond en Schrijven. Gebaren, schrijven. gebaren. Rotterdam. Spreken 6<5/73 529/40 5'/6 4 - Liplezen 652/73 539/40 4»/, 4 - Groningen. Spreken 641/79 57/8 5 4'/3, 4 Liplezen 621/79 529/44 5 46/3I 4 Gebaren en schrijven. Sr. Michiels-Gestel. Spreken 5,7/,8 59/13 - 27/69 23/5 Liplezen 6 5'°/13 - 2«/3 22/5 Dordrecht. Spreken 6''8 S'/io "■"* ~~ ~" Liplezen 57/8 53/5 - — — Geen doofstschool. Spreken 64/,9 55/6 — — — Liplezen 69/19 6 — — —* We zien hier het m.i. belangwekkende feit, dat betrekkelijk kleine verschillen in het spreken en liplezen bepalen, hoe de doofstomme zich zal redden in de hoorende maatschappij. Blijft zijn spreken en liplezen onvoldoende, dan is hij op gebaren en schrijven aangewezen; bereiken spreken en liplezen een hoogte, aangegeven met 5—6, dan kan hij zich in meerdere of mindere mate met zijn mond behelpen, krijgt hij voor spreken en liplezen iets meer dan 6, dan is hij instaat zich geheel met spreken en üplezen met hoorenden te onderhouden. 72 C. Omgang met andere doofstommen. Mond Monden Monden Vingers Gebaren Niet Ving.spr. vingers gebaren geleerd Rotterdam 74 3 16 7 12 14 33 Groningen — — _ 222 — — 222 St. Mich.-Gest. — — 107 — 107 Dordrecht 15 2 — — j 9 Amsterdam 2 — . . , 2 doofst, sch- 1 1 . 5 , g Hoorende en c doofst school 5 — 1 9 6 1 17 Buitenland 1 — 13 11 4 Geen 11 — 4 5 3 5 14 Tezamen 109 6 22 358 22 22 405 We zien hier, dat de meeste Rotterdammers zich in hun omgang met andere doofstommen met den mond kunnen redden en dit vaak op uitstekende wijze. In een gezelschap van enkel doofstommen te 's-Gravenhage (nagenoeg allen van de Rotterdamsche school), waar ik met genoegen een paar uren heb doorgebracht, ging het vrij luidruchtig toe. Daar werden drukke gesprekken gevoerd, waarbij slechts schaarsch van natuurlijke gebaren werd gebruik gemaakt Van de 159 Rotterdammers hadden 33 vingerspraak geleerd; bij de meesten ging het langzaam, slechts bij enkelen vlugger en bij uitzondering met een bijna even groote vlugheid als we dat van Groningers en Gestelaren zien. Ook van de andere doofstommen, die niet in Groningen of St, Mkhiels-Gestel op school zijn geweest, heeft slechts een gedeelte vingerspraak geleerd. Onder elkaar weten ze zich met spreken en liplezen vrij goed te behelpen. Voorden omgang met hen. die op school de vingerspraak hebben geleerd, moeten ze ook tot vingerspraak en gebarentaal hun toevlucht nemen. 73 INVLOED VAN HET HUWELIJK OP SPREKEN EN LIPLEZEN. Om dezen invloed na te gaan, komen alleen in aanmerking de oud-leerlingen van Groningen en Rotterdam. Voor de anderen worden de aantallen te klein om er iets uit te kunnen opmaken. Ik vind dan: 39 Groningers gehuwd met 39 Groningers. 16 Groningers gehuwd met 16 Rotterdammers. 18 Groningers gehuwd met 18 hoorenden. 13 Rotterdammers gehuwd met 13 Rotterdammers. 16 Rotterdammers gehuwd met 16 Groningers. 20 Rotterdammers gehuwd met 20 hoorenden. Van de 26 onder elkaar gehuwde Rotterdammers vind ik 25 opgaven verdeeld als volgt: Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken 5(20%) 15(60%)l'/3 5(20%)1 Liplezen 7(28%) M(56%)15/14 4 (16%) 1 Van de 16 met Groningers gehuwde Rotterdammers bestaan 15 opgaven, als volgt verdeeld: Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken 4(26.7%) 9(60% ) l7/9 2 (13.3%) 1 Liplezen 6(40% ) 7 (46.7%) 22/7 2 (13.3%) 1 Van de 20 met hoorenden gehuwde Rotterdammers bestaan 18 opgaven: Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken 5 (27.8°/0) 6 (33.3°/0 ) l'/2 7 (38.9°/0 ) l»/7 Liplezen 2(ll.l°/0) 8 (44.45°/0) l3/8 8 (44.45°/0) 11 /„ Voor de Groningers is alleen maar te vermelden, of er voor- of achteruitgang is; de grootte is niet in punten uit 74 te drukken. Van de 79 onder elkaar gehuwde Groningers bestaan 63 opgaven: " Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken 51 (81°/„ ) 9(14.3°/0) 3(4.7°/0) Liplezen 45(71.5°/0) 15(23.8°/0) 3(4.7°/0) Voor de 16 met Rotterdammers gehuwde Groningers bestaan 14 opgaven: Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken ll(78.6°/0) 3(21.4°/0) ~ Liplezen 10(71.4°/0) 3(21.4°/0) 1 (7.2°/0) Van de 18 met hoorenden gehuwde Groningers bestaan 13 opgaven: Gelijk gebleven. Achteruitgegaan. Vooruitgegaan. Spreken 9 (69.2°/0) 2(15.4°/0) 2(15.4°/0) Liplezen 9(69.2°/0) 2(15.4°/0) 2(15.4°/0) We zien dus bij de Rotterdammers overal een betrekkelijk klein gedeelte gelijk blijven in spreken en liplezen; een gedeelte gaat achteruit na het huwelijk en wel een bijna even groot percentage bij huwelijken met Rotterdammers als met Groningers. Toch is bij huwelijken met Rotterdammers die achteruitgang iets minder sterk: 11/3 en ls/u gemiddeld tegen 1 7/9 en 22/7 gemiddeld; minder sterk bij huwelijken met hoorenden. Een gedeelte gaat vooruit, het minst na huwelijken met Groningers; meer bij huwelijken met Rotterdammers ; het sterkst bij huwelijken met hoorenden. Iets dergelijks vinden we bij de Groningers, die huwen, alleen is daar het percentage, dat in spreken en liplezen gelijk blijft, veel grooter dan bij de Rotterdammers. 75 § 3. BEROEPEN EN VERDIENSTEN. Wanneer we nagaan, op welke wijze de doofstommen, over wie gegevens te mijner beschikking staan, in de maatschappij werkzaam waren, dan vinden we, dat de volgende beroepen door hen werden uitgeoefend: A. Mannelijke doofstommen: schoenmaker 151 (24.4%) kleermaker 120 (19.4%) meubelmaker 80 (12.9%) letterzetter 24 (3.9%) landbouwer en -arbeider 32 (22 en 10) (5%) diamantbewerker 10 (1.6%) bootwerker, koopman, elk 9 (1.5%) sigarenmaker, tuinier, elk 8 (1.3%) teekenaar 7 (1.1 %) klompenmaker, werkman, elk 6 (1 %) bakker, magazijnknecht, wagenmaker, elk 5 boekbinder, kunstschilder, elk 4 schilder, timmerman, elk 3 beeldhouwer, fotograaf, goudsmid, mandenmaker, rubberwerker, sjouwerman, steenbakker, textielarbeider, elk 2 barbier, ciseleur-bankwerker, grondwerker, hoepelmaker, horlogemaker, kerkornamentmaker, lederbewerker, lompensorteerder, metselaar, monteur, parapluiemaker, pólitoerder, rietvlechter, smid, stoelenmatter, suikerbakker, touwslager, verlakker, vleeschhouwer, witwerker, zeilmaker, elk 1. Vier en veertig doofstommen oefenden geen beroep meer uit. Achttien daarvan hadden nooit eenig beroep vervuld, terwijl de zes-en-twintig anderen werkzaam waren geweest op de volgende wijze: schoenmaker 10 meubelmaker 4 kleermaker, letterzetter, elk 2 76 bakker, boekbinder, diamantbewerker, gemeente-werkman, kuiper, stoffeerder, wiskundig-adviseur, zeilmaker, elk 1. Negen-en-dertig mannen werden in gestichten verpleegd. Deze waren ten deele thans nog, ten deele vroeger werkzaam als: schoenmaker 11 kleermaker 9 letterzetter 7 huisknecht 4 arbeider, meubelmaker, tuinier, elk 2 boekbinder, politozrder, elk 1. Acht doofstommen werden in krankzinnigengestichten verpleegd. B. Vrouwelijke doofstommen: naaister 92 dienstbode 15 strijkster 10 landarbeidster 7 borduurster 4 modiste 3 breister, fabrieksmeisje, werkster, elk 2 * i briefplakster, diamantbewerkster, huishoudster, sigarenmaakster, teekenaarster, elk 1. In de huishouding waren 274 vrouwen werkzaam, waarvan 140 gehuwden, 134 ongehuwden; in gestichten werden 55 vrouwen verpleegd; over 13 vrouwen vond ik geen opgaven. Van de gehuwde vrouwen hadden 98 vóór haar huwelijk de volgende beroepen uitgeoefend: naaister 79 strijkster 6 diamantbewerkster 4 borduurster, werkster, elk 3 breister, fabrieksmeisje, sigarenmaakster, elk 1. Van de ongehuwden, die thuis in de huishouding waren, hadden slechts 11 vroeger een beroep gehad, n.1.: 9 dat van naaister, 1 dat van strijkster, 1 dat van werkster. 77 Van de in gestichten verpleegden waren 3 krankzinnig; de anderen hadden slechts voor een klein gedeelte vroeger in de maatschappij gewerkt, n.1. 8 als naaister, 1 als fabrieksmeisje. Thans wil ik de afzonderlijke beroepen aan een nadere beschouwing onderwerpen. Schoenmaker. Van het geheele aantal mannelijke doofstommen, 619, waren er 151 of bijna een vierde gedeelte in dit beroep werkzaam; terwijl bovendien op de school nog 49 dit vak geleerd hadden, die öf geen beroep meer uitoefenden, óf het vaarwel hadden gezegd voor een ander ambacht. In de stad werkten 74 schoenmakers, waarvan 31 (41.9%) als baas, 43 (58.1%) als knecht; op het platteland 77 schoenmakers, waarvan 30 (39%) als baas, 47 (61%) als knecht. Omtrent het al of niet veranderen van baas bestonden 87 opgaven (stad 45, platteland 42); in 21 gevallen was de betroffene dikwijls van baas veranderd (stad 14 [31% van het totaal], platteland 7 (17 % van het geheel). De oorzaken van dat veranderen waren: voor de stad: meer verdienen 7 maal, slapte in werkzaamheden 2 maal, onvoldoende vakkennis 1 maal, onbekend 4 maal; voor het platteland: onvoldoende vakkennis 3 maal, slapte 1 maal, onbekend 3 maal. Veelvuldige werkeloosheid kwam voor in 15 gevallen (stad 10, platteland 5), terwijl 52 personen geregeld werk konden vinden (stad 19, platteland 33). In 84 gevallen ontbraken de opgaven. In de bekende gevallen kwam dus in de stad bij ruim 32% der schoenmakers veelvuldige werkeloosheid voor, op het platteland bij ruim 13%. Oorzaak van die werkeloosheid was 11 maal slapte, in 4 gevallen bestond geen opgave. In de stad kwam werkeloosheid het meest voor bij bazen (8 van de 18), minder bij de knechts (2 van de 11); op het platteland bij beide ongeveer in de zelfde mate (bazen 2 van de 18, knechts 3 van 21). 78 Omtrent het al of niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, had ik 83 opgaven. In 63 gevallen (stad 35, platteland 28) kon de doofstomme in eigen onderhoud voorzien; in 20 gevallen (stad 6, platteland 14) niet. Oorzaken, waardoor de doofstomme niet in zijn eigen onderhoud kon voorzien, waren in de stad: hoogere leeftijd 1, lichamelijke of geestelijke minderwaardigheid 4, exploitatie van het gebrek door hoorende medeburgers 1; op het platteland: slapte 5, geestelijke minderwaardigheid 1, nog leerling zijn 3, onbekend 5. Het niet in eigen onderhoud kunnen voorzien kwam in de stad bij de bazen voor in 2 gevallen (tegen 20 keer wel; dus in 9%); bij de knechts in 4 gevallen (tegen 15 keer wel; dus in 26%); op het platteland bij de bazen in 7 gevallen (tegen 16 keer wel; dus in 30%); bij de knechts eveneens in 7 gevallen (tegen 12 keer wel; dus in 37%). De verdiensten1) waren: in de stad gemiddeld ƒ21.— (in 50 gevallen) met een maximum van ƒ 50..— a ƒ 60,— (een knap werkman, die eerste klasse maatwerk leverde) en een minimum van ƒ12.— ; op het platteland gemiddeld ƒ 20.— (in 17 gevallen) met een maximum van ƒ25..— en een minimum van ƒ 8..