CHARLOÏTE'S GROOTE REIS Bij H. P. Leopold's Uitgevers-Maatschappij te ''s-Gravenhage •%ijn van denwel/den schrijver verschenen: DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE NAGTEGAEL HANS DE KLOKKELUIDER HET MEISJE MET DE BLAUWE HOED MARIO FERRARO'S IJDELE LIEFDE EIKO VAN DEN REIGERHOF 31114L. CHARLOTTE'S GROOTE REIS DOOR JOHAN FABRICIUS TWEEDE DRUK 'S-GRAVENHAGE MCMXXX N.V. H.P.LEOPOLD'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ Aan mijn vriend W. J. L. HEJS, Gezagvoerder bij de Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij I De stompe neus uit het drabbige havenwater heffend, waarin rotte vruchten, vergane planken, leege flesschen en groenteblikken op en neer deinen, decoratief omlijnd door petrolcumvlekken in pauwachtige kleuren, ligt de „Medusa" aan de Rotterdamsche kaai gemeerd en staart met haar ankerkluizen, twee sombere, triestbeloopen oogen, naar het Westen, waar de zee wacht. Hoe smerig is het duizend-tons-vrachtbootje nu, dat er, versch geschilderd en met geschrobd dek, zoo monter en fleurig uitzien kan; hoe meedoogenloos zwaar beladen ligt het daar aan de kaai. De ruimen zijn al tot berstens toe gestouwd; de „boots" is met 'n paar maats bezig, de presennings over de luiken te spannen en de houten keggen in de schalklippen vast te hameren; het diepgangsmerk is al bedenkelijk gezonken, en nóg gaan de zwoegende kranen voort, vaten op het voor- en achterdek te wentelen. Pikkerige monstervaten, die naar pek en teer rieken. Vanmorgen, toen 'n laat Octoberzonnetje nog wat kleur en jolijt aan het nu zoo triestgrauwe havenaspect schonk, vanmorgen moesten de kolendragers, wanneer ze hun groezelige zakken van de kaai naar de stortgaten boven de bunkers zeulden, nog schuins omhoogdraven over de zwiepende plank, - maar nu is het omgekeerd. En steeds meer verzinkt de Medusa tusschen de plompe Amerikaan vóór haar met z'n opschepperig hooge brug en z'n onsierlijke deklijn en de pas geloste, hoog drijvende Japanner achter haar met z'n kleine, rappe matroosjes. Deze laatsten hebben wat van gnomen, wanneer ze over het boeghek omlaag turen uit hun wijze spleet-oogjes. Omlaag op dat onbeduidende, steeds dieper wegzinkende vrachtbootje met z'n sip hangende Hollandsche vlag, die, zwart van 't kolengruis^ aan elke nationaliteit kon toebehooren. Allen in hetzelfde loopje, door de over het hoofd getrokken zakken niet van elkaar te onderscheiden, draven de kolensjouwers met hun vrachtje van de kaai naar het schip en weer terug. Zakje na zakje wordt uitgeschud boven de gapende bunkers; de geheele Medusa is in 'n wolk van zwart-glinsterend gruis gehuld. Het bedekt reeling, luiken en dek; het kleeft aan de wanden. De tweede en derde machinist, die norsch bij de bunkers staan toe te kijken, de handen tot aan de polsen in de broekzak, zijn zwart als de kolensjouwers; ook de officieren, die op voor- en achterdek de vaten tellen, hebben zwarte vegen over hun roode gezichten en snuiven gramstorig de lucht op, die scherp is van het gruis. En als uit kratermonden blijven de zwarte wolken uit de bunkers opstijgen. Tot in de hutten en de kajuit dringt het gruis door; het kleine, vinnig-parmantige hofmeestertje, dat kwiek over de in rijen geplaatste vaten heenwipt om van de midscheeps naar de kajuit te komen, vindt kernachtige woorden voor ieder, die n hutdeur heeft laten openstaan. In de kajuit at, rond en gezellig, de kapitein tegenover twee „heeren van 't kantoorEen van hen, nog maar 'n klerk, is jong en ruikt naar pomade; hij doet opdringerigijverig met lijsten, die uit 'n zwardeeren actentasch komen en er weer in verdwijnen. De ander, bezadigd, gezet en waardig, knikt er ernstig bij: de ritselende papieren geven aan deze bijeenkomst in de kajuit 'n weldadig cachet van gewichtigheid. Intusschen savoureert hij plechtig het glaasje port, dat miniatuur-klein wordt in zijn groote, dikke hand; als hij het leeg genipt heeft, kijkt hij vol aandacht naar de laatste druppel, die in het glaasje is achtergebleven, en ziet daarop aangenaam verrast de kapitein aan. Juist op dit oogenblik vraagt de klerk iets naar aanleiding van zijn lijsten: of de kapitein wel weet, dat... „Maduros," zegt de kapitein, het etiket van de flesch naar zijn overbuur keerend. „Da's weer van diezelfde leverancier uit Leixoes. Z'n port is beter dan z'n tronie. Je kent 'm toch ook wel?" „Hoe heet de vent dan?" De kapitein noemt 'n Portugeesche naam en schenkt nog eens in. Achteloos, z'n lijsten bestudeerend, houdt ook de klerk z'n glaasje bij. De statige dikzak trekt intusschen zijn sigarenkoker; ook dit gebaar is weer plechtig zooals bij heeren, die steeds goede en groote sigaren op zak hebben en ze gaarne ronddeelen. „Denk eens om me, als je weer langs Leixoes komt," verzoekt hij de kapitein, hem - en daarna als vanzelfsprekend de klerk - presenteerend. „Ik wil 'r wel 'n mandje-vantwaalf-flesch van hebben." „Dat mag ik langzamerhand allemaal wel 's gaan opschrijven," zegt de kapitein goedgeluimd, het puntje van de sigaar bijtend. „Help jij me onthouwen, hofmeester?" Hofmeester, zegt de kapitein nu. Op zee noemt hij hem bij afijn naam: Smits. „Waar meneer Bijvanck om vraagt, dat vergeet ik niet, kap'tein!" klinkt 't uit de hoek waar de hofmeester staat. „Hier, neem d'r dan ook maar eentje," zegt meneer Bijvanck en strekt z'n korte arm met de bruinleeren koker uit. In 'n wip is de hofmeester present en kiest met zorg 'n sigaar, die hij in zijn borstzak laat verdwijnen, zoodat hij de handen weer vrij heeft. „Pak d'r nog maar eentje," zegt meneer Bijvanck royaal. Maar nu mag de hofmeester 't ook niet vergeten, van die twaalf flesch port... „Geen gevaar, meneer! Mag ik u bedanken?" De hofmeester bergt ook deze tweede sigaar zorgvuldig weg en staat weer correct in z'n hoek. Meneer Bijvanck en de kapitein kijken dampend, meer verveeld dan peinzend, naar de jonge klerk, die drukker dan ooit met z'n lijsten doet. Zijn oogenbük is nu gekomen om de kapitein zwierig 'n drietal ervan voor te leggen en quasi-joviaal te vragen: „Drie maal uw naam, captain?" Deze schroeft zijn vulpen los, ziet vluchtig de lijsten door. Meneer Bijvanck van 't kantoor bekijkt door 'n wolk van geurige rook het etiket van de flesch nog eens. Schuins boven hun hoofden dondert een der beide kranen de vaten op het ijzeren dek. Ziezoo, de lijsten zijn geteekend. (Voor de laatste paraaf weigerde de vulpen, en de kapitein schudde er boven de mouw van z'n oude, zwartlakensche uniformjas wat inkt uit, - dat zie je niet.) De klerk zoekt alle paperassen bijeen; het kantoor wordt zoo te zeggen gesloten; nu kan de kajuit conversatie-zaal worden wat hem betreft. Hij maakt reeds 'n luchthartige, onzakelijke opmerking. „Enne... kap'tein, u hebt gezien, dat u 'n passagier meekrijgt? 'n Dame!" Vol verwachting kijkt hij naar de gezagvoerder. Maar deze trekt zwijgend aan zijn sigaar. „Jong?" vischt meneer Bijvanck en buigt zich met goedmoedige nieuwsgierigheid naar de laatste paperassen, die in de tasch verdwijnen. „Negen-en-..." flapt de klerk eruit; de kapitein snijdt hem het cijfer echter ai" met 'n half ironisch, half beschaamd: „Ssssschtl" Tegen dit kwebbelen-bij-voorbaat over zijn passagieres verzetten zich zijn zeemanstondborstigheid en zijn kapiteintrots. „De captain is galant," grinnikt de klerk, nog niet voelend, dat hij de kapitein irriteert. Wanneer deze echter niets meer zegt en wat norsch de asch van z'n sigaar tipt, grinnikt de klerk niet meer, redt zich weer bij z'n actentasch en vraagt ijverig-onderdanig aan meneer Bijvanck, of hij nu naar 't kantoor kan teruggaan. Deze knikt, en de klerk gaat heen. Nu wordt de kapitein weer spraakzamer, vertelt vertrouwelijk van 'n geval, dat hij eens met 'n passagieres beleefd heeft. Onder het vertellen krijgt hij er weer schik aan. „Weet je 't nog, Smits?" vraagt hij. Of Smits 't nog weet! Hij was 't ommers, die 't het eerst gemerkt had, dat 'r wat an de hand was! „Daar zal je 't hebben!" zegt Drops, de derde machinist, tegen de tweede en spuwt het kolengruis tusschen z'n tanden weg. „Twee bakkies vol mènschen! En wij zien d'r nogal lekker uitl Zeg... zitten daar geen meisjes in??" Zwijgend kijkt de „tweede" toe. Hij is tenger en lijkt jonger dan Drops, hoewel hij 'n rang hooger staat. Hij keert sluik, zwart haar en 'n latijnsche gelaatsvorm. Het wit om z'n donkere, peinzende oogen licht vreemd op in z'n met kolengruis bestoven gezicht. Twee taxi's komen, handig manoeuvreerend tusschen kranen, wagons en opslagplaatsen, over de glimmende keien aangehobbeld. Het is daareven tot overmaat van ramp gaan regenen; 'n naaldfijne motregen heeft de rook uit de zwarteschoofsteen-met-de-twee-vuilwitte-banden zoetjes weer neergedrukt; alles wat men aanpakt pikt nu van 't roet. Maar achter de gesloten taxi-venstertjes gluren heldere meisjesgezichten nieuwsgierig naar buiten. Dc voorste taxi stopt en de meisjes springen met opgewonden gilletjes op de glibberige keien. Er is maar één roep, maar één waarschuwing: dat alles zoo vreeselijk vies is. „Ajakkes! Pas op, kind, je trapt in 'n plas I O gut, m'n japonnetje! Wat 'n smeerboel...!" Nu houdt ook de tweede taxi stil; daaruit stapt als eerste 'n zwaarlijvige, statige tante. „Die zal 't wezen!" meent Drops sarcastisch. De tweede machinist zwijgt en kijkt met z'n donkere oogen. Niet naar de tante. Het kan slechts 'n tante zijn, die daar nu, omvangrijk en zelfbewust, op de kaai staat, 'n Tante, die haar nichtje op de boot brengt, - zijzelf zou voor geen geld op zee durven. Oom, 'n klein, rond mannetje met 'n geruit pak en bruine glacé-handschoenen, volgt nu, maar krijgt tevoren de strenge vermaning om niet te dartel omlaag te springen vanwege het spatten. Nu, na de plassen, komt er bij de meisjes - het zijn er vijf - belangstelling voor de boot. „Gutl Nee maar... is dat 'm?! Ik had gedacht...!" Ze hadden gedacht, dat het schip veel grooter zijn zou. „'tLigt nog ónder de kaai! - Nou ja, 'tis ook geen passagiersschip! - Ja, maar toch... I Nou, jij durft, Lot!!" Lot is dus de passagieres. Ze is iets grooter dan de andere meisjes, maar fijn van bouw en niet zonder natuurlijke gratie in haar houding en gang. Onder de rand van de hoed schijnt het gezicht wat bleek en vermoeid en wint daardoor misschien nog iets aan voornaamheid. Ze draagt 'n valiesje in de hand; een der andere meisjes heeft zich over haar opgerolde reisdeken ontfermd, waardoor 'n parasol steekt, - 'n ander draagt haar kodak in 'n nieuw, bruinleeren étuitje, 'n derde 'n bos rozen. Oom zeult met 'n zware handkoffer, rekent met de beide taxi-chauffeurs af. Deze mopperen, 't Was voor de donder geen happie om met je wagen hier heelemaal tusschen al die loodsen en wagons te sturen en dan nog wel zonder 'n schijn van kans op 'n vrachie terug! Tante staat er krijgshaftig bij; ze houdt er haar mond buiten, maar haar heele houding drukt uit: „Niet meer eeven. Henri. - 'n kwartie fooi de man, zooals we dat in de auto hebben besproken, is méér dan genoeg!" „Kom mee, Henri, en denk om de plassen, - sla je pijpen maar om!" hakt tante nu af. Baloorig drukken de chauffeurs de voet op 't gaspedaal en hobbelen weg, grommend over dat kale vrachie. Juist wat oom ook gedacht heeft: de pijpen om te slaan. Als hij zich van dat werkje weer opricht, zegt hij onthutst: „Gut... is dat 'm?I" „Ik zal blij zijn als Charlotte weer terug is!" sluit tante zich somber bij die opmerking aan. De vijf meisjes staan langszij van de boot op de kaderand en kijken wat hulpeloos rond, schrikken van een aan 'n kraan-arm aanzwaaiende hijsch. Een van de zwarte gedaanten op het schip maakt teekens naar hen. „Hier, deze plank maar over, - die man daar zegt 'tl" beweert het vriendinnetje met de reisdeken opgewonden. ,Die man daar...' dat is de tweede officier. „Jij voorop, Lot!" En Lot gaat voorop. Het hoofd gebukt, de lippen nerveus opeengeklemd. Het is, of het werk ineens 'n oogenblik stokt nu zijhaar eerste schrede op de loopplank zet. „Honderd en..." telt de tweede officier bij de vaten op het achterdek af en wenkt nog eens, dat alle meisjes gerust mogen volgen. „Honderd en..." herhaalt hij, maar kijkt er niet bij naar de vaten. „Honderd en hoeveel?" vraagt hij. Maar niemand vult het getal aan. Slechts de kranen, redelooze krachten, gaan voort, hun zware vrachten door de lucht te wentelen. Lot voelt dit stokken. Zij voelt, dat in deze seconden het oordeel over haar, de passagieres, de eenige vrouw aan boord op deze reis, geveld wordt. En zij vreest dit oordeel, - daarom bukt zij het hoofd; daarom klemt zij de lippen nerveus opeen. Haar vriendinnen lachen verlegen, werpen hier en daar 'n blik naar en spreken met elkaar om te toonen hoe zeker ze zich voelen. „Nee maar, wat is zoo'n pijp dik! Had jullie dat óóit gedacht? En zou dat nou de commando-brug wezen?" De werkende mannen, de officieren zien ze niet,— slechts de pijp en de commando-brug van 't schip. „Vooruit, opschieten 1" dondert de stem van de eerste officier, die van de onderbrug de vaten op het voordek meetelt. Verschrikt stuiven de meisjes naar voren; dan lachen 2e, als ze de vergissing bemerken. Het werk zet met 'n ruk weer in. „Honderd drie en vijftig 1" roept op het achterdek de tweede stuurman en zet weer drie schrapjes in z'n boekje. Gerrit, de boy in z'n bleekrood gestreept jasje, is op 'n drafje de hofmeester gaan waarschuwen, die noode afscheid neemt van het verhaal, dat de kapitein ten beste geeft. „Ja, en wij zaten met 't gebakkie!" zegt hij nog, overmoedig geworden. „Ken ik gaan, kap'tein? Deze knikt, terwijl de hofmeester al half de deur uit is, en vertelt met enkele haastige woorden het verhaal ten einde, verwachtend,, dat z'n passagieres zoo dadelijk met aanhang van familie en kennissen de kajuittrap zal komen afdalen. Meneer Bijvanck, ook onrustig geworden, staat op, nipt nog vlug z'n laatste glaasje port leeg en steekt de kapitein tot afscheid de hand toe. „Goeie reis, captain 1 Is d'r nog wat, dan telefoneer je wel even uit de loods." „Wat zou d'r nog kunnen wezen? Binnen 'n uur varen we. Ik moet me nog even scheren, — jij hebt gelijk, dat je je opbergt. Bonjour 1" En terwijl meneer Bijvanck heengaat en met zware schreden het kleine trapje naar het achterdek opklost, bergt de kapitein de flesch port nog vlug even in 'n zij-kastje weg en verdwijnt, na gescheld te hebben, in z'n hut. „Gerrit! Heet water!" roept hij door de half geopende deur de boy toe, die komt aangesneld. „En neem die glaasjes ook meteen maar mee." „Jewel, kap'tein!" Vlug als 'n kleine acrobaat is het hofmeestertje over de vaten heen naar de loopplank gehuppeld. „U bent 't zeker, die meegaat, juffrouw? Gerrit, pak dan effe da veliesje an! Oh... heb de kap'tein gescheld? Dan doe ik 't wel. Voorzichtig, dames, en denk om de jeponnetjes! Nerreges anpakke maar! Ja, da's altoos met kolelaje, hé? Jazekers, mevrouw, ga u d'r ook maar gerust over: de plank leit vast, hoor. Laat u da koffertje daar maar staan, meneer. 'theit geen beene; Gerrit zal 't zoo dalik wel effe... ja, recht uit maar, juffrouw, d'r is nog nèt 'n weggetje door, as u maar nerreges tegen oploopt!" De hofmeester denkt om alles, ziet alles, leidt de meisjes en daarna tante voorzichtig tusschen de vaten door met: „Voorzichtig!" en „Denk u d'r om!" en „Houd u mijn maar vast..." Oom volgt als laatste, de koffer toch maar in de hand, - dat leek tante veiliger. „Zoo, dames, hier waren we d'r al; nou da trappie maar af naar de kejuit, daar zit de kap'tein al op u te wachtel" Maar de kapitein zit niet te wachten, - de kajuit is verlaten. „Nou, dan zei ie wel zoodalik komme!" troost de hofmeester. „De groote koffer, die vanmorrege gekomme is, heb ik al onder uw bed gezet. Wil u de hut soms effe zien?" Lot knikt onbeholpen. „Mogen wij ook even mee?" vragen de vriendinnen, opgetogen over de gezellige, vertrouwelijke hofmeester. Allen volgen nu door het smalle gangetje, ook tante, die er nauwelijks door kan, en als laatste oom met z'n koffer. „Gut, wat 'n hokje 1" roepen de vriendinnen. Oom loert over tante's schouder en is eenigszins verwonderd, dat er zich twee bedden boven elkaar bevinden. Hij stoot tante van achteren aan, of ze 't óók wel ziet. Maar tante merkt de stooten in haar dikke vleesch niet. „Kan dat ronde venstertje open?" vraagt een van de vriendinnen. „Waarom zou die petrijspoort niet ope kenne, juffrouw? Met kalleme zee altijd 1" „Maar als 'tnou niet kalm is?" vraagt tante met slecht verborgen nervositeit. „Nou, dan vanzelf niet" zegt oom lakoniek en grinnikt even. Maar als de hofmeester er niet bij had gestaan, zou hij zoo brutaal niet geweest zijn. Hij mag er nu door met z'n handkoffer. Binnen wijst hij op de reddingsgordel, die aan het hoofdeinde van 't bed op 'n plankje ligt. „Dat is zeker voorschrift?" vraagt hij achteloos aan de hofmeester. „De juffrouw zei 'm niet noodig hebbe!" profeteert deze luchtigjes. „Dat zei u 's zien, juffrouw, wat 'n fijne reis 't wordt! Juist met November heb je meest kalleme zee!" Dat zou hij ook van elke andere maand in 't jaar getuigd hebben. ,,'n Oogenblikkie, dames!" Hij snelt heen om te zien, of Gerrit niet met z'n boodschap voor de kapitein treuzelt. Er ontspint zich, nu hij is heengegaan, 'n gesprek: waar zal Lot slapen? Boven of beneden? „Dat zal ik nog wel" zien," weert Lot af. Ze wil liefst weer naar de kajuit terug. „Boven is natuurlijk rrisscher!" meent er een. „En dan kun je door dat poortje mooi uitkijken als je zeeziek bent!" „Als je d'r teminste nog niet uitgerold bent wanneer 't zoo begint te schommelen I - Ak je zeeziek bent, hèb je niet veel uit te kijken!" Dat zijn zoo de meeningen. Dan komt ter sprake, dat Lotte blij mag zijn, dat er niet nóg 'n dames-passagier aan boord is! Want dan zou ze de hut moeten deelen. „Maar dat zou van de andere kant toch ook juist weer gezellig kunnen zijn!" „Nou ja, maar als eenige dame aan boord, da's toch óók wel leuk!" Dit is 'n toespeling. „Kom, laten we nu naar de kajuit gaan!" stelt Lot, wat kort-af, voor. Ze spreekt al van: de kajuit. Zoo heeft ze er zich maanden lang ingedacht, 'n reis met 'n schip te maken. Ze ziet wat bleek en vermoeid, maar onaantrekkelijk is ze stellig niet. Haar rustig optreden (hoeveel beheerschte nervositeit schuilt onder die rust?) maakt haar met haar negenen-twintig jaren meer vrouw dan meisje. Ze is eenvoudig, met smaak gekleed en draagt het haar niet gebobd. Haar vriendinnen, onderwijzeresjes als zij, noemen haar Lot of Lotte, zelfs Charlie in 'n vroolijke bui, - bijvoorbeeld op 'n gezamelijk vacantie-fietstochtje. Maar zij houdt niet van die naamverbasteringen, die wisselen als de mode; ze vindt het prettig, dat tante haar: Charlotte noemt, - zooals ze werkelijk heet. Ook oom kent geen bij-naampjes; het vleit hem: „oom" te zijn, en om deze verwantschap in de omgang niet verloren te doen gaan, houdt hij zich stijf aan het formeele: „nicht". Nu zitten ze allen bijeen in de kajuit, Charlotte tusschen Nellie en Mies in, haar oudste vriendinnen, die hun hand koesterend op de hare leggen. Kootje, die zelf aardig teekent en in haar vrije uren aan kunstnijverheid doet, staat 'n artistieke kalender van de scheepvaartmaatschappij te bekijken, en Annetje, de vierde vriendin, kwebbelt aan één stuk door. „Ik zou wel zóó met je meewülen, Lot I Ja, wat jullie? Ik zit óók liever in Spanje dan achter zóó'n berg huiswerkschriften-met-niets-dan-fouten! Je stuurt ons toch eens 'n kiek? En je schrijft even uit elke haven, hoor! Ook als 'r soms wat aan de hand is! - Nou, dat kan toch?" verdedigt ze zich bij voorbaat al lachend. Gerrit komt het trapje af met heet water voor de kapitein, die, onzichtbaar, het keteltje in ontvangst neemt om de kier van 'n deur, welke zich in het gangetje bevindt. Wat 'n schrik: wat er in de kajuit gezegd wordt, kan beluisterd worden 1 „Jij flapt er ook altijd alles uit!" berispt Kootje fluisterend en gaat naast Annetje zitten. „Nou, 't hoefde toch niet dadelijk dat te beteekenen?" fluistert deze terug, vuurrood in 't gezicht van 't onderdrukte lachen. Ze propt nu haastig haar zakdoekje in de mond om het niet uit te proesten. Maar haar vroolijkheid steekt de anderen niet aan. Er wordt nu 'n tijdje alleen nog maar gefluisterd. Slechts Charlotte doet er niet aan mee; 'n wat pijnlijke glimlach speelt om haar mond. Tante vraagt fluisterend, of er terug wéér taxi's moeten worden genomen, of dat 'r misschien 'n tramverbinding naar 't spoor is. 't Is maar om dat gênante mopperen van die chauffeurs, die met 'n dikke fooi nog niet tevreden zijn en je voor schandaal zetten. Dan gaat liever met de tram. Als die d'r is. Oom bladert in 't spoorboekje. Als de boot nou om half vijf zou weggaan, konden ze de trein van j.20 naar den Haag misschien halen. „Nou, we zullen 't afwachten," berust tante. De vriendinnen hebben 't over het hoofd van de school. Dat was toch maar aardig van de Kwikstaart geweest, Lotte die twee maanden verlof te geven! En dat hij er zich persoonlijk voor in 'ttouw gespannen had om die zeereis mogelijk te maken! Als hij niet een van de scheepvaartdirecteuren gekend had, zou 't misschien nóg niet gelukt zijn. Nou ja, je zag zoo wel, dat Lot 't noodig had, maar de Kwikstaart zou voor 'n ander vast niet zoo getippeld hebben. Lot was z'n glorie sinds ze die acte middelbaar-Nederlandsen gehaald had; tevoren trouwens ook al: zij werkte nu eenmaal altijd zoo alsof ze voor 'n examen voste, - daar moest je maar aanleg voor hebben! Charlotte ademt iets vrijer nu er nog slechts van de school gesproken wordt. Het onschuldige van dit onderwerp maakt de stemmen allengs ook weer luider. Oom staat op; hij is 'n man en wil niet aanhoudend onder vrouwen zitten. Hij zal 's gaan kijken, of de regen al is opgehouden, en hij belooft nergens met z'n handen te zullen aankomen en evenmin met z'n goeie pak tegen 't hek te zullen leunen. Boven aan het trapje treft hij de hofmeester en zoekt 'ngesprek. „Steekt u s op?" vraagt hij. „Mag ik u bedanken?" zegt de hofmeester, zoekt uit de gepresenteerde koker 'n sigaar en bergt die in z'n borstzak tusschen de beide afterdinners van meneer Bijvanck en nog enkele sigaren van vroegere herkomst. Oom houdt 'n vlammetje gereed. „P'rdon, meneer, ik mag nie rooke in m'n diensttijd." „Oh, hebt u nou dienst? Hou ik u soms op?" „Welnee, meneer, ik sta bier ommers tóch?" Oom gaat met zich te rade, of hij nu wel rooken zal, of dat hij het uit beleefdheid laten zal. Hij besluit toch maar op te steken, - dat geeft overwicht. Ditmaal is de hofmeester met 'n vlammetje present, en oom dampt er dapper op los, kijkt zoo eens tegen de hooge boeg van de Japanner op en zegt als 'n kenner: „Dat is me nogal 'n schuit!" „Léég, meneer!" verklapt de hofmeester, geringschattend. „Zeker ook 'n Hollandsche bodem?" „'n Jap, meneer!" Ditmaal is de minachting grenzeloos. „Maar toch grooter dan wij!" stelt oom, half vragend, vast. „Och, meneer..." trekt de hofmeester in twijfel, alsof het verschil weinig te beduiden had (het Japansche schip is drie of vier maal zoo groot). „Kan ik dat 's ergens gehoord hebben, dat kleinere schepen juist wel 's vaster willen liggen dan groote?" vraagt oom, wroetend in z'n herinnering. „Och, meneer..." antwoordt de hofmeester, iedere discussie verder uitsluitend: „D'r vergaat wel 's 'n groote en dan weer 's 'n kleine." „Ja, 't blijft riskant," stottert oom. Hij volgt met de oogen eenige tijd de bewegingen der kranen, die de laatste rijen tonnen van de kade naar boord doen verhuizen, en vraagt daarna, met moeite zijn ontzag verbergend: „U is zeker officier hier op de boot?" „Hofmeester, meneer 1" is het opgeruimde antwoord. Oom wil hierop eigenlijk informeeren, of het varen hem bevalt. Maar hij denkt aan 'n practischere vraag: „Is 'r hier ook 'n tram naar 't spoor, dat u weet? 't Electrische spoor naar den Haag, meen ik." Volgt 'n lange uitleg van de hofmeester, die eigenlijk altijd in Amsterdam gewoond heeft en niet in de Maasstad. Maar oom luistert maar half: het schiet hem te binnen, dat hij zich onnoodig vernederd heeft; hij is immers per auto aangekomen 1 „Ach, laat ik toch maar weer 'n paar taxi's nemen," zegt hij tusschen de uideg door. „Da's wèl zoo makkelijk, meneer!" geeft de hofmeester grif toe. ,,'t Is zekers uw nichtje wat u wegbrengt?" En met 'n vaderlijk knipoogje: „We zulle wel zorrege, dat ze van de reis niet te klage heeft 1" „Ja, als u 'n beetje op 'r zou willen passen?" vraagt oom vertrouwelijk, maar voegt er haastig aan toe: „Ik bedoel natuurlijk alleen... ehl" „Allicht, meneer, niks anders 1" Daar moet eigenlijk 'n fooi op volgen, maar oom durft z'n beurs niet goed te trekken waar de hofmeester bij staat. Deze voelt het moment echter aan en zegt daarom tactvol: „Prdon, meneer, 'n oogenblikkie!" Met kittige schreden trippelt hij door het gangetje tusschen de vaten door naar de kombuis. Het wandelingetje brengt hem twee kwartjes op, die in oom's hand liggen als de hofmeester terugkeert. „Dus... eh, je denkt 'r wel om?" durft oom nog te vragen, terwijl hij hem de kwartjes toestopt. De hofmeester accepteert ze minzaam glimlachend (als andere menschen niet weten hoe 't hoort, - hij wel), maar op oom's bezorgde vraag belieft hij geen toezeggingen meer te doen. En oom verliest hierdoor z'n zekerheid. „Kom, ik ga nog 's even in de kajuit kijken 1" zegt hij onbeholpen en daalt het trapje af. Beneden heerscht gezelligheid. Geschoren, in 'n keurige, zwartlakensche uniformjas met glinsterend-gouden strepen, is de kapitein daareven uit z'n hut gekomen, zit nu tusschen de onderwijzeresjes en maakt zeemansgrapjes, zooals ze dat van hem verwachten. „Wacht, daar zul je de hofmeester hebben!" roept hij uit, als hij boven aan het trapje 'n paar broekspijpen ziet verschijnen. „Wat mag ik de dames aanbieden?" De meisjes gieren van de pret, en Annetje stopt haar zakdoekje in de mond en wordt weer donkerrood: het zijn oom's broekspijpen. „M'n man!" zegt tante met gezag, alsof ze iets vertoont. Oom's hoofd komt echter nu pas voor de dag. „Oh pardon!" excuseert de kapitein zich, die geen oogenblik geloofd heeft, dat het de hofmeester was. Hij rijst op in z'n volle, vierkante zeemansgestalte en steekt gul lachend z'n hand over de tafel uit. „M'n naam is Jaspers." „De kapitein, Henril" voegt tante er verpletterend aan toe. Maar ook oom wil zich laten gelden. Hij speelt eerst 'n oogenblik de-man-die-niet-met-zich-spotten-laat; daarna ontspant zich zijn gelaat tot 'n welwillende plooi; hij neemt zijn sigaar tusschen de vingers van de linkerhand en stelt zich voor: „Jansen! Jansen uit den Haag!" De hofmeester heeft daareven iets opgevangen, komt nu het trapje afdribbelen. „Kapitein?" „Goed, dat je 'r bent, hofmeester. - Gaat u zitten, meneer Jansmal - Wat mag ik de dames aanbieden?" Tante had heusch niet gedacht, dat je op zoo'n vrachtbootje nog wat krijgen kon ook! ,Zoo'n vrachtbootje', zegt ze, zonder op de gedachte te komen, dat ze er de gezagvoerder mee zou kunnen krenken. Deze laatste is zooiets wel gewend en glimlacht slechts. „Van alles, mevrouwtje 1" zegt bij. „Nietwaar, hofmeester? U kunt hier net krijgen wat u hebben wilt!" Tante is geflatteerd door dit: mevrouwtje. Dat kan zoo'n zeeman zeggen. Ze maakt haar mondje spits en noemt iets, dat bij .mevrouwtje' past. „'n Advocaatje?" vraagt ze, half naar de hofmeester gewend. „Bij flesschen voL mevrouw 1" antwoordt deze prompt. De vier vriendinnen vragen limonade, liefst kogelfleschjes, als die er zijn! Maar Charlotte, die er prijs op stelt, dat men er haar niet van verdenkt, voor 'n bakvisch te willen doorgaan, verlangt 'n kop thee. „En meneer Jansma?" „Jansen," verbetert oom onwillekeurig. „Voor mij dan ook maar thee, astublief." „Och kom, geen glaasje port? Of misschien... ??" „Nou, als dat 'r óók is...!" Natuurlijk is er ook Bols. 'n Advocaatje, twee Bols, 'n kop thee en vier kogelfleschjes... De hofmeester snelt het trapje op. „Ik zie 't wel: de zeelui weten 't!" zegt oom joviaal, overmoedig door het uitzicht op het glaasje Bols, dat hij thuis niet drinken mag. „Tja!" excuseert de kapitein zich ondeugend: „Geen vrouw en geen thuis, — je moet toch wat hebben!" „Natuurlijk!" valt oom bij, die met het voorrecht van 'n vrouw en 'n thuis vertrouwd is. „Wat moet 'n mensch hebben!" „Is u dan ongetrouwd, kapitein?" flapt Annetje eruit, bloost hevig en trekt vlug haar schoentjes onder de stoel terug, omdat ze verwacht, er op getrapt te zullen worden. „Nee, dat nou wel niet, juffrouw," antwoordt de kapitein en diept, niet zonder trouwhartigheid, uit z'n beurs 'n glimmende trouwring op. „Maar wat hééft 'n zeeman d'r aan, of ie getrouwd is?* Geen der vriendinnen durft nu te vragen, of de andere heeren officieren óók allen getrouwd zijn. Zwijgend kijken ze naar de verleidelijke ring. „Hoe bedoelt u dat?" vraagt tante. „Komt u zoo weinig thuis?" De kapitein bergt met 'n komische zucht de ring weer op. „Wat zal ik u zeggen, mevrouwtje? Soms zien m'n vrouw en ik mekaar 's 'n heele week. Da's lang. Maar dan weer 'n half jaar of nog langer heelemaal niet. Misschien nog 's één dag in Hamburg of Bremen - daar komt m'n vrouw dan voor over. En als je beurt gekomen is om. van de West op New York te varen, blijf je twee jaar van huis wegl" „En staat uw vrouw dan alleen voor de opvoeding van de kinderen?" Tante is listig: ze komt nu onopvallend te weten, of de kapitein kinderen heeft. Maar uit haar vraag over die opvoeding kan hij ook meteen zien, dat ze zich niet aanstelt, al heeft hij haar mevrouwtje genoemd, - ze is 'n ernstige vrouw. Ja, van 'n ondeugende vraag van Annetje is nu 'n ernstig gesprek gekomen. Onderwerp: moet 'n zeeman tróuwen? Ja en neen. Als hij niet trouwt, staat hij op z'n ouwe dag alleen aan de wal en kan z'n troost slechts zoeken in het tehuis voor gepensionneerde varensgasten. Trouwt hij wel, dan leeft z'n vrouw in doorloopende angst, en bij elk weerzien verduistert alweer de gedachte aan het afscheid, die om hen blijft zweven, hun korte geluk, 'n Week later zit je weer mijlen van honk en je kunt allebei dood en begraven zijn voor je 't van mekaar weet... „Ja, daar denken we maar niet aan, da's 't eenige," zegt de kapitein en haalt uit z'n hut 'n foto, waarop z^i vrouw en z'n drie jongens staan, - 'n kloek met haar kuikens. „Ja, u hebt natuurlijk afleiding genoeg op uw reizen," bepeinst tante, de foto aandachtig en welgezind bekijkend en met genoegen constateerend, dat het postuur van de kapiteinsvrouw het hare niet veel toegeeft. „Maar uw arme vrouw! 't Mensch ziet er zoo goedhartig uit!" Tante durft nu haar beste beentje voor te zetten en zendt de kapitein 'n lieftallige, wat lodderige blik toe, waarmee ze 't oom in zijn tijd aangedaan heeft. „Ja, wat 'n lieve vrouw! En éénige jongens! Vooral die kleinste, wat 'n dot!" is het enthousiaste oordeel der vriendinnen. De kapitein, gevleid, grijpt voldaan naar 'n kistje sigaren, daar oom z,'n stompje in 'n aschbak heeft uitgedrukt, ,,'n Feit is," zegt hij ernstig, uit de grond van ziin hart en tante's blik ontwijkend, ,,'n feit is, dat juist zeemanshuwelijken meest gelukkig zijn!" Annetje heeft het op haar mond om er: „Waarom??" uit te flappen, als Charlotte plotseling met heldere stem zegt: „Daarop zou, naar aanleiding van wat u daareven van zulke huwelijken vertelde, 'n sombere theorie te bouwen zijn, kapitein!" Verrast keert de kapitein zich tot haar om. „U is ondeugend, juffrouw!" zegt hij vroolijk. Allen wenden de blik naar Charlotte, - de vriendinnen dit eerste oogenblik nog slechts in onverholen bewondering, oom zonder eenig begrip, beduusd door haar welgevormde woorden, tante beschermend, vol zwijgende goedkeuring. Dat was Charlotte. Al die tijd had ze zich buiten het gesprek gehouden; nu opeens zei ze iets waarvan allen opkeken. Dat waren de Clarenbeeks: tante's familie. De oude trots stijgt nu plotseling in tante op, verachting voor de Jansens. Ze herwint haar statigheid, ziet nu verder ook van elk koket spel met de kapitein af. „U is ondeugend, juffrouw 1" heeft de kapitein gezegd en biedt oom 'n vlammetje aan. „Dat is ze wel vaker 1" liegt oom en paft, dat z'n oogen tranen. „U mag wel met 'r oppassen, he-he-he!" Charlotte straalt. De vermoeide trekjes zijn nu voor 'n oogenblik van haar gelaat verdwenen; de opwinding kleurt haar wangen. Ze heeft intelligente, koelgrijze oogen, en om haar lippen ligt 'n spiritueele, misschien iets te strenge trek. Het blanke voorhoofd, dat door het naar achteren gekamde haar nog hooger lijkt dan het is, heeft ze met tante gemeen. „Ja," neemt Mies nu vroolijk spottend over, ,,'n gelukkig huwelijk krijg je dus alleen dan wanneer de man elf maanden in 't jaar van de vloer is!" Tante kijkt geïrriteerd naar haar om, en oom zegt als op bevel: „Aan de wal zijn gelukkig ook nog wel redelijke huwelijken." Het is niet duidelijk, of hij het sarcastisch bedoelt. „Jasses, spreekt u nou niet van 'n redelijk huwelijk!" valt Kootje geschokt uit. „Die combinatie van redelijk en huwelijk vind ik iets afscbttwelijks!" Oom grinnikt en werpt zich achterover in zijn stoel, één hand in de zak. Zeker, dit is 'n cri-de-coeur van 'n jongmeisje. Heel aardig. Maar het succes van Charlotte daareven is niet meer te overtroeven. Toen was de kapitein wérkelijk verrast geweest. Mies laat onwillekeurig haar hand van die van Charlotte glijden. Lotte trachtte ten koste van haar vriendinnen de voorrang bij de kapitein te verkrijgen! Ze scheen meer om de kapitein te geven dan om hen: haar heele houding, haar lange zwijgen ook was er alleen maar op gericht om hier indruk te maken, en Nel en Mies steunden haar daar nog in door zoo vol teederheid hun hand op de hare te leggen! 'n Teederheid, die ze met 'n vreemde, opgewonden en vage blik beantwoordde. Nu keert de hofmeester terug en achter hem aan Gerrit met 'n presenteerblaadje vol glazen en glaasjes. Of de kaptein effe wil komme, vraagt de hofmeester: de stuurman wou 'm graag spreken, maar kon zóó niet goed in de kajuit komen... „Al begrepen," zegt de kapitein. „De dames excuseeren?" Ö zeker, de dames excuseeren. En de kapitein staat op en klimt kittiger de kajuittrap op dan men het bij zijn kort en zwaar postuur verwachten zou. ,,'n Eénige man! 'n Echte zeeman!" dwepen de vriendinnen wanneer de glazen zijn rondgegeven en de hofmeester en Gerrit hun hielen weer hebben gelicht. Van tante's gelaat valt geen oordeel te lezen; ze zit statig overeind en lepelt miniatuur hapjes uit haar glaasje advocaat. „Nog zoo frisch, hè? Hoe oud zou ie zijn? Vast nog geen vijftig. Z'n vrouw, denk ik... drie-en-veertig." „Waarom juist drie-en-veertig?" „Nou, zooiets, wil ik maar zeggen. Lot, ik geloof vast, dat 'r ongetrouwde officieren aan boord zijn!" „Dan zal ik, om jullie te pleizieren, dus wel zoo'n gelukkig zeemanshuwelijk moeten aangaan," zegt Charlotte. Ze zegt het ironisch, boven zulke grapjes staand, - je weet werkelijk opeens niet meer wat je aan Lot hebt. En de vriendinnen verkoelen steeds meer. Het geraas van de kranen is verstomd. Wel nog veel geloop en gestamp op het ijzeren dek. Oom drinkt peinzend z'n glaasje Bols. Straks wil hij de hofmeester nóg twee kwartjes geven. Hij is immers toch nog goedkoop uit, want anders hadden de meisjes vast nog ergens wat willen gebruiken na het vertrek van de boot, en wie had er dan z'n beurs moeten trekken? Hij. Tante wenkt hem. Oom denkt, dat het om de Bols is, die hij thuis niet drinken mag. Maar het is om wat anders. „Denk straks nog even om de hofmeester, Henri! Twee kwartjes." Oom knikt geruststellend: dat was hij ook van plan. Geen van allen daar in de kajuit heeft ooit 'n zeereis gemaakt, of weet iets af van het laden en lossen. Maar toch maakt zich het vage gevoel van hen meester, dat het daarboven nu wel eens afgeïoopen kon zijn en dat het vertrek nabij is. Charlotte zwijgt, en nu en dan zucht ze even. Ze is vandaag 'n mysterie voor haar vriendinnen. Niemand vermoedt, dat opgekropte angst en 'n vaag, onbestemd verdriet haar de keel toeschroeven. Slechts tante vraagt: „Je bent nou toch zeker wel opgewonden, hè, kind? Ik dacht wel, dat 't je nog zou opbreken: je dééd maar zoo kalm de laatste dagen. Ik heb 't toch wel gemerkt, dat je zenuwachtig wasl" „Nou, dat zal op zee wel gauw overgaan," troost Nellie, nu weer vol warmte. Dankbaar tast Charlotte naar haar hand. „Dus je zult dadelijk even schrijven uit de eerste haven waar je komt?" „Ja, tante," antwoordt Charlotte, ineens weer rustiger nu ze hand in hand met Nellie zit. „En wat is dat voor 'n haven?" „Vigo, tante." „Waar ligt dat?" „In Spanje, tante." „Kennst du das Land wo die Zitronen blühen..." citeert Kootje, die voor de „club" wel gedichten reciteert terwijl de andere vier wat breien of handwerken. Maar tante verstaat geen Duitsch, ziet hoofdschuddend naar Charlotte. „Kind, noc durf je... I" verzucht ze. Och kom, mevrouw, zoo ere was 't nou ook weer niet! Alle vriendinnen zouden wel durven. Oom begrijpt zelfs heelemaal niet hoe men hier van „durven" kan spreken. Omdat 't maar 'n kleine boot is? Hij sprak er daarjuist nog 's toevallig met de hofmeester over, en die zei zelf: de groote vergaan even hard. „Henri, schei uit!" verzoekt tante hulpeloos. De hofmeester komt het trapje af. ,,'tls zoover, dames! De kap'tein vraagt, of u 'm nie kwalik neemt... hij mot op de brug büjve." „Oh, dus we moeten weg?l" vraagt tante verschrikt, pakt haar taschje en rijst haastig op, alsof het schip anders nog met haar zou kunnen wegstoomen. Nu is Charlotte opeens weer met warmte omringd. Tante veegt met 'n zakdoek de tranen van haar bolle wangen, en oom doet dramatisch; Nellie snikt even; ook Mies kan zich niet goedhouden; Annetje lacht zenuwachtig, en Kootje schreit altijd achteraf, - dat kennen ze wel van haar. Charlotte glimlacht weemoedig; ze beheerscht de situatie en zegt: „Maar kinderen, 't is immers maat voor 'n paar maanden! Met Oud-en-Nieuw ben ik weer thuis! Maar ik dank jullie wel, hoor, dat je mijn schriften er zoolang bij corrigeert, en dat jullie me allemaal zoo hef aan boord hebt gebracht, en voor jullie bloemen en jou voor dat mooie kleedje, Kootje, en tante en oom, u ook; ik heb heel wat goed te maken als ik terugkom!" „Nou, we doen 't graag voor je," snikt Nellie, „en blijf dus maar net zoo lang weg tot je weer heelemaal gezond bent!" Dat meent ze nu ook. Dat schriften-corrigeeren knapt ze samen met Mies graag voor Lotte op. Als Lot dan ook maar de hunne blijft en hen niet bij de kapitein overtroeft zooals daareven... Ze gaan nu langs het trapje naar boven, oom als laatste achter tante aanstommelend. 'n Stoutmoedige gedachte flitst door z'n brein; tante mag er later van zeggen wat ze wil; hij trotseert de consequenties... vóór de hofmeester er op verdacht is, heeft oom hem 'n blinkende, harde gulden in de hand gestopt. Bij de loopplank worden er nog kussen gewisseld, welke de jalouzie van „Dirrek-met-de-handjes" en 'n paar andere maats wekken, die wachten om de trossen in te hieuwen. En nu staan de vriendinnen, tante en oom aan de wal, wuiven, wisschen hun tranen af. „Leun niet op dat hek!" waarschuwt tante met door tranen verstikte stem, als Charlotte tegen de zwarte reeling steunt. Oom neemt joviaal z'n hoed af naar de brug, waar de kapitein kommandeert en de telegraaf naar de machinekamer rinkelt. De trossen vóór en achter zijn nu binnen; 'n sleepbootje zwoegt, driftig puffend, om het schip van de kaai los te krijgen; - als de eerste zuiging overwonnen is, gaat 't vlugger. Maar Charlotte gaat het toch nog veel te langzaam. Ze voelt, dat van hier en daar 'n sceptisch oogje naar het afscheid geworpen wordt. Eén in opwelling gegeven kus is haar meer dan dit wuiven en roepen, dat verslapt en weer aangroeit en weer verslapt. „Zul je er om denken?" roept tante. Charlotte knikt bevestigend, al weet ze ook niet waaraan ze denken moet. O ja, om het schrijven. Ja, ze zal er om denken. Ze wil het afscheid verkorten door haar kiektoestel te gaan halen, maar 't is al over vieren en wat erg donker. Daar maakt oom 'n gebaar van: 'n kiektoestel hanteeren. Hij duidt op tante en zichzelf en op de meisjes, spreidt de beenen, houdt de handen voor z'n buik en kijkt op z'n maag. ,,'n Kiek!" schreeuwt hij ten overvloede. Charlotte snelt het trapje naar de kajuit af, maar in haar hut blijft ze met opeengeklemde lippen even zitten wachten voor ze het kiektoestel uit het taschje neemt. Dan gaat ze weer vlug naar boven, komt achter adem op het dek, richt het toestel, kijkt lang in het spiegeltje, waarin ze het groepje aan de wal op het hoofd ziet staan, en knipt af. Ze weet, dat er heelemaal geen film in het chassis is. Het zou ook onzin zijn, wérkelijk te fotografeeren, - het is al veel te donker. Ze zal schrijven, dat de foto mislukt is. Nu schuift ze het toestel in, en oom, die zich gedurende de opname met heeft durven verroeren, begint weer te wuiven. Eerst met z'n hoed, maar tante maakt er hem op attent, dat 'n mensch daarvoor z'n zakdoek heeft. Gelukkig maar, dat het al zoo schemerig is, denkt Charlotte. Daardoor zal ze de kaai minder lang zien. 'n Nieuwe afleiding na het fotografeeren: de stoomfluit. Drie maal langgerekt aaneen. Het loeiende, verdoovende geluid doet het gegolfd-ijzeren dak van de kaailoodsen sidderen; de dames stoppen de vingers in de ooren. Oom niet. Hij wijst waar de stoom uitkomt. Charlotte ondergaat het dreunend geweld als 'n bevrijding; het jaagt al dat geroep over-en-weer weg; ze durft weer te ademen. Nu eensklaps breekt het af, maar het echoot nog na van de kant waar de dokken hoog op het water drijven. „Goeie reis!" schreeuwt oom. Het is maar 'n stem; het zijn maar woorden; het is of 'n vogel ze uitschreeuwt. Charlotte hoeft niet meer te antwoorden: haar stem reikt niet meer over het water. Ze hoeft niet meer te knikken en te glimlachen: haar trekken zijn nu toch niet meer goed te onderscheiden. Ze kan ook tegen de reeling leunen: tante ziet het niet meer, en Charlotte's japonnetje is daareven toch al vuil geworden bij de eerste aanraking. Kan gewasschen worden. Matrozen loopen achter haar langs; ze hoort het niet. Nu trilt het dek onder haar voeten: de schroef wentelt zich door het water. Het sleepbootje fluit gillend, krijgt z'n sleeptros terug en schiet puffend weg naar 'n ander schip aan de overzijde van de haven. Charlotte wuift mèt haar zakdoek, - dat doen de anderen ook. Haar blikken volgen 'n meeuw, die vlak voor haar langs naar iets duikt wat op het water drijft. Nu schuift zich tusschen haar en de wal het achterdek van het Amerikaansche schip, en van boven grijnzen negerstokers haar toe met blinkend-witte tanden. Daarna gaat het langs nog 'n andere boot; hier steekt 'n Chineesche kok z'n groezelig-wit bemutste bol door 'n patrijspoort en roept haar iets toe wat Charlotte als „griesmeel" in de ooren klinkt. Maar het zal wel wat anders wezen. Haar vriendinnen en oom en tante zijn, onzichtbaar, meegeloopen en staan nu aan 't uiterste eind van de kaai te wuiven. Charlotte kan niet meer verstaan wat ze roepen; met hun stemmen verdoezelen ook hun gestalten, en als even later plotseling de electrische lantarens op de kaai alle tegelijk opflitsen, staat er niemand meer. Dat is geleden. Het is alsof er 'n last van Charlotte's schouders genomen wordt. Ze is nu alleen, - daarnaar heeft ze gesnakt sinds vanmorgen vroeg al. Ze is nu alleen en kan het gevaar onder de oogen zien, het gevaar, dat ze om zich heen voelt en dat haar de keel toeschroeft. Wat zal men hier aan boord van haar denken? Haar zelfbewuste, hooghartige natuur kan de gedachte niet verdragen, dat men zich ironisch over haar zou uitlaten. Als ze allés tevoren bedacht had, zou ze van het aanbod geen gebruik gemaakthelbben, maar het was zoo verleidelijk: a groote zeereis makén voor weinig geld; ze had over alle kleine bedenkingen heengestapt en grif: jal gezegd. En nu had zich gerealiseerd wat haar eerst als 'n sprookje scheen; nu stond ze hier op het dek en liet de haven achter zich. Voor de menschen om haar heen echter was het natuurlijk niets dan 'n ietwat komisch getint geval: 'n onderwijzeresje, hard op weg om blauwkousje te worden - als ze 't al met is! - haalt 't in d'r malle hoofd om met 'n vrachtboot 'n reis te maken 1 Eenige vrouw aan boord, denkt ze natuurlijk, waarom zou ik geen argelooze machinist of stuurman aan de haak slaan? Zeker, ze zal natuurlijk uideggen hoe alles gekomen is; hoe het idee haar eigenlijk overrompeld heeft, en hoe ze aanvankelijk gedacht had, dat er nog meer passagiers aan boord zouden zijn (er stond toch: vrachtschepen met passagiers-accomodatie?). Maar zal men haar gelooven? Is zoo'n'verdenking wel heelemaal weg te werken? En dan opeens flitst haar nog 'n geheel nieuwe gedachte door het hoofd: heeft ze misschien wérkelijk - in haar onderbewustzijn natuurlijk - aan zooiets gedacht?! Heeft haar, zonder dat ze er zichzelf rekenschap van gaf, nog iets anders in deze reis bekoord dan de gedachte: vreemde kusten en menschen te zien en weer geheel rustig en gezond terug te keeren?! Schuw, verward staat Charlotte daar tegen de reeling en staart zonder te onderscheiden naar de donkere stadssilhouet, waarin duizende lichtjes opvonken. Dan steunt ze het hoofd op de hand; haar schouders lijken smaller dan ze zijn. Wat heeft dit analyseeren van haar eigen wezen, dit krampachtige, verwarde zichzelf-betichten eigenlijk voor zin en reden? Heeft ze het vroeger ook gedaan? Wat zoekt zij in zichzelf? Waarom peilt ze waar geen grond is? Is ze nog niet duizelig genoeg? Het zijn haar zenuwen, die haar parten spelen. Ze is diep-ongelukkig en weet niet waarom; ze ondermijnt haar zelfvertrouwen, dat steeds haar steun geweest is. — Genoeg! Charlotte kijkt naar voorbijvarende schepen, alle grooter dan de Medusa. Die komen van de zee, hebben al 'n reis achter zich. Daar zijn ze blij, weer land te zien, weer tusschen de menschen te gaan, terwijl Charlotte snakt naar 't niets om zich heen, naar 't alleen-zijn, ver van alle anderen. Als zij dan zulke bij-gedachten heeft gehad, waarom heeft ze dan maanden lang in de bibliotheek gevost... op haar reis? Ze heeft gelezen, gelezen, gelezen om zoo goed mogelijk voorbereid te zijn op al het waarachtig schoons, dat haar in Italië wachtte. Kan Charlotte niet zuiver meer tegenover zichzelf staan? Allez donc! Charlotte houdt van 'n krachtig Fransch woord als zij zich zelve zoekt, 't Fransch schuilt in haar als 'n diep verborgen atavisme; zij moet Fransch bloed in de aderen hebben. Het Fransch heeft kloeke, vrije woorden, die het hoofd weer doen opheffen. Ze houdt van Fransche liedjes; bij de Marseillaise gaat haar 'n rilling door de leden; uit 'n liedjesboek van Kootje heeft ze „chansons" overgeschreven, die haar troffen. Ze heeft er nog over gedacht om middelbaarFransch te halen in plaats van haar acte Nederlandsen, en niet, omdat tante en oom voor de „gevaren" van 'n Parijsch verblijf beefden, heeft ze 't gelaten, neen, het was nu juist weer 'n eigenaardige trots, die er haar toe bracht, haar voorliefde voor het Fransch te onderdrukken en haar eigen taal te gaan studeeren, die toch ook zoo prachtig was, maar onder het spreken vaak deerlijk mishandeld werd. Sinds zij studeerde, voelde Charlotte zich voorpost van haar in 't nauw geraakte taal en kon er zich slechts met moeite van terughouden om oom en tante in hun eigen huis de les te lezen. Charlotte heeft het hoofd weer opgericht, luistert naar de forsch wentelende schroef onder zich, die - zich niet storend aan drijvende flesschen, stukken rottend hout, of wat er maar voor rommel naar de scheepsboeg gezogen mag wor- den - met rustige kracht het water doorwoelt. Zoo wil ook Charlotte zijn. Charlotte durft het aan. Is moed niet alles in het leven? Voor haar examens heeft ze in angst en vreeze gezeten, en op het laatste oogenblik vatte ze moed, 'n trotsche moed, die diep in haar wortelde, verborgen als hij niet vereischt werd, maar in 'n critiek moment eensklaps opspringend. Zoo was ze door haar examens gekomen. Ze had klaar en duidelijk geantwoord. Onder inspiratie. Met heldere, luide stem. Ze had er niet in-'t-wilde naar geraden als ze iets niet wist, zooals de anderen op de banken voor en achter haar. „Ik weet 't niet," had ze dan gezegd, en dat klonk zoo eenvoudig en verklaarbaar, dat een van haar examinatoren, 'n waardig, grijs heertje, zich er ronduit voor geschaamd had, dat men dit helder denkende, vrijmoedige meisje examen-raadseltjes liet oplossen en haar met dingen verveelde, die ze toevallig misschien niet de moeite waard gevonden had van buiten te leeren, geïnteresseerd als zij was voor het groote verband, voor de linguïstische grondwetten, die slechts het gevoel doorgronden kan en die zich tenslotte door geen regeltjes, door geen armzalige schakelketentjes laten vastleggen. Ook dit is 'n examen, en Charlotte heeft de oude moed in zichzelf teruggevonden. Daarvoor moest ze alleen zijn, nu weet ze het. Ze lacht nu, wanneer er weer 'n boot in tegenovergestelde richting voorbijvaart en wanneer haar in het Engelsch of Spaansch, of Portugeesch, of Noorsch vroolijke, vreemde klanken tegenklinken, die voor haar bestemd zijn, maar die ze - misschien gelukkig! - niet verstaat. Ze haalt uit haar hut 'n reisshawl en windt zich die om de hals, - de einden wapperen in de wind; Dan komt de hofmeester met 'n schaal voorbijgetrippeld en waarschuwt in 't voorbijgaan: „Zoo dalik is het eten, juffrouw!" „Dank je, hofmeester." Beheerscht, 'n dame, verlaat ze de reeling en passeert op weg naar haar hut Gerrit, die vol respect bij het trapje blijft staan om haar te laten voorgaan. II Voor het kleine spiegeltje van de glimmende, mahoniehouten waschtafel kapt 2e 't donkerblonde haar nog eens over, wascht haar handen en trekt 'n eenvoudig avondjaponnetje aan. ' '■ En 200 wacht 2e tot 2ij de anderen in de kajuit hoort komen. Intusschen be2iet 2e 2ich2elf nog eens in de spiegel, van voren en van op2ij, legt 'n smal, oud-gouden ketentje om. Nu dringen zware mannestemmen tot haar door, klossende stappen op de trap en op het dek boven haar hoofd; iemand klopt pittig aan haar deur. „Ja, ik kom, hofmeester." Ze treedt naar buiten, wat bleek, maar met opgericht hoofd, en als 2e de kleine, ge2ellige kapitein ziet, verschijnt er 'n rustige glimlach op haar gelaat. Behalve hij, wachten nog drie heeren, waarvan er twee grooter en nog 2waarder 2ijn dan de kapitein. Zij zien er goedig uit, hebben gloeiendroode koppen van 't kolengruis-afboenen en steken in keurige, 2wartkkensche uniformen, 't haar netjes in 'n scheiding geborsteld. „We eten wat vroeger dan anders, juffrouw," verwelkomt de kapitein haar. „De loods en de derde stuurman 2ullen ons wel veilig door de Nieuwe Waterweg brengen, maar als we straks aan 2ee komen, moeten we er allemaal even bij 2ijn. Mag ik u even voorstellen: meneer Bakhuis, m'n eerste machinist, hartstochtelijk sterrevriend; hij kon 'n ouwe Assyriër we2en; dat waren .pok van die sterrewichelaars, weet u wel? M'n eerste stuurman laat zich even verontschuldigen, - die heeft 't altijd erg druk in de havens, dat 2ult u nog wel merken. - De stuurman komt 2eker dadelijk, hofmeester? Goed. - Hier staat m'n tweede stuurman, juffrouw: meneer Beermans, en nou moet u 's opletten: die 2ult u van de reis nou niet éénmaal hooren lachen! Tot slot hier nog on2e tweede machinist, in wie 'n artist verloren is gegaan; 2'n naam kunnen we 'm geen van allen naar 2'n zin uitspreken; dat moet hij dus 2elf maar doen. „Dessauvagie," stelt de slanke machinist met 2'n sluike, 2warte haren 2ich glimlachend voor, 2onder in 't minst verlegen te worden onder het grapje van de kapitein, waarin Charlotte onder veel goedmoedig-vaderlijk gevoel ook wat vriendelijke spot gevoeld heeft. Neen, de machinist maakt geen „bonne mine a mauvais jeu"; hij schijnt overtuigd te zijn, dat zijn naam mooi genoeg klinkt om elke spot te trotseeren. Hi) spreekt hem licht en vloeiend uit met zuivere Fransche tongval, die Charlotte dadelijk treft. Ze knikt hem vriendelijk toe. „En juffrouw Clarenbeek bewijst ons de eer, zich 'n reis lang aan onze zeemanskunst toe te vertrouwen 1" besluit de kapitein. Terwijl de heeren licht buigen en Charlotte nog eens naar drie zijden knikt, verbaast zij er zich over hoe gemakkeUjk en hoffelijk zoo'n zware, vierkante zeeman zich uitdrukt. Uit zijn stem hoort ze, dat het hemzelf 'n beetje vleit, gastheer te zijn en 'n dame op deze wijze aan zijn tafel te kunnen introduceeren. Misschien vindt hij het wel aardig, dat er op de lange, voor hen reeds eentonige reis ditmaal eens 'n afwisseling komt in de vorm van 'n passagieresje? De eerste machinist, 'n ernstige veertiger, wiens roodachtig, kortgeknipt haar hem steil op het hoofd staat, en de tweede stuurman, nog bijna 'n jongen, schijnen veel minder zeker in hun optreden, zijn ook niet - zooals de kapitein - gedwongen in enkele talen te converseeren bij scheepsagenten en consuls-met-hunne-dames van de Oostzee tot de Gouden Hoorn toe. Allen nemen nu aan tafel plaats. De kapitein, aan het hoofdeinde, wijst Charlotte de plaats aan zijn rechterzijde aan; de plaats links van hem blijft gereserveerd voor de stuurman, die „dadelijk komen zal". Rechts van Charlotte zit de eerste machinist-sterrekijker, die aan boord „de meester" genoemd wordt; schuin-rechts tegenover haar neemt de tweede stuurman plaats, die ze „van de reis niet éénmaal zal hooren lachen". De lach is niet van zijn gelaat; het zijn z'n waterblauwe oogen, die voortdurend lachen, ook al kijkt hij bescheiden en wat verlegen naar zijn bord. Alles is frisch en jong aan hem. Hij heeft vlasblond haar, - als hij donkerder was, zou hij zich hebben moeten scheren voor hij aan tafel gekomen was; nu ligt er slechts wat jongensachtig dons om z'n roode wangen. Grappig doet dat blonde haar op z'n door de zon verbrande knuisten aan, die hij onbeholpen naast zijn bord voor zich neer legt op het witte tafelkleed. Hij draagt 'n gladde, gouden ring. Links. Charlotte ergert er zich zelf over, dat ze dat met één oogopslag gezien heeft. Aan het andere einde van de tafel, eigenlijk iets te ver weg, alsof hij er niet meer bijhoorde, zit de tweede machinist met z'n Zuidelijke oogen en z'n Fransche naam, welke Charlotte reeds weer vergeten heeft. Slechts zijn vloeiende Fransche tongval zingt nog in haar ooren na. De tafel is helder gedekt. De servetten staan glanzend, stijf, rechtopgevouwen op de witte, glimmende borden. De rozen, die Charlotte heeft meegebracht, zijn door de hofmeester in twee vaasjes met zware voet gezet en pralen op tafel, donkerrood gloeiend in het lamplicht. Ze rieken sterk. Onder het ronddienen van de soep komt de kapitein al ronduit met de vraag: „En vertelt u ons nou 's, juffrouw Clarenbeek, hoe u eigenlijk op de gedachte kwam om juist met zoo'n ongeriefefijk vrachtschip op reis te gaan! We zullen natuurlijk ons best doen om het u aangenaam te maken, maar om te beginnen hebt u hier al geen wandeldek door die ellendige vaten! Geen wandeldek, geen afleiding, zooals op 'n passagiersschip..." „Nou vergeet u onze Harmonie toch, kap'tein!" zegt de tweede stuurman. „Oh, wacht, ja! D'r spelen hier zoo'n paar op dat jammerhout, op zoo'n banjo wil ik zeggen. Daar kunt u nog van genieten! Banjo, guitaar en mandoline!" De open vraag van de kapitein komt Charlotte eigenlijk heel welkom. Nu kan ze dadelijk alles vertellen. „Ik had me wat overwerkt met m'n examen middclbaar-Nederlandsch en moest 'n tijdje rust hebben. En toen..." „Oh, is u onderwijzeres?" „Al tien jaar bijna! Van m'n twintigste af, kapitein!" Zoo. Nu kan niemand er haar meer van verdenken, dat ze jonger wil schijnen dan ze is. Oh, hoe naïef is Charlotte nog: te meenen, dat mannen zulke oprechtheid bij 'n vrouw op prijs stellen. Goed, ze moest dus wat rust hebben, 't Hoofd van de school wilde haar 'n paar maanden verlof geven om op te knappen, 't Liefst wou ze op reis om dan meteen wat op te steken. Ze had eerst aan Cook's reisbureau willen schrijven, maar hoorde toen over die Cook-reizen zoo uiteenloopende meeningen. Als je 'n leuk gezelschap trof, kon dat samenreizen natuurlijk heel aardig uitvallen, maar 't liep zoo vaak op ruzies en intrigues uit. En trouwens: je was altijd zoo gebonden en moest mee, of je wilde of niet... nee, dank u, hofmeester, geen soep meer, ze was heerlijk, maar dank u... zoodoende kwam ie nooit tot rustig genieten. Toen was het schoolhoofd op deze gedachte gekomen. Ze had op 'n lange zeereis heelemaal niet durven hopen, omdat ze eigenlijk alleen maar aan de prijzen op passagiersschepen gedacht had, die voor haar beurs veel te hoog waren. Ze was toen ook zelf naar Amsterdam geweest, naar de stoomboot-maatschappij, waartoe de Medusa behoorde. Daar was men heel vriendelijk voor haar geweest, maar had er haar vol ernst op gewezen, dat er geen medische hulp en geen vrouwelijk personeel aan boord was en bijna geen comfort. Nu, voor dat alles was ze niet bang; het comfort viel nog al heel erg mee, en ziek werd ze vast niet: ze ging immers op reis om weer sterk en gezond te worden? Juist het veel rustiger leven op 'n vrachtboot trok haar aanl En nu was ze maar voor één ding bang: het kwam zoo zelden voor, dat er 'n dames-passagier meeging; de heeren waren gewend onder elkaar te zijn en vonden het misschien niet prettig, dat zij nu als 'n storend element Er klinkt even 'n zenuwachtige trilling door haar stem. O, nee, daar was geen sprake vanl Integendeel! haasten de kapitein en de anderen zich te verklaren, zelfs 'n weinig beschaamd. De hartelijkheid van hun woorden is niet geveinsd; ze hebben gevoeld wat Charlotte beklemde en zijn oprecht geneigd haar gerust te stellen. Zijzelf is ook 'n weinig verlegen, omdat ze zich 'n oogenblik lang zoo weinig beheerscht heeft. Wat ze zei, had slechts als 'n luchtig grapje moeten klinken. Zij glimlacht thans om te toonen, dat ze nu gerustgesteld en dat het ook niet zoo ernstig bedoeld is. „We vinden het werkelijk leuk, dat u in ons midden zitl" verzekert de kapitein ernstig en voegt er dan weer op zijn gewone luchtige wijze aan toe: „Wij hier hebben nu al zoo- veel reizen tegen elkaar aangekeken! - Ja, dien 't vleesch en de groente maar op, hofmeester; op de stuurman kunnen we niet wachten. - Wat ik zeggen wou... rust zult u hier hebben, juffrouw Clarenbeekl Meer dan op 'n passagiersschip, waar altijd wel 'n half dozijn lastige kinderen aan 't huilen is! Nietwaar, hofmeester? Dat heb jij toch zoo meegemaakt?" „Praat 'r niet van, kaptein, - daar was Artis niks bij! Maar omdat u nou net van rust spreekt: heb de juffrouw 'n ligstoel bij d'r? Ik geloof haast van niet!" „Nee... I" schrikt Charlotte. „Ik dacht..." Ze stokt. „Dat u 'r hier een vinden zou!" vult de kapitein lachend aan. „We zouden ze hier ook eigenlijk best kunnen gebruiken. Is 'r nergens zoo'n stoel, hofmeester?" „'s Kijke, kaptein! En anders make we d'r eentje!" En hij geniet intens van wat de kapitein nu zegt: „Die hofmeester is 'n juweel, juffrouw Clarenbeek, u zult 't nog wel merken 1 Stop die man 'n ouwe gaspijp plus 'n geroeste koffiemolen in de hand en hij bouwt er 'n prima Fordje van, model touring-carl Voor zoo'n ligstoel heeft hij aan wat pit-riet en 'n paar paraplustokken méér dan genoeg 1" „Ik geloof 't dadelijk, kap'tein!" lacht Charlotte. De eerste machinist wendt zich nu tot haar en zegt met iets vaderlijk-welwillends in zijn stem: „Weet u wat 't met die passagiersschepen ook vaak is, juffrouw? Die komen om twaalf uur zeven-en-veertig aan en moeten om kwart voor drie weer verder. Wat zie je op die manier van de havensteden? Dat is dan maar op 'n holletje achter zoo'n gids aan, die van de stelling uitgaat: hoe harder ik met ze rondzeul, hoe dikker m'n fooi! - Maar zoo'n vrachtscheepje als de Medusa blijft in elke haven toch zeker wel 'n volle dag liggen. Dan kunt u nog 's 'n tochtje maken en op uw gemak zien wat voor moois 'r te koop is! Nietwaar?" „Hóór de meester!" lacht de tweede stuurman. „Nou moet u weten, juffrouw, dat hij van z'n leven nog niet aan de wal gegaan is 1 Nou ja, behalve dan in Amsterdam natuurlijk." „Ja, hóór eens," verdedigt de „meester" zich, „ik ben zeeman, - wat heb ik aan de wal te maken? Maar met de juffrouw is 't anders gesteld: die gaat op reis om wat te zien! - En ben ik dan soms laatst in Napels niet mee geweest naar dat dooie Pompei?" „Nou, maar dat zult u dan ook uw leven lang wel onthouden! Over twintig jaar durft u zich daar ook nog op te beroepen, dat u toen en toen toch heusch en waarempel is meegegaan!" „Ik doe 't ook nóóit weer!" zegt de meester resoluut, met gevoel voor het komische van zijn besluit. Wat 'n allerellendigste straatsteenen waren dat daar! Nee, dat meen ik: als heel Italië zoo is, loop ik liever in de Kalverstraat!" Charlotte, die zich nu langzamerhand geheel op haar gemak is gaan voelen, heeft moeite om te verbergen, dat ze 'n oogenblik perplex zit. Zóó wordt over Pompei gesproken! Pompei, dat voor haar de klank van 'n wonder heeft! Heeft het haar en haar vriendinnen niet steeds als iets haast onbereikbaar heerlijks voorgezweefd: Pompei nog eens te mogen zien? Kan men zoo met blinde oogen door de wereld gaan? Zoo ongevoelig zijn voor het mirakel van 'n twintig eeuwen oude stad, die, op het hoogtepunt van 'n cultuur welke ons thans 'n sproke schijnt, plotseling bedolven wordt onder steenen en gloeiende asch en dan zooals het reilt en zeilt voor latere geslachten bewaard blijft: 'n kostbaar schrijn, waarin 'n verbijsterend beeld van de vroegere mensch besloten ligtl Verstard en voor twintig eeuwen afgesloten terwijl het leefde: wandelde, handel dreef, kookte, sliep, minde, speelde, offerde, kunst uitoefende, stal, bedrog pleegde, at en dronk... - zoo stelt Charlotte het zich voor. En daar heeft nu iemand het voorrecht Pompei te zien, Pompei, „in de rook van de Vesuvius, aan Zuid-Italië's lachende kust", en hij ziet niets dan het slechte plaveisel, waarin de wielesporen der Romeinsche wagens nog diep staan uitgesleten. „We hebben er anders 'n fijne bottel Vesuviuswijn op de kop getikt!" herinnert de tweede stuurman zich thans. „En weet je nog wel, meester, dat jij daar versche vijgen hebt loopen smullen en de schillen niet eens mocht weggooien?" ,,'tKan wel wezen," zucht de meester. „Ik weet alleen nog maar, dat 't 'r om te smoren zoo heet was en dat ik dacht: ik wou, dat ik maar weer in m n machine-kamer zat! Charlotte kan die grapjes op het oogenblik niet waar deer en. „Ik heb er altijd zóó naar verlangd om Pompei nog eens te zien, en Napels ook!" zegt ze bij wijze van bescheiden protest. „Vedi Napoli e poi muori!" weet de kapitein te citeeren en is daar zelf wel n beetje trotsch op. De tweede stuurman is nu ook dadelijk bereid, de zaak in 'n ander licht te bezien. O, natuurlijk, hij wil ook niet zeggen, dat 'tniet interessant was! 