—. Aangaande beroepsverandering vond ik de volgende gegevens. In de stad zoowel als op het platteland hadden 3 der schoenmakers vroeger een ander beroep uitgeoefend. Die in de stad waren meubelmaker geweest; die van het platteland resp. kleermaker, letterzetter en meubelmaker. Reden voor deze beroepswisseling was bij de stedelingen 1 maal onvoldoende vakkennis (deze doofstomme was echter ook als schoenmaker een mislukte); 2 maal was geen reden opgegeven. Op het platteland had de verandering plaats: 1 maal om onvoldoende vakkennis; 1 maal, omdat de vader schoenmaker was; 1 maal, omdat de doofstomme in zijn vak op zijn dorp geen werk kon vinden (meubelmaker). ') Bi] het beoordeelen van looncijfers dient er op gelet, dat deze loonen aangeven van vóór medio 1919. 79 Onder de doofstommen in de steden waren er 15, die vroeger voor schoenmaker geleerd, maar later een ander beroep gekozen hadden; 6, die geen beroep meer uitoefenden, en 6, die in gestichten verpleegd werden. Op het platteland kwam 14 maal beroepsverandering voor; 4 doofstommen oefenden hun beroep niet meer uit en 5 werden in gestichten verpleegd. In het geheel hadden dus 194 doofstommen (97 in de stad, 97 op het land) voor schoenmaker geleerd en hadden 28 (+ 14.4 %) daarvan een ander beroep gekozen (in de stad en op het platteland in dezelfde mate [14 op 97]). Van de vroegere schoenmakers waren in de stad thans werkzaam als: bakker 1 (om meer te verdienen); beeldhouwer 1 (geen zin in schoenmaken); bootwerker 2 (geen zin in schoenmaken 1, minder goed gezicht 1); koopman 1 (door een ongeluk ongeschikt geworden voor schoenmaken); lompensorteerder 1 (geen werk); pakhuisknecht 3 (om meer te verdienen); meubelmaker 1 (om korter werkdag te hebben); rubberwerker 1 (geen werk); sjouwerman 1 (onvoldoende vakkennis); teekenaar 2 (om meer te verdienen en prettiger werk te hebben); op het platteland als: goudsmid 1 (familie had een goudsmidszaak); landbouwer 2 (ouders waren landbouwers); landarbeider 4 (om meer te verdienen 3, geen zin in schoenmaken 1); meubelmaker 1 (geen werk als schoenmaker); pakhuisknecht 1 (om meer te verdienen); sigarenmaker 1 (om meer te verdienen); steenbakker 1 (om meer te verdienen); tuinier 1 (om meer te verdienen); werkman 2 (om meer te verdienen 1, liever in de buitenlucht werken 1). 80 We zien dus: dat een vierde gedeelte der mannelijke doofstommen werkt als schoenmaker; dat de kans om als baas te werken in de stad ongeveer even groot is als op het land; dat in de stad bijna dubbel zoo vaak verandering van baas voorkomt als op het platteland; dat in de stad meer dan 2 maal zoo vaak werkeloosheid voorkomt als op het platteland; dat in ruim 75 % va" de gevallen de doofstomme als schoenmaker in eigen onderhoud kan voorzien; dat in ruim 14% der gevallen zoowel in de stad als op het land de als schoenmaker opgeleide een ander beroep kiest (in het meerendeel der gevallen om meer te kunnen verdienen). Kleermaker. Honderdtwintig doofstommen (bijna een vijfde gedeelte van de mannen) was in dit vak werkzaam, terwijl nog 31 het vroeger geleerd hadden, maar öf geen beroep meer uitoefenden, of een ander hadden gekozen. In de steden werkten 62 kleermakers, waarvan 17 (27.4 %) als baas en 45 (72.6 °/0) als knecht; op het land 58 kleermakers, waarvan 28 (48.3 °/0) als baas. 30 (51.7 °/0) als knecht. Veelvuldig veranderen van baas kwam 13 maal voor bij een geheel aantal opgaven van 78; in de stad 10 maal (24.4 °/0 op een aantal van 41); op het platteland 3 maal (8.1 °/0 op een aantal van 37). Oorzaken voor deze veranderingen waren: in de steden: meer verdienen 5, plagen door andere knechts 1, onvoldoende vakkennis 2, onbekend 2 maal; op het platteland: onvoldoende vakkennis 1. slapte 1, onbekend 1 maal. Gegevens over werkeloosheid had ik in 72 gevallen, waarvan 6 met veelvuldige werkeloosheid (stad 2, dorp 4) en 66 met geregeld werk (stad 33, dorp 33). In de bekende 81 gevallen kwam dus in de steden bij bijna 6% der kleermakers veelvuldige werkeloosheid voor, met als oorzaak slapte; in de dorpen bij bijna 11 %, eveneens met als oorzaak slapte. Een enkele keer werkeloos zijn kwam zoowel in de steden als op het platteland wel vaker voor, maar over het algemeen hadden de ondervraagden niet over langdurige of dikwijls voorkomende tijden van werkeloosheid te klagen. Drie-en-zestig mannen (stad 34, dorp 29) konden in eigen onderhoud voorzien, dertien (stad 3, dorp 10) konden dit niet; terwijl over 44 de opgaven ontbraken. Oorzaak, waardoor de doofstomme als kleermaker niet in zijn onderhoud kon voorzien, was in de stad: 2 maal slapte, 1 maal jeugdige leeftijd; in de dorpen: hoogere leeftijd 2 maal, slapte 2 maal, onvoldoende vakkennis 1 maal, onbekend 4 maal. Het gemiddelde weekloon ') bedroeg in de steden ƒ23.— (in 47 gevallen) met een maximum van ƒ45.— en een minimum van ƒ 10.— ; in de dorpen ƒ 16— (in 18 gevallen) met een maximum van ƒ 25.— en een minimum van ƒ 10.—. Van hen, die kleermaker waren, hadden slechts 2 vroeger een ander beroep geleerd en wel 2 meubelmakers, die in hun vak geen zin hadden en daarom waren veranderd. Ver andering van beroep bij hen, die op school voor kleermaker geleerd hadden, trof ik aan: in de stad 6, op het platteland 14 maal; bovendien hadden in de steden 3 en op het platteland 8 doofstommen het kleermakersvak geleerd, maar oefenden geen beroep meer uit. Van de 149 oorspronkelijk voor kleermaker opgeleiden (stad 69, dorp 80) waren dus 20 (13.4 %) van vak veranderd en wel in de stad 6 (8.7 %), platteland 14 (17.5 %). De beroepen, die deze doofstommen later waren gaan beoefenen waren: in de steden die van: bootwerker 1 (geen zin in kleermaken); koopman 2 (meer verdienen en slecht gezicht); sigarenmaker 2 (geen zin en plagerij); teekenaar 1 (om meer te verdienen); ') Zie noot blz. 78. 6 82 op het platteland die van: bakker 1 (geen zin in kleermaken); landbouwer 7 (ouders waren landbouwers); mandenmaker 1 (vader was mandenmaker); schoenmaker 1 (onvoldoende vakkennis); sigarenmaker 1 (slecht gezicht); steenbakker 1 (geen zin in kleermaken); textielarbeider 1 (geen zin in kleermaken); werkman 1 (om gezondheidsredenen). We zien dus: dat bijna een vijfde gedeelte der mannelijke doofstommen werkte als kleermaker; dat de gelegenheid om zelf baas te worden op het platteland gunstiger was dan in de steden; dat verandering van baas in de steden 3 maal zoo vaak voorkwam als op het platteland; dat werkeloosheid slechts in een klein percentage voorkwam en wel in de steden half zoo vaak als in de dorpen; dat ruim 80 % der kleermakers in eigen onderhoud kon voorzien; dat verandering van beroep zich voordeed in ruim 13 % der gevallen en in de dorpen dubbel zoo vaak als in de steden. Meubelmaker. In dit vak waren 80 doofstommen werkzaam of ruim een achtste deel van het geheele aantal. Bovendien hadden nog 38 doofstommen dit vak vroeger geleerd. Het meerendeel werkte in de steden: 65, waarvan 2 als baas (3.1 %) (één dreef een zaak met zijn hoorende vrouw als hulp naast zich, één werkte als baas, omdat hij als knecht met anderen niet overweg kon) en 63 (96.9 %) als knecht. Slechts een minderheid, 15, werkte op het platteland, waarvan 2 (13.3%) als baas, 13 (86.7 %) als knecht. Omtrent het al of niet veelvuldig veranderen van baas bestonden 51 opgaven fstad 42, dorp 9), waarvan 17 in bevestigenden zin (stad 16 [38.1 %], dorp 1 [11.1 %]). De 83 oorzaken voor verandering waren in de stad: meer verdienen 12 maal, onvoldoende vakkennis 2 maal, slapte 1 maal, onbekend 1 maal. Dikwijls optredende werkeloosheid kwam van de 52 gevallen (stad 41, platteland 11), waarover opgaven inkwamen, slechts 4 keer voor (stad 3 [7 %], dorp 1 [9 %]). De oorzaak was in 2 gevallen slapte, in 1 geval onvoldoende vakkennis, in 1 geval hoogere leeftijd. Een en veertig meubelmakers (stad 35, platteland 6) waren in staat in eigen onderhoud te voorzien, tegenover 7 (stad 4, platteland 3), die het niet konden. Oorzaak van dit laatste was: onvoldoende vakkennis 1 maal, slapte 1 maal, nog leerling zijn 4 maal, hoogere leeftijd 1 maal. De gemiddelde verdienste ') per week bedroeg in de stad ƒ26.— (in 34 gevallen), het maximum ƒ34— en het minimum ƒ15.— ; op het platteland was het aantal te klein, om een eenigszins betrouwbaar cijfer te kunnen opmaken. Onder de meubelmakers kwamen slechts twee doofstommen voor, die eerst een ander vak geleerd hadden en wel dat van schoenmaker; de eene, een stedeling, was veranderd om korter werkdag te krijgen; de andere, dorpeling, was veranderd, omdat hij in zijn dorp slechts onvoldoende werk kon vinden. Beroepsovergang van meubelmaker tot een ander ambacht kwam vaker voor. In de stad hadden 15 doofstommen het meubelmaken opgegeven voor een ander vak en oefenden 4 geen beroep meer uit; op het platteland geschiedde dit resp. 17 en 2 maal. Op een geheel van 116 doofstommen (stad 83, dorp 33), die in het meubelmaken waren onderwezen, hadden dus 32(27.6%) een ander vak gekozen (in de stad 15 [18%], dorp 17 [51.5%]). Deze doofstommen oefenden later de volgende beroepen uit: in de stad: bootwerker 3 (onvoldoende werk, geen zin in meubelmaken); ') Zie noot blz. 78. 84 diamantbewerker 1; kleermaker 2 (geen zin in meubelmaken); lederbewerker 1 (onvoldoende vakkennis); pakhuisknecht 1 („twaalf ambachten, dertien ongelukken")'; rubberwerker 1 (te langzame werker); schoenmaker 3 (onvoldoende vakkennis 1, onbekend 2); smid 1 (vader was smid); teekenaar 2 (meer zin in teekenen); op het platteland: klompenmaker 2 (onvoldoende werk als meubelmaker); koopman 1 (slecht gezicht); landbouwer 3 (ouders waren landbouwers); landarbeider 1 (geen werk als meubelmaker); mandenmaker 1 (geen werk als meubelmaker); schilder 1 (geen werk als meubelmaker); schoenmaker 1 (geen werk als meubelmaker); timmerman 2 (vader was timmerman); tuinier 1 (onbekend); wagenmaker 3 (onvoldoende werk als meubelmaker); werkman 1 (onvoldoende vakkennis). We zien dus: dat ruim een achtste deel der mannelijke doofstommen meubelmaker was; dat ze meestal werkten als knecht en slechts in enkele gevallen als baas; dat verandering van baas vaak voorkwam en wel in de stad 3 maal zoo vaak als in de dorpen; dat werkeloosheid slechts weinig (8%) heerschte; dat de meerderheid der meubelmakers in eigen onderhoud of in dat van anderen kon voorzien (een klein deel [14 %] kon dit niet); dat beroepsverandering bij ruim een vierde gedeelte dezer groep voorkwam en wel op het platteland bijna 3 maal zoo vaak als in de steden. 85 Letterzetter. Volgens mijn opgaven waren als letterzetter werkzaam 24 doofstommen (bijna 4% van het geheele aantal), terwijl nog 19 mannen dat beroep vroeger hadden geleerd, maar nu niet meer of op andere wijze werkzaam waren. In de stad werkten 21 letterzetters, op het platteland 3, allen als knechts. Veelvuldig van baas veranderen kwam bij een aantal van 17 opgaven slechts 3 maal voor; 2 maal om meer te verdienen, 1 maal om onbekende reden. Veelvuldige werkeloosheid kwam slechts éénmaal voor en wel tengevolge van onvoldoende vakkennis (niet werkeloos 15 personen, geen opgaven van 8 personen). Omtrent het al of niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, waren 12 antwoorden opgegeven, die alle in bevestigenden zin luidden. De verdiensten ') bedroegen in de stad (in 17 gevallen) gemiddeld f 22.50 per week met f 32.— als maximum en f 15..— als minimum. Slechts één der tegenwoordige letterzetters had vroeger een ander beroep geleerd, n.1. een schoenmaker, die letterzetter werd, omdat zijn verloofde niet wilde, dat hij schoenmaker bleef. Verwisseling van het beroep letterzetter voor een ander kwam vaker voor, n.1. in de stad 6 maal, op het platteland 4 maal; bovendien waren op het platteland in gestichten nog 7 letterzetters woonachtig en in de steden 2 doofstommen, die vroeger het beroep van letterzetter hadden uitgeoefend. Op een geheel van 42 doofstommen (stad 28, dorp 14), die voor letterzetter waren opgeleid, hadden dus een tiental (24%) (stad 6 [21%], platteland 4 [29%]), een ander beroep gekozen. De thans uitgeoefende ambachten waren: in de stad die van: boekbinder 1 (te zenuwachtig voor letterzetter); ') Zie noot blz. 78. 86 bootwerker 2 (geen werk als letterzetter); parapluiemaker 1 (geen zin in letterzetten); tuinier 1 (plagerij door anderen); los werkman 1 (kon als doove letterzetter geen werk krijgen); op het platteland die van: bakker 1 (plagerij door anderen); boekbinder 1 (onbekend); landbouwer 1 (ouders waren landbouwers); schoenmaker 1 (vader was schoenmaker). Als letterzetter was dus slechts 4% der doorstommen werkzaam, allen als knecht; verandering van baas kwam bij hen vrij vaak voor (17 %); werkeloosheid trad bij hen slechts als uitzondering op; de verdiensten waren zóó, dat allen in eigen onderhoud konden voorzien; verandering van beroep deed zich veelvuldig voor (24%). Landbouwer, landarbeider, tuinier. In het geheel hielden 39 doofstommen (ruim 6 %) zich uitsluitend of in hoofdzaak bezig met land- of tuinarbeid, 22 ervan waren werkzaam op de boerderij, bij ouders of in eigen bedrijf; 9 werkten als landarbeider; 8 als bloemist of tuinier. Dikwijls veranderen van baas kwam bij één landarbeider voor; de oorzaak hiervoor was niet bekend. Veelvuldige werkeloosheid trof ik bij de arbeiders één maal aan en wel bij een ouderen man, die voor zwaar werk ongeschikt. werd. Vier der arbeiders konden in eigen onderhoud voorzien; 2 konden dit niet (1 omdat hij oud werd, 1 om onbekende reden); over 3 personen bestonden geen opgaven. De landarbeiders hadden op school geleerd voor: schoenmaker 4 (onvoldoende verdienste 3, geen zin 1); meubelmaker 1 (geen zin en onvoldoende vakkennis); mandenmaker 1 (onvoldoende verdienste). 87 De gemiddelde wekelijksche verdienste ') was ƒ 13.— (ƒ11.— tot ƒ 15.—). De landbouwers hadden op school verschillende beroepen geleerd en wel die van: schoenmaker 2 maal, kleermaker 7, meubelmaker 3, letterzetter 1, wagenmaker 2, bloemist 1, schilder 1 maal, terwijl 5 geen beroep hadden geleerd. De meesten waren landbouwers geworden, omdat hun ouders dat waren en ze dus in eigen kring nuttig werk konden verrichten; de overigen, omdat ze geen zin in hun ambacht hadden. Van de bloemisten werkten er 3 als baas in een eigen bedrijfje of bij familie, 5 als knecht. Werkeloosheid kwam bij hen niet voor. Drie bloemisten konden door hun werk in eigen onderhoud voorzien, 2 konden dit niet (één, een intelligente man met eenig kapitaal, verkoos wat lichter werk en verdiende daardoor wat minder, één was te oud); geen opgave 3. Drie, die vroeger op school een beroep hadden geleerd, waren opgeleid voor schoenmaker, meubelmaker en letterzetter, maar hadden geen lust in dat werk of hadden te lijden van plagerij hunner vakgenooten. Diamantbewerker. Een tiental doofstommen was werkzaam als diamantbewerker. Zij gingen in hun werkzaamheden en verdiensten geheel met de normaalhoorenden op en neer. Zooals in de diamantbewerkerswereld gebruik is, werkten ze dan hier, dan daar, al naar er werk was; werkeloosheid scheen niet vaker voor te komen dan bij hoorenden. In hun loonen stonden ze gelijk met hoorenden en konden zoodoende weekloonen') maken van ƒ60,— tot ƒ70,—. Het is zeer te betreuren, dat door de monopoliseerende werking van den A. N. D. B. niet meer doofstommen in de gelegenheid kunnen komen, in dit voor hen zoo geschikte vak hun brood te verdienen. ') Zie noot blz. 78. 88 Teekenaar, kunstschilder, beeldhouwer. De zeven teekenaars waren werkzaam als '■ teekenaar op gordijnenfabriek, op machinefabriek, op tapijtfabriek, als glasteekenaar, kaartgraveur, lithograaf en zincograaf. Allen konden in eigen onderhoud voorzien; de verdiensten bedroegen van f 19,— tot f 40,— per week1). Enkelen hadden op school een ander beroep geleerd en wel voor; schoenmaker 2 (meer verdienen en prettiger werk); meubelmaker 2 (meer zin in teekenen); kleermaker 1 (meer verdienen). De vier kunstschilders waren allen van gegoede familie en konden zich daardoor aan hun liefhebberij wijden; allen konden in eigen onderhoud voorzien, 2 gehuwden ook in dat van hun gezin. De twee beeldhouwers konden eveneens goed in eigen onderhoud voorzien, een zelfs zeer goed. Een had geleerd voor schoenmaker, welk vak hem niet beviel; de ander had geen beroep geleerd. Fotograaf, goudsmid, horlogemaker, kerkornamentmaker. Als fotograaf waren werkzaam twee doofstommen, beide als baas. Een ervan was vroeger schilder geweest, maar kreeg een ongeluk, waarbij hij zijn schouder ontwrichtte; om meerdere gevaren te ontloopen was hij toen van beroep veranderd. De andere leerde voor beeldhouwer, maar aangezien er te veel tijd zou moeten verloopen voor hij aan wat betere verdiensten kwam, had hij een ander vak gekozen. Wat de drie andere beroepen aangaat, een der goudsmeden en de kerkornamentmaker hadden resp. geleerd voor schoenmaker en kleermaker, maar na het verlaten der school, hadden ze deze beroepen opgegeven om in de bedrijven hunner ouders werkzaam te zijn. ') Zie noot blz. 78. 89 Bootwerker, grondwerker, koopman, magazijnknecht, sjouwerman, los werkman. Deze beroepen, waar het weinig of niet op vakkennis aankomt, maar meer op lichamelijke verrichtingen, zijn bij uitstek geschikt voor de menschen met een onvoldoende vakopleiding. Daarheen zien we dan ook de verschillende doofstommen zich wenden, waar wel de prikkel om voor zich zelf te zorgen bestond, maar die in hun oorspronkelijk beroep geen zin hadden of er onvoldoende in slaagden. De bootwerkers, 9 in getal, woonden allen in Amsterdam of Rotterdam. De wekelijksche verdiensten bedroegen (in4gevallen) gemiddeld ƒ25.— 1). Vroeger waren deze menschen werkzaam als kleermaker 1, letterzetter 2, meubelmaker 3, schoenmaker 2, onbekend 1. Oorzaak van verandering was bij allen: geen zin in hun vak, gebrek aan werk, of onvoldoende vakkennis. De enkele doofstomme grondwerker was vroeger smidbankwerker, maar veranderde om uit de voor hem gevaarlijke nabijheid van machines te komen. Koopman: 9. Deze waren oorspronkelijk werkzaam als: kleermaker 4, schoenmaker 1, kunstschilder 1, kuiper 1, meubelmaker 1, onbekend 1. Vier dezer doofstommen waren door een minder goede gezichtsscherpte ongeschikt geworden voor hun vak, één tengevolge van een ongeluk. De anderen, met onvoldoende vakkennis, waren koopman geworden om meer te kunnen verdienen. Magazijnknecht: 5. Vier hiervan waren vroeger schoenmaker, één was meubelmaker. Reden voor verandering was bij allen hun onvoldoende vakkennis. Sjouwerman: 2. De een had geleerd voor schoenmaker, de ander voor boekbinder. Later waren deze beide in aardappelen- en groentenhandel werkzaam om karren te duwen. Los werkman: 6. Vroegere ambachten dezer lieden waren: letterzetter, meubelmaker, schoenmaker, kleermaker. Hier, ') Zie noot blz. 78. 90 evenals bij bovenstaande groepen, waren ook weer onvoldoende vakkennis en geen liefhebberij voor het uitgeoefende beroep oorzaak van de verandering. Overige beroepen. Bij alle andere beroepen, die min of meer sporadisch door doofstommen werden uitgeoefend, trof ik overal hetzelfde aan: oorspronkelijk op school een vak geleerd, dit werd langer of korter tijd of in het geheel niet uitgeoefend en vervolgens koos men een ander beroep; soms dat van zijn vader, maar meestal een ander. Steeds waren de oorzaken voor de verandering onvoldoende vakkennis, geen lust in het oude ambacht, de lage verdienste, lichamelijke ongeschiktheid (zwakte, slecht gezicht), plagerij van andere knechts e. d. Mannen, thans zonder beroep. Bijna zonder uitzondering trof ik in deze groep de ouden van dagen en de gebrekkigen aan, die ongeschikt waren geworden voor hun beroep. Slechts een paar gevallen dienen nader vermeld: 1°. een gewezen gemeente-werkman, die tal van jaren bij de gemeentewerken van Amsterdam werkzaam was geweest en nu gepensioneerd; 2°. een wiskundig-adviseur bij een levensvèrzekering-maatschappij, die, zoon van gegoede ouders, bijna geheel met privaatlessen was opgevoed en het tot een flinke algemeene ontwikkeling had gebracht. Door Zijn vader degelijk onderwezen in wiskunde, had hij het tot wiskundig-adviseur weten te brengen; 3°. een student in de godgeleerdheid. Deze had, ook dank zij privaadessen, een flinke mate van algemeene kennis en woonde nu als toehoorder colleges der godgeleerde faculteit van een onzer hoogescholen bij. 91 Doofstommen in gestichten. Het meerendeel dezer doofstommen was ondergebracht in het Roomsen-Katholieke gesticht te Sint Michiels-Gestel. Aan hen zal ik hieronder afzonderlijk enkele beschouwingen wijden. Wat de overigen betreft, dit waren bijna uitsluitend ouderen van dagen, die door openbare of particuliere liefdadigheid in gestichten waren ondergebracht, om daar hun laatste levensdagen te slijten. Naaister. Van de 494 vrouweüjke doofstommen werkten er 92 als naaister (18.6%), waarvan 50 in de stad, 42 op het platteland. In de steden waren ze werkzaam als huisnaaister, linnennaaister, corsettenwerkster, kleermaakster, costuumnaaister, mantelmaakster, rokkenwerkster, blousewerkster en pettenmaakster. De meerderheid werkte op ateliers, slechts twee hadden een zelfstandige positie; deze oefenden thuis het costuumnaaien uit. Veelvuldig van werkplaats veranderen kwam slechts weinig voor, n.1. bij 3 meisjes bij een geheel aantal opgaven, groot 26, waarvan een telkens veranderde om meer te kunnen verdienen, de beide anderen om onbekende redenen. Buiten werk zijn kwam (op een aantal van 15 opgaven) 2 maal voor, eens bij een slordig, weinig oogelijk persoontje, eens bij een der twee zelfstandig werkende costuumnaaisters. Omtrent het al of niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, beschikte ik over slechts 13 opgaven, waarvan 8 bevestigend luidden. De verdiensten ') waren over het algemeen niet schitterend en wisselden af van f6— tot f 7.50 per week, alleen de twee zelfstandig werkende costuumnaaisters brachten het tot gemiddeld f 11.