'tls vast de moeite waard 'r 's heen te gaan, dat zegt hij altijd als hij de lui 'r over spreekt. „Weet je nog wel, Eddie, die vent, die 'r 'n apart boek over bij 'm had? Die was 'r thuis alsof ie 'r zelf gewoond had! We hebben achter glazen kasten zelfs nog verkoolde menschen gezien en brood en van alles en nog wat!" „Ja, maar..." Charlotte bedient zich van het vleesch, dat de kapitein haar reikt, en zij tracht ondanks haar innerlijk geschokt-zijn haar stem zacht en vriendelijk te houden om toch vooral niemand te kwetsen,,ik bedoel eigenlijk in de allereerste plaats om de prachtige beelden en de marmeren gebouwen! En om eens te zien op welke wijze die menschen daar tweeduizend jaar geleden geleefd hebben! De heele cultuur stond toen op zoo'n andere hoogte! De menschen hadden 'n zooveel innerlijker beschaving dan nu..." Charlotte stokt even, voelt, dat zij zich 'n weinig in boekentaal verliest en voleindt daarom 'n weinig onzeker haar zin: „Uit hun beelden en hun bouwkunst zie je hoe verheven ze dachten en voelden!" Haar tafelgenooten zijn te primitief om in zulke algemeene gesprekken zichzelf geheel uit te schakelen: zij voelen er zich toch eenigszins persoonlijk bij betrokken, dat de menschen nu zooveel minder beschaafd zouden zijn dan toen, in die dooie stad met die hobbelige steenen. En zij zoeken naar 'n zelfverdediging. „Nou, juffrouw..." betwijfelt de meester, aan haar rechterzij. De tweede stuurman gaat iets verder. „U zegt daar nu: hoogere beschaving, juffrouw, maar die gids daar in Pompei heeft ons toch ook dingen verteld en laten zien, eh...!" Hij weet niet hoe hij het moet uitdrukken, dat men hem in het Casa dei Vetti te Pompei pornografische wandschilderingen heeft laten zien. De eerste stuurman, die het met laden zoo druk heeft gehad, komt het trapje af. Hij is groot en vierkant, roodgeboend zooals de anderen daareven, bijna zoo blond als de „tweede", 'n veertiger. Hij schijnt weinig égards voor dames, zooveel te meer bekngstelling voor eten te hebben. „Strijbos!" stelt hij zich voor en reikt Charlotte over de tafel heen z'n stevige hand vóór de kapitein gelegenheid heeft gevonden hen beiden aan elkaar voor te stellen. En terwijf hij iets van „aangenaam" mompelt, loeren de kleine, nuchtere oogen van de stuurman reeds naar de nog dampende soepterrien, die voor hem is blijven staan. Hij gaat zitten op zijn plaats tegenover Charlotte, bindt zich z'n servet om de hals, juist zooals Charlotte dat van oom kent, schept zich 'n soepbord tot aan de rand vol, met kennis van zaken naar de vleeschstukken in de terrien visschend. Dan begint hij de soep zonder meer op te lepelen, haastig en ernstig, zonder op z'n overbuurtje te letten of 'n poging te doen om zich bij het gesprek aan te passen, dat door zijn komst gestokt is. Charlotte moet tot haar eigen kwelling telkens weer naar hem kijken. Ofschoon ze nog niets van hem weet, prikkelt haar reeds elk van zijn handelingen, - juist als bij oom, wanneer zij thuis aan tafel zit. Hoe de stuurman peper en zout op het blad van «ijn mes neemt en in de soep tipt, die toch allesbehalve flauw was; hoe hij op zijn eigen, misschien heel practische, maar weinig sierlijke manier met zijn lepel omspringt. . Charlotte moet op dit alles letten, of ze wil of niet. Hij zou moeten worden opgevoed als 'n zich slecht gedragend kind op school. M'n hemel, hij is al haast door z'n eerste bord heen. Zal hij soms nog 'n tweede nemen? Deze vraag houdt haar in zoo opdringerige wijze bezig, dat ze maar met 'n half oor luisteren kan naar wat er aan tafel gesproken wordt. De kapitein vangt haar licht onthutste blik op en knipoogt even, met het hoofd duidend naar de eerste stuurman, die zelf niets merkt en zich van geen kwaad bewust schijnt te zijn. „Hij is nu eenmaal zoo," wil die blik zeggen. „Dat moet u 'm maar niet kwalijk nemen." En Charlotte, even glimlachend, doet van nu af haar uiterste best, niet meer op hem te letten. Van Pompei zijn de doodenkelders van Palermo ter sprake gekomen. „Nee maar, wat was me dat 'n griezelige boel! Niks als dooien op 'n rijtje; die lucht is daar zoo droog, moet u weten, dat je d'r de lui maar zoo leunt neerzetten. Daar stonden me dan generaals en rechters door mekaar en ouwe grootmoeders en pastoors, allemaal in groote tenue! Dan moet je je d'rbij denken, dat 't allemaal lange, halfduistere kloostergangen zijn, en dat je er nu en dan op 'n levende kat trapt, die je dan met gloeiende oogen uit 'n hoek blijft zitten aanblazen! D'r hing daar één zoo'n dooie monnik heelemaal voorover aan 'n dun vlastouwtje, en toen ik er onderdoorging dacht ik bij mezelf: nou moest die vent je nou toch 'r 's nèt om je hals vallen...! Brrrrrl" „We zitten aan tafel, heeren 1" berispt de kapitein vriendelij k. "Pardon, kapitein," excuseert de tweede stuurman zich, „ik wou alleen maar zeggen... nou ja." Hij heeft het zoo gezellig-lachend verteld, dat het griezelig-onsmakelijke er eigenlijk al van af was. De eerste stuurman vraagt nu nog eens de soep, en weer begint de manoeuvre met het zout en de peper. Hij doet ditmaal nog iets anders ontzettends: trekt het platte bord onder z'n soep-dito weg, vischt weer het vleesch uit de soep, maar legt het nu op 'n boterham en smeert er 'n laag mosterd overheen. Dat eet hij samen! Stelüg'n uitvinding van 'm zelf. De tweede stuurman zal niet meer zulke lugubere dingen vertellen, al begint hij nu ook weer over 'n kerkhof, 't Is alleen maar omdat de juffrouw 't daareven over mooie beelden had: dan moest ze in Genua maar eens naar het camposanto gaan, daar zag je nog 'r 's beelden! Zooiets prachtigs aan beelden vond je in heel Italië niet Alles precies: kanten sluiers en glinsterend-zijden japonnen, zoo prachtig in marmer nagebootst, dat je zou zweren, dat 't echt was! WaarempeL je moest de koude steen voelen om te gelooven, dat er geen zijde of fluweel of wat anders op lag. Maar dat konden ze dan ook nergens anders ter wereld: dat was 't eeheim van de beeldhouwers in Genua, had de gids verteld. D'r was één meester geweest, die kon marmeren bloemen zoo natuurlijk maken en zoo levend, dat er de bijen op af kwamen en dat ze 's nachts dicht en de volgende morgen weer open gingen... je zou 't heusch gelooven als je dat alles zagl Eén oud vrouwtje stond 'r; d'r mankeerde geen plooitje in haar japon en geen rimpeltje in haar gezicht; zelfs de tranen op het graf had de beeldhouwer niet vergeten, maar goed, dat menschje knielde dan bij het graf van haar kleindochtertje, en 'n engeltje vloog op haar neer en gaf 'r 'n kus op het voorhoofd; dat was haar kleinkind, dat nu in de hemel al 'n engeltje geworden was - ze zijn daar Roomsch, moet u rekenen! - en waarempel, 't was nergens om, maar daar kreeg je nou toch de tranen bij in je oogen! „Vooral als d'r 'n scherpe Noord-Oost staat," meent de meester wat sceptisch te moeten opmerken. De enthousiaste stuurman lacht ook dadelijk weer, maar het is hem toch heilige ernst geweest. „En in Italië planten ze uien op 't kerkhof, dan heb je nooit verlet om tranen, wist je dat niet?" vraagt de meester. Charlotte zou de jonge stuurman, die zoo geplaagd wordt, graag willen bijspringen, maar het valt haar moeilijk, dit tegen eigen overtuiging in te doen. Het onderwijzeresje in haar ontwaakt en drijft er haar eerder toe om te gaan betoogen, dat zulke sculptuur 'n geraffineerd vleien van de wansmaak is. Erg zeker staat zijzelf hier ook niet; ze zoU er graag veel meer van weten, - maar dit voelt ze toch wel, dat het in 'n beeld, dat smart moet uitdrukken, niet om stof-imitatie gaat; dat één enkele primaire lijn, uit diep gevoel geboren, 'n rijkere ontroering schenkt dan alle pracht en praal van zulke campo-santobeelden. Terwijl Charlotte echter nog naar de juiste woorden zoekt om, zonder de stuurman te kwetsen, haar meening uit te spreken en die onwetende, misleide varensgasten tot hooger inzicht te brengen, zijn deze van Italië reeds naar Griekenland overgestapt. En niet omdat daar óók zulke mooie beelden zouden zijn. Neen, alleen maar omdat de havengidsen, die de zeelui rondleiden, in Italië chk! chk! chk! chk! met de tong op hun kiezen zuigen als ze „nee" bedoelen en in Griekenland averechts van: ja! knikken. Trouwens... dat laatste was in de heele Balkan zoo. Op die manier kan Charlotte hen niet bijhouden Italië en Griekenland... twee werelden van cultuur I Zij kan ze maar zoo niet door elkaar goochelen, doordrongen als ze is van beider belang. Schuw-bewonderend hééft ze er over gelezen, er in de Volksuniversiteitsavonden ook enkele lezineen-met-Hchtbeelden over gehoord Ze beseft dat hier haast peilloos diepe bronnen van wijsheid en schoonheid liegenf waarin af te dalen slechts vergund is aan met veel geleerdheid uitgeruste kunstkenners, - de leek past het, voor zulke diepten te duizelen. Maar van zulke duizelingen hebben de zeelui van de Medusa, die toch ook leeken zijn, geen last. Als zij »«aüe zeggen, zien ze niet - zooals Charlotte - 'n nevelig beeld van in weelde zwelgende Romeinsche keizers yoor oogen; ze denken niet aan de heroïsche geloofsstrijd der eerste Christenen, niet aan duivelsche „condottien" en wulpsche kardinalen, niet aan de door woeste droomen verontruste slaap der middeleeuwen, gevolgd door het schoonste Menschheid-ontwaken, dat eenig land mocht aanschouwen, neen... ze zien het strijkje van „Specchi" in Triest voor zich, waarin meisjes meespelen, of: de schilderachtige, bontkrioelende vuilhoop, die Napels heet; ze denken aan t braden in de havens van Brindisi, Syracuse en Messina, aan Chiantien Vesuviuswijnen, op z'n best aan het campo-santo te Genua of aan de San Marco-basiliek van Venetië, die net 'n stoomcaroussel lijkt met die paarden er bovenop en al die eoudloovertjes. Zeggen ze „Griekenland", dan denken ze met aan de sproken van de Olympos, met aan de Gouden Eeuw van Pericles, niet aan het Parthenon, met aan de vormen, die Phidias in marmer uithouwde, neen... slechts daaraan, dat je in de havens deksels goed moet opletten, ot er niets gestolen wordt, ja, en dan herinneren ze zich ook die lekkere groote garnalen, die in Athene gedurende de wintermaanden op straat geveild worden. Van Griekenland zijn ze met hun zware zeemanslaarzen nu ineens over de Atlantische oceaan naar Buenos Aires overgestapt en naar de Rio de la Plata met die grappige duikvogels, hoe heeten ze nog maar weer, o ja: „mbigoeas I En vandaar via Santos naar de negersteden Pernambuco en Bahia. „Die negers in West-Indië, juffrouw... u zult niet gelooven wat dat voor wiskunstenaars zijn! In 't schaftuur geven die neger-bootwerkers mekaar daar in 't ruim rekensommetjes op, waaraan Plato schik zou hebben gehad!" „Pythagoras!" verbetert de meester. „Breng m'n cirkels niet in de war..." citeert de tweede machinist. „Nou ja, die bedoel ik ook! Die kerel, die uit z'n badkuip de straat op liep en Eureka! riep." „Je bent alweer in de war, Beermans I" lacht de kapitein. En de eerste stuurman, die nog met geen woord aan het gesprek heeft deelgenomen, bromt nu zachtjes voor zich heen: „Eureka... zoo heeten mijn sok-ophouders." - „Geef me de piepers nog 's, Eddie?" vraagt hij daarop aan de tweede machinist Dessauvagie. En deze reikt hem de aardappels. Charlotte vraagt zich verbijsterd af, of ze goed verstaan heeft. Het eerste woord, dat haar overbuurman aan het gesprek toevoegt, is 'n onbeschaamdheid, wijl er aan tafel toch 'n dame mee aanzit, die hij vandaag voor het eerst ziet. 'n Snelle blik terzijde overtuigt haar, dat de anderen het 't veiligst vinden, de opmerking van de eerste stuurman over die sok-ophouders niet gehoord te hebben. Strijbos zelf snijdt z'n vleesch in brokken, douwt met de vork krachtig door z'n aardappels, giet er 'n ongeloofelijk groote hoeveelheid vette saus over en werkt dan alles dooreen tot 'n vorm- en kleurlooze stamppot. Zoo smaakt het hem, hij is nu aan z'n tweede portie bezig. 'n Helder lachen wekt Charlotte uit 'n korte versuffing. Op verzoek van de anderen heeft de tweede stuurman eens gelachen zooals de negers in West-Indië 't doen. Mond wijd open, tong plat neergedrukt, de oogjes klein, het hoofd in zalige extase naar achteren geworpen. Jo-ho-ho-ho-ho-ho! Jo-ho-hi-ha-ho-ho-ho-ho-ho-ho 1!! Hij doet het prachtig. Onvergelijkelijk. Zoo en niet anders moet het lachen van de negers zijn. Charlotte vergeet de lomperd tegenover haar als met 'n slag; 'n verraste glimlach verheldert haar gelaat nu ze naar de tweede stuurman omziet. Hoe bevrijdend is zoo'n door niets bezwaarde, juichenduitbundige schaterlach. M'n hemel, zelf 200 te kunnen lachen! Maar dat kan met onder de grij2e Hollandsche hemel. Dat kan niet waar schoolwet, lange winters en druilerige regenwolken 2ijnj dat is de lach van 'n altijd-blauwe hemel, 'n feestelijke 2on, ooudgele vruchten, vlamroode papegaaien, de lach van die zorgelooze armoede, die onmetelijke rijkdom is. De wonderlijke lach trilt nog in Charlotte na, en betooverd blijft 2e de tweede stuurman aamsien, die onder die 2on, onder die blauwe hemel gevaren moet hebben om dit lachen 200 te kunnen nabootsen. Allen hebben er schik om: 't is 'n lach, die tegen goud opweegt. „Nog eens, Beermans 1' „Nee, nou heb jullie 't wel weer gehoord!" Nu vraagt Charlotte er om; de glimlach om haar mond maakt haar 2elf bekoorlijk, haar vraag onweerstaanbaar; ten overvloede stoot de tweede-machinist-met-de-donkere-oogen hem nog 2wijgend aan; allen knikken aanmoedigend, bij voorbaat geamuseerd, en Beermans gooit 2'n bruinroode bol weer naar achteren, spert heerlijk dwaas 2'n ge2onde, roode mond open en schatert als de negers in West-Indië, maar nog uitbundiger, nog joliger en bevrijdender dan de eerste maal. - Hij moet 2elf wat van die heerüjke 2orgeloosheid in 2ich hebben, denkt Charlotte. Als geroepen door de lach komt de hofmeester de trap naar de kajuit aftrippelen en meldt met 'n stem, die eensklaps benepen en heb2uchtig schijnt, dat de Medusa aanstonds bij de Hoek van Holland 2al 2ijn. De kapitein en de meester rij2en op. „U neemt het ons toch niet kwalijk, juffrouw Clarenbeek?" vraagt de eerste. „Dat vraagt u me 2eker voor de grap?" lacht Charlotte. ,Ja, plicht gaat hier natuurlijk voor!" erkent de kapitein vroolijk. „Wilt u misschien mee naar de brug? Nog even afscheid van Holland nemen? De brug is eigenlijk niet voor passagiers, maar u zult ons wel niet in de weg loopen!" Dat 't eigenlijk verboden is om op de brug te komen, maakt het aanbod nog verleidelijker. Maar 't is niet erg beleefd: de tafel te verlaten 20olang de eerste stuurman nog eet. De2e strooit juist weer peper en 20ut over z'n bord uit en maakt met de vrije hand 'n beweging, welke moet uitdrukken, dat hii Charlotte van haar beleefdheidsplicht ont- slaat. Erg hoffelijk valt het gebaar niet uit; Charlotte vertaalt het letterlijk in: „Hoepel maar gauw op; ik zie je liever niet dan wel." „Vindt u 't goed, dat ik wegga?" vraagt Charlotte toch nog en ergert zich er zelf over, dat ze haar stem niet onvriendelijker heeft gemaakt. Ze komt zich 'n seconde lang als 'n kantoormeisje voor, dat haar chef vraagt of ze bij wijze van gunst vandaag 'n kwartier vroeger mag heengaan. Hij knikt met volle mond, zonder haar aan te zien. Ze mag gaan. Geïrriteerd staat Charlotte op, knikt de beide andere heeren toe en volgt de kapitein. De meester is reeds naar de machine-kamer. Er heerscht even stilte in de kajuit als zij weg is. Zwijgend trekt Strijbos 'n paar valsch-glimmende manchetten uit en zet die naast zich op tafel neer: ze zijn verbazend hinderlijk bij 't eten. Dessauvagie ziet glimlachend toe; Beermans diept 'n sigarettenkoker van rood-doorschijnend Braziliaansch hout uit z'n jaszak, presenteert er z'n makker „Eddie" uit. En dan, bij het knetteren van 'n lucifer, vraagt Strijbos: „Waar mot die blauwkous naar toe?" Dessauvagie trekt geamuseerd aan z'n sigaret en zegt: „Ze blijft de heele reis aan boord." „Heen en terug?" informeert Strijbos met weinig hoop meer in z'n stem. Peermans meent nu voor Charlotte in de bres te moeten springen. „Ik vind 't 'n aardige meid!" verklaart hij ronduit. „En 'n blauwkous is ze toch waarachtig nog niet! Vrindelijk is ze bovendien, - dat heb ik met passagiers nog wel 's anders meegemaakt...!" Er wordt gezwegen. „Geef mij de mosterd nog 's, Eddie?" verzoekt Strijbos. De tweede machinist reikt hem het potje, maar ziet daarbij geheirnzinnig-plagerig naar Beermans en geeft hem de raad: „Schrijf maar niets aan je meisje!" „Ik zou niet weten wat ik niet schrijven mocht!" antwoordt Beermans onhandig. „Kan ik 't helpen als er passagieressen meegaan?" „Je hebt 't nou al van d'r te pakken," verzekert Strijbos op 'n graftoon, tusschen twee groote happen door. „Barst nou!" valt Beermans geïrriteerd uit. „En zij ook van jou!" plaagt Dessauvagie. „Ze keek je daareven al aan...!" „Wat! Mij??" „Ja: jou." „En wanneer moest dat dan geweest zijn?" „Daarnet nog, toen je zoo op z'n West-Indisch lachte." „Nou ja, toen keken jullie toch zeker allemaal naar me!" „Schei nou maar uit," breekt Strijbos af. „Waar zijn die kisten uit Mannheim eigenlijk in gekomen?" „Ruim A, heelemaal achterin. Staat al op de lijst." Strijbos veegt zich met z'n servet de mond af, rijst overeind. „Dan mag je mij dat op de lijst 's even wijzen." „Goed. 'k Ga met je mee." Beermans heeft z'n zekerheid teruggevonden: hier gaat 'tover het werk. Die flauwe plagerij! „Opsteken?" vraagt hij zijn meerdere rustig, op het onvriendelijke af. „Rook jullie die rolletjes vergif zelf maar," antwoordt Strijbos weer goedgehumeurd, de sigarettenkoker negeerend, z'n korte pijpje uit de zak opdiepend. Hij komt nu wat in stemming: onder mannen alleen! Geen juffers op visite, geen fratsen, geen complimentjes. Hij lacht zelfs even, kort en droog, ziet Beermans vroolijk aan. „Kom!" „Je vergeet je manchetten, stuurman!" waarschuwt Dessauvagie. „O ja, verdomme!" gromt Strijbos, terugkeerend, de glimmende gummi-manchetten onwillig van de tafel grissend. Dat: verdomme! is nog aan 't adres van Charlotte. Zij staat nu op de zwakverlichte brug en schuilt, om niet in de weg te loopen, in 'n hoekje bij de stuurboord-Hchtbak. Het is nogal koud; ze zou haar mantel wel even willen gaan halen, indien ze er niet tegen opzag, daarbij weer door de kajuit te moeten waar de eerste stuurman stellig nog zit te eten, - nu misschien wel met z'n beenen op tafel! Vochtige duisternis hangt om het schip; de glorende havenlichten hebben vuilgele kringen en schijnen zonder verband; land, zee en lucht gaan zonder grenzen in elkaar over; slechts het fel-zoekende lichtoog van de vuurtoren roept uit het niets vormen en gestalten op, blinkende duin- koppen, daken van huisjes, schepen met - scherp afgeteekend masten, ra's en touwen, 'n zilverwitte schuimkop op het water. De kapitein loopt even op Charlotte toe, brengt haar 'n kijker. „Hiermee ziet u wat meer; wij hebben er nog genoeg. En vindt u 't niet koud? Neemt u deze regenjas maar." Het electrisch licht, dat boven een der beide kompassen in de witte zoldering van het bruggedek is aangebracht, reikt nauwelijks meer tot in de hoek waar Charlotte staat; zij kan dus gerust op het joviale aanbod van de kapitein ingaan en de leerachtige, vormlooze jas omhangen. „Dank u wel, kap'tein!" Maar méér dan de jas verwarmt haar zijn eenvoudige zeemanshartelijkheid. Met de kijker weet ze niet goed overweg. Om niet lastig te zijn en om haar dankbaarheid te toonen, kijkt ze er door, ziet nu zelfs het licht van de vuurtoren niet meer. De loods loopt stampend op en neer, de handen in de zakken van z'n lange overjas begraven, de verfomfaaide pet met het gouden koordje diep over de oogen getrokken, en geeft nu en dan 'n onverstaanbaar bevel aan de roerganger, trekt de telegraafhandle rinkelend 'n slag om en controleert met 'n achtelooze blik even de bevestiging uit de machinekamer. Vreemd klinken de bevelen uit die jas-met-'n-pet-op; het is alsof 'n spook ze uitspreekt, en Charlotte, wier verbeeldingskracht ontwaakt is door al het ongewone, het avontuur van deze uitvaart, ziet in hem 'n soort Vliegende Hollander. Aan bakboord, ver van haar af, het gelaat van onderen beschenen door de roode lichtbak, staat de derde stuurman, die ze nog niet kent. Hij tuurt zwijgend voor zich uit, schijnt op dit oogenblik geheel uitgeschakeld. Meer naar achteren, in het stuurhuisje, draait 'n matroos op elk bevel van de loods het stuurrad 'n paar spaken verder. Om hèn tweeën en om de onzichtbare mannen daar beneden in de machine-kamer gaat het op dit oogenblik. De kapitein komt weer even bij Charlotte staan. „Kijk, ziet u dat wrak daar op de pier? 't Zit er sinds drie weken op, - hebt u 't niet in de krant gelezen? 't Is middendoor pebroken." „Op de pier?" Charlotte tuurt door de kijker, zoekt de pier zelf eerst. „Meer naar rechts; 'tis nu vlakbij," duidt de kapitein nader aan. „Wacht, we zullen de doppen er even afnemen, — daar kan geen mensch doorheen kijken." Hij lacht er niet bij terwijl hij de leeren doppen van de glazen neemt, - kent zulke vergissingen bij vrouwen en niet-zeelui. Maar Charlotte zelf lacht hartelijk. Nu schuift de loods z'n pet omhoog en ziet verrast naar stuurboordzij. De haven komt hij met de pet-klep op z'n neus wel uit, - zulk 'n vrouwe-lach echter wekt de behoefte aan 'n vrij uitzicht. Zoodra het schip de havenlichten op het uiteinde der beide pieren gepasseerd is en zacht begint te deinen, komt 'n klein stoombootje langszij; donkere gestalten pakken de tros, die de bootsman uitwerpt; 'n schijnwerper wordt langszij aangebracht, 'n Korte handdruk met de kapitein, 'n gemompelde groet naar de derde stuurman, 'n tik tegen de petklep voor Charlotte in haar geleende regenjas, en de loods klost de brug af, werkt zich over de reeling en belandt via het touw op het stoombootje, dat nu in wijde boog wegscheert, 'n wit-schuimend spoor achter zich latend. Het verliest zich in de duisternis, 'n Passagiersschip wacht tot het de haven kan binnenstoomen; rook en vonken vliegen de donkere schoorsteen uit; het dek en 'n dubbele rij patrijspoorten stralen in helder licht; de felle spiegeling danst uitgelaten over het golvende, klotsende water. „Op zee..." zegt Charlotte zachtjes tot zichzelf. Daar achter haar ligt Holland. Daar links van de vuurtoren, achter de Delflandsche hoofden, achter de smalle duinenrij moeten 's Gravenzande, Monster, Terheiden liggen; zwakjes is de vuurtoren van Scheveningen zichtbaar. En rechts ligt het eiland Rozenburg, door de Brielsche Maas gescheiden van Voorne en Putten... hoe vaak had ze het op de kaart laten aanwijzen. Ze had dit alles bijna als rijmpjes in haar hoofd; als rijmpjes leerden de kinderen het, zonder er zich iets bi) voor te stellen. Eensklaps, nu op dit oogenblik, ontwaakt in Charlotte 't bewustzijn van net zinlooze in zulk onderwijs. Heeft zij bij het lesgeven zichzelf ooit afgevraagd hoe het er daar wel zou uitzien op dat weinig belangrijke eilandje Rozenburg, op Voorne en Putten? Nu, voor het eerst, ziet ze iets voor zich, al ligt alles daar ook in het pikkedonker, 'n Smalle rij duinen... daarachter wat zandige weiden met helmgras beplant. Steeds sterker groeit haar verbeelding onder het staren in de duisternis; ze ziet de omtrekken van kleine huisjes en boerderijen, 'n lange weg over 'n dijk met 'n boerenkarretje erop. Ze is zelf verbaasd hoe goed ze zich dat alles voorstellen kan; het lijkt wel of ze er foto's van ziet, neen, sterker nog, of ze er zelf staat, of de wind haar het zand om de wangen blaast, of ze in de weiden 'n koe hoort loeien. Zoo en niet anders wil ze de kinderen les geven als ze weer terug is. Ja, maar was dat geen zaak van inspiratie? Hoe vaak had ze niet voor de klas gestaan, bijkans zonder zich er zelf nog van bewust te zijn, automatisch haar plicht vervullend, die, naar zij op dat oogenblik meende, bestond in het overhooren van lessen, het opsommen van namen en feiten, het bestraffen van ondeugende jongens. Ondeugende jongens, die heelemaal niet ondeugend waren, maar zich slechts (door haar schuld!) onhoudbaar verveelden en zich daarom met boeiender aangelegenheden bezig hielden als: het prikken van 'n overbuurman, het musiceeren met in de bank geprikte pennepunten, het heimelijk lezen van 'n spannend Indianenverhaal. Hoe goed is deze reis voor Charlotte; hoezeer heeft ze die opfrissching noodig. Niet alleen zijzelf, maar ook de aan haar toevertrouwde klas zal ervan profiteeren. En hoe zal zij van de landen en steden kunnen vertellen, die ze met eigen oogen heeft gezien: levende indrukken zullen heel wat boekenwijsheid doen verwaaien. Boekenwijsheid! Daar zat ze nu na haar examen voller mee dan ooit. Het versufte 'n mensch en belemmerde het klare, eenvoudig-logische denken. En wat was het waard? Hield bijvoorbeeld alles, wat zij van West-Indië geleerd had, stand tegen het door de tweede stuurman zoo kostelijk nagebootste lachen van de negers? Zooveel bananenuitvoer, cacao, suiker, maïs, koffie, copra, zooveel procent blanken onder de bevolking, zooveel procent dit, zooveel dat, ldimaat, passaatwinden, vulcanische gesteldheid, kolonisatieeeschiedenis, tropische fauna... oef! Maar hoe de negers van West-Indië lachen, staat niet in de boeken, en toch riep dit daarstraks bij Charlotte méér voor de geest dan de twintig bladzijden uit haar aardrijkskunde-boek gedaan hadden. Het lachen hangt nog steeds in Charlotte's herinnering; het heeft haar verrast en tot deze gedachten gebracht, waaruit ze nog niet geheel 'n weg vinden kan. Haar aard heeft haar steeds tot boekenstudie gedreven. Wat heeft ze in de haast niet nog alles gelezen over de steden, die de Medusa zal aandoen! In Amsterdam gaf men haar de route op, voor zoover die bij zulke vrachtbooten tevoren te bepalen viel: Vigo, Lissabon, Messina, Palermo, Napels, Livorno, Genua en over Malaga terug. „Of ze dat allemaal wel onthouden kon?" Ze had 't al genoteerd. En grondig als ze is, ging ze naar de openbare bibliotheek en voste alsof ze weer voor 'n examen zat. Voor elk der belangrijke steden had ze 'n apart schrift aangelegd, voor Napels, Palermo en Genua zelfs twee, omdat ze van die steden uitstapjes wilde maken naar Pompei en de Vesuvius (indien er tijd voor was!), naar de Moorsch-Byzantijnsclie kathedralen van Monreale en Cefalü en naar het beroemde klooster van Pavia. Ze had ingedeeld: musea, natuurschoon, geschiedenis, stadsbezienswaardigheden, hoofdje naast hoofdje, alsof het dubbel boekhouden gold. Zoo voorbereid, zou haar reis van blijvende waarde zijn. Ze maakte ze op deze wijze tot 'n taak, drong romantische gevoelens terug en geneerde er zich achteraf voor, dat ze het niet had kunnen laten om als 'n schwarmerische bakvisch de verschillende stede-namen van veelbelovende ondertitels te voorzien, die ze hier en daar in de reisbeschrijvingen tegenkwam: „Napels, De Eeuwig Lachende, het aardsche paradijs van Rome's keizers", „Genua, de Glorie der Doria's, de Rivale der Stadvan-de-drijvende-Paleizen", „Messina, de tragische Bruid der Natuurmachten", enzoovoort. Die stoffige reizen door Baedekers en allerlei studieboeken vervulden haar zoo geheel, dat ze zelfs in de klas niet kon nalaten er over te spreken. Toen ze op school de strijd tusschen de Hoeken en de Kabeljauwen behandelde, kon ze niet verzwijgen, dat er in Italië óók zulk 'n verschrikkelijke burgeroorlog gewoed had. Dat waren de twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen geweest! Ze trachtte die twisten vergeefs belangwekkend te maken voor de ongeïnteresseerde kinderen. Met aardrijkskunde-les kwam 2e op de Sint Pietersberg in Limburg te spreken. Ja, dat noemden wij nu al 'n berg, maar het was maar 'n heuveltje naast de werkelijke bergen van Zwitserland, Spanje, Italië. Daar in Zuid-Italië vond je nu bijvoorbeeld de Vesuvius, die heele steden verwoest had; Pompei' en Herculanum heetten die steden; daar stonden al marmeren paleizen toen de Batavieren nog in berenvellen hepen en knotsen zwaaiden. Prachtige steden waren daar om die berg gelegen, maar eensklaps was de berg gebarsten en had gloeiende lava, vlammen en rook uitgebraakt; 'n dichte aschregen had de heele streek overdekt, de prachtige steden begraven, de menschen gedood. Daar had ze de kinderen mee. Ineens alle menschen dood, ook de honden, de poesen, alles, alles was onder de heete asch bedolven; in het circus was de voorstelling juist in volle gang... ja, als ze nu van 'n circus hoorden, moesten ze niet aan Hagenbeek of Carré denken. Over zulke circussen zou ze later nog wel eens meer vertellen als de kinderen groot genoeg waren om het allemaal te begrijpen. Nu had ze 't alleen maar over de Sint Pietersberg, die eigenlijk geen berg was. Wel de Erna op Sicilië, óók in Zuid-Italië! Nou, of dat 'n berg was! Die was drieduizend-tweehonderd-entachtig meter hoog; ze had er toevallig nét eens over gelezen. Denk je dat eens inl Wel vijf en dertig kerktorens boven op mekaar! En die berg had altijd weer dezelfde stad verwoest, of eigenlijk niet die berg zelf, maar dan toch wel de vreeselijke aardbevingen, die de zee over het land deden stroomen Charlotte had aanvankelijk gemeend, dat zij de reis met de Cleopatra maken zou, - zoo was 't haar in Amsterdam eerst gezegd. Om aan boord geen ongeletterde indruk te maken, had zij zich verplicht gevoeld, Shakespeare's Antonius en Cleopatra te lezen, ofschoon ze met dat soort mannen als Antonius, die zich door 'n mooie vrouw van hun plicht laten afbrengen (wat wist zij van de macht der zinnenliefde?), weinig ophad. Zij was met haar negen-en-twintig jaar nog iong meisje genoeg om in het drama de held te willen bewonderen, en met tegenzin had ze de verzen doorgeworsteld. Ze noteerde verder: „Cleopatra, oudste dochter van den in 51 v. Chr. gestorven Egyptischen koning Ptolemeus XIII." Hieraan moest ze nog weer wat studie van de Egyptische koningsdynastieën vastknoopen, anders was haar kennis 'n stuk wrakhout in 'n oceaan. Ze voste, voste. Het wrakhout werd 'n kleine rots. Ze studeerde oud-Egyptische godenvereering, doodencultus, samenhang van architectuur en sculptuur met het religieus begrip. Daarna: Grieksche invloeden, verbastering. De steen van Rosette als wegwijzend document voor de archeologie... De rots in de wijde oceaan werd 'n klein eiland, waarop Charlotte haar scepter zwaaide. Haar eerzucht dreef haar. Ze had heimelijk nog 'n grappige parallel getrokken tusschen de Cleopatra uit de geschiedenis cn de Cleopatra waarmee ze haar reis zou maken, 'n parallel, die tevens bewees hoe beslagen ze was in de oude geschiedenis; ze zou 'm aan boord wel te pas weten te brengen. Arme Charlotte terwijl ze daar in de bibliotheek Egyptische koningsdynastieën aan 't vossen was, bleek en vermoeid, 'n verticale rimpel tusschen de oogen, weggedoken achter stapels boeken, werd te Amsterdam - in verband met 'n spoedzending Edammer kaas en Blooker's cacao - besloten, de Medusa uit te doen varen, die 'n knoop of wat méér maakte. Charlotte vernam het op 'n briefkaart. Het was toen al vlak voor het vertrek, en ze had nog juist de tijd om haar mythologieboek op te slaan en zich te overtuigen, dat Medusa de eenige sterfelijke dochter van Phorkys en Keto was. Voor 'n nieuwe grappige parallel ontbrak haar de helderheid van geest: ze was suf van 't „stoomen". Zonder er zich nog iets bij voor te stellen, noteerde ze: „Slangen kronkelen als haarlokken om haar schrikwekkend aangezicht; haar blik versteent; Perseus, de Grieksche held, overwint haar door 'n spiegel en 'n onzichtbaar makenden helm en slaat haar het hoofd af..." En nu is Charlotte met haar geleerdheid aan boord en weet er geen uitweg mee. Zeelui zijn al evenmin leergierig als de kinderen op school: hun leven is rijk genoeg zonder boekenwijsheid. Ze hebben de houtmolens van Zweden hooren zoemen, de kofhelucht van Santos ingeademd, tegen New-York's wolkenkrabbers opgekeken, in Spanje's zoete druiven gesmuld, Italië's wijnen gedronken. De wereld kleeft aan hen zooals aan de boeg van overzeesche schepen Hollandsche mosselen en zee-pokken, tropische mossen en koraalwieren van de Antillen kleven: wat er aan zit is echt, — het geurt en smaakt. Nu, bij het weg-schemeren van de havenlichten, ziet Charlotte als 'n droombeeld zoo duidelijk 'n nerveus, ijverigdoceerend onderwijzeresje voor zich staan, dat in vervoering is voor eigen kennis en zonder 'n oogenblik aarzelen 'n heele reeks namen opsomt, terwijl ze met 'n lange stok op 'n landkaart roode stippen en blauwe kronkellijnen aanwijst. „Monster, Hoek van Holland, 's Gravezande, Nieuwe Waterweg, Rozenburg, door de Brielsche Maas gescheiden van..." Dat is 'n andere dan de Charlotte, die nu, peinzend, vol twijfel, op de commando-brug van de Medusa voor zich uit tuurt. Vaag en ver hoort ze nog het lachen van de negers. III De matroos achter 't stuurrad luidt acht maal aaneen 'n bel; van het voordek komt hem 'n ander aflossen. Ook de tweede stuurman verschijnt op de brug en neemt van de derde de wacht over. „Kom, ik ga's naar benedeal" kondigt de kapitein aan. „U kunt nog wel op de brug blijven als u wilt, juffrouw Clarenbeekl" „Oh, nee, kapitein, er is nu toch niets meer te zien! Mag ik u uw jas ook teruggeven? Dank u nog wel, hoorl" De kapitein laat haar voorgaan en leert haar, dat ze 'n scheepstrap steeds achteruit moet afloopen, anders zou ze met ruw weer nog 's leelijk kunnen vallen! „Nog niet zeeziek?" vraagt hij lachend. „Van dat beetje schommelen?" Dapper springt Charlotte de paar onderste treden af. „'r Staat hier ook alleen maar 'n beetje deining," licht de kapitein toe. „U hebt gelijk, dat u zich daardoor niet van streek laat brengen. - Denk om de vaten, juffrouw! Loopt u er maar liever overheen: er is nu 'n plank gelegd!" Hoffelijk loodst hij z'n passagieresje naar het achterdek. In de kleine, roodbruin-bekleede kajuit vinden ze niemand meer; de tafel is afgedekt. Als vergeten staan de beide bloemenvaasjes op het mahoniehouten buffetkastje. „De eerste stuurman zal zijn gaan slapen," meent de kapitein. „Niets vermoeit ons meer dan zoo'n haven, — werkelijk: je kunt beter mist hebben en 'n dag en twee nachten aaneen op de brug loopen, dan in zoo'n haven rond te lummelen, lijsten door te zien, je over honderd dingen te ergeren, toe te zien, te wachten op de papieren, die niet komen willen..." „Brengt uw vrouw u nooit weg, kap'tein?" „Als m'n vrouw de boot vandaag gezien had, zou ze d'r geloof ik van d'r leven niet weer op willen!" lacht de kapitein. „Die zou in staat zijn, zelf 'n dweil en 'n puts te nemen en aan de schoonmaak te gaan! Dacht u eerst niet met nikkers te doen te hebben toen u de mannen op 't dek aan 't werk zag? - Och, je hebt in die laatste oogenblikken zoo weinig aan mekaar," voegt hij er ernstiger aan toe. „En d'r zit voor m'n vrouw ook altijd nog wat onwennigs in om die boot weer voor 'n maand of wat te zien uitvaren. Wel als we in Amsterdam terugkomen 1 Dan wacht mijn vrouw en die van de eerste machinist ons in IJmuiden al op, desnoods midden in de nacht, dat begrijpt u well - Is u nog niet moe? Als ik u 'n raad schuldig ben: stapt u vanavond vroeg onder de wol en staat u morgen weer vroeg op, dan zult u 's kijken hoe heerlijk 'n ochtend op zee is!" Indien Charlotte deze goedgemeende raad opvolgt, is de kapitein, die zelf graag wil gaan slapen, meteen van de verplichting ontslagen, z'n passagieresje die eerste avond aan boord nog wat gezelschap te houden. De bedoeling is zoo duidelijk; er is zoo weinig moeite aangewend ze te verbergen, dat Charlotte 'n glimlach niet kan terughouden. Hoe blij moet ze al zijn, dat die mannen, gewend om zich hier in de kajuit ongegeneerd te bewegen, de toon van hun tafelgesprek geheel naar haar richten en - op de eerste officier na, nou ja - allen hun best doen om het haar aan boord aangenaam te maken. Hoe gunt ze de brave kapitein z'n welverdiende rustl „U hebt gelijk, dan ga ik nu maar dadelijk slapen," zegt ze. „Wel te rusten, kap'tein!" En knikt hem vriendelijk toe. Terwijl ze zich ontkleedt in de kleine hut, haar toiletbenoodigdheden schikt, haar japonnetjes ophangt in de eenige, smalle kast en heur haar in twee strengen vlecht, laat ze in gedachten de officieren en machinisten met wie ze vandaag heeft kennis gemaakt, nog eens aan zich voorbij gaan. Vaag, onwerkelijk ziet ze de gezichten voor zich, ze heeft ze dan ook geen van allen goed durven aankijken. De donkere oogen van de tweede machinist herinnert ze zich, z'n zwijgende, doordringende blik, de goedmoedige stem van de meester, die in Pompei zoo naar z'n machinekamer verlangd had. Het duidelijkst kan ze zich nog het roodbruine, lachende jongensgezicht van de tweede stuurman voor de geest halen. Ineens moet ze er weer aan denken: hij droeg links 'n ring. Nu... en? Niet zonder zelfspot vraagt ze zich af, of ze bijgeval „épris" van hem is. Waarom mag die jongen niet verloofd zijn? 'n Jongen, dat is hij nog, op en top; hij zal zoowat vijf-en-twintig zijn, jaren jonger dan Charlotte; zij moet oppassen, dat ze zich niet belachelijk maakt door véél aandacht aan zijn verlovingsring te wijden. Ze zet haar schoenen buiten de deur, stapt 't trapje op naar het bovenste bed, tuurt door de patrijspoort naar buiten waar nog 'n paar lichtjes dansen... heel ver weg. 'n Jongen... zeker. Nu, hij zal het haar niet lastig maken! Lotje, Lotje, laat je niet uitlachen! , Glimlachend trekt ze de dekens over zich heen, legt het hoofd zóó op het harde zeegras-kussen, dat ze nog wat over de zee kan zien. Vreemd, hoe veilig en geborgen ze zich voelt, hier, in de kleine hut, onder betrekkelijk vreemden nog, in open zee op 'n klein vrachtbootje! De Medusa zal haar uit-en-thuis brengen. Geen zorg van hotelkamers bespreken, bagage-transport, fooien aan witkielen en portiers, 'n Thuis. Waar ze bovendien niet van alles rekenschap hoeft af te leggen aan tante, neen, waar ze vrij, geheel vrij is, haar rol van eenige-dame-aan-boord studeeren kan zonder erbij bevit te worden. De schroef trilt onder de cabine. Ander geluid is er niet; geheimzinnig en zwijgend glijdt het donkere water voorbij; geluidloos vloeit het door de boeg opgeworpen schuim hier achter uiteen, lichte arabesken vormend op 'n zwart fond. Maar de schroef gonst, bromt, zingt monotoon; als Charlotte er lang naar luistert, hoort ze er 'n vage, verre melodie in. En daarbij valt ze in slaap. Zoo diep heeft ze nog nooit geslapen; ze moet wel doodmoe zijn geweest. Ze sluit de oogen en zinkt in het onbegrensde, tijdlooze weg; ze ligt languit gestrekt op de zandige bodem van 'n oceaan, zoo peilloos diep, dat er zelfs geen visschen meer zwermen; het is 'n droom zonder verschrikking. Charlotte voelt zachtwuivende wieren om haar hoofd; ze hoort de geheimzinnige zang van zeeschelpen, die ze niet zien kan, want het is duister; slechts stukken roode koraal gloeien als vurige kolen in de zwarte asch. Er gebeurt niets. De tijd schijnt stil te staan; misschien vliegt hij ook wel met duizelingwekkende snelheid voorbij... - Dan begint het te schemeren; de omtrekken van groote, wonderlijk gevormde schelpen worden zichtbaar; 'n breed licht als de open hemel zelf dringt door tot in deze schemerende wereld, waarin Charlotte gedompeld is, en wekt er zachte kleuren: 'n mild olijfgroen, schelp-roze, 'n goudig-blauw. In dit heerlijke, zacht-vriendeUjke, genezende licht baadt zij wellicht nog 'n eeuwigheid of wat. Dan stelt plotseling de tijd zich weer in met kwart over zeven. Charlotte schrikt wakker, kijkt instinctief naar de wand voor zich, waar thuis haar horloge aan 'n haakje hangt. Maar dan, nog voor ze zich van de geheele nieuwe situatie rekenschap heeft kunnen geven, ontwaakt in haar het heerlijk besef: vanmorgen géén school 1 Er wordt aan de deur geklopt. „De thee, juffrouw I" O, daarvan is ze zeker wakker geworden. „Ik kom, hofmeester 1" Ze klautert het hooge bed uit, nog onhandig jongleerend door ongewoonte, en neemt om de deurkier de dampende thee-met-'n-beschuitje aan. „Goed geslapen, juffrouw, de eerste nacht an boord?" „Best, hofmeester, dank u! Hoe laat is 't ontbijten?" „Dat steekt niet zoo nauw, juffrouw! Zoo dalik eten de stuurman en de meester, die motten op wacht. De kaptein zal dan meteen wel komme: hij is op de brug. En wat wil u? 'n Bordje pap? 'n Eitje? U zegt 't maar net as u 't gewend benl" „Kan ik 'n glas melk krijgen?" „Jazeker, juffrouw... blikkemelk." „Nee, dan toch maar liever nog 'n kop thee. En 'n boterhammetje, verder niets." „Maar toch zeker wel 'n versch eitje, juffrouw? An boord gelegd 1" „Zijn hier dan ook kippen??" „Leghorns, juffrouw I Daareve zat hier de haan nog vlak bove de kajuit te kraaie!" Zijn stem is overtuigend; zou het géén grapje zijn met die kippen en die haan? „Nou goed... als 't kan?" „Alles ken hier, juffrouw!" De hofmeester trippelt door het gangetje weg, en Charlotte klimt met haar kop thee weer in bed. Heerlijk heeft ze geslapen. En nu die gezellige kop geung- dampende thee, dat grappige gesprek met de hofmeester om 't kiertje van de deur! Verrukt kijkt ze door de patrijspoort naar buiten, 'n Rood zonnetje staat boven het gladde water; de lange spiegeling schommelt behagelijk naderbij. Om het zonnetje heen zijn lucht en water monotoon-grijs. „Nog dicht bij Holland.. denkt Charlotte, ,,'t zal nog wel anders worden." Ze werkt met inspanning van alle krachten de vastgeschroefde poort open, die ze gedurende de nacht voor alle eventualiteiten maar liever gesloten heeft gehouden. Nu waait 't frisch naar binnen. Zoute, reine zeewind... verrukkelijk! Jammer, - de thee is veel te sterk. Ze zal straks de hofmeester vragen, in haar tweede kop wat water bij te schenken. De thee zelf is goed; daar ligt 't niet aan, maar hoe kunnen ze 'm zoo barbaarsch toebereiden! Het beschuitje, dik met boter gesmeerd, knapt lekker tusschen de tanden. Wat 'n zaligheid... geen school! Geen haastig binnengeroffeld ontbijt, niet in 'n drafje kappen en kleeden met telkens gejaagd op de klok kijken, geen stapel ongecorrigeerde schriften. Zoo frisch heeft ze zich in geen tijden gevoeld, zoo frisch en tegelijkertijd zoo tot geen enkel werk in staat. Haar gedachten zouden zich tegen elke dwang verzetten; ze zweven zoo heerlijk. Haar vreemde droom van vannacht omhult haar geest nog als met 'n waas; ze wil niet aan gisteren denken, niet aan de school, niet aan haar „thuis" bij tante en oom. Daar overal zijn plichten, vastgestelde uren voor dit en voor dat; daar zijn de wijzers van de klok, tante's roestvaste huisreglementen, die geen spontane schikkingen dulden en over haar gezegevierd hebben. Gisteren nog was haar eigenste wezen als tusschen schroeven geklemd; gisteren nog was zij zoo als tante en de school het verlangden, maar nu ! Nu zit Charlotte hier rechtop in bed, roert haar lepeltje stil-genietend door de veel te sterke thee en laat haar gedachten rondzwieren zooals dat haar belieft, terwijl ze naar buiten staart over het water waaruit zoo juist de zon gerezen is. Hoe puur. Ja, dat is mooi uitgedacht van die oude Grieken om Venus in 'n schelp aan de zee te laten ontstijgen. Zoo alleen is de geboorte van 'n Venus denkbaar, 'n Schelp, de zee, geheele naaktheid... dat is het puurste wat men zich voorstellen kan. - Hoe tante er over denken zou? Kom, ze wil 's opstaan! En dus klautert Charlotte, zelf geamuseerd door de moeilijkheden, die dit meebrengt, het hooge bed weer uit en laat die kleine, witte waschkom volloopen. Zou er 'n badkamer zijn? Straks 's aan de hofmeester vragen! Welk japonnetje zou ze aantrekken? 't Gewone grijze maar; zoo warm is het nog niet, en er moet climax zijn. In de kajuit kKnken nu stemmen. Bedachtzame, zware mannestemmen; in de lange pauzen worden boterhammen naar binnen gewerkt. Charlotte's gelaat verduistert, als ze de stem van de eerste stuurman herkent. Terwijl ze zich voor de spiegel zorgvuldig kapt en haar handen verzorgt, vangt ze tegen wil en dank de draad van 't gesprek op, dat daar in de kajuit met zulke lange tusschenpoozen gevoerd wordt. Er is iets wat haar tot luisteren dwingt, - dezelfde macht, die gisteren aan tafel haar tot haar eigen kwelling er steeds weer toe bracht om 'n blik aan de misschien wel origineele, maar toch weinig aantrekkelijke manipulaties van haar overbuurman te wijden. Waar hebben ze 't daar in de kajuit nu in 's hemelsnaam over? Ze komt er 'n tijdlang niet achter, hoewel ze elk woord verstaat. De stuurman vertelt traag en somber van iets, waarnaar hij eigenlijk al lang uitgekeken had. In Amsterdam had hij er al naar uitgekeken, ook in Napels, waar je zooiets nog al eens gauw op de kop tikt - maar pas dan op! Hij had er ook over geschreven aan 't clubbestuur: soms zijn er leden, die ruilen willen, nietwaar? Hij zou zoo graag eens 'n congres bijwonen om te zien wat anderen daarin hadden. Ja, de een ging in 'n café zitten en gaf z'n geld aan pretjes uit; 'n ander hield van dure sigaren rooken en 'n goed glas wijn aan tafel, maar hij had bier nu eenmaal hart voor. De meester schijnt het met hem mee te voelen. Zeker, de een hield van dit, de ander van dat; hij voor zich had nou bevoorbeeld wat voor sterren over, en daar hoefde niemand 'm om uit te lachen. Ja, je had ook van die lui, die voelden nergens wat voor. Maar wat de stuurman deed was meteen 'n geldbelegging. Oh, daar deed de stuurman 't anders niet om. Het was maar om wat om handen te hebben. Al varende was hij er vanzelf toe gekomen. Eerst hadden alle anderen hem gevraagd, hun van de reis wat mee te brengen, maar later spaarde hij voor zichzelf. Nou had hij er bijna elfduizend ingeplakt, - hij zou ze weer 's tellen... Charlotte luistert er met afgrijzen naar, dat iemand elfduizend postzegels tellen wil. Iets anders dan postzegels kunnen het niet meer zijn nu de stuurman met onderdrukte voldoening zegt: „Ik had nooit gedacht, dat ik die overdruk-serie nog 's compleet zou krijgen!" Hij staat op; z'n draai-stoel knarst, ,,'t Zal zoowat acht glazen wezen. Willen we gaan?" En dan klost hij de kajuittrap op, de meester achter hem aan. Dat zal wel bij 'm passen: postzegels verzamelen, inplakken en tellen, elfduizend stuks. En z'n sok-ophouders heeten Eureka. Charlotte wilde, dat deze intieme bijzonderheid waarom ze niet gevraagd heeft, haar onbekend gebleven was. Ze ziet nu tegen wil en dank z'n grofwollen sokken voor zich, de pijpen van z'n onderbroek en daaromheen die vreeselijke sok-ophouders. Daar het terrein thans veilig is, kan ze de hut verlaten en langs de kajuittrap naar het achterdek gaan, dat blank geschrobd is tot waar de vaten beginnen. Ook de reeling is nu vrij van kolengruis; ze kan er gerust tegen aanleunen. Wanneer heeft die schoonmaak plaats gevonden? Ze schijnt wel héél diep geslapen te hebben, dat ze heelemaal geen voetstappen boven zich gehoord heeft! Het opwekkende van 'n morgen-op-zee jaagt haar ergernis over de eerste stuurman en zijn sok-ophouders weer weg. Is ze niet wat erg delicaat en prikkelbaar? De zoute wind zal 't wel genezen. Van de brug wenkt de kapitein haar toe, houdt 'n kijker omhoog en duidt op iets wat zich in de verte bevinden moet. Zeker, ze zal komen. Charlotte wil het vriendelijke aanbod niet weigeren, hoewel ze er tegen opziet om op de brug de eerste stuurman weer te ontmoeten. Voorzichtig baant ze zich 'n weg tusschen de vaten door, die bij de schoonmaak ook 'n ferme puts water hebben overgekregen, maar daarom nog niet minder pikkerie ziin geworden. De trap naar de brug is weer schoongeschrobd, de koperen leuning blinkend gepoetst, heerlijk. „Morgen kapteinl Goed geslapen?" „Uitstekend! Maar u? Ook goed? Mooi zoo! Niets beter dan de zeelucht! Wilt u de krijtrotsen van Engeland eens zien?" De kapitein reikt haar de kijker en duidt de richting zoowat aan. Charlotte tuurt. Ze heeft geen haast om de rotsen zelf voor 't glas te krijgen: gewoon naar het water kijken, dat nu vlak voor 't oog getrokken wordt, is al heerlijk. Van die lijnen en vormen in eeuwigdurende, rythmische dans, steeds varieerend en toch steeds weer gelijk, gaat 'n eindelooze rust uit. Daar, „uit zilveren schuim geboren", rijzen de witte rotsen, onwezenlijk als ijsbergen zooals ze nu door het zwakke waterzonnetje beschenen worden. Er scheren wat meeuwen voor langs. Ook die dragen in hun vlucht het rythme van de zee mee, - zooals stadsvogels, druk sputterend om 'n hoop paardevuü, gejaagd opfladderend, onharmonisch te zaam in willekeurige scharen, zich bij het rythme van de stad hebben aangepast. Hier ademt alles eeuwigheid. Eeuwen, culturen gaan ▼oorbij, maar laten hier geen sporen. De Vikingers zagen die rotsen, die meeuwen al op hun rooftochten naar Normandië en snoven dezelfde zeewind op, die de zenuwen staalt. De kijker haalt de krijtrotsen vlak voor Charlotte's oogen. Het beeld, maar niet het geluid. Zwijgend werpen de watermassa's zich tegen de rotsen op; geluidloos spatten ze uiteen; geluidloos sprankelen de hoog opgejaagde schuimvlokken weer in zee terug, worden weer water en nieuwe, dreigend-compacte, glimmende golfrug, die tegen de rotsen opstormt en de gaten en spelonken uitholt. Geluidloos. De meeuwen openen de snavel om elkaar iets toe te roepen, dat geen klank heeft, - de krijtrotsen van Engeland zijn 'n mysterieus-zwijgend sprookje in de lenzen van de Zeissprismakijker. „En wat zegt u van 't weertje? Alsof we aan de kaai liggen, wat?" „Ja, heerlijk!" „U hebt zeker nog niet ontbeten? Ik ook nog niet! Zullen we samen gaan?" Onder de woorden van de kapitein luidt de bel weer, die de wacht-aflossing aangeeft. De eerste stuurman is al op de brug, komt met de derde uit het kaartenhuisje. Van 't voordek, dat ook overal geschrobd is waar de vaten 't niet verhinderden, nadert Bram, de stuurmansleerling, en komt even later ook 'n matroos op klompen aanklossen om de roerganger af te lossen, - hij moest eerst nog even as de weerlicht de laatste paar broeken en baadjes van 'n vroolijk partijtje ondergoed aan de lijn knoopen; alles wappert nu, fleurig uitgehold, in de wind. Charlotte zal hen beiden nog met naam en toenaam leeren kennen. Bram, door de officieren voor de grap met „zeuntje" aangesproken, heeft bolle, roode boerenjongenswangen en argelooze, geelblonde krulletjes, die niet goed onder de pet weg te werken zijn. Hij laat zich uit zelfbewustzijn eenmaal in de week geheel overbodig scheren door Teun de baardkrabber, die 't volgens z'n zeggen op 'n hooge hoed geleerd heeft. Bram doet z'n best om z'n plat-Groningsch wat af te leeren en wordt hierin door de officieren gesteund, die hem 'n sigaar met 'n bandje beloven als hij ,,'n hondje in 'n houten hokkie" zeggen kan zonder er één J>" bij over te slaan. De matroos, die nu de koers en het stuurrad overneemt, is Hein, vertrouwelijker genaamd: „Hein Bokking". Hij staat er halsstarrig op, z'n Scheveningsche petje te blijven dragen op z'n keiharde bol, waarmee hij twee reizen geleden, toen er eens 'n onverwacht zeetje overkwam, van heb-ik-jou-daar tegen de reeling gevlogen is, zonder ander gevolg dan dat hij 'n nog grootere stijfkop geworden is en zich nog minder stoort aan het verwijt van z'n makkers, die hem verzekeren, dat door zijn schuld de Medusa voor 'n haringlogger versleten wordt. De kapitein en Charlotte hebben bij de aflossing nog even getreuzeld, maar gaan nu het trapje af. De derde stuurman groet met 'n hoffelijk, bijna wat al te vriendelijk: „Goede morgen, juffrouw I" De eerste stuurman daarentegen dunkt het voldoende als morgengroet achteloos even tegen de klep van z'n pet te tikken en daarbij 'n andere kant uit te blijven zien. Charlotte knikt ijselijk koel terug, moeilijk haar bevreem- ding verbergend. De kapitein merkt onraad en zegt wanneer ze buiten hoorwijdte zijn: „Hij is wat onhandig." Onhandig vindt Charlotte wel de zachtste uitdrukking voor z'n lompheid. „Maar 'n goed zeeman," verdedigt de kapitein z'n stuurman verder. „Betrouwbaar! Nog van..." Nog van vóór de mast, wil de kapitein zeggen, maar hij bedenkt, dat Charlotte daarin misschien 'n verklaring voor Strijbos' gedrag vinden zal, en vult dus liever aan: „Nog van de ouwe stempel. Niet gewend aan boord met dames te verkeeren!" Charlotte gelooft haar meening het duidelijkst door zwijgen uit te drukken. „U moet 'm dat maar niet kwalijk nemen," zegt de kapitein nog. „O, nee, zeker niet, kapitein." Het klinkt weinig overtuigend, en de kapitein neemt zich voor, het er met Strijbos straks „eens over te hebben". Hij spreekt, om het discours over 'n andere boeg te gooien, van de wachten. De eerste stuurman loopt eigenfijkdehondewacht en dus ook 's middags weer die van twaalf tot vier, maar in de haven heeft hij 't zoo druk gehad - daarom is ze vandaag nog wat gewijzigd. Morgen gaat alles weer gewoon. Nu weet Charlotte tenminste op welke uren ze zich niet op de brug vertoonen zal. In de kajuit heeft zij haar ergernis overwonnen en geneert er zich 'n beetje voor, dat de kapitein iets gemerkt heeft. Haar stem klinkt weer helder en vriendelijk. „Nee maar, wat verwent de hofmeester onsl" roept ze uit. „Jam, koek, jonge Goudsche kaas en beschuit!" Bij haar eigen bord staat onder 'n mutsje 'n eitje te wachten. De kapitein kijkt nu ook weer opgeruimd. „Wou u geen porridge?" En met de hand aan de schelknop: „Dan bel ik even!" „Nee, dank u, kapitein! De hofmeester vroeg 't me ook al, maar ik eet nooit pap." De thee staat onder 'n cosy aan 't eind van de tafel; Charlotte bedenkt zich geen oogenblik en loopt er heen. „Zal ik ü maar 'n kopje thee inschenken, kaptein?" „Nou, astublieftl" lacht de kapitein vergenoegd. „Dat overkomt ons niet elke dag!" „Suiker en melk?" „Astublief!" Voor Charlotte 'n ongekende weelde: dame en vrouw te zijn, inplaats van vossend onderwijzeresje. En geen stumperd als oom, neen, 'n werkelijke man, die glunderend toeziet hoe zij onder het inschenken sfeer schept van gezellige theedamp, glinstering van 'n suikerschep, blanke, tengere vrouwehanden, vertrouwd met elk der kleine bewegingen. De thee is de kapitein niet zoet genoeg, maar hij durft er de eerste maal niets van te zeggen. Charlotte peuzelt haar eitje op met gracieus gehouden pink, smeert zich 'n boterham, zou 't ook voor de kapitein graag willen doen, maar durft het hem niet aan te bieden en ziet onder haar wimpers ontzet toe hoe royaal hij zich van de boter bedient. Dat moest tante eens zien! Er wordt 'n tijdje zwijgend gegeten. ,Echt gezellig,' denkt Charlotte. ,Verdomd gezellig,' denkt de kapitein. Maar dan zucht hij en beklaagt zich niet zonder zelfironie: „Zoometeen moet ik aan 't lijsten tikken!" Charlotte ziet hem vroolijk glimlachend, met niet al te ernstig gemeend medelijden aan. „Is dat zoo'n vervelend werkje?" „Bar," verzekert de kapitein. „Vroeger moest je ze uitschrijven, maar tegenwoordig hebben we zoo'n tikmachinetje bij ons, en nu moeten ze ook getikt ingeleverd worden. Eigenlijk moest de stuurman het doen, maar..." Daar had je de stuurman weer! Liet anderen voor zich werken, de kapitein voor r^ijn