—. Op het platteland waren de meisjes meest huis- of costuumnaaister. Vaak werd het naaistersvak als hoofdbedrijf ') Zie noot blz. 78. 92 uitgeoefend en waren deze vrouwen verder in de huishouding werkzaam. Werken op ateliers kwam uit den aard der zaak op het platteland weinig voor, meestal werd het werk thuis of in de naaihuizen verricht. Over het al of niet in eigen onderhoud kunnen voorzien had ik 18 opgaven, waarvan 7 bevestigend luidden. Het aantal opgaven over de wekelijksche verdiensten was te klein en de opgaven zelfwaren te onduidelijk, om een gemiddelde te kunnen bepalen. Dienstboden. Als zoodanig werkten 15 meisjes; 11 in de stad, 4 op het platteland. 11 dezer doofstommen werkten in gestichten in de keuken of in naai- of mangelkamer, slechts 4 bij particulieren. Dit laatste kleine getal is begrijpelijk, waar een doofstomme als dienstbode-alleen moeilijk in alle huiselijke bezigheden kan voorzien (met name het acht geven op de huisbel, het vlug afhandelen van boodschappen met leveranciers, e. d.) Ze vinden dus alleen geschikt een plaats daar, waar meer personeel is en zijn in hoofdzaak aangewezen op grootere inrichtingen als ziekenhuizen e.d. De mees ten (8) verdienden zooveel, dat ze ten naastenbij in eigen behoeften konden voorzien. Strijkster. Dit beroep werd uitgeoefend door 10 meisjes, allen in de steden werkzaam in verschillende strijkinrichtingen. Geen werk kunnen vinden kwam bij haar niet voor. Het weekloon'), dat hier veel van de vlugheid afhing, bedroeg gemiddeld ƒ8..— (van ƒ 5.50 tot ƒ 9.50). Drie van de vijf meisjes, die hierover opgave hebben gedaan, konden in eigen onderhoud voorzien. ') Zie noot blz. 78. 93 Overige beroepen. In deze waren slechts enkele doofstomme vrouwen werkzaam. De meesten konden in haar vak geregeld werk vinden. Verdere opgaven ontbraken meestal. Vermelding verdienen alleen een paar betere loonen '): diamantbewerkster ƒ 35.—■, werkster ƒ 18.—, sigarenmaakster ƒ 16.—, teekenaarster ƒ 14.—, borduurster ƒ 11.50. In de huishouding werkzaam. Hiervan waren 140 gehuwd of gehuwd geweest, 134 ongehuwd. Van de gehuwden woonden 115 in de steden, 25 op het platteland. De gehuwde vrouwen in de steden hadden vroeger voor het meerendeel de beroepen uitgeoefend, die we boven hebben leeren kennen: naaister 73, strijkster 6, diamantbewerkster 4, werkster 3, borduurster 3, breister, fabrieksmeisje, sigarenmaakster, elk 1; 19 vrouwen hadden nooit een beroep uitgeoefend; omtrent 4 bestonden geen opgaven. Van de vrouwen van het platteland waren 6 vroeger naaister geweest; 4 hadden geen beroep uitgeoefend; omtrent 15 bestonden geen opgaven. Wat bijzonderheden over de door deze gehuwde vrouwen vroeger uitgeoefende beroepen, aangaat, zoo komen we tot dezelfde uitkomst, als we boven reeds voor de nog werkzaam zijnden hebben gevonden: alleen de diamantbewerksters maakten een voor vroeger jaren goed loon ') (i ƒ20,— per week); in de andere beroepen stonden de loonen over het algemeen op hetzelfde lage peil als boven vermeld : i ƒ6,— a f7,— voor naaister; + ƒ 5,— voor borduursters ;+ ƒ6,— voor een fabrieksmeisje. Onder de Amsterdamsche vrouwelijke doofstommen was ') Zie noot blz. 78. 94 het aantal groot van haar, die haar werk verrichtten op een corsettenfabriek, waar ze voor enkele centen per stuk de corsetten van kantjes moesten voorzien; op deze wijze brachten ze het dan tot een weekloon van f 5,— tot /ƒ7.—. Van de ongehuwden in de stad, die thans niet meer werkten, hadden enkelen vroeger een beroep uitgeoefend: n. 1. borduurster t, naaister 6, strijkster 1, werkster 1 ; op het platteland naaister 3. Hiervan hadden vijf haar werk moeten opgeven wegens zwakke gezondheid, twee waren te oud geworden om te werken. Van de overigen, in steden woonachtig, die nooit een beroep hadden uitgeoefend, waren 25 van gegoede familie en behoefden uit dien hoofde geen geld te verdienen; een was te jong, 2 waren te oud om te werken, 6 waren ziekelijk en konden daardoor geen vak uitoefenen; van 6 ontbraken opgaven. De in dorpen wonende doofstomme vrouwen, die geen beroep uitoefenden, waren meestal bij ouders, broers of zusters in huishouding of boerderij werkzaam; slechts 1 was tot geen vak bekwaam; 4 waren nog te jong; 3 te oud om een vak uit te oefenen. In gestichten vergleegden. Hieronder waren 2 gehuwden van ouderen leeftijd, waarvan de man tot geen verdienen meer in staat was; 3 oudere weduwen; 8 ouderen van dagen, die niet meer konden werken; 1 was vermogend en had zich ingekocht in een gesticht; 4 waren onbekwaam tot werken en armlastig, de overigen vertoefden in Sint Michiels-Gestel. Verpleegden in Sint Michiels-Gestel. Een afzonderlijke plaats namen de in het Instituut voor doofstommen te Sint Michiels-Gestel verpleegden in. Deze 95 onderwijs-inrichting is terzelfder tijd voor een groot aantal volwassenen een tehuis („Taubstummenheim"). Hier genieten zij een voortreffelijke verpleging en hebben een aangenaam leven onder lotgenooten en met enkele hoorenden, die hen leiden en met wie ze op voor hen gemakkelijke wijze van gedachten kunnen wisselen. Onder hen zijn er enkelen, die jaren in de hoorende maatschappij hebben geleefd en gewerkt en die ook thans nog zeer wel in eigen onderhoud zouden kunnen voorzien. Maar tegenover deze enkelen staan velen, die nooit of slechts korten tijd de inrichting hebben verlaten en die, in de maatschappij aan zichzelven overgelaten, zeker zouden zijn ten onder gegaan. Hier in de inrichting voelen ze zich geheel thuis, ze werken er zooveel in hun vermogen is en kunnen daardoor, in voor hen gunstige omstandigheden, er toe medewerken om een deel van hun onderhoud te verdienen. Onder de 22 mannen waren 2 werkzaam als arbeider, 3 als huisknecht, 4 als kleermaker, 7 als letterzetter, 4 als schoenmaker, 2 als tuinman. Aangaande het al of niet in eigen onderhoud kunnen voorzien werd mij medegedeeld, dat 13 mannen wel of vermoedelijk wel hiertoe in staat zouden zijn, 6 niet of vermoedelijk niet, terwijl over 3 geen vermoeden was te uiten. Van de 36 vrouwen werd door 19 weinig of geen productief werk gedaan; 4 verrichtten naaiwerk; 3 werkten in de huishouding mede, 10 in de hostiebakkerij. Wat hare verdiensten aangaat, vernam ik, dat 18 vermoedelijk wel in eigen onderhoud zouden kunnen voorzien, 15 vermoedelijk niet; terwijl 3 als zijnde ook op andere wijze gebrekkig, buiten beschouwing bleven. Beroepsveranderingen in alle beroepen te zamen. Wanneer ik naga, hoe het staat met het kiezen van een ander beroep bij alle doofstomme mannen, over wie ik opgaven bezit, dan vindt ik, dat op een geheel van 469 mannen 96 102 (21.7%) een ander beroep dan hét op school geleerde hebben gekozen; voor de stad wordt dat op 262 mannen 44 (16.8%), voor het platteland op 207 mannen 58 (28%). Het leeuwendeel van deze beroepsveranderingen komt voor, zooals ik boven vermeld heb, bij schoenmakers, kleermakers, meubelmakers en letterzetters; in de stad kwamen dan nog 3, op het platteland 9 veranderingen bij andere beroepen voor. Als oorzaken van die veranderingen, heb ik boven reeds genoemd: meer verdienen (stad 7; platteland 8), geen lust in het vak (11,6) mindere lichamelijke geschiktheid (5;3), geen werk kunnen vinden (8;9), korter werktijd (1;0), onvoldoende vakkennis (5;2), vader had een ander beroep (2; 17), onbekend (2;4). Uit deze cijfers blijkt, van hoe groot belang het is, dat bij het te kiezen beroep rekening worde gehouden met het beroep, dat de vader uitoefent (vooral ten plattelande), of de betrokken leerling zin heeft in het voor hem te kiezen vak, of hij lichamelijk er voor geschikt is, of hij later genoegzaam kans heeft werk te vinden in zijn vak (met name op het platteland). Beroepsverhoudingen bij oud-leerlingen van Rotterdam en Groningen afzonderlijk. Op een geheel van 104 oud-leerlingen van Rotterdam vind ik beroepsverandering bij 19 personen (18.3%); bij 223 oud-leerlingen van Groningen 47 beroepsveranderingen (21.8%). Voor de vier voornaamste beroepen: schoenmaker, kleermaker, meubelmaker e,n letterzetter, waren de veranderingen voor: Rotterdam 10 op 67, 2 op 10, 6 op 24 en 1 op 3; Groningen 12 op 55, 14 op 82, 19 op 71 en 2 op 15. De beroepsveranderingen bij Oud-Rotterdammers zijn iets minder veelvuldig dan bij oud-Groningers, maar niet op een in het oogloopende wijze. 97 Wat de afzonderlijke beroepen betreft, kreeg ik nog de volgende uitkomsten: Schoenmakers: veelvuldig veranderen van baas: Rotterdam 5 wel, 11 niet. Groningen 5 wel, 8 niet. veelvuldig werkeloos zijn : Rotterdam 3 wel, 16 niet. Groningen 9 wel, 20 niet. in eigen onderhoud voorzien: Rotterdam 20 wel, 6 niet. Groningen 23 wel, 8 niet. Kleermakers : veelvuldig veranderen van baas: Rotterdam 2 wel, 2 niet. Groningen 4 wel, 19 niet. veelvuldig werkeloos zijn: Rotterdam 1 wel, 6 niet. Groningen 2 wel, 37 niet. in eigen onderhoud voorzien: Rotterdam 6 wel, 1 niet. Groningen 34 wel, 7 niet. Meubelmakers : veelvuldig veranderen van baas: Rotterdam 2 wel, 3 niet. Groningen 14 wel, 25 niet. veelvuldig werkeloos zijn: Rotterdam 0 wel, 5 niet. Groningen 3 wel, 37 niet, in eigen onderhoud voorzien; Rotterdam 4 wel, 1 niet. Groningen 33 wel, 5 niet. Letterzetters: veelvuldig veranderen van baas: Rotterdam 0 wel, 1 niet. Groningen 2 wel, 11 niet. veelvuldig werkeloos zijn: Rotterdam 0 wel, 1 niet. Groningen 1 wel, 11 niet. in eigen onderhoud voorzien: Rotterdam 1 wel, 0 niet. Groningen 8 wel, 0 niet. Voor zoover aan deze kleine cijfers eenige waarde is toe te kennen, vinden we, dat de verhoudingen bij de schoenmakers voor de oud-Rotterdammers iets gunstiger zijn dan 98 voor de oud-Groningers; dat ze bij de kleermakers vrijwel gelijk zijn; dat bij de meubelmakers en letterzetters hierover niets is te zeggen. § 4. Doofstommen en openbare liefdadigheid. Behalve de doofstommen, die hier en daar door vrienden en familieleden worden onderhouden en doofstommen, die in armenhuizen e. d. zijn opgenomen, worden verschillende personen nog door de openbare liefdadigheid: vereenigingen, armbesturen, e. d. verzorgd. Nauwkeurige cijfers uit het buitenland, die over grootere aantallen loopen, bestaan er weinig. Opgaven dienaangaande vond ik bij Best en Lemcke. Best ') vermeldt, dat in 1910 in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika 540 doofstommen (1.2 % van alle dooven) in armenhuizen werden verzorgd; Lemcke2) geeft op, dat van 385 volwassen doofstommen in Mecklenburg-Schwerin 217 (57 %) door ouders of verwanten of door openbare liefdadigheid moesten worden gesteund. In Noorwegen werden in de steden op 196 volwassen mannelijke doofstommen 10 (5.1 %) aangetroffen, die ondersteuning genoten en op 107 volwassen vrouwen 11 (10.3 %), die ondersteund werden; op het platteland was dit op 240 mannen 35 (8.3 %) ondersteunden en op 366 vrouwen 59 (16.1%) ondersteunden3). Mygind 4) vermeldt, dat in 1880 van de Deensche doofstommen 28.6 % ondersteund werden. Teneinde een indruk te krijgen, hoe het staat met openbare ondersteuning in ons land, heb ik inlichtingen gevraagd bij de armenraden van enkele onzer groote steden: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem en Groningen. ') Harry Best: The Deaf. Blz. 79. 2) Lemck e: Die Taubstummen in Mecklenburg-Schwerin, Blz. 223 en 224. 3) Uchermann: Les sourds-muets en Norvège. Christiania 1901, Blz. 464 e. v. 4) H. Mygind. t. a. p. 99 Blijkens de mij door die armenraden verstrekte opgaven werden in de laatste vier jaren in Amsterdam ondersteund: een tiental gezinnen van man en vrouw, twee alleenstaande mannen, drie alleenstaande vrouwen; verder ontvingen enkele gezinnen van de vereeniging „Door Liefde Saamgebracht" een kerstgave en werden vier oude menschen verpleegd met tegemoetkoming van de Diaconie in tehuizen voor oude mannen en vrouwen. De ondersteunden waren voor zoover de mannen betreft, meestal minder bedreven in hun vak. In Rotterdam: een gezin van man en vrouw, waarvan de man bijna blind was; een vrouw, die bijna blind was. In den Haag; een vrouw van bijna tachtig jaar; een gezin, waar de man bijna blind was. In Utrecht: een vrouw, die ziekelijk en bedlegerig was. In Haarlem: een gezin van man en vrouw, een oude achterlijke misvormde vrouw, en een gescheiden vrouw. In Groningen : een gezin van man en vrouw. Bovendien waren in Amsterdam en in Rotterdam nog enkele doofstommen opgenomen in de stedelijke armenhuizen. Wanneer we deze gegevens in oogenschouw nemen, dan zien we, dat slechts enkele doofstommen in de groote steden door liefdadige instellingen worden ondersteund en die ondersteunden zijn dan meest nog oud of hebben behalve hun doofstomheid nog een ander lichamelijk gebrek. Als vereenigingen, die zich uitsluitend met steunverleening aan doofstommen bezig houden, bestaan: 1°. Het „Guyotfonds" met hoofdzetel in Groningen en onderafdeelingen in verschillende steden. Doel: steun aan doofstommen, onverschillig van welke school. 2°. Het „David Hirschfonds" in Rotterdam. Doel: steun aan gebrekkige, hulpbehoevende oud-leerlingen van de Rotterdamsche inrichting. 3°. Het „Alingsfonds" te Groningen. Doel: steun aan oud-leerlingen van het Groningsche instituut. In Amsterdam bestaat bovendien de vereeniging „Door 100 Liefde Saamgebracht", die beoogt begunstiging van het gezelschapsleven onder doofstommen. In het gebouw der vereeniging kunnen werkelooze doofstommen tegen een laag loon werk verrichten ten behoeve der Vereeniging. Steeds zijn hier eenige doofstommen werkzaam; enkelen bijna steeds, anderen alleen, wanneer zij elders geen werk kunnen vinden. Meestal zijn het oudere of in een of ander opzicht minderwaardige personen. § 5. Doofstomheid en krankzinnigheid. Bij navraag bij de verschillende inrichtingen voor krankzinnigen in ons land bleken in die gezamenlijke gestichten opgenomen 80 doofstommen. De aard der krankzinnigheid was in 74 gevallen opgegeven, n.1.: imbecilitas 30, idiotie 22, dementia praecox 6, hebephrenie 5, paranoia 3, debilitas 2, dementia senilis 2, manisch-depressieve psychose 2, impulsieve agressieve aanvallen 1, dementie 1. Blijkens officieele opgaven waren op 1 Januari 1918 in die gestichten aanwezig 15406 krankzinnigen, zoodat 1 doofstomme voorkwam op 192 verpleegden. Volgens opgave van de volkstelling van 31 December 1909 kwamen in Nederland voor 39 doofstommen op 100.000 inwoners, of 1 op 2564 inwoners. Wanneer we in aanmerking nemen, 1° dat de opgave der volkstelling vermoedelijk een te laag aantal vermeldt, 2° dat waarschijnlijk van de doofstomme krankzinnigen een grooter percentage in gestichten is opgenomen dan van hoorende krankzinnigen, dan blijft toch het feit bestaan, dat krankzinnigheid bij doofstommen blijkbaar veel meer voorkomt dan bij hoorenden. Te bevreemden is dit niet, wanneer we weten: 1° dat factoren, die voorbeschikkend werken voor het tot stand komen van doofstomheid (overgeërfde degeneratieve aanleg) ook voorbeschikken voor het ontstaan van krankzinnigheid en 2° dat onder de oorzaken van verworven doofstomheid ziekten van hersenen en hersenvliezen een voorname plaats innemen. 101 § 6. Doofstommen en Strafrechter. Teneinde gegevens te verkrijgen over doofstommen,, die met den strafrechter in aanraking zijn geweest, heb ik mij om inlichtingen gewend tot den Minister van Justitie en tot de directeuren der doofstommenscholen. Daardoor vernam ik het volgende: a. Door de directies der strafgestichten zijn gedurende de laatste vijf jaren 5 gevallen (4 personen) vermeld op een dagelijksche sterkte van 5000 gevangenen. De straffen waren opgelegd wegens: 1°. dronkenschap (straf 1 jaar); 2°. twee gevallen van verboden vervoer (3 weken en 2 maanden); 3°. ontucht met een minderjarige (6 maanden); 4°. dronkenschap (2 maal 2 dagen). b. De directeur der doofstommenschool in Rotterdam is driemaal aangewezen als deskundige in strafzaken tegen doofstommen: 1 maal in geval van diefstal, 2 maal in gevallen van onzedelijke handelingen. c. De directeur van het instituut te St. Michiels-Gestel vermeldt, dat tegen twee oud-leerlingen van dit instituut een gerechterlijke vervolging heeft plaats gehad. d. Den directeur van de school „Effatha" te Dordrecht zijn geen strafvervolgingen tegen oud-leerlingen bekend. e. De directeur van het instituut in Groningen vermeldt drie gevallen van oplichting en één geval van diefstal. Bovendien vernam ik van een paar leden van het personeel der school te Amsterdam, dat zij wel eens waren gedagvaard als getuige-deskundige in strafzaken tegen doofstommen. Uit het bovenstaande zien we, dat gedurende de laatste jaren het aantal Nederlandsche doofstommen, dat wegens een strafbaar feit gerechterlijk vervolgd is, klein is en dat ze zich weinig aan grove vergrijpen tegen de maatschappelijke orde schuldig maken. 102 § 7. Godsdienstige verzorging van doofstommen. Op godsdienstig gebied is de zorg voor doofstommen zeer beperkt, althans ten plattelande, waar zij verspreid en vaak op groote afstanden van elkaar wonen. Beter kan een godsdienstige verzorging plaats vinden in de steden, waar meestal een grooter aantal doofstommen woonachtig is. In Amerika worden door vereenigingen, die zich' de belangen van doofstommen ter harte nemen, geestelijken aangesteld, hoorenden zoowel als dooven, die zich aan de doofstommen moeten wijden; zoo o.a. bij de Protestant Episcopal Church twaalf (waarvan tien dooven). In enkele grootere steden bestaan afzonderlijke kerken voor de dooven, terwijl in andere plaatsen op bepaalde tijden kerken voor de dooven worden afgestaan1). In ons land wordt op de doofstommenscholen de noodige aandacht aan het godsdienstonderwijs gegeven. Ook vinden, na het verlaten van de school, met name in de grootere steden, de doofstommen gelegenheid hun godsdienstplichten te vervullen. Vanwege de R.K. Kerk worden geregeld godsdienstige bijeenkomsten gehouden in Amsterdam, Haarlem, Den Haag en Rotterdam. In St. Michiels-Gestel wordt op alle zon- en feestdagen godsdienstonderricht gegeven, terwijl er ook dagelijks den doofstommen gelegenheid wordt geboden tot het vervullen hunner plichten. Voor de protestanten worden in Amsterdam iederen Zondag voor dooven en voor doofstommen, afzonderlijke godsdienstoefeningen gehouden; in Haarlem iedere twee weken voor dooven en doofstommen tezamen; in Den Haag iederen Zondag voor dooven en doofstommen, die van de lippen kunnen lezen; in Rotterdam bijbellezing eiken tweeden en vierden Zondag der maand. Voorts was er voor enkele jaren in Amsterdam een godsdiensdeeraar, die de doofstommen ten plattelande ging bezoeken. ') Harry Best. The Deaf, blz. 11. 103 Van bijzondere oefeningen voor Joodsche doofstommen is mij niets bekend geworden. § 8. Vereenigingen van doofstommen. De vereenigingen van doofstommen hebben in hoofdzaak ten doel het bevorderen van geestelijke ontwikkeling en ontspanning der leden en daarnaast het behartigen van stoffelijke belangen door vorming van fondsen voor ondersteuning van behoeftigen en uitkeering bij ziekten. Als vereenigingen, die alleen ondersteuning beoogen, hebben wij reeds leeren kennen het „Guyotfonds", het „Alingsfonds" en het „David Hirschfonds." Als vereenigingen, die meer het gezelligheidsleven willen bevorderen, bestaan: „Door Liefde Saamgebracht" en „Guyot" te Amsterdam; „Amman" en „Draagt Elkanders Lasten" te Rotterdam; „Haga" en „Elkanders Hulp" in den Haag; „Ons Genoegen" te Assen; ..Hebt Elkander Lief" in Dordrecht. Een vereeniging van oud-leerlingen van St. Michiels-Gestel bestaat niet, mede als gevolg van het streven der directie van dat instituut, om samenhokken van doofstommen zooveel mogelijk tegen te gaan. In Rotterdam bestond vroeger een voetbalclub van doofstommen, „Hirsch" genaamd, die echter is opgeheven. Een zelfde lot heeft de voetbalclub „Guyot" in Amsterdam getroffen. Aan de vereeniging „Amman" is een tooneelclub verbonden, uitsluitend bestaande uit doofstommen. Eveneens is dit het geval bij „Ons Genoegen" en bij „Elkanders Hulp." Aangaande het geestelijk leven in laatstgenoemde vereeniging werd mij door een der leden o.a. medegedeeld, dat een doofstomme daar een lezing had gehouden over aarde, zon, planeten en sterren, die zeer veel genot had gegeven. De vereeniging had pogingen gedaan tot het verkrijgen van een leergang aan de volksuniversiteit. Zoo zijn er vijf lezingen gehouden; daarna was dit weer stopgezet wegens aan mijn berichtgever onbekende redenen. Voor goeden gang van zaken achtte hij het wenschelijk, dat 104 in besturen van doofstommenvereenigingen ook hoorenden zitting hebben om leiding te geven. Als bijzondere tijdschriften voor doofstommen bestaan.„Ons Tijdschrift", uitgegeven te Groningen, onder redactie van het personeel der scholen te Groningen, Rotterdam en Amsterdam; „De vriend der doofstommen", uitgegeven door het instituut te St. Michiels-Gestel; „Het Maandblad" voor de hoogere klassen der doofstommenscholen, uitgegeven in Rotterdam. De beide eerste bladen zijn bestemd voor volwassen doofstommen, het laatste voor de leerlingen van de hoogere klassen der doofstommenschool. Het wordt door dezen ook in Amsterdam gaarne gelezen. HOOFDSTUK HL Gevolgtrekkingen. Wanneer ik het in de beide vorige hoofdstukken behandelde samenvat, kom ik tot de volgende uitkomsten: 1°. Bijna een zevende deel der onderzochte Nederlandsche doofstommen spreekt goed; bijna de helft spreekt voldoende; drie achtste spreekt onvoldoende. 2°. Het linlez en is over het algemeen iets beter dan het spreken. 