lijsten opdraaien 1 Charlotte kan 'n gebaar van ergernis niet terughouden. „Waarom doet u het dan voor hem?" vraagt ze strijdlustig. „Omdat de stuurman heelemaal niet met zoo'n ding overweg kan," zucht de kapitein. „Dat is toch te leeren?" De kapitein schudt mistroostig het hoofd terwijl hij 'n dikke laag jam over 'n dikke laag boter uitsmeert. „Wij hebben zulke dikke vingers, juffrouw, en ze zijn ook te stijf. De stuurman nou bijvoorbeeld! Die heeft er eens 'n heele morgen op zitten zwoegen; toen was 't ding zelf onklaar en de lijst kon meteen de prullemand in, zoo mooi zag ie er uit. De meester heeft 't machinetje eerst moeten repareeren, en toen moest ik er 'n nieuwe lijst op zien te tikken, die er wat fatsoenlijker uitzag. U moet maar niet lachen als u me straks bezig hoort 1 Weet u hoe ze 't noemen als ik er mee aan de gang ben?" „De boemeltrein?" vraagt Charlotte geamuseerd. „Nog erger: de vallende drup! Daar werden in de middeleeuwen de misdadigers langzaam mee doodgemarteld, weet u wel?" Charlotte lacht. Hoe hulpeloos doet die zware, vierkante zeeman zich voor, die 'n schip behouden over oceanen brengt, maar zoo'n tiranniseerend schrijfmachinetje niet baas kan! „Tja..." aarzelt ze en ziet de kapitein aan. Deze kijkt bij voorbaat al dankbaar en hoopvol. „Die lijsten zijn zeker verschrikkelijk gecompliceerd?" „O nee, zoo eenvoudig als maar wat!" verzekert de kapitein in de wolken. „Gewoon wat er geladen en waar de boel verstouwd is, waar 't heen moet, gewicht, waarde, enzoovoorts, bijzonderheden en de rest, maar heusch niets ingewikkelds... tenminste \ oor iemand, die tikken kan." „Nou... ik wil u graag helpen. Tenminste wanneer u..." Ze is met het ontbijt klaar, vouwt haar servet op, de oogen ondanks zichzelf neergeslagen. De kapitein is al overeind gesprongen om z'n lijsten en z'n machinetje te halen. „Juffrouw, u doet er 'n goed werk aan!" verzekert hij opgewonden terwijl hij er de hut mee komt uitzetten. „Ik dacht al dadelijk, dat u tikken kon!" „Maar wat is 'tvoor 'nmerk??" ,x'n Underwood-reismachine!" „Zelfde toetsenbord als de Remington, niet waar?" vraagt Charlotte, op dit punt reeds gerustgesteld. „Ja, wat u daar vraagt, juffrouw...!" „Nee, maar nu weet ik 't wel." Charlotte staat op om het machinetje te bezien, dat de kapitein nu, na gescheld te hebben, behoedzaam uit de zwarte cassette licht. „Neem maar af, hofmeester!" Hij ziet niet eens, dat 't Gerrit maar is in z'n bleekrood gestreept baadje, die nu haastig de ontbijttafel afneemt en het bruine kleed onthult, pat er onder het. De lijsten zijn werkelijk niet gecompliceerd, ,,'t Eenige is: de boel precies onder mekaar te krijgen, - dat lukt me nooit heelemaal 1" verklaart de kapitein hulpeloos. „Soms heb ik de heele boel netjes voor mekaar; ik wil er 'n eindstreep onder zetten en tik dan per abuis niets dan negens." „Dan zessen bedoelt U," glimlacht Charlotte, het toetsenbord bekijkend. „O ja, allemaal zessen, dat is ook zoo. Nou, u wéét 't, - dat merk ik al well" Charlotte moet lachen om de voorbarige loftuitingen. „Ik heb het óók maar kort geleerd," zegt ze, om de verwachtingen niet al te hoog op te schroeven. „Ik tik alleen de proefwerk-opgaven, die in de klas verspreid worden; dat spaart veel werk uit, omdat j e zooveel doorslagen ineens kunt maken..." Intusschen installeert ze zich aan tafel. De kapitein is vol zorgen, of ze wel gemakkelijk en naar haar zin zit, of 't licht er goed op valt, en waar ze de lijst zal neerleggen: links of rechts. Hij haalt 'n doos papier; boven-in liggen nog droef-mislukte lijsten van vroeger datum. En dan... Rikketikketikketik! ,iNou, maar of » 't kunt! Ik wed, dat u ook goed piano speelt!" Stralend zit de kapitein naast haar, kijkt naar de verzorgde, smalle vingers, die veerend over de toetsen huppelen. Charlotte neemt zich voor, haar werk smetteloos af te leveren: ze kan nog wel vlugger tikken als ze wil, maar zou dan misschien fouten maken. Het duurt niet lang of de meester kijkt van boven om het trapje wie er vandaag wel van rikketikketik de schrijfmachine hanteert. De kapitein knipoogt glunder naar hem en zegt: „Nou heb ik toch eindelijk m'n secretaresse, waar ik al zoo lang naar zoek!" „Ja, kaptein, daar kunt u 'tniet tegen opnemen!" glimlacht de meester onder het afdalen. En hij gaat er 'n eindje verder bij zitten, maakt tegen Charlotte 'n gebaar: ik wil niet storen, maar slechts toezien en bewonderen. „Steek op, meester!" biedt de kapitein gul aan. „Als de juffrouw tenminste permitteert?" Ze permitteert, en beiden dampen 'n geurige, overzeesche sigaar en zien zwijgend toe. Rikketikketik-tik-tik. Nu is Charlotte toch nog aan 't werk gekomen. Maar uit eigen vrije wil! De hofmeester verschijnt ten tooneele. „De juffrouw die ken 't!" zegt hij vrijmoedig tot de meester. Deze knikt peinzend, peutert het bandje van z'n sigaar. Hofmeester op 'n afstand houden, is zijn leuze. Als de hofmeester weer weg is, weet ook Gerrit ervan en dus het heele schip: de juffrouw tikt de kapitein z'n lijsten. De stuurmans-leerling Bram slentert eens naar 't achterdek, werpt 'n toevallige blik door een van de kajuitvenstertjes. Waarachtig, Gerrit en de hofmeester hebben de waarheid gezegd 1 Alleen op de brug is het nieuws nog niet doorgedrongen. Gerrit moet er zoo dadelijk, om den uur, de kop bouillon brengen, maar vandaag neemt de hofmeester hem de kop en schotel uit de handen, draagt Gerrit 'n ander werkje op en brengt de bouillon zelf. Hij treft de stuurman aan de lijzijde van het kaartenhuisje, waar deze in 'n vakblaadje naar postzegels-en-hunne-waarden snuffelt. Het blaadje verschijnt in driemaandelijksche termijnen en bevat het nieuwste op philatelistisch terrein; de stuurman draagt de laatste aflevering steeds bij zich, want het kan gebeuren, dat hem op de hondewacht of op 'n ander ongelegen tijdstip plotseling zijn postzegels te binnen schieten, en dan zou hij bijvoorbeeld niet uit 't hoofd weten of de violette vijf-pesosNicaragua-jubileumuitgave-met-zwart-overdruk minder of juist meer waard is dan de emeraldgroene vijftig-centavosmet-rijzende-zon-van-Peru, die hij tezamen voor één prijs heeft overgenomen. De stuurman snuffelt dus in het vakblaadje, en de hofmeester vertelt hem onder het aanreiken van de kop bouillon, dat de juffrouw in de kajuit bezig is de lijsten te tikken. Hij heeft met fijn hofmeesters-instinct reeds aangevoeld, dat de stuurman Charlotte niet lijden mag en op het hooren van het nieuwtje dus wel „happen" zal. De stuurman hapt ook. Hij vergeet zelfs de afstand tusschen 'n eerste officier en 'n hofmeester en zegt, vertrouwelijker dan anders: „Straks probéért ze 't nog met den ouwe!" En hij vergeet daarbij geheel, dat Charlotte dan toch ten slotte de lijsten tikt, die hij en niemand anders op te knappen heeft. De hofmeester is nu ook zeldzaam vertrouwelijk. „Niks voor u, stuurman?" vraagt hij met goedgespeelde ernst. „As je me nou...l" gromt Strijbos, de heete bouillon naar binnen gooiend. Grinnikend spoedt de hofmeester zich met de leege kop heen. Er wordt vandaag in het middaguur warm gegeten; alleen in de havens wordt op deze regel wel 'n uitzondering gemaakt. De eerste stuurman vertoont zich niet, neemt z'n gewone wacht er nu maar achter aan tot vier uur. Hij had zich wel even kunnen laten aflossen, maar verkoos op de brug te eten. Ook de tweede machinist ontbreekt; is zeker beneden. Charlotte leert nu aan tafel de derde machinist en de derde stuurman kennen. De laatste, die ze reeds even op de brug gezien heeft, doet door 'n gereserveerde houding z'n best om interessant te schijnen, maar zij hoeft maar 'n vinger uit te steken om hem uit z'n schuilhoek te lokken. Charlotte merkt later, dat hij weinig getapt is. Hij verstaat geen humor en berijdt door dik en dun z'n stokpaardje: Marx en diens leer. Hij windt zich op zoodra iemand maar 'n woord laat vallen, dat er op gemunt is om hem weer „aan de gang te krijgen"; allen zien geamuseerd toe hoe hij rood van drift wordt en zich in blinde woede ongerijmdheden ontvallen laat. Zoodra hij over de politiek te spreken komt (en over iets anders praat hij niet) vergeet hij de bescheiden plaats waarop hij staat en durft de meester, z'n tegenstander aan boord, 'n lesje geven, dat deze aandachtig-zwijgend, treiterend-vriendelij k aanhoort. Over het wezen van de derde machinist ligt 'n melancholie, die Charlotte het eerste oogenblik boeit en 'n vaag gevoel van medelijden in haar wekt. Maar als ze hem beter leert kennen, verflauwt haar belangstelling. Hij verklaart bij elke gelegenheid, dat hij eigenlijk tegen z'n zin naar zee is gegaan. Hij heeft pech gehad, niets dan pech. Goed, dat was zijn deel. Anderen boften; bij had pech, - daar zat iets humoristisch in als je 't zoo wilde opvatten. Wat had hij niet alles bij de hand gehad voor hij naar zee ging. Maar overal waar hij kwam... pech. Geef me maar 'n sigaret van je. De meester, die vaderlijk voelt voor zijn ondergeschikten, gooit alles op z'n veel te vroeg trouwen. Op één-en-twintig jaar getrouwd en dan dadelijk misère, dat had 'm geknakt. Maar ook dat trouwen had eigenlijk weer niet in de bedoeling van de derde machinist gelegen. Hij verbergt niet, dat ,,'n ongelukje" (alweer pech!) er schuld aan is geweest. Het ongelukje is nu 'n kleine broekeman van drie jaar en hangt in de hut van z'n vader tusschen „kunst"-foto's van Moorsche waterdraagsters en buikdanseressen, waaronder pikante herinneringen zijn. Evenals de Oosterlingen ziet de derde machinist het leven als 'n fatum, - misschien hangt daarmee zijn voorliefde voor buikdanseressen samen. Maar dit alles weet Charlotte die eerste middag nog niet; zijn weemoedige uitdrukking treft haar en zij kan niet nalaten 'n steelsche blik naar hem te werpen. Pas als ze enkele banale woorden uit zijn mond gehoörd heeft, verdwijnt haar belangstelling. Iets anders treft haar onder de maaltijd: de tweede stuurman, gisteren zoo onbezorgd en goed gestemd, houdt zich opvallend afzijdsch. Inplaats van weer overmoedig en druk te praten en te lachen, kijkt hij zwijgend op z'n bord. Charlotte wordt er des te levendiger tegen in, wil zijn oogen graag eens zien om te weten wat er met hem aan de hand is. „Kan ik u het vleesch doorgeven, stuurman?" vraagt ze. „Stuurman" noemt ze hem. Tegen alle anderen behalve de kapitein zegt ze nog: meneer. Maar de bevoorrechting schijnt niet gewaardeerd te worden. De stuurman stottert wat terwijl hij haar de schaal met vleesch afneemt, wordt donkerrood in het gezicht, spant dan strak de kaken op elkaar. Van nu aan wordt ook Charlotte stil. Dienstzaken komen ter sprake; Charlotte kan haar gedachten laten dwalen. Moet de houding van de tweede stuurman beteekenen, dat hij verliefd op haar is? Waarom doet hij anders zoo vreemd en durft haar niet aan te kijken? Daar zijn natuurlijk nog andere verklaringen voor mogelijk, maar Charlotte kan zich van haar eerste gedachte niet los- maken. Tegelijkertijd verwart haar weer scherpe zelf-critiek, van ironie vervuld: is de wensch soms de vader der gedachte? Neen, Charlotte wenscht zooiets zots niet. Wat zij wenscht, is, dat hij de onbezorgde jongen van gisteren blijft, zoodat er 'n argeloos-prettige verhouding tusschen hen groeien kan. Zijn mal gedrag van nu brengt onrust in de lucht. Zij van haar kant zal tenminste blijven wie ze was. En Charlotte wordt weer levendiger. Maar haar lach klinkt niet van harte. Er valt ook weinig te lachen: de tweede stuurman was het gisteren, die de lach gaande hield. Na het eten loopt de kajuit leeg; allen verdwijnen voor 'n tijdje in de hut om — voor zoover ze geen dienst hebben wat te lezen, te schrijven, of 'n middagdutje te doen. Charlotte staat 'n tijdje op het achterdek en staart over het zacht golvende water, maar de zon zit achter donkergrijze regenwolken, en op de duur is het wat koud. Op de commando-brug ijsbeert de eerste stuurman. Charlotte wendt zich af, gaat langs het trapje naar de kajuit en vindt daar de tafel al opgeruimd. „Hofmeester, is 'r misschien inkt aan boord?" „Al wou u de heele reis niks as brieven schrijven, juffrouw 1" verzekert de hofmeester, duikt in een der kastjes weg en zet Charlotte 'n groote inktpot voor, die er op berekend is, niet gauw om te vallen. „Is dat genoeg? Hier hebt u nog 'n onderlegger, papier en enveloppe 1" „Mag ik dat allemaal gebruiken??" „U mag hier alles," verzekert de hofmeester galant en joviaal. Als hij is heengegaan, zet Charlotte zich te schrijven. Ze wil aan tante en oom schrijven, aan de vriendinnen, aan Nel nog 'n woordje apart. Maar het vlot niet. Anders ziet ze toch nooit tegen 'n paar brieven op, - iedereen bedelt er altijd om, omdat ze zoo onderhoudend zijn. „Lieve tante en oom..." schrijft ze en staart dan naar de naam van 't schip boven aan het papier: S.S. Medusa. Dat naampje fascineert haar als het door schilders en beeldhouwers zoo vaak uitgebeelde hoofd van de Medusa uit de Grieksche mythologie zelf. En al versteent het niet, het schijnt toch willoos te maken. „Liefste Nek" schrijft ze op 'n nieuw velletje. Maar ook voor Nel heeft ze geen nieuws, - slechts banale zinnetjes, die ze zich schaamt neer te schrijven. Zou ze van dat beetje tikken vanmorgen zoo mat zijn? Ze deed anders toch waarempel méér op 'n dag! Zou de zeelucht zoo loom en willoos maken? Ze laat de pen zinken, leunt naar achteren tegen de stoelleuning, staart met gesloten oogen voor zich uit. Wat had ze vannacht heerlijk diep geslapen, moet ze nu opeens weer denken. Ze wü zoo wel wéér slapen, wegduiken in het niets, in het eindelooze, waar geen geluid, geen kleur, geen vorm, geen spel van licht en duister nog onrust brengen. Hoe heeft ze er wel eens naar verlangd: niets te doen te hebben. Op school leerde ze korte tijd geleden aan de kinderen het vreemde woord: sanatorium. Kijk, als 'n mensen nu lang ziek was geweest of te hard gewerkt had en rusten moest, nergens aan denken, - daar was 'n sanatorium voor, meestal ergens in de stille bosschen van de Veluwe. Je lag in 'n stoel op de veranda waar het 's zomers koel was en waar 's winters de zon kon binnenschijnen; 't waren erg makkelijke stoelen, waarop je ook je beenen leggen kon. Je hoofd en rug waren door 'n kussen gesteund en je keek naar de boomen, waarin de vogels zongen, tsjiepten en fladderden, je luisterde met gesloten oogen naar de wind: hoe die door de bladeren voer, zachtjes ritselend. Of je volgde starend de voorbijdrijvende zomerwolken; je snoof met diepe teugen, zoo diep als je maar kon, de versterkende boschlucht, de geur van het dennehars en van de voorjaarsbloempjes in het gras op. Of je keek 'n tijdje naar de spittende tuinman, en dan dronk je 'n glaasje versche, roomige melk in kleine teugjes leeg, en als je 't gauwst beter wilde worden, moest je nergens, heelemaal nergens aan denken. Als Charlotte voor de klas alles maar zoo duidelijk had kunnen uitleggen. De kinderen kenden het verlangen naar rust nog niet; ze zouden daar in dat sanatorium alles op stelten hebben gezet, maar het suggestieve van Charlotte's vertelling beving hen toch, maakte hen 'n oogenblik ernstig; hun kinder-intuïtie ontwaakte; ze keken naar de juffrouw en dachten: Hoe bleek en vermoeid ziet de juffrouw er uit. Die moest dan zelf maar eens naar zoo'n sa-na-torium! Maar nu? Is dit hier geen sanatorium? Over enkele dagen zal 't zoo warm zijn, dat Charlotte op 't dek in de zon kan zitten en naar de wolken staren, de versterkende zeelucht diep, zoo diep als ze maar kan, opsnuivend. Charlotte zit nog even met gesloten oogen, bergt dan het papier en de inkt weer op; daarna, gedwongen door de macht der gewoonte-om-iets-te-doen-te-hebben, bladert ze nog even in 'n ingebonden jaargang van de Prins, die op het kastje ligt. 'n Paar plaatjes uit Holland, dat nu oneindig ver weg ligt, - 'n klein landje van boeren, kooplui en visschers. Dan gaat ze naar haar hut. Ze wil 'n oogenblik liggen. Maar ze slaapt meer dan twee uren aaneen. Als de hofmeester komt kloppen, verbaast hij zich, dat hij eerst geen antwoord krijgt; pas bij de derde maal kloppen kijkt 'n van slaap vertrokken gezicht om 'n kier van de deur en vraagt verschrikt: „Wat is er??" „Vier uur, juffrouw... uw koppie theel" zegt de hofmeester, zelf ietwat onthutst. Onder het aanreiken van de dampende kop thee bekomt hij pas van zijn verbazing, dat de juffrouw niet dadelijk begrepen heeft wat zijn klop moest beduiden. „Om vier uur, da's hier de gewoonte 1" zegt hij zoo zwaarwichtig alsof het 'n ritus gold als voor 'n geloóvig Muzelman het ochtendgebed in de moskee. „O, dank u." Nog onpasselijk van slaap drinkt Charlotte, staande, de voorgeschreven thee. rv Die na-middag ziet Charlotte van de brug de zon ondergaan, die nu weer rose uit het hemelgrijs zinkt. Vlak boven de kim vervaagt ze opnieuw, en spoedig daarop wordt alles in schemer gedrenkt; lucht en zee vervloeien in elkaar; het std-glimmende water is even licht als de hemel boven het schip, - dat witte schuimlijnen door deze grijze wereld trekt. Charlotte ontwijkt 'n gesprek met de derde stuurman, die nu wacht loopt: ze wil met haar gedachten alleen zijn. Als het donker is geworden, gaat ze omlaag om zich nog even te kappen voor het avondeten, maar onderweg stokt ze onwillekeurig 'n oogenblik bij 'n plek waar een aan 'n snoer hangende electrische lamp de groote dekvaten belicht. „Alexandrië" staat daar met roode letters op geschilderd, - ze ziet het nu voor 't eerst. Maar de Medusa gaat toch niet naar Egypte? Die vaten worden onderweg zeker ergens op 'n ander schip overgeladen. Het zal dadelijk eten zijn... Charlotte spoedt zich haastig verder. Na het eten (boterhammen en 'n smakelijk toebereide schotel van de overgebleven middagspijzen) stelt de kapitein 'n spelletje whist voor. Charlotte kan niet kaarten, maar ze wil het graag leeren! Goed, dan moet ze maar eens mee inkijken, - dan krijgt ze er het gauwst 'n blik in. 't Zijn hier aan boord heusch niet zulke groote spelers, behalve dan misschien de eerste stuurman, cue elke gespeelde kaart onthoudt, - maar hij heeft acht uren aaneen wachtgeloopen en is na de avondboterham dadelijk naar kooi gegaan: vannacht om twaalf uur moet hij er ook alweer uit. Er staat weer thee, en er is 'n thee-stel bij, dat de kapitein zelf toebehoort en voor de „avondjes" gebruikt wordt, 'n Sinterklaasgeschenkje van z'n vrouw, vertelt de kapitein trotsch. Uit zulke kopjes smaakt de thee nog weer 's anders; 't geeft dadelijk zoo'n huiselijk ideel Charlotte vindt het 'n prachtig stel: de kapitein schijnt door z'n vrouw verwend te worden! Ja, daarin kon de juffrouw wel 's gelijk hebben! Charlotte kan zich weer doen gelden: ze schenkt voor allen in terwijl de kapitein de kaarten schudt en ze uitdeelt onder de meester, de tweede machinist, de tweede stuurman en zichzelf. Maar dadelijk beginnen: de tweede stuurman moet om acht uur z'n wacht betrekken. Met die wachtverdeeling is Charlotte nog niet geheel op de hoogte; ze zal 't eens opschrijven. Onder het inschenken ziet ze even naar de kaartspelende mannen, die er dadelijk alle vier „in" zijn. „Suiker en melk?" vraagt ze. Ja, allemaal, behalve de tweede machinist, die drinkt de thee zóó. Hoe sterker hoe liever, géén heet water erbij, astublieft. Hoewel de mannen slechts oog voor hun spel hebben, ondergaan ze toch 't prettige gevoel van: zelf niet voor de thee te hoeven zorgen. Ze zijn dankbaar als ze hun kopje voor de neus gezet krijgen en voelen de sfeer van vrouwelijke toewijding, die van Charlotte uitgaat, als ongekende gezelligheid aan. „Ruiten troef 1!" „Ja, dat dacht ik well" „Ik krijg nu waarachtig ook nooit 's 'n kaart!" „Ssssscht! Mondje toe en spelen." Alle vier zijn eerzuchtig, maar ieder op z'n eigen manier; het is grappig om er bij toe te zien. De meester speelt somber; in de wijze hoe hij 'n kaart trekt, drukt hij iets fataals uit, alsof hij er zijn levensgeluk mee verspelen kon. De tweede stuurman, die troef gemaakt heeft en wiens kaart prachtig ligt, ook ten opzichte van zijn medespeler, verkeert in vroolijke opwinding; hij vergist zich in zijn zegerijke campagne zelfs even door te veel haast, haalt te vroeg 'n tien uit, verliest 'm en slaat zich voor het hoofd over zóó'n stommiteit. Maar de volgende slag is weer voor hem. De tweede machinist zwijgt onder het spel en ziet glimlachend toe hoe hij - samen met de koppige, somber spelende meester - verliest. Hij heeft immers reeds bij het troef-maken gezien, dat de fortuin hem ditmaal niet gunstig is. 'n Ander keer beter! De kapitein geniet oprecht van zijn gemeenschappelijke zege met de tweede stuurman en wijst Charlotte, die bij hem inkijkt om het te leeren, telkens de kaart, die hij nu nemen gaat. Maar hij vergeet in zijn spanning uit te leggen waaróm hij die kaart en geen andere prefereert. „Maar nou heb ik toch nog één troeffie!" zegt de meester en haalt met bittere triumf tenminste nog 'n laatste slag, die hem en z'n mede-speler voor Klein-Slem behoedt. Hij heeft geworsteld tot het einde om nog te redden wat er te redden viel. De tweede machinist heeft hem daar slecht in gesteund. Die kent slechts: winnen of verhezen,-half verhezen is hem: verhezen. De tweede stuurman werpt 'n haastige blik op z'n horloge. Hij kan nog net één spelletje doen als 't vlug uit is. Dan maar weer gauw de kaarten schudden. Ditmaal wil Charlotte eens bij de meester inzien, omdat die 't zoo knap verloren heeft. Zij vindt het bést zoo. In het vuur van 't spel werpt men de maskers af, en zoo leert zij hen allen kennen. De tweede stuurman is onder het spelen gelukkig weer geheel de onbezorgde, overmoedige jongen van gisterenavond; zijn vreemde terughoudendheid is geweken. „U ook nog 'n kopje thee, stuurman?" Dit: .stuurman' klinkt nu in haar mond reeds als 'n vriendelijk bijnaampje. Maar hij weert niet meer af; 'n beetje bevoorrechting komt hem zelf welverdiend toe na zijn zege in 't spel, en hij antwoordt luidruchtig: „Daar zeg ik geen nee op, juffrouw! Maar 'n half schepje suiker méér dan daareven zal niet hinderen!" „Mij eigenlijk ook maar," sluit de kapitein zich handig aan. Op Dessauvagie na, zijn allen zoetekauwen. Met afgrijzen heeft Charlotte daarstraks aan tafel moeten toezien hoe de eerste stuurman zich drie boterhammen dik met suiker bestrooide... Zij kijkt ditmaal dus bij de meester in. Maar daar leert ze ook al niet veel: de meester gaat bij zijn kaarten te rade als 'n toovermeester bij z'n kabbalistische becijferingen en trekt er om geheimzinnige redenen tenslotte altijd toch weer die kaart uit waarnaar hij het eerst gegrepen heeft, - hij kan ook niet uitleggen waarom. Hij heeft in de tweede hand troef mogen maken en na lang en somber piekeren 'n „misère" voorgesteld, - waarop de kapitein zorgelijk in z'n kaart keek en de tweede stuurman 'n kreet van wanhoop slaakte. Luidruchtig bij 't overwinnen, zuchtend bij 't verhezen, de winnaar de pret bedervend door uit te roepen: „Nou ja, als je ook zóó'n kaart in je vingers hebt... 1" - dat is de tweede stuurman. Charlotte moet er om glimlachen. Wat zij voor hem voelt is werkelijk niets dan de genegenheid van 'n oudere zuster voor haar broer. „Je moet maar denken, Beermans: ongeluk in 't spel, geluk in de liefdel" troost Dessauvagie. „Als dat zoo was, zou zoo'n Don Juan als jij 't nooit mogen winnen," kaatst de stuurman zuchtend terug. „Ssscht!" bromt de meester, die onder het spelen niet gesteld is op flauwe kwajongenspraat. Somber kijkt hij voor zich uit, hoewel hij slag op slag wint. Men moet hem goed kennen om te zien, dat onder deze somberheid, die v(ijn vorm van koketterie is, 'n haast duivelsche triomf steekt. Er wordt nu weer zwijgend, haastig doorgespeeld, want het zal dadelijk acht uur zijn. En Charlotte studeert bij de meester. Maar haar gedachten houden zich niet meer met het moeilijk te doorgronden whistspel bezig. Daareven, vóór tafel, heeft Charlotte in 'n plotselinge opwelling haar bruinzijden avondjaponnetje uit de kast genomen en nog vlug aangetrokken nadat de bel al geluid had. Het is het beste wat ze heeft: eenvoudig, maar naar haar eigen meening toch heel smaakvol. Heeft ze daarbij gehoopt, dat men er haar 'n complimentje over maken zou? Zoo'n mal nest is ze toch niet; ze doet het in de eerste plaats voor haar eigen gevoel wanneer ze zich goed kleedt en geen flodderjaponnetjes dragen wil. En dat niemand aan tafel haar kleine metamorphose schijnt te hebben opgemerkt... - wat verwachtte ze er eigenlijk wel van?l Maar met wat hchte zelf-ironie komt Charlotte er ditmaal niet. De tweede machinist is 'n Don Juan, heeft de stuurman daareven gezegd. En de eerste blik uit Dessauvagie's donkere oogen, gisteren onder het voorstellen, heeft ook haar verraden, dat 'n vrouw, bijvoorbeeld 'n goedgekleede vrouw, hem méér is dan 'n spelletje whist. Al durft ze het zich niet openlijk te bekennen, - op %ijn blik heeft ze gewacht daarstraks aan tafel. Driftig vraagt ze zichzelf thans af wat die heele tweede machinist haar eigenlijk schelen kan. Niets 1 Hij is niet het tvpe man, dat haar aantrekt; ze wenscht hem met naderbij. Ja... maat dat hij zich op 'n afstand houdt, moet haar wil zijn, niet yy» gebrek aan belangstelling. Het liefst zou ze het hem ais 'n moedwillige onbeleefdheid aanrekenen, dat hij aan haar beste en werkelijk smaakvolle avondjaponnetje zelfs geen zijdelingsche bhk gewijd heeft. Maar iets in haar stelt, tegenover dit verwijt aan hem, de nuchtere, bij alle scepticisme zoo verontrustende vraag aan haar zelf: En als hij het nu wérkelijk niet opgemerkt heeft? Wat zijn dit voor nieuwe, verwarrende gedachten in Charlotte? Op wat voor grond is haar plotselinge onrust gebaseerd? Op gebrek aan belangstelling van de zijde van 'n man, die haar niets schelen kan. Charlotje ... lijkt dat niet 'n beetje heel erg op hysterie? Maar de twijfel, die in haar wakker geworden is, stoort zich bitter weinig aan spot. ,Ben ik dan soms zonder erbij te denken al 'n blauwkous geworden?!' vraagt ze zich af terwijl ze bij de meester in de kaarten kijkt en door 'n waas zijn geheimzinnige manipulaties volgt. Ze voelt haar onderlip trillen, legt snel de hand onder de kin; de andere speelt zenuwachtig met het oud-gouden ketentje om haar hals. Zenuwen. Niets dan nervositeit. Juffertje, juffertje, wat ben je overspannen! Zonder de geringste aanleiding haalt ze zich alles-en-nog-wat in 't hoofd. - Allons...! Acht uur. De tweede stuurman werpt met 'n: „nou, we hebben 't tóch al verloren!" de kaarten op tafel neer, gaat in 'n holletje naar de brug. Charlotte ziet hem glimlachend na. Ze heeft zichzelf weer teruggevonden. „Wie nog thee van de heeren?" Terwijl zij opnieuw inschenkt, komt de derde stuurman van de brug om voor Beermans „in te vallen". De kapitein vertelt juist over zijfi dienstjaar bij de marine. Daar heeft hij het graag over: de zeeman in hem maakt zich vroolijk over de reglementen en voorschriften uit den Haag, over het gebrek aan practische varens-kennis bij de officieren en de bemanning. „Ik was 'n aap van twintig en had al drie jaar als volmatroos bij de koopvaardij gevaren, - bij de „vetleeren" noemen ze dat daar bij de marine zoo'n beetje verachtelijk, want ze vinden zichzelf veel flinker. Nou, daar stond je nog op z'n ouderwetsch aan zoo'n dubbel handstuurrad: één stuurde aan 't voorste rad de koers, en met 't achterste rad hielpen 'm drie 't roer omkrijgen. „Blindemannen" heetten die drie. D'r was natuurlijk al wel 'n stoomstuurinrichting, maar die werd alleen in nauw vaarwater gebruikt om vlugger te kunnen laveeren; in open zee dachten ze zeker: ,Hens genoeg bij de marine!' en ik moet zeggen, dat 't zoo met z'n vieren wel zoo gezellig was. 'n Stuk of twaalf kapiteins en luitenants-ter-zee op de brug toen we weer eens met zoo'n monitor 't Nieuwe Diep uitvoeren. Cerberus heette 't ding en 'tleek net 'n strijkijzer, 'n Echt fijn marineweertje, en eind van de week zouden we weer thuis zijn. Ik was dan een van de blindemannen, samen met nog twee jongens van de vetleeren, maar aan 't voorste rad stond eentje van de marine, 'n eerste-klasser, de koers te sturen, — dat mochten wij niet doen. We stootten mekaar al 's aan: wat 'n mooie zogüjn die eerste-klasser maakte, — 't leek de zeeslang van Halikaka wel. En toen kon ik 't toch niet laten om 'm stilletjes te vragen: ,Heet je meisje bijgeval Sientje?' .Waarom dacht je dat dan?' was ie nog zoo dom te vragen. ,Omdat je niks dan S-sen in 't water schrijft,' zei ik zachtjes terug. Maar 'n officier hoorde 't toch. ,Ga jij dan 's sturen!' zei die tegen mij. Nou, ik achter 't rad, en de jongens achter hielpen me wel, dat je 'r van toen aan 'n liniaal langs kon leggen! Die hadden natuurlijk ook schik voor üen, maar met die eerste-klasser moest ik oppassen: die loerde van die dag af om me ergens in te laten loopen! Dat is 'm later trouwens nog gelukt ook." „Maar werd 't toen geen slecht weer, kaptein?" vraagt de meester, geamuseerd hoewel hij het verhaal blijkbaar al eens gehoord heeft. „Ja, bij de Shetlands-eilanden. We hadden ons veel te ver van honk gewaagd, want zoo'n monitor is eigenlijk alleen voor de kust en de riviermonden berekend. En toen stak me daar 'n stijve bries op met aanschietende zee; de reeling lag ook nog plat neer, want we waren juist gevechtsklaar! Maar toen vonden alle kapiteins 't toch maar 't veiligst, dat we ons met mekaar in 't tusschendek opborgen, en dan boven onze hoofden de boel potdicht. Nou, daar hadden wij van de vedeeren weinig aardigheid ih! ,Naar beneden, anders gebeuren 'r ongelukken!' riep zoo'n kapitein van de brug. ,.Ja, dat is 't 'm juist, kaptein', zeiden wij netjes terug, ,als er 'n ongelukje mocht gebeuren, zouden we daar beneden als muizen in de val zitten, en om nou te verdrinken zonder de zee te zien, is toch eigenlijk niks voor 'n zeeman! Mogen wij met z'n drieën niet boven blijven? We zijn van de vetleerenl' ,0, kom dan maar als blindemannen op de brug!' zei die kapitein. - Zie je, toen wilden ze wel, dat je van de vetleeren was! Ze hebben daar bij de marine toch 'n slecht geweten, en dat komt bij slecht weer boven!" Charlotte lacht met de anderen mee, maar ze heeft maar half geluisterd, neemt ook bij voorbaat aan, dat haar de kennis van zaken wel ontbreken zal om zoo'n zeemansverhaal geheel te kunnen volgen. En dan... haar hoofd staat vanavond toch niet naar zulke eenvoudige grapjes. Als de kaarten weer worden opgenomen, geeft ze voor, moe te zijn en morgenochtend weer vroeg te willen opstaan. „Da's jammer, 't was juist zoo gezelkg!" verzekert de kapitein oprecht. Maar Don Juan betreurt naar vertrek met geen woord, geen blik: hij schikt juist z'n kaarten en vraagt zich ernstig af, of hij er 'n „sans atout" op wagen zal, — hij mag troef bepalen. „Wel te rusten, juffrouw... eh, Clarenbeek." Charlotte gaat niet dadelijk slapen. Lang, heel lang staat ze die avond voor het kleine spiegeltje van haar v, aschtafel. Zeker, ook gisteren, voor het eerste aan-tafel-verschijnén, heeft ze er voor gestaan en zorgvuldig gekeken of heur haar wel netjes zat en of ze bij haar japonnetje het gouden ketentje zou omdoen. Maar nu strijkt ze met de hand het volle, donkerblonde haar terug en kijkt naar iets anders: of haar voorhoofd nog wel blank genoeg is voor 'n zóó jonge vrouw. Als ze in gedachten voor zich heenziet, staat er tusschen haar wenkbrauwen 'n verticaal rimpeltje. Met één hand tegen het bedde-schot steunend om door de lichte bewegingen van het schip niet vermoeid te worden, kijkt ze naar dit rimpeltje tusschen haar oogen. Ais ze erover strijkt is het voor 'n oogenblik weg. Maar het keert weer terug... hoe jammer. Ze weet hoe ze er aan gekomen is: het verwoede examenstoomen heeft er schuld aan. Charlotte kijkt voor de spiegel eens mijmerend, lachend, weemoedig, zorgeloos, hooghartig, boudeerend. Soms is het rimpeltje te zien, - nog niet altijd. Ze moet er vooral op passen, het voorhoofd niet te fronsen. Zou het dan misschien nog weer weggaan? Ze heeft het hooge, blanke voorhoofd der Clarenbeeks, — daar moet ze zuinig op wezen als op 'n waardevol erfstuk. Zooals het nu nog is, blank en lichtend onder het donkerblonde haar, geeft het 'n prachtige rust aan haar gelaat, dat bij geen enkele expressie verwrongen schijnt. Zelf 'n weinig verwonderd, ziet Charlotte in de kleine spiegel van haar waschtafel hoe gemakkelijk het haar valt naar willekeur de uitdrukking van haar gelaat te wijzigen; - straks is er in haar nog 'n film-actrice verloren gegaan! Of toch minstens: 'n coquette! Dit is immers het bedriegclijke spelletje van lokken-en-weer-afstooten, waartegen de mannen zoo slecht bestand zijn? Zij moet weer even glimlachen. Kijk eens hoe haar mond de fijnste gevoelsschakeeringen meeleeft; hoe sensibel haar neus en kin zijn. Beheerscht, wakend, alle onzuiverheid werend, - dat is haar voorhoofd. Maar nu dat rimpeltje...! Ze strijkt het haar thans geheel naar achteren, bedekt het achter de kleine, wasbleeke oorschelpjes met beide handen. Nee... kortgeknipt, dat moest ze nu maar aan jongere dingen overlaten! Het zou haar trouwens niet staan; ze was er geen type voor. Of misschien... toch? Charlotte weet zich geheel onbespied; slechts tegenover zichzelf heeft ze rekenschap af te leggen van wat ze hier voor de spiegel doet. Hoe streng zou ze zich weinige dagen geleden nog om dit alles veroordeeld hebben. Nu schort ze haar oordeel liever op en tracht zich, zwak en angstig, te doorgronden. De volgende dag is de lucht zooveel milder, dat Charlotte in 'n door de hofmeester opgelapte dekstoel, de mantel over zich heen, op het achterdek kan zitten. Ze bladert de jaargang van de Prins door, kijkt naar de plaatjes zonder de onderschriften te lezen: haar geest is er te moe voor. Tenslotte wordt het boek haar ook te zwaar, en ze legt het naast zich neer, tuurt met halfgesloten oogen over de zee of naar de grijze lucht, - al naar gelang bij het zachte schommelen van de boot de kim boven de reehng zichtbaar wordt of er weer onder wegzinkt. Zoo moe als deze morgen heeft Charlotte zich nog nooit gevoeld, ook niet vlak na haar geslaagd examen, 'n half jaar geleden. Ze vindt zelf, dat ze er nog niets beter uitziet dan toen ze eergisteren aan boord kwam. Integendeel. Haar oogen staan mat; ze kan niet vroolijk zijn; alles in haar drijft haar tot 'n wat droefgeestig peinzen, 'n peinzen zonder bepaald doel, zonder vaste richting. Het is, of er in haar 'n vage verwondering leeft, 'n Verwondering over alles, het heele leven, 'n verwondering vooral over zichzelf. Daar is ze nu van 't zomer negen-en-twintig jaar geworden en heeft nog nooit verder gedacht dan tot aan haar examen middelbaar-Nederlandsen. Goed, die acte heeft ze nu. „In haar zak", noemen ze dat. Ze kan nu naar 'n leeraresbetrekking op 'n H.B.S. of 'n gymnasium solliciteeren, zou het ook afgedaan hebben, wanneer het hoofd van de school haar niet zoo dringend en vriendelijk gevraagd had, het jaar uit nog te blijven, en wanneer zijzelf het ook niet prettiger gevonden had om met de haar nu sinds vier jaar toevertrouwde kinderen nog de hoogste klasse te doorloopen. Maar goed, volgend zomer kan ze dan toch solliciteeren en zal ook wel 'n betrekking vinden. En dan?? Is zij er dan? Ze heeft het tot nu toe gemeend. Op m'n dertigste al leerares, da's vroeg 1 heeft ze met 'n beetje heimelijke trots gedacht. Nu voor het eerst denkt ze anders over dit cijfer dertig; nu voor het eerst komt het haar niet meer zoo „vroeg" voor. Het geval van Christine komt Charlotte voor de geest. Christine Doorman, die ook bij het clubje van onderwijzeressen behoord heeft, maar nu van 't voorjaar getrouwd is. Geen van allen hadden ze gedacht, dat Christine, die er nog wel secretaresse van was en steeds consciëntieus 'n clubdagboek had bijgehouden, dit dagboek en ook de club zelf zoo ineens zou laten vaten toen „hij" aan haar horizon opdook. Juist Christine, zoo streng in haar opvattingen, zoo snel met 'n scherp oordeel gereed, zou het nooit goedgekeurd hebben, indien 'n ander terwille van 'n jongen al baar studies, haar „eenmaal aanvaarde levenstaak" ontrouw was geworden en haar vriendinnen links had laten liggen. Maar zelf deed zij het, - tot aller ontgoocheling. Christine scheen aanvankelijk de club zelfs geheel en voorgoed vergeten te hebben, - maar neen, bij het trouwen herinnerde ze zich haar vriendinnen weer en noodigde ze op het familiediner uit om daarmee alles weer goed te maken. En (na erover te hebben vergaderd!) waren zij ook allen gekomen, nieuwsgierig naar Christine's keuze (ze had haar „Jan" in Zandvoort leeren kennen) en geheimzinnig aangetrokken tot dit trouwfeest als tot elk ander, 'n Vreemde, omfloerste, zonderling triumfeerende blik van het bruidje had Charlotte echter getroffen en plotseling wantrouwen in haar gewekt: „het clubje", de vriendinnen waren slechts uitgenoodigd om toeschouwsters te zijn, nog liever: benijdsters. Schrik, bedroefdheid, 'n vage angst; Charlotte voelde voor het eerst de diepte rondom en onder zich; ze had moeite om de schijn te bewaren en vroolijk te blijven meedoen aan de komedie van klinken en „lang zullen ze leven!" roepen en bravo-klappen bij de pointe van 'n goedgemeende speech. Haar oogen zochten die der vriendinnen. Merkten die niets? Of speelden ze allen verstoppertje voor mekaar? Bij het naar huis gaan trachtte zij hun gevoelens te peilen. Maar de vriendinnen spraken er slechts opgewonden van hoe snoezig Christine er als bruidje had uitgezien; ze begrepen niet, dat er ook nog meisjes in mantelpak wilden trouwen; dat was zoo akelig nuchter; 'tleek wel of je op de pier ging wandelen! En: in Haarlem wonen was zoo kwaad nog niet; dat had Christine slechter kunnen treffen; prachtige omstreken, nietwaar, en Zandvoort vlakbij, waar ze nog 's ouwe herinneringen konden ophalen! Maar zoo'n schoonmoeder in de buurt als zij er eentje getroffen had, — dat was minder prettig! Ze woonde maar drie straten verder en had daarstraks aan tafel al gezegd, dat „haar Jan" met trouwen gewacht had tot er in haar buurt 'n huis vrij kwam, - dan bleven ze wat aanloop aan mekaar houden. Nou, wat dat te beteekenen had, moest je maar weten 1 Over haar schoondochter sprak ze met geen woord. Overigens had haar Jan gerust met 'n woordje kunnen bedanken op al die aardige speeches. Maar dat durfde ie zeker niet...! Ieders keuze zou hij trouwens ook niet wezen, hoewel 't verder 'n nette man scheen. Dit alles bespraken de vriendinnen, met nog 'n kleur van opwinding. En tot haar schaamte en verbazing... deed Charlotte er zelf aan mee. Zij is nu de eenige onder hen vijven, die 'n middelbare acte heeft gehaald. Ze is dan ook „de trots van de club". Maar is Christine's succes niet grooter geweest? Is dit heele zoo hoog gehouden „clubje" geen fictie? Hebben zij tezamen werkelijk vrijwillig iets „opgericht"... of schuilen zij slechts door de nood der omstandigheden tezamen op 'n langzaam naar de maalstroom zakkend eilandje? Wacht heel in het geheim niet ieder van hen op 'n over het omringende water toegestoken hand? Hoe overhaast, met achterlating van al haar strenge „principes" is Christine van hen gevlucht toen haar zoo'n reddende hand geboden werd. Nog eens: Christine. 'n Paar maanden later schreef ze 'n brief. Ze wilde contact houden met het clubje; het was „de herinnering aan haar jongemeisjestijd". Ze moesten met hun vijven volgende Zondag bij haar komen en zien hoe hef ze zich hadden ingericht (natuurlijk heel eenvoudig; Jan verdiende pas... volgde 'n hoogmoedig-bescheiden maandsalaris). En dan had ze gróót nieuws; samen met Jan moest de club dat het eerst uit haar eigen mond vernemen. Ze moesten a.s. Zondag dus vast komen. Met weemoed dacht ze nog vaak aan de gezellige club-avondjes. Met weemoed. - Zij wilde nog aan de komedie meedoen, toen het leven zelf zich in haar lichaam aankondigde. Of schreef ze uit medelijden zoo? Uit medelijden met de „club" ? Zulke gedachten werken zich traag door Charlotte's brein, terwijl ze daar in haar dekstoel ligt. Ze heeft bij haar achtergebleven vriendinnen het wantrouwen gevoeld, de vrees, dat ook Charlotte de club „verraden" zou, indien er haar hier 'n gelegenheid toe geboden werd, De angst om met nóg minder achter te blijven. Er waren groote plannen! De club moest eindelijk maar eens 'n naam hebben nadat ze nu zopwat vier jaren bestaan had. Wat dacht Charlotte van: Minerva? Ze moest er op reis maar eens over nadenken 1 En als ze er niet te moe voor was, moest ze wat notities maken en die dan thuis tot 'n kort dagboek van de reis uitwerken. „Het Logboek van de Club" zou dat dan heeten, en ze zouden het laten inbinden, dan bleef het bewaard! Alles komt Charlotte nu zoo klein en onbelangrijk voor. Haar diploma middelbaar-Nederlandsch, waarvoor ze jarenlang gezwoegd heeft, dat haar als prachtig eind-doel toegelonkt en haar 'n rimpel gekost heeft, schijnt haar nu nog slechts 'n bedriegelijk stuk papier, 'n verraderlijk-doodloopende zijweg. De school, de club ... wat is dat? Daar is de zee, de hemel en de aarde; daar zijn de menschen, de dieren en de planten; daar is leven en sterven, - het ruischen van de wind en de branding... In zoo groote en vage trekken ziet Charlotte, vermoeid mijmerend, het leven. De hofmeester brengt 'n kop bouillon en maakt z'n gewone praatje. Hij komt nog weer eens op de stoel te spreken: hoe hij hem onder de bank in de loodshut opgediept en voor de juffrouw in orde heeft gemaakt. Hij wist 't wel: er moest nog ergens zoo'n dekstoel zijn. Maar waar?? En toen ie 'm dan toch eindelijk vond, lag de heele stoel uit mekaar. „Maar nou zit ie toch weer stevig, niet waar?" Charlotte drinkt met kleine teugjes haar heete bouillon en luistert. De hofmeester staat naast haar te wachten om de leege kop meteen weer mee te nemen, maar het komt haar voor alsof hij oneindig ver weg is. Zij luistert naar het geluid van zijn stem en doorziet zijn praatjes, die er slechts op berekend zijn, de fooi aan het eind van de reis te vergrooten. Vreemd...! denkt Charlotte in haar uit groote vermoeidheid voortvloeiende neiging om alle onbelangrijke dingen met diepere gedachten in verband te brengen, die er loodzwaar aan blijven hangen, - vreemd... I hoe minder scherp je naar iemand luistert, hoe beter je 'm soms verstaat. De stem, daar gaat het oml Woorden verwarren en leiden op 'n dwaalspoor; woorden zijn door ontelbare handen gekneed, vervormd, besmet, verminkt; aan elk woord kleven leugens en voor alles wat leelijk is zijn wel mooie woorden veil. Maar de stem... 1 De door menschen gevormde woorden mogen werktuigen in Satans band geworden zijn, - de stem, het wonder van het spreken zelf komt van God. De stem is doorzichtig als het water; zij kan niets verbergen. Het is, of zij de woorden filtreert: waarheid lost er zuiver in op; leugen blijft als wrang bezinksel achter, - het gaat er maar om, of men het proeven wil. Charlotte heèft nog niet liefgehad, al meende ze het eens. Het was drie jaar na vader's dood, ze kan dus niet ouder dan twee-en-twintig geweest zijn, - ja, ze werd juist geplaatst als hulponderwijzeres. Zich bij oom en tante onzegbaar verlaten voelend, snakte ze er naar, haar hart weg te schenken. Hij, nog jonger, net van de kweekschool, zou naar Indië gaan. Ze meenden hun korte liefde niet stormachtiger te kunnen beleven dan door tezamen gedichten te schrijven, die aan elkaar voor te lezen en ze in één schrift te verzamelen onder het gemeenschappelijk pseudoniem: ,,'n Doler in de velden". Ze waanden zich 'n Philemon en Baucis, lazen samen romans, achtten zich boven vooroordeelen verheven en spraken vrijuit over het levensgeheim en zijn diepste zin, welke zich naar zij vertrouwden alleen voor hen ontsluierd had. Zij zochten „de waarheid", meenden, dat zij nu eens géén komedie voor elkaar speelden en hun geheimste gedachten eerlijk voor elkaar uitspraken. - Hoe mooi smukten ze die gedachten op met geleende woorden I Vóór alles waren ze op het symbool uit. Hun liefde moest 'n „ivoren toren" zijn. Maar in 'n eenzaam laantje stortte de toren ineen en werd 'n reeks verwarde kussen en bezweringen. Hij &°S aaAt Iridië. Haar vrouwelijk instinct, bewaard gebleven onder al dit zoeken naar levens-symbolen, zei haar, dat het uit zou zijn tusschen hen beiden. En, al zou ze zich dat nooit bekend hebben: ze was blij, dat hij weg moest, dit uit elkander gaan par force majeure voorkwam 'n ander, dat hen beiden beschaamd zou hebben. Van boord stuurde hij nog 'n gedicht. Het zou het eerste „schakelde" zijn van: „... 'n teedere vriendschapsband van Indië naar Nederland." Het kon Charlotte niet meer schelen. Indien 2e nog samen waren geweest, zou ze er hem met de zachtheid, die haar eigen was, op gewezen hebben, dat het beeld niet geheel juist was: 'n band bestaat niet uit schakels; wèl 'n ketting. Zij stelde steeds veel waarde op zuiverheid van vorm, juist in 'n gedicht. Ze zou het hem dus gezegd hebben, en hij, licht gekwetst, verhefd op z'n rijm, zou met z'n oude verdediging zijn komen aandragen, dat 'n gedicht als 'n aanspoelende golf is, „die, brekend in zilverschuim, ook wel onzuiverheden op het strand werpt", - waarop men maar niet letten moet, wil men voor geen taalzifter doorgaan. Dat beeld van die aanspoelende golf was hem hef; Charlotte verdacht er hem heimelijk van het ergens te hebben opgesnuffeld. Maar toen hij goed en wel op de boot zat, was zij het moe; haar jonge, gezonde natuur wilde niet langer met symbolen en zwaargestemde ernst gevoed worden. Zij borg zijn laatste gedicht nog bij de andere, stopte het schrift ergens weg, stortte zich hongerig op haar dagehjksche werk, kon het zelfs niet meer van zich gedaan krijgen om nog te antwoorden, hoewel ze wist hoe gretig hij haar lof wachtte. Twee jaar later kwam de volgende brief van hem, door Charlotte met vreemde, wantrouwende gevoelens geopend. Uit haar niet-antwoorden, schreef hij, had hij slechts kunnen opmaken, dat 'n ander reeds zoo kort na zijn vertrek zijn beeld uit haar hart verdrongen had; in dat geval echter zou het misschien tactvoller zijn geweest, hem zijn gedicht terug te sturen. Hij had er heel lang onder geleden, maar het zou haar stellig verheugen te vernemen, dat hij intusschen met 'n meisje in kennis was gekomen, dat hem geheel begreep en hem over zijn verdriet had heengebracht; zij zouden nu over enkele maanden in het huwehjk treden, „ik heb één laatste verzoek aan je, Charlotte: verscheur het schrift, waarin wij t.z.t. onze gevoelens beleden. Nu pas weet ik wat groote, ware, alles overheerschende liefde is, en slechts als ik er geheel zeker van ben, dat van mijn vroegere dwahngen (vergeef mij dit woord) geen spoor meer over is, zal ik geheel rein tegenover mijn a.s. vrouw kunnen staan, - wat mijn vurigste wensen is. Zend mij even p. rest. antwoord, bij voorbaat je dankbare..." Charlotte was, toen ze die brief ontving, al voor haar middelbaar-Nederlandsen bezig. Ze had hem niet geantwoord, ook niet p. rest. (die ontzettende afkortingen waren nieuw bij hem). Ofschoon er haar op dat oogenblik niets meer aan gelegen was, had ze, in 'n soort koppig verzet, het schrift niet verscheurd. Geschreid, getrild van verontwaardiging had zij na het lezen van zijn epistel. Het was voor hem niet te hopen, dat zijn a.s. vrouw hem zoo goed begreep als Charlotte nul Hij durfde het woord „tact" in z'n mond te nemen 1 Hij sprak van „alles overheerschende liefde" en maalde om 'n schrift met kreupeldichten, - de stumperd! Wat was er dan tusschen hen gebeurd, dat hij „niet rein voor z'n vrouw kon staan"?! En als er in zijn verleden dan al iets was, dat hem besmette, won hij er reinheid mee, wanneer de sporen daarvan werden uitgewischt?! Blinde eigenliefde I Niet wat er tusschen hen beiden geweest was, neen, deze brief, zijn eigen brief besmeurde hem - en Charlotte erbij! Zoo dacht ze toen. Later kon ze alleen nog maar glimlachen. Van z'n zuster, die ze kort geleden weer ontmoette, hoorde ze, dat hij vader van vier kinderen geworden was en met verlof naar Holland zou komen. Charlotte is ondanks die gedeelde „dwalingen" maagd gebleven, naar ziel en lichaam. „Misschien varen we mekaar op zee nog voorbij," denkt ze, met lichte spot. Ze heeft eens 'n oud-Japansch gedichtje uit 'n tijdschrift geknipt en in haar kamertje aan de wand geprikt. „De vallende kerse-bloesems". Voorjaar is het, maar het regent triest en de lucht is grijs. Onder de bloeiende kersenboomen ligt - wat onverstandiger dan andere menschen, die in hun huizen schuilen - 'n dichter op de rug uitgestrekt in het natte gras. En terwijl allen het voorjaar vergeten en slechts de grauwe hemel zien, vallen de dichter daar in het natte gras de kerse-bloesems in de toevallig uitgestrekte hand; sneeuwwit en zoetgeurend spant zich de lente boven hem uit, en voor hem, voor hem alleen is het voorjaar. Waarom moet Charlotte juist nu weer aan dat gedichtje denken? 'n Vers, van 'n schoone en diepe zin vervuld, is als 'n onvergankelijke, lichtende spiegel, 'n kristallen bol met ontelbaar vele fijngeslepen vlakjes, waarin ieder sterveling zich spiegelen kan zooals hij het verkiest en zooals het hemmaar troost vermag te geven. Ook Charlotte heeft haar eigen vlakje, en terwijl ze op haar stoel ligt uitgestrekt, ziet ze peinzend, met gesloten oogen naar het spiegelbeeld. Neen, het is geen winter, - dat lijkt maar zoo. Diep in haar is het voorjaar; al is ze mat en bleek en vermoeid, diep, diep in haar bloeit het en wil het vrucht dragen. Alles wat Charlotte op dit oogenblik in de gedachten komt, is van 'n diepe zin vervuld. Middeleeuwsche „Lietjens", die ze voor haar examen heeft moeten „stoomen", zijn haar bijgebleven zonder dat ze er zich bewust van was; nu vallen ze als kerse-bloesems uit de grauwe lucht en vertellen haar van het voorjaar. „Het waren twee Conincskinderen... maar het water was vele te diep", „Die Soudaen hadde een dochterkijn", „Een trommeker met rooden mond", „Daer sat een sneeuwwit vogelkijn al op een stekedorentje van din don deine, din don don..." De hofmeester komt aantrippelen. „Heb u de boer met z'n varkens al 'r 's gezien, juffrouw? Zoo noemen wij de bruinvisschei Ze spek voor de boegl" „Ja, maar kan ik daar wel komen?" „Waarom niet? Komp u maar 's met de hofmeester mee 1" Hij spreekt van zichzelf in de derde persoon. De hofmeester, moet Charlotte denken, de hofmeester is iemand, die 'n dekstoel voor me gezocht en opgelapt heeft en me komt waarschuwen als er bruinvisschen te zien zijn, - de hofmeester mag wel 'n dikke fooi hebben aan 't eind van de reis. Ze volgt hem nu in onverwachte spanning naar het voordek, moet over 'n plank loopen, die daar op de vaten gelegd is. De hofmeester biedt haar daarbij als 'n cavalier de behulpzame hand, maar hijzelf verliest onderweg 'n paar maal bijna zijn evenwicht. Charlotte gaat met vaste tred, voelt in haar rug de blik van de tweede stuurman, die op de brug wacht looot. Nu moet ze het tranie naar de „bak" op; 'n man is in 'n hoek bij 'n klein trap-oventje aan 't prutsen; zijn gezicht zit vol zwarte roetvegen, en hij tikt ietwat gegeneerd tegen z'n petrand. Charlotte is bij de neus van het schip aangekomen, gaat op een van de roestige bolders staan om over 't hooge hek de vetglimmende ruggen der bruinvisschen te kunnen zien, die smijdig in de golven wegduiken en weer naar de oppervlakte jagen. Het is 'n fascineerend spel. „Ik heb 't al wel honderd keer en vaker gezien, maar ik ken 'r altoos weer naar kijke," verzekert de hofmeester, die naast haar over 't hek leunt. „Wat zwemmen ze verbazend vlug!" „Oh, da's nog niks, juffrouw. Wij loopen maar tien mijl, maar ze spele eve graag voor de groote lainers, die wel vijftien mijl en meer makel" Beiden turen. Op en neer, gaat het daar beneden. Op en neer; ze snijden door de golven als 'n mes door de warme boter, hebben zwijgende pret van vlak voor mekaar langs en over mekaar heen; ze werpen zich geheel óm van jolige vreugde: 'n gezonde bruinvisch te zijn en door de wijde oceaan te zwalken; ze toonen Charlotte 'n smettelops-witte buik onder de donkerglanzende rug. Zoo spelen de dieren der zee; zoo spelen ook in naïeve vreugde meerminnen en watermannen, zeewier in haar en baard. Poseidon's snelle rossen kunnen slechts bruinvisschen zijn! Kijk, daar opeens, als Charlotte éven de hand naar het uitwaaiende haar brengt, zwermen de visschen - waarvan zij de kinderen op school moet leeren, dat 't heelemaal geen visschen, maar zoogdieren zijn! - terzijde uit en schieten in de diepte weg. Maar het schip zelf door het water te zien snijden, is ook al mooi. Als 't mocht, zou Charlotte liefst de heele dag hier vóór op de bak zitten en recht vooruit turen naar het eerste streepje land. Nu ze hier eenmaal over het boeghek geleund heeft, komt het reizen daar op 't achterdek haar nog slechts voor als: vervoerd worden; net is geen vlucht in de wijde ruimte meer. Als ze het trapje weer afdaalt, klinkt onder haar, uit het volkslogies, 'n harmonica, - het instrument van de zee. Licht betooverd vertraagt ze haar schreden, lacht en knikt de tweede stuurman, die over de frontverschansing van de commando-brug leunt, zonnig toe. Hij tikt vormelijk tegen z'n pet, wendt zich terzijde, roept, om afgeleid te zijn, de roerganger 'n onbeduidende koerswijziging toe. Charlotte voelt zich weer leeg; het harmonica-wijsje echoot in haar als in 'n holle kamer; ze wordt even duizelig terwijl ze op de plank balanceert, maar de hofmeester biedt de behulpzame hand. „As de hofmeester d'r toch niet was, juffrouw!" Nu ligt ze weer in haar stoel, de mantel over zich heen. Doch die middag wint ze de tweede stuurman voor zich en gooit hij voorgoed zijn onverklaarbare, steeds weerkeerende terughoudendheid over boord. Charlotte zit na tafel op het dek met de kapitein te praten, die haar vraagt of ze niets lezen wil: er is 'n bibliotheekje aan boord met boeken van Brusse, Ivans, Scharten-Antink, van Maurik en vertaalde romans van Curwood, CourthsMahler, Sinclair, Bertha von Suttner... Neen, Charlotte wil niet lezen. Ze heeft voor haar examen zóóveel moeten lezen, zegt ze, dat ze hier aan boord haar oogen maar eens wat rust wil gunnen. Vriendelijk dank! „Houdt u dan misschien van dammen? Willen we eens 'n spelletje dammen?" „Ik wil wel, maar ik heb 't niet vaak gedaan!" O, de kapitein is er ook geen Capablanca in. Of is dat een schaakmeester? Hij laat het spel door Gerrit halen, en even later zitten zij naast elkaar te dammen, het bord balanceerend op de smalle stoelkuning. Nu komt de tweede stuurman voorbij en blijft erbij staan. Charlotte schijnt hem nauwelijks op te merken. „Toch 's even kijken wie 't wint," zegt hij, - zoo voor de grap. Maar al spoedig is hij één en al belangstelling, schudt ontzet 't hoofd als Charlotte naar zijn meening niet de juiste steen verschuift en brandt erop, dat de kapitein zal zeggen: Kom, ik ga 's even naar de derde stuurman op de brug kijken, of die ons wel in 't goeie vaarwater houdt, - soeel üi maar zoolang voor mij, Beermans. Maar de kapitein stelt nóg 'n spelletje voor. De teleurgestelde blijft toekijken. Bij het derde spel krijgt Charlotte medelijden en biedt de stuurman aan, in haar plaats eens 'n spelletje met de kapitein te doen. Maar nu herinnert deze laatste zich, dat hij eigenlijk tóch 'n oogenblikje naar de brug wilde en dat de stuurman dus in zijn plaats kan gaan spelen. Dankbaar gaat de zoo geïnteresseerde toeschouwer op de door de kapitein verlaten stoel zitten. En reeds het eerste spelletje wint hij met drie dammen en vijf stukken. „Nog 's?" vraagt hij, stralend. Alleen jammer, dat 't bord zoo wankel staat op die stoelleuning; dat is niet prettig spelen. Hij zal misschien even 't tafeltje uit z'n hut halen? Charlotte weet er al iets beters op: ze trekt haar beenen van de stoel, gaat schuin achterin zitten; ziezoo, als nu de stuurman op 't voeteneind wil zitten, kan het bord tusschen hen in staan. Ja, dat gaat werkelijk beter. Als de juffrouw zoo niet al te ongemakkelijk zit? En zou de stoel 't houden? - O, dat zal wel gaan: de hofmeester heeft 'm juist opgelapt. En dus spelen ze, het bord tusschen hen in. De stoel houdt het uit. Uit het gangetje van de midscheeps krijgt de tweede machinist hef spelende paartje in de kijker; hij slentert achteloos naderbij, blijft tegen de reeling staan en vraagt: „Wie wint er?" Charlotte wijst glimlachend op haar tegenspeler. „Hou je kop dicht," verzoekt deze de nieuw-aangekomene goedig-barsch. Wat maalt hij tenslotte om flauwe verdenkingen? Hij is aan 't spelen, basta. En hij wint. „Pas op, als u die steen daar laat staan, sla ik 'r drie!" Zoo zeker is hij van zijn overwicht, dat hij zelfs waarschuwt voor 'n gevaar. „De juffrouw had 't zelf wel gezien, maar wou 't jou gauwer laten winnen! Jij wint immers zoo graag?" plaagt de tweede machinist. En knipoogt even naar Charlotte. Deze kleurt van plezier, voelt zich weer geheel opleven. Terwijl de stuurman 'n onverstaanbaar antwoord bromt, steekt de machinist vroolijk 'n sigaret op, duwt er ook zijn makker een tusschen de saamgeknepen lippen. „Morgen krijgen we 't Spaansche zonnetje!" profeteert hij. „De lucht breekt al. - O, pardon, mag ik u misschien ook presen- n t-U^^^t+a mnW nipt "Danlc u. Maar dat hij haar zijn koker aanbiedt, rekent zij zichzelt toch als 'n kleine vordering aan. Er wordt 'n tijdje zwijgend gespeeld. „Weet u, dat we zoo dadelijk 'n boot passeeren? zegt de tweede machinist. „Waar dan??" vraagt Charlotte verrast. 'Hier dicht aan stuurboord, kijkt u maarl" j De stuurman heeft van z'n leven wel eens vaker n boot zien passeeren, maar bij is toch galant genoeg om op te staan en Charlotte de vrije doortocht te geven. „We laten 't spelletje nog zoolang staan, juffrouw 1" ja 't spelletje Wijft zoolang staan, en de stuurman is straks het eerst aan de beurt. Nu staan ze met hun drieën tegen de stuurboordreeling en kijken naar het passagiersschip, dat zoo dadelijk op 'n kwart mijl-of-zoo passeeren zal. Daar schat de machinist het op; de stuurman denkt méér: de afstanden op zee vallen tegen, - maar wat zou zoo n olie-verknoeier in z'n machine-kamer daarvan weten! Van de brug wenkt de kapitein Charlotte met n kijker. Jsfee, kap'tein, de juffrouw blijft hier!" roept de tweede machinist vroolijk naar de brug, en Charlotte glimlacht maar, maakt 'n gebaar van: u hoort 't, - ik mag met komen! Ze kijken nu naar het voorbijvarende schip met z n hooge, witte wandel- en sloependekken. ,,'n Red Star-liner', vertelt de tweede machinist aan Charlotte en vraagt aan de stuurman: „Kun je de naam lezen?" „Queen Victoria", antwoordt deze, scherp turend, veel enthousiasme ligt niet in z'n stem, - 'tis immers geen „Hollander". . De staurmansleerling komt met 'n vlagge-knoedeltje van de brug hollen, en Charlotte vraagt zich in werkelijke zorg af, of bijgeval die vieze lap weer zal worden geheschen, zoozeer voelt ze zich al huisvrouw-met-verantwoording op de boot. Nee, gelukkig, deze vlag is ordentelijk; de andere is zeker alleen voor de havens waar gebunkerd wordt. Op de wandeldekken van het passagiersschip verdringen zich de menschen, blij met 'n verzetje, al is dat verzetje dan ook maar 'n Hollandsen vrachtbootje. Petten, shawls, kijkers, kodaks, nurses met kinderen. Uit 'n poort kijkt 'n kok met 'n hooge, witte muts op; in 'n opengeklapt zij-luik staan 'n paar stokers, pas van „de plaat", zich te wasschen, wuiven eens met hun zwarte handdoek. Charlotte voelt alle aandacht van de overzijde voor zich; kijkers worden op haar gericht, op de eenige passagieres van dat kleine vrachtscheepje. Tusschen twee jonge officieren 1 In gedachten vangt ze op wat er in verschillende talen over haar gezegd wordt: „Hoe durft zoo'n meisje! - Zou 't misschien 'n stewardess zijn?" Zij lacht, en met hun drieën staan ze vertrouwelijk tegen de reeling geleund. Een passagier daar aan de overkant is druk aan 't gebaren, zwaait met pet en zakdoek. „Goeie rei.. .sü" schreeuwt hij over het water. „Goeie reis!!" schreeuwt alles op de Medusa terug. „Hoor je dat, jongens? D'r zit 'n Hollander op!" Dat is dadelijk héél wat anders. Op de bak wordt hij zelfs al voor de gek gehouden. „Hei... Jèn! Seg je se gedag in Mokum?" Drie maal trekt de stuurmansleerling de vlag op en neer; de Hollander daar aan de overkant houdt zich nu, voldaan, kalm. Hij voelt dit eerbewijs met de vlag waarschijnüjk voor zich alleen, ziet misschien niet, dat op het achterdek van de Queen Victoria 'n Britsch vlaggetje drie maal op en neer danst. „Nou... zullen we weer doorgaan met 't spelletje?" vraagt de stuurman, z'n ongeduld slecht beheerschend. Ja, dat wil Charlotte wel: het spelletje voortzetten. Ze kijkt nog even naar de hemel, die hier en daar doorzichtig is geworden en blauw doorschemert. Spanje kondigt zich aan. V Als Charlotte de volgende morgen wakker wordt en door haar patrijspoort naar buiten kijkt, voelt ze dadelijk: het Zuiden. De lucht is transparant en ijl; van de oostelijke kim straalt 'n gouden licht op, dat zich spoedig over de gansche hemel uitbreidt; ook de zee wordt ermee gedrenkt; op de kleine golfjes staat het goud tot lange, levende schakelkettingen geregen. Ze draait met inspanning van al haar krachten de stat toegedraaide poort open, en nu waait er 'n dunne, zoele lucht naar binnen, die ze even, de oogen gesloten, inademt, 'n Verrukking. Wat heeft ze weer geslapen, - zoo kent ze het heelemaal niet! Als ze thuis, oververmoeid, eens 'n keer heel diep slaapt, dringen zich verontrustende droombeelden voor baar geest 'op, en bij het ontwaken heeft ze hoofdpijn. Nu voelt ze zich frisch en opgewekt. De hofmeester is er alweer met z'n sterke thee, waaraan ze intusschen gewend raakt, al drinkt ze thee liever uit 'n dunner kopje, zooals 's avonds, wanneer het servies van de kapitein gebruikt wordt. Die dikke koppen zijn beter voor chocolade en bouillon, - nu goed, ze moeten natuurlijk tegen stormweer bestand zijnl Of de juffrouw goed geslapen heeft, informeert de holmeester. „Best! En u?" „Aan één stuk en met allebei m'n ooge toe, juffrouw! Hij vindt het grappig, dat daarnaar geïnfonneerd wordt. „Nou, had de hofmeester nou soms geen gelijk, dat je nooit beter weer zei treffe as juist met November? En dat nog wel in de golf van Biskaaie!" „Ja, compliment, hoor!" | j Als 't hier altijd zoo is, heeft die golf van Biscaje n slechtere naam dan ze verdient! denkt Charlotte en kleedt zich spoedig om naar de brug te kunnen gaan. Wie loopt daar nu wacht? De tweede stuurman? O, neen, de derde, want 't is nog geen acht uur. Charlotte raakt al aardig in de wachten thuis: op de brug vindt ze werkelijk de derde stuurman, die door het mooie weer Marx en 2'n leer 'n oogenblik vergeten heeft en tegen de reeling staat te fluiten van: „C'est ta bouchel" Daarbij kijkt hij naar 'n Spaansch visschersbootje, dat, met 'n licht briesje in 't 2eil, in dezelfde richting dicht onder de Medusa meeloopt. In Charlotte bezinkt het geluk van: zulk 'n morgen; haar oogen lachen terwijl 2e gretig naar het brandendroode, met zonnegoud omboorde zeil van het visschersbootje staart. Zoo van boven gezien is het maar 'n huikje, - wat 'n durf: dat groote 2eil! De boorden van het vaartuigje 2ijn met 'n bonte schildering overdekt, welke 2ich nog zelfs onder de zeespiegel voortzet en helder doorschijnt: in 'n door de waterglooiing bochtige lijn is de geheele kiel te 2ien. Drie mannen in lompen en nog 'n halfwassen jongen zitten, knabbelend aan groote maïskolven, op de bodem van het vaartuigje bijeen, 'n rond, 2wart mutsje op de bruine, gebogen koppen. De derde stuurman wil Charlotte - naar 's kapiteins voorbeeld - 'n kijker brengen; hij2elf voelt er geen indiscretie in om het intieme groepje van arme visschers en hun lompen te gaan begluren als 'n curiositeit. En als Charlotte 2ijn aanbod terug wijst met: „Nee, dank ul U is heel vriendelijk, maar ik kan met 200'n kijker tóch nog niet goed overweg...", wil de stuurman zich op 'n andere wij2e verdienstelijk maken. „Hei!" roept hij over het water. „Buenas diasl De donde? Bilbao? La Corunha?" En is daarmee waarschijnlijk au bout de son espagnol: hij wacht nu, tevreden, op antwoord. De visschers kijken 2wijgend op, - glinsterend 2warte oogen onder 2warte wenkbrauwen. Moorsch! denkt Charlotte. Deze oogen zijn toch nog veel zuidelijker dan die van de tweede machinist. De visschers keuren de schreeuwer geen antwoord waardig, kennen dat geroep in enkele Spaansche radbrakingen van de grootere schepen wel; gewoonlijk wordt hun nog iets veel onzinnigers toegeschreeuwd: „Habla Castellano? Spreken jullie Spaansch... ?" Ze zwaaien hun arm onverschillig als tegengroet en trekken zonder er verder naar om te zien de schoot van het zeil wat aan als de koers van hun vaartuigje teveel naar het groote schip neigt. Slechts de halfwassen jongen, blootshoofds, met warrelige zwarte krullen, die vóór zit ©p de. ineengerolde netten, werpt z'n afgeknabbelde maïskolf in het water, lacht schalks tegen Charlotte, pakt in iedere hand 'n züverig-blinkende, nog spartelende visch en roept iets in kleurige klanken omhoog. . „Wat zegt hij?" vraagt Charlotte geïnteresseerd, zich tot haar buurman wendend. „Hij wil ze zeker verkoopen," antwoordt deze. Maar het gebaar is naïever dan bij het opvat, drukt eerder uit: Kijk eens wat 'n visch we gevangen hebben?! Of: Zidke visschen zijn er in jullie zee toch zeker niet? „Ja, dat taaltje van die visschers is 'n raar ratjetoe!' verzekert de stuurman. „Die spreken natuurlijk hun dialect." Anders zou hij het verstaan hebben. De kapitein komt de brug op. Charlotte moet getuigen, dat ze goed geslapen heeft. De kapitein zelf helaas niet al te best: z'n rheumatiek plaagt 'm weer sinds enkele dagen. Charlotte meent, dat 't nu in de warmte wel gauw zal overgaan. „Ja, ik krijg 't telkens van die eene week thuis 1 Is me dat ook 'n klimaat in Holland!" zucht de kapitein. „Hier is 't ander weertje, hè?" Het visschersbootje blijft nu langzaam-aan achter, ruimt de schoot en steekt heftig dansend het kielwater van de Medusa over. Charlotte ziet bezorgd toe. „Hoe moet dat nu met zulke menschen als er eens onverwachts 'n storm opsteekt?" vraagt ze onwillekeurig. „Dan varen ze maar met klein zeil, juffrouw!" licht de derde stuurman haar met kennis van zaken in. Zijn stem klinkt opgeruimd: 'n storm doorstaan in zoo'n visschershulkje heeft - tenminste voor zeelui als hij - niets om 't lijf. Maar de kapitein hoeft - met z'n vier gouden strepen op de mouw - niet meer te bluffen om voor Charlotte 'n ervaren zeeman te zijn. Hij ziet met zijn lichtblauwe oogen, die de kleur van het water hebben, peinzend voor zich uit, naar het roode zeil, en zegt: „Dan zit ik kever op de Medusa, juffrouw." Een meeuw cirkelt om de masten van het schip, - voorbode van het land. Het matte gevoel, dat Charlotte gisteren tot doelloos, droefgeestig mijmeren dreef, is vandaag geheel van haar afgegleden; ze heeft weer oog voor de kleinigheden, die het dagelij ksch leven uitmaken. Ze vraagt de hofmeester deze morgen bij wijze van afwisseling om 'n spiegel-eitje, en als ze later in haar stoel aan dek ligt, neuriet ze 'n liedje van Hullebroek voor zich heen en tracht zich de woorden van het tweede couplet te herinneren. Ze zou graag 't een of ander uitvoeren, - als 't niet te gek was, wou ze de kapitein desnoods wel aanbieden om z'n sokken te stoppen! Maar dan moest hij zelf nog wol en 'n stopnaald bij zich hebben, want zij heeft voor haar vrije tijd mets anders dan de Baedeker en haar Italiaansche rds-schriften meegenomen. Bij gebrek aan beter diept ze die dan ook maar uit haar koffer op en completeert haar aanteekeningen over Pompei. Voor nietsdoen is ze 'n weinig bevreesd, - ze wil haar gedachten van gisteren ontwijken en zoekt afleiding. De meeuw zweeft nog steeds om de masten, schiet omlaag wanneer er iets in zee geworpen wordt, laat nu en dan 'n glazige roep hooren. Tsjie.. .iepl Héérlijk, die luchtige warmte. Heel ver weg gloeit nog het roode zeil op het blauwe water. Blauw is niet genoeg gezegd, - het is het zuiverste, diepste blauw, dat Charlotte zich met gesloten oogen droomen kan. 's Middags komt de tweede stuurman weer met het dambord aandragen: hij is er zelf wat verlegen onder, maar het duiveltje van het damspel heeft hem nu eenmaal te pakken. „Willen we soms nog 's 'n spelletje, juffrouw?" „Ja, dat is 'n goed idéel" zegt Charlotte tot stuurmans vreugde en schikt al in haar stoel terug, alsof ze nooit anders dan zóó spelen: hij op 't voeteneind. Charlotte zal de witte steenen nemen, hij de zwarte, net als de laatste keer. Van het voordek klinkt daverend gezang in droefgeestige uithalen. „Tabéééééh, Minaaaaa... 1' ,,'t Schele gevaar!" lacht de stuurman, blij met 'n gesprekstof, en vertelt onder het steenen-uitzetten: „Da's 'n schele stoker: Janus! Wij noemen 'm Caruso, maar voor op de bak heet hij: 't schele gevaar. Hoe harder, hoe mooier, verbeeldt hij zich. Hij wil aannemen, om alléén het Wien Neerlands Bloed te zingen tegen alle anderen In Naam van Oranje en ze met mekaar toch te overschreeuwen 1" Maar dan spreekt de tweede stuurman niet meer: het spel heeft 'm te pakken. „Uw beurt, juffrouw Clarenbeek!" Charlotte blijft glimlachend luisteren naar het gezang. Ieder vogeltje zingt zooals 'tgebekt is! Kwam die stoker uit 'n ander milieu en had hij op het conservatorium gestudeerd inplaats van bij de draaiorgels en in de tingeltangels van de Jordaan, dan zong hij nu misschien in de opera, of op liefdadigheidsconcerten en werd bekranst en toegejuicht. Want deze bas, die het schip daveren doet, komt uit 'n geweldig orgaan voort, en onder deze naargeestiggerekte, valsch vibreerende uithalen schuilt 'n barbaarschmuzikale ontroering, die Janus' makkers daar vóór op stille avonden stellig wel eens de keel toesnoert. Van: Tabeh, Mina! gaat het na 'n korte pauze (om adem te scheppen) over in: „As de trós is lósgesmaite... as de plènk is ingehaold" en de rest weer vol droefenis. Zelfs in deze tintelende lucht van het Zuiden kan Janus' vreugde, die zingend 'n uitweg zoekt, zich niet van de noordelijke zwaarmoedigheid bevrijden; de donkere achterbuurt en het vuil van de Amsterdamsche havenkeien blijft eraan kleven. Op de brug kondigen acht glazen de wachtwisseling van vier uur aan, en prompt verschijnt de hofmeester met z'n thee. Maar, geheel tegen z'n gewoonte in, spreekt hij er geen woord bij, en wantrouwend ziet de stuurman op, kijkt hem in 't gezicht, waarop niets te lezen staat. „Nou, je hoeft op de koppen niet te wachten tot we ze hebben leeggedronken! Kom ze straks maar halen," zegt de stuurman, met erg vriendelijk. „O... net zooas u wil," antwoordt de hofmeester beleefd. En gaat heen. Maar de stuurman ziet rood van drift en verspeelt ditmaal bijna z'n partij. 's Avonds bevindt Charlotte zich met de meester alleen op het achterdek; alle anderen zitten in hun hut'n brief naar huis te schrijven: morgenochtend zal de Medusa Vigo binnen loopen. Hoe trouwhartig. Vier dagen van huis, en uit de eerste haven pennen ze allemaal al aan moeder-de-vrouw, aan 'n meisje, aan ouders. De meester heeft de brief voor z'n vrouw al klaar liggen: hij begint vanaf het vertrek uit Rotterdam al met elke dag 'n stukje te schrijven, - dat is zijn systeem. Op de brug stapt de tweede stuurman heen en weer; Charlotte hoort hem fluiten in de stille avond, 'n Liedje van de school. , Hij was daarstraks onder het eten opvallend goed geluimd geweest, had druk met haar gelachen, juffrouw Clarenbeek voor en na gezegd. Bij alle vriendekjkheid ontweek hij echter haar open, 'n weinig onderzoekende blik, en haar intuïtie waarschuwde haar, op haar hoede te zijn. En toen kwam het. Hij stond als eerste van tafel op en zei: „Kom, nu ga ik nog gauw even 'n brief aan m'n meisje schrijven 1" Zei het opgeruimd, met 'n weinig nadruk, en keek er, als toevallig, Charlotte bij aan. Indien deze onvoorbereid zou zijn geweest, was ze misschien verward geworden door zijn blik en zou ze (allen keken haar aan!) door 'n blos van verlegenheid yalsche verdenkingen hebben gewekt. Maar ze verwachtte immers al zooiets, kon zelfs 'n geamuseerde glimlach niet terughouden en had oogenblikkelijk 'n antwoord klaar, dat als 'n vrooüjke berisping uitviel: „Schrijft u uw meisje dan maar niet, dat u er tot de laatste avond mee gewacht hebtl" Daarop was hijzelf verlegen geworden, had wat gestotterd, 'n rood hoofd gekregen en als de verslagene het veld geruimd. • , 1- 1"1 Charlotte kon er gerust op terugzien en zich heimelijk vroolijk maken over zijn naïeve manoeuvre. ,Met z'n tweeën op één stoel en alles goed en wel, maar denk 'r om: ik heb 'n meisje!' had hij er maar mee willen zeggen. Ze vergaf hem zijn wel wat al te doorzichtige diplomatie van harte, - al zou het misschien aardiger van hem zijn geweest wanneer hij er 'n oogenblik voor uitgezocht had, dat niet juist allen in de kajuit verzameld waren en bovendien Gerrit en de hofmeester nog gereed stonden om op te ruimen! Charlotte meent, dat zijn „zachte wenk" alleen aan haar adres gericht is geweest. Zij kan niet weten, dat het de tweede stuurman juist om Gerrit en de hofmeester, om Strijbos en Dessauvagie te doen is geweest. En nu in de avond zit ze met de meester alleen op het achterdek en tuurt omhoog, terwijl haar metgezel peinzend naar de spleten in het dek staart. Ze zwijgen 'n tijd lang. Dan eindeüjk zegt hij iets. Het klinkt als de vrucht van lange overpeinzingen, en zijn stem drukt innerlijke tevredenheid uit. „Ik kan merken, dat ie schoongemaakt is I" zegt de meester, en als hij Charlotte's nog in droomsfeer gevangen blik verbijsterd op zich gericht ziet, licht hij toe: „De machine en de schroefas 1" Ver van huis, in de stille avond, zijn z'n verborgenste gedachten niet bij z'n vrouw en niet bij de sterren, maar bij zijn machine, het bonzende, zwoegende hart van het schip. ,,'t Was noodigl" zegt hij na 'n tijdje. „D r zat me wat smeerrommel inl Ik had 'm de vorige reis dgenlijk al onder handen moeten nemen, maar toen kwamen we niet in Amsterdam, - voeren in eenen door naar Hamburg, en daar kon de machine er niet voor worden afgezet, omdat we met onze dgen stoomlieren moesten lossen en laden." Charlotte voelt hoe lief z'n machine hem zijn moet. In Amsterdam, in plaats van zooals de anderen van elk oogenblik „thuis" te proflteeren, prutst hij z'n machine schoon, - dat kan alleen als de vuren gedoofd en de ketels koud zijn. En nu, onder de sterren, luistert hij met voldoening naar de stem van zijn machine, daar beneden. „Hebt u op dit oogenblik eigenlijk niet wacht?" vraagt Charlotte. „Jazeker heb ik wacht," geeft de meester dadelijk toe. „Maar ik hoor hier boven ook wel of de boel marcheert zooals 't moet. M'n assistent is beneden, en 'r is nu niets bijzonders aan de hand, In druk water, of als we 'n haven binnenvaren... da's natuurlijk wat anders. Ik ga nou trouwens ook nu en dan 'r 's kijken." Charlotte knikt in gedachten. Aan twee jongens is het lot van het schip op dit oogenblik toevertrouwd. De assistentmachinist heeft ze ook al even gezien: tenger, zonder kleur, zwarte vegen over 't gezicht, pp slofjes, haar verlegen ontwijkend. Op de brug de tweede stuurman, in z'n gestalte 'n man, in z'n wezen 'n jongen. En toch gaat alles goed. „Waar houdt u nou meer van, meester?" vraagt ze vroolijk en wat ondeugend. „Van uw machine, van uw vrouw, of van de sterren? De kapitein zei immers, dat u zoo'n sterrenvriend was?" De meester heeft schik. „Daar zal ik u 's precies op antwoorden! De machine, da's voor hier aan boord; de vrouw, da's voor aan de wal, en de sterren... da's voor later!" „Hoe: voor later?" „Nou, als ik niet meer vaar." En weer somber, omdat het hier om iets gaat, dat hem na aan 't hart ligt, wijdt hij Charlotte met zijn plan in, later 'n planetarium te bouwen. „Waarin alles beweegt?!" „Ja, met 'n uurwerk. Maar daarmee is nog niet gezegd, dat 't me lukken zal! 't Zal natuurlijk 'n werk van jaren en jaren zijn; ik hóóp alleen maar, dat ik 't nog klaar speel!" De juffrouw mag hem in geen geval van hoogmoed of blufferij verdenken: wanneer 't hem lukt, zegt hij alleen maar. Hij heeft er zoo al eens 'n paar teekeningen voor gemaakt, maar die interesseeren de juffrouw natuurlijk toch niet, want dat is allemaal heel droge kost. Hij kijkt niet naar de sterren zooals de dichters dat wel doen om er verzen over te schrijven-en-zoo, neen, hem interesseert alleen maar hoe die boel daarboven nou precies in mekaar zit. „U bestudeert de hemelmachinel" lacht Charlotte. „Jazeker: de wereldmachine!" geeft de meester vroolijk toe. Dat is nog niet zoo mal gezegd van de juffrouw. Het heelal is werkelijk ook 'n groote machine, als je 't zoo bekijken wilt. O, maar dat alles interesseert Charlotte wel degelijk, en ze wil die teekeningen heusch graag zien. Daar hééft ze de meester mee. „Nou, komt u dan maar 's mee, juffrouw!" stelt hij glunder voor. Charlotte was liever blijven liggen; het spijt haar, het dek en het heldere uitspansel te verlaten; ze heeft er niet op gerekend, dat de meester er zoo'n haast achter zou zetten. Maar nu moet ze hem wel volgen naar zijn hut. „Laat u de deur maar openstaan, juffrouw," raadt hij aan, ,,'t is hier warm." Door de openstaande deur zal echter weinig frissche lucht binnenkomen; integendeel, want die bevindt zich vlak tegenover de ijzeren, eveneens open deur van de machinekamer, waaruit de hitte oplaait. Het gaat dan ook om iets anders dan om de frissche lucht. „Hoe goeiig van 'm," denkt Charlotte en kan 'n glimlach niet bedwingen bij de veronderstelling, dat men er de meester van verdenken zou: haar met onzuivere bedoelingen in zijn hut te lokken. Ze laat dus voor de fÜschte de deur op 'n kier staan en kijktr ond. De eerste indruk stelt haar teleur: ze had gedacht, hier 'n soort sterrenwacht te zullen vinden met hemel-globen en kijkers, en nu ziet ze niets van dat alles; de meester bereidt zich wel èrg in het verborgen voor op zijn groote plannen I 'n Trouwfoto aan de wand valt haar nH in '* P°ê: de meester met zijn bruidje, misschien tien of vijftien jaar geleden. De meester in rok met stijve, witte boord, hooge zijden in de hand, het ofïicieele ruikertje in 't knoopsgat, en somber als steeds. Daarbij is hij in 't geheel niet somber; 'n stille tevredenheid woont in hem, - maar hij meent aan de wereld en aan zijn eigen waardigheid verplicht te zijn, in z'n plooi te blijven. Het bruidje ziet er goedmoedig, wat dom en wat gezet uit. Het bruidskroontje op haar hooge kapsel doet wat aan het mutsje van 'n dienstbode denken; bet werkt er allerminst als 'n symbool, 'n Zwakke schaduw van 's meesters waardigheid valt ook op haar. Maar iets belet Charlotte, dit alles te ondeden. Ze moet er opeens aan denken, dat de meester geen kinderen heeft (anders zou hij er wel van gesproken hebben), en haar gevoel zegt haar bij het zien van deze foto, dat juist hij en zijn vrouw daar beiden onder moeten lijden. Medelijden bevangt haar; zij zegt vol warmte: ,,'n Lieve vrouw hebt u zich uitgezocht, meester, - dat zie ik zoo wel!" De meester kijkt tevreden. Antwoorden mag hij hierop natuurlijk niet. Hij bukt zich naar de laden, die onder zijn bed zijn ingebouwd, en komt met z'n teekeningen voor de dag, rolt ze voorzichtig op z'n werktafeltje uit, nadat hij alles weggezet heeft wat zijn werk zou kunnen beschadigen of kreuken. Charlotte bukt er zich over zonder er veel van te begrijpen. Raderen en raadjes, lijnen en stippels in verschillende kleuren, met telkens 'n sterretje aan 't eind. De meester tracht in onhandig gekozen woorden uit te leggen van banen zoo en banen zus, planeten en vaste sterren, stand van maan en zon. Kijk, daar had je nou bijvoorbeeld de excentriciteit van de planeten; die liepen natuurlijk allemaal in 'n verschillende baan, schijnbaar onregelmatig, in waarheid alle volgens 'n ingewikkeld, maar vast systeem, dat door Copernicus en Kepler en anderen was uitgewerkt. De meester kon het zóó zeggen: hoe grooter de excentriciteit van 'n planeet, hoe meer de baan van de kringvorm afwijkt. En Juist de groote planeten als Jupiter en Mars en Venus en Neptunus hadden meestal 'n geringe excentriciteit, - dat had ze zeker niet gedacht! Venus bijvoorbeeld maar 1/146I En zoo had elke planeet natuurlijk ook 'n schijnbare en 'n ware grootte, - nu ja, dat had met 't andere ook eigenlijk niets te maken; hij kan 't allemaal zoo moeilijk uitleggen... O, maar Charlotte begrijpt 't heusch well Terwijl ze „ah, juist 1" en „o, nou begrijp ik het!" zegt, gluurt ze vol ontzag naar 'n boekenplankje, waarop de „Generalkarte der Mondoberflache", „Grant. - History of physical astronomy", „Schwilgué's astronomisch uurwerk" naast zonne- en planeten-tafels en 'n paar dozijn keurig gehefte schriften staan, die gemerkt zijn met: ab, ac, xy, enzoovoorts. Foto's hangen er verder niet, op 'n klein manne-portretje na, dat de vader van de meester wel eens kon voorstellen. Ouderwetsche kleedij, bakkebaardjes. Uit de machine-kamer dreunt gezang op. De wentelende hefboomen, het snorrende vliegwiel vormen het dofbegeleidende orebest. Charlotte luistert nu naar geen woord van 's meesters geleerde uitleggingen meer; haar gedachten gaan 'n eigen weS- Daar is nu 'n eerste machinist, die, in de buik van t schip, afgesloten van de buitenlucht, bij het in-oliën van zn machine over het zonnesysteem broeit. En daar is 'n stuurman, die van de brug de wijde zee en de open hemel' om en boven zich ziet en zijn leven wijdt aan 'n stoffig boek met postzegels! Inplaats van levende indrukken van landen en volken, er kleine prentjes van bewaart, waarop - met of zonder overdruk! - de koning of de regeerende president of 'n beroemd monument stuntelig staat afgebeeld. Misschien is dit wel 'n natuurwet: beëngd, snakt men naar de oneindigheid; in het aangezicht van die oneindigheid tast men bevreesd weer naar de veilige engte. Daar kan wel wat waars in zijn, maar het praat toch nog lang niet goed, dat 'n stuurman, die daar op de brug temidden van God s oneindige schepping staat, zich aan 'n zoo stupide werkje als postzegelsinplakken vastklemt. Ja... waar maakt ze zich eigenlijk zoo druk over?? vraagt Charlotte zich plotseling af. O, ze zocht naar 'n tegenstelling tot de meester. Ze vergeet nu op het goede tijdstip „ah, juist!" te zeggen, en de meester zucht: „Ik merk het wel: het interesseert u niet meer. Als je d'r ook niet in thuis bent..." „Ja, maar de vorige teekening en wat u daarnet zei, heb ik toch wèl begrepen!" verklaart Charlotte zonder blikken of blozen. Later op de avond, wanneer zij reeds is gaan slapen, spreekt de meester de kapitein en vertelt hem van Charlotte's belangstelling in zijn sterre-kaarten. „Er zit wat in dat meisje! Je zult 't bij 'n vrouw niet licht treffen, dat ze voor dergelijke dingen wat over heeft. Bij m'n eigen vrouw hoef ik met m'n sterren niet aan te komen!" „Kijk, daar valt 'r net een!" antwoordt de kapitein, licht geamuseerd door 's meesters opgewonden verklaring. Ook Charlotte, die door haar patrijspoort nog wat naar buiten kijkt, volgt met de oogen het neersuizende hemellichaam, dat 'n seconde lang 'n gloeiend spoor achter zich laat tot aan de kim toe. En zij vraagt zich in stille pret af hoe de meester bij z'n planetarium nu wel met vallende sterren aan moet. VI Charlotte heeft de hofmeester gevraagd, haar te wekken zoodra Vigo in 't zicht komt. En om half zeven klopt hij aan haar deur. „Ta, ik sta opl" belooft ze hem in de eerste verwarring van net ontwaken en vliegt overeind. Maar er is geen school vandaag; het is tante niet, die geklopt heeft. Door haar patrijspoort ziet Charlotte donkerpaarse bergen, waarachter het zonnegoud opblinkt. In de schaduw, die nog over het water hangt, dobberen - ver weg - 'n paar visschersbootjes met starre zeiltjes. Zij kleedt zich opgewonden aan, kiest haar hchtblauwe zomerjaponnetje met korte mouwen, trekt er fijngrijze kousen en haar peau de Suède schoentjes bij aan. Zoo verschijnt ze op het achterdek, waar ze niemand vindt. Maar van de brug wenkt haar de kapitein, die haar daarna zichtbaar vergenoegd de trap ziet opkomen in haar zomersch toiletje. „Kijk eens aan...!" zegt hij bewonderend. En Charlotte bloost van voldoening. Recht vooruit is het land al vlakbij. Maar het zijn nog slechts 'n paar groene eilandjes vóór de kust: er tusschen door ziet men het water weer bhnken. Elk boompje op de eilandjes is reeds te onderscheiden; op het strand zijn 'n paar bruine jongens aan 't plassen, - hoor ze schreeuwen van de pretl 'n Stoombootje komt pf! pf! pf! pf! naderbij. Lang voordat het noodig schijnt, staat voorin al 'n man met 'n bootsbaak gereed. Zooveel te minder haast heeft de loods zelf, die achterin zit en in z'n ochtendkrant verdiept is. Als het bootje langszij van de stil varende Medusa komt, gunt hij zich de tijd, z'n krant op te vouwen; pas nadat hij die zorgvuldig in de binnenzak van zijn jas geborgen heeft, omklemmen zijn handen de stormleer, die voor hem is uitgeworpen. ,,Morning, captain!" Handdruk, ook met de derde stuurman. De toon van: ouwe bekenden, al heb ie mekaar van je leven niet gezien. - Rinkeldeking! haalt de loods, dadelijk thuis op de brug, de telegraafhandle over. Weer volle kracht, maar met stoomvermindering om elk oogenblik te kunnen stoppen. De schroef bonkt weer, moeizamer werkend, door het kielzog. Het motorbootje laat zich langszij meesleepen; lustig danst het over het water, werpt golven scïuim op, en de man met de bootshaak wordt doornat. Het zonnetje zal 't wel weer opdrogen 1 Charlotte gaat gauw even ontbijten, - de kapitein heeft er vanmorgen geen tijd voor. Inplaats van thee is er nu koffie gezet, want de loods, de dokter zoometeen en ambtenaren van de douane drinken alleen maar koffie. De heete, bruinzwarte drank wekt Charlotte op, brengt haar tot 'n flink besluit: van nu aan wil ze elke morgen op zee de zon zien opkomen, - 't is doodjammer, dat heerlijke uur te verslapen. Als ze weer boven komt, is de Medusa de eilandjes gepasseerd. Op de brug durft ze niet meer nu de loods er is, die, deftig, statig, goudgeboord, er zooveel indrukwekkender uitziet dan zijn in jas en pet weggedoken confrater te Rotterdam. Ze blijft dus op het achterdek, werpt over de reeling 'n nieuwsgierige, niet-al-te-ernstig-medekjdènde blik op de drijfnatte Spanjaard in het stoombootje. Maar hij beantwoordt die blik zoo ondernemend, dat Charlotte zich ietwat onthutst terugtrekt en liever aan bakboordzij gaat staan. ,Brutale kerel!' denkt ze bij zichzelf. Ze kent de blik nog niet waarmee de Zuiderling de vrouw taxeert. Het stadje Vigo zelf is nu te zien. Kleurige huizen trillen in het zonlicht, staan schots en scheef tegen 'n heuvel opgebouwd; het geheele stadje is naar de landzijde door bergen omringd. Midden in de baai ligt half onder het water 'n modern fort van lichtgrijs cement; het glimt als 'n groote vischrug. Visschersbooten varen juist uit, hijschen de groote, kleurige zeilen. Nu zijn de stilliggende schepen in de handelshaven, de pakhuizen en kantoorgebouwen aan de kade ook al duidelijk te onderscheiden. De hofmeester komt Charlotte opgewonden meedeelen, dat 't bootje van de scheepvaartagent al op komst is. „Met de krante en de post! 's Kijke, of d'r ook voor de hofmeester wat bij is! Maar eerst krijge we de dokter nog an boord. Zitt u die gele vlag bove de brug wel? Da's voor de kerantaine. Kijk, daar komp de dokter z'n sloepie al!" De Medusa is intusschen voor de havenpieren gekomen en er zachtjes tusschendoor gegleden. De telegraaf rinkelt weer, en de machine stopt, - 'n zonderling gevoel. Nu begint de ankerspil wild te ratelen; er volgt 'n zware plons in het water, en de ketting raast door z'n kluis. Van n ander schip loeit oorverdoovend de sirene. De loods verlaat nu, deftig, statig, goudgeboord, het schip; de dokter, ijverig, gezet mannetje, instrumententaschje in de hand, komt de scheepstrap opgedribbeld, welke juist is neergelaten onder leiding van Bertus, de „boots", 'n goedmoedige, zware kerel, die doorloopend voor: „zacnies-an!" is. De bootjes van politie en douane vertoonen zich ook al. De dokter gaat nu met de kapitein en de eerste stuurman, die hem bij de trap ontvangen heeft, naar het achterdek; hij stapt vooraan, radbraakt 'n luidruchtig Engelsch. „Wherrr arr you coming from, captain? Ah... Rrrottredam, very fine place! Happy people you Dutch arrl Drinking Bols all the day, don't say: nol" Galante hoofdbuiging naar Charlotte, en hij stapt als eerste de trap naar de kajuit af. De hofmeester is het drietal gevolgd, maar keert nu weer terug. „Of u ook wil komme, juffrouw! De dokter wil u alleen maar effe zien, - 't is zóó weer afgeloopel" ,Hij hééft me toch gezien?' denkt Charlotte terwijl ze het trapje afdaalt. Beneden is 't gezellig, 'n Kruik Bols op tafel, volle glaasjes. Open kistje sigaren. De dokter moet er juist z'n koker maar eens mee vullen: in Spanje krijgt hij ze zoo niet! „Ah...! Gracias, gracias! Dutch cigarrs! Happy people! The best cigarros in the world!" „Gaat u maar even zitten, juffrouw Clarenbeek: de dokter wou alleen maar zien, of u gezond is!" „Als 'n visch, kaptein!" Ze blijft staan. „As sound as a fish," „vertaalt" de kapitein vroolijk. Alweer die toon als tusschen ouwe vrienden. „Well, is a fish sound? I did'nt know," lacht de dokter, z'n gevulde sigarenkoker opbergend en Charlotte welgemoed monsterend. „Happy people you Dutch!" zegt hij nog eens, als achteloos, Charlotte steeds fixeerend. De kapitein en de stuurman zullen er het grapje wel uit proeven. „Kan ik gaan, kapitein?" verzoekt Charlotte. «Ja> °P het dek is meer voor u te zien!" helpt de kapitein haar over haar verlegenheid heen. ,Zou dat hier de gewoonte zijn, dat 'n man je zóó aankijkt?' vraagt Charlotte, boven gekomen, zich wat geprikkeld af. Beneden in de kajuit trekt op dit oogenblik de dokter zijn eene oog dicht en kijkt met het andere, waarover 'n litteeken loopt, schalks naar de kapitein en de eerste stuurman; zijn duim wijst naar boven in de richting waar Charlotte zich bevinden moet. De beide zeelui kennen dit Spaansche gebaar van: Jullie heb ik in de gaten!' De kapitein glimlacht slechts: hij trotseert de verdenking. De stuurman kijkt zuur voor zich uit. „And what about you, mate?" informeert de dokter, die gelooft, goed geraden te hebben wat de stuurman betreft. „You aren't married, are you?" En weer knipoogt hij, stoot de stuurman aan. Deze vindt 'n antwoord hierop beneden z'n waardigheid. Slechts tegen de kapitein bromt hij: „Als ik met die nog 's ga trouwen, tracteer ik op 'n kistje van vijftig." ; „What is he saying?" tracht de dokter uit te visschen, z'n glaasje Bols leegnippend en in spanning naar de kapitein kijkend. Maar deze verstrekt hem geen inlichtingen, wil de bijtende toon in 's stuurmans opmerking niet gehoord hebben en zegt badineerend: „Ik hou je aan je woord, Strijbos!" Even later gaat de dokter weer heen en kijkt, zich nog de mond likkend, op het achterdek belangstellend om zich heen. Maar Charlotte wendt zich af. Douane en politie komen aan boord, en terwijl Charlotte tegen de reeling staat en over het water naar de kade en de stad tuurt, voelt ze zich van achteren en van opzij aangekeken: er gaat er geen voorbij zonder even 'n blik aan het passagieresje te wagen. Het zal wel de verrassing zijn, aan boord van 'n vrachtscheepje zoo'n kleurig japonnetje te zien opduiken... In de midscheeps is nu groote opstopping: de agent van de scheepvaartmaatschappij komt met de post aan boord; men laat nem echter niet door naar de kajuit; lachend schikt hij zich er in en verdeelt ter plaatse de brieven. De tweede stuurman hoort ook onder de belangstellenden; hij verlaat de groep slechts even om op Charlotte toe te gaan en haar 'n brief af te geven. Moet die vriendelijkheid zijn mislukte manoeuvre gisteren aan tafel goedmaken? „Mejuffrouw Charlotte Clarenbeekl" leest hij van 't adres af. „Is 't heusch? Nu al post voor me? Dank u wel, hoor!" Zij ziet met één oogopslag, aan het goedkoope, nette envelopje, aan 't dunne, steile handschrift: 'n brief van tante. De stuurman, die nu weer weg is gegaan, had voor zichzelf ook 'n brief in de hand. 'n Lichtblauwe enveloppe, - dezelfde kleur als Charlotte's japonnetje. Ze scheurt haar brief open, vliegt 'm even door: tante's epistels houden geen diepzinnigheden in. Alles goed, natuurlijk, dat is eigenlijk al tien jaar zoo, sinds ze bij tante en oom in huis is gekomen. De brief is gedateerd op twee dagen na haar vertrek. Tante ere in onrust voor de golf van Beskaai: oom heeft gezegd, dat ze 't daar 't matrozenkerkhof noemen. Tante beseft 't pas nu ze weg is: oom had 't moeten verbieden, dan was 't niet gebeurd. Als ze in Breda was gaan logeeren, zou tante nu gerust zijn. Daar was 't ook mooi en wél zoo veihg. Bets heeft 't oor van de nieuwe soepterrien gebroken en 'm zoo weer in de kast gezet (hoe haalt de meid 'tin d'r hoofd!). Tante natuurlijk toch nog dezelfde dag alles gemerkt, en juist om d'r achterbaksigheid zal Bets nou de soepterrien van 'r eigen loon betalen, - oom heeft 't haar al gezegd. Koud en mistig weer; oom sinds gisterenmorgen weer aan z'n liefhebberij: 't schilderen. Hij moet nog altijd wat voor die drie hjsten maken, waarin familie-portretten van de Jansens hebben gezeten, die tante nou eenmaal niet aan de wand wil zien, - de hjsten zelf zijn goed. Hij heeft 'r z'n ouwe pak bij aan, en op de vloer van 't kabinetje is krantenpapier gelegd voor 't kladden, 't Wordt weer iets erg moois: met maneschijn, waar tante zoo van houdt. Van de rest kun je nog niet duidelijk zien wat 't worden moet, en oom wil 't tevoren nooit zeggen: je moet 't bij hem altijd zélf kunnen zien. Och, de stumper kan z'n gewone wan- delingetje ook al niet maken door 't slechte weer: vocht en kou slaat 'm-altijd dadelijk op z'n keel, Charlotte weet 't wel... O ja... Charlotte weet 't. Oom's keel en z'n schilderijen. Tante en de meid. 'n Gebroken soepterrien. De familieportretten van de Jansens, die tante niet aan de wand wil zien... „Of de juffrouw nog effe beneje wil komme?" 't Is de hofmeester. „Willen ze me wéér zien?" ,,'t Zal nou wel om 't paspoort weze, juffrouw." Charlotte gaat naar beneden, 'n Half dozijn mannen zit nu om de tafel. Paperassen liggen over 't roodbruine kleed verspreid; de kapitein parafeert. Schiedam en sigaren. Op Charlotte's gewone plaats 'n man, die haar aanklikt als 'n inquisiteur 'n beklaagde. „Your passport, please?" Charlotte gaat even naar haar hut om de pas te halen. Twaalf donkere oogen wachten haar gretig als ze weer verschijnt. Twaalf donkere oogen kijken. Kijken. Oneindig veel belangrijker dan alle belangrijke paperassen is 'n vrouw. „En wat zegt u wel van de Spanjolen?" vraagt de kapitein, opkijkend en wel merkend, dat zooveel ongewone belangstelling haar verwart en enerveert. Allen verstaan het woord: Spanjool. Allen wachten nu vol rustig vertrouwen, bij voorbaat reeds glimlachend, op 'n vleierij uit haar mond. En dit gezamelijk glimlachen, deze kinderlijke zelfingenomenheid neemt Charlotte opeens voor hen in. Haar bevangenheid wijkt; ze ziet haar koele, hooghartige, bijna vijandige houding nu als overdreven preutschheid in, en haar starre mond ontplooit zich onbewust tot 'n glimlach, 'n volle, wat ondeugende glimlach, die voor baar zelf 'n bevrijding is. Ze zou zich nu ineens ook geheel veilig voelen, indien de kapitein er niet bijzat. De verrukking is algemeen. „Ah ! Oh...! Oléeeeh!" Zóó denkt de senorita over de Spanjolen! Nü hoeft ze niets meer te zeggen, — 'n vrouw kan in haar antwoord met 'n glimlach volstaan, zéker 'n interessante, bekoorlijke jonge vrouw als de senorita. Wat zou men niet alles geven voor de glimlach van 'n vrouw? Koninkrijken, indien men er toevallig 'n paar bij de hand had! 'n Glundering, 'n lach hangt nu in de kajuit; Charlotte heeft er alleen nog maar trouwe, oprechte vrienden. Haar paspoort? Wie wil't nu nog inzien?! Zij is er immers zélf, de betooverende senorita holandés? En heeft zij niet geglimlacht toen ze aan de Spanjolen dacht? De strenge inquisiteur, die het nietswaardige document voor zich heeft liggen, reikt het haar weer over de tafel, er hoffelijk bij opstaand en haar ontroerd in de oogen ziend. Please, my lady! Charlotte kan weer heengaan, - al riskeert ze daarbij zes caballeros gèk van radeloosheid te maken... Mijmerend staat ze tegen de reeling van het achterdek; de glimlach zweeft nog om haar mond en geeft haar, zoo met de handen onder de kin, iets van 'n sphinx. Hoe vreemd licht voelt ze zich, hoe vrij van alle zwaarte. Het is, of ze voor het eerst haar bloed voelt stroomen, 'n beekje, dat lang, lang onder het ijs gevangen is gehouden, maar nu op deze zonnige, zorgelooze morgen z'n wintersche stremming doorbreekt en luchtig en vrij voortdanst tusschen z'n oevers, 'n Verborgen vreugde stijgt haar licht mousseerend naar het hoofd; haar wangen, die ze met de handen steunt, schijnen voller, weeker; - welke tooverstaf heeft haar aangeraakt? Het schijnt Charlotte, of op en om het schip alles even vroolijk toegaat. Geïnteresseerd ziet ze op de bootjes met vruchten en wijn neer, die om het voorschip krioelen, waar door middel van 'n mand aan 'n touw al levendige handel bloeit. Vandaag, vanmorgen is haar reis begonnen I Er dobbert nu 'n bootje in haar richting, - achterin 'n dikke vrouw met diepzwart haar en wulpsche vormen. Maar haar handen en vleezige polsen hebben de onschuld van die van 'n kind. Door haar gewicht achterin steekt de voorsteven van het bootje uit het water omhoog, hoewel daarop zelfs nog 'n jongetje met 'n roeiriem zit te manoeuvreeren, de bruine, naakte beenen door 't water slierend. Hij is één scheur, één flard, maar zijn lompen schijnen vroolijk als hijzelf en vragen geen erbarmen. Armoede? Het goud drijft op de golfjes, - men hoeft er slechts naar te grijpen! Goud, goud, goud, teveel zonnegoud zelfs; het dikke wijf achterin weert het af met 'n groote, gelapte, kikkergroene parasol. Tusschen haar en het jongetje 'n veld van vruchten, de weelde van 'n zeventiende-eeuwsch stilleven: opengebarsten granaatappelen met hun vurige wonden, vleezige meloenen, kalebassen, de schil grillig gevlekt als 'n salamanderhuid, blauwzwarte, versche vijgen, peren, tomaten, druiven, druiven, druiven; het wijf houdt ze omhoog in de vette, sterk vergroote kinderhanden: malsche, doorzichtige, zacht-gknzende druiven, gele en donkerblauwe. Wil de senorita dan geen „uvas"? Kijk, hoe de zon er door schijnt I Voor één peseta 'n heele zak voll Una peseta 1 Hoe kan de senorita, die zoo rijk is, nog weerstaan? Wat kan men voor geld beter koopen dan druiven? De jongen op de boeg lacht en eet de druiven voor niets mee: er zijn er genoeg. Hij spoelt ze even in 't havenwater - zuidelijke hygiëne -, werpt het hoofd als in extase achterover en laat de tros in z'n wijd open mond zakken. Zoo moet men druiven eten, zoo alleen, voelt Charlotte, - dit hoofd opwerpen als in aanbidding voor de lichtende druiventros is de ritueele houding, waarin men zulk 'n hemelsche gave tot zich neemt. „Nou...?" lokt het wijf achterin. Niet haar mond, haar oogen vragen het. Maar Charlotte durft het nog niet goed aan; ze schudt lachend van: neen, en dat ze geen geld heeft. <^ O, newerr mind, Hollandsen geld is ook goed, dutch money werry fine! - Nee, toch niet, heusch niet, dank u, dank u... 'n Ander bootje stuurt naar 't achterdek. Doeken en shawls, waaiers en hooge kammen, de „peinetons". 'n Man aan de riemen, leelijke kerel met door de pokken geschonden gelaat. Voorin 'n meisje, kleine zigeunerin, half kind - half vrouw, voor de shawl-verkoop uitgedost met groote, goudkleurige oorringen, brandend-roode bloem in 't strakke, glirnmendzwarte haar, sigaret achteloos in de mondhoek, gedurfde haarkrul voor de kleine ooren, castagnetten in de lenige, bruine vingers: Carmen. Ze staat schrap op haat kleine, naakte voeten, wiegend in de jonge heupen om bij de schommelingen van het bootje haar evenwicht niet te verliezen. Over de tengere meisjesschouders 'n prachtige, citroengele shawl met groote, geborduurde bloemen: kobaltblauw, indisch-rood. Voor Holland zou de shawl te bont zijn, denkt Charlotte voorzichtig, alsof ze over de koop al in onderhandeling is en 'n verstandige keuze doen moet. In Holland zouden die kleuren moedwillig-opvallend aandoen, - hier in het Zuiden passen ze, waar alle kleuren gedurfd naast elkaar staan. Hoe de zon de bloemen tot leven wekt! Prachtig steekt tegen het felle geel de donkere huidkleur van het meisje af. De man kijkt naar Charlotte op, begint daar beneden te zingen, met schorre, vergane stem. Vreemd rythme, vreemde klanken en uithalen. Het meisje draait het hoofd af, kijkt trots en ongenaakbaar over haar schouder, plaatst ook één band in de heup a-la-Carmen, laat in de gebogen handen de castagnetten klapperen. De vreemdelingen moeten nu denken: Zoo is Spanje dus, - net als in de opera 1 Maar Charlotte s intuïtie waarschuwt haar voor het bedrog. Slechts de shawl en het meisje zelf interesseeren haar, de gratie van dat toch nog maar halfvolgroeide lichaam, de vrouwelijkheid reeds van haar bewegingen. Nu werpt het kindvrouwtje daar beneden zich de shawl van de schouders, onwillig, met 'n plotselinge ruk: de shawl heeft z'n plicht niet gedaan, de senorita daarboven niet onweerstaanbaar tot koopen verleid, - weg met het vod! Haar kleine, bruine vingers woelen zoekend in de berg shawls, die de bodem van het bootje bedekken. Hoe ze er tenslotte een uitkiest, als 'n prinses-van-den-bloede 'n snoer uit haar juweelenkistje, en weloverwogen, zonder verdere aarzeling, tot 'n groote, witte shawl met lange zijden franjes en drie karmijnroode rozen besluit, als vermoedelijk het meest naar de smaak van de blonde senorita! De pokdalige zingt weer 'n ander lied met schorre, vergane stem. Vreemde klanken, vreemd rythme, vreemde uithalen; hij roeit, voor zich uitstarend, steeds in 'n kring rond, om het model daar op de plecht van alle kanten te demonstreeren. En het meisje plaatst één hand in de heup, klappert met de castagnetten, wiegt het hoofd op de schouders, werpt het plotseling naar achteren en ziet Charlotte brandend in de oogen. Dit is Carmen's blik. Gespeeld, maar met te groote natuurhjkheid om niet tevens echt te zijn. Het is de bhk van vrouw tot vrouw: hij vleit of lokt niet, - hij eischt gebiedend, bijna vijandig, bewondering. ,Mag die shawl gezien worden of niet? Kleedt ze mij, of niet?! Kijk ik hier 's staan? Durf je het tegen mij op te nemen?' Verward, plotseling verslagen, kijkt Charlotte naar het meisje en naar de groote, witte shawl met de drie karmijnroode rozen en de zijden franjes, die tot op de ranke enkels hangen. Neen, neen, daar kan ze het niet tegen opnemen. De hofmeester komt er bij, kijkt ook over de reehng. Dadelijk vindt in het meisje 'n totale verandering plaats: ze glimlacht koket-heftalhg, - 'n onschuldig poesje. De hofmeester grinnikt, brengt z'n tong tusschen de tanden. „Wil u soms wete wat ie kost, juffrouw?" vraagt hij daarop Charlotte. En hij schreeuwt reeds omlaag: „Cuanto costa?" Het meisje antwoordt niet, wiegt het hoofd, ziet op haar shawl neer, laat zachtjes de castagnetten klepperen. Maar de pokdalige houdt z'n riemen in, leunt er op en roept 'n prijs omhoog. „Wat zeit ie nou... ?! Cuanto??" Teekens met opgehouden duim en vingers. „Honderd-twintig peseet! Vier pondjes," leest de hofmeester af. „O je... I" schrikt Charlotte. „Nou, biedt u de helft. Da zal nog wel te veel weze!" Maar Charlotte durft niet af te dingen; het stuit haar ook tegen de borst waar het om 'n zoo "mooie shawl gaat, die, helaas, alleen maar te duur is voor haar beurs. „Demasiado... te duur!" roept de hofmeester omlaag. „No, no, not too dear! Muy barato... werrry cheap!" protesteert de pokdahge. Charlotte wordt er verlegen onder. De tweede stuurman komt haar juist zoeken. „Wilt u soms naar de wal, juffrouw Clarenbeek? De agent biedt aan om u in z'n motorsloep mee te nemen!" „O, graag! Dan zet ik gauw m'n hoed op!" Charlotte naar beneden, waar bij de kapitein en de eerste stuurman alleen nog maar de agent van de maatschappij zit, 'n jonge Duitscher met litteekens van sabelhouwen over z'n koel, zakelijk. gezicht. Als hij door de kapitein wordt voorgesteld, klapt hij de hakken tegen elkaar en brenet Charlotte's hand aan de lippen, - wat haat voor 't eerst in haar leven overkomt. Ze wordt rood in bet gezicht, maar alleen van verlegenheid tegenover meneer Strijbos, die het geval lakoniek, Hollandsch-nuchter aanziet. „Sehr freundlich von Sie, mich rnitzunehmen," stamelt Charlotte, struikelend ten overvloede over die vreeselijke Duitsche naamvallen. „Ja, zoo zijn onze agentenl" lacht de kapitein om zijn passagieresje over haar verlegenheid heen te helpen. „Lauter erstklassige Leute 1 Hier, mein Lieber, lass dich nochmal einschenken!" Ofschoon ook de kapitein over zoo'n beroerde naamval uitglijdt, heeft zijn Duitsch natuurlijke „Schwung", is zelfs lokaal getint: 'n Hamburgsch accent klinkt erin door, 'n inslag van de „Waterkant". Als Charlotte met de agent in diens motorsloep stapt, heeft de „Carmen" met haar klepperende castagnetten de volle opmerkzaamheid van stokers en matrozen, die haar a-raison van weinige pesetas waardelooze, gedrukte shawls afkoopen, welke zij door haar gratie tot kostelijk sieraad omtoovert. Wat van die betoovering zal overblijven, wanneer thuis Mientje of Sientje de shawl zal omslaan, de uiteinden in de achter op de heup geplaatste knuisten? Van terzijde leunt tegen de reeling de tweede machinist en ziet peinzend toe, merkt in 't geheel niet, dat Charlotte vertrekt. .. „Kann ich Ihnen in Vigo noch irgendwie behilflich sein?" vraagt de agent, als zijn bootje, met hem en Charlotte aan boord, van de Medusa wegpuft. „Soll ich Ihnen vielleicht die Pescaderla zeigen?" Charlotte, nog steeds verward, bedankt hem vriendelijk. Neen, neen, ze wil niet lastig zijn, hem niet verder ophouden. Danke freundlich 1 - Charlotte is nog niet gewend vanzelfsprekend beslag op mannen-en-hun-tijd te leggen, kan in dat opzicht misschien nog wat van de kleine Carmen leeren, die waarschijnhjk wèl weten zak dat 'n knappe, jonge vrouw in waarde stijgt naarmate ze pretentieuser is. O, wat moet Charlotte nog veel leeren. Het is voor de Duitscher nu geen eer meer: haar aan wal te mogen brengen, - het is nog slechts 'n vriendelijkheid van hem. Hoe kleiner zij zich maakt, hoe meer hij zijn overwicht voelt. „Blaustrumpf", denkt hij, terwijl bij zich, vaag teleurgesteld, afwendt om 'n sigaret op te steken. „Ja, haben Sie denn eigentlich spanisches Geld?" vraagt hij beschermend, bijkans medelijdend. Neen... 1 Daar beeft Charlotte heelemaal niet aan gedacht! - Oh, 't heeft niets te beteekenen: zij kan het van hem leenen. Hoeveel ze hebben wil? Honderd peseten? Méér? Hij kan royaal met z'n aanbod zijn: zij zal hem toch geen honderd peseten afhalen. - O, neen, zooveel heeft ze lang niet noodig: tien is al meer dan voldoende 1 - De Duitscher heeft al met „grossartig" gebaar z'n portefeuille getrokken, maar bergt die nu weer weg, geeft haar uit z'n beurs 'n „duro" en nog vijf pesetas. „Wie Sie wünschen/' zegt hij. Ja, maar wanneer ze hem die nu terugbetalen kan? vraagt Charlotte. Komt hij misschien vanavond voor het vertrek nog weer aan boord? »Jaj ja» gewiss.." De stoomsloep legt bij de kade aan; 'n Spaansch havenmatroos springt er af, reikt Charlotte met hoffelijker geste de hand dan zij dat in Holland zou mogen verwachten. De agent loopt nog 'n eindje aan haar zijde, - tot aan 'n groote dwarsstraat. Maar vóór ze daar zijn, komen bedelaars aanstrompelen, hinkend, half blind, kerels met onsmakelijke baarden en ongewasschen lijdensgezichten. Ouwe wijfjes sloffen naderbij in lappen en tonten, grijs spinraghaar voor de door zon en weer getaande, verfomfaaide heksengezichten; ze houden 'n wrattige, jichtkromme, verschrompelde hand op en mompelen, met de mannen tezamen en met de kleine havenschavuitjes, die op bruine, naakte, zwerende beenen vlug zijn toegehold, in 'n naargeestig miserére: „Perra chica, senorl Senoral Perra chica, perra chica, perra chica... 1" Als door 'n nachtmerrie bevangen, kijkt Charlotte om zich heen Nog van vlakbij zag de kade er zoo argelooszonnig uit, - uit wat voor duistere, verpeste havensloppen kan zooveel ellende zoo plotseling zijn samengestroomd? Het is, alsof men in 'n zonnige tuin 'n paar steenen omkeert en over de vochtige aarde eronder larven en oorkruipers ziet dooreenkrioelen. 'n Huivering stijgt in haar op, en zij tast naar haar beursje. Maar op dit oogenblik bijt de agent er 'n paar woorden uit, die het bedelvolk doen afdruipen. „Um Gotteswillen... behalten Sie Ihr Geld 1" zegt hij, Charlotte's hulpelooze geste nu pas opmerkend. „Wenn man damit erst anfangt hier in Spanien... 1" Dan, bij de dwarsstraat, klappen zijn hakken weer correct tegen elkaar en brengt hij Charlotte's hand tegen de lippen. Al maar rechtuit, dan komt ze vanzelf aan de pescaderfa, de vischmarkt. En gnadiges Fraulein kan gerust de heele dag aan de wal blijven, indien ze dat verkiest, - er moeten nogal wat stukgoederen gelost worden: soda, superfosfaat en zoo, en met het laden van de vaatjes-visch voor de Zwarte Zee zal ook wel 'n paar uur vergaan, - zij hoeft niet bang te zijn, dat de Medusa vóór donker weer wegstoomt. Charlotte bedankt hem vriendelijk voor zijn inlichtingen; haar gedachten worden nog te zeer door die vreesehjke bedelaarsoptocht en door al het vreemde om zich heen in beslag genomen om bij dit woord: Zwarte Zee lang stil te staan. Ze kan de route van haar reis wel droomen: Vigo, Lissabon, Messina, Palermo, Napels, Livorno, Genua en over Malaga terug, - naar de Zwarte Zee gaat de Medusa niet, slechts naar Spanje, Portugal en Italië; die visch moet dus zeker weer ergens worden overgeladen, net als die groote vaten voor Alexandrië... Ze loopt nu op haar eentje 'n eind de straat af, tracht haar eerste, verschrikkende indruk van daareven in de haven weer te vergeten, zich open te stellen voor nieuwe impressies. Over de gansche stad hangt 'n Zondagsstemming. Ja, het is Zondag! Aan boord zou men er in 't geheel niet aan denken: alles gaat daar z'n gewone gang. Maar hier proeft en ademt men de Zondag. De winkels zijn gesloten, vaak met tot de grond reikende ijzeren stores; 'n kerkklok bimbamt ijverig; de heele lucht is van het kleppend bronsgeluid vervuld. Om niet op te vallen, regelt Charlotte haar gang naar die van andere Zondagswandelaars; ze zou, belust op indrukken, wel naar beide zijden van de straat tegehjk willen kijken, 'n Paar meisjes passeeren, trippelen voor haar uit, 'n zwarte, kanten shawl over het zwarte haar, - de Spaansche kam fier en voornaam rijzend uit de zware wrong. Charlotte oogt de drie précieuse figuurtjes bewonderend na. Hoe recht en beheerscht is hun gang, en hoe rank en soepel zijn daarbij toch hun vormen. De drie gratiën 1 Zwarte lakschoentjes met kokette hakjes, zwartzijden a-jourkousen, ook 'n zwart japonnetje, kerkboekje met gouden kruisje in de hand, even het lichte doorschemeren van de fijne halsjes door de kant van de mantilla... Veel huizen hebben op de eerste verdieping 'n getralied balkon; gewoonlijk zit daar 'n man in hemdsmouwen z'n krant te lezen en vergeet dan even z'n lectuur om naar Charlotte te kijken. Maar 'n enkele maal ziet ze achter de trahes van het balkon ook 'n paar dames of meisjes bijeenzitten, die, één elleboog op de balkonrand, met 'n bloem of 'n waaier spelend, haar bhk nieuwsgierig beantwoorden. Tokkelklanken van guitaar of mandoline uit de kamer er achter omhullen de sterk gepoederde en geschminkte schoonen met 'n sfeer van zuidehjke romantiek; het is als 'n aroma, dat bij hen hoort. Het klokgelui zwelt aan, vindt antwoord in 'n ander gedeelte van de kleine stad. Charlotte komt bij 'n plantsoentje, waar asters en rozen bloeien; de geuren hangen zwaar en stil in de warme, zuivere herfst-atmosfeer. 'n Paard drinkt bij 'n openbare bron, neen, het is 'n muildier, gespannen voor 'n primitieve kar met massieve, ruwhouten raderen. Zoo'n kar met zulke raderen-zonder-spaken staat afgebeeld in het geschiedenisboekje op Charlotte's school bij de voorstelling: Groote Volksvetfctuzing. De voerman leest z'n krant en laat z'n trekdier aan de meedoogenloos plagende vliegen over, welke het met de kale staart vergeefs tracht te verdrijven. De pescaderfa. In volle gang! Hier is de volksbuurt; vrouwen loopen op bloote voeten bedrijvig heen en weer, platte manden met visch op het hoofd torsend; mannen rooken bedachtzaam 'n sigaret, of spuwen driftig op de keien; voerlui klappen onder het wegrijden luidruchtig met de zweep en zingen voerlui-deuntjes, die over de heele wereld gehjk klinken. Botmagere honden dwalen met begeerige oogen rond, grommen en grauwen om 'n weggeworpen visschekop, schurken zich tegen 'n paaltje, waarop de zon te branden staat. Azende katten sluipen in 'n bocht om hen heen, redden zich op 'n stapel vischmanden wanneer hun doodsvijand zich door 'n hooge rug en woedend geblaas niet intimideeren laat. Verwarrend kleurig leven. De keien zijn glibberig van de schubben en van de door honden en katten weggesleepte ingewanden; stemmen van afslagers schallen over de markt. Jongens op bloote pootjes draven schreeuwend langs de kaai wanneer er weer 'n visschersboot binnenzeilt; ze vangen handig het uitgeworpen touw op, meren gezamelijk de boot en eischen hun loon: 'n paar visschen, die hun gul worden toegeworpen en waarom 'n woedend gevecht ontstaat; soms ligt 'n hongerig rakkertje half buiten de kaai-rand te spartelen; de honden durven er zich niet in te mengen, kijken jaloersch toe. Temidden van 'n kringvormige stapel sardines zit, omzwermd door de luidzoemende vliegen en brommers, 'n klein zusje op haar nog kleiner broertje te passen; ze bemoedert het, prijst het, bestraft het, laat het rechtop staan, neemt het op schoot, kijkt met donkere, vijandige kleuterkijkers naar Charlotte op - ongewone verschijning voor haar en drukt broertje beschermend tegen zich aan wanneer de vreemde senorita hem over de sardines heen om 'n handje vraagt. Sardines, inktvisschen (poliepen, meent Charlotte vol afschuw), kleine kathaaien, andere, onbekende zeevisschen, alles door en op elkaar gestapeld tot glibberige hoopen. Aanprijzen, bieden, afdingen, gerinkel van koper en zilver. Wie biedt er, wie biedt er, wie biedt er meer? Eenmaal, tweemaal, driemaal... 1 En over dit alles heen davert de kerkklok haar Zondagsche stem. Na 'n aarzeling besluit Charlotte het kerkgebouw, dat zich aan 't begin van de markt bevindt, binnen te gaan, - wie kan aan haar zien, dat ze geen Katholieke is? Haastig passeert ze het wij water-bekken, trekt zich in 'n koele, duistere hoek terug. Het orgel speelt; slechts nu en dan, bij het open-en-dicht gaan van de ingangsdeuren, dringt vaag marktgerucht naar binnen door. Voor het hoofd-altaar, goudig-behcht door de brandende kaarsen, beweegt zich de priester, geheimzinnige, onwereldsche gestalte in zijn eeredracht. Hij neemt plechtig 'n gouden kelk op, bewaard in het altaarschrijn, drinkt zonder te drinken; het is 'n denkbeeldige wereld waarin hij zich op dit oogenblik beweegt en waarin allen dóór hem, dóór het goudig-glanzende altaar, dat als 'n lichte poort aan het einde der kerk is, 'n blik slaan. Het orgel trilt in de hoogste pijpen, dramatisch bijgekleurd door somber huiverende accoorden heel in de diepte. Dit is 's werelds leed en vreugde, schrijnend dooreengemengd. De neergeknielde vrouwtjes bij de ingangsdeur, waar Charlotte staat, snikken. Ze knielen naast hun marktbuidel, die ze, zoolang Satan nog om de zielen der menschen vecht, niet buiten durfden laten staan; ze klemmen het in 'n zakdoek geknoopte kopergeld tegen de borst en snikken krampachtig. Vrouwen en mannen schuifelen weer binnen, meest vrouwen; deze leggen iets over het hoofd: hun shawl, desnoods maar 'n zakdoek, welke niet altijd schoon is, - alles is beter dan schaamteloos, met ongedekten hoofde, Gods Woning binnen te treden. Ze bevochtigen hun vingertoppen met het wijwater, knielen, staren in het geheimzinnig fichtgeflonker, dat, mèt het orgel, van 'n andere, betere wereld verhaalt, waar geen zonde meer is, geen kibbel-en-knibbelarij, geen markt en geen afslag, neen, slechts 'n koor van zoet zingende engelen, zachtjes wuivend met de oogverblindendschoone vleugelen, God de Vader, Zijn Zoon de Goede Herder, de Maagd en de Heilige Geest, alle Heiligen op 'n lange rij. Daar is het 's ochtends niet: half uitgeslapen opstaan, water halen bij de stadskranen, wijn en brood klaarzetten, kibbelen met 'n buurvrouw en dan zwaarbelast naar de markt, neen: 'n eeuwige rust zonder vermoeidheid en zonder pijn, 'n zweven, hand-in-hand, 'n zwevend zingen; de lucht, zoet als honing, is spijze en drank. Daarvoor, om dadr later te komen, inplaats van door woeste, wulpsche duivelen naar de hel gedreven te worden, waar ze je roosteren en braden aan het spit, je de oogen uit de kassen branden, je buik intrappen, je tong met 'n gloeiende tang uit je mond rukken, - om later dus in de hemel te komen en in zoetheid zwevend te zingen, moet men op z'n tijd naar de kerk gaan, z'n zonden biechten, z'n penningske voor de armen offeren, gedoopt zijn, Christus jaarlijks tot zich genomen hebben en tenslotte de Sacramenten ontvangen. Hoe eenvoudig eigenMaar men kan méér doen, indien men nog bizondere wenschen hier op aarde heeft, indien men in de eene Heilige meer vertrouwen stelt dan in de andere, zich door ^ijn marteldood in 't bijzonder voelt aangegrepen, of juist hem in 't bijzonder liefheeft om het mooie, roerend-onschuldige beeld, dat er van hem in de kerk staat. Men kan, wanneer men in angst de terugkeer van de visschersvloot afwacht, welke juist 'n dag vóór de vreeselijke storm is uitgevaren, zich troosten en z'n hoop versterken door kaarsjes voor de heilige Petrus te ontsteken, die zelf 'n visscher was op het meer van Galilea en zich het lot van andere visschers aantrekt. Het altaar van de Heilige Maagd op te smukken met levende bloemen in vaasjes en met kunstbloemen, die duurder zijn, maar 't dan ook lang uithouden, kan ook nooit kwaad, want Zij is voor geen menschelijk leed doof, Zij, die Haar Zoon zag kruisigen. En al is de storm ook voorbij; al kan dus het vreeselijk ongeluk reeds geschied zijn, — Haar macht is onbegrensd 1 Schenk Haar 'n zilveren hart, het eerste tandje van je eerste kindje, in zilver gevat, 'n vlok haar van je gestorven moeder in gouden medaillonnetje, — of, heb je voor dit alles geen geld, zoek dan aan het strand naar glanzende, paarlemoer-achüge schelpen, die de storm heeft aangespoeld, zoek tot je er mooie gevonden hebt en breng Haar die, - Ze zal ze misschien nog liever hebben dan zilver of goud. Wat waren zilver en goud Haar, toen Ze Haar Zoon zag kruisigen op Golgotha? 