3°. De vrouwen leeren iets beter spreken en liplezen dan de mannen, in dier voege, dat het percentage vrouwen, dat goed of voldoende kan spreken en liplezen, grooter is dan dat der mannen; het percentage „goed" afzonderlijk is bij de mannen grooter. 4°. De doofgewordenen leeren beter spreken en liplezen dan de doofgeborenen. 5°. Het aanwezig zijn van gehoorresten leidt tot een beter spreken en liplezen. 6°. Bij verworven doofheid hebben gehoorresten niet die invloed, die men oppervlakkig zou verwachten. 7°. Hoe late r verworven doofheid optreedt, hoe gunstiger dit is voor spreken en liplezen. 8°. Een dadelijk na het doofworden aangewende goede verzorging vermag veel voor het behouden van een goede spraak. 106 9°. Met het klimmen der jaren nemen spreken en liplezen over het algemeen af. 10°. Sedert het verlaten der school zijn spreken en liplezen bij twee derden der doofstommen gelijk gebleven, bij een vierde achteruitgegaan, bij een tiende vooruitgegaan. 11°. In de steden blijven spreken en liplezen beter bewaard dan op het platteland. 12°. Inhetbuitenland (Noorwegen, Vereenigde Staten) bedient een vijfde deel der doofstommen zich in het dagelijksch leven uitsluitend van klankspraak, als verkeersmiddel, een zevende heeft naast klankspraak andere hulpmiddelen noodig, bijna twee derde gebruikt in het geheel geen klankspraak. 13°. Voor verkeer met hoorende huisgenooten gebruiken de onderzochte Nederlandsche doofstommen meerendeels alleen klankspraak; voor verkeer met doofstomme huisgenooten gedeeltelijk klankspraak, grootendeels echter andere hulpmiddelen (zie 16°). 14°. Voor omgang met hoorenden buiten het gezin gebruiken ruim twee vijfden der onderzochte doofstommen uitsluitend klankspraak; ruim een derde klankspraak en andere hulpmiddelen; ruim een vijfde alleen andere hulpmiddelen. 15°. Voor den omgang met hoorenden buiten het gezin bepalen kleine verschillen in de hoogte, waarop het spreken en liplezen staat, of de doofstomme kan verkeeren met uitsluitend klankspraak, dan wel of hij zijn toevlucht gedeeltelijk of uitsluitend moet nemen tot andere hulpmiddelen. 16°. Voor omgang met andere doofstommen gebruiken oud-leerlingen van Groningen en Sint Michiels-Gestel in hoofdzaak vingerspraak en gebarentaal; de anderen in hoofdzaak klankspraak. 107 17°. Oud-leerlingen van Rotterdam kunnen gemiddeld beter spreken dan oud-leerlingen van Groningen, (Dordrecht of Sint Michiels-Gestel). 18°. A. Na het huwelijk gaan spreken en liplezen bij een aantal doofstommen achteruit en wel bij de oud-Rotterdammers meer dan bij de oud-Groningers, waarbij het vrijwel onverschillig is of oud-leerlingen van eenzelfde of van verschillende scholen met elkaar huwen; minder sterk is de achteruitgang bij huwen met een hoorende. B. Een deel blijft na het huwelijk gelijk met spreken en liplezen en wel bij de Groningers een grooter deel dan bij de Rotterdammers. C. Een deel gaat vooruit in spreken en liplezen. Het minst is dit bij huwelijken met Groningers, meer bij huwelijken met Rotterdammers, het meest bij huweÜjken met hoorenden. 19°. Doofstomheid op zich zelf is geen beletsel voor het verwerven van een goede algemeene ontwikkeling. 20°. Beroep. A. Het grootste deel der volwassen mannelijke doofstommen is werkzaam als schoenmaker, kleermaker, meubelmaker of letterzetter. B. Een minderheid is verdeeld over een groot aantal andere beroepen. C. Een klein percentage oefent in het geheel geen beroep uit. 21°. A. Het grootste deel der volwassen vrouwelijke doofstommen is werkzaam in de huishouding; ongeveer de helft hiervan is gehuwd, de andere helft is ongehuwd; de laatsten vertoeven meestal bij de ouders thuis, minder vaak bij andere familieleden. B. Een kleiner aantal is werkzaam in verschillende beroepen; meestal met het verrichten van naaiwerk; minder vaak als strijkster, dienstbode of anderszins. 108 22°. Ruim een vijfde deel der mannelijke doofstommen heeft na het verlaten der school een ander beroep gekozen dan dat, waarvoor zij waren opgeleid. 23°. Beroepsverandering kwam op het platteland ruim anderhalf maal zoo vaak voor als in de steden. 24°. Beroepsverhoudingen (veranderen van baas, veelvuldige werkeloosheid, loonen) komen bij oud-Rotterdammers en Groningers vrijwel overeen. 25°. Het grootste deel (81.6%) der mannelijke doofstommen kan in eigen onderhoud voorzien; van de vrouweüjke doofstommen is slechts een veel kleiner deel (58.6%) hiertoe in staat. 26°. De gunstigste arbeidsverhoudingen (in eigen onderhoud kunnen voorzien, geregeld werk kunnen vinden) komen voor bij de. letterzetters, dan volgen de meubelmakers, vervolgens de kleermakers, ten slotte de schoenmakers. 27°. De loonen in de steden zijn beter dan op het platteland. 28°. Onder de andere beroepen leveren vooral die van diamantbewerker en teekenaar een goed bestaan op. 29°. Het aantal door openbare liefdadigheid ondersteunde doofstommen is in de voornaamste steden van ons land niet groot. 30°. Ondersteuning komt op het platteland meer voor dan in de steden. 31°. Ondersteuning van vrouwen is vaker noodig dan van mannen. 32°. Kr ankzinnigheid komt bij doofstommen menigvuldiger voor dan bij hoorenden. 109 33°. De doofstomme komt weinig met den strafrechter in aanraking en slechts zelden wegens ernstige vergrijpen. 34°. Alleen in de grootste steden van ons land en in Sint Michiels-Gestel wordt op voldoende wijze in de godsdienstige behoeften van volwassen doofstommen voorzien. 35°. Vere enigingen van doofstommen treffen we alleen aan in enkele grootere steden. 36°. In de behoefte aan een vriendelijk tehuis voor alleenstaande en hulpelooze volwassen doofstommen is in ons land alleen voor de Katholieken voorzien. Tracht ik thans in het kort een antwoord te geven op de vraag: „Wat zijn ten opzichte van het maatschappelijk leven de uitkomsten van het doofstommen-onderwijs hier te lande?" dan wil ik, allereerst voor wat betreft het spreken en van de lippen lezen, er op wijzen, dat in dit opzicht mijn uitkomsten veel gunstiger zijn, dan ik ze in de literatuur van het buitenland (Noorwegen en de Vereenigde Staten) heb kunnen vinden. Hierbij evenwel moet in aanmerking worden genomen, dat de gegevens omtrent Noorwegen en de Vereenigde Staten ongeveer vijftien tot twintig jaar ouder zijn dan die van ons land. Waar die van de beide genoemde landen een opvallende overeenkomst vertoonden (23.7 resp. 20.8 % uitsluitend klankspraak; 64.4 resp. 65.5 % alleen andere hulpmiddelen), daar mogen wij vrij aannemen, dat deze cijfers ten naastenbij de verhoudingen weergeven, die ontstaan als gevolg van gemengd gebruik der beide voornaamste onderwijsmethoden (klankspraak- en gebarenmethode), gelijk dat in beide landen het geval was. In Nederland daarentegen, waar overwegend naar de klankspraakmethode werd onderwezen, bedienen zich in het verkeer met hoorenden 110 (buiten het gezin) 42.7 % uitsluitend van de klankspraak. Dit cijfer overtreft nog dat, hetwelk Uchermann aangeeft (38 %) voor die Noorweegsche doofstommen, die uitsluitend volgens klankspraakmethode waren onderwezen. Schijnen dus voor ons land de uitkomsten der orale methode betrekkelijk zeer gunstig te zijn, zoo geven zij, naar het mij voorkomt, nog allerminst reden tot groote voldoening. Immers blijkt uit de cijfers, dat slechts een zevende der volwassen doofstommen „goed", drie achtste echter bepaald „onvoldoende" spreekt. Ook moet hierbij in het oog worden gehouden, dat dit „goed" spreken toch nog van dien aard is, dat bij verreweg de meesten het spreken oogenblikkelijk den doofstomme verraadt en dat zij niet dan met moeite worden verstaan door menschen, die aan den omgang met doofstommen niet zijn gewend. Ons oordeel moet zich dus helaas aansluiten aan dat van Mac Leod Yearsley en Kerr Love omtrent de uitkomsten van het onderwijs op de Britsche doofstommenscholen. Moeten wij nu in dezen uitslag een aanwijzing zien, om geheel of gedeeltelijk terug te keeren tot de ouderwetsche gebarenmethode, die — het zij nogmaals gezegd — voor dooven meer raditioneel schijnt dan een klankspraakmethode? Het antwoord moet ontkennend luiden. Zulk een terugkeer ware een onmogelijkheid. De doofstommenwereld zelve zou er zich met hand en tand tegen verzetten. Zij heeft genoeg van haar vroegere afzondering. Zij eischt voor de doofstommen een gelijkwaardige plaats op tusschen de normaal hoorende medemenschen. Geen andere keus rest ons, dan naar beste krachten te trachten de orale methode te verbeteren. Het is onze dure plicht onvermoeid te blijven navorschen, in welke richtingen deze verbetering kan worden gezocht. Het spreekt vanzelf, dat ik hier onaangeroerd laat al wat betrekking heeft op de techniek van het orale onderwijs. Dit is het terrein der paedagogen en wij mogen vertrouwen. 111 dat zij niet op verdorde lauweren zitten te rusten en zouden meenen, het bereikbare reeds te hebben verkregen. Ik moet mij bepalen tot de gegevens van mijn eigen onderzoek en ik ben mij wel bewust, dat hieruit niet dan met groote omzichtigheid bepaalde vingerwijzingen mogen worden afgeleid. Het zijn met name de verhoudingscijfers, verkregen van de oud-leerlingen van Groningen en die van Rotterdam, welke misschien tot enkele gevolgtrekkingen recht geven. De oudleerlingen der andere scholen zijn daartoe ongeschikt: Sint Michiels-Gestel, wijl hier tot vóór vrij korten tijd in hoofdzaak de gebarenmethode werd toegepast; Dordrecht wijl het getal der oud-leerlingen te klein is; Amsterdam, daar het tijdens mijn onderzoek nog bijna geen oud-leerlingen had afgeleverd. Nu zijn, om het kort te zeggen, de uitkomsten van spreken en liplezen ontwijfelbaar gunstiger voor de oud-Rotterdammers dan voor de oud-Groningers. Ik behoef slechts te verwijzen naar de kleine tabel op blz. 61 en met name naar de cijfers, die betrekking hebben op de door mij zelf onderzochte personen. Het verschil is waarlijk te duidelijk en de aantallen der personen zijn m.i. te groot, dan dat hier uitsluitend aan toeval mag worden gedacht. Wij hebben dus na te gaan, welke principieele verschillen er bestaan tusschen de beide inrichtingen en overwegen, of deze mogelijkheden ter verklaring bevatten. Uit te sluiten is allereerst de veronderstelling, dat het spreekonderricht te Rotterdam aan betere onderwijskrachten toevertrouwd zou zijn geweest dan te Groningen. Deze veronderstelling, waarvoor ook overigens geen enkele aanwijzing bestaat, moet daarom van de hand worden gewezen, wijl in beide inrichtingen de leerkrachten voortkomen uit denzelfden onderwijzersstand; dat open plaatsen in beide door de meest belovenden der sollicitanten worden vervuld en dat in beide het articulatie-onderwijs alleen aan ervaren en geschoolde onderwijzers wordt opgedragen. Evenzeer moet de veronderstelling worden afgewezen, dat 112 de oud-Groningers, door mij ondervraagd, gemiddeld ouder zouden zijn geweest dan de oud-Rotterdammers. Dat spreken