'n Vrouw houdt haar kindje bij 'n altaar, waarop de Maagd staat in 'n lang, blauw kleed, 'n verguld kroontje op het hoofd. Kindje grijpt naar dat mooie stuk speelgoed, die pop met roode wangetjes. Nee, dat mag niet! Kusje geven, zoo! Kruisje slaan, zoo! Vrouwtjes kijken op; betraande oogen glimlachen om de kleine dreumes, die maar blijft graaien naar de mooie, blauwe Maagd met het gouden kroontje. Och ja, zoo'n kind toch ook...! Weet nog niets, moet nog leeren eerbied te hebben voor de Madonna, De Goede Herder en de Heiligen. Kijk, daar ligt het tandje van Juanito, z'n oudere broertje, met 'n zilveren ringetje eraan; moeder zou het zelf wel willen dragen, zoo mooi is het, maar het is voor de Madonna... handjes er af! Charlotte staat weer buiten, knippert met de oogen tegen het felle hcht. Daar aan de overzijde staan droefgeestigvuile huizen met donkere bogen eronder voor het bergen van karren, netten en manden. In die donkere, troostelöosarmoedige krotten wonen de vrouwen en mannen, die nu in de kerk geknield hggen en naar het lichte altaar staren, dat goudig oprijst tegen het fluweelen duister van het hoogkoor. Waar elders hebben ze 'n plekje om eens met zichzelf alleen te kunnen zijn en, veilig voor gelach, gepraat, gekibbel, veihg voor het gerucht van de markt, eens te kunnen schreien? Wil 'n mensch dan niet ook eens ongestoord schreien? Wil 'n mensch dan niet eens goud en zilver en zijde en kant en fluweel en edelgesteenten om zich heen zien zooals de rijken? De rijken? Zijn het niet de armen geweest, de armen rondom de pescaderfa, die, zwoegend en er voor bloedend, het geld voor hun kerk hebben bijeengebracht? Is al die rijkdom aan zilveren harten en gouden altaarschrijnen niet de rijkdom der armen? Het doet goed, dat te weten; het doet goed, te weten, dat men tot dit lichtgeflonker, tot deze pracht en praal ter eere van de Maagd, Haar Zoon en de Heiligen zijn steentje heeft bijgedragen; het doet goed, te weten, dat de organist, die op zijn mooi en duur instrument (hoeveel duizend pesetas heeft het gekost, ah, hoeveel duizend...!) van leed en vreugde der menschen verhaalt, maar 'n gewone jongen van de pescaderfa-wijk is, - dat hij in zijn tijd juist als anderen voor n toegeworpen visch de binnenvarende zeilschepen heeft helpen meren en op bruine, bloote pootjes om de kaden heeft gedraafd. Dit alles zijn droomen. Charlotte ziet om zich heen, neemt critiekloos op en droomt slechts; ze ondergaat en verrijkt zich. - Zoo'n kerk...! Als zij in Spanje was geboren, zou ook zij, met de anderen, in angst de terugkeer van de visschersvloot tegemoet zien en de Madonna met kunstbloemen vereeren, die duurder zijn, maar dan ook langer goed bhjven. Ze dwaalt nu de markt over, wordt opgemerkt in het gewoel. Koopvrouwtjes houden haar als 'n verleiding zilverig-blinkende visschen voor, weten wel, dat zij ze niet koopen zal: de senorita is 'n vreemdelinge, ze heeft eeen boodschappentasch aan de arm. Maar het is ook niet het gebaar van: te koop aanbieden. De senorita is naar de markt gekomen om te zien hoe de visch verkocht wordt? Kijk, zóó doen we dat, - aan zoo'n lokkend gebaar is het moeilijk weerstand bieden! Zie de rijkdom van Spanje en z'n zeel. Kijk mij eens 'n schilderijtje zijn temidden van al die zilveren, violette, grijsgespikkelde, roode, bruine, gouden visch? Het is weer de geste van het jongetje in die zeilboot ver van de kust, het gebaar, dat de derde stuurman niet vertalen kon, omdat hij wel Spaansch, maar niet het visschersdialect verstond... Charlotte glimlacht, - het is weer haar glimlach van vanmorgen in de kajuit, en de vrouwen knikken uitbundig terug, roepen haar wat toe, lachen, duiden op hun glimmendzwart haar en dan naar Charlotte. Blond is de senorita; ze wijzen er ook 'n paar mannen op, dat de senorita blond is. „Rubio! Rubio... I" De donkere vrouwtjes vreezen de concurrentie niet. Vol behaagzucht, hebben ze van hun opstelling, van zichzelf temidden van de stapels visch, iets begeerlijks weten te maken. Ik zit onder de vischschubben? Goed, de zeemeerminnen tusschen de rotsen ook, die met hun zangen van zoet verlangen de visscher uit z'n koers lokken 1 „Pescado! Pescado! Pescado! Muy barato! Pescado... 1" Achter de vischmarkt versterft de juichkreet van het zuidelijk leven. Na wat kleine, bochtige straten beginnen ommuurde druiven-tuinen, 'n Enkel wijnbouwershuis met open deur, waardoor Charlotte onder 't voorbijgaan in 'n kamer met gepleisterde wanden ziet, donker en vuil. Uien en bolvormige oranje-vruchtjes, in slingers geregen, hangen van de zoldering; op de leemen grond spelen naakte hummels met 'n geitje; boven 'n vuur in de open haard stoomt 'n ketel. Verder 'n tafel met 'n groote aarden kruik, 'n bouwvallige stoel, 'n bank, waarop 'n ineengedoken, stokoud wijfje, of 'n grijsaard, de hoed op het hoofd, zit toe te kijken. De overige bewoners zijn op de markt, knielen misschien ook in de kerk, het in 'n zakdoek geknoopte kopergeld tegen de borst gedrukt. Charlotte verwijdert zich steeds meer van de stad, - maar dat wil ze ook. Hoe licht voelt ze zich weer. Ze merkt haast niet, dat ze gaat. En toch: het is stijgen, stijgen over ruw, bemost plaveisel, waartusschen veldbloemen groeien. Nu wijken de muren, en Charlotte komt aan 'n veldje, waarop magere geiten met onwaarschijnlijk groote uiers, klokken om de uitgesleten nek, vrij loopen te grazen. Boven aan het grasveldje staat 'n verbrokkeld stuk vestingwal, en daartegen ligt in de volle zon, op z'n rug uitgestrekt, één hand boven de oogen, beentjes bruin als aardewerk, 'n jongetje te slapen. Hij moet stellig op de geiten passen, maar het zitten kijken maakt zoo loom; als vanzelf vallen je oogen toe; het heldere licht rondom en het leeuwerikengejubel hoog in de lucht brengen prettige droomen, die je niet graag zou willen missen, en de geiteklokken bimbammelen er immers vertrouwelijk doorheen van: we zijn er nog, ja, we zijn er nog, ja, ja, we zijn er nog wel... Charlotte wil de kleine slaper niet storen, loopt schuin over het grasveldje naar 'n helling, vanwaar ze 'n vrij uitzicht wint. Onwillekeurig slaakt ze 'n zachte kreet van verrassing als ze de wijde oceaan voor zich uitgestrekt ziet. Het bladstille, slechts naar de kust toe 'n weinig geribbelde water draagt tegen de glinsterende horizon 'n paar zeiltjes - bonte vlekjes -, en 'n naar de haven koersend stoombootje trekt er héél langzaam 'n hcht hjntje door. Dan is er de baai, diep blauw, de groene kust aan weerszijden; vooral de kleine eilandjes bij de ingang schijnen zoo van boven bekeken merkwaardig groen. Naar rechts de haven zelf met de kaden rondom, de daken der hooge handelshuizen, de overzeesche schepen met gekrioel van mannetjes op het dek. Daar ligt de Medusa. Zwarte schoorsteen met twee witte banden, waaruit dunne, fijngrijze rook opkringelt. In het kristalheldere water schemert de roode onderkant van het schip door. Rondom dansen de bootjes met vruchten en shawls nog, - zijn er geen nieuwe bijgekomen? Hoe puur is de lucht: elk kleurtje blijft tot op deze afstand bewaard en vraagt aandacht voor zichzelf. De bruine, grijze, oranje zeilen in de visschershaven, het felgroene mos op de roode daken, kleurige halsdoeken, bonte parasols van bloemenstalletjes blijven positieve kleurvlekjes als op 'n gobelin. Ja, 'n helder en kostbaar gobelin is dit stuk Spanje aan Charlotte's voeten; de allegorie ontbreekt er ook niet aan. „Arbeid en Handel" in de haven en op de pescaderfa. „Visscherij, Tuinbouw, Overzeesch transport". Wandelaars op 'n lange, rechte promenade, welke Charlotte nu pas ziet, en drinkende mannen op 'n terras, waartusschen 'n zittende gestalte met 'n guitaar, completeeren de voorstelling: „Vreugden en Zorgen derMenschheid". Mankeerenindehoek nog slechts, gezellig vergaderd: Neptunus, Ceres, Venus, Bacchus, Mercurius en Pnoebus Appollo, - de stralende. Elke kleur, maar ook elk geluid staat apart; niets verdoezelt of smelt ineen. Daarstraks op de vischmarkt overschreeuwden de afslagers de stem van het kerk-orgel, die door geopende tochtvensters naar buiten drong; hier boven echter hoort Charlotte haar duidelijk naast het luchtig geroezemoes van de pescaderfa, dat ook weer in duizend kleine geluidjes uiteenvalt. Geheel afzonderlijk weer: het ratelen van 'n ankerketting in de haven, het sissen en schokkend bonken van de stoomlieren, het slaan van 'n torenklok, het balken van 'n ezel, dat aan het knarsen van 'n roestige pomp herinnert. Het terras is niet zoo veraf; Charlotte hoort de mannen duidelijk praten, hoort ook het tokkelen van de guitaar er doorheen. En al verstaat ze geen woorden, ze voelt toch wel de gestemdheid van het gesprek: twistend of uitbundig opgewekt en dan weer verzakkend tot zwaarwichtige ernst, - de geest van de wijn heerscht over hen. Ze zitten - hoeden op en zoo van boven gezien schijnbaar zonder hoofd - als marionnetten om het tafeltje, ieder 'n rood vlekje voor zich, dat 'n glas roode wijn is, ieder 'n blauwe schaduwplek onder zich op de lichte, zonbeschenen grond. Eén slaat er in de handen. Klap-klap-klap I De waard komt aanslenteren, gaat er eerst bij staan, de handen op de heup, haalt dan 'n kruik wijn, schenkt in tot alle roode vlekjes even groot zijn, praat erbij met eigenwijze, schorre stem; hij snuit, afgewend, zonder er 'n zakdoek bij te gebruiken, luidruchtig z'n neus, strijkt dan één voet over de grond. Naar voren gedoken over z'n instrument zit de guitaarspeler; 'n ander kan het plotseling niet laten er n paar woorden bij te zingen, werpt zich erbij achterover in z'n stoel, zoodat Charlotte onder de hoeden voor het eerst 'n gezicht ziet, 'n wijd geopende mond, waaruit het met plotselinge hartstocht opschalt: „La Contrabandfsta... I!" Nog van elders komt getokkel. Amerikaansche, bekende fox-trot, verspaanscht in z'n rythme. Vlakbij de klokken van de geiten, klmgeling-klang-klong. Het afscheren van het dorre gras, Charlotte's eigen ademgang. Rondom liggen de bergen, omsluiten de baai, de stad. Omsluiten dit Spaansche Tevensfragment, in zichzelf compleet, al-omvattend als 'n gobelin, 'n spectrum van alle kleuren, alle klanken. Hemel en aarde, 'n stuk zee, menschen, dieren, zang en wijnvreugde. Leed ook: in de duistere krotten; uitkomst: in de verlichte kerk met het gouden altaar. Hoe klein ligt daar de Medusa. Hoe klein zou Charlotte lijken, als zij zich van hier uit op het schip kon zien. 'n Blauw stipje, zooals Gerrit 'n rood stipje is, dat op het achterdek aan de reeling kleeft. Hoe goed is het: eens 'n stukje wereld te overzien waarin menschen maar stipjes zijn. Hoe boeiend ook: het leven van de menschen zoo in overzichtelijke trekken en in z'n groote verband! Elk land moest zulke bergen, zoo'n hoogte hebben, vanwaar men nu en dan eens 'n overzicht kon krijgen. Charlotte had in Holland tenslotte niets meer gezien dan de school, de club, oom en tante, de hoofdonderwijzer, haar acte. Ze zet haar hoed af, gaat op het gras zitten, de handen om de knie geslagen, en denkt zich als iets prettigs in, dat de tweede stuurman met haar aan wal zou zijn gegaan en nu bij haar zou zitten praten. Over heel gewone dingen: of hij broers en zusters had en hoe lang hij al voer. Over z'n meisje verlangt ze niets te weten: ze kan zich wel voorstellen hoe een of ander jong ding zoo'n argelooze zeeman in haar netten verschalkt. Charlotte voelt ook behoefte om eens tegen 'n ander te zeggen wat 'dit wijde uitzicht op het oogenbük voor haar beteekent; hoe het haar in 'n stemming gebracht heeft om zich met alles in de wereld te verzoenen, desnoods zelfs met de eerste stuurman, meneer Strijbos, wiens sokophouders Eureka heeten, en die nu, als de anderen, maar 'n stipje is. M'n hemel, waarover heeft ze zich druk gemaakt! 'n Geit komt vlak bij haar grazen. Terwijl ze het dier over het voorhoofd en het harde neusbeen streelt, wat het zich zonder protest laat welgevallen, werpt ze eens 'n blik naar achteren en ziet, dat de jongen ontwaakt is en, op 'n grashalmpje kauwend, met groote oogen naar haar kijkt. Wat 'n aardige rakker! Zij glimlacht tegen hem, maar hij glimlacht niet terug, staat op en komt op haar af, steeds op z'n grashalmpje kauwend, steeds naar haar kijkend. Hij staat nu naast haar, de naakte beentjes schrap om op de helling z'n evenwicht te bewaren. Hij zegt wat. Charlotte schudt vriendelijk-minzaam het hoofd: ze verstaat het niet. Hij zegt het nog eens, nu luider. Maar dat helpt ook al niet, en hij geeft z'n pogen dus maar op, staart naar nog slechts aan, kalm, ernstig, onderzoekend. Als de geit hem daarbij, grazend, in de weg treedt, schopt hij het dier achteloos-ruw met z'n bruine beentje, kijkt weer tevreden nu het mekkerend 'n goed heenkomen zoekt. Charlotte meent hem toch even te moeten berispen over z'n gevoelloosheid; het onderwijzeresje in haar komt boven. Maar zijzelf houdt de blik niet uit waarmee hij haar streng-vermanende oogopslag beantwoordt; zijzelf voelt zich sus bestraft, 'n Klas met zulke bengels baas blijven, - dat moest niet meevallen! Ze vindt het 't verstandigst, maar niet meer op de rekel te letten, - dan zal hij vanzelf wel weggaan. En na dit besluit tracht ze weer van het uitzicht te genieten. Maar de rekel gaat niet weg. Hij blijft staan waar hij staat, de bruine beentjes schrap op de helling, en kijkt. En Charlotte, die zich daareven nog met alle menschen verzoenen wilde, is al weer onverstandig genoeg, zich over dit elf- of twaalfjarige mannetje, dat met zuidelijke vrijmoedigheid en critische zin naar haar kijkt, driftig te maken en zich door zijn aanwezigheid de vreugde over het uitzicht te laten bederven. Ten einde raad staat ze op. Zijn blik volgt elk van haar bewegingen. Dan verdrijft haar de onrust tegenover de Ondoorgrondelijke blik van dit natuurkind: ze geeft haar heerlijk uitzichtspunt op, gaat heen. Hij moet maar eens voelen, dat hij haar door zijn brutaliteit verjaagd heeft! Maar als ze verwijtend nog eens omkijkt om het resultaat van haar handeling te zien, volgt hij haar nog steeds met de- zelfde wijd geopende, koel onderzoekende, thans ook vaag verwonderde, donkere oogen, - het gelaat slechts 'n weinig afgewend om in de richting van 'n grazende geit het platgekauwde grassprietje uit te spuwen. De weg naar de stad weer afdalende, voelt Charlotte die blik nog m haar rug, en steeds meer beseft ze, 'n nederlaag geleden te hebben. Is het dan altijd noodig om met elkaar te spreken? Mag men elkaar dan niet 's zwijgend aankijken? En als je dan heelemaal niet met mekaar praten kimt? „Je bent vreemd voor mij," zei de blik van het kind, „en daarom ga ik je eens goed bekijken. Je bent veel blanker dan Ascunsión, m'n groote zuster, veel blanker dan m'n moeder. Niet alleen je gezicht, maar ook je armen en handen, - je komt zeker van waar de zon niet schijnt. En wat gek als iemand, inplaats van gewoon zwart te zijn, zulk haar heeft waar de zon goudig door schijnt, en zulke grijze oogen, die lang niet zoo blinken als andere oogen. Ze draagt geen oorbellen, geen mantilla, geen kam. Waaróm niet? En geverfd is ze waarempel ook al niet! Wil ze dan geen mooie, roode wangen hebben net als Ascunsión wanneer die naar de stad gaat?? Weg jij, beroerde geit, jou ken ik wel, leid me alsjeblieft niet af; ik wil naar de vreemde senorita kijken, die heel alleen uit wandelen is gegaan. Ja, ze heeft wel 'n vreemd, maar toch 'n lief gezicht, daarnet tenminste nog, nou kijkt ze ineens boos. Wat, mag ik die geit geen trap geven? M'n eigen geit?? 't Is toch maar 'n dier?! - Kijk, nou staat ze op en gaat weg, en op mij schijnt ze 't niet meer begrepen te hebben. Ik zou wel 's willen weten wat ik 'r gedaan heb! Wat 'n mal mensch om voor mij weg te loopen... Je kunt hier gerust weer komen zitten, hoor, — ik zal wel weggaan." In die geest vertaalt Charlotte nu achteraf de blik van het kind, en zij vraagt zich licht beschaamd af, of het niet iets voor 'n preutsch blauwkousje is om zich door zulke landelijke eenvoud op de vlucht te laten jagen. Men kijkt hier in het Zuiden nu ook eenmaal anders. Ze moet weer aan de twaalf donkere, gretige oogen in de kajuit denken, aan de tartend-vrije blik van de kleine Carmen. De kleine Carmen. Wat die daareven in haar plaats gedaan zou hebben? Charlotte weet het zoodra ze zich het donkere kind-vrouwtje met de gloeiend-bonte shawls weer voor oogen haalt. En terwijl ze eraan denkt, stijgt in haar zelf die bevrijdende glimlach weer op. Dat ze 't wéét, dadehjk, zonder dat iemand 't haar zegt, heeft ze aan die paar droppels zuidelijk, Fransch bloed in haar zelf te danken! Indien de kleine Carmen in Charlotte's plaats was geweest, zou ze om te beginnen aan de vrijmoedige rakker hebben laten zien, dat ze grappige, verleidehjke kuiltjes in haar ronde, gebruinde wangen had en dat hij dus niet voor niets was opgestaan om naar haar te kijken. Zij zelf zou hem gewenkt hebben, en als hij dan schoorvoetend naderbij was gekomen, zou ze hem verwarren en bestraffen door hem geheel naar zich toe te trekken, hem in z'n zwarte haren te grijpen en hem in het oor te fluisteren: „Ondeugd, maak dat je weg komt! Kijk jij naar meisjes, die bij je passen, versta je?!" En ze zou zich verheugen over de kleine, landelijke aanbidder, die nu, rood van verlegenheid achteruit krabbelend, vannacht van haar droomen zou. ,Bravo, die wordt goed later: de bengel heeft nü al oogen in 't hoofd!' - Boos? Boos... ??? Waarover? Mag hij niet kijken als hij iets ziet, dat hem bevalt? Is hij geen kleine man? Moet hij niet bijtijds leeren hoe de vrouwen zijn, die men toch al zoo moeilijk doorgrondt? Zoo zou de kleine Carmen lachend denken, zeggen en doen, en zoo zal Charlotte het nooit leeren. Maar dat hoeft ook niet: er is nog wel wat tusschen 'n preutsche blauwkous en 'n klein Spaansch shawlverkoopstertje, dat - om waardelooze shawls tot kostbaar sieraad om te tooveren - canailleuser moet zijn dan de met juweelen getooide maitresse van 'n vorst. Het afdalen over de groote, gladgeloopen keien is nog haast bezwaarlijker dan er tegen op te klimmen, - ook 'n ezeltje, dat uit 'n zijweg tusschen de tuinmuren komt aandribbelen, is die meening toegedaan. Voorzichtig, als tastend de hoeven neerzettend, torst het twee vaatjes wijn op z'n geduldige rug. En daar bovenop troont z'n jonge meester. Charlotte hoort hem al sinds eenige tijd. Hij zingt gorgelend, nasaal, lang uithalend in schrille falsettonen, troont zonder zelfverheffing op z'n beide vaatjes, laat z'n naakte beenen achteloos vlak boven de grond slieren en dunkt er zich niet boven verheven, de ezel met welgemikte slagen van kwellende vliegen te bevrijden, - misschien is dat ook alleen maar: genoegen en sport. Als hij om de hoek Charlotte ontwaart, stokt zijn gezang. Om peinzend naar haar te kunnen zien, verdraait hij zich bijkans de nek, en de vüegen hebben zijn aandacht niet meer, zoodat het ezeltje zichzelf met de staart te hulp moet komen. Charlotte wil fermer zijn dan daareven; 'n oogenblik is ze bij het opvangen van de peinzende bük uit die naar haar toegedraaide oogen van plan, te wachten tot de ezeldrijver om 'n bocht verdwenen zal zijn, - dan, resoluut, besluit ze door te loopen. Maar ze heeft de oogen neergeslagen, gebaart de peinzende man op de ezelrug daar vóór haar niet te zien, hoopt in 't geheim toch op 'n toevallige splitsing van de weg. De drijver heeft gepeinsd, - hij begint nu weer te zingen. Steeds naar haar kijkend, het hoofd verdraaid (hij zal vanavond wel 'n stijve hals hebben!), begint hij te zingen, aanvankelijk zacht, met gevoelige keelklanken en zoetklinkende intervallen. Daareven heeft hij, terwijl hij 'n over de muur hangend trosje wegstal, gezongen van de gierige, rijke wijnbouwer, die aan 'n dorstige 'n tros druiven weigerde en tot straf zijn tuinen verdorren zag. En van het visschersmeisje heeft hij gezongen, dat bij het baden in zee haar koralen halsketting verloor. Ai mi... !1 haar geliefde had haar het snoer bij het uitvaren geschonken, en nu verloor zij het, en 'n visch slokte het op, en haar „novio" sneed zelf de visschen open, die hij in zijn netten had gevangen. Daar viel hem, bloedrood, het snoer in de hand; lang, lang trachtte hij te doorgronden waaróm zijn meisje het in zee geworpen had; lang, lang staarde hij op het bloedroode snoer. Reeds op de thuisreis, wendde hij de steven weer naar open zee, en nimmer, nimmer hebben bittere tranen hem weer terug kunnen roepen... Maar nu zingt de ezeldrijver 'n door hem zelf bedacht lied van 'n schoone vreemdelinge uit het koude Noorden, die in zonnig Spanje haar hart aan 'n ezeldrijver verloor. En ziin blik moet het Charlotte verraden: haar eeldt ziin zane. Olé! Zij glimlacht I Al kijkt ze et ook bij naar de grond, hij heeft het tóch gezien: zijn oogen loerden als die van 'n valk. En nu kan hij gerust zijn stem verheffen en jubelend getuigen van de glimlach, de betooverende glimlach van de schoone vreemdelinge uit het Noorden, „la sonrisa", die van 'n nederig ezeldrijver 'n trotsch koning maakte. Daarbij wordt zijn ezeltje ook aangestoken: z'n meester heeft zich in extase wat te veel heen en weer gewiegd, zoodat grauwtje zich op de steile helling niet meer houden kan en in 'n sukkeldrafje omlaag moet hollen. De vaten dansen; de koning moet er af en met 'n stortvloed van caramba's en stokslagen de vaart zien te stuiten. Daarbij verdwijnt hij om de bocht. Charlotte heeft 't eerste oogenblik heimelijke pret om de ongelukkige afloop van het liefdesaanzoek-per-minnelied; daarna ergert haar dit nieuwe bewijs van zuidelijke ongevoeligheid voor dieren. Hoor hem ranselen I Als ze dat tevoren vermoed had, zou ze hem geen aubade hebben toegestaan. Zeker, ook in Noord-Europa ranselen karrevoerders hun paarden, maar van zulk 'n gevoelig zanger verwachtte zij het niet... Onder 'n tuinpoort staat 'n oud vrouwtje en knikt haar in 't voorbijgaan zoo minzaam toe, duidt zoo verlokkend op 'n stapel druiven, dat Charlotte niet verder kan gaan. „Una peseta!" zegt het oude wijfje, zichtbaar gelukkig door haar stilstaan, en kijkt er haar verhefd bij aan. Ja, dat durft Charlotte wel: wat druiven koopen zóó van de wingerd, en ze voor de middagtafel meebrengen. Ze knikt dus, en het vrouwtje neemt verbazend bedrijvig 'n krant, legt er bruingele, doorschijnende trossen in zooveel de krant maar bergen kan. „Genoeg?" vragen haar oogen, alsof het maar van Charlotte afhangt hoeveel ze voor „una peseta" hebben wil. „Genoeg, m'n hartje? Nog 'n trosje erbij 1 Zoo goed?" Charlotte knikt, verward door zooveel vriendelijkheid, neemt haar beursje uit haar bruinleeren handtasch, mept er 'n peseta uit op, nog in twijfel, of het wel genoeg is voor zooveel heerlijke druiven. Jazeker, het is goed zoo. Het oudje stopt haar de druiven toe, ontroerd, met het gebaar van ze haar te schenken. Geld is maar geld, goed, men moet het hebben, maar anders... I - Weg, in m'n rokzak die peseta. - Zoo, m'n hartje, mi querida, mi corazón, laat me je 's goed bekijken, dat mag toch wel? Blond haar heb je... rubio, rubio! Nog even aarzelend, dan door haar overstroomend gevoel onweerstaanbaar gedreven, strijkt ze Charlotte over het blonde haar, knikt er haar bij toe, glimlacht, zoodat er duizend plooitjes in het tanige ouwewijfjeskopje komen. Om de wangen strijkt ze Charlotte met haar koesterende, eeltige handen, die nog koel en vochtig zijn van de druiven. Daarna over de schouders. Charlotte, geheel verteederden weerloos, vraagt zich in vage schrik af, of het oudje haar in haar spontane liefkozing misschien ook over de borst zal strijken. Neen ... gelukkig niet; de oude, rimpelige handen glijden van de schouders tastend omlaag langs de armen en de tengere, blanke polsen, fijn blauw geaderd onder de dunne huid, de smalle vingers. En de handen spreken zachtjes tot Charlotte, die er even de oogen bij sluiten moet: „Blijf, blijf nog even staan zooals je daar staat, m'n dochtertje. Hoe blank ben je...! Als 'n beeld in de kerk, beneden; ik zie de zon haast door je heenschijnen als door 'n engel. - Waar komt ze vandaan; waar gaat ze heen? Hier blijft ze niet, hier, waar 't goed is, waar visch gevangen wordt en druiven groeien! De boot wacht op haar, beneden in de haven, en voert haar de wereld rond, zoo argeloos, onschuldig, onervaren! Nog niets is in haar oogen te lezen: geen man, geen moederschap, - ze is blank, blank als de Maagd. Och, och, m'n hartje, voor je bent zooals ik: 'n ervaren oud wijf, zwart van de zon en de zonde! Ja, ga nu maar weer, je bent jong en hebt dus haast. Dat God je zegene; dat 't leven mild voor je zij! Ik zou je willen kussen, ja, als ik maar durfde! Nu, bid nog eens voor me als ik dood ben; ik loop al tegen de zeventig, ja, ja, denk er om! En hou de druiven goed in je arm, zoo. En voorzichtig, - de steenen zijn glad, de wegen steil... Cuidado! En pas op voor de mannen; vertrouw er niet één...!" Glimlachend zonder het zelf te weten, rechtop, donkerrood van vreugde gaat Charlotte verder door het stille, zonnige gangetje tusschen de druiventuincn, kiikt noe eens om. Het oudje knikt en lacht. Lacht met haat mond, - haat oogen schemeren weemoedig. Dan gaat Charlotte de bocht om, tracht de eerste tijd vergeefs, zich van haar bevangenheid los te maken. Zoo heeft tante haar nog nooit verteederd, niet toen Charlotte na vaders dood - bij haar in huis kwam, niet toen ze voor haar examen geslaagd wes. Respect voor ouderen is in het Noorden 't wachtwoord. Misschien in het Zuiden ook wel, maar daar is nog iets anders: Vereer de jeugd 1 Maak het geluk voor hen, die jong zijn, eindeloos groot; later komt het leed; ze weten het niet, ze weten het niet. - Alsof ze het leven zochten, zoo tastten de oude handen, die de naderende dood reeds vermagerd had, over Charlotte's jonge schouders. Alsof ze wilden drinken van haar jeugd. Nooit heeft Charlotte zich zóó jong gevoeld, ook niet als achttienjarig meisje. Jong is ze, jong en begeerenswaard! 'rirEzetdrijver heeft haar toegezongen, 'n oud vrouwtje heeft zich aan haar jeugd gelaafd. En zij gaat met veerkrachtige schreden, 'n vreemde, nieuwe tinteling in haar grijze oogen. Als de middaghitte loom over de kleine stad hangt en in de stille lucht geen blaadje trilt, staat Charlotte weer op de vischmarkt, welke nu verlaten is behalve door de honden en katten en door de kleine rekels, die in de schaduw hun kopergeld verdobbelen. Om de nog onaangevreten vischresten, die in de trillende hitte op de steenen in ontbinding overgaan, zwermen de vhegen; het driftige gonzen en zoemen is, naast het rinkelen der koperstukjes en 'n spijtige, of woedende uitroep der kleine dobbelaars bet eenige geluid op de in de zon blakerende markt. Vijandig-afwijzend kijken de hooge, thans gesloten kerkdeuren over het troostelooskale plein uit. Charlotte schrikt ervoor terug; ze ontwijkt de markt liever, zoekt 'n weg door bochtige, nauwe straten, waar aan weerszijden hooge, vervuilde huizen de zon afschutten. Ook hier alles uitgestorven; de winkeltjes, die veel van pothuizen hebben, gesloten. Het uur van de siësta. Al eenige tijd betreurt Charlotte het, dat ze in de haast haar parasol verweten heeft. .Zou het de kleine Carmen óók gebeurd zijn?' vraagt Charlotte zich als 'n soort zelf-contróle af. Zou die haar parasol vergeten hebben, als ze er nog wel - zooals Charlotte - eentje had, die apart op de kleur van dit japonnetje gekocht was? Charlotte komt weer in 'n breede straat, 'n promenade met boomen beplant, welke stoffig en star in de zon staan. Ze zal wel niet ver meer van de haven zijn. Als ze eens 'n oogenblik voor dat café ging zitten? 'n Glas limonade zal lekker opfrisschen. Misschien kan ze er ook 'n paar briefkaarten krijgen om aan tante en oom en aan de vriendinnen even het beloofde lettertje te sturen. Charlotte neemt zonder verder bedenken aan 'n tafeltje plaats, waarop 'n palm z'n schaduw werpt. Zij is de eenige klant. Er komt geen kelner; Charlotte weet nog niet, dat men in Spanje in de handen klapt wanneer men bediend wil worden. Nu, ze zit hier goed. 'n Leege tram ratelt voorbij, 'n wolk stof opjagend. Bij 'n hooge electrische lantarenpaal staat 'n agent, de gummistok in de hand, de oogen gesloten. Zou hij slapen? Ook de kelner bij 't buffet, binnen, staat licht te doezelen; bij 'n handklap zou hij dadelijk wakker schrikken. Maar die handklap blijft uit. Geen klanten. Zuiver toeval, dat 'n vlieg hem komt plagen, en dat hij, na door 'n welgemikte slag met z'n servet de vlieg te hebben verjaagd, de senorita daar aan het tafeltje in 't oog krijgt. Hij bekijkt zich in z'n zakspiegeltje, strijkt z'n haar glad, komt naar buiten geslenterd. Nu staat hij bij haar, kijkt haar aan, informeert zwijgend naar haar wenschen. De heele stad zwijgt, waarom zou hij spreken? „Limonade," zegt Charlotte, erop vertrouwend, dat dat ook wel Spaansch zal zijn. „Naranja?" vraagt de kelner, zelf luisterend naar de verfrisschende klank. Hij spreekt de „j" als „ch" uit, maar Charlotte herkent het woord toch. Ja, ranja! denkt ze. Dat kon hier nog wel eens lekkerder zijn dan in Holland. En ze knikt. De kelner wil heengaan. Maar Charlotte duidt hem, dat ze nog meer wenschen heeft. Volgt 'n gebarentaaltje. „Ansicht", verstaat de kelner niet. „Carte postale illustrée" dan? Dat gaat beter. „Postal ilustrada!" Nu weet hij ook alles. Pen en inkt, zeker! Post- zegels heeft hij in z'n zak. „Miss Angleterre?" - „Non, la Hollande." - „Si, si, Holandal" Hij zalnu voor alles zorgen. En even later is Charlotte bij 'n glas ranja-met-ijs, pen, inkt en briefkaarten geïnstalleerd en kijkt voor zich uit wat ze schrijven zal. Aan tante en oom maar, dat ze 'n goede overtocht heeft gehad, en dat 't hier voor oom's keel heel wat gezonder zou zijn. In de golf van Biscaje prachtig weer orehad, - oom maakt tante maar bang met z'n matrozenkerkhofl Zij voelt zich beter dan in maanden. - Da's dat. Aan de vriendinnen: dat ze hier bij 'n glas goddelijke ranja onder 'n palm-in-'n-pot zit. Om de beurt 'n palm en 'n sinaasappelboompje met 'n paar rijpe vruchten er aanl Zeeziek is ze nog heelemaal niet geweest. Er is ook nog niets „aan de hand". Dit ter jullie gerusmelling. Het logboek van de club schiet tot nu toe weinig op. Iets anders dan conventioneele zinnetjes weet ze niet te schrijven. Moet ze Nel en Mies vertellen, dat ze op weg is 'n andere „Lotte" te worden? Dat ze nederlagen heeft geleden tegenover 'n kleine Carmen en 'n vrijmoedig jongetje? Dat de handen van 'n oud vrouwtje haar weer getroost hebben? - Dit zijn haar geheimen en zullen het blijven. De ranja is, nu ze ze proeft, heelemaal niet zoo goddelijk als ze geschreven heeft. Een of ander minderwaardig importmerk zeker. En dat in het land van de sinaasappels zelf l Hoe stil is het nog steeds, hoe warm. Charlotte wil de briefkaarten posten, maar 'n bus heeft ze, voor zoover ze zich herinnert, op de heele wandeling nog niet gezien. Wacht, de kelner kan het voor haar doen. Op één briefkaart staan visschers in overdreven bonte kleuren; op de andere de oude, donkere huizen van de pescaderfa. 'n „Schilderachtig kijkje", noemt men dat. Charlotte heeft alleen maar gezien, dat alles vreeselijk vuil en armoedig was. Is de algemeene voorliefde voor dergelijke schilderachtigheid niet wat opzettelijk? Als Charlotte schüderen kon, zou ze het uitzicht van daarstraks op het doek zetten, de drinkende mannen op het terras, ieder met 'n rood vlekje voor zich, dat 'n glas wijn is, - of de zonnige weg tusschen de druiyengaarden met het voorzichtig stappende ezeltje en de drijver op de beide vaten. Of... Hoe loom is haar denken; ook zij wilde wel 'n siësta houden. Ja, ze zal maat eens naar de boot terug gaan. Maar die vreeselijke bedelaars, waar ze nu alleen tegenover staat I Ze zal zich hier door de kelner wat kopergeld laten geven en daarmee gewapend het gevaar maar trotseeren, - ze moet er immers tóch door. Even later daalt ze met wat kopergeld in haar taschje naar de haven af. Het valt mee: de bedelaars hebben schaftuur, siësta; ze slapen in de schaduw van 'n stapel kisten, drinken wijn, peuzelen 'n tros druiven, - zelfs voor 'n bedelaar heeft God hier nog wat over. Ze vallen Charlotte niet lastig, verwachten niets van haar, of zijn te loom om op te staan. „Perra chica... 1" roept er een, om even 'n balletje op te werpen, maar hij blijft er languit bij liggen. Charlotte moet 'n bootje nemen om zich aan boord te laten roeien. Ze zal wel geld genoeg bij zich hebben, meent ze, zeven pesetas zoowat, en anders kan ze op de Medusa immers de rest wel betalen. Nu maar recht naar de landingsplaats, geen aarzeling toonen. Ze staat er, kijkt rond. Bootjes genoeg, maar geen roeiers. Wacht, daar zitten in 'n bootje twee mannen te kaarten, werpen het spel haastig neer als ze Charlotte ontwaren. Naar de Medoe.. .sa, zeker, el vapór holandés, de senorita moet maar instappen. Galant uitgestoken handen; met gerust hart springt Charlotte van de kade. Kijk, hier op het achterbankje ligt al 'n mooi kleedje voor de senorita klaar. Maar natuurlijk... vooruit betalen. „Un duro I" Charlotte tast in haar beursje, pikt er de zwaarzilveren duro uit. Is dat goed? Ja, dat is goed. Allright! Een van de beide mannen werpt hem achteloos onder 'n plankje voorin, rinkeldeking! De ander stoot van wal. Op het water is 't iets frisscher, maar niet veel. De beide mannen, gespierde kerels, werpen zich staande in de riemen, het gezicht naar de voorsteven gewend, - zoo heeft Charlotte nog nooit zien roeien. Ze zit op 't mooie kleedje, dat er speciaal voor de senorita ligt, laat haar hand door het water sheren, werpt even 'n blik op de bloote armen en beenen van de roeiers: glimmend koper in de zon. Op de schepen wordt niet gewerkt: schaft-uur. Nu, halverwege de Medusa, die nog 'n kwartier roeien weg ligt, spreken de beide mannen 'n woord met elkaar, kijken rond. Ook Charlotte, plotseling ongerust, kijkt over het water, waarboven de hitte trilt. Geen enkele andere boot in de buurt. De roeiers laten als op 'n afgesproken teeken de riemen zinken, wenden zich naar haar om, kijken haar aan, glimlachen. Gelukkig... ze glimlachen, - 'n gil stak Charlotte al in de keel. „Otro duro!" verzoekt de een met prettige stem, steekt smakelijk z'n forsche, vereelte hand uit. Charlotte aarzelt nog, of het misschien 'n grap moet beduiden. Ze probéeren zeker maar. Haar angst is verdwenen, en glimlachen kan zij ook. Nee, ze hééft betaald. Maar nu kijkt een van de beide mannen ernstig. „Otro duro!" zegt hij, zakelijk ditmaal. „One morel" Charlotte neemt, na 'n aarzeling, de beurs uit baar taschje, - dan kunnen ze zelf zien, dat er geen duro meer in zit. Vier zwartglimmende, wit-omboorde oogen loeren in de kleine dames-portemonnaie. 'n Zware, bronzen vinger komt wijzen, dat er nog kopergeld inzit. „Inglies money allright, Dutch money allright I" verklaart de ander, zwaar brouwend, inschikkelijk. Charlotte neemt haar besluit. Ze schudt het SpaanscBe kopergeld uit de beurs, reikt het hun, sluit daarna resoluut haar taschje. De roeier, die de koperstukken heeft aangenomen, wil de hand weer aan de riemen slaan. Maar de ander zegt iets waarover z'n kameraad lachen, moet. Zijn lach eindigt in 'n zucht, en hij gaat zitten. Ook de ander gaat er maar bij zitten. Zoo kijken ze, zuchtend, Charlotte aan. Als de senorita niet royaler uit de hoek komt, kunnen zij onmogelijk verder roeien: het zou Uchtzinnig zijn. Charlotte begrijpt nu echter, dat er geen gevaar voor naar is. 'n Kleine havenchantage, zooals men dat in reisbrieven wel leest. Sommige menschen zijn zoo onverstandig zich er zenuwachtig bij te maken. Tot een of andere geweldpleging zullen de kerels nooit overgaan: haar eerste gil zou in de middagstilte aan boord worden opgevangen. En dus leunt ze behagelijk op 't achterbankje met het mooie kleedje. Zucht nu maar, heeren 1 'Hostie afwachtend, ziet ze plotseling 'n bootje achter de Medusa opduiken. Matrozen aan de riemen, 'n stuurman in donker laken aan 't roer. Ze weet naar blik onverschillig te houden. Ze zucht óók maar eens. De beide Spanjaarden knikken peinzend, leunen vreedzaam op hun riemen, staren naar Charlotte en langs haar naar de kade. Geen politieboot meldt zich. Achteruit, in de richting van de Medusa, kijken ze niet: van die kant wachten ze geen gevaar. „Dutch money allrrright!" wordt nog eens verzekerd. Als Charlotte weigeren blijft, zuchten beiden weer, komen gelijktijdig op de goede gedachte om eens buitenboord te spuwen. Chchchch ... pft! 'n Vischje komt eens kijken en gaat er mee van door. Op het achterbankje van de naderende roeiboot zit, blond en roodverbrand, meneer Beermans, de tweede stuurman, en wuift haar geruststellend toe. Kort, ineengedrongen, zwaargeschouderd, gereed tot krachtig optreden, 'n man op dit oogenbhk. Charlotte ziet hem thans ondanks zichzelf met andere oogen dan die van 'n oudere zuster. Hij is de heros van haar avontuur. 'n Onbeheerschte, ghmlachende bhk verraadt haar. Snel kijken haar beide belagers om, vangen misschien ook gelijktijdig het knarsen van 'n dol op. Ze komen echter weer snel over hun schrik heen, wisselen n paar woorden, nemen welgemoed de riemen op en roeien of er niets gebeurd was verder, - het bootje van de Medusa recht tegemoet. „Ze maakten 't u zeker lastig? Ik zag van 't dek, dat ze er onderweg de boel aangaven I Goed, dat u ze geen geld meer gegeven hebt!" roept de stuurman Charlotte in het naderen toe. En zij kijkt hem lachend in de oogen en zegt met 'n heve stembuiging: „U kwam mooi op tijd, stuurman 1" ,Keek hij naar mij uit... ?' vraagt het in haar. Nu schuiven de bootjes langs elkaar heen. Dirrek-met-dehandjes slaat z'n beide, formidabele „enterhaken" om het dolboord van de Spaansche kaper, trekt het met 'n ruk naar zich toe. „Wat 'n gauwdieve, juffrouw 1 Magge we ze soms nog effe de waorheid gaon vertelle, stuur? - Wach, ken u? Pak u Dirrek maor vast!" Charlotte stapt over; een van de Spaansche roeiers wendt zich om, ten einde er haar hoffelijk de behulpzame hand bij te reiken. Grandezza! Langzaam roeien ze weg, spreken met elkaar, blijven glimlachend kijken naar de booze blikken van de Hollandsche maats. Maar onder hun bravour schuilt toch 'n beetje verlegenheid. Wil de stuurman aan Bram, de leerling, die zich onder de roeiers bevindt, laten zien op welke vertrouwelijke voet hij reeds met de passagieresse van de Medusa staat? Drijft 'n warm gevoel hem tot grootere mtimiteit? Voelt hij zich na zijn reddend ingrijpen gerechtigd, haar wat meer als klein-meisje te behandelen? „Komt u hier maar zitten, juffrouw Charlotte," zegt hij, haar de plaats naast zich aanbiedend en zelf geheel naar het boord schikkend. En voegt er dan rad en luchtig aan toe: „U moet maar niet weer alléén aan wal gaan!" . Maar naar die raadgeving luistert Charlotte met meer. (Jp zijn eerste woorden heeft ze haar ooren gespitst. „Juffrouw... Charlotte!" heeft hij gezegd. VII Aan boord wordt thans schaftuur gehouden, maar als Charlotte beneden in de kajuit haastig 'n middagboterham gegeten heeft en weer op het dek verschijnt, is het laden en lossen in volle gang. Booten, zwaarbeladen met vaatjes, liggen langszij of komen nog aanvaren; andere gaan weg, hoog bepakt met flesschen-in-manden. Op voor-en-achterdek sissen en stampen de stoomlieren; de officieren, de jaskraag los, krijgen het warm van 't tellen. De kapitein is nergens te zien: hij zal wel aan de wal zijn gegaan, op 't kantoor van de agent z'n zaken afwikkelen. De sterke lucht van visch hangt om het heele schip. De meester komt bij Charlotte staan, die van de onderbrug bij het lossen van de flesschen staat toe te zien - nu en dan breekt er 'n dozijn; dat is onvermijdelijk -, en hij laat zich glimlachend van haar avonturen aan de wal vertellen. Ja, 't zal wel mooi geweest zijn, dat uitzicht van daar boven bij die ouwe fort-resten. Van 'n afstand gezien zijn alle dingen mooi, - daarom blijft de meester altijd aan boord: dan ziet hij alles zoo mooi op 'n afstand. „U is onverbeterlijk!" lacht Charlotte. En de onverbeterlijke meester heeft stiekume pret. Op haar lach komt de tweede machinist aangeslenterd, die al eenige tijd beneden op het dek staat en nu en dan 'n blik naar Charlotte heeft geworpen. ,Dat blauwkousje trekt bij l' denkt hij misschien als hij haar luide, heldere lach hoort. Maar bet kan evengoed zijn, dat hij er nog heelemaal niets bij denkt en slechts naderbij komt, omdat hij in haar lach voor het eerst en nog onbewust: de vrouw, de uitdaging, voelt. „Als 'r gelachen wordt, ben ik graag van de partij!" excuseert hij zijn ongevraagde komst. „En u lacht zelf nooit!" ketst Charlotte terug, keert zich naar hem om. Dessauvagie trekt geheimzinnig aan z'n sigaret: dat is zijn wijze van spanning te wekken. ,Wat zou hij doen als hij geen sigaretten rookte?' vraagt Charlotte zich in stilte af. Hij werkt met z'n sigaret als 'n vrouw met 'n kettinkje om haar hals. Zijn smahe, lenige, gebruinde vingers komen bij dit spel-met-de-sigaret tot hun recht. „Juist omdat ikzelf niet zoo vaak lach, hoor ik 't zoo graag van n ander! zegt hij nu. - ,Van 'n vrouw, bedoelt hij,' controleert Charlotte hem. Intusschen heeft hij nog 'n beter antwoord gevonden. Hij zegt: „Juffrouw Clarenbeek, ik lach met, ik verbaas me niet en ik word nooit boos, - ik rook." Hij maakt zich interessant. Hun gesprek is n spelletje, - het is flirt. . _ En Charlotte schaamt zich met voor zichzelf. Waarom mag ook zij niet 's éénmaal flirten? Eens kijken wat ze daarvan terecht brengt? Is ze niet lang genoeg braaf geweest? En wat heeft het haar geholpen? Het gaat er nu om: te toonen, dat zij vrouw is, - in de gevaarlijkste zin van het woord! Het gaat er nu om: de tweede machinist oogen te laten opzetten. Zij proeft het gemakkelijk behaalde succes reeds- het doet haar blozen van durf en genoegen. Maar de meester mag niet merken welk 'n „femme dangereuse er naast hem staat. . ,.. Ze kan gerust zQn: de meester doorziet het met. Kn hij denkt er niet aan om zich nu van zijn kant óók interessant te gaan maken, hoewel de tweede machinist hem er loyaal de gelegenheid voor biedt met de woorden: „Let u s op de meester, juffrouw Clarenbeek, die zult u nóg minder zien lachen! Hij heeft de wijsheid van Confucius geërfd, gelukkig niet z'n buik! Wie veel denkt, lacht weinig, en de meester denkt de heele dag over z'n sterren en planeten! - Ik interesseer me maar voor één planeet: die, waarop ik leetl „En voor revue-sterren toch zeker ook wel? vraagt de meester. , , Hij kent zijn ondergeschikte genoeg om te doorzien, dat deze bij Charlotte tracht te avanceeren. Dat Charlotte hem daartoe vrijuit de gelegenheid biedt, ontgaat de trouwhartige meester. Zijn opmerking doelt er op, Charlotte te waarschuwen voor de kchtzinnige aard van Dessauvagie, en hij zal nooit begrijpen, dat hij Don Juan door zulke waarschuwingen nog slechts 'n pasje vooruit helpt. De meester spreekt alweer kwaad van me! beklaagt de verdacht-gemaakte zich zuchtend. En de meester doorziet alweer niet, dat dit 'n uitdaging is om nog meer te verklappen- hij vliegt er oogenblikkelijk in. „Noem de juffrouw dan maar eens 'n haven waar jij niet een of ander vriendinnetje heb zitten!" hoont hij. „Ik kan er wel dadelijk een noemen!" kaatst Dessauvagie terug. „Hier: Vigol Eerlijk en waarempel niet!" En hij ziet Charlotte oprecht-vroolijk in de oogen. De meester vindt 't nu mooi genoeg, wendt zich korzelig af. En oogenblikkelijk remt ook Charlotte. „Dan moet u dat verzuim maar gauw inhalen," zegt ze, spot en afwijzing in haar stem. De meester knikt tevreden. Goed geantwoord. Flinke meid. De tweede machinist constateert, dat hij te hard van stapel is geloopen. Gelukkig heeft hij zijn sigaret, die hij nu uit de samengespitste lippen neemt, tegen de zool van zijn schoen dooft en nadenkelijk overboord werpt, — wat hij ook ineens had kunnen doen. „Vijfhonderddrieëntachdg!" roept op het voordek de tweede stuurman af, blaast, rukt aan z'n warme boordje, werpt 'n vluchtige blik naar het drietal daar op de onderbrug. Maar dan vraagt het werk weer z'n volle aandacht: bij moet optellen met zeven-en-twintig: zooveel vaatjes visch worden er in elk net aan boord geheschen om in het ruim verstouwd te worden. Kom... de meester zal 's naar beneden gaan, z'n krantjes uit Holland lezen. „En ik ga nog 'n oogenblik rusten," kondigt Charlotte meteen aan. „Dag, heeren!" Zij is de eerste, die heengaat. Dessauvagie staat alleen, kijkt voor zich uit, knipoogt zonder het zelf te weten naar Beermans, die hem 'n beetje onderzoekend aankijkt. Dan wendt hij zich af, steunt op de ellebogen, ruggelings tegen de reeling, staart in gedachten naar de glimmende punten van zijn demi-bottines. Ja... dat blauwkous je trok bij! Hij heeft zich in haar vergist: er zit meer muziek in dan hij dacht. Hij zal 't nog eens bij haar probeeren als de meester er niet bij is. Als ze niet voor hem, Dessauvagie, gelachen heeft daareven, voor wie dan wel? Beermans? Daar durft hij 't tegen opnemen. Hij fluit opgeruimd, zachtjes voor zich heen. „Just tea for two and two for tea, just me for you and you for me..." Dat kon op die manier nog 'n aardig verzetje op reis worden! Hij rekent op de fluweelen blik uit z'n donkere oogen, die (hij weet het!) vleien, smeeken en veel beloven kan. Hij rekent op het spel van zijn sierlijke vingers, op zijn ervaring in het verwarren van 'n vrouwenbrein door mystische levenswijsheden, die geen bekentenissen, maar maskeerende rookwolken zijn, waarin Eros ongemerkt nadersluipt. Als Charlotte in haar hut alleen is, ziet ze in de kleine spiegel van haar mahoniehouten waschtafel die glimlach om haar lippen, welke haar sinds vanmorgen in de kajuit bijna niet meer verlaten heeft. Zij kent het spelletje van lokken-en-afstooten wel, - ze is 'n vrouw! Wacht maar, meneer Dessauvagie! Voor zichzelf ziet ze geen gevaar; ze heeft zichzelf voorloopig nog oneindig meer hef dan die meneer-de-tweedemachinist, wie het ook slechts om de triomf te doen is. En de jonge stuurman zal ze niet van z'n meisje afhalen. Het is alleen maar om eens te bewijzen, dat...! Charlotte verbeeldt zich 'n gevaarlijke coquette te kunnen zijn indien ze dit verkoos. Maar zoo bont zal ze het nu niet maken. En met dit goede voornemen slaapt ze in. Als ze wakker wordt, is het laat in de middag. De wegzinkende zon legt goudstuifsel over alles wat ze beschijnt en zet de bergen in gloed. Het is het laatste felle Opflikkeren van de dag; in de schaduwen, koelpaars, schuilt de avond reeds. Zoo krijgen de kleuren iets onwerkelijks en schrils, worden schmink, 'n Schoone courtisane, die onder poeder en rouge verbergen wil, dat voor haar de avond nadert. Van zee komt 'n briesje, en het schijnt of de kleuren erdoor verstuiven. De bergen staan niet meer in brand, worden vaal, kleurloos, plomp. Alles heeft iets van 'n tooneelvoorstelling, zoo onwaarscmjnlijk snel gaat het. „Avondstemming", schrijft het regie-boek voor; de lampen van 't voetlicht worden gedoofd op de blauwe en 'n enkele roode na, 'n gaas zinkt neer, nog 'n gaas. Schemering. Charlotte staat op de brug waar zich verder niemand bevindt. Ze ziet hoe de kleuren van het stadje afvallen en hoe het daar nu geheinizinnig-melanchohsch aan de grijze baai het. In dit tempo wordt de overgang van de dag naar de avond tot het symbool: Licht is leven; duisternis... dood. Straks zal de maan komen en de lachende groene bergen tot woeste dreiging van grotten en spelonken herscheppen, tot n sombere greep om de zilverig-glanzende baai, waarin ze ach wiegt. En in de schaduw der huizen, waar bij zonneschijn luchtig geflirt is, zal duistere hartstocht rondsluipen, de dolk onder de mantel geborgen. Ja, zoo gaat het in Spanje: minnespel eindigt in donkerrood bloed] Charlotte is geneigd dit beeld als 'n waarschuwing aan zichzelf te nemen, terwijl ze gefascineerd de voorstelling volgt. Nu vonken de eerste lichten op. Snoeren van licht door de straten, langs de kaaien; op de schepen worden lampen in de mast geheschen. Op platte daken zitten menschen bij lampions. Op de Medusa is het sinds lang stil; de laatste booten worden weggeroeid onder vreemd gezang. Het is hetzelfde soort gezang als van de ezeldrijver vanmorgen maar hoe droef-smachtend klinkt het nu in de duisternis Fakkels branden op de plecht; het licht druipt als brandende ohe in het klotsende water neer. Nog stiller wordt het nu de booten aan de kaai gemeerd zijn. Langs de wand van 'n verankerd zeilschip plonst 'n leege emmer neer, wordt vol weer opgehaald. Stilte. Roerloos staand, meent Charlotte guitaar klanken van de wal op tevangen, lachende stemmen, hand- en castagnettengeklap. Over het geheimzinnig wiegende water komen de lichtjes van de kade met dartele, geestige sprongetjes aangebuiteld, alsof het rythme van de castagnetten ook hen al te pakken heeft. r En dan opeens verscheurt Janus, de schele stoker, de sfeer door 'n droefgeestig ingezet: „En dat is 'r je moeder, je moe.. .oeder alleen!" Absurde wanklank, die in zangerseigenhefde tot daverende kracht aanzwelt. Charlotte bukt het hoofd: het vertelsel is oife Ja... zoo was het Hollandsche volk, peinst ze. Oereigen, maar dan ook zonder het geringste aanpassingsvermogen' zonder begrip of respect voor het wezen van vreemde' landen, volken. Practisch, nuchter, fatsoenlijk, sceptisch en als natuurlijk tegenwicht 'n valsche sentimentaliteit, 'n valscne romantiek, die behoedzaam buiten het leven zelf gehouden werd en zich in de „volkszang" redde. Hoe anders het Zuiden! Romantiek en sentiment beheerschten er de handelingen, kwamen zelfs tot uiting in staatspokttek. Wat de ezeldrijver vanmorgen zong, was de lyrische zijn gevoelens en verlangens geweest; hi] gaf er zich eerhlk £ - hier was het lied geen zotte leugen zooals bi) Janus de stoker, die stellig niet aan zijn moeder dacht al bezong hij ^Kan'iemand aan boord met Charlotte meevoelen? Allen zijnzelf zoo hyper-Hollandsch. Nu ja... de tweede machinist mag daarop 'n uitzondering zijn. De hofmeester komt haar halen: er moet wat vroeger gegeten worden, want zoometeen zal de agent er zijn met de papieren en dan kan men 't anker lichten. Ze vindt aan tafel allen bijeen, - dat komt onder t varen nooit voor. „Gezelligl" zegt ze spontaan bi, t b^enkomen en allen knikken, - ze voelen het net zoo. Slechts de eerste smurman mist alle zin voor gezelligheid. „Heb ,e ,e lijsten klaar>" vraagt hij zakelijk aan Beermans, en vóór deze antwoorden kan, spreekt Strijbos reeds als z'n eigen meening uit- „Nou ja, je hjsten kloppen toch weer met met die van de agent, - 't zal wel weer uitzoeken worden... Akelige kerel,' denkt Charlotte, haar stuurman m bescherming nemend tegen de verdachtmaking, dat zijn lijsten JSÏSSen kloppen. Ze weet niet, dat het slechts 'n attaque tCgZe moefvan'haar havenavontuur vertellen, tracht het amusant en onderhoudend te doen. Het is haar anders toch toevertrouwd om zooiets met humor en ^fuomc op te diïchen; - dat ze nu de ware toon niet treft, beeft de eerste stuurman daar vóór haar op z'n geweten, die verveeld op z'n leege bord kijkt en telkens het hoofd afwendt naar het kaiuittrapje waar elk oogenblik de hofmeester met de soep miet^Schijnen. „Waaf blijft die kerel?» mompelt^hi, zoo voor zich heen terwijl Charlotte haar verhaal te berde brengt. Hij heeft z'n servet al omgeknoopt, wapent zich in s'n ongeduld reeds met vork en mes, verwisselt die dan voor de lepel als hem te binnen schiet, dat het 't eerst soep zal wezen. J . , v-. Gelukkig neemt Beermans haar verhaal nu over. n Ver- ademing: niet meer amusant te hoeven zijn en zwijgend te kunnen luisteren naar wat de tweede stuurman ervan vertelt. Hij had juffrouw Clarenbeek toevallig over 't water zien aankomen en al dadehjk gedacht, dat cue havenschuimers 't er onderweg aan zouden geven. Èn ja, daar had je de poppen al aan 't dansen 1 Gauw 'n paar mannetjes bijeen getrommeld en de jol gestreken, 't Liep gelukkig niet op 'n wedstrijd in 't hard-roeien uit, want daar was 't wel wat te warm voor... I Nu komt in 't algemeen het mindere of meerdere gevaar van zulke avonturen ter sprake; de tweede stuurman weet van gevallen, in Singapore en Port-Said, dat 't verkeerd afgeloopen is. O ja, vooral bij donker! Charlotte luistert naar de steeds verschrikkelijker eindigende avonturen; soms ook luistert ze niet; trekt alleen maar 'n geïnteresseerd gezicht en vraagt zich in stilte af waarom dezelfde mannen, cue met deze vreemde havens zoo vertrouwd zijn en de wereld toch allesbehalve romantisch aankijken, nu plotseling voor haar, Charlotte, dit alles met 'n waas van duistere romantiek trachten te omhangen. Natuurlijk, daardoor worden zijzelf flinker; bij een van hèn zou Charlotte niets te vreezen hebben gehad... Alleen Dessauvagie doet er niet aan mee. „Na af dat verschrikkelijks wat jullie daar vertellen, durft de juffrouw nooit meer alleen aan de wal te gaan!" zegt hij half-ironisch. „Kort en goed, juffrouw Clarenbeek, ik..." De meester, die toch anders iemand wel kan laten uitpraten, snijdt hem het woord af. „De agent had de juffrouw wel mogen laten terugbrengen ook," zegt hij. „In 'n volgende haven zullen we dat zoo voor u regelen, juffrouw " „O ja, natuurlijk, ik dacht ook, dat de agent verder voor u zorgen zou," excuseert de kapitein zich, geërgerd. „Ja, hij bood ook aan om me rond te leiden, kaptein! Maar het zou toch wel wat onbescheiden zijn geweest, dat aan te nemen?" Allerliefst, zooals ze dat vraagt. Wat 'n ezel, die agent, om niet vol te houden. „Juffrouw Clarenbeek, we praten er niet langer over: ik ga in Ceuta met u aan de wal!" zegt de tweede stuurman nu kort en goed en wat^ haastig in zijn vrees, dat Dessauvagie hem nog vóór zal komen. Geen nood, Don Juan heeft de tijd. Zooveel haast im- poneert 'n vrouw niet, en de reis is nog niet ten einde I Hij glimlacht stilletjes en zegt: „Dat kan juffrouw Clarenbeek niet weigeren nadat jij baar al éénmaal uit 'n gevaar gered hebtl" r , Fair play geven, - dan sta je sterk. En hij beeft door zijn erkenning van Beermans' oudste „rechten" meteen even onder 't oog gebracht, dat het niet alleen zuivere edelmoedigheid, maar ook 'n niet te versmaden buitenkansje is: juffrouw Clarenbeek aan de wal te begeleiden. Klare wijn, vriendje! . , , De meester is tevreden, kan 't met laten, vergenoegd te knikken. Beermans is verloofd en bovendien 'n fatsoenlijke jongen, - daar steekt geen gevaar bij. Maar Charlotte zelf wil het aanbod nauwelijks gehoord hebben - ze geeft het ontwijkende antwoord: „Ja, maar we gaan van hier toch naar Lissabon? Of ligt Ceuta daar soms ÓÓkNee juffrouw, in Lissabon komen we bij deze route niet," licht de kapitein haar in. „We gaan van hier ineens door naar Ceuta, aan de Afrikaansche kust bij straat Gibraltar en dan gewoon verder naar Malta, Alexandrie en... Dan stokt hij, kijkt in het verbijsterde gelaat van zijn passagieresje en vraagt: „Maar... hebben ze u dan met gewaarschuwd, toen drie dagen voor 't vertrek de route gewij- ^Charlotte, sprakeloos, schudt slechts ontkennend het hoofd. . ,, .„ . 1 ^ Ja... dan zullen ze 't vergeten hebben! is het eenige wat de onthutste kapitein er verder van zeggen kan. „Met kleine vrachtbooten is dat nu eenmaal zoo: tot op de laatste dag kun ie niet zeggen waar 't nou eigenlijk op aangaat! We hebben er drie dagen voor 't vertrek 'n lading Dultscn ijzer en daarna nog die vaten bijgekregen, alles voor Alexandrië; onze oorspronkelijke lading voor Genua en Napels neemt de Cleopatra nu mee, die 'n week later uitvaart. Ik begrijp 't eenvoudig niet, dat ze u er mets van hebben laten weten..." , ; * \ „Ze hebben wel geschreven, dat de Medusa zou varen inplaats van de Cleopatra. 'k Heb de briefkaart, geloof ik, nog in m'n taschje." Charlotte maakt even 'n beweging van opstaan, maar ziet er meteen de nutteloosheid van in en zinkt 'n weinig apathisch weer op haar stoel neer. „Ja, dat komt, juffrouw... we hebben op onze lijnen geen passagiersdienst... enfin, 't had natuurlijk toch niet vergeten mogen worden." De kapitein is er 'n weinig verlegen mee. „Maar dus: we komen deze reu heelemaal niet in Italië?" vraagt Charlotte nog slechts. „Nee, juffrouw, deze reis niet... ik wou, dat er wat aan te doen was." Daar gaat Charlotte's voor-studie. Daar gaan haar nauwkeurig omschreven plannen, haar museumbezoeken, haar voorgenomen uitstapjes. Daarvoor heeft ze geduldig schrift voor schrift volgepend met Baedeker-rwijsheid. Meneer Strijbos, die zich juist voor de tweede maal de saus en de aardappelen heeft laten reiken, schiet iets te binnen. Hij zegt niet vaak wat aan tafel, alleen wanneer hij 'n goed idéé heeft zooals nu. De juffrouw zou in Malta van boord kunnen gaan om daar op de Cleopatra te wachten, die haar 'n week later naar Italië zou kunnen meenemen. Verlegen zwijgen. Charlotte moet zich haast bovenmenschelijk geweld aandoen om niet te verraden hoe hij haar grieft. De heimelijke bedoeling van zijn „raad" is zoo verschrikkelijk duidelijk geweest, dat niemand van z'n bord durft opzien. Slechts Dessauvagie kijkt hem recht in het gelaat en zegt koel, met onbewogen stem: „Da's nou niet handig van je, stuurman. Je zou het toch zelf jammer vinden als juffrouw Clarenbeek ons in Malta al ging verlaten." Strijbos zit nu in 't nauw. Jazeker, natuurlijk, dat zou jammer zijn als de juffrouw... maar misschien wou ze nou juist Italië en niks anders zien? Charlotte gelooft haar stem in bedwang te hebben. Daareven nog vreesde ze in tranen te zullen uitbreken wanneer ze zou spreken, maar nu weet ze haar woorden vrij van elke verraderlijke trilling te houden. Meneer Strijbos heeft gelijk: ze wilde Italië zien op deze reis, en dus zal ze in Malta de komst van de Cleopatra maar afwachten, - dat is 't eenige. Algemeen protest. Het was nog lang niet heelemaal zeker, dat de Cleopatra Malta zou aandoen, en dan zou ze weer met 'n Italiaansch bootje naar Sicilië moeten oversteken; dat was allemaal nog niet zoo gemakkelijk als 't er uitzag. En het zou allen zoo spijten, wanneer de juffrouw nu al zoo vroeg de Medusa vaarwel zei; ze hadden er op gerekend haar uit en thuis te brengen. Moest de juffrouw nu heusch Italië zien? Daar was heusch niet zooveel aan als ze misschien dacht. En om de post hoefde ze zich ook geen zorgen te maken, - die werd overal nagestuurd; dat was toch maar de hoofdzaak. O nee, om de post was het niet, verzekert Charlotte, die, zonderling ontroerd door zooveel protest, 'n glimlach niet kan terughouden bij de vreeselijke gedachte, dat ze tante's brieven over gebroken soepterrienen en de brieven van de „club" enkele weken te laat ontvangen zal. Nee, om de brieven, - dat was niet erg! Maar... De meester komt thans met het lokkende uitzicht aandragen, dat de Medusa wel 'n kleine week in Alexandrië zal blijven liggen. Hoe mooi kan ze dan 'n kijkje in Caïro gaan nemen, dat zoo interessant moet zijn! Strijbos mag er sceptisch bij kijken, - Charlotte ziet hem niet meer. Ze voelt, dat bij de anderen, bij de kapitein, de meester, de tweede stuurman en meneer Dessauvagie werkelijk de wensch leeft, haar aan boord te houden. En iets lokt haar naar het onverwachte, dat niet in haar reisprogramma is opgenomen. tfc« waar gaat de Medusa dan van Alexandrië heen?" vraagt ze, al half overwonnen en haar overbuurman van nu aan negeerend. „Dat hooren we daar weer," licht de kapitein haar in. „Ja, met die vrachtschepen, juffrouw... 1" „En 'n reis zonder surprises is toch óók geen reis, juffrouw Clarenbeek!" merkt Dessauvagie op en ziet haar, 'n weinig geheimzinnig, met schuingehouden hoofd aan. Beermans haast zich om die opmerking, waaronder men 'n dubbele bedoeling zou kunnen vermoeden, 'n onschuldiger aanzien te geven. „Ja, dat is juist leuk voor u als u tevoren heelemaal niet weet wat u zien zult!" zegt hij. Charlotte glimlacht. „Zooiets als wanneer men in de stad op goed geluk 'n schouwburg binnenloopt zonder te weten wat er vertoond wordt: Shaw, Shakespeare of SachaGuitryl" „Juist 1" beamen de kapitein, de meester en de tweede stuurman, die alleen de naam Shakespeare kennen. „Juist! 't Kan zoowel op 'n operette als op 'n drama uitdraaien I Ha-ha-hal" Maar Dessauvagie overtroeft hen. Hij weet, dat Charlotte's vergelijking bedoeld is voor 'n toehoorder met 'n iets hoogere ontwikkeling dan waarover de anderen beschikken, - voor hem dus. En hij zal toonen, dat hij die onderscheiding waard is. „Misschien wordt het wel alles door elkaar! 'n Revue! (Pas op, als ik weer over de revue begin, kijkt de meester me verwijtend aan!) 'n Revue, juffrouw Clarenbeek! Eerst 'n stuk Duizend-en-een-nacht en dan: défilé van antieke grootheid, - voorop Phidias, Homeros en Aeschylos!" „Ja, naar Griekenland zullen we ook nog wel oversteken!" zegt Beermans dadelijk. Dessauvagie kan 'n licht verwonderde blik niet terughouden. Hij had er Homeros nooit bij moeten noemen, dan zou niemand behalve juffrouw Clarenbeek geweten hebben, dat hij Griekenland bedoelde, 'n Stommiteit van hem... Charlotte heeft haar druiven aan de hofmeester afgegeven om ze te wasschen en op te dienen. Terwijl allen van de over-zoete vruchten snoepen (ook de eerste stuurman, die zich hiermede verder geen verplichting op de hals meent te halen en dus stevig toetast), meldt de agent zich aan. „Herein wenn's kein Schneider ist!" roept de kapitein hem toe. En of hij geen tros lekkere Spaansche druiven mee-eet? „Ach bitte, lasst mich damit in Ruhe!" verzoekt de agent, z'n verachting niet verbergend. Maar dan hoort hij, dat het de juffrouw is, die ze heeft meegebracht. Of het Fraufein hem dan entschuldigen wil. Hij kent das Zeug nu al wek woont hier nu sinds het sluiten van de wereldvrede. Maar vooruit, dan zal hij toch 'n trosje nemen, - bij wijze van hóóge uitzondering! De kapitein betaalt Charlotte's schuld voorloopig af, - in IJmuiden zullen zij beiden wel afrekenen. Ach Gott, de agent was 't allang weer vergeten. Niet het Fraulein zelf. maar dat hij haar geld geleend had. Dan verlaten allen de kajuit en gaan naar boven. Ook Charlotte, die nog 'n tros druiven meeneemt; zij vindt ze heerlijk. Goed, dan maar 'n reis in 't wilde... 1 Terwijl ze die avond tegen de reeling leunt en, langzaam haar druiven oppeuzelend, de loods ziet komen en gaan en onder het wegvaren de lichtjes van de wal steeds kleiner ziet worden tot ze achter de eilandjes wegglijden; terwijl Charlotte over de kalme, door de maan beschenen zee naar Spanje's donkere bergen staart, geniet ze nog eens opnieuw van haar heerlijke dag. Als zij zich later in Holland nog weer eens zoo mat en nerveus mocht voelen, wil ze er weer aan denken hoe de handen van het oude Spaansche vrouwtje over haar hoofd en langs haar schouders tastten en er haar aan herinnerden, dat ze jong, jong, jong was. Ook bij het inslapen die avond blijft om haar mond de glimlach zweven, die Spaansche galanterie haar afgedwongen heeft... Met 'n gelukkig gevoel ontwaakt ze de volgende morgen. Ze heeft intusschen ontdekt, dat er zich aan het eind van het gangetje 'n kleine badkamer bevindt. Er werd weinig gebruik van gemaakt, vertelde de hofmeester, omdat er alleen zout water voor genomen mocht worden, - daar hielden de meeste heeren niet van. Nu, maar Charlotte wel. Ze slaat haar kimono om en shpt handig en ongezien het nauwe kajuitgangetje door,-memand heeft haar gezien. Trouwens.. .dat was nog niet zoo erg, want 'n kimono is kleedzaam. Zij draagt 'n blauwzijden, die ze bij de Bonneterie apart voor de reis gekocht heeft, 'n Blauwzijden met 'n paar geborduurde, Bchtgrijze bloemen erop, - tot deze keus heeft ze zich door het kleine, kwieke verkoopstertje laten verleiden, en thuis heeft ze vergeefs getracht het (voor haar doen ietwat wufte) kleedingsstuk voor Tante's alziend oog te verbergen. Tante had er echter niets van gezegd, slechts even verwonderd van de kimono naar haar gekeken en toen haar meening beperkt tot de kwahteit van de stof... En nu ruischt het dampende water in de badkuip; Charlotte zit op de rand, verzorgt haar nagels en kan het niet nalaten zachtjes voor zich heen te tralleren; dat zullen ze buiten wel niet hooren en anders zullen ze 't haar wel vergeven: in de badkamer zingen is 'n kwaal van vele menschen. „C'est la mèr' Michel, qui a perdu son chat. Élle crie par la fenêtr' qu'est c'qui le lui rendra. Le compèr' Lustucru qui lui a répondu: Allez la mèr' Michel, vot' chat n'est pas perdu 1 Sur 1'air du tra, trallala, Sur 1'air du traderidera, trallala..." Nu ligt ze languit in de badkuip, ademt de prikkelende damp van het zoute water in, dat heerlijk inwerkt op de huid en door de lichte bewegingen van het schip zachtjes heen en weer wiegt. Zoo'n bad is 'n kuur, denkt Charlotte terwijl ze zich peinzend over de blanke schouders en de ronde armen strijkt. Alleen de zeep wil niet schuimen, - hoe dom; dat had ze tevoren kunnen bedenken. Ze ligt nog 'n tijdje met gesloten oogen, laat zich meewiegen met het warme zeewater, - haar reis wordt 'n droom op dit oogenblik. 'n Droom. Geen tevoren afgebakend program, geen „vacantie-taak", neen, neen, 'n zalig, stuurloos zich-latendrijven, het ongeschrevene zien en doorleven en tot eigen bezit maken. Reizen, reizen als 'n wolk, - waarheen de wind je maar drijft... - Kom, ze wil niet te laat aan 't onbdjt zijn. Charlotte staat op en boent zich met 'n groote, ruwwollen handdoek droog tot ze er geheel van gloeit. Het is, of iemand haar gemasseerd heeft, zoo elastisch voelt ze zich. Nu zich nog in de hut even naspoelen met koud, zoet water! En op haar slofjes, in de blauwzijden kimono met de grijswitte bloemen, glipt ze van de badkamer weer naar haar hut. Het is 'n nieuwe Charlotte. 'n Gelukkige, zorgelooze Charlotte. Hóór hoe ze die morgen lacht 1 Kijk de tweede machinist z'n ooren spitsen! Op de brug wacht haar de tweede stuurman. Ongeduldig, met zonderling-verwarde gevoelens wacht hij sinds hij daarstraks in de kajuit bij het haastig ontbijten het trallala-gezang uit de badkamer heeft opgevangen en even later 'n geheimzinnige, gracieuse gedaante in blauwzijden kimono 'n deur heeft zien binnenglippen. „Morgen, juffrouw Clarenbeek!" Aan die betiteling houdt bij zich nu weer om elke verdenking te vermijden, dat hij door andere dan hoffelijke gevoelens gedreven zou zijn toen hij haar zijn geleide voor Ceuta aanbood. Ook tegenover haar zelf legt hij daar die morgen nog eens de nadruk op. „In Spanje is 't nog scnappelijk, weet u, maar daar bij die Arabs kunt u als dame werkelijk niet goed alleen aan land gaan, - dat is niet vertrouwd! Gelukkig wordt er in Ceuta maar weinig gelost: wat kisten jenever, tamazaantjes zoutzuur en baaltjes manufacturen, - de kapitein zal me wel verlof geven om met u mee te gaan. Hij zat er trouwens bij toen ik het u aanbood, niet waar, en zal zelf ook niet willen, dat u iets overkomen kan..." Nou, het is héél vriendelijk van de stuurman! - En Charlotte ziet hem vrooüjk aan, heeft moeite om niet ondeugend te glimlachen. In 'n hoekje van haar zuivere mond moet de glimlach, die ze verbergen wil, zich toch verraden, want de stuurman wordt rood en staart verward voor zich uit. Dadelijk tracht Charlotte hem met 'n argelooze opmerking weer over z'n verlegenheid heen te helpen: ze ziet hem graag vroolijk, opmerkzaam, 'n beetje verliefd zonder dat hij het zelf goed weet. Elke ernst tusschen hen beiden tracht ze te vermijden. Werkelijk, Charlotte heeft geen gevaarlijke bedoelingen; het is maar 'n onschuldig spelletje. Iedere zeeman komt vroeg of laat tóch in de verleiding; als het Charlotte niet is dan is 't 'n ander passagieresje of 'n toevallige kennismaking in 'n haven; het is nu 'n goede gelegenheid voor de stuurman om eens te bewijzen hoe sterk hij in z'n schoenen staat! „Waar woont u, stuurman?" De stuurman woont nergens. Op de Medusa! Maar hij komt uit Veere, in Zeeland. „Uw meisje zeker ook? U is toch verloofd, nietwaar?" Jazeker... hm! Ja, hij is verloofd, en z'n meisje woont in Zierikzee. 'n Onhandige beweging naar zijn portefeuille; het knoopje op z'n borstzak wil niet gemakkelijk open, kijk, dat is haar portret. In de wijze hoe hij het Charlotte reikt, ligt reeds iets van 'n openhartige schuldbekentenis. Dat hij dadelijk met 'n foto zou aankomen, had Charlotte niet verwacht, en het beroert haar 'n oogenblik onaangenaam; zij had liever niets gezien. Maar nu moet ze het portret wel bekijken, 'n Vanwege de foto wat extra uit- gedost meisje in 'n quasi-romantische houding, die al heel slecht bij het nuchtere, fantasie-looze gezichtje past. Jonger dan Charlotte, veel jonger. Achttien jaar misschien, nog wat proppig, onvolgroeid, nog vormlooze armen. Wel iets goedigs in haar oogen, ook wat verwends, 'n wel knap gezichtje, zooals men dat noemt. In haar blik iets ontwijkends, omfloerst, 'n primitieve koketterie in haar heele wezen, 'n aardig, klein mondje, dat veel dwaasheid babbelen kan. 'n Zeemansvrouw? Misschien... maar de man moet niet te lange reizen maken. Dit zegt Charlotte deze foto, welke ze met grootere belangstelling dan ze wel toonen wil bekijkt, ,,'n Aardig meisje! En misschien wel... 'n kleine ondeugd?" daarmee geeft Charlotte de stuurman z'n foto terug. Deze slikt wat weg, getuigt, dat hij haar op de bruiloft van z'n broer heeft leeren kennen. Jazeker, het was 'n heel aardig meisje en... ja, op de bruiloft van z'n broer was zij toen óók gekomen... Het is alsof hij van 'n vreemde spreekt. Charlotte's oogen lachen weer. Ze merkt nu pas goed wat 'n jongen hij toch maar is. „Ja..." meent hij er nu nog aan toe te moeten voegen, „zoo heel goed kennen we mekaar natuurlijk nog niet, want sinds die bruiloft hebben we mekaar maar drie keer gezien. En telkens maar voor 'n paar dagen!" Toch maar verloven, denkt Charlotte bij zich zelf. O, du holde, selige Zeit, dat je nog zoo heerlijk onverstandig zijn kunt! 't Is voor dat meisje 'n bof, dat de knappe, jonge, breedgeschouderde stuurman thans niet in gevaarlijker handen dan in die van Charlotte is gevallen! Charlotte koestert slechts beschermende gevoelens ten opzichte van de tweede stuurman. Het is slechts 'n zusterlijke genegenheid, die haar voortdurend naar zijn gezelschap doet verlangen en die haar doet vragen wanneer ze in haar dekstoel ligt en over zee tuurt: Waar zou hij nu zijn? Zit hij misschien in z'n hut 'n brief te schrijven of 'n boek te lezen? Waarom staat hij daarginder 'n uur lang met de derde machinist te praten? - O, Charlotte! Ze weet heel goed, waarom hij daar staat en niet met het dambord komt aandragen, Hij zou het honderdmaal hever doen dan de derde machinist over levenspech te hooren zuchten, maar hij moet er voor zorgen, dat hun samen-aan-den-wal-gaan te Ceuta 'n onschuldig aanzien behoudt 1 En om dezelfde reden doet zij geen moeite, hem bij zich te lokken. Het is 'n complot, 'n Zwijgend beraamd complot tusschen hen beiden... En het schijnt te slagen. Wie zou iets tusschen hen vermoeden die Charlotte eenzaam in haar dekstoel ziet liggen terwijl in de midscheeps de tweede stuurman in druk gesprek met de derde machinist of met de meester staat? Charlotte is er gerust op, verkeert slechts even in twijfel bij meneer Strijbos en Dessauvagie. Ach wat, de eerste stuurman denkt, als hij aan wat denkt, toch zeker aan niets dan z'n postzegelsmet-overdruk. En de tweede machinist... ?? Ja. Als ze dat maar wistl Dessauvagie laat zich niet misleiden, - kent zulke spelletjes te goed; hij heeft Beermans' ijver glimlachend aangehoord toen het gezamelijk uitstapje naar Ceuta ter sprake kwam. Hijzelf maakt met Beermans eens 'n praatje in de midscheeps en ziet de blik van de tweede stuurman onder het spreken nu en dan met 'n vreemde onzekerheid afdwalen naar de kant waar Charlotte in haar dekstoel ligt. „Waarom gaan jullie niet weer eens dammen?" vraagt hij, achteloos 'n sigaret aanstekend. Dammen...??" vraagt de tweede stuurman, alsof hij het woord voor het eerst hoort. „Ja, dammen," herhaalt Dessauvagie wreed-onschuldig tegen de in verlegenheid gebrachte. Och... hij heeft nu van de reis alweer genoeg gedamd. Dat is bij hem 'n voorbijgaande ziekte. „Net als verliefdheid," merkt Dessauvagie op en ziet hem vol argeloosheid recht in 't gezicht. 's Avonds aan tafel wijdt hij zijn aandacht eens aan Charlotte. Neen, in haar grijsblauwe, vriendelijke oogen ligt slechts onschuldige behaagzucht, - geen passie. Zij speelt 'n spelletje... haar eerste; daarin kan hij, Dessauvagie, zich niet vergissen. Vreemd, vreemd, hoe zij in weinige dagen is opgebloeid, - hij kan er nog niet aan wennen. Ze keek preutsch als 'n blauwkousje toen ze, ongenaakbaar en propvol met geleerdheid, aan boord kwam. En hoor nu hoe ze lacht, - je zou er de machine-kamer voor uitkruipen 1 Zie, hoe haar oogen rijpen! Als dat zoo doorgaat, zal voor hem de tijd van altaqueeren gauw zijn aangebroken. Misschien in Alexandrië, als ze vier dagen (op z'n minst I) in de haven liggen. Laat Beermans het vuurtje voorloopig maar opwarmen. Hij, Dessauvagie, houdt niet van oogengedraai; hem lokt 'n concretere minnarij. Alexandrië! Ja, daar ligt z'n kans! Voorloopig op de achtergrond blijven, 'n paar dagen tevoren (niet eerder, om haar geen tijd te geven, zich nog te „bedenken" en ook om de aangelegenheid niet languissant te maken), 'n paar dagen tevoren dus uit z'n verborgen hoekje opduiken en de stormloop gewaagd, 'n Zege zou werkelijk de moeite waard zijn tenminste op reis 'n verduiveld aardig verzetje. Aan de wal zou ze hem wel wat minder geboeid hebben. Dat meent bij nog. Hij speelt mandoline; ook de derde machinist, de Oostersche fatalist, speelt mandoline; Bram, de stuurmans-leerling, heeft 'n guitaar, de kleine, donkere machinist-assistent 'n banjo. Drie van de muzikanten (de derde machinist heeft wacht) zetten zich de volgende morgen bij het gangetje, dat langs de machine-kamer loopt, en zoeken op hun instrument 'n tweede en derde stem bij Santa Lucia, Gin a body meet a body, No no Nanette, 't Zonnetje gaat van ons scheiden, Vaarwel m'n dierbaar Vaderland en Giovinezza, Giovinezza, Primavera di Belleza... het Fascistenlied, dat Dessauvagie met zuivere intonatie meezingt. De meester komt op pantoffels uit z'n hut, 'n klapstoeltje in de hand en gaat, licht geamuseerd toekijkend, tegen de reeling zitten luisteren. Uit de kombuis komt de onwaarschijnlijk lange, magere, beenige kok telkens even hooren om dan op 'n drafje weer te verdwijnen. De hofmeester is er ook al gauw bij en haalt, zonder in de machinekamer permissie te vragen, uit de hut van de derde machinist de mandoline weg om méé te kunnen spelen. Als de anderen éven stil willen zijn, kan hij de mandoline stemmen bij die van Dessauvagie, maar in het vuur van 't spel weten ze van geen ophouden en verzoeken de hofmeester slechts van z'n mandoline af te blijven: hij schopt alles in de war. De hofmeester geeft het stemmen echter niet op, houdt er zijn oor vlak bij en trekt 'n snaarjhooger en hooger op tot ze - knap! gesprongen is. Zuchtend, geërgerd, zorgelijk bergt hij de mandoline weer weg en gaat de Oostersche fatalist in de imchinekamer vertellen, dat hij de snaar vergoeden zal. Nog bedrukter kijkend keert hij weer terug. Uit de kajuit komt nu Charlotte naar de midscheeps; Gerrit is haar gaan waarschuwen en loopt met haar mee om op deze wijze tevens van de muziek te profiteeren. Maar de hofmeester stuurt hem weer naar de kajuit: koper poetsen. ,Da's nou onze Harmonie, juffrouw!" deelt de meester Charlotte mede en voegt er met stille pret aan toe: „Wat.ze d'r naast spelen, rolt vanzelf overboord, - da s makkelijk met zoo'n schip. - Hier, gaat u maar op mijn stoeltje zitten, juffrouw, ik sta liever!" Dessauvagie spaart de lokking van zijn donkere oogen voor later- hij buigt het hoofd naar zijn mandoline en zoekt, geïnspireerd, nieuwe accoorden; de andere twee musici luisteren ietwat jaloersch wanneer zijn lenige vingers het slot van n wijsje met allerlei gedurfde loopjes, trillers, glissando s opsieren. De kapitein komt, blozend, pas geschoren, uit z n hut en gaat gUmlachend bij Charlotte staan. Boven op de brug dreunt de zware tred van de tweede stuurman. .„,,„• j u c And you will see, how happy we wül bel zingt de ftotméèster met twijfelachtige uitspraak; hij heeft de nijdige uitval van de derde machinist, beneden, over de geknapte snaar, thans weer vergeten en wiegt zorgeloos z n hootd onder het zingen, steekt de handen in de zakken, maakt n paar moderne danspassen terwijl hij heengaat om Gerrit op z'n vingers te kijken. De meester zoemt ook mee; nu luj deelneemt aan de muzikale uitvoering staat zijn gezicht schrikwekkend somber. Soms zingt hij 'n paar woorden mee, die hij toevallig kent, daarna gaat hij door in n dot: van tieje, tieje, tieje, van tieje, tieje, toem! Beneden in de machinekamer als de raderen zoemen, de hefboomen bonken, komt de meester soms nog heel anders op dreef, zingt daverend, uit volle borst; Charlotte hoorde het gisteren voor het eerst en kon niet gelooven, dat 't werkelijk de meester was. Ze zit nu ghmlachend tegen de reehng, ziet toe en luistert, vraagt om nóg eens: Santa Lucia. Klos-klos-kïos! klinken de voetstappen van de tweede stuurman door het zoetkhnkende, gevoelvol gespeelde hedje van de Napohtaansche havenwijk. Als de melodieënrijkdom wat verminderen gaat en de muzikanten elkaar aankijken van: Wat nou nog? staat Charlotte van het vouwstoeltje op, dat de meester haar zoo vriendelijk heeft aangeboden, en gaat eens op de brug kijken, waar de roerganger ook al meefluit en de tweede stuurman aangenaam verrast opziet. „Morgen, juffrouw Clarenbeek!" „Morgen, stuurman! Morgen, Hein! Fluit jij maar gerust door, hoor!" „Nee, juffrouw, ik weet hoe 't hoort: as d'r 'n dame bij is, fluit ik niet!" Met Hein, de Scheveninger, die nog altijd z'n traditioneele petje draagt en wiens keiharde bol de vorige reis bijna 'n deuk in de ijzeren reeling geslagen heeft zonder daarbij zelf merkbare schade te ondervinden, - met Hein staat Charlotte al op vertrouwelijke voet. Gisteren is hij tot de ontdekking gekomen, dat hij in de tijd toen hij nog in den Haag met visch liep te venten wel twintig maal of nog vaker door de straat gekomen is waar de juffrouw woont en dat hij op 't èigenste nommer 'n paar maal 'n half emmertje scholletjes is kwijt geraakt. De juffrouw heeft dus vast wel visch gegeten, die Hein gevangen heeft! Da's 'n heel aanknoopingspunt. Nu vertelt hij haar daar achter het stuurrad, zorgvuldig de koers in 't oog houdend, van z'n negen jonge hondjes thuis, en hij en de tweede stuurman lachen allebei als Charlotte hem vraagt wat hij met zooveel jonge hondjes wil en of hij die allemaal houdt?? „Ik zei ze niet verdrinken, juffrouw, als zulle d'r in hun leven nog wel 'n paar op zee blijven..." Het zijn z'n negen kinderen, waarvan hij spreekt. Charlotte is ontroerd, weet geen antwoord meer. Bij het stuurhuisje staand, tuurt ze over de zee, die op dit oogenblik vredig deint en stralend, lokkend blauw is, maar ook heel anders zijn kan. Heins voorepelling is niet gewild-somber; z'n oogen lachen erbij, - maar hij weet wat varen is, varen op kleine visschersbootjes, varen op koopvaardij- en passagiersschepen. Daarom zal hij zijn jongens nog niet verbieden op zee te gaan, - de zee geeft brood, de zee vormt mannen, 'n Groot gevoel van warmte gaat van Charlotte nu ook plotseling naar de tweede stuurman uit, in wiens helderblauwe jongens-oogen zij leest, dat hij geboren zeeman is, niets anders dan zeeman had kunnen worden. Even later staat ze naast hem tegen de stuurboordreeling en vraagt: „Hoe laat zouden we morgen m Ceuta zijn? JU vroeg!" antwoord hij, 'n weinig opgewonden. „Ik zal u door Gerrit wel even laten wekken wanneer straat Gibraltar voor de boeg komt; ik zelf vind die invaart in de Middellandsche Zee ook altijd weer mooi." „Nou, heel graagl" Onschuldig, vriendelijk vraagt ze dan: En wanneer zouden we 't best aan wal kunnen gaan? " De stuurman slikt even iets weg. ,,'s Ochtends is net natuurüjk 't koelst, nietwaar, dat begrijpt u wel; s middags is het daar om te stoven." Nou, werkelijk, ik vind het erg leuk, dat u met me mee wiit!" verzekert Charlotte onomwonden. „Is 't heusch met lastig voor u?" „ ... xc Stotterend tracht de stuurman haar gerust te stellen: nijzelt vindt 't óók leuk; de juffrouw moet niet denken, dat... Het is bijna twaalf uur; de kapitein en de eerste stuurman klimmen de trap naar de brug op om de zon te schieten Bram, de stuurmansleerling, schuchter achter hen aan. Ut juffrouw Clarenbeek óók eens door 'n sextant zien wilrvraagt de kapitein. Dat kan ze moeilijk weigeren. „Oraag, kaptein!" - „Dan zal ik 't u even uitieggen! Door dit gekleurde glaasje moet u naar de zon kijken! In dat spiegeltje, ziet u wel, tot de zon op baar hoogst is, en dan tegelijk naar de horizon. En... schrijf jij 't even op welke breedte de juffrouw afleest, Strijbos? We zullen eens kijken wie het dichtst bij 't gemiddelde en 't afstandscijfer komt!" Maar Charlotte, het weinig vriendelijke gezicht van de eerste stuurman, die naar 'n potloodstompje zoekt, vroolijk trotseerend, zegt uitdagend, met heldere stem: „Nee, kaptein, dat gaat zoo vast niet eerlijk toe! Meneer Strijbos zou straks uit louter galanterie zeggen, dat ik er het dichtst bij b wuift de anderen jongensachtig grappig toe terwijl hij de kajuittrap opgaat. Maar ook CfiSotte 5 trotsch. Laat meneer Strijbos maar eens merken, dat ze nier aan boord ook vrienden heeft. Ook de meester staat op; hij wil 's in de machinekamer gaan kijken. „Wacht, nu ad de thee net zoowat getrokken zijn; jammer, dat meneer Beermans al is weggegaan. U nog 'n kopje op de valreep, meester?" „Nou, alstublieft, juffrouw!" „Vooruit, wie weet 'r nu nog 's wat te vertellen?" noodigt de kapitein uit, terwijl hij de sigaren laat rondgaan. „Jou hooren we nooit 's, Dessauvagie!" „Ik ben geen zeeman, kaptein, en weet dus ook geen zeemans-verhalen," excuseert de tweede machinist zich. „De meester en ik varen.... nou ja, omdat onze machine vaart, nietwaar, meester?" Zichzelf met de meester te vergelijken is ijdeltuiterij. De meester verhoudt zich anders tot z'n machine dan meneer Dessauvagie, die niet om de wijde zee, niet om 'n machine, maar slechts om de haven-avontuurtjes aan 't varen is geraakt. Alleen daarvan zou de tweede machinist kunnen vertellen. Maar dat gaat niet goed waar Charlotte bijzit. Zoo zwijgt hij dus liever, kijkt glimlachend naar Charlotte, de hand onder de kin. X Charlotte verdroomt 'n zalige dag op haar ligstoel. De hemel is blauw met wat witte wolken, welke schijnen stil te staan; het is nog warmer dan gisteren. Ze zou wel weer wat willen knutselen met schaar en verfdoos, - daar heeft ze de smaak van te pakken gekregen. Maar de eerste stuurman is haar, hoewel ze 't zich niet wil bekennen, hierin 'n beletsel. Ze tracht hem te doorgronden. Allen mogen hem eigenlijk graag lijden. Alleen zijn gedrag jegens haar wekt soms misnoegen, maar overigens merkt ze nooit iets van 'n stekelig woord aan zijn adres. Als ze hem eens plagen, gebeurt dat vriendelijk, vol respect; hij kan er trouwens ook goed tegen. Ze heeft gemerkt, dat hij prompt gehoorzaamd wordt; de hofmeester, zich anders nog al eens graag in beuzelpraatjes vermeiend, is tegen hem correct en zakelijk, zooals 't zich betaamt, en durft ook niet bij hem aan te komen met uitleggingen achteraf: waaróm dit of dat niet gebeurd is. Maar hij moet iets tegen vrouwen hebben. Tegen Charlotte in 't bijzonder kan 't niet zijn, - daarvoor bestaat geen reden. Ze voelt wel, dat ze bij 'n man als hem geen romantische oorzaak voor zijn wrok zoeken moetTmj heeft stelhg geen „teleurstelling" beleefd; de vrouwelijke psyche, waar tegenover hij zoo onhandig en afkeerig staat, is voor hem onontgonnen terrein. Uit wat voor dwaze trots, uit welk voorbarig wantrouwen dus wil hij zich niet plooien en legt hij er zelfs koppig de nadruk op, dat hij 'n norsch zeeman is, die aan complimentjes niet meedoet en er voor past om met z'n vierkante aanpak-handen sierlijke mes-en-vorkmanoeuvres uit te voeren terwille van 'n vrouwelijk overbuurtje? Voelt hij zich soms door haar bedreigd? Hij kan gerust zijn! Charlotte heeft 'n geheime vrees voor hem gehad zoolang ze meende, dat die knorrige somberheid z'n werkelijke aard was, maar nu ze weet, dat dit slechts 'n soort afweer tegen haar moet zijn kan ze er nog slechts om lachen. In gedachten ziet ze: hoe hij aan tafel plaats neemt, rechtop in z'n stoel, stijf, vijandig, de handen naast z'n bord, mes en vork reeds half omvattend. Het lijken gevaarlijke wapens in ajn handen, en zoo duikt hij dan weg achter 'n verschansing van aardappels en groente. O, Charlotte merkt het: mannen zijn kinderen; je moet er maar niet boos op worden. Ze wil eens zien hoe ze haar schrik-aanjagende overbuurman ontwapenen kan; ze gelooft er wel 'n middeltje op te weten, - gaat even naar haar nut om dan met vulpen en schrijfbloc terug te keeren. En, behagelijk in haar stoel geleund, schrijft ze aan de vriendinnen. Ze zou al eens eerder wat uitvoeriger van zich hebben laten hooren, schrijft ze, indien ze niet haast doorloopend zeeziek was geweest. Niet erg, maar toch zoo'n beetje duizelig, net voldoende om niet tot schrijven te komen. Lastige ziekte! Gelukkig voelde ze zich nu weer beter dan ooit. De reisroute was verlegd, - stel je voor, de boot ging nou via Malta naar Alexandrië en vandaar waarschijnlijk naar Griekenland! De vriendinnen moesten hun brieven maar aan de directie te Amsterdam adresseeren; die zorgde dan wel voor de doorzending. Wat 'n avontuurlijke reis beleefde ze. In Vigo had 'n ezeldrijver haar 'n aubade gebracht; ze had 'm ook vist genomen wanneer hij maar met 'n reëel aanzoek voor de dag was gekomen, want zijn zang had haar erg geflatteerd. Spaansche zee-roovers hadden haar daarna willen kapen, maar 'n blonde Achilles verhoedde het nog bijtijds. Uit de handen dier zeeschuimers gered, had op Afrikaansche bodem 'n Arabier haar willen schaken voor z'n harem; hij had al zeventien vrouwen; zij zou nummer achttien zijn geworden, maar dan wilde ze toch nog liever met 'n vliegenier trouwen; ze was in Ceuta nl. met 'n vliegenier aan boord teruggekeerd, 'n Vliegenier van krrrr! krrrr! krrrr! die nu dienst deed in de machine-kamer. O ja, en dan nog wat: als ze daar in Holland soms postzegels konden machtig worden, afgestempelde postzegels, die 'n beetje bizonder waren, - of ze haar die dan wilden sturen? Gewoonlijk ging de weg naar 't hart van 'n man door z'n maag, maar hier leidde die nu eens door 'n postzegelboek. ,Denk 'r om: vooral mis- en overdrukken, » daar is de malloot 't felst op. - Lotte.' Zoo, dit is gelukkig dan weer eens 'n brief, zooals de vriendinnen die van haar verwachten. Met de noodige onzin, waaraan geen touw valt vast te knoopen, maat die ongeloofelijk nieuwsgierig maakt. Op 'n „ouwerwetsche club-avond" zal Charlotte achteraf alle rebussen, die er in staan, moeten ophelderen. O, Charlotte kan in haar brief aan de vriendinnen gerust wat overwicht laten gelden; ze heeft er het recht toe. Geen van hen allen overziet het leven als zij; geen durft het aan als zij. In dit verband moet ze aan meneer Dessauvagie denken, in wie ze haar tegenspeler voelt. Ook hij is niet argeloos zooals de anderen; ook hij heeft overwicht. Maar zij voelt zich toch de sterkste van hen tweeën; zij gelooft met hem te kunnen spelen indien ze dit verkiest. Z'n donkere oogen vreest ze niet; het spel met z'n sigaret heeft ze al heel gauw doorzien; daarachter kan hij voor haar geen nederlaag, geen verlegenheid meer verbergen. Zij weet wat hij wil; ze weet het precies; ze weet waarom zijn oogen vragen. Pas op, vergis je niet, vriendje I Je bent gewend op gansjes te jagen, zooals er genoeg rondfladderen voor wie maar jagen gaat. Maar Charlotte heeft zich, als Andersen's jonge eendje, tot 'n wilde zwaan ontpopt; ze fladdert niet, ze vliegt, onbereikbaar hoog voor zulk 'n Nimrod! Als hij dat nu maar inziet vóór hij zich belachelijk heeft gemaakt! De bel voor 't koffiedrinken luidt, en de jager komt juist voorbij. Lachend neemt ze de hand aan, die hij haar reikt ten einde haar uit haar gemakkelijke houding overeind te helpen. „Weet u wel, dat u hier aan boord met de dag mooier wordt?" durft hij te vragen. En beklaagt zich daarna vroohjk: „Waar moet dat heen?" Charlotte voelt zich blozen en ergert zich tegelijkertijd onuitsprekelijk, dat haar zooiets nu nog gebeuren kan. Ze weet toch, dat dit zijn veroveringstactiek is, en niettemin laat ze zich er door overrompelen, kleurt, als 'n bakvischje, van verwarring en genoegen. Terwijl ze - onhandig - de lippen opeenklemt en Dessauvagie niet durft aan te zien, bezint ze zich vergeefs op 'n woord, dat bewijzen moet hoe weinig ze zich voor z'n complimentjes van de wijs laat brengen. De tweede machinist echter, half triumfeerend, half werkelijk verhefd, ziet zijn geluk reeds nabij en kat haar hoffelijk voorgaan bij de kajuittrap. Beneden, aan tafel, heeft meneer Strijbos wat te zeggen. Hij humt als voor 'n speech, en allen vestigen in verwachting hun blik op hem. „Kaptein," zegt de eerste stuurman, „ik kom m'n beklag doen over die kat." Zooals hij dat zegt, wordt het 'n civiele zaak. Zooiets van: Die kat gaat er af, of ik. „Wat is 'r dan?" vraagt de kapitein, wat wrevelig door de toon van het beklag. ,,'n Mensch moet z'n rust hebben," stelt de stuurman vast. „Als iemand z'n plicht doet, heeft ie recht op rust." Daartegen is niets in te brengen. Het valt niet te loochenen, dat de stuurman z'n plicht doet en dat hij dus ook z'n recht op rust heeft. „Vooruit, wat is 'r dan gebeurd?" vraagt de kapitein. Nu komt de zaak voor de heeren. Vannacht om vier uur was de stuurman van z'n wacht gekomen, en, zoolang 't donker bleef, had die kat hem uit z'n slaap gehouden. „Ja, dat kan natuurlijk niet," geeft de kapitein kortaf toe. „Smits?" „Ja, kaptein?" Als de kapitein geen „hofmeester" zegt waar de juffrouw bij zit, is de lucht niet zuiver. „Wat weet jij van die kat?" „Die is in Ceuta vanzelf aan boord gekomme, kaptein!" „En waarom hebben jullie 'm niet weer aan de wal gezet?" „Niemand kon 'm krijge, kaptein! Hij is dadelijk tussche de vate weggekrope." „Die vaten gaan in Alexandrië van boord," memoreert de kapitein tot z'n eerste stuurman. „Da's nog zes nachten," rekent deze, weinig ingenomen, uit. De poes is vanzelf aan boord gekomen en tusschen de vaten weggescholen. Niemand treft schuld. Ook de matrozen niet, die zich door middel van lekkere beetjes allang met poesje bevriend hebben en - toen ze hoorden, dat de stuur er niet zoo best tegen kon - 'm vannacht in 't logies hebben opgenomen om 'm stiekum bij 's stuurmans hut te zetten. „Nou, kort en goed, Smits, zie dat je 't beest vangt!" verordonneert de kapitein, wat hulpeloos. „En dan gaat ie morgen in Malta van boord." „Zal gebeuren, kantein!" stelt de hofmeester gerust, alsof aan dat bevel niet de geringste moeilijkheid verbonden kan zijn. Maar meneer Strijbos kijkt nog niet erg opgeruimd. Er is iets anders wat 'm dwars .zit, iets waarover hij niet spreken wil om geen stof tot lachen te geven. Behalve de poes, heeft varmacht de krekel hem 'n bedje voorgezongen. Het beest moet door de een of ander in zijn hut zijn losgelaten. En al hóór je zoo'n mormel vlakbij, - het op te speuren blijft 'n duivelsche toer. Als de stuurman die avond in z'n hut komt om vóór de wacht nog 'n paar uurtjes te slapen, wordt hij weer met gesjirp ontvangen. Grimmig sluit hij de deur achter zich, vermijdt Ikht aan te steken, hangt z'n jas op, tast in het duister naar z'n electrisch zaklantarentje, dat - als Gerrit er bij 't schoonmaken met z'n vingers afgebleven is - rechts op z'n tafeltje moet liggen. Het ligt er ook: Gerrit durft niets te beroeren wat hier in deze hut 'n vaste plaats heeft. Behoedzaam bukt Strijbos zich nu naar het bed, - want in de duistere schaduw onder het bed huist de krekel en sjirpt de onzichtbare maan toe. Knips! flitst het lampje op. De krekel verstomt. Hij moet onder het bed zitten, maar hij zit er niet. Het is 'n krekel, die zich onzichtbaar maken kan, zooals Hades en zooals de Djinnen en de helden uit de sprookjes. Zuchtend staat de stuurman op, laat nog 'n lichtbundel vallen achter de buizen van de verwarming. Dan niet! Hij zal maar zoolang op bed gaan liggen tot het beest zich weer laat hooren. Het is overdreven om bij krekelgesjirp niet te kunnen slapen. Het krekeltje achter de haard, - symbool van gezellige huiselijkheid. Lafontaine verhief de bescheiden zanger tot held van 'n fabel, tragisch tegenspeler van de ijverig zwoegende, pottende mier, die door het eindeloos mysterie van de kosmos tot geen toontje van bewondering bewogen wordt en haar ondoorgrondelijk levenslot in verstandige stomheid op de schoudertjes voorttorst, - braaf burgerjuffertje, dat zij is. Toen de mammoeth nog zwaar rondstampte door het diluviale tijdperk, in z'n argeloosheid niet vermoedend, dat z'n botten voorbestemd waren om te wor- den opgesteld ter leering van latere geslachten; omstreeks die tijd mag het geweest zijn, dat 'n krekel voor het eerst op de gedachte kwam, het zijne te zeggen van de schepping, die toen nog uit weinig meer dan uit 'n verwaaide boom, 'n grazende rhinoceros tichorhinus en 'n daverend schoone zonsopgang bestond, maar die niettemin de krekel - geboren dichter - in verrukking bracht. En de krekel zong. Hij stemde het hem door God geschonken instrument en bezong in - destijds nog - rijke melodieën het heelal (de sterren waren er toen juist bij gekomen en de maan was al in de maak). En na hem zongen zijn zonen, ziin kleinzonen, heele geslachten, zooals men dit vaak bij muzikantenvolk aantreft. Maar zie, het wonder der schepping het zich niet uitdrukken, niet in honderd, niet in duizend zangen, 'n MilHoen maal of wat ging de zon op en onder, en altijd viel er weer iets anders van te zingen. Toen drukte zich op het nederige geslacht der krekels die wijsheid af, welke slechts door rusteloos zoeken verworven wordt en stil-aan tot algeheele resignatie leidt. Zoo tornden zij van hun rijk instrument Stuk voor stuk de snaren tot hun nog slechts één klank restte. Want - zoo wisten zij toen - waar nog twee zijn, is 'n grens. Slechts één klank kan onbelemmerd door het heelal ruischen tot aan God's oor. Ook God is Eén; indien Hij twee was, zou het met Zijn oneindigheid ten einde zijn. Op, makkers, zusters, broeders, stemt allen in op deze eene klank! Laat de wereld nog slechts één klank zijn, opdat God verneme, dat wij Hem eindelijk, eindelijk verstaan hebben. . . ! ,,111- O, men zou bij het krrr! krrr! van 'n krekel aan het droomen kunnen raken. Of, als men dan al niet tot droomen geneigd is, zou men er toch tenminste slaperig bij moeten worden. Maar de stuurman ligt met open oogen, zucht, woelt, tast naar z'n electrische zaklantaren om - ineens! onder het bed te grijpen. Hij weet wel wie de krekel in z n hut verstopt heeft! De meester wil hij zoo'n flauwe mop trouwens ook verder niet kwalijk nemen, maar wie brengt zoo'n beest eerst aan boord? Vrouwen doen zooiets on- ^ülfkat is vanavond tenminste koest. Merkwaardig, dat 't beest, dat zich toch door niemand vangen liet, ineens koest wordt nadat hij, Strijbos, zich bij de kaptein heeft beklaagd. Hoe slim van zoo'n dier om nu vanzelf z'n bek te houden. Haast menschenverstand. Maar over de kat denkt de stuurman niet lang na. Hij komt weer op Charlotte terug. Ja, vrouwen moest je maar aan boord nemen. Dat was véél gezelliger dan mannen onder mekaar. Werd de zee maar 's wat ongemakkelijker 1 Kwam er maar 's 'n schep water over, dan kon de juffrouw merken dat 't op zee niet alleen damspelen en passagieren was met 'n jong, verloofd tweede stuurman! Krrrr! Krrrrrrrrrrr! Met 'n ruk gooit Strijbos zich om, grabbelt onder 't bed. En nu - ineens! - heeft hij de zondaar. Hij ademt diep op, slikt eens, bromt tusschen z'n tanden enkele woorden, onsamenhangend, zinloos, overweldigd als hij is door zijn plotseling jagersgeluk. Hij richt zich op, steekt de groote lamp aan. Maar niet alleen om hem heen, ook in zijn ziel straalt het hcht. Aha! Sakkersen mormel, daar heb ik je dan toch! Aha, juffrouw! Aha, meester! Hij bekijkt zijn gevangene nauwkeuriger, half met afschuw, half nieuwsgierig. Wat, wou jij bijten?! Zoo'n klein beest toch, en je zoo te sarren! Wacht, je verdiende loon, mannetje! Hij begeeft zich naar de patrijspoort; z'n twee passen erheen hebben iets ongewoon veerends. Nu zet bij de sjirper op de rand van de patrijspoort, er zorgvuldig voor wakend, dat de kleine onverlaat niet achteruit kan springen. O, daar denkt- de krekel niet aan. Vóór hem is het hcht van de maan, Gods veihge Oneindigheid; ailes: dood en leven is één, en dus... hopla! De stuurman is welgemoed als zelden nu er niets meer op de patrijspoortring zit. Dit is misschien 'n uitgekozen oogenblik om eens in zijn postzegelboek te bladeren. Zijn hand tast naar de sleutels in zijn zak, vindt de juiste, schuift 'm in het sleutelgat van z'n tafellade, waar het boek geborgen hgt. Stilte. Vrede. Zielerust. 'n Gelouterde glimlach om de lippen, zit de stuurman achter z'n zware, opengeslagen plakbijbel en telt - alleen zoo voor de aardigheid - nog eens hoeveel Russen hij heeft. Het zijn er twee-honderd-en-zeven-en-tachtig. Maar van één vertrouwt hij het watermerk niet geheel, en 'n prachtige Alexander II, gestempeld op de duizendjarige jubileumsdag van het Russische rijk, 20.9.1862, is geschonden. Doodzonde. Hij telt nu ook z'n Zweden, z'n Finnen. Hij scheurt voorzichtig 'n blaadje uit z'n notitieboekje, schrijft de getallen op. Dat is 'n idéé: hij zal er 'n lijstje van gaan bijhouden! Ja, de menschen zien 'n goedverzorgd postzegelalbum en vinden 't 'n mooi gezicht. Maar hoeveel werk en zorg er aan vast zit... hoe weinigen weten dat! De binnenvaart in Malta, de volgende morgen, valt Charlotte - na het vriendelijke, kleurige Vigo en het plechtigmonotone Ceuta aan de ingang der oude wereldzee - 'n weinig tegen. De aandacht wordt afgeleid door het voor anker liggende Engelsche vloot-eskader: dreadnoughts, machtige grauwe monsters met dreigende geschutpoorten, kleinere kruisers, torpedojagers, 'n moederschip voor vliegtuigen met groot landingsdek en twee platte schoorsteenen langszij, meer drijvend gevaarte dan schip. De Medusa zoekt dieper in de haven 'n ligplaats, stoomt langzaam voorbij de kleine stad, waaraan zoo op het eerste gezicht weinig te zien valt. Eerst rechts 'n parkje met wat palmen en 'n soort muziektempeltje; daarna kan Charlotte - onder 't voorbijvaren - in de nauwe, stijgende en dalende straten kijken, waar veel Tommy's in khaki rondloopen. Interessant is 'n vrouwedracht, die 'n restant van de Moorsche overheersching zijn moet: 'n wijde, zwarte huif, waarachter het gelaat verborgen kan worden. De meester raadt Charlotte eerlijk af om voor die paar uurtjes, dat de Medusa hier voor anker Hgt, nog aan de wal te gaan. In Alexandrië is dat heel wat anders; daar heeft ze haast 'n week de tijd om alles op haar gemak te bezien en om naar Caïro te gaan. Maar dadelijk na de koffie hoopt de kapitein hier klaar te zijn, en 't is van achter in de haven nog 'n heel eind voor je in de stad bentl Hijzelf is 'r trouwens nooit geweest, maar hij weet 't toch wel: 't is bijna 'n uur roeien, en dan moet je nog door de douane ook. Juist daarom had hij ook niet zoo heel veel lust om voor die postzegel-vriend van meneer Strijbos naar 't postkantoor te gaan; gelukkig wilde meneer Dessauvagie 't even voor hem opknappen. Daar zit 'm de kneep. De meester wil vermijden, dat Charlotte onder geleide van de tweede machinist het schip verlaat. Geen nood: meneer Dessauvagie heeft haar zijn gezelschap niet eens aangeboden 1 Kijk, daar verschijnt hij juist op het dek, uitgeleide gedaan door de eerste stuurman, die hem nog voor het laatst wenken en raadslagen geeft inzake de postzegels. Licht, vooral heel Hcht moeten ze afgestempeld worden en voorzichtig afgescheurd; geen karteltje mag ontbreken; hij zou er het Hefst zelf voor gaan; dan pas was hij verantwoord tegenover die kennis, maar hij kon nou eenmaal niet weg en dus... De tweede machinist laat alles langs zich heenwaaien, ziet achteloos rond tot hij Charlotte ontdekt. Deze kijkt juist met de meester 'n andere kant uit, n.1. naar 'n naderend bootje, waarin 'n zwaarlijvig, grappig uitgedost heerschap staat met onder iedere arm 'n wit vrachtje. „Malteezer hondjes," legt de meester Charlotte uit. „Dat is Jozef, die daar aankomt, - die ontbreekt nooit. Let u 's goed op z'n neus!" Wat naderbij, ziet Charlotte de neus, die de meester bedoelt. Het zijn er bijna twee op elkaar; het is de meest onwaarschijnlijke neus, die Charlotte ooit is tegengekomen. „Dag, meister!" schreeuwt Jozef nu in het „Hollandsen" over 't water. En tegen Charlotte meteen ook maar: „Dag, jiffrouw!" En hij houdt de hondjes op, grappige witte diertjes met lang, zijde-achtig haar. Hoewel hij op en top gentleman is (shantoeng-colbert met zware gouden horlogeketting, bruine demi-bottines en paarsgestreepte sokken) dunkt het hem toch niet te min om ook even aan het voorschip 'n minzame hoofdknik te wijden. Daar kennen ze hem en roepen hem joviaal toe: „Zoo, Jozif, ziene we jouw knolneus ook weer verschijne?" Nu komt hij de scheepstrap op met zijn Malteezertjes onder de arm, nog even gevolgd door de roeier, die hem 'n handkoffertje nadraagt. Na de verzekering te hebben ontvangen, dat het werkehjk maar voor heen en terug is, stelt Jozef zijn boot gul ter beschikking aan de tweede machinist. Charlotte ziet meneer Dessauvagie niet wegvaren; haar geheele aandacht is voor die schattige hondjes; honneponnig zijn ze, zooals ze daar nog met nog onzekere beentjes op het scheepsdek staan, en men zou haast in de verleiding komen er een van te koopen, al was het alleen omdat de poes nu vandaag van boord moet, - voor de gezelligheid dus. Maar de meester wijst er — tot Jozefs ergernis — op, dat de Medusa in 't hartje van de winter in Amsterdam terugkomt en dat zoo'n beestje, aan 'n warm klimaat gewend, waarschijnlijk de kou niet zou doorstaan. Hoe de meister dat nou zeggen kan! vraagt Jozef verbijsterd. Beesten met zóó'n vacht zouden niet tegen de kou kunnen? Maar daarvoor neemt hij ze toch juist, weer of géén weer, mee naar de schepen, ook in de kille avonduren, alleen om ze maar vast aan de kou te wennen 1 Gehard als ijsberen zijn ze! „Nou, Jozef, ik weet goed raad," zegt de meester. „Daar bij de kajuit gaat net de eerste stuurman, die stapelgek op beesten is, nietwaar, juffrouw? Als je er aan die geen kwijt raakt, dan weet ik 't niet meer." Jozef heeft in z'n lange practijk zulke grapjes te goed leeren kennen om er nog in te vliegen. Hij luistert er niet eens naar, en terwijl hij de hondjes in 't oog houdt, die naar zijn zin soms te dicht naar de verschansing dribbelen, maakt hij zijn bandkoffertje open. Malteezer kant. Charlotte voelt het dadelijk: ze zal de verleiding tot koopen niet kunnen weerstaan. Broos, als ijzel, is de kant; wanneer men er zich over bukt, stijgt er 'n vreemd en vaag aroma van op. - Nu heeft ze al 'n kraagje gekocht, 'n klein rond kraagje van aaneengesponnen ijzelbloemen. Vijf shilling. „Veel te veel!" attaqueert de meester in de blinde. Maar Charlotte, die hij door zijn aanval op de prijs nog wel aan 'n goedkooper kraagje helpen wil, kiest resoluut de partij van Jozef. Te duur? Te duur voor zooiets moois? Krijgt men voor drie gulden in Holland zulke kant? Jozef, die de verdediging zelf ter hand meende te moeten nemen, klapt z'n mond toe, laat Charlotte het woord. Ah, het doet goed, nu eindelijk ook eens zóó iets te hooren! Zoo krijgt dan ook Jozef eens z'n rechtvaardiging! Muziek, pure muziek zooals de juffrouw spreekt! Meer nog dan de meester, voor wie dit alles floddergoed is, heeft Charlotte zichzelf geïmponeerd met haar inkoop, 'n Klein, rond kraagje. Ze heeft geen enkel japonnetje met ronde halssluiting. Ergo: er moet bij het kraagje ook 'n nieuw japonnetje komen. Zoo zijn vrouwen, zoo is Charlotte. Wacht, het is 'n mooie gelegenheid om ook voor de vriendinnen 'n aardig souvenir te koopen. Voor alle vijf 'n verschillend zakdoekje, dat je als je wilt ook op tafel gebruiken kunt. Voor zichzelf nog 'n paar manchetjes, die goed beschouwd bij het kraagje hooren. Tante: beddelakenentre-deux. Voor ze 't weet, heeft ze vijftien gulden uitgegeven. Hemeltje I Nu wil ze werkehjk niets meer koopen, alleen nog zoo'n klein zilveren kruisje, imitatie van het oudMalteezer-ridderkruis, (als broche) voor Bets, de meid. Tante zal 't wel weer niet goed vinden, de gebroken, weer in de kast gezette soepterrien en wat er verder nog gezondigd is aanhalen, maar Charlotte zal zich door niets laten weerhouden om Bets voor haar trouwe, vijfjarige dienst bij tante tot ridder te slaan. Haar opgewonden inkoopen steekt tenslotte ook de meester a*", die vandaag voor het eerst eens naar de inhoud van Jozefs handkoffertje omkijkt. Hij wil eigenlijk wel 'n kleedje voor de tafel hebben om er zijn vrouw mee te verrassen. Alléén zou hij zooiets natuurlijk niet aandurven, want wanneer hij iets koopt deugt't nooit, maar als Charlotte wat voor hem zou willen uitzoeken, is 't natuurlijk 'n ander geval! O, zij doet het graag, gevleid door het vertrouwen, dat in haar goede keus gesteld wordt. Ze doet het ook ernstig, beredeneerd. Hoe groot de tafel zoowat is. Rond? Vierkant? Dan misschien 'n pièce de milieu met 'n paar zij-stukjes? Ja, dat was ook goed, alles wat de juffrouw maar koos, was goed. „Nou, meester, neemt u dit dan. En van mij op 'n briefje, dat uw vrouw er blij mee zal zijn!" Jozef is dezelfde meening toegedaan. „Hou jij je d'r buiten," verzoekt de meester, in z'n beurs het geld bijeenzoekend. De tweede stuurman komt eens kijken. „Stuurman, u zult uw meisje toch ook wat meebrengen? Kijk eens hoe mooi zoo'n kraagje en zoo'n paar manchetjes zijn?" Charlotte's stem is jolig, uitgelaten; het is alsof de prachtige kant, baar stoutmoedige inkoopen haar in 'n lichte roes gebracht hebben. Ze legt 'n manchetje over haar bloote onderarm, kijkt de stuurman lachend aan. Ja, dat is mooi: die smetteloos witte, poreuze kant op zulk 'n tengere, blanke vrouwe-pols. Zoo zou de stuurman het ook bij zijn meisje willen zien; Charlotte moet hem helpen om van zijn Truusje 'n dame te maken. En hij koopt de manchetjes, die Charlotte reeds voor zichzelf had uitgezocht. Natuurlijk, er moet ook 'n kraagje bij zijn... - zoekt u 't voor me uit? De meester knikt tevreden. Hij heeft z'n kleedje zorgvuldig opgevouwen in 't vloeitje, dat Jozef hem daarvoor gegeven heeft, en nu verdwijnt hij ermee in de richting van zijn hut om het bij z'n sterren en planeten veilig op te bergen. Charlotte's fijne vingers tasten nog in de kant om, op zoek naar 'n kraagje voor de tweede stuurman. Jozef is haar daarbij overdreven behulpzaam; hij noemt zacht, devoot de prijzen; uit dankbaarheid vergeet hij bijna te overvragen. De stuurman kijkt naar Charlotte. Hoe ver is zij weer. Heeft hij haar dan werkelijk gekust, of is het 'n droom geweest, 'n heerlijke droom? Hoe heeft ze het klaargespeeld om, na wat er tusschen hen gebeurd is, zonder één hooghartig woord, zonder één afwijzende blik, integendeel, met niets dan vriendelijkheid en warme kameraadschap weer zulk 'n afstand tusschen hen te scheppen? „Wat dacht u van dit kraagje, stuurman?" „Prachtig, juffrouw Charlotte I" Hij heeft het in de hand, beziet het. Dat het voor zijn meisje heeft uitgezocht, dat haar vingers het beroerd, haar oogen het welgevallig bezien hebben, maakt het kraagje voor hem tot zulk n kostbaar bezit, dat hij het 't liefst voor zichzelf bewaren zou, bevreesd als hij is voor respecdooze oordeelvellingen, voor vuilworden, verrafelen tenslotte tot 'n waardeloos vodje in de lappen-mand. Terwijl hij naar z'n beurs tast, wordt hij weggeroepen naar het achterdek, - daar zijn 'n paar schuiten met boatmen langszij komen te liggen, zoodat het lossen beginnen kan. Jozef pakt zijn bullen weer in, maar neemt er tevoren nog 'n tweede zilveren Malteezer kruisje uit en drukt het Charlotte in 'n spontane opwelling in de hand. Provisie, eerlijk verdiend! Dan. 'n weinig trotsch op z'n zakenmans-loyali- teit, lacht hij de verblufte Charlotte toe, pakt de beide hondjes onder één arm en zeult z'n vrachtje naar het voordek, waar hem de matrozen- en stokersklandisie wacht. Vanaf de onderbrug is Charlotte even later van de verdere gang van zaken getuige. Jozef is daar 'n geheel andere: wel vriendelijk, maar toch minder joviaal, soms streng. Want het gaat niet aan, dat de stokers, zoo bij de plaat weg, met hun zwarte steenkoolvingers zijn helderwitte kant aanpakken, of dat de matrozen „voor de grap" ongezien 'n tafelkleedje in hun zak stoppen. De hofmeester is verliefd op de beide hondjes. Hij durft erop zweren, dat hij er in Holland de driedubbele prijs voor maken kan. Maar hij vreest ernstig voor verwikkelingen met de eerste stuurman. Zoo wordt zijn ziel geroosterd tusschen twee vuren: winzucht en angst; hij komt er totaal door in de war, loopt om Jozef, om de beide hondjes heen, neemt er een in de hand, omdat hij er niet kan afblijven, neemt ook de andere in de hand en informeert met vertwijfeling in z'n stem, of ze 's nachts janken. Op dit punt is Jozef echter tot elke gemststelling bereid. „Nog nooit gejankt 1" verzekert hij kort en goed. Van schrik over deze leugen doet het eene hondje 'n plasje, en de hofmeester haast zich, het neer te zetten en zich aan z'n zakdoek, grappig vloekend, de hand af te vegen. De matrozen lachen. „Hoe oud motte die beessies nou weze as we jou geloove magge, Jozif ?" „Zes maande," getuigt Jozef zonder erbij te verbleeken. „Zes weke wil je zeker zegge 1" roept de hofmeester verontwaardigd uit. „Ik zie 't toch an de bek en hoe ze nog staan! En zindelijk zijn ze ommers óók nog niet?!" „Ach natuurlijk, die beessies hoore nog niet van d'r lui moeder af, wat jij, Dirrek! As je zoo'n beessie meeneemt, is 't binnen 'n week kepot, hofmeester! Niewaor, Jaop, dat heb jai toch net zoo gehad?" ,,'t Gaat kepot óf 't wordt 'n Sint-Bernard," getuigt Jaap, de ervarene. „Da's liegen," hakt Jozef kort en goed af. „Ze worden nie grooter as ze nou benne." „Wat moete die beeste nou nog koste?" informeert de hofmeester, die de ernst van zijn vraag tracht te verbergen door met de anderen méé grappig te zijn. „Wat?! Ten shilling?! Ja, zekers, as ik jou d'r zelf bijkoop?" Daar antwoordt Jozef niet meer op. Hij zet een der hondjes rechtop, dat op z'n slappe pootjes is doorgezakt en aan 'n suikerklont snuffelt, die de lange, magere kok 'm voorhoudt. En dan stapt Jozef geheel van dit onderwerp af, opent met geheimzinnig gebaar z'n koffertje met kant. „Laat die rommel maar zitten!" wordt hij aangemoedigd. „M'n vrouw was de vorige rais niksniemandal te spreke, dat ik 'r zoo'n asjoerlappie van jou had meegebrachtl" Zeker van zijn overwinning, spreidt Jozef de teere weefsels uit. En allen, gefascineerd, kijken 'n oogenbhk zwijgend toe. „Voor 'n tei-taofeitje zou 't wel knap zijn! Wait je wat: breng jai 't voor je maissie mee, Gerrit!" „Eerst 'n maissie hebbel" liegt Gerrit, gevleid. „O, wa kén jai liege!" „Nou, ik wait ommers nog niet ains wat 't kost?" Uit kameraadschap spreekt Gerrit ral plat-Amsterdamsch mee; ook Jozef doet het niet onverdienstelijk. „As 't voor je meissie is, kost 't bij Jozif niksniemandal," verzekert de Schele goedig. „Ja, mot je geloove!" Jozef wiegt het kleedje op z'n bruine, mollige handen en geeft 't dan, vastbesloten, aan Gerrit over. „Daar dan! Twaolf shilling, omdatte dat voor jou maissie is!" „Nege shilling!" biedt Gerrit ondoordacht en schrikt dan zelf van z'n bod: „Verroest, zoometeen zit ik 'r nog an vast ook!" „Hij bedoelde nege shilling met de hond d'rbij," helpt de Schele hem uit z'n bod. „Wie ken nou met jullie zake doen!" beklaagt Jozef zich, werkelijk teleurgesteld. Gerrit geneert zich wat. „Nou vooruit dan: acht shilling!" „Acht en sixpence!" De hofmeester houdt het niet meer uit, vlucht voor de zelfstrijd, die hij in het aangezicht van de beide hondjes, waarop hij zoo'n mooie winst zou kunnen maken, te vechten heeft. Jozef windt zich op terwijl hij Gerrit 'n vloeitje reikt - om het verkochte doekje in te verpakken - en in z'n beurs grabbelt ten einde van twee rijksdaalders vier pence terug te geven. „Zoo werachtig as ik hier nou staat, ik verkoop jullie met schaode!" „Fen schaode wor jai vet... 1" hoont Gerrit. Daar komt het bootje met de tweede machinist weer terug; Charlotte beantwoordt Dessauvagie's galante groet met 'n minzaam, wat achteloos knikje. Wat is ze nog maar weer? 'n Zwaan in de vlucht 1 Hij zoekt haar boven niet op, - ze heeft 'm dan ook niet geroepen. Ze weet zelf niet, hoe ze er bij komt, maar ze voorvoelt iets onaangenaams als ze aan hem denkt. Wat had hij baar gisterenavond telkens zoo glimlachend, geheimzinnig aan te kijken, alsof zij samen 'n groot geheim hadden te bewaren! Kijk, hij daalt de kajuittrap af, om meneer Strijbos z'n postzegels af te leveren. Nou maar hopen, dat ze goed gestempeld zijn! Als Charlotte die avond op zee tegen de reeling staat en naar Malta tuurt, dat nu nog slechts wat hchtgetintel boven de verre horizon is, staat, voor ze er erg in heeft, Dessauvagie naast haar. Hij glimlacht als zij ietwat verwonderd naar hem omziet. „Was u zoo diep in gedachten, dat u me niet hebt hooren komen, juffrouw Clarenbeek? Stoor ik u misschien?" „O, aUerminst, meneer Dessauvagie." „Dan wil ik u eens wat laten kijken en er uw oordeel over vragen!" „Mijn oordeel... ?" herhaalt Charlotte, niet wetend waar dat op uit zal draaien en dus veiligheidshalve reeds 'n weinig gereserveerd. Dessauvagie neemt uit z'n zak 'n klein, in gekleurd papier gewikkeld doosje, opent het, trekt er zelf 'n grappig gezicht bij. 