en liplezen der doofstommen, althans het spreken, na het verlaten der school achteruitgaan, kan geen verwondering baren. De sprekende doofstomme mist een van de voornaamste controlemiddelen over zijn spraak: Het eigen gehoor. Hij mist ook de oefening, die het hooren spreken van anderen moet geven. Daarenboven ontbreken hem na het verlaten der school de terechtwijzingen, de verbeteringen, de aanmoediging der onderwijzers. Geen wonder, wanneer de verstaanbaarheid van zijn spraak allengs vermindert, en ook dat deze achteruitgang zich sterker doet gelden in onderlinge huwelijken van doofstommen dan in huwelijken met hootenden. Ook het feit van den gemiddeld sterkeren achteruitgang op het platteland dan in de steden is begrijpelijk. In de steden is de prikkel tot duidelijk spreken sterker dan op het land. Daar loopt hij meer gevaar dan hier, dat de hoorende uit ongeduld niet wil probeeren hem te verstaan (gelijk een ontwikkelde doofstomme mij als zijn ervaring mededeelde). Op het platteland met zijn gemoedelijken omgang zullen allicht de dorpelingen den doofstomme met een zekere mate van gebaren-gebruik tegemoet komen, wat voor diens spreken en liplezen niet bevorderlijk is. Dat de oud-Groningers bij hun ondervraging gemiddeld ouder zijn geweest dan de oud-Rotterdammers is een gedachte, die even zou kunnen opkomen bij het zien van de tabellen op blz. 58 en blz. 60 waaruit blijkt dat de onvoldoende sprekende oud-Rotterdammer gemiddeld 41 jaar 9 maand oud was geweest; de oud-Groninger echter 54 jaar 8 maand. Intusschen deze gedachte is niet juist. Voor al de groepen te zamen was de gemiddelde leeftijd der oud-Rotterdammers bijna even hoog als die der oud-Groningers. Een nadere bestudeering der cijfers laat geen andere verklaring toe, dan dat de op de school aangeleerde spreekkunst zich in den loop der jaren bij de Rotterdammers gemiddeld beter heeft gehandhaafd dan bij de Groningers. 113 Een andere voor de hand liggende mogelijkheid zou deze zijn, dat van de Groningers de duur van den schooltijd langer ware geweest dan voor de Rotterdammers. Evenwel feitelijk is er omgekeerd een klein voordeel ten gunste van Groningen. Hier was de schooltijd gemiddeld iets langer dan in Rotterdam (9 jaar 1 maand tegen 8 jaar 9 maand). Het verschil echter is geheel onbeduidend. Helpen dus de genoemde vraagpunten ons niet verder, zoo bestaan er, voor zoover ik kan nagaan, tusschen de beide inrichtingen drie punten van verschil, die op de uitkomsten van het spreek-onderwijs van invloed zouden kunnen zijn en wel: 1°. de leeftijd, waarop gemiddeld met het onderwijs wordt aangevangen; 2°. het gebruik van gebaren als ondersteuningsmiddel bij het school-onderwijs; 3°. het internaats-, resp. externaats-stelsel. 1°. De leeftijd. In Rotterdam zijn de kinderen gemiddeld op jonger leeftijd op school gekomen dan te Groningen. Bij Burger1) vind ik hieromtrent de volgende opgaven: „Uit de in 1911 verschenen jaarverslagen blijkt, dat in Groningen van 184 leerlingen, bij hun opneming 10, d.i. 5.3%, den leeftijd van zeven jaar nog niet hadden bereikt. In St. Michiels-Gestel waren dit er, van 182 leerlingen 36, d.i. 19.8 %; in Rotterdam van 149 leerlingen 93, d. i. 62.4 % en in Dordrecht van 39 leerlingen 24, d.i. 61.5%. Hiervan waren beneden dezes jaar: in Groningen 0, in St. Michiels-Gestel 5, in Rotterdam 4 en in Dordrecht 8. De gemiddelde leeftijd der leerlingen, in deze verslagen genoemd, bedroeg bij de opneming: in Groningen 8 jaar 4 maand, in St. Michiels-Gestel 8 jaar 5 maand, in Rotterdam 7 jaar 3 maand, in Dordrecht 6 jaar 8 maand. Zeer onlangs gaf Fehmers2) een statistiek over de leeftijden, waarop de ruim twaalf honderd leerlingen, sedert ') H. Burger. Over doofstommen-opleiding. De Gids, Mei 1912. Afdruk Blz. 7, Noot. 2) P. J. Fehmers. Beginselen op het gebied voor het doofstommenonderwijs. Tijdschrift voor buitengewoon onderwijs. Oct. 1921. 114 1853 in de Rotterdamsche inrichting toegelaten, in het onderwijs zijn getreden, n.1.: 11 % op den leeftijd van 3 tot 4 jaar; 25 % op den leeftijd van 5 jaar of jonger; 56% op den leeftijd van 6 jaar of jonger; 75 % op den leeftijd van 7 jaar of jonger. Mijn eigen cijfers zijn hiermede in overeenstemming. De gemiddelde leeftijd bij op school komen bedroeg voor de oud-Groningers 7 jaar 7 maand, voor de oud-Rotterdammers 6 jaar 10 maand. In hoeverre kan nu het vroeger begin van het doofstommenonderwijs van invloed zijn geweest op de door mij vastgestelde uitkomsten van het onderwijs in spreken ? In het pasgenoemd artikel van Fehmers wordt uit het eerste jaarverslag der Rotterdamsche inrichting (1853/54) deze zin aangehaald: „Een groot voordeel is het, dat de leerlingen reeds op jeugdigen leeftijd tot dat onderwijs worden toegelaten. Hoe vroeger de spraak is geoefend, des te welluidender en natuurlijker wordt de toon der stem." Een poging tot verklaring van dit feit vinden wij in het genoemde artikel niet. In 1912 had Burger ') een warm pleidooi gehouden voor een langeren leertijd en een vroeger begin van het onderwijs aan doofstommen. Hij sloot zich hierin aan bij Mac Leod Yearsley en Kerr Love, die beiden in het te late begin van het spreekonderwijs een der voornaamste oorzaken zien van de onbevredigende uitkomsten van het orale stelsel. Ook heeft hij bij de oprichting der Amsterdamsche school de vorming van een voorbereidende klas voor doofstommen van drie tot zes jaar tot stand gebracht, welk voorbeeld door de andere doofstommen-inrichtingen hier te lande is gevolgd '). ') T. a.p. Gids, 1912. *) Het verslag van het instituut voor doofstommen te St MichielsGestel over 1913 zegt op blz. 68: „Aan Prof. Burger, den oprichter der Amsterdamsche doofstommenschool, komt de eer toe, de doofstommenonderwijzers hier te lande overtuigd te hebben over het nut, de doofstomme kinderen op jeugdiger leeftijd tot het onderwijs toe te laten dan zulks tot heden het geval was. 115 In 1919 heeft hij ') nogmaals de wenschelijkheid van een zoo vroeg mogelijk begin van het spreekonderwijs op spraakpsychologische gronden verdedigd. Dat het voor kinderen met op twee jaar of later verworven doofstomheid gewenscht is, zoo spoedig mogelijk na het optreden der doofheid in het spreken te worden onderwezen, ligt voor de hand. Immers, des te grooter is de kans, dat er van reeds bezeten woorden en begrippen een deel wordt behouden of in den geest teruggeroepen. Maar ook voor doofstommen, die nooit hebben gesproken, is het alleszins aannemelijk, dat van spreekonderwijs het meeste heil is te verwachten, wanneer het wordt gegeven op een leeftijd, die den natuurlijken leeftijd der spraakontwikkeling zoo dicht mogeüjk nabijkomt. Dat ook in doove kinderen van dien leeftijd een machtige drang bestaat, om zich door spraak te uiten, is een honderden malen gemaakte ervaring. Ik meen dus de waarschijnlijkheid te mogen aannemen, dat het betrekkelijke welslagen der Rotterdamsche school ten opzichte van het spreek-onderwijs, mede is toe te schrijven aan den vroegen leeftijd, waarop hier steeds met het onderwijs werd aangevangen. Wij hebben recht te vermoeden, dat bij gemiddeld nog vroeger begin de uitkomsten eveneens nog beter zullen worden. In deze richting dient krachtig te worden gestuurd. 2°. Van meer dan één zijde was mij medegedeeld, dat in het Groninger instituut het gebruik van gebaren en van vingeralphabet, als ondersteuningsmiddel bij het orale onderwijs, op zeer bescheiden wijze werd toegepast. In Rotterdam zijn alle gebaren in beginsel ten strengste uitgesloten. Ik meende hier een opvoedkundig geschilpunt te zien, waarvan mij het vóór en tegen aldus was uiteengezet. ') Jaarvergadering te Amsterdam der Vereeniging tot bevordering van het doofstommenonderwijs in Nederland. 116 dat gebaren en vingeralphabet, die door de doofstomme kinderen zoo veel sneller worden begrepen dan de gelaatsbeelden der klankspraak, bevorderlijk zijn aan den geregelden voortgang van het schoolonderwijs, terwijl van den anderen kant wordt gevreesd, dat de aandacht, geschonken aan gebarenen vingertaai, afbreuk moet doen aan het toch reeds zoo moeilijke aanleeren der klankspraak. Wanneer dit laatste standpunt, waarvoor ik als leek veel kan voelen, juist is, dan zou daaruit volgen, dat de strenge verbanning der gebaren uit het onderwijs een moment mee kon zijn ter verklaring van het betrekkelijk succes der Rotterdamsche school. Intusschen is het mij gebleken, dat de bovenaangehaalde meening omtrent het gebruik van gebaren in het Groninger instituut onjuist is en de geheele hier genoemde veronderstelling dus vervalt. Dat ik ze niettemin noem, geschiedt om aldus tevens aan dit valsche gerucht een einde te maken. De heer Woltjer schrijft mij, dat gebaren bij het spreekonderwijs niet worden gebruikt. „Alleen wordt op zeer bescheiden wijze wel eens gebruik gemaakt van het vingeralphabet, n.1. dan, wanneer de kinderen een woord of klank niet afzien en de onderwijzer daarom genoodzaakt zou zijn op te staan en het woord op het bord te schrijven. Om tijdverlies te voorkomen worden de leerlingen dan door middel van het vingeralphabet even — ook even maar i— geholpen. Zegt de onderwijzer b.v. „boos" en lezen de kinderen daarvoor af „poot", dan wordt op de vingers even het woordje gespeld en dan wordt de zin verder weer uitsluitend voor gesproken". 3°. Moet dus het eenig mij (ten onrechte) voorzwevend opvoedkundig moment vervallen, zoo komt er nog één in wezen en beteekenis uitermate belangrijk punt van verschil ter sprake: Rotterdam is een externaat, een dagschool; de leerlingen wonen bij de ouders of bij pleegouders in huis. Groningen is een internaat, de kinderen wonen op het terrein der school, in een aantal kosthuizen. Ziehier ook een oude strijdvraag, waarvan ik de overtuigingsgronden vóór en 117 tegen niet wil uiteenzetten. Wanneer ik mij bepaal tot de vraag van het aanleeren der klankspraak, dan is het in de eerste plaats duidelijk, dat voor het bevestigen van de in school moeizaam aangeleerde spreek- en afleeskunst de omgeving, waarin het kind buiten de schooluren verkeert, van zeer groot belang moet zijn. Bleven nu, dank zij het internaat, de leerlingen ook buiten de schooluren onder voortdurend toezicht der onderwijzers en zouden deze het geduld en de lust hebben om ook dan onverdroten het orale spreken te bevorderen, ja, dan ware uit spreekoogpunt het internaat wellicht te verkiezen. Intusschen, men heeft reeds bespeurd, dat ik in mijn veronderstelling twee onvervulbare voorwaarden heb ingelascht. Onmogelijk zouden de onderwijzers ook bij spel en maaltijd, altijd maar kunnen aandringen op aflezen en klankspraak. Hierover behoeft geen woord te worden verkwist. Maarbovendien.de onderwijzers wonen niet in het internaat. De kinderen zijn overgegeven aan pleegouders, die hun handen vol hebben, met de materieele verzorging van eenige tientallen van doofstommen. Ongetwijfeld is de omgeving van het ouderlijk gezin of van het externaatskosthuis uit spreek-oogpunt verre te verkiezen boven dit samenwonen van groote aantallen doofstomme kinderen. Is de externaats-pleegvader doofstommen-onderwijzer, 'zooals dat met enkele doofstommen van gegoeden huize het geval is, dan is dit voor dezen een buitengewoon voorrecht. N4aar ook overigens bewerken in elk privaat kosthuis de noodzaak en het voorbeeld veel goeds. Zeer zeker went ook de pleegfamilie zich een aantal gebaren aan, waardoor de omgang met de kostkinderen wordt vergemakkelijkt, maar toch wordt er ook veel gesproken. In ieder geval doet de omgeving niet in de verte zooveel kwaad als die van het internaats-kosthuis, waar twintig of meer doofstommen voortdurend bijeen zijn en zich in gebaren en vingerspraak onderhouden. Hier missen zij eiken prikkel (zoowel de noodzaak als het voorbeeld), om zich door spreken en liplezen met hunne omgeving te verstaan. Ik meen te mogen verklaren, dat ik, bij het onderzoeken 118 van mijn doofstommen en bij het bewerken der verkregen gegevens, geheel objectief ben te werk gegaan; maar toch moet ik bekennen, dat mij de uitslag allerminst heeft verbaasd. Ongetwijfeld is het externaat-stelsel, het beginsel der dagschool, tegenover dat van het gesloten instituut, de voornaamste reden van het betrekkelijke succes der Rotterdamsche school. Wat nu betreft den maatschappelijken toestand der volwassen doofstommen; zoo is er groot verschil ten opzichte van de uitkomsten van het vakonderwijs aan jongens en dat aan meisjes. Terwijl van de mannelijke doofstommen 81.6% in eigen onderhoud konden voorzien, was dit bij de vrouwen slechts in 58.6% het geval. Zoowel hier te lande als in het buitenland worden de mannelijke doofstommen in hoofdzaak opgeleid voor: schoenmaker, kleermaker, meubelmaker en letterzetter en worden de vrouwelijke doofstommen vnl. geoefend in huishoudelijke bezigheden, met name vooral in het naaien. Weliswaar worden ook wel andere beroepen onderwezen, in ons land vooral in Rotterdam (in Amerikaansche instituten zelfs tot 85 '); maar met name in ons land zijn het toch slechts enkelen, die in die andere beroepen onderwijs ontvingen. Een feit is het, dat de keuze klein en moeilijk is. Die moeilijkheid om het voor iederen doofstomme meest geschikte beroep te kiezen, blijkt duidelijk uit het groote aantal doofstommen (in ons land 21.7%; in de Vereenigde Staten zelfs 90 %), dat later een ander dan het aangeleerde beroep kiest. De beroepsverandering is op het platteland grooter dan in de steden. Ten deele is dat een gevolg daarvan, dat meerdere doofstommen, wier ouders landbouwers zijn, na het ontslag van de school in dat ouderlijk bedrijf worden werkzaam gesteld. Geüjk Her mus opmerkt 2) is ') American Annals of the Deaf. vol LXV, No. 1 blz. 1. 2) Rapport naar aanleiding der enquête inzake het ambachtsonderwijs voor doofstommen uitgebracht door M. Sluizer, Directeur der Doofstommenschool te Amsterdam. Aanvullingen en bemerkingen. 119 het voor die doofstommen en hun omgeving een voordeel, dat ze een ander beroep hebben geleerd. Het landbouwbedrijf kunnen ze op school niet of slechts zeer gebrekkig leeren; het gaat later veel beter in de praktijk. Met hun kennis van schoenmaken, kleermaken of meubelmaken, kunnen ze echter in de huiselijke omgeving soms zeer productief zijn. Weinig nut heeft het natuurlijk, wanneer zoo een doofstomme voor letterzetter heeft geleerd. Wanneer we die gevallen, waarin de doofstomme in het landbouwbedrijf is overgegaan, terzijde laten, dan blijft toch nog een belangrijk percentage doofstommen over, die later van beroep zijn veranderd. Dit feit vestigt de aandacht daarop dat, meer nog dan tot nu toe het geval was, bij de beroepskeuze dient gelet te worden op de factoren, die tot beroepsverandering aanleiding geven: lichamelijke en geestelijke geschiktheid, lust in het vak, de kans om voldoende werk te vinden, de kans om een voldoend inkomen te maken, het bedrijf, dat door den vader wordt uitgeoefend. Tevens dient zorgvuldig te worden nagegaan, welke beroepen er buiten de vier voornaamste: schoenmaker, kleermaker, meubelmaker en letterzetter voor doofstommen geschikt zijn. Op grond van theoretische overwegingen heb ik op blz. 16 reeds een aantal meer en minder geschikte genoemd. In de praktijk hebben daarvan de volgende gebleken in enkele gevallen een goed bestaan op te leveren: bakker, beeldhouwer, boekbinder, bootwerker, diamantbewerker, goudsmid, kerkornamentmaker, parapluiemaker, politoerder, rubberwerker, teekenaar, touwslager. Wat de vrouwelijke beroepen betreft, hiermede is het lang niet schitterend gesteld. In veel gevallen toch verdienden de doofstomme meisjes een loon, waarmede ze niet zouden kunnen rondkomen, wanneer ze geheel in eigen onderhoud moesten voorzien. Dit geldt zoowel voor de steden als voor het platteland. Wel moge Her mus enkele gevallen kunnen noemen van betere loonen, een feit is, dat ik deze bij mijn onderzoek slechts sporadisch heb aangetroffen. 120 En dit is ook wel te verklaren. De doofstomme naaisters in de steden werkten meest op ateliers, waar hun loonen werden gedrukt, wijl ze niet aan de electrische naaimachines mochten werken en dus aangewezen waren op het handwerk ')• Op het platteland bepaalt het naaiwerk zich voornamelijk tot verstelnaaien. Voor costuumnaaister schijnt de doofstomme minder geschikt te zijn; althans ik heb enkele malen de klacht vernomen, dat een doofstomme als costuumnaaister geen werk kon vinden, omdat ze niet kon voldoen aan de eischen van een modieuse snit, maar te stijve modellen afleverde, die geen aanbeveling voor verder werk waren. Uit den aard der zaak zijn met verstelwerk geen hooge loonen te maken. Ook in de andere beroepen: strijkster, breister, dienstbode e. d. waren de loonen zóó, dat slechts ternauwernood de doofstomme op bescheiden wijze in haar onderhoud kon voorzien. Uit het oogpunt van levensonderhoud is het dus zeker toe te juichen, dat vele doofstomme vrouwen gehuwd waren en in eigen huishouding nuttig werk konden verrichten, waarbij ze dan voordeel ervan hadden, wanneer huishoudelijke bezigheden op de school goed waren onderwezen. Een enkel woord ten slotte over tehuizen voor doofstommen. Zooals we hebben gezien, is een groot deel der doofstommen, met name bij de mannen, in staat voor zich zelf te zorgen. Anders wordt dit, wanneer ze lichamelijk minderwaardig of oud worden. Wat wordt er dan voor hen gedaan? In Duitschland bestaan zoogenaamde „Taubstummenheime", waar ze een toevluchtsoord vinden, in Amerika in enkele plaatsen „homes for the Deaf", met name in Massachussets, New-York, Ohio, Pennsylvania 2); terwijl in andere plaatsen pogingen worden gedaan, om zulke inrichtingen te stichten: Illinois, Indiana en Missouri. Hoofdzakelijk zijn deze „homes" ') Rapport naar aanleiding der enquête inzake het ambachtsonderwijs voor doofstommen. „The Deaf" door Harry Best, blz. 87. 121 bestemd voor gebrekkigen en ouden van dagen, die niet meer in staat zijn zich zelf te onderhouden. In ons land bestaat een tehuis voor doofstommen in het Instituut te St. Michiels-Gestel. Daar kunnen de katholieke doofstommen, die dat zelf en zij, wier ouders dat wenschen, een onderkomen vinden. Zij vertoeven er gezellig in een kring van lotgenooten, terwijl hoorenden voor hun stoffelijke en geestelijke belangen waken. Hier worden hun krachten geleid, om nog productief werk te verrichten, opdat zij zich nog zooveel mogelijk nuttig kunnen melken. Overigens bestaan er in ons land geen bijzondere toevluchtsoorden voor doofstommen en zoo vinden wij diegenen, die niet in eigen onderhoud kunnen voorzien en voor wie geen familieleden zorgen, hier en daar in armenhuizen verspreid, soms één enkele, soms enkelen bijeen. Waar het meest ouden van dagen betreft, bij wie spreken en üplezen door den tijd meer of minder sterk hebben geleden, daar wordt dan door deze menschen, afgezonderd te midden van hun hoorende omgeving, een eentoonig bestaan geleid. Voorwaar een tehuis, waar ze onder elkaar konden vertoeven en zich vrijelijk bewegen, zou voor hen een zegen zijn. 122 WENSCHEN: 1. Dat meer nog dan reeds geschiedt het leeren spreken en liplezen der doofstommen worde bevorderd, opdat zij, beter nog dan thans, zich kunnen bewegen te midden der hoorende maatschappij; 2. Dat met het spreek-onderwijs aan doofstommen op zoo vroeg mogelijken leeftijd (zes of liever vijf jaar) worde aangevangen; 3. Dat er voor doofstommen wettelijke leerplicht kome; 4. Dat doofstomme kinderen als regel reeds op den leeftijd van twee of drie jaar worden geplaatst in de voorbereidende klasse der doofstommenscholen; 5. Dat in het doofstommenonderwijs het internaat steeds meer worde vervangen door de dagschool; 6. Dat veel meer aandacht worde geschonken aan verschillende beroepsopleiding der doofstommen; 7. Dat ook voor Protestantsche en Joodsche doofstommen, die door lichaamsgebrek of ouderdom niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, Tehuizen worden gesticht, gelijk er voor de Katholieken een bestaat. STELLINGEN. i. Evenals voor hoorenden dient de staat onderwijs voor doofstommen verplicht te stellen. ÏL Voor onderwijs aan doofstommen verdient de dagschool de voorkeur boven het internaat. III. Voor bestrijding eener roodvonk-epidemie verdient de geregelde controle door den schoolarts met verwijdering van alle verdachte ge' vallen de voorkeur boven een geheel sluiten der school. 126 IV. Voor het tot stand komen van endemische krop zijn de plaatselijke omstandigheden van veel grooter invloed dan de gesteldheid van den bodem, waaraan het drinkwater wordt ontleend. V. Bij matig vernauwde bekkeningang aan de zwangere vrouw een dieet, vorming tegengaat. VI. Ook bij kleine kinderen superior bijna steeds te bronchoscopia inferior. VII. Bij de behandeling van pylorospasmus der zuigelingen wachte men niet lang met het instellen eener heelkundige behandeling. VIII. Na de geboorte van het kind verwijdere men zoo spoedig dat mogelijk is de placenta met de handgreep van Credé. geve men dat vet- is de bronchoscopia verkiezen boven de 127 IX. Aanleidende oorzaak voor het tot stand komen van otosclerose zijn de bewegingen van de stijgbeugelplaat in het ovale venster. X. De hoop, in de sclerectomie (Lagrange-Elliot) een ongevaarlijke en afdoende behandeling der meer slepende glaucoomvormen te hebben gevonden, is niet vervuld; toch mag men deze operatie-methode als een aanwinst beschouwen. XI. Bij de behandeling van lijders aan pankreasfistel volgens de methode van Wohlgemuth is het toedienen van alkaliën vóór en na den maaltijd van meer belang dan het zgn. antidiabetische dieet.