'n Cadeautje voor mijl denkt Charlotte en voelt reeds drift in zich opstijgen. Wat verbeeldt hij zich: mij 'n cadeautje te mogen geven! Dat moet hij maar voor meisjes bewaren, die bij hem hooren! Ze wil scherp, stekehg zijn, hem als 'n kwajongen uitlachen, maar moet eerst wachten tot hij het haar werkelijk heeft durven aanbieden, - nu mist zij er het recht nog toe. O, de machinist is voorzichtig. Elke vrouw wil 'n tijdje ongenaakbaar zijn, 'n moeilijker verovering zijn dan al de vorige; elke vrouw eischt, op haar eigen manier aangepakt te worden. Het: hoe! te ontdekken, is 'n aardig spelletje, steeds nieuw, steeds wisselend; men vergeet erbij, dat het tenslotte altijd weer op hetzelfde uitdraait. Eerste conditie: je niet te vroeg blootstellen, wachten tot het wild zich zelf uit het struikgewas waagt! Hij heeft het doosje nu geopend, maar houdt er de hand op. „Kunt u raden wat er in zit?" vraagt hij. Neen, Charlotte kan het niet raden. Ze bedwingt zich met moeite om niet weg te loopen, zoo beklemd voelt ze zich. Uit beleefdheid moet ze ook wel toekijken hoe de machinist z'n hand langzaam van het doosje wegtrekt. Kwam er maar iemand voorbij, Jan Beermans, de meester, desnoods zelfs meneer Strijbos, - dan zou ze die in 't gesprek mengen en méé laten raden naar de inhoud van 't geheimzinnige doosje. Maar de meester en meneer Strijbos zitten in de kajuit bij de kapitein de kranten door te lezen, en de tweede stuurman ijsbeert op de brug. In het doosje hgt op rosawatten 'n zilveren scheepje, Venetiaansch gondeltje, - 'n fijn en rank stukje zilversmidswerk. „Uw eerhjk oordeel, juffrouw Clarenbeek!" „Heel leuk!" dwingt Charlotte zich af. Dessauvagie is teleurgesteld. „Alleen maar leuk? Ik had gehoopt, dat u het mooi zou vinden!" Hij draait het doosje 'n weinig; het gondeltje glinstert onder het blauwige hemellicht. „Zeker, heel mooi werk." O, hoe koel, afwijzend weet Charlotte haar stem te maken. „Laat u 't maar niet over boord vallen," raadt ze hem nog aan. Dessauvagie houdt het doosje tusschen duim en wijsvinger voor zich uit, boven de zee, staart er weemoedig naar. „Zou u dat wel zoo erg vinden?" vraagt Dessauvagie nu, maar ziet er Charlotte niet bij aan. Hij vraagt het mijmerend, in gedachten verloren, zooals men dat bij dichters en verliefden opmerkt. „Natuurlijk zou dat zonde zijn," antwoordt Charlotte, verward, tot het uiterste geprikkeld, omdat hij haar het gondeltje nog altijd niet aanbiedt en haar daardoor de gelegenheid onthoudt, hem te bestraffen. Dessauvagie schudt droevig het hoofd. „U meent niet wat u zegt. Ik heb 't wel uit uw stem gehoord - ook al vindt u het zoogenaamd mooi -, dat u aan het dingske geen waarde hecht. En daarmee heeft het ook voor mij afgedaan." Charlotte ziet hem aan, en vol verwachting kijkt hij haar in de oogen. Maar haar blik verraadt geen zwakte, zooals hij gehoopt heeft; haar blik, die hem nu niet meer loslaat, eischt, eischt onverbiddelijk de open bekentenis: dat hij van plan is geweest, haar het gondeltje aan te bieden. Het elkaar aankijken, waarvan hij zich zooveel zoetheid heeft voorgesteld, wordt hem pijnlijk. Hij leest in die groote, koelgrijze oogen haar grenzelooze verachting voor hem, haar driftig gekwetst-zijn; ze zal hem vernederen, beleedigen door n ijskoude verbazing zoodra hij het woord uitgesproken heeft, dat zij nu van hem eischt. Hij kan echter niet meer uitwijken, gevangen als hij is in die vorschende blik, welke hem geheel doorziet. Hij tracht te glimlachen, maar het lukt hem niet. En hij doet het eenige wat hem te doen staat, - hij bekent. Niet ruiterlijk, neen, hij tracht charmeur te blijven, de nu volgende uitval te ontzenuwen door weemoedig, bij voorbaat reeds bestraft, te vragen: „Goed, ik had het u willen aanbieden. Zou u me dat dan zóó kwalijk hebben genomen?" Charlotte laat zich door zijn weemoed niet verteederen. „U zou met uw royaliteit gevaar kunnen loopen: van bijbedoelingen, te worden verdacht 1" zegt ze met even trillende stem. Nu verandert hij zijn houding, ziet baar verwonderd aan en vraagt ernstig: „Maar heb ik u dan ooit tot zulke leelijke verdenkingen aanleiding gegeven, juffrouw Clarenbeek?" Charlotte kan niets aanvoeren. Met 'n plotseling hulpeloos gebaar wendt ze zich af; hij kan haar gezicht niet zien. Ze zwijgt. Dessauvagie zucht hoorbaar. „Een van tweeën," zegt hij, diep innerlijk leed onder 'n luchtige toon verbergend, „u neemt het gondeltje van me aar - of 't gaat overboord." Charlotte zwijgt. Ze wil hem bespotten om zijn ultimatum, maar krijgt de lippen niet van elkaar. „De zaak is heel eenvoudig, juffrouw Charlotte," zegt hij met smartelijk-zachte stem. „Ik heb u lief." Charlotte zwijgt. Ze schijnt merkwaardig bleek in het maanlicht. Dessauvagie wendt het hbofd naar haar om, ziet haar peinzend, met lichte ironie aan. Afgewezen. Hij weet bonne mine a mauvais jeu te maken. Er ligt iets opgewekts, honends in zijn stem als hij vervolgt: „En u wilt niets van mij weten, that's the trouble." Zonder er de vingers bij te openen, laat hij het doosje in de diepte vallen, kijkt het over de reeling na. ,,'t Is 'n gondel, - nu kan ze varen!" zegt hij nog. Charlotte stoot 'n klank uit, die ze zelf niet verstaat, keert zich af en gaat de trap af, door de kajuit naar haar hut. Daar staat ze tegen haar hooge bed geleund, het hoofd in de armen geborgen, bevend van verontwaardiging en hulpelooze drift, die vergeefs 'n uitweg zoekt. Boven, tegen de reeling, staat Dessauvagie nog eenige tijd stil voor zich uit te kijken. Hij had gemeend makkelijker spel te zullen hebben, - is niet aan nederlagen gewend. Daarvoor gaat hij in Malta nu apart aan de wal! Ja, zoogenaamd om voor Strijbos postzegels te koopen, maar in waarheid om zich voor zijn avontuur te wapenen met 'n zilveren snuisterijtje. M'n hemel, wat 'n Kruidjeroermeniet! Wat had ie gedaan? Gezegd? Niks! Verdomde bigotterie. „Bijbedoelingen!" Welke man heeft géén bijbedoelingen)? 't Leven zou 'n saaie boel worden zonder nu en dan eens 'n kleine bijbedoeling. Bah! Beneden in de kajuit kijken de kapitein en de meester elkaar aan. Zou de juffrouw alleen omdat Strijbos er zat zoo norsch en verstoord door de kajuit zijn geloopen, zonder 'n woord, zonder 'n glimlach, zooals anders? De thee stond nog te wachten om door haar te worden ingeschonken; de kapitein noch de meester roeren daar tegenwoordig aan, - de juffrouw verstaat dat beter. „Zou d'r wat zijn?" vraagt de meester met 'n blik aan de kapitein. Maar de kapitein kan het ook niet raden. Strijbos merkt niets, bladert droog z'n kranten door. Het is met die burgeroorlog in China niet meer uit mekaar te houden wie nou weer wie verslagen heeft. - In Holland gaan ze Olympiade-postzegels uitgeven. De kapitein en de meester luisteren nog even, of de juffrouw misschien terugkeert, - dan nemen ze hun krant weer op. Maar de meester heeft geen rust. Hij leest de plaatselijke ongevallen, wat hij anders nooit doet; dat kan dus alleen gedachteloosheid van hem zijn. „Door het snelle ingrijpen van de roode-kruis-dienst... door het snelle ingrijpen van de roode-kruis-dienst... door het snelle ingrijpen..." Kom, de meester gaat boven 's even 'n luchtje scheppen. Als hij uit het trapje opduikt, laat hij 'n dreigend-spiedende bhk over het achterdek gaan. De tweede madünist verlaat juist op dit oogenbhk de reeling, slentert naar z'n hut, kijkt omhoog naar de maan en fluit tusschen z'n tanden 'n zorgeloos neger wijs je. XI In Grieksche, Italiaansche, Spaansche visschersdorpen brengt men de zee 'n jaarlijksch offer en rekent dan - stille conditie - op 'n goede vangst. De tweede machinist van de Medusa heeft de zee 'n klein zilveren gondeltje geofferd en ook hij rekent er nu achteraf op, dat het offer door 'n goede vangst gevolgd zal worden. Geduldig afwachten, zegt hij tot zich zelf, terwijl hij op zijn bed zit en de veters van z'n schoenen losknoopt. Geduldig afwachten. Hij rookt de eene sigaret na de andere, hgt achterover in z'n kooi, de handen onder het hoofd. Daarna leest hij nog 'n tijdje in de laatste Ivans om zijn gedachten af te leiden en slaap te krijgen. Je vraagt jezelf af waarom je die moord-en-misdaad-verhalen nog leest; tenslotte weet je al net zoo goed als de schrijvers hoe zoo'n ding in elkaar zit, en na de eerste paar bladzijden heb je de schuldige al bij z'n jas-slippen. Intusschen kan Charlotte, nu ze alleen is, haar drift de vrije toom laten en alles voor zich heen mompelen wat ze Dessauvagie wel had willen zeggen om hem te vernederen, de schaamtelooze, die met z'n cadeautjes bij Charlotte avances meende te maken. Geen woord kreeg hij meer van haar! „Ik heb u lief, juffrouw Charlotte," had hij gezegd. Ik heb u hef! - zooals 't in de boeken stond! Hoe makkelijk had hij het over z'n lippen gebracht. En op hoe elegante wijze had hij daarna de ridder van de droeve figuur gespeeld! Om medehjden in haar wakker te roepen en langs dte weg iets te bereiken. „En u wilt niets van mij weten... that's the trouble." In 't Hollandsen kon hij zijn smart niet geheel uitdrukken; er moest ook nog Engelsen bij te pas komen. Vlogen andere vrouwen daar werkehjk in? Namen andere vrouwen zulke laffe woorden voor zoetekoek aan, gehjk met z'n cadeautjes? Het moest wel; zijn vroegere ervaringen waren misschien 'n soort rechtvaardiging voor z'n gedrag. Haar eigen sexe was er schuld aan als mannen zoo werden. Driftig ontkleedt Charlotte zich, zet haar schoenen buiten de deur. Ellendige kerel! Ze werpt heur haar los, constateert daarbij tegen wil en dank in de spiegel hoe driftig-verontwaardigd, hoe hooghartig-afwijzend ze wel kijken kan. Hij is bij haar aan 't goeie adres gekomen, en als hij 't nog niet weet, zal hij 't wel merken 1 Maar nu Charlotte in bed ligt, de oogen gesloten, ontspannen zich allengs haar trekken, en tenslotte plooien zich haar lippen tot 'n spottende glimlach. Hoe konden twee volwassen menschen zich toch aanstellen! Dat arme gondeltje! Dat zonk nu nog, al maar dieper, tot op de bodem der zee, die niet te peilen is. Misschien ook had 'n roofvisch het onderweg voor 'n klein, glinsterend sardientje gehouden en het opgeslokt. Misschien was het toch reeds op de bodem aangeland en rustte nu in 'n donkerroode zee-anemoon, of tusschen glanzende, teederkleurige schelpen, en kwamen de krabben nieuwsgierig kijken naar het sierlijke zilversmidsgewrocht je. Charlotte is vrouw genoeg om het achteraf eerhjk jammer te vinden, dat de machinist het overboord heeft geworpen. Dat gondeltje had er nu toch werkehjk wel het aUerniinst schuld aan! O, ze zou het voor zich niet gewild hebben, om alles ter wereld niet, maar hij had er toch nog wel iets beters mee kunnen doen dan het overboord te gooien 1 Zooiets kon ze niet verdragen, - zooiets vond ze doodzonde. Bij het inslapen ziet Charlotte het gondeltje nog vaag voor haar oogen glinsteren, zooals toen hij het draaide onder het Hcht van de sterren en de maan. Naarmate haar geest verflauwt en wegdoezelt, verkeert haar spot, haar boyen-desituatie-staan in bitter medehjden met zichzelf. Diep in haar stijgt de vraag op, of hij geraden heeft, dat zij, Charlotte, nog nooit eerder uit de mond van 'n man 'n openlijke Hetaesverklaring gehoord heeft? Heeft hij gemeend, er haar mee te bedwelmen? Kent hij de diepverborgen droom van elk meisje zóó goed? O, hij heeft iets ontheiligd 1 In dit Hcht ziet Charlotte, vermoeid van doorgestane emotie, reeds halfin slaap, de praatjes van de tweede machinist, 'n Onbestemd, hunkerend verlangen overmeestert haar; ze moet schreien, of ze wil of niet. Dat verUcht haar. Het hoofd in de kussens begraven, slaapt ze tenslotte rustig in. De volgende dag, in haar dekstoel, met de hand boven de oogen over de zee turend, kan ze reeds kalm over aUes denken. Heeft hij misschien het recht gehad, haar voor zulk 'n gemakkelijke prooi te houden, voor 'n vrouw, die wel voor zooiets te vinden is? Hij heeft misschien begrepen wat er tusschen haar en de tweede stuurman te Ceuta is voorgevallen. Wie zal zeggen, of hij niet met 'n kijker op de brug heeft gestaan toen het wagentje van de Sidi Musa omlaag reed! Zij zijn ook onnadenkend geweest. Zeker, de weg was verlaten; de koetsier dutte; heel in de diepte lagen de schepen als stukjes speelgoed. Maar hoe ver reikte zoo'n kijker? Zijzelf kan er nog altijd niet goed mee overweg, ze wil op dit punt de kapitein eens polsen. Intusschen verbaast Charlotte er zich over hoe weinig het haar tenslotte schelen kan wat de tweede machinist weet. Hij is geen verklikker; hij weet te zwijgen, - anders zou hij ook al heel weinig deugen voor zijn rol van Don Juan. En voor hem zelf schaamt ze zich niet, want de onweerstaanbare lokking van het avontuur, de zoetheid van 'n kus kent hij te goed om 'n ander ervoor te veroordeelen. Trouwens, ook al dééd hij dat... 1 Het is warm op het dek, maar niet drukkend; 'n zuchtje strijkt nu en dan over het schip. Heerlijk droomen. Haar drift is nu sinds lang geheel geweken; ze denkt zelfs nauwelijks meer aan de tweede machinist; slechts het lot van het gondeltje blijft haar spijten, dat mooie, sierlijke, glinsterende zilvergondeltje, dat er niet op berekend was, werkelijk te varen, - slechts in het boudoir van 'n charmante jonge vrouw te staan als 'n lokking tot gondel-avontuur. 's Middags aan tafel vindt Charlotte het nog het raadzaamst, de machinist geen bhk te schenken. Zoo ziet ze dus, dat hij stil en terneergeslagen is, - de arme. Hij bedient zich zwijgend, kijkt 'n enkele maal in gedachten naar de tweede stuurman, die - met hem - het offer geweest is van Charlotte's koket en meedoogenloos spel. Beermans heeft ze tijdelijk haar gunst verleend (Dessauvagie is er zeker van!) en hem daarna dadehjk weer laten zitten. Onbegrijpelijk, dat de jongen, die zoo'n ongevalletje toch ernstig zou kunnen opvatten, er weer zoo gauw overheen gekomen is. Dessauvagie voelt 'n oogenblik hoe ver Beermans - stoere jongen van het Noorden - en hij, in zijn hart geheel Zuiderling, van elkaar staan. Het ziin tenslotte slaapkoppen, daar in t Noorden; ze zijn gewend in grijze nevels te kijken; als ze van alles maar 'n nevelige droom kunnen maken, zijn ze al gelukkig. Hij is anders 1 Hier onder de blauwe hemel van de oude wereldzee voelt hij zich thuis; hier waar alles concreet, voor 't grijpen is. Geen nevelen, geen droomen alsjeblieft. Dat is allemaal nutteloos, tijdverlies; het verwart de hersens en laat geen smaak achter, - alsof men 'n ouwel eet op de nuchtere maag. Charlotte onderhoudt zich met de kapitein levendig over 'n uitstapje, dat ze van Alexandrië naar Cairo maken wil. Er zal tijd genoeg voor zijn, verzekert de kapitein, want in Alexandrië gaat de heele lading eruit, en dat duurt toch zeker vier dagen; dan zal er waarschijnHjk ook nog wel wat katoen geladen worden; 't is dus zeker wel de moeite waard om naar Cairo te gaan, slechts 'n paar uur sporen, en naar de pyramiden, die er ook vlak bij liggen. In Alexandrië zelf is daarentegen niet zoo veel te zien; ze zou dus beter 'n paar dagen in 'n hotel te Caïro kunnen gaan wonen. Charlotte heeft er wel lust in. Maar kan ze dat alles als dame alléén wel goed doen? Ze wil in deze richting thans geen vragen stellen. „Je hoort altijd van Shepheards hotel," zegt ze. „Dat zal wel goed wezen." „Ja, maar ook gepeperd," verzekert de kapitein. „Er zullen nog wel andere hotels zijn. 't Is 'n groote stad, moet u denken, met 'n uitgestrekte Europeesche wijk, en er komen veel toeristen. Natuurlijk wordt u door een van de heeren even op de trein gezet, en in Caïro zullen wel omnibussen wachten van de verschillende hotels; daar pikt u er dan eentje uit; op die manier zult u vast niet door de een of andere pascha geschaakt worden 1" „Nou, dat zou misschien juist wel eens aardig kunnen zijn!" daagt Charlotte vroolijk uit. „Die Oosterlingen zijn altijd heel hoffelijk, en in zoo'n harem moet 't ook lang niet ongezellig zijn!" Dessauvagie waakt op uit zijn overpeinzingen, luistert, hoopt ondanks alles nog op de mogelijkheid van 'n rendezvous te Caïro. Hij heeft vóór Alexandrië nog drie dagen om haar voor zich te winnen... De meester vangt zijn blik op, kijkt hem 'n oogenblik aan, kucht, doet na nog even aarzelen 'n voorstel. Hij, meester Bakhuis, zal de juffrouw in Alexandrië wel even op de trein zetten. Ja, wanneer ze het hem toestaat natuurlij kl Hilariteit. „Nou weet ik tenminste hoe de meester aan de wal te krijgen is!" lacht Beermans, in z'n hart 'n heel klein tikje afgunstig: hijzelf had Charlotte wel op de trein willen zetten. De kapitein slaat van genoegen met de vlakke hand op tafel. „Compliment, juffrouw ClarenbeekI M'n eerlijk compliment! Dat mag u gerust als 'n overwinning beschouwen!" De meester kijkt grappig voor zich, met gespitste mond. „Nou, laat mij nou óók 's 'n keertje aan de wal!" zegt hij. Meneer Strijbos is ten hoogste verbaasd, om niet te zeggen: bevreemd. Daar heeft ze me waarachtig zelfs 'n verstandig man als de meester, met wie men zich nog eens over 'n ernstig onderwerp onderhouden kan - bijvoorbeeld postzegels -, ingepalmd en in haar persoonhjke dienst gesteld! Nou, wat hem betreft, vooruit maar, jongens 1 Hij zal 't wel aanzien. Ja, in Charlotte is de zin tot avontuur weer ontwaakt. Alléén naar Caïro, de stad van duizend-en-een-nacht, alléén naar de pyramiden, misschien wel op 'n kameel, zooals je dat in de weekbladen ziet! Het is wel heel gewaagd. Maar Charlotte durft het aan. Nu, in haar stoel, bestudeert ze de plattegrond uit haar Baedeker „das Mittelmeer" en tracht zich reeds 'n weinig te oriënteeren, en als van de midscheeps de tweede machinist komt aangewandeld, is dit voor haar slechts 'n aanleiding om de kaart nog ijveriger te bestudeeren. Wat zijn die kleine vlekjes buiten de stad? O ja, de Mammelukkengraven, - die wil ze ook gaan zien Maar Dessauvagie gaat niet voorbij; hij blijft bij haar stoel staan. Nu moet Charlotte wel opkijken. „Meneer Dessauvagie?" Ze houdt de kaart boven de oogen om de zon af te schutten, ziet hem aan, of er nooit 'n onaangenaam woord tusschen hen gevallen is: vriendelijk, glimlachend, volkomen argeloos. Hij legt haar ghmlach verkeerd uit, glimlacht terug. „Ik hoop, dat u niet meer boos is," zegt hij en zucht er grappig bij. „U hebt zóó dwaas gedaan, dat ik er niet lang boos om zijn kan," verklaart Charlotte. „Ja, mon Dieu," zegt hij - nu haalt hij er voor de afwisseling Fransch bij -, „dwaas doet iedereen wel, wanneer men épris van 'n vrouw is." Nu is hij nog slechts épris, constateert Charlotte voor zichzelf. „Willen we er nu maar liever over zwijgen?" vraagt ze. En hij, 'n boetvaardige Reintje-de-vos, belooft: „Ik zal u niet weer met zooiets aan boord komen." „Mag ik erbij gaan zitten?" verzoekt hij dan. „Waarom niet? Haalt u maar 'n stoel." De machinist gaat heen om 'n stoel te halen. Charlotte is gewapend. Even haalt ze diep adem. Laat hem maar komen; ze durft hem aan. Nu sleept hij peinzend 'n klapstoeltje aan, probeert het voorzichtig voor hij erop gaat zitten. „U rookt niet?" vraagt hij. Waarom eigenlijk ook niet 's 'n keertje? denkt Charlotte. Maar meteen bezint ze zich, dat het bijvoorbeeld bij de meester 'n verkeerde indruk zou kunnen wekken wanneer ze hier met de machinist hchtzinnig zit te rooken. „Rookt u maar gerust," antwoordt ze. „Ik heb er geen hinder van." Volgt de manoeuvre van: zilveren sigaretten-étui uit de zak halen, de sigaret even tegen het deksel kloppen, het knetterend vlammetje, het inhaleeren van de eerste prikkelend? weldadige teug, het uitblazen van de rook door de neus, de smalle, lichtgewelfde Fransche neus met de sensueel-nerveuze vleugels. Droomerig beziet hij zijn fijne vingers, die het witte rolletje vasthouden. Charlotte komt iets in de zin, en zij kan het niet voor zich houden. „Jammer, dat u niet op 'n groot passagiersschip vaart!" zegt ze. „Waarom?" vraagt hij onschuldig. „U zou er, dunkt me, meer in uw element zijn. Daar kon u alle dames met uw opmerkzaamheden natteeren." „Niet alle," verzekert hij galant. „Maar toch wel de meeste," kaatst zij terug. Hij ziet haar aan, geamuseerd, in de kaart gekeken. Dan oogt hij z'n rook na, - dat kent Charlotte al. „Wat u daar zegt, doet me denken aan wat ik van 'n officier hoorde, die op de passagiersdienst Bordeaux-Bristol voer," vertelt hij. ,,'t Was juist telkens zoowat vierentwintig uur, 'n dag en 'n nacht. Die officier vroeg aan de alleenreizende dame, die hem het best beviel: ,Vous êtes mariée, madame?' Of als 't 'n Engelsche was: ,Are you married, madam?' En als ze dan ia zei, vroeg hij er meteen achteraan: ,Couldn't you forget it for twenty-four hours?' " Charlotte vindt z'n verhaaltje wel wat kras. „En die officier schijnt u zoo'n beetje als voorbeeld te hebben genomen," zegt ze, koeler. „Aan dat voorbeeld zou ik niets hebben als ik niet 'n beetje verwant met hem was," merkt de machinist op. „Ik kijk werkelijk nooit af en studeer veel liever aan de bron zelf. U hebt gelijk: daarvoor zou op 'n passagiersschip meer gelegenheid zijn. Verdwaalt er op de Medusa al eens 'n enkele maal 'n jeugdige, charmante leerares, die mij in m'n studie 'n weinig vooruit kon helpen... dan weigert ze te doceeren." Charlotte zwijgt. Met haar vriendeüjkheid is het weer ten einde. „Wat dacht u, dat er gebeuren zou, wanneer ik de kapitein overbracht wat u mij hier zooal vertelt?" vraagt ze. „Dat hangt er van af, of de kapitein het weer aan de directie meldt," antwoordt de machinist onbewogen. „In dat geval zou 't mij niet beter gaan dan die officier waarvan ik vertelde. Hij heeft z'n amoureuze waaghalzerij natuurlijk met z'n ontslag betaald." „Vindt u dan zelf niet, dat u 'n gevaarlijk spel speelt?" vraagt Charlotte, geïrriteerd, zelf 'n weinig onder de indruk. „Juffrouw Charlotte..." begint de machinist. „Ik ben voor u juffrouw Charlotte nietl" „Juffrouw Clarenbeek, wil ik zeggen, u doorziet m'n ware aard niet. 'n Speler, - dat ben ik nu eenmaal. En als ieder geboren speler durf ik alles in te zetten." „Is 't eerste beste succesje u dan zoo'n inzet waard?" „Pardon, pardon, juffrouw Clarenbeek, nou moet ik toch...I" Charlotte snijdt hem het complimentje, dat volgen gaat, af. „Mijzelf hou ik er heelemaal buiten, maak u niet ongerust; ik bedoel heel in 't algemeen, of het u later niet spijten zou, voor 'n kleine gunst uw positie vergooid te hebben? Weegt u dat nooit 's tegen elkaar op?" „Juffrouw Clarenbeek, u belandt nog eens bij 't Leger des Heils," verzekert de machinist vroolijk. „Als u de speler van nabij kende, zou u weten, dat het hem tenslotte om de sensatie van het spel zelf te doen is en niet om de winst." Charlotte bijt zich op de lippen. Zijn laatste woorden hoort ze niet eens meer, zoo irriteert haar uit zijn mond de voorspelling, dat ze nog eens bij 't Leger des Heils belanden zal. Als ouwe juffer dan zekert Met Halleluja-schoenen en 'n opgebonden pruikje 1 Als hij meent, dat ^tj niet alles weet in te zetten, wanneer haar dat past, vergist hij zich. Hij is nu weer deemoedig. „Waarom staat u er nu zoo op, dat ik juffrouw Clarenbeek blijf zeggen? Ik zie daarbij al maar die klare beek voor mei Als we onder mekaar zijn, zou ik u veel bever juffrouw Charlotte noemen." „Goed, als u dat dan zoo graag wilt, mag u me wel zoo noemen, - maar dan óók waar de anderen bij zijn." „Maar beste juffrouw Charlotte, dan zullen ze nog denken, dat er tusschen ons iets gaande is!" „Ten eerste geloof ik dat niet, en ten tweede heb ik liever, dat anderen het denken, dan dat u het zelf denkt." De machinist kan niet nalaten, bewonderend op te kijken. „Sapperloot!" zegt hij vroolijk. In Charlotte's oog glinstert de victorie. „Ik ben anders niet erg dol op Spartaansche vrouwen," erkent hij, „maar » geeft er me werkelijk op 'n manier van langs, juffrouw Charlotte, die u hoe langer hoe aantrekkelijker voor me maakt... eh." Van de midscheeps nadert de meester, en Dessauvagie wijdt Charlotte spontaan in met de haar niet bekende Grieksche drogreden van de haas, die in 'n wedloop de slak nooit kon inhalen, alleen omdat de laatste 'n stukje vóór had gekregen. Hij neemt 'n potloodje en 'n notitie-boekje uit z'n zak om het Charlotte voor te teekenen. „Kijk, als de baas het stukje heeft ingehaald, dat de slak vóór krijgt, is de slak intusschen toch weer 'n klein eindje verder gekropen. En als de haas dan dat stukje weer inhaalt, is de slak in die tijd wéér iets verder gekomen. Zoo bhjft er voor de haas steeds 'n stukje in te halen en... De meester is gearriveerd. „Je mag je langzamerhand wel even kleeden voor je wacht, denk 'r om!" zegt hij. Dessauvagie laat de Grieksche drogreden schieten, werpt elegant de linker-arm op, zoodat de mouw terugvalt en hij op z'n polshorloge kan zien. „U hebt gelijk, meester," geeft hij toe. „Men zou bij juffrouw Charlotte z'n tijd vergeten 1" Als Dessauvagie weg is, wil de meester 'n paar maal wat zeggen, maar hij schijnt 't ware woord er niet voor te vinden. Hij is er nu zeker van, dat de tweede machinist druk z'n best doet om dat onschuldige meisje het hoofd te verdraaien. Na 't er met Charlotte over eens te zijn geworden, dat het weer op deze reis tot nu toe werkelijk zeldzaam gunstig is, gaat hij naast haar op het klapstoeltje zitten en vraagt, 'n paar maal slikkend, met vreemde stem en afwezige oogen: „Mag ik... eh, mag ik u 's wat vragen, juffrouw Clarenbeek?" Charlotte rijst onwillekeurig in haar stoel overeind, „wat is er, meneer Bakhuis?" vraagt ze ernstig, kleurend. De meester kucht. Dat zij hem zoo formeel meneer Bakhuijs noemt, brengt hem nog meer in de war. „Ik bedoel er werkelijk niets mee, juffrouw, maar..." De meester komt niet uit z'n woorden. „Nou, ik kom 'r 'n andere keer nog wel 's op terug," zegt hij onbeholpen. „Dat is misschien beter. U zult 't wel 'n beetje gek vinden; ik ben wat onduidelijk..." Ja, de meester is wel erg onduidelijk. „Laten we 't nou maar weer over wat anders hebben," stelt hij dood-verlegen voor. Charlotte ziet hem van terzijde aan, en 'n gevoel van warmte stijgt in haar op. Hij is haar 'n oudere, trouwe vriend, bezorgd voor haar lot. „Ik weet waarvoor u bang is, meester," zegt ze nu zacht, vriendelijk. „Maar er is heusch geen reden voor. Ten eerste gedraagt hij zich geheel zooals 't hoort, en ten tweede pas ik altijd wel op. Maar ik dank u toch hartelijk voor uw goede bedoeling." Dat is de meester 'n pak van 't hart. „Goed, ik wil 't ook alleen maar even gezegd hebben, verder niets," hakt hij nu op. ,,'t Is 'n beste jongen, maar..." Maar. Daar zit 'm de kneep. Die avond kan hij 't niet laten, de kapitein en de eerste stuurman nog eens de lof van Charlotte te zingen; hij laat zich daarbij niet beïnvloeden door Strijbos' zuinige blik, die 'n ernstige twijfel aan 's meesters geestvermogens vertolkt. „Als ik 'r zóó een bestellen kon, wou 'k wel 'n dochter nebben!" verzekert de meester plechtig. „Zoo niks geen aanstellerij, geen gebobd haar of onzinnig korte rokken, geen geverfde lippen of sigarettenrookerij. En toch 'n modern meisje, dat de wereld kent en op 'r hoede is. 'n Verduiveld flinke, warmvoelende meid." Zoo'n dochter zou hij wel willen hebben... Hij is nog geen twaalf jaar ouder dan Charlotte. Van nu aan ziet hij het met 'n geruster hart aan wanneer zij zich met de tweede machinist onderhoudt. Ja, het is, of bij voortdurend stille pret heeft; er glinstert iets in 't hoekje van zijn oog als hij zijn ondergeschikte aankijkt. Het kan gebeuren, dat hij ineens begint te lachen wanneer hij hem in de machine-kamer aan 't werk vindt met 'n veeg smeerolie over wang en voorhoofd. En daarbij is 'n veeg smeerolie in de machine-kamer toch 'n zoo gewoon verschijnsel, dat het zinloos schijnt, er om te lachen. „Jonge, jonge, wat zie jij d'r mooi uit!" lacht de meester smakelijk en klapt hem gul op de schouders. „Zonde en jammer, dat juffrouw Clarenbeek je zoo niet ziet, - wat zou ze je uitlachen!" Maar de tweede machinist wordt door 's meesters onverklaarbare vroolijkheid niet aangestoken. Hij veegt zich 't gelaat met de mouw af en ziet er 'n oogenblik zoo beteuterd uit, dat Hobbie, de donkey-man, 'n voorbijgaande stoker in de zij stoot. „De meester heeft 'r eentje tuk," zegt hij, „kijk maar 's!" En ook Dessauvagie zelfheeft het hinderlijke gevoel, dat de meester de draak met hem steekt. Geïrriteerd, verward kijkt hij hem na. De tweede stuurman valt het eveneens op, dat Charlotte en Eddie zoo vaak samen zijn. Vanaf de brug ziet hij ze wel met z'n beiden tegen de reeling staan en over de zee turen. En hij kent zijn makker lang genoeg van nabij om te weten waar deze op uit is, wanneer hij met 'n vrouw eenmaal langdurige gesprekken voert. Beermans verbeeldt zich, dat het alleen maar bezorgdheid voor Charlotte is, die hem zoo onrustig maakt. Hij legt zichzelf voor de zooveelste maal uit waarom hij geen rechten op Charlotte kan laten gelden: hij heeft ajn leven aan dat van 'n meisje in Holland verbonden; Charlotte is yoor hem eenvoudige jongen, te veel 'n dame; ze heeft ook zooveel meer geleerd dan hij. Dit alles blijft - al hebben ze het beiden op 'n zonnige morgen aan Afrika's kust ook voor n oogenblik vergeten - onomstootelijk vaststaan Maar moet ze nu juist in de handen van Dessauvagie vallen? Voor Eddie is 'n vrouw maar 'n tijdpasseering; zou ze dat niet voelenf Beermans maakt zich driftig. „Hou jij je alsjeblieft aan je havenliefjes!" zou hij Eddie graag willen zeggen. En Charlotte zou hij willen waarschuwen. Maar ajn trots verbiedt het hem: ze zou kunnen denken, dat hij nog altijd voor acnzelf hoopte ...- kijk, daar staan ze waarachtig weer samen op het achterdek! , 'tls juist twaalf uur; de kapitein en Strijbos komen de brug 00 om de middaghoogte op te nemen. Nijdig stapt hijzelf naar het kaartenhuisje, waar z'n sextant, z n „hammekluif", ligt opgeborgen. Aan tafel daarna bespiedt hij elke verstandhouding tusschen Charlotte en zijn makker, luistert naar de toon van hun stem wanneer ze 'n woord samen wisselen. Hij kan zichzelf tenslotte niet meer verbergen, dat hijjaloersch is. Ziet zij in Eddie zooveel meer dan in hem? Zeker, üddie heeft meer geleerd; 't is 'n jongen van goeden huize, maat hij is naar zee gestuurd omdat hij niet deugen wilde, en t is nóg 'n wonder, dat hij het tot tweede machinist gebracht heeft, zoo weinig voelt hij voor z'n werk. De stuurman kan echter gerust zijn: Charlotte schat Dessauvagie niet hooger dan hem, en zij is op haar hoede. Le lacht met Don Juan als ze samen tegen de reeling staan te praten; ze laat hem z'n sierlijke complimentjes afsteken, luistert er vaag naar, laat zijn vleiende verzekeringen als 'n zoet aroma in zich opstijgen, maar snijdt onverbiddelijk elke werkelijke avance af, - hij komt geen pas vooruit Zoo'n spits tongetje heeft hij nog nooit te bevechten gehad, erkent hij zich zelf, en hij tracht onder n glimlach Ijn ongeduld en ergernis te verbergen. Maar zij doorziet ook die glimlach; zij weet het klaar te spelen, dat hij ach armoedig voelt in z'n al te gemakkelijke avontuurtjes bij andere vrouwen; ze stelt hem voor zichzelf ten toon als de ridder van de droeve figuur. Hij is geen zeeman, eerder 'n hoveling, vertelt ze hem, maar ook als hoveling moet hij nog zoo héél veel leeren. Wat hem voornamelijk ontbreekt is: onderscheidingsvermogen, en juist dat gebrek kan op de weg naar het succes zoo'n ernstig struikelblok zijn. Het zou hem kunnen gebeuren, dat hij op 'n bal masqué 'n hooggeplaatste dame met 'n kamermeisje of 'n vriendinnetje van de straat verwisselde, - dat zou hem dan stellig z'n positie aan het hof kosten 1 O, dat was waar ook: hij was geen hoveling, maar 'n speler, en dus durfde hij alles op één kleur te zetten. Maar Charlotte moet in ernst toch even 'n kleine correctie aanbrengen wat dit „alles" betrof. Alles inzetten, dat was: niet alleen je positie inzetten, maar vóór alles inzetten wat hem wel het zwaarst wegen zou: z'n grenzelooze eigenliefde. Neen, de tweede stuurman hoeft niet te vreezen, dat Charlotte tot Don Juan's slachtoffers zal gaan behooren. Zij is de wreekster van haar argeloozer zusters; zij trekt als 'n Judith uit om Holofernes zooal niet te dooden dan tenminste toch belachelijk te maken. En hij, steeds meer geprikkeld, ook al omdat hij bij de anderen op het schip vroohjk leedvermaak meent te bespeuren (wat heeft de bhk van de meester anders te beduiden?), hij begint tenslotte wankelmoedig te worden, wordt tegen Charlotte scherp in z'n woorden en wéét tegelijkertijd, dat zij er de spijt over z'n nederlaag uit hooren zal. Hij kan zich in z'n woorden tenslotte niet meer keeren of wenden; overal volgt hem haar scherpe intelligentie, haar niet te misleiden vrouwehjke intuïtie, die hij zelf heeft helpen wakker roepen. In 'n baloorig oogenbhk hakt hij de knoop door, geeft het op. Het is geen laatste truc van hem, dat hij zich van nu aan geheel afzijdsch houdt en alléén over de reeling naar de zee tuurt. Het is slechts om de vragende, van leedvermaak vervulde blikken der anderen te ontgaan, die zijn attaque op het passagieresje zijdelings hebben gadegeslagen en zijn nederlaag onder hilariteit constateeren. Charlotte is voldaan; ze glimlacht als ze de meester z'n heimelijke pret aanmerkt en als ze de opluchting van de tweede stuurman in z'n oogen leest. Eerlijk gezegd, is ze nu zelf büj, dat haar Judith-rol geëindigd is; ze kan nu ongestoord nog even 'n romannetje van Wilhamson lezen, dat over 'n reis door Egypte gaat. Zoo komt ze meteen weer 'n beetje in haar Engelsen, - dat zal ze daar nog wel eens moeten spreken. , , . ... Ta, Charlotte wordt nu gelukkig door de tweede rnachinist met rust gelaten; ze kan verlucht opademen en doet het ook. Maar lis Dessauvagie haar 'n heele dag met gestoord heeft in haar lectuur, merkt ze met lichte verbazing, daarna 'n weinig geërgerd over zichzelf: ze mist iets Verveelde het spelletje van klt-en-muis haar dan nog met? Ze heeft hem et meer dan genoeg van langs gegeven - dat is het met. Ze is er alleen maar aan gewend geraakt, dat iemand haar vertelt en weer vertelt, in oogopslag en vleiende woorden, dat zij 'n begeerlijke jonge vrouw is. Die muziek is nog zoo nieuw voor haar, zoo nieuw en bekorend. Zoolang zij die muziek hoort, weet ze, dat het leven voor haar nog begint dat ze de hand maar hoeft uit te steken om ergens het geluk te grijpen. Verstomt de muziek echter weer, dan komt er 'n gevoel van eenzaamheid over haar. Ze weet, dat het met de muzikant, maar slechts zijn melodie is, waarnaar ze terugverlangt. Ze staat met zelfverwijt klaar; o, het is gemakkelijk, scherp en ironisch te zijn; ze heeft er zich zoo juist nog in geoefend. Maar haar gevoel van eenzaamheid laat zich er niet door verjagen; hoe meer argumenten ze er tegen aanvoert, hoe zwaarder het op haar drukt; ze voelt zich verlatener dan ooit tevoren. . Ze weet zelf, dat het belachelijk is, maar: dat Dessauvagie haar de rug toekeert, ontneemt haar alle zoo just gewonnen zelfvertrouwen. Ze heeft geen geduld, af te wachten tot n ander muzikant voor haar deur zal komen spelen; ze durrt er ook niet meer op te rekenen. Ze constateert zenuwachtig, vol schrik, dat Dessauvagie, wie ze geen plekje grond meende te hebben gegeven, haar 'n laatste houvast in dit leven ge- Wo!ariótte ziet om zich heen. Daar is - behalve Dessavagie, die ze niet meer terugroepen kan - de tweede stuurman, die ze niet opnieuw uit zijn spoor mag halen... en verder is er niemand. Verder zijn er oom en tante, de school, de vriendinnen. Ze staart naar de kim. Niets, niets. Het is of van alle zijden de eenzaamheid op haar afkomt, haar de keeltoesnoert. Zou het nog slechts 'n reacde zijn op haar lange overspanning? Haar zenuwen zijn zeker nog niet tot rust gekomen, al meende ze dat ook. Het kan slechts nervositeit zijn, niets dan dwaze nervositeit. Waarom heeft ze 'n week geleden die vreeselijke eenzaamheid niet gevoeld vóór de tweede machinist haar met zijn opmerkzaamheid vereerde? O ja, ze begrijpt wel, dat het haar maar 'n uitgestoken vinger kost om Dessauvagie weer tot zich te lokken. Dan zal ze de muziek weer hooren. Maar als zij ze besteld heeft, zal hij ze zich ook laten betalen. En in haar verwarring meent ze soms, dat ze daartoe ook wel bereid zou zijn. Keer terug, keer terug,.. ik wil er wel voor betalen. Haar trots houdt haar staande. Ze is ijskoud-afwijzend tegen de tweede machinist, beeft van vrees voor de mogelijkheid, dat hij haar eenzaamheid raden zal, het belang van zijn eigen persoon. Maar gelukkig: de mannen zijn dom; ook al gelooven ze nog zoo schrander te zijn en de vrouwelijke psyche doorgrond te hebben, - de natuur laat Eva schuilhoeken waarin geen man doordringen kan. Dessauvagie meent werkelijk, dat zijn kans verkeken is. Charlotte is de meest demonische vrouw, welke hij ooit tegen 't lijf is geloopen. Niets, niets heeft ze voor hem gevoeld; ze heeft hem met haar lachen naderbij gelokt, zich 'n beetje vroolijk over hem gemaakt, hem z'n praatjes laten verkoopen en hem daarna aan kant gezet, hem ridicuul gemaakt voor alle anderen. En die had hij voor 'n blauwkous)e versleten 1 Wat 'n stommiteit, 'n Heks, door en door geraffineerd. Hij wil doen wat hij al vaker gedaan heeft: onderdompelen. In Alexandrië, waar hij al meer op avontuur is uitgeweest. Onderduiken en vergeten. Maar hoe groot is zijn nederlaag. Ditmaal heeft hij dan toch alles op het spel gezet, ook zijn eigenliefde. Van 't begin afhad hij moeten begrijpen, dat ze koud als 'n steen was, voor hem - en dus trouwens voor ieder ander. Want onweerstaanbaarder mannen dan de tweede machinist zijn er immers niet. .. Neen glorieus kunnen zijn avonturen in Alexandrië ditmaal niet meer worden. Het is geen kranig onderduiken in het leven meer, het is voorover vallen en verdanken, langzaam verdrinken, - door de schuld van 'n demonische vrouw. Don Juan is dupe geworden. XII In de daaropvolgende nacht loopt de Medusa bij heldere maneschijn de buitenhaven van Alexandrië binnen, laat haar anker in het duistere, geheimzinnig wiegende water plonsen, dat zich er zilverig weer boven sluit, - en gaat ter ruste. Niet geheel; de vuren blijven aan; het schip ligt op stoom om morgenvroeg, zoodra de loods komt, de binnenhaven op te zoeken. Lang voor de loods er is, bij het krieken van de dag, komen twee bootjes langszij, in elk ervan 'n Arabische roeier, het nog slaperige lichaam op de riemen geleund, maar met goed wakker oog over het water spiedend: of er soms nog meer zullen komen opdagen om de passagiers aan de wal te roeien, de zeven passagiers. De Schele namelijk heeft onder hilariteit der andere stokers, tegen wie hij stiekum 'n oog dichtkneep (dan kijkt hij opeens niet scheel meer), de Schele dus heeft met gespreide vingers aan de argelooze Arabische boatmen daar beneden verteld, dat er zeven stuks passagiers aan boord zijn, die allemaal roeien-roeien-roeien aan de wal moeten worden geroeid. Ja, zeven, kijk maar: vijf aan m'n rechterhand en twee aan m'n linker. Op deze zeven passagiers is het wachten nu; wie er in slaagt ze in zijn boot te doen stappen, die heeft ze alle zeven en kan hun het vel over de ooren trekken. Ruzieachtige woorden daar beneden, aanzwellend tot scherpe klankratelingen, verscheuren de ochtendstilte; het geschil loopt soms zoo hoog, dat ze erbij moeten opstaan om hun verontwaardiging .over unfaire concurrentie lucht te geven. Want een van de beiden moet er het éérst geweest zijn, dat kan niet anders. Na hartstochtelijk betoogen van dit recht-van-eerst-aangekomene zinken ze mat weer op hun banken neer, trekken driftig het kruis van hun grappigwijde broek op, dat hun in 't staan tusschen de enkels hangt, spuwen ergerlijk over het dolboord en leunen weer op de riemen, duister morrend, 'n wit-omboorde blik omhoog zendend, naar de reeling van het schip. En daar verschijnt Charlotte, nog vroeger dan anders ontwaakt door de ongewone stilte en de schelle kreten er doorheen. Daar beneden schreeuwen haar twee mannen toe, slaan zich op de borst alsof ze zich van iets betichten. O nee, de bedoeling van elk der beiden is alleen maar, dat Charlotte, indien ze aan wal geroeid mocht willen worden, zich aan hèm zal toevertrouwen. Beiden tegelijk schikken het mooie kleedje op het achterbankje, - daarop zal de juffrouw komen te zitten. Charlotte kent dat nu. Gelukkig, de meester zou mee gaan! Maar twéé booten hebben ze niet noodig. Zij weet niet hoe de arme kerels bedot zijn, die zich nu steeds heftiger op de borst slaan en soms bevelend, dan weer lokkend op het mooie kleedje wijzen, dat over de achterbank ligt uitgespreid. „Miss... miss...! Chk! Chk! Take my boatl Werrry good boat! No good, no money!" 'n Reëel aanbod: indien blijken mocht, dat de boot met goed is, hoeft de juffrouw niet voor de overtocht te betalen. Maar ook al is de boot nog zoo goed, - Charlotte is niet zoo dol meer op havenvaartjes. De hofmeester brengt haar de koffie, grinnikt: „Wat zullen ze kijken als we straks aan de kaai meren!" „Weet u zeker, dat we aan de kade komen te liggen?^ „Vast, juffrouw: de heele lading moet 'r hier immers uit." Nu krijgt Charlotte medelijden met de hoopvollen daar beneden en tracht hun te beduiden, dat van hun diensten geen gebruik gemaakt zal worden. Eerst door staag neenknikken, tenslotte door, wat hulpeloos, omlaag te roepen: „No! No boat! Really notl" „Oh yes! Oh yes, boatl" schreeuwen ze uit de diepte terug. Ze laten zich niet misleiden! Vóór, op de bak van de Medusa, hangen de janmaats en stokers over de reeling en houden met 'n strak gezicht zeven vingers op. . Tot ontzetting van Charlotte en -met minder - van de beide roeiers, komt er nog 'n derde bootje opdagen. Met woedend geschreeuw wordt de nieuw-aangekomene ontvangen, die, zwaargebouwd, z'n roode fez zorgeloos achter op het hoofd, rustig naderbij roeit, alle minder vriendelijke wenschen en verzekeringen langs zich heen laat waaien, 'n gelouterde, ietwat bovenaardsche glimlach om de lippen. Plotseling echter schijnt één woord hem toch al te gepeperd te zijn, en nu blijkt, dat hij, als dat noodig is, zich even vloeiend van het kernachtige haven-Arabisch bedient als de andere twee tezamen. Daarbij moet hij de riemen natuurhjk laten rusten: voor het onbelemmerd aanvoeren van zijn argumenten heeft hij beide armen noodig. Hij bhjkt als broodwinning 'n jongetjebij zich te hebben, dat eerst eenige tijd grijnzend van het dispuut geniet, maar dan z'n lendendoekje losbindt en - 'n kleine, bruine Adam in 't water wegschiet. „Money! Money! Money! Give a penny!" schreeuwt hij, na 'n lang eind duiken weer boven komend en zich het sluike haar uit de oogen strijkend. „Schrik u maar niet, juffrouw, die zei niet verdrinke!" stelt de hofmeester Charlotte gerust als hij haar 'n verschrikte beweging ziet maken. „Dat benne beroepsduikertjes I Ziet u niet hoe ie zwemt?" Ja, gelukkig, Charlotte ziet het nu. „Ik zal voor de aardigheid 's 'n cent in 't water gooien!" stelt de hofmeester voor. - Hij zou het anders niet doen, maar nu is het 'n divertissement, dat hij de juffrouw biedt; ze zal 't wel tot aan 't eind van de reis onthouden wat dé hofmeester allemaal voor haar heeft gedaan: 'n stoel opgelapt haar gewaarschuwd toen voor op de bak de boer met z'n varkens te zien waren en nou weer dit... „Ik wil liever even 'n dubbeltje halen, of 'n kwartje, dat kan hij beter zien! Neen, wacht u maar, hofmeester, ik zal zelf wel gaan." Charlotte is zich misschien niet bewust hoe deze eerste kleine verstrooiing haar stem dadelijk weer fleuriger maakt, - gisteren avond onder het theeschenken was het de kapitein en de meester opgevallen, dat ze zoo mat was. Misschien de warmte? - Neen, de warmte was het niet geweest. Het ventje duikt nu als 'n visch achter het zilverstukje aan dat Charlotte in 't water geworpen heeft. Zijn eerste beweging als hij iets ziet vallen is: zich zoo om te werpen, dat z'n bruine, ghmmende voeten recht uit 't water omhoog steken, - dan schiet hij weg in de richting van het muntje, dat soms even schitterend, langzaam wegschommelt in de heldere diepte. Hij krijgt het onfeübaar zeker te pakken, komt ermee boven, toont het op z'n spitse, rose tong. 'k Heb 'rwel 's 'n heele troep bezig gezien!" vertelt de hofmeester. „Dan moet u zoo'n partij vuile voeten s tegelijk ÏSf? wïter zien opsteken! En in de diepte krijgen ze ruae om 'n cent!» Dat kan de hofmeester met begrijpen, dat )c onde? wïer ruzie om 'n cent kan maken. Diar, dleen om de juffrouw 'n pretje te bezorgen, werpt hij, even achter rnekaar twee nikkelen stuivertjes omlaag, en naar 't tweede Soet het ventje, dat alweer boven was gekomen, nu hee diepduiken, 200 diep, dat de roeier in spanning over het Wd van z'n boot/ kijkt. Het naakte kereltje trijgt ook het tweede stuivertje te pakken, maar als hij ermee aan de opplakte veTcSjnt.m^tWjeem even bekomen voorbl, de beTde muntjes trLmfantelijk op z'n tong vertoonen kan. ,,z£baas zou 'm vast niet ^iendehjk hebben aangekeken als ie die tweede stuiver ook met boven had gebracht! zegt dlTLfmeester. Hij kent dit alles goed en weet er de '^Tal^^Zcn nu ook geldstukjes omgeworpen koper, dat moeilijk te zien is, en rondgeknipte sTukS bhkf die beneden echter herkend worden aan de SS toede dunnere, lichtere schijfjes in 't water zeilen Et bSorie bhjft steeds vlak in de buurt; staag beweeg de zwaargebouwde kerel die er in staat, de ^£ °£J* andere twee kijken geïnteresseerd toe; als er bij toeval ^untiTS hun boofvalt, houden ze het voor zich: ze zijn er 3 aangekomen en hoeven zich met te ƒ oren aan de verontwaardiging op het voorschip en aan de woede van deZZg*^nWduikertje. Deze manager bepaalt er ach trouwen?toe ziin meening krachtig uit te spreken, - hij stelt ^vSvSK'SThDewS hij er uitziet, o/bij zijn mannetje SmHij durft niet bij dat ventje weg " legt de hofmeester Charlotte uit. „D'r zal hier wel 's 'n haai verzeilen. Maar dat is ontzettend!" . , ^hofmeester grinnikt. „D'r bènne hier anders wa Arabs, juffrouw!" stelt hij haar gerust. „En t zou die vent nTz'n bootje ook vast meer an z'n beurs dan an zn hart oaanl" Dan merkt hij Charlotte's ergernis. „Ja... t is be S!n aaSg ventje," zwenkt hij om Ik zou 'm ook met door 'n haai zien verscheuren I u. Het ventje heeft schik aan z'n eigen lenigheid. De overmoed barst hem uit zijn donkerglimmende kijkers. „Money 1 Money! Money! Give a penny!" Dan verstomt hij. Er vliegt 'n zilverstuk in 't water ter grootte van 'n rijksdaalder. In alle drie booten komt plotseling beweging. En met dreigend opheffen van z'n riem moet de zware kerel het duikertje in bescmerming nemen, dat nu - reeds op z'n hoede! - weer boven komt, uitbundig z'n blijdschap uitschreeuwend zoodra hij lucht gehapt heeft. „This werry good money! Thank you, sir! Thank you so much!" Op de verlaten brug staat de tweede machinist en werpt er achteloos nog 'n gulden achteraan. Laat zij het maar zien tot welk 'n fatale levenshouding ze hem gebracht heeft. O, Charlotte ziet het wel. Ze hoort het ook: de muziek zingt weer in haar ooren. Ze kijkt oogenblikkelijk weer omlaag en terwijl het bloed haar in de slapen bonst, glimlacht ze het gelukkige ventje daar beneden op 'n beschermende wijze toe, alsof hij zijn goeie dag mede aan haar te danken heeft. Ze voelt behoefte, te spreken. „Nou, die boft daar beneden!" zegt ze lachend, vriendelijk tegen de hofmeester, die ze daareven nog verafschuwde om zijn grofheid. „Die boft zéker...!" stamelt de hofmeester, vol wantrouwen omhoog ziend, ten einde zich nog eens te overtuigen, dat het werkelijk de tweede machinist is, die bij z'n waarempel toch nog niet zóó grandioos inkomen met guldens en rijksdaalders gooit. „Is ie nou heelemaal gek geworde?!" vraagt hij dan hardop, eigenlijk tot zichzelf en zonder te bedenken, dat hij, waar de juffrouw bij staat, zich wel wat eerbiediger uiten mag over de tweede machinist. Nu nadert uit de binnenhaven de loodsboot; de kapitein en de stuurlui worden aan dek geroepen, en met 'n onverschillige beweging daalt Dessauvagie langzaam de trap van de brug af. 'n Paar uur later zijn de verschillende autoriteiten aan boord geweest en ligt de Medusa stevig aan 'n kaai in de binnenhaven gemeerd, 'n Groot passagiersschip van de Triester Lloyd, dat indrukwekkend-lanezaam binnenstoomt door de nu haast te smal lijkende haven-ingang, vervult de verontwaardigd aftrekkende boatmen, die het aan hartgrondige veiwenschingen niet laten ontbreken, met nieuwe, groote verwachtingen. En dan verschijnt de meester aan dek, om Charlotte naar het station te geleiden. Zij moet zich 't eerste oogenblik geweld aandoen, zich goed te houden: de meester heeft zijn uniform met 'n burgerpak verwisseld en is er baast onherkenbaar in. Hij draagt 'n ouderwetsche platte boord met stijve, klaargekochte strik; op zijn roodachtig haar staat 'n parmantig grijs vilten hoedje geplant, juist even te klein, en onhandig steken z'n zware, onbehouwen zeemanspolsen uit de mouwen van het colbertje, dat hem glimmend omspant. Hoeveel beter kleedt hem ziin zwarte uniform! „Maar meester...! Wat hebt u nu gedaan?" kan Charlotte met laten uit te roepen. . _. De meester straalt. Hij had 't wel gedacht: de juffrouw zou er tegen protesteeren, dat hij zich speciaal voor haar zoo mooi had gemaakt. Maar hij weet wat hij aan 'n dame verschuldigd is. Dat dit pak hem oneindig veel beter staat, hem van varensgast tot „heer" maakt, lijdt naar zijn meening geen twijteT. En dus antwoordt hij heelemaal met, knipoogt slechts glunder tegen Charlotte en trekt, om het schilderi} te vervolmaken, 'n paar bruine glacés uit z'n zak, waarin hij met moeite z'n handen perst. „Ik moet in m'n leven al genoeg zeeman zijn, - als ik aan de wal ga, ben ik bever weer s n gewoon mensch!" verklaart hij met bescheiden trots. „Wanneer dacht u te gaan?" O wat Charlotte betreft, dadelijk! Haar todetkoffertje is al gêpakt. Meer heeft ze voor die paar dagen met noodig. En dus neemt ze maar vlug afscheid van de kapitein, wat gedwongen, omdat de agent in de kajuit zit. De kapitein, druk in z'n besprekingen, beseft haar groet pas goed, wanneer ze de kajuit weer verlaat, en roept haar dan vroohjk na: „O ja, natuurlijk, da's waar ook, u gaat naar Uuroi Goeie reis en veel plezier! Denkt u er om, over vier dagen weer aan boord, hoor, en ontvoert u ons de meester met, want die hebben we voor de terugreis nog weer noodig l Charlotte wü juist antwoorden, dat ze er nog s over denken moet wat ze met de meester doen zal, - als meneer Strijbos het trapje afkomt met z'n lijsten. „P'rdon," zegt hij, terwijl hij Charlotte passeert. En zij vlucht heen. Bij de loopplank naar de wal wacht Beermans om haar 'n goeie reis en veel genoegen te wenschen. Hij is 'n weinig ontroerd; door zijn vroolijke afscheidswoorden heen trilt 'n gevoeliger snaar. Charlotte reikt hem de hand, gunt hem die 'n oogenblik; dankbaar houdt hij ze in zijn forsche, warme vuist omklemd. „Zult u haar heelhuids naar de trein brengen, meester?" vraagt hij, met blijder stem. De meester heeft uit de borstzak van zijn groenig colbertje de tip van 'n zakdoekje getrokken, 'n zacht-rosa lefzakdoekje. Wat is hij nu mooi. Hij houdt als antwoord op 's stuurmans vraag 'n plattegrondje van Alexandrië omhoog, dat hij reeds bereid hield. Hem kan niets gebeuren: hij heeft de weg van de haven naar het station al secuur uitgeteekend, alsof het de baan van een van z'n planeten gold. Even zeker als de zon elk jaar door de dierenriem kruist, even zeker zal de meester langs de door hem afgebakende weg het station vinden en de juffrouw heelhuids op de trein naar Caïro zetten. Ze moeten nu eerst langs de kaden, langs wagons, kranen, loodsen en opgestapelde waren naar het douane-kantoor. Als ze daar zijn, maken ze 'n droefkomische scène mee: 'n oud Arabiertje in 'a kleurlooze, gerafelde kaftan wordt erbij gesnapt, dat hij in 'n bedde-matras, die hij bij zich voert, waardevolle Perzische kleedjes binnensmokkelen wil, waarop nu eenmaal onverbiddelijk invoerrechten staan. Ze zien hem wanhopig gesticuleerend van de eene douane-beambte naar de andere loopen, trachtend hun medelijden te wekken. Het is 'n donker en tanig oud mannetje met verschrompelde enkels; het zweet druipt hem tappelings van de slapen; verwilderd staan zijn rood beloopen oogen. Maar de douanebeambten letten nauwelijks op hem, duwen hem slechts achteloos terug, wanneer hij zich aan hen vastklampt; ze staren gefascineerd op de prachtige, waardevolle tapijtjes, die een voor een uit de matras getrokken worden. Kijk 's aan! Zoo'n vuile, ouwe, schunnige matras; je zou er geen piaster meer voor geven en je vroeg je nog af waarom die ouwe opa, die uit Mekka zegt te komen, het ding op zoo'n lange reis met zich meesleept. Is Allah's gezegende grond niet goed genoeg voor hem om op te slapen? Moet hij z'n bottige karkas dan overal op zeegras uitstrekken? En daar heb je 't antwoord nou! 'n Medelijdende had 't grootvadertje de matras op z'n gekromde rug willen helpen laden, en daarbij bad het hem verwonderd, dat ze zoo zwaar was. „Wat 'n allemachtig zware matras, vadertje!" - De douane had het gehoord. Alle beambten zijn er nu heen geloopen om toe te zien hoeveel tapijtjes er wel uit de matras te voorschijn komen, en Charlotte moet met haar toiletkoffertje maar zoolang wachten. De wanhoop van het oude mannetje, dat de douane te slim af wilde zijn, snijdt haar door de ziel. Het is in al z'n tragiek 'n scènetje uit Duizend-en-een-nacht; als heerlijk bonte vlinders vüegen de tapijten de kleurlooze kokon uit, waarin ze gesponnen zaten; het mannetje wringt zich kermend, - 'n onwaarsdiijnlijk schraal figuurtje in z'n lange soepjurk, de groote Mekka-tulband op het doorgroefde hoofd, plompe, zoo op 't oog veel te wijde sloffen aan de voeten, met de uitgeteerde handen uit louter zenuwachtigheid het touw opwindend, dat om de matras gesnoerd heeft gezeten, 'n lang, lang touw, eindeloos als z'n wanhoop. Het laatste tapijtje is aan de dag gekomen, en achteloos gooit men de smokkelaar het grauwe, vuile, waardelooze omhulsel weer toe; deemoedig, verward bukt hij zich erover en vouwt het op, - 'n zinlooze handeling. Hij schreit nu, laat z'n lang opgekropte tranen de vrije loop. Hij gesticuleert niet meer; hij loopt niet weer heen en weer, hij staat zwijgend, wezenloos en laat het fatum zich voltrekken. De attractie is er nu verder van af, en Charlotte wordt geholpen; ze kan dadelijk doorgaan met haar toiletkoffertje. Nu staan ze buiten. Charlotte tracht het beeld te vergeten, dat haar nog diep in de ziel gegrift .staat. Zij kan hier immers tóch niet helpen? De meester is rninder onder de indruk. Hij vraagt Charlotte, of ze 'n rijtuig wil. Het is natuurhjk minder secuur dan te voet langs de door de meester uitgeteekende weg. Hij knikt bevredigd wanneer Charlotte het secure voortrekt. In 'n poging om weer vroolijk te kijken, vraagt ze of het koffertje hem niet te zwaar zal worden. De meester verwaardigt zich niet, hierop te antwoorden. Hij glimlacht slechts geruststellend. Hij is 'n boom van 'n kerel; Charlotte's elegante toiletkoffertje schijnt maar zoo nietig in zijn hand; het bungelt er losjes aan, alsof het er bij toeval aan is bhjven haken. Nu verlaten ze door 'n poort, waarin 'n douane-soldaat staat, het haventerrein en komen in de buitenwijken van de stad, de meester aan Charlotte's linkerzijde, trotsch in het bewustzijn, dat geen mensch nu meer de zeeman in hem vermoeden zal. Alsof men het zoo maar ineens leert: 'n paar glacés vanzelfsprekend te dragen, 'n hoed op te zetten zooals het hóórt. Bij de meester zit dat hoofddeksel 'n ietsje te veel naar achteren en geeft hem daardoor 'n wonderhjk hchtvaardig voorkomen; men zou, als men alleen de hoed zag, 'n oogenblik kunnen denken 'n ondernemend schuinsmarcheerder voor zich te zien. Gelukkig is 's meesters loop hiermee in tegenspraak: zwaar, plechtig, geheel buiten het rythme van de straat. Hij zet z'n voeten met de punt naar buiten wijd uit mekaar, daarbij op 'n weinig zeegang rekenend, en klemt tusschen z'n dikke, bruinghmmende glacé-vingers 'n sigaar met 'n bandje, het brandende eindje in de holte van de hand geborgen, opdat de wind niet te veel „meerookt". De wind, die hier niet is. En zoo, strikt volgens de kaart, komen ze voorwaarts. Rechtdoor, tweede straat linksaf. De meester bekent Charlotte onderweg, dat hij in Haarlem woont, en hij tracht haar 'n accurate beschrijving te geven van de weg, die zij, uit het station komend, volgen moet om hem (of, als hij op zee is, tenminste z'n vrouw) eens op te zoeken wanneer het toeval haar vandaag of morgen in Haarlem mocht brengen. En hij is juist met haar op de Groote Markt aangeland, waar Laurens Janszoon Coster - 'n baken op de weg - niet over 't hoofd gezien kan worden... als hij plotseling midden in z'n beschrijving stokt en onthutst naar 'n open deur kijkt, waarin met fel geschminkte wangen en bloote armen-enbeenen 'n vrouw in paardrijdsterscostuum zit. Charlotte had gehoopt, dat hij in het vuur van zijn topografische uiteenzettingen niets merken zou. Hij heeft immers al die tijd, sinds ze het haventerrein verheten, niets gezien behalve het aantal straten links en rechts, dat met zijn plattegrond moest kloppen. Ziin zorgvuldig uitgezochte, barsecure weg leidde aanvankelijk tusschen loodsen en pakhuizen met duistere kantoren, waarvoor wat ge-ravot was van Arabische dreumesen, in gescheurde zakken, welke hun in grootsche plooien om het lijf vielen als de tunica van 'n Romeinsch senator. Wat verderop stalletjes met zoetriekende limonaden en platte koeken of brooden, - de verkoopers droegen ook alweer die grappige broek, waarvan het kruis tusschen de kuiten neerhangt. De weg had door 'n lucht van in bedorven olie gebakken visch geleid, tusschen oude, verbrokkelde, verflooze ZuideUjk-Europeesche huizen met zwarte openingen er in, die deuren moesten voorstellen, en nu schrijft de zorgvuldig tevoren vastgestelde route 'n straat voor, waarin liefde geveild wordt, - en hoe! Charlotte is in haar leven nog niet door 'n „beruchte" straat gekomen en heeft er zich nooit 'n voorstelling van gevormd hoe het daar nu wel zou uitzien. Maar zoo bont als hier kon het in Europeesche steden toch niet zijn. Deur aan deur zitten half-ontkleede vrouwen in kleurige, zijden paardrijdsters-rokjes, vleezige, vaak zwaarlijvige, mdolente vrouwen met kunstmatig uitgebleekt haar, dat waarschijnlijk hoogblond imiteeren moet. Vadzig opgeblazen wangen, afschuwelijk geverfde lippen, die als gaten in het geblankette gezicht zijn, de zware boezem hoog opgeperst in het halfgeopende corset, de oogen op Arabische wijze zwart geschminkt met het koolstift, in de ooren groote glazen bellen, die lodderig neerdruppen langs de karmijnen koonen... dit alles kan slechts Oostersche smaak zijn, aan Oostersche weeldedroomen beantwoorden. Achter de tentoongestelde schoonen, die als lokaas moeten dienen, hangt in de open deuren 'n mysterieus verhullend gordijn, waarachter stenig de verwachtingen beantwoord worden, welke door de in 't oog vallende opschriften zijn gewekt: „The garden of Allah", „The temp* of houries", „The paradise regained", „The forbidden fruit", „Heaven on earth". Het staat er ook in het Fransch, Italiaansch, Grieksch, in Arabische letterteekens, maar de eereplaats bovenaan is voor het Engelsen mgeruimd. Dus op Engelsche janmaats wordt in de eerste plaats gerekend; hun geld is rmsschien ook het gangbaarst, en zooals dit voor het Arabische pubhek uitgelezen schoone Europeesche vrouwen zijn zoo moeten het voor de goedgeloovige Jackevs zonder twijfel Eastern beauties voorsteüen, ontvlucht uit de harem van n schatrijke pascha, door geen andere wensch gedreven dan om het rondborstige matrozenvolk ver van huis het leven n weinig te verhchten. Dit alles kon de meester tevoren op z'n plattegrondje met aen; nu hij ajn flater ontdekt, heeft hij ('n snelle blik achteruit overtuigt hem ervan) zijn beschermehngetje reeds halverwege de straat gebracht. Hij krijgt 'n kleur als de paardrijdsters voor de met fluweel behangen deuren en besluit na kort beraad met zichzelf in 's Hemelsnaam maar door te Joopen: hij at nu eenmaal in de val, en omkeeren en daardoor Chariotte's aandacht erop vestigen lijkt hem nog pijnlijker Hij ziet haar van opzij even aan: zij kijkt strak voor ach uit. Zou ze misschien niets gemerkt hebben? vraagt hij zich af, inplaats van uit dit strak-vooruit-kiikea de eenig juiste conclusie te maken. - Zoolang de meester over Haarlem vertelde kon ze nog 'n schuchfere, ontzette bhk aan deze onbekende wereld der zonde wagen, maar nu hij stokt, past haar slechts 'n star voor-zich-zien. - Vooruit maar! denkt de meester met de moed der wanhoop. Verder maar de afgebakende weg langs, door wat voor nieuwe verscnrikkingen die ook voeren mag. Nu zij beiden zwijgend, verlegen naast elkaar loopen, kunnen de vrouwen op de trottoirs 't niet laten hun 'n vriendelijk woordje toe te roepen. Het zijn Francaises; ze spreken heur moedertaal met 'n donkere, sonore inslag en n MarseiUaansch accent in de schorre, verliederlijkte stemmen. Charlotte en de meester verstaan het gelukkig geen van beiden, vangen slechts het woord „mon arnour" op? dat aan s meesters adres is - 'n Engelsche of Amerikaansche miss, die met gerust heeft voor ze hier bij ons verdwaalde en die nou ze er eenmaal is, niet links of rechts durft te kijken! denken de vrouwen vermoedelijk, met Gallische onmacht, noordelijke nationaliteiten te onderscheiden. Ze zitten ook wel kameraadschappelijk bijeen, herstellen ijverig en sans gene met naald en draad iets aan het zonderlinge costuurn, dat ze dragen, of verzorgen hun nagels, schminken elkaar en zichzelf, rooken 'n sigaret; een dampt er 'n sigaar en hoont met 'n schorre lach: „Ho-ho-ho-ho-ho-ho!" Nu en dan ruischt gedempt harmonica-muziek door de spleten van 'n gordijn, of er bonkt en schokt en lawaait 'n mechanisch orgel als in alle havenbordeelen der wereld, 'n Paar dronken matrozenstemmen brullen ergens mee; daar opent 'n vrouw het gordijn 'n weinig en wenkt de meester. „Will you come this night? Always funl" roept ze in gebrekkig Engelsen. Charlotte weet zich geen raad; de meester trekt woedend aan z'n sigaar en werpt ze daarna op de straatsteenen. De vrouw ziet z'n ergernis, lacht, steekt hem uit de verte haar gespitste lippen toe en bootst het geluid van 'n kus na. Dan - eindelijk! - hgt de straat achter hen; de obsessie wijkt, en de meester zucht verlucht op. Hij piekert op welke wijze hij het gesprek weer kan opvatten; na eenig nadenken bezint hij zich, dat hij Charlotte op de Groote Markt bij het standbeeld van Laurens Janszoon Koster heeft laten staan. Maar hij wil hever op 'n ander onderwerp overstappen. Welk? Hij vraagt zich bezorgd af, of Charlotte het.hem misscnien kwalijk zal nemen, dat hij haar door zóó'n straat gebracht heeft. Ze zal toch niet denken, dat hij als man iets aantrekkelijks gevonden heeft in die uitstalling van dikke, geverfde paardrijdsters?l Hij wil spreken, maar zijn tong Bgt hem zwaar als lood in de mond, en hij krijgt het steeds benauwder, rukt gekweld aan z'n platte, stijve boord. Dan zuivert Charlotte plotseling de lucht door eenvoudigweg haar ontzetting uit te spreken. „Vrééselijk," zegt ze zacht. „Ja, zegt u dat wel!" valt de meester haar dankbaar en uit de grond van zijn hart bij. Verder wordt er tusschen hen beiden geen woord meer over gewisseld, maar dat hoeft ook niet meer. Even later vindt de meester 'n nieuw onderwerp, dat zich goed aansluit bij het gesprek van daarstraks: de mooie omstreken van Haarlem. Charlotte kent ze ook. 'n Getrouwde vriendin van haar woont in Haarlem. Als ze die nog eens opzoekt (de vriendin verwacht 'n baby) zal ze ook even bij de meester aanloopen; de weg naar zijn huis kan ze nu niet meer vergeten nadat hij die zoo duidelijk en uitvoerig beschreven heeft... n Half uur later zit Charlotte in 'n tweede-klas coupé van de trein naar Caïro en ziet eenigszins in spanning uit wie er nog meer bij haar zal instappen. Somber dreigend n trouwe, bezorgde haremwachter, staat de meester voor het coupé-venster zoodra zich heeren in Charlotte's richting bewegen - bij dames echter wordt zijn blik dadelijk veel vriendelijker, op het galante af, zoodat hij er 'n driftige bestraffende oogopslag voor terug ontvangt. Maar de meester laat zich met verschrikken. Nu er 'n alleenreizende, misschien ruim veertigjarige dame met kwieke passen aangetrippeld u mV-, °,°r de °Pea «^Pje» in de trein kijkend, openthü hoffelijk het portier van Charlotte's coupé. „Ah! MerciI" zegt de kwieke dame, de meester 'n beetje verrast monsterend; dan duwt ze met haar donkere zijden parasol de deur nog iets verder open om vrije doortocht te hebben en wipt naar binnen. Nu zit ze tegenover Charlotte, die ze met *n scherpe blik even aanziet. De meester is gerust: nóg 'n dame in de coupé en zelfs 'n kordate, waarvoor 'n man ontzag heelt. Ook hijzelf heeft er trouwens ontzag voor; hij durft naar met goed aan te bieden haar valiesje (of is het 'n reisschrijfmachinetje?) in het bagage-net te bergen. Nu doet ze t zelf al; hopla, daar hgt 't ding; ze heeft het 'n zetje omhoog moeten geven, want ze is klein en gevuld. De meester knikt Charlotte rustig toe: zoo is de zaak in orde. En daarbij verzuimt hij 'n oogenblik z'n strenge wacht, n Deftige Arabier in crème burnoes en hagelwitte tulband is waardig naderbij gekomen, stijgt in, de hand even tegen de borst brengend als 'n hoffelijke groet en daarbij enkele woorden murmelend. Charlotte weet niet hoe ze zijn oostersche groet anders beantwoorden zal dan door 'n westersch knikje. De dame tegenover haar - 'n Francaise? reageert met op de groet, schijnt de binnengetredene in't geheel niet op te merken, staart naar het luchtvaardige, iets te kleine, vdten hoedje van de ernstige meester, die er vandaag nu eens niet als 'n zeeman uitziet. Hoe ontzet is hij over zijn tekort aan waakzaamheid 1 ,,WHt u misschien niet hever nog even overstappen, juffrouw? Ik wist werkelijk niet, dat die kerels nog anders dan derde klas reisden I Nee, Charlotte vindt het zoo erg niet. De meester moet ■wat voorzichtig zijn met z'n woorden, fluistert ze hem toe. Te kunt immers nooit weten... - „Maar juffrouw, hoe zou die kerel Hollandsen kunnen verstaan!" De meester kijkt even in andere coupé's, loopt 'n eindje langs de trein, Charlotte's deur steeds in 't oog houdend. Dan keert hij haastig weer terug met de verrassende tijding, dat er zelfs in de eerste klasse Arabieren zitten! Maar dan kan Charlotte ze dus ook nergens ontvluchten! Het valt hem nu op, dat de kwieke dame hem zoo aankijkt. O, hij weet 't wel: als hij in burger is, vinden de vrouwen hem 'n keurige vent en wagen 'n oogje aan m. Niet die jonge dingen natuurlijk, maar weeuwtjes en ietwat geposeerde dames. Gelukkig weet hij welke plichten het meebrengt: getrouwd man te zijn. In ieder ander geval zou hij nu dan ook zijn blik verstandig afgewend hebben, maar terwille van Charlotte glimlacht hij vriendelijk tegen de kordate Francaise, in wier handen hij het lot van zijn beschermelinge gelegd heeft. En zij, geamuseerd glimlacht terug; haar oogen lachen; om haar mond zweeft n vroolijkspottende trek. . , Nu Charlotte dit spelletje ziet, is ze eerder geneigd op de statige, hoffelijke Arabier dan op baar vroolijk overbuurtje te bouwen. Van terzijde monstert ze hem even, zijn beschaafd, ernstig en mooi gevormd gelaat met de beheerschte mond en de spiritueele oogen; met alleen z n onberispelijk gevouwen tulband en zijn waardige mantel, niet alleen z'n verzorgde handen maken hem heer. Van hem hoeft ze niets te vreezen, al meent de meester het ook, de meester, die terwille van haar zoo dik aanpapt met de kwieke dame, welke hem nu laat schieten en vanzelfsprekend 'n sigaret aansteekt ('t is 'n coupé niet-rooken) nadat ze uit haar mantel 'n krant heeft opgediept. Charlotte ziet toe hoe snel en met kennis van zaken ze het nieuwsblad doorvliegt; nu gaat ze één voor één de advertenties door, - daar is het haar blijkbaar om te doen. Kijk... nu schrijft ze met n klem gouden potloodje 'n adres uit een der advertenties oyer. De trein fluit. De meester steekt z'n gehandschoende knuist door het open venster, wenscht haar hartelijk goede reis, hcht z'n hoedje voor baar en voor de dame van de advertenties. . Als u me even schrijft met welke trein u terugkomt, wordt u afgehaald!" verzekert hij Charlotte nog met nadruk. - Dan zal hijzelf, meester Bakhuis, weer aan de trein zijn, bedoelt hij, en intusschen zal hij op de kaart 'n nieuwe weg hebben uitgeteekend, die niet weer door zulke zonderlinge buurten leidt. De trein rolt weg. De meester staat op het perron, zwaait onhandig, zoo forsch, dat zijn vuist iemand, die er toevallig mee in beroering kwam, tegen de grond zou slaan, het te kleine, grijsvüten hoedje, plant het weer op z'n hoofd, ditmaal 'n weinig op één oor, en verlaat met groote passen het perron. Charlotte's hart is met dankbaarheid jegens de meester vervuld. Glimlachend kijkt ze naar buiten tegen de huizenwoestenij aan, die Alexandrië heet. Na 'n tijdje zijn ze buiten de stad. Heuvelterrein, dor, zanderig, hier en daar 'n bestoft boschje, wat leemen huisjes met koepelvormig dak, 'n verschroeide palm. De Nijl! Wijd, kalm stroomend, bruin van de vruchtbare modder waar de zon het water niet blinken doet. Hier ging de listige en schoone Cleopatra dus spelevaren met de plichtvergeten Antonius, die hopeloos in haar netten verstrikt was. Charlotte kan zooiets nu al beter begrijpen dan in de Haagsche leeszaal, waar ze Shakespeare's Anthony and Cleopatra „voste". Het landschap doet haar -zonderling genoeg - aan Holland denken: vlak en groen, met slooten doorgraven; ze meent zelfs wilgen te zien. Minder Hollandsen is dan opeens 'n lange stoet kameelen met 'n drijver; de grauwe, star-wijsgeerig blikkende dieren zijn onderling door 'n touw verbonden; nummer twee is bijvoorbeeld aan de hals verbonden met de staart van nummer één, - met z'n eigen staart echter weer vastgeknoopt aan de hals van nummer drie. Nu staan alle stil en wenden de kop langzaam naar de voorbijjagende trein; ook de drijver in wijd uithangend, kleurloos kleed kijkt naar de trein om, de oogen half dichtgeknepen tegen de felle zon, de handen, die het touw omklemmen waaraan hij de voorste kameel leidt, achter de rug. Op deze voorste kameel verheft zich 'n draagstoel, waarvan de gordijntjes daareven onder het gaan langzaam heen en weer wiegden. Om er zeeziek in te worden! denkt Charlotte. Zou er 'n vrouw in zitten? Waarschijnhjk! En die mag zeker niet eens eventjes naar buiten kijken om de trein te zien voorbijrazen! De dame van de advertenties vouwt nu haar krant op, werpt het tipje sigaret 't venstertje uit, legt de handen in de schoot en kijkt belangstellend naar het meisje tegenover haar. Charlotte voelt haar blik, voelt, dat ze 'n gesprek wil aanknoopen en wijdt haar volle aandacht aan wat er na de karavaan buiten nog meer te zien valt. De Nijl, o ja, de Nijl, kijk 's: 'n sloot. En weer 'n sloot. En nog 'n sloot. JExcusez, mademoiselle... 1" 'n Vertrouwelijk tikje met de-krant op haar knie. Ja, de juffrouw moet haar excuseeren, haar vertellen, of ze goed geraden heeft toen ze mademoiselle reeds dadelijk op de eerste blik voor 'n Deensche hield. Charlotte ziet er geen direct gevaar in, de kwieke dame te bekennen, dat ze geen Deensche, maar 'n Hollandsche is. Nou ja, dat was toch zoowat hetzelfde? En die meneer, die de juffrouw op de trein gezet had, was 'n officier van de boot geweest, - daarin kon ze zich niet vergist hebben. Mae ze zich voorstellen? Madame Blanche! Geboren Francaise! Dat kon niet ieder hier in dit land, die toevallig Fransch sprak, van zich zeggen. Ze spreekt trouwens ook Grieksch, Italiaansch en 'n paar woorden Spaansch, maar juist Duitsch kan ze met de juffrouw niet spreken. Gelukkig maar, dat de juffrouw... hoe heet ze? Ah, Clarenbique! gelukkig; maar, wil ze zeggen, dat juffrouw Clarenbique... quoi? Clarenbeque, dat zal ze nooit leeren uitspreken! gelukkig maar, dat de juffrouw zoo vloeiend Fransch spreekt! O dat leek meer dan 't was 1 haast Charlotte zich, verlegen en gevleid, te verzekeren. En Duitsch sprak ze trouwens evenmin goed. „ , ,- Maar wat is haar eigenlijke taal dan? Quoi! Hollandsen? Is dat nog weer anders dan Duitsch? O ja, zeker, dat was nog weer verschillend l Allez donc, dat heeft madame Blanche niet geweten. En ging de juffrouw nu eens 'n kijkje in Caïro nemen? Die vretmcklingen toch! Wat ze daar nu wel voor moois zoekenl Veertien jaar woont madame Blanche er nu. Niets is er te zien. Rien! Absolument rienl Arabieren, - als ze die zoo graag ziet!? Charlotte schrikt even, werpt 'n snelle blik terzijde. De Arabier heeft 'n krant met Oostersche schriftteekens ontvouwd, schijnt er geheel in verdiept. „Maar de pyramiden dan?" vraagt ze, wat onzeker. „Les pyramides ne valent rienl" hakt madame Blanche eens en voorgoed af, ook half in het bewustzijn, dat ze Charlotte amuseeren zal met haar vernietigend oordeel. En de Sphinx? 'n Vormlooze klomp steen met 'n stellage erom, - want ze zijn 'm net aan 't oplappen. Alsof daar nog wat aan valt op te lappen I Als daar iets moois aan zijn moet, weet madame Blanche 't niet meer. Napoleon's soldaten hebben het ding juist getaxeerd door 't als schietschijf te gebruiken. Pam! Pouml Pam! Pam! En wat is er dan verder nog? De Mammelukkengraven. Eh bien, des tombeaux. Et après? Moet ze naar Caïro komen om 'n paar graven te zien? Ah...! Als de mademoiselle in haar leven nog eens wat moois wil zien, werkehjk wat moois, al zijn het dan ook geen graven met dooie Mammelukken er in, dan moet ze naar Rome gaanl Daar is madame Blanche ook geweest met haar man... pauvre garcon... thans dood. Sicüiaanl Met hem, zij aan zij, is ze in Rome op haar knieën de Heilige Trap opgekropen, de Scala Santa bij de San Giovanni in Laterano! Nu, nu nog komen de tranen haar in de oogen. Ze frommelt in haar taschje zenuwachtig naar 'n fijn-batisten zakdoekje. En dan te weten, dat er op de wereld nog ongeloovigen zijn, zielen, zwarter dan de nacht, die aan la Sainte Trinité, aan de heiligheid van de Heilige Trap, aan de zending van de paus hier op aarde durven twijfelen, de paus, die haar, madame Blanche, samen met haar man pauvre garcon - eigenhandig gezegend heeft 1 Mademoiselle Uarenbiche is, wil zij hopen, toch goed katholiek? O maar natuurhjkl Charlotte is verschrikkelijk verlegen geworden. Ten eerste door madame Blanche's verkeerde veronderstelling (Charlotte is protestant, niet-kerksch opgevoed, zooals men dat noemt), maar ook omdat madame Blanche haar weinig gunstige meening over Arabieren, in 't algemeen over allen, die met als zij gelooven, overluid uitspreekt en niet eens schijnt te bemerken, dat de deftige Arabier daarin de hoek geamuseerd van zijn krant opziet, - hij verstaat dus Franschl Verbijsterd is madame Blanche als 2e in Charlotte geen goede geloofsgenoote vindt. Ze kan het nog niet gelooven. Oogen als 'n réligieuse, oogen als 'n soeur de Charité -wat zou de kap haar flatteeren! - en niet geloovig! O, maar dat komt nog, dat kan niet uitblijven. Zij zal haar dwaling nog inzien, op de Heilige Trap te Rome, in Christus' Voetsporen, zal zij haar onbegrijpeUjke dwaling inzien en zich tot het eenig ware geloof bekeeren. Hier, neem dat, m'n kleintje! Madame Blanche zoekt in haar taschje 'n kleurig plaatje met Sint Franciscus er op, de goede heilige, het groote, reine kind, dat - dwars tegen de onverbiddelijke logica der natuur in, die het spinnetje z'n web laat vlechten en het zorgeloos dansende vliegje tot 'n smakelijk boutje maakte - de booze wolf van Agobio bekeerde en tot Gods onschuldige vogelen des velds predikte, welke toen in de zuidelijke landen blijkbaar nog niet alle weggeschoten werden om als delicatesse, ook op de schotels der geestelijken, te dienen. Op de achterkant staan in 't Italiaansch eenige gebeden voorgeschreven. Onhandig bedankt Charlotte en bergt het papiertje in haar taschje. O, madame Blanche is niet boos; haar hart is slechts van medelijden vervuld. Daarom geeft ze Charlotte het plaatje van de Heilige, die, in welke vorm dan ook, overal zegen en geluk brengt. „Toi, ma petitel" zegt madame Blanche nu al beschermend. Haar voornaam wil ze weten. Ah... Charlotte 1 Gelukkig zijn er over de heele wereld verstandige menschen, die hun kinderen tenminste 'n Fransche vóórnaam geven, als ze verder dan al gedoemd zijn 'n onuitsprekeüjke naam als Clarenbique, Clarenbiche door het leven te sleepen. Charlotte! Alleen omdat ze schromelijk misleid 18 en ver van het goede geloof gehouden, alleen daarom zal ze - onschuldig schaapje - in de hel moeten branden, door duivels gefolterd worden, ja zeker! door monsterachtig leelijke duivels met gemeene begeerten, - schenden zullen ze haar, les cochons! Madame Blanche neemt geen doekje voor haar mond. Hoe oud Charlotte is? vraagt ze thans inquisitorisch. Wat? Negen-en-twintig?! Impossible! Maar ze is toch nog 'n kind! Ze staat toch nog met wijd open oogen tegen het leven aan te kijken! Negen-en-twintig! En nog met ge- trouwd?! Maar hoe oud trouwen de meisjes daar dan in La Hollande? Daar moet alles dan wel veel langzamer gaan. Ze heeft laatst ook zooiets grappigs gehoord: is 't werkelijk waar, dat de Dmtsche vrouwen elf maanden zwanger gaan comme les chevaux? - Ha-ha-ha-ha! - Maar negen-en-twintigl Charlotte jokt haar zeker wat voor! M'n hemel, zij madame Blanche, was met zestien jaar al op en top 'n vrouw ! Men hoefde haar toen reeds niets meer te vertellen! „Mais enfin, tu te moques de moi, ma petite!" Nee, heusch, heusch, negen-en-twintig! Dus toch. En zij, die zich met haar zes-en-veertig jaren voor une vieille béte hield! Slechts vijftien jaar ouder dan Charlotte! ' Ze verrekent zich: zeventien. Maar dat is haar goed recht. En waar Charlotte nu in Caïro 'n onderdak zal zoeken? Natuurlijk in Shepheard's I Alle vreemdelingen gaan in Sheoheard s Hotel. ^ O, maar Charlotte heeft eigenhjk gehoord, dat 't daar zoo duur is. Que veux tu? Ce sont les Américains. Die drijven waar ze komen de prijaen op. Maar de Hollanders dan? Men heeft madame Blanche verteld, dat de Hollanders inplaats van kiezelstèenen guldens in hun tuin strooien! Blankgepoetste guldens, omdat de Hollanders 200 netjes zijn Ze wou er daarom al eens heen om er tuinbaas te worden. Ha-ha-ha! Ze was alleen bang, dat er 'n dijk doorbrak; dan moet alles verdrinken, heeft ze gehoord, en zwemmen is juist het eemge wat ze niet goed kan. Charlotte kent natuurlijk dat verhaal van dat Hollandsche jongetje en z'n duim. Niet?! En madame Blanche heeft 't nog op school geleerd! Er was 'n gat in de dijk, 'n klein gat maar als t water er steeds doorvloeide, 2ou het grooter worden, en 'n klein Hollandsen jongetje ontdekte het, stak er z n duim in en redde z'n land met niets anders dan met z n petit pouce! Die dappere, kleine man! Charlotte moet glimlachen. Madame Blanche is werkehjk goed over Holland georiënteerd. Maar Charlotte is tocb heusch met rijk, en daarom wil zij liever 'n eenvoudig hotel zien te vinden. Ah... maar dan weet madame Blanche iets véél beters! Zij woont al sinds jaren in 'n klein, Grieksch, maar zindelijk pension in de Sharia Boulaq bij het Ezbekyeh-park 1 Het pension van madame Paparigopulos, 'n geboren Malteesche, die heerlijk kookt a 1'italienne. Haar man, lui zwijn, laat z n vrouw voor zich werken. Behalve madame Blanche wonen in het pension 'n Italiaan, signor' Alfredo, en 'n Turk. 'n Turk, bien entendu, geen Arabier! Dat moest Charlotte in 's hemelsnaam niet verwarren; vreemdelingen deden dat wel. 'n Turk dus, charmante jongen en... nu, dat zal Charlotte wel zien, wanneer ze met madame Blanche mee mocht willen gaan. Duur was 't er niet! Zes pond in de maand, is dat duur? Wat?! Drie dagen wil Charlotte maar blijven? Slechts drie dagen zal madame Blanche haar in haar leven zien? En ze is nu al aan haar gehecht! Thans ontdekt madame Blanche wat er in Caïro voor n vreemdeling alles te zien valt. Ten eerste de Mouski-bazaars! Om die allemaal te zien had Charlotte al 'n week noodig. En dan de moskeeën, de waterstuwing van de Nijl, héél interessant, de dierentuin, het Zondagavond-concert in t Ezbekyeh-park! Wat zijn drie dagen? Un rien! Je blaast ze zoo van je vingers, un, deux, trois, fouiiitl Neen, dat kan Charlotte geen ernst zijn. Ja, toch heusch. De boot zou anders weggaan. Et après? Dan neemt Charlotte eenvoudig de volgende. Er zijn 'r méérl „ . , . a -Nee werkelijk onmogelijk, mevrouw. - Charlotte s kotter staat aan boord. Ze heeft ook geen geld genoeg bij zich om zoolang in Caïro te blijven. Gelei? Dat heeft madame Blanche nog wel, als t noodig is. Geld is iets wat je een, twee, drie van je vingers blaast. Dat regelt zij wel met madame Paparigopulos, die zoo lekker a 1'italienne kookt. . . Heusch, heusch en heusch niet, mevrouw! Het is heel lief, maar het gaat onmogeMjk. Er is op het schip dus iets, dat sterker trekt. Nu madame Blanche dtt weet, slaat haar de vrees om het hart. Die ouwe vogelverschrikker van daarstraks is de mtverkorene toch nkt?l M'n hemel, ze zal toch wel wijzer wezen?! Tu seras sage, ma petite! Dat is geen man, dat is 'n down} Daar moet je om lachen, al heb je op beide kanten kiespijn! Als alle Hollanders zoo mochten zijn, doet Charlotte werkelijk beter n Franschman^te nemen, of nog hever 'n Siciliaan... die hebben vuur! Ah! - Ja, nu is hij dood. Pauvre garcon. Charlotte heeft voor zichzelf al besloten: ze waalt het er op en gaat met madame Blanche mee naar dat pension van die mevrouw met die grappige naam; ze zal kennis maken met de charmante jonge Turk, die ze niet met 'n Arabier verwisselen mag, en ze zal de Italiaansche keuken proeven Haar mtuitie doet haar vertrouwen in haar overbuurtje stellen, dat haar, Galhsch-vrijmoedig, met overstroomend warm gevoel overrompeld en voor zich gewonnen heeft. Ja, madame Blanche voelt werkelijk reeds warm voor haar daarin kan ze zich niet bedriegen. Hoe heeft ze zkh deze vriendschap zoo snel verworven? Is ze dan nog zoo'n groot kmd, dat iedereen behoefte gevoelt, haar te beschermen? J moet T. «f n wijzere - om madame Blanche glimlachen wanneer die haar fabeltjes vertelt, waarin ze zelf eerhjk gelooft, maar op ander gebied heeft madame Blanche weer 'n overwicht, dat Charlotte geheel weerloos aan haar uidevert. Ja, madame Blanche is toch ouder dan zij, alleen maar wat minder geschoold, 'n dappere, ervaren vrouw, die, weinig gecompliceerd denkend en voelend, zich met kort beraad en zonder te veel scrupules door alle zorgen van het leven weet neen te slaan, nog bereid ook voor anderen moeilijkheden uit de weg te werken, un, deux, trois! van haar vingers te blazen. Charlotte kent haar wachtwoord reeds: „Et aorès? En wat dan nog?!" r Ze hebben 'n oogenblik zwijgend tegenover elkaar gezeten, madame Blanche in berustende herinnering aan haar Methaan, die, pauvre garcon, zooveel vuur had, - of misschien in verband daarmee ook wel denkend aan de charmante jonge Turk in het pension van madame Paparigopulos; dat is haar met goed aan te zien. Charlotte staart door het coupé-venster naar buiten, 'n Paar fantastisch-hooge zeilen, in n scherpe hoek uidoopend, staan boven de NiU cüe Rechts even als 'n schittering te zien is in het valsche hcht van de zon, welke zich achter 'n loodgrijze lucht terugHet is werkelijk 'n onheilspellende, donkere lucht, die van het Noorden, van de zee, optrekt; de deftige Arabier vouwt z'n krant met de Oostersche schriftteekens op en kijkt bezorgd naar buiten. - Zou die lucht hier in Egypte misschien 'n zandstorm, of 'n ander Afrikaansch natuurfenomeen te beduiden hebben? vraagt Charlotte zich met vage onrust af. „Voüa les pyramidesl" kondigt madame Blanche onbewogen aan, geen moeite doende om de verachting in haar stem te verbergen. Charlotte ziet gespannen in de aangeduide richting. Het wijde Nijlland is geheel overschaduwd; slechts waar de woestijn begint brandt de zon nog. En daar, in gouden gloed, staan, als oplichtend uit het verre verleden, de drie pyramiden van Caïro. Madame Blanche houdt sceptisch haar mond, gereed tot afhakken zoodra Charlotte van haar verrukking getuigen zal. Maar die kans biedt Charlotte haar niet; ze wil deze onvergetelijke indruk onaangeroerd voor zich bewaren, zou trouwens niet zoo dadelijk de woorden vinden om diepere gevoelens in het Fransch te uiten. Ze fcükt dus maar, krijgt nu ook oog voor de dramatische expressie van het geheel. Tegen de schel verlichte woestijn silhouetteeren inktzwart 'n paar palmen, die in het duister staan en reeds door de aanruischende wind gepakt worden. Nu güjdt over de pyramiden de schaduw van de dood; vergeten sluimeren ze in het duister, en de volle aandacht trekt 'n karavaantje van speelgoed-kameeltjes, heel, heel ver weg, haastig voortstappend in de richting van de Nijl, met grappig opgeheven halsjes, onbewust, dat ze, van het dal uit gezien, als op 'n tooneel passeeren en daardoor van n willekeurige karavaan tot zinnebeeld van eeuwen worden. Verder glijdt het licht; weg is het karavaantje weer, en nu doemt de horizon op, donker en dreigend. Het weerlicht. De palmen buigen; de wind rukt er lange, doode bladeren af. . Charlotte wendt zich verschrikt tot haar overbuurtje en vraagt: „Zou die lucht niet iets bizonders beteekenen? „Jawel," antwoordt madame Blanche, ,,'n piaster méér voor de koetsier, zoometeen." XIII In Cairo verhoogen de huurkoetsiers hun tarief wanneer het regent Dat komt 'n keer of wat in 't jaar voor en veroorzaakt dan algemeene consternatie. Nu de trein, waarin Charlotte zit, het station binnenrijdt, begint het juist te regenen: 'n wolkbreuk uit de dreigend-zwarte lucht, die van de zee is komen opzetten. In bakken stort het water neer trommelt, raast, dondert op het gegolfd ijzeren dak, dat er eigenhjk slechts op berekend is om de zon af te schutten. Helsch kabaal, waarin elk ander geluid ten onder gaat Dragers in lange, vuilwitte jurken snellen op bloote voeten heen en weer; hun bruine, opgewonden, lachende koppen gknzen in de vreemde dag-schemering; het zijn meest negers mt de Boven-Soedan, herculisch gebouwd, lenige kerels. Het oorverdoovend geratel van de regen verlokt hen tot mtbundig schreeuwen; ze hebben zelf schik in hun uitgelatenheid, ze schreeuwen en zingen luidkeels (sperren althans de mond wijd open) terwijl ze de koffers en valiezen der pas aangekomen reizigers over het perron zeulen. Gelukkig wie slechts z'n waterdichte huid aan de regen hoeft bloot te stellen plus 'n afgedragen, vuilwitte „gtlabieh die, na straks n uurtje in de zon gehangen te hebben weer droog en meteen uitgewasschen is. Vrij en gelukkig de armen dezer wereld, - beklagenswaardige slaven de rijken die zorgelijk kijken bij het vooruitzicht: zoo dadelijk hun zomerhoeden en zijden tulbands aan het hemelvocht te moeten uitleveren. Bedrukt staan ze stil, spreiden, wanneer ze geen paraplu bii zich hebben, tenininste 'n zakdoek over hun kostbaar hoofddeksel uit. De regen, zulk 'n regen verbroedert. Gedeelde vreugde bij de arme slovers en zwoegers, die vandaag 'n gratis verfrisschend bad krijgen en zich dikke fooien laten betalen; gedeelde bezorgdheid bij hen voor wie de regen 'n hinderlijk en schade-brengend natuurverschijnsel is. Charlotte en de kwieke dame zijn nu de beste vriendinnen; de regen brengt in n stemming om in alle menschen vrienden te zien en aan geen kwaad meer te gelooven. Dankbaar, in blind vertrouwen levert Charlotte zich aan madame Blanche mt, die nu geheel de leiding neemt en in enkele Arabische krachttermen, die door het lawaai van de regen echter niet verder dan tot aan haar eigen ooren komen, 'n drager terechtzet voor het feit, dat hij in zijn overmoed zonder eerst te vragen Charlotte haar valiesje heeft afgenomen. O Charlotte is in goede, vertrouwde handen. Nu is ze met madame Blanche, die stevige ellebogen heeft, reeds als een der eersten bij de stationstrap. Maar er staan geen rijtuigen klaar, en van het perron komen de menschen en zullen allen het eerste rijtuig bestormen, dat zich vertoont. Verderop, onder de overdekte wachtplaats, staan ze, de rijtuigen, maar 'n gang erheen beteekent: geen droge draad meer aan 't lijf te hebben, en uit eigen beweging komen de bedachtzame koetsiers niet naar buiten. Enkele passagiers uit de trein, gewichtig uitziende heeren met groote, leeren handkoffers en voortvarend ronde buikjes, winden zich daarover op, schreeuwen over het plein de koetsiers in rollende klanken toe, dreigen met politie: 'n huurrijtuig is 'n rijtuig, dat rijden moet als het gehuurd wordt! - «Hierheen!" beveelt madame Blanche Charlotte en gaat bij de rijke heeren staan, die allen 'n zakdoek over hun roode fez gelegd hebben en er grappig mee uitzien, al weten ze dat zelf ook niet. De koetsiers blijven intusschen het antwoord niet schuldig, rijzen erbij overeind wanneer het betoog zittend niet meer vlot, staan nu als Carthaagsche wagenrenners, in één hand de teugels, op hun bok, wijzen met tragisch gebaar op hun rossinant. De paarden willen met in de regen! - De paarden vreezen de regen, zooals al wat leeft de regen vreest, - ook de politie, die in geen velden of wegen te zien is. Onder 'n waterval, die van de stationskap neerstroomt, dansen - als kannibalen om 'n zendeling - spiernaakte bruine dreumesen, die hun kleeren eerst op 'n veilig plaatsje hebben geborgen. Charlotte kijkt even naar de vorm- en kleurloozc hoopjes zakkegoed. Hoe vindt straks elk z'n eigen töga terug? Die zullen wel niet gemerkt zijn door de wasscherijl Het bhksemt, en de kleine kannibalen stuiven met verschrikte oogen en open, schreeuwende monden geluidloos uiteen. , . . , , De rijtuigen willen niet rijden. Anarchie is uitgebroken. Weerlooze prooi zijn ze vandaag, de rijken, die zich anders opblazen van hoogmoed, weerlooze prooi zijn ze van de samenspannende dragers en de koetsiers. Misschien, ja ntiï „ ïeu2uUe5 deJ "^«^ riiden> **** alleen wanneeTze gehaald worden door 'n drager, die daar eerst 'n goTdeloS voor gekregen heeft, zoodat de koetsiers met eenige zekerheid erop kunnen rekenen, dat ook zij voor de moed, die zij betoonen door zich in de regen te wagen, 'n behóorhjke vergoeding zullen ontvangen. - Kijk, daar kamt de eerste voorrijden, 'n Deftige Oosterling, de ronde, gemakzucS vingers met ringen overdekt, helft de eerste koetsier uk K vedige schuikaats gelokt; 'n drager zit binnenin en weert £? K ï strenr^end gebaar ieder ander?^ m dit apart bestekle rijtjg zou willen stappen. Nu hóuck het std voor de deftige Oosterling, en de door z'n geld bevoorrechte wil haastig instappen ë Maar daar zijn nog andere rechten dan die van het geld „Vous n'ayez pas honte, m'sieur?!" vraagt ze, streng verwetend, terwijl ze haar parasol tusschen hem enSjtmg ufi S T^' '° °°ê^hk beschaamd (zoometeen zal heeft laetennfefJ^ ^ h°C N 200 * S heeft laten lezen), ruimt madame Blanche plaats, juist vol- Mnïend F™kan passeeren. Het in vreemd rnadanS' SS? T Verlef P ^P^ken „pardon, madame hóórt ze met eens. „Sharia Boulaq!" beveelt ze de koetsier, die op z'n bok de verwissehng niet merkt En ï noemt het nummer er achteraan, zit reeds op het achterr^ï'J^ ^ ^nspr^k te dulden Charlotte Se met haar valiesje doodverlegen op de stationstrap staat zonder nog te hebben durveninstappen. „Viens! VS» Char1™Cif?eVn £knkbaar *: deftige Oosterling die geïrriteerde beweging, waarmede z'n beringde vingers in zn vestzak naar 'n nieuwe fooi grabbelen, reeds z'n eerste spijt erover uitdrukt. Dan stapt ze haastg in ên komtaÏÏ ^"f te duwtjes kkpt Tc ovïr Pde keieï ^ ^ ^ *Cn ^ de ^ Voilal" zegt madame Blanche eenvoudig. O, het is alles zoo eenvoudig; gelukkig heeft de vrouw nog wel rechten op deze verdorven wereld; het gaat er om: ze met vast te leggen zooals domme schepsels dat willen, want vastleggen wil zeggen: beperken. Enfin, die stumperds weten misschien niet hoe ie met 'n man moet omspringen. Och, och, wat zal die brave, kleine Paparigopulos zeggen, dat ik 'r 'n nieuwe gast meebreng, en nog wel n Hollandschel" Madame Blanche raakt vroobjk-opgewonden. Wat ik ie nog vertellen wou, ma petite, laat je met te veel met signor' Affredo in! II ne vaut rien, tu sais, c: est un rad, un blagueur. - Et le Turc reste a mol, heinl Ze kijkt Charlotte ondeugend aan. , Deze kan niet nalaten te lachen. Neen, mevrouw Blanche hoeft werkelijk niet bang te zijn, dat Charlotte haar die Turk ^ ïklcs\ je maar vast, omdat hij jou natuurlijk wel het hof zal maken!" Ja, die mannen! De een is geen haar beter dan de andere. Maar madame Blanche kent ze, nou of zij ze kent! En haar charmante jonge Turk zal ze wel binnen de paaltjes houden, - laat dat maar aan haar over! Ah, Charlotte heeft nu wel gemerkt, dat er tusschen madame Blanche en haar Turk iets gaande is. „Que veux tu, ma ChInde straten heerscht de regen; niemand waagt er zich in; helden zijn de koetsiers van de met zeiltjes geheel geslóten rijtuigen; ze hebben wel 'n zakdoek op hun fez geëgd n2a7?n zakdoek beschermt op de duur toch met voldoende tegen zulk 'n stortbui. Ook chauffeurs van open auto's zijn te bewonderen; de tramconducteurs worden van boven tenminste beschut door het dak van de wagen In de portieken der Europeesche huizen schuden blanken Arabieren en negers uit de Soedan vandaag broederüjk dooreen; gezichten in alle kleurschakeeringen vaniicht- tot donkerbruin en vaalzwart, gegroepeerd aTs op n toto van het ethnografisch instituut, loeren nieuwsgierig door de grijze regensluier in het voorbij rollende wagentje me de hchte dameskousen onder het beschermende 'egen-zedtje. Sharia Boulaq. Het paard houdt stil, staat gelaten*.de neerstroomende regen. „Blijf nog maar even zitten, mn kleintje, Abdallah zal wel met 'n paraplu komen, - mijn parasol bederf ik liever niet. Waar blijft hij nou? Hij is zeker op 'n boodschap uitgeweest en kon door de regen niet terugkomen, die Nubische ezel!" De koetsier klapt 's met de zweep, maar hijzelf hoort het nauwelijks. Ongeduldig kijkt z'n natglimmende kop in de wagen. Juist op dit oogenblik gaat in de portiek, waaronder toevallig niemand schuilt, 'n deur open; twee vrouwen vertoonen zich, ieder met 'n paraplu gewapend, en wenken opgewonden naar madame Blanche, wier hart overstroomt bij het weerzien. Charlotte kijkt in spanning de steenen trap op. De eene vrouw is 'n klein propje, vermoedelijk madame Papari... en hoe verder? De ander, 'n tenger Arabisch meisje, houdt met de hand 'n waarschijnlijk haastig omgedane sluier voor het gelaat: 'n geloovig, natgeregend Muselman zou haar juist kunnen zién! Beiden komen haastig de trap af en overspannen met hun regenschermen de ruimte tusschen het rijtuig en de portiek. „Madonna, Madonna, ché pioggial" krijt madame Paparigopulos nerveus. Dan pas merkt ze, dat de jongedame naast madame Blanche niet slechts terwille van de regen zoover meegereden is, maar ook wel degelijk hier zijn moet. „Ze spreekt Fransch," licht madame Blanche in. „Viens, ma petite!" Ze zwelt van trots, dat ze Charlotte hier introduceeren mag, - eerst maar hier uit de portiek weg, waar je je eigen woorden niet verstaat. Bij de huisdeur grabbelt ze in haar taschje en reikt het Arabische meisje het geld voor de koetsier. Nu ze, honderd opgewonden uitleggingen gevend en half aanhoorend boven in de gang van het huis beland is, stijgen van beneden, versterkt door de steenen holte van de portiek, de protestkreten van de koetsier omhoog. „Ché cosa?!" vraagt madame Blanche verontwaardigd. „Wat heeft dat te beteekenen?!" En terwijl daar buiten in de stroomende regen 'n verongelijkt koetsier luidkeels het onrecht van deze vochtige wereld bejammert, zinkt madame Blanche op 'n stoel neer, haar reisschrijfmachinetje op schoot, en zet haar denkbeelden over de huidige generatie uiteen. Dat had de vlegel vroeger eens moeten probeeren: te protesteeren tegen wat men hem belieft te betalen! Niet genoeg, vrindje? Dan: flang! bier, en nog 'r 's flang! op je andere wang. Agent, geef die lummel even de bastonnade, waarom hij vraagt 1 - Dat waren andere tijden! Maar 't tegenwoordige geslacht heeft geen merg, en daarom wordt dat donkere gespuis zoo brutaal! - Nu is het haar genoeg 1 Ze vliegt van haar stoel overeind als door 'n adder gestoken en laat 'n stortvloed Arabische verwenschingen van de trap omlaagstroomen. „Chadidscha!" roept ze gebiedend. „Chadidscha! Kom boven!" Chadidscha, wier stem niet verstaanbaar is geweest, dribbelt de steenen trap op, slaat de deur dicht, komt geïnteresseerd bij de anderen staan, beziet nieuwsgierig Charlotte, die zich, bevangen, 'n weinig afzijdsch houdt. De sluier laat Chadidscha nu voor het gelaat wegglijden. Madame Blanche, hier in huis 'n soort souvereine, - te oordeelen naar de vrijheid waarmee ze zich beweegt -, reikt Chadidscha haar parasol en schrijfmachinetje en zinkt nu voor de tweede maal, de armen buiten de leuning, het hoofd naar achteren, op haar stoel neer. i Wat voor tijden! Vijf piasters krijgen om even van t station naar de Sharia Boulaq te rijden en nóg praatjes! Chadidscha vertelt iets in 't Arabisch. Opgewonden, struikelend over haar woorden, omdat het zelden gebeurt, dat madame Blanche en madame Paparigopulos tegelijk en in spanning luisteren naar wat Chadidscha te zeggen heeft. Ze herhaalt nauwkeurig alle scheldwoorden, die de koetsier haar naar het hoofd geslingerd heeft; tien piasters verlangde hij. Madame Blanche vliegt nog weer eens half overeind. Wat?! Alleen maar tien piasters? Le doublé, pas plus?! Bravo! Bravo, waarom niet! - Chadidscha lacht, lacht schril als 'n vogel, zou nog veel meer willen vertellen, ja, als ze nog maar meer wist! De vier vrouwen bevinden zich in 'n verbreede gang, 'n soort hall, waarin 'n half gedekte tafel en 'n paar stoelen staan, onder andere de leunstoel, waarin madame Blanche is neergezegen. In 'n ouderwetsche rieten bak krult zich 'n varen; aan de wand hangen 'n paar platen-in-hjsten met Grieksche en Italiaansche onderschriften, - schipbreuken en veldslagen voorstellend. Charlotte verstaat weinig van wat gezegd wordt, begrijpt wel zoo'n beetje waarover het gaat. Hoe ze hier ineens verzeild is, beseft ze op dit oogenblik SSoSrr5h"I,f^ ?#S de blinden znn gesloten. Gedempt dringt van buiten het ruischen van Af!?? °°-J- ^ ^ het er voch% Sn Het Arabische meisje staart, nu ze niets meer te vertellen weet Charlotte weer aan, in adoratie. ' Madame Blanche herinnert zich opeens weer haar be iSST "fn ? Tf' «V*^ ^«e^beït nier thuisl - Ja, natuurhjk, mademoiseUe moet gaan zitten!» Madame Paparigopulos is beschaamd, dat ze haar geen stoel aangeboden heeft. „Chadidscha!!» g als^rKV^' V*** 'n stoel bii' «aakt, ï«w . uC ^«et « vriendelijk, onhandig knikje be- nTets L! M^St°Cht?jke bewW! dat 'f °£ ^lemïl rl i MademoiseUe moet maar bevelen! PaDari ^Tagt 5 g°edgesteld Fransch, of madame haSonh^n^ ^ Zltten ^aat? ^erliefst is ze in zookïïn$°lpenh,eld- mademoiselle, ik ben tóch al lotte aarfL, ?6" m5d"me ^P^pulos, zonder Charze fs Uein r T gededte Van ^ mam te helP^- Ja» w^rktnWnog^oem::.16™ houding Madame Blanche vertelt nu van Charlotte; ze neemt rond en mollig van binnen hard en droog van 't werken & STFVf ^ ze CharlotteJndeïS getroffen heeft 'n verdwaald vogeltje, 'n onschulcug^c^apTe weggebracht door 'n ellendeung van 'n kereT dte trouwen wü.. aI maar ze heeft madame Blanche altlooS dat ze verstandiger zijn zal! oeioora, hejS^^r onderbfeekt madame Paparigopulos en wü LaTreeds™* la jonden 'gü is Chadidscha naar reeds vóór om in de keuken even te gaan zien of het Dus: mademoiseUe Clarènbiche, non, Oarenbecque fauel-dschel Welk »nl3^2 pension! Heelemaal mt Hoüand komen, niet ver van de Ja... en dan met zulk 'n verschrikkelijke regen te worden ontvangen! Nooit, nooit regent het in Cairo, en nu juist vandaag moet er zulk 'n zondvloed losbreken! Madame Paparigopulos vraagt wel excuus. Wat zal mademoiselle wel van Caïro denken? Dat het er altijd regent! O dat was nog niet erg! stelt madame Blanche gerust. Jfo Holland is niets dan water. Midden in 't land vangen ze de haring; ze leven daar zelf in 't water, en als dan de dijk doorbreekt .. F Bij gelegenheid zal madame Blanche nog eens vertellen van 'n petit Hollandais, die - brave gamin! met z'n duim z'n vaderland gered heeft. Maar nu... de Turk! Komt hij met het eten zoometeen? Is le peüt lurc braaf geweest? gjt ï _, . . O ja hij is braaf geweest, de kleine Turk. En zóó treurig, de heele tijd, dat madame Blanche in Alexandrië was! Tiens, tiens! ? ., - Hij heeft aan tafel geen woord gesproken. Spaghetti heeft hij gegeten en daarna niets meer, alleen maar gedronken, veel gedronken, heel veel gedronken, 'n heele flesch Chianti- wijn soms. vk& 'LI , Dat is prettig om te hooren. Madame Blanche wiegt zachtjes het hoofd achterover in de leunstoel brengt - n verleidelijk gebaar - haar arm met het polshorloge voor de oogen, houdt het ook even aan 't oor, of t wel loopt. Over 'n half uur is 't etenstijd. En als er gegeten wordt, komt de kleine Turk nooit te laat. Wat is er vandaag? Kip met peperoni? En 'n macaroni-koek uit de oven?! De kevehngsspijs van de kleine Turk! - Ja, dat heeft madame Paparigopulos hem 'n paar maal voorgezet om hem zijn verdriet te doen vergeten. Dat en de andere dag weer gnocchi, waar hij ook zoo dol op is. - Volgt 'n spontane oniarrmng tusschen de beide vrouwen; madame Blanche is erbij overemdgesprongen en stelt nu voor, Charlotte even de kamer te laten zien, die hier nog vrij is; de prijs heeft ze haar in de trein al genoemd. Gevieren loopen ze erheen; Chadidscha vooruit om de deur te openen. Het is 'n groote, zindelijke kamer met helder gepleisterde muren en twee hooge ramen, die op 'n hoek uitzien. . . Of de juffrouw tevreden is, vraagt madame Paparigopulos, die zich herinnert, dat ze 'n pension houdt. Ze spreekt Fransch met Charlotte, aannemend, dat die Itahaansch en Gnekschl niet verstaan zal als ze zoo dicht bij le póle nord woont. Van n vreemd, onrytbmisch Framch bement madame Paparigopulos zich, de taal in 't geheel niet aanvoelend hoewel ze met naar woorden hoeft te zoeken. Ze legt de nadruk sterk op alle toonlooze uitgangen, - daardoor ontstaat die Soet'ktsr^ ^de tad *haar mond *°*s°& .°PJd1e.,vraa& of ze tevreden is, heeft Charlotte met 'n vnendehjk-instemmend knikje geantwoord. Ze tracht zich nog vergeefs bi, de vreemde toon van deze conversatie aan te passen. „Ze durft niet te spreken, Luigial Geloof me, ze zou tevreden zijn met 'n. stal, met de eerste de beste mansarde! O, ze is zoo n bescheiden popje!" verzekert madame Blanche skand ^ afm °m Chaxlott<:'s schouder Charlotte kcht. Ze durft heusch wel te spreken daarin vergist madame Blanche zich! Ze had ookal eerdeTgS sproken, als het haar maar mogelijk was geweest 'n wo8rd tusschen madame Bknche's overstelpende rede-vloed te stoppen! Wat? vraagt madame Blanche kchend. Heeft zij zooveel gesproken? Waarover dan? O, Charlotte is ondeugend! - voor het eten fnisscbicn no« e^en ver" Ja, graag! «rSSffC ^ ^g n°g 'n °°Senblik alleen zijn en tot zichzelf komen voor ze aan tafel verschijnt. rt^tt nlT^mCS' n\Grieksch «et elkaar converseerend ^ J2 u qC T ^ onderwerP ^ dat zich soms in t Italiaansch, maar ook wel eens in 't Grieksch 't beste beSn A C kamer Veriaten hebben^ Chadidscha achter hen aan, de deur sluitend en Charlotte 'n laatste verliefde blik toezendend, zet zi, zich voor 'n oogenblik op de rand van het bed, strijkt even met de hand over het hoofd, sluit Jn°7tnr/erm0eJd' verdoofd als ze is door zoo'n woordenvloed, het daverend geweld van de regen daarstraks, de opeenstapeling van impressies. F Dan wordt er alweer geklopt: Chadidscha komt met 'n kan water binnen, 'n groote, witte, glimmende kan in haar magere, bruine meisjeshanden; ze vestigt dadelijk. weer haar oogen, haar zwarte, vochtig-glanzende oogen, die als van 'n dier zijn, op Charlotte, knikt haar glimlachend toe, struikelt daarbij over het valiesje, dat ze daar zelf op de grond heeft neergezet, en komt bijna te vallen. O, het is niet ergl De juffrouw moet vooral niet schrikken 1 Ja, zoo'n kan is zwaar, hè-hè, wat is die zwaar 1 Nu staat de kan op de waschtafel, en Chadidscha kan heengaan, maar maakt er geen haast mee, blijft staan uitrusten van de kan water die zoo zwaar was; ze kijkt Charlotte in de oogen, zich met moeite ervan terughoudend, op haar toe te vliegen en haar de handen te kussen. Ze is dolverliefd ophet vreemde, blanke meisje uit het verre land, dat zwijgt terwijl andere vrouwen spreken, zwijgt zooals 'n man zwijgt, zoo rustig en wijs en de kleine dingen van de aldag niet tellend. Spreekt ze eenmaal 'n woord, dan hoort ieder toe, dan hooren madame Blanche en madame Paparigopulos toe zonder de mond nog te durven verroeren, en Chadidscha zou door 'n vuur willen vliegen om haar woorden dadelijk op te volgen. Hoe groot en slank is ze en hoe recht zit ze daar op het bed. Nu gkrnlacht ze, en Chadidscha smelt het hart in het lijf. Nu duidt ze zwijgend, met 'n knikje, dat het goed is en dat Chadidscha gaan kan. Chadidscha gaat. Niet graag, o hoe heerlijk zou ze het vinden om hier te mogen Wijven toekijken, - maar ze gaat, sluit zacht en behoedzaam de deur achter zich. Twee schoone handdoeken hangen bij de waschtafel Er hgt 'n nieuw stuk zeep, 'n ongebruikt nagelborsteltje. Welk 'n zorg heeft madame Paparigopulos (nu weet Charlotte de naam!) voor haar gasten. - Vlug even 't japonnetje mt om hals en gezicht te verfrisschen. Heerlijk, dat koele water! Als Charlotte het hoofd weer uit de witte, wijde waschkom heft, staat madame Blanche in de kamer, sluit.juist de deur achter zich, bemerkt met eenige ontstemdheid Charlotte's verlegen gebaar. Maar, m'n hemel! Ze zal toch met verlegen zijn?! Madame Blanche is toch óók 'n vrouw! Nou, of madame Blanche 'n vrouw is. 7.ün ze daar in Holland allemaal zoo preutsch? Waar moet dat heen als de vrouwen ook nog voor mekaar kiekeboe gaan spelen! En Charlotte kan zich waarempel laten kijken n Schat van 'n onderjurk heeft ze overigens aan! Madame Blanche wilde alleen 't haar nog even opmaken voor ze aan tafel ging, en voor de gezelligheid komt ze hier. Charlotte heeft toch wel even 'n kam? Geef maar hier, m'n hartje Ja, madame Blanche wil mooi zijn voor le petit Turc! die haar aanbidt; Charlotte heeft het nu zelf gehoord hoe* bedroefd hij was in die week, dat madame Blanche voor zaken in Alexandrië en Port-Saïd is geweest. Niets heeft hit - behalve de spaghetti - gegeten. Maar daarvan zal hij dan ook wel n onbehoorlijke portie genomen hebben, want hij is er verzot op. Tegen stukjes varkensvleesch erdoor maakt hij evenmin bezwaar als tegen 'n glas goede wijn; hij is natuurhjk allang geen Mohammedaan meer! Charlotte heeft toch met gedacht, dat madame Blanche zich als goede Chrisï"1 ??~n Mohammedaan inlaat?! Met Allah en Mohammed heeft hij afgerekend, finaal, hij zal zich eerlang misschien zelfs tot het eemg ware geloof laten bekeeren, en voor de paus heeft hij reeds nu le plus grand respect; Charlotte zal t uit z n eigen mond vernemen wat hij... Weet Charlotte zelf wel wat n prachtige schouders ze heeft? Die Amerikaansche misses zijn ook slank en recht als zij, maar stijf als 'n balk, zonder souplesse, en ze hebben bottige, ingevallen schouders, - voor 'n man om radeloos te worden! - terwijl die van Charlotte rond en juist genoeg gevuld zijn. Ze zou als model voor 'n beeldhouwer kunnen gaan staan, of voor n schilder, maar die zou zoo'n fijne, blanke huid nooit op t doek kunnen brengen. Hier, Charlotte moet 't arme, bruine vel van madame Blanche er eens naast zien. Tiens, je draagt geen buste-houder? - Madame Blanche wacht het antwoord niet af. Ze heeft het haar losgegooid, dat nu, bruin-glanzend n geurige, dichte weelde, om hoofd en hals hangt en haar iets van n leeuwin geeft. Nu trekt ze met 'n verachtehjke ruk een schouder bloot, 'n hchtbruine, gulle, vleezige schouder. Alsjeblieft! Charlotte mag gerust kijken: madame Blanche permitteert. O, madame Blanche weet wel, dat ook zij er nog wezen mag. Le petit Turc bijvoorbeeld kan er heel slecht tegen, wanneer zij z n zorgvuldig gekamd hoofd tegen haar schouder legt! Ze heeft et nu zelf schik aan, kijkt er schuins op neer, kletst er zich smakelijk op. „N'est ce pas?" vraagt ze, haar verachting van daareven vergetend en als vanzelfsprekend zwijgende bewondering innend, - daarvoor hoeft ze Charlotte heelemaal niet aan te kijken. Gkrnlachend schikt ze voor de spiegel heur blouse weer terecht. „U hebt prachtig haar," zegt Charlotte, overwonnen door zooveel onvervalschte vrouwelijkheid. „Als 't maar blond was!" zucht madame Blanche met al te duidehjke onoprechtheid. .,1.1 „1 „;„«. „Hoe komt u daarbij 1 Dat zou u misschien heelemaal met zoo goed staan als dit 1" u+-~a Madame Blanche bekijkt heur wilde haarweelde zuchtend in de spiegel, schudt 's krachtig, temperamentvol het hoofd. O ze is zeker van zichzelf en haar verlokkingen. „Ik had 't allang afgeknipt, want je krijgt waarempel geen passende hoed meer!" beklaagt ze zich tegen Charlotte. „Maar le petit Turc houdt van m'n haar zooals het is, ïl adore mes cheveux en wü hebben, dat ik 't lang laat Ik hou 't afknippen.nu als schrikmiddel. Als hij stout is, dreig ik ermee, en hl) is zoo dom te denken, dat ik werkelijk naar de kapper zal loopen, en weet zich geen raad meer... - Le voüal roept ze plotseling uit, het haar snel in Nu pas hoort ook Charlotte 'n sleutel in de buitendeur knarsen. Aan tafel. Charlotte doorleeft aües als 'n vreemde, nog vaag-beangstigende droom. Nu, om half twee, midden op de dag brandt boven de eettafel in de gang de lamp. Daar onder, er goudig door belicht, staat geurig gebak: n macarom-taart, kevelingfgerecht van le petit Turc Hij en madame Blanche zitten hand in hand en kwebbelen aüebei tegelijk tegen elkaar in, kijken elkaar verüefd in de oogen, - kirrende duiven. Ze spreken Fransch samen, maar Charlotte vangt er slechts 'n ecno van op; het ruischen van de regen^ die nu langzamerhand werkelijk aan 'n zondvloed doet denken, versmelt aüe woorden tot 'n ijdele galm. Charlotte heeft le petit Turc ook onder het voorsteUen niet goed aangezien; zekreeg de sterke indruk, dat aües bij hem van eoud is: z n vulpen, z'n potlood, z'n horloge-ketting, z'n dasspeld, za ringen, zn tanden - 'n verheerlijkte glans ligt over ziin n TTt e5 bul C ke ^ging glinstert er iets. > Chadidscha dobbelt op bloote voeten geruischloos rond In ^ ruhC?kt Wlm m- Madame Paparigopulos staat opeens bii Charlotte, die rechtop in haai stoel zit, en vraagt haar, of ze van peperoni met kip houdt? Ze zal wel gewend z»n aan de Fransche keuken? Madame Paparigopulos heeft n le«<* ^ken: la cucina Itakana!Za mademoiselle het wel lusten?? za/vinden6 hulpeloos gediend, dat ze't vast lekker Madame Blanche laat haar petit Turc 'n oogenblik zitten om Charlotte gerust te stellen wat de kookkunsf van madame Paparigopulos betreft. Verbaasd zal ze staan, zoo lekk«fc LuigSr"01""^" HOeVed Cleren er do°tgeslagen, «2°^ madame Paparigopulos niet zonder trots en in bhjde afwachting van de uitbarsting van enthousiasme die ze nu hij madame Blanche tegemoet kan zien. HeetVrST ? fcfnden,ineen- Acht ««en! Excusez du peu! Heeft Charlotte dan wel eens macaronitaart met acht eieren &ëetCiï£aém * kippe-levertjes, die er nog door zimïï Z7$££r0t ***** nU? thadidscha! D-e èlïïg- J^f^A6 BifnK?C mf Chadidscha Italiaansch spreekt, fs nm l ?n hcbbeJn' dat AxMadx 'a te verfoeilijke tad is om aan tafel te worden gesproken. Chadidscha heeft op gesprofen w f TCrScbjllend^ ^ er in dit pensioS gesproken worden, wel zoowat leeren verstaan, brabbelt zelf n paar woorden Italiaansch, Goeksch, Fransch. Ze gaat nu vragen, of sigaar* Alfredo aog aiet komt, klopt aan zZ „Signore! M'sieur! Mangiare prontol" „Si vengo." Sigaor' Alfredo zal komea. Hij belooft het SkfcSï* g ^ SCWjDt juiSt Wakkcr tC ^ cn aaa Le petit Turc is 'a misschien dertig-jarige jongeman scS in°Mn ^ VtTë buikje' ™» iS beeldig schijnt m elk opzicht zorg aan zich en ook aan z'n UeedH te wijden; daarnet heeft hij bijvoorbeeld uiterst behoedzaam ziin roode fez, die droog is overgekomen (hij arriveerde per taxi), op 't kapstoktafeltje geplaatst, vóór hij, 'n blijmoedig minnaar, zijnuitverkorene ging begroeten. Z'n zwierig uitgeholde, door 'n dasspeld nog juist voor hchtzinmgheid behoede, paarszijden, gebloemde das verraadt - tezamen met z'n zakdoek en z'n glanzende sokken boven de roode schoenen - z'n oostersche voorliefde voor kleuren, zooals z'n iets te veel verzorgde, mollige handen z'n even oostersche neiging tot mediteeren en Niet-doen aan het hcht brengen. Zijn gelaat, even gebruind, is gaaf als 'n masker en heeft ook het onveranderlijke van 'n masker; het is n heei presentabel gelaat; de oude beschaving van 'n volk hgt er op uitgedrukt en zal er ook onder alle omstandigheden op bewaard blijven, want de ziel, die er zich onder verbergt, de thans zoo verhefde ziel van le petit Turc past in smart en vreugde precies onder dit gereserveerd-welwillende, blijmoedige masker en hoeft zich dus geen eigen expressie te vormen. Le petit Turc wringt z'n mollige, verliefde vingers door die van madame Blanche; zijn bruinfluweelen oogen vragen en haar glimlach belooft; Charlotte zou blind moeten b om het niet te aden. Le petit Turc zucht van zoete voorgevoelens, schikt opgewonden z'n das. Charlotte beschouwt hii voorloopig als lucht; zijn hart klopt slechts voor madame Blanche. Zij snijdt nu triomfantehjk de macaroni-taart aan, schuift Charlotte ondanks al haar protesten 'n groot stuk op haar bord, bedient als tweede zichzelf op even royale wijze, bedeelt daarop le petit Turc met 'n heel wat bescheidener stuk. . , . , j Hij kan dit niet voor iets anders dan 'n grapje houden, protesteert levendig, wü als nieuwe grap zijn bord omwisselen met dat van madame Blanche. Maar zij houdt het stevig vast en dreigt: hem met haar mes op de vingers te zullen tikken. „Tij bent veel te dik geworden terwijl ik weg was, mon cher! Dat gaat niet: elke dag zooveel macaroni in je ^Signor^AÏredo verschijnt zwijgend ten tooneele, kijkt verstoord en slaperig in het lamplicht. Hij is. op sloffen en in pyama-jasje. „Scusi... excusezl" stottert fan, als hij Charlotte ziet zitten, wier aanwezigheid hem nog geheel onbekend is en hij verdwijnt weer in z'n kamer, ondanks het aan- moedigend geroep van madame Blanche, die hem verzekert dat hij gerust mag komen zooals hij is, want dat er toch' niemand verliefd op hem zal worden. Enkele minuten later keert hij klaarwakker terug, nu met lakschoenen aan het haar voorbeeldig gekamd en in getailleerde colbert. Zonder zich 'n oogenblik te bedenken begint hij Charlotte het hof te maken. Vol werkelijke deelname, getroffen luistert hij, tezamen met de zinloos-glimlachende, geheel afwezige Turki naar het verhaal van madame Blanche over de toevallige ontmoeting in de trein; hij kijkt er Charlotte in weemoedige vreugde bij aan: het is dus zuiver toeval, dat mademoiseUe hier in dit pension is terechtgekomen, en hoe eindeloos is nu zijn geluk. Ah... het Wispelturige, steeds verrassende leven! „Chadidscha!" Volgt 'n bevel in het Arabisch^ dat madame Blanche levendig toejuicht. Chadidscha verdwijnt in de kamer van signor' Alfredo, keert terug met n mandfleschje Chianti-wijn. Bravo! Brayo! prijst madame Blanche. Chadidscha moet de gewone tafelwijn nu maar gauw wegdragen en nieuwe glazen brengen voor de zoete, goudige wijn uit Umbrië! En als ze dit gedaan heeft, schenkt signor' Alfredo plechtig uit de flesch Est-est-est-wijn, die hij voor 'n bizondere gelegenheid m z n kamer bewaard heeft; met 'n smeltend-weemoedige glimlach om zijn fijne, vermoeide Uppen schenkt hij in, zeker van de dank, die hij er mee oogst, - en hij is dan ook n beeld van wanhoop wanneer Charlotte weigert. Nee... dat kan toch geen ernst zijn?! AUes, aUes kan men weigeren, maar geen geïmporteerde, met hooge invoerrechten belaste Est-est-est-Chianti! Madame Blanche is hierin onverbiddelijk dezelfde meening toegedaan; ze neemt zonder er n woord aan te verspülen Charlotte's glas en laat het door de nog maar half getrooste signor' Alfredo vullen. Dit glas prïteS Ieegdnnkcn>en ^n maS M over Chianti mee- Charlotte, overwonnen, zet het glas aan de Uppen, proeft er voorzichtig van. De wijn is zacht, bijna al te zoet voor tafelwijn, en kat m 't geheel geen wrange smaak na; Charlotte proeft er werkelijk zonnig-Italië uit zooals ze zich dat voorstelt, en ze knikt, dat de wijn heerhjk is Zie je nu wel? Signor' Alfredo schudt nog het hoofd terwijl bij de flesch neerzet: welk 'n rniskenningl Hij drinkt nu zelf, voorzichtig genietend, uit zijn glas; madame Blanche drinkt uit dat van le petit Turc en hij uit het hare, - zoo gaat dat onder gelieven. Na de macaroni, die schoon op gaat, volgt de kip; madame Paparigopulos draagt ze op en is eindeloos gelukkig, dat het eerste gerecht naar de smaak van haar nieuwe gast is uitgevallen. Bij de kip hooren enkele aardappelen van 'n groot, glazig soort en 'n groente, die veel van Spaansche peper heeft, dan ook peperoni (groote pepers) heet en eenigszins scherp smaakt. Daarvan mag le petit Turc eten zooveel hij verkiest, want van peperoni wordt 'n mensch niet dik en vadzig, integendeel: vurig, moedig, ondernemend 1 Hij moet nu op bevel van madame Blanche vertellen, dat hij de paus respecteert. O zeker, zeer, zeer, zeer. 'n Important personnagel „En Mohammed?" informeert madame Blanche streng. Mohammed? Uitgepraat 1 Le petit Turc legt uit: waarom. Z'n woordenbeheersching daarbij, z'n klare uiteenzetting is niet eigen verdienste, maar slechts erfdeel van de Oosterling; niet voor niets gold reeds onder verre voorvaderen de welbespraaktheid en derzelver beoefening als een der eerste deugden. Zóó is z'n betoog: de Turken hebben in de Kruisochten hun schuld aan Mohammed bloedig genoeg betaald en zich het Paradijs - indien het bestaat 1 - ook wel voor hun nazaten verworven, die zich thans kunnen veroorloven wat vrijer over dit en dat te denken en eens te onderzoeken, of Mohammed zooveel offers is waard geweest. Het resultaat van dit onderzoek valt als volgt uit: voor Zijn tijd is Mohammed 'n goed Leeraar geweest; er was toen immers nog geen sport; men kende geen hygiëne, en met de belofte op 'n gelukkig hiernamaals - hoe wijsl - heeft hij 'n groot volk er eeuwen lang toe gebracht zich dagelijks te reinigen, dadelijk na het opstaan reeds buigingen en knievallen te maken, die het lichaam gezond houden, ongerekend Zijn verbod om het toen natuurlijk ook reeds microbenhoudende varkensvleesch te eten, wijn te drinken (Chianti heeft hij nooit gekend), dieren te eten, welker bloed de aarde niet gedrenkt heeft. Maar tegenwoordig was je vanzelf zoo verstandig geen aan ziekte of ouderdom gecrepeerd vee te consu- meeren; je wist, dat je je wasschen moest, wilde je als 'n toonbaar mensch in je omgeving verschijnen; hij, le petit Turc, muüert elke morgen, interesseert zich voor turnen en gymnastiek, bezoekt voetbalwedstrijden en doet 'n weinie aan boksen... 6 „Montre un peu... laat kijkenl" verzoekt madame Blanheeft tevredenheid naar zijn voordracht geluisterd Onzin. Hoe kan hij dat nu laten kijkenl Als signor' Alfredo nu óók bokste... ? ö „Merci, mon cher," bedankt signor' Alfredo, die Charlotte met eindelooze zorgen omringt, haar de geringste wensch van de oogen leest en er oogenblikkehjk aan voldoet Zoodra ze haar laatste hapje binnen heeft, beveelt hij Chadidscha gestreng, het bord van mademoiseUe weg te nemen, - Charlotte wordt er nerveus onder. „Eh bien montre ca...!" zegt madame Blanche en strekt kordaat de korte, bevallige armen voor zich uit. Goed, dat wü le petit Turc wel doen. Chadidscha, opgewonden, snelt naar de keuken om madame Paparigopulos te waarschuwen, dat er wat te zien is. Samen verschijnen ze om de keukendeur, en achter de beide vrouwen rijst 'h lange, wat onbestemde, slordige, verslapen gestalte zonder boord om: meneer Paparigopulos. AUes omdat le petit Turc ca" zal vertoonen. T De held van het oogenblik staat nu welwülend glimlachend op, veegt zich met zijn servet de handen af, gaat met uitgemeten passen naar 'n eiken kist toe, die in de gang staat en waarschijahjk wat oude kleeren en kranten bergt Deze kist tüt hij aanvankelijk zonder merkbare inspanning op tilt ze dan voor zich uit, de beenen gespreid, rood in 't gelaat, met stijf opgezwoUen, trülende nek. Met 'n zucht moet bii na enkele oogenbhkken de zware kist haastig weer neerzetten. ° Bravo! Bravo! Bravo! Wat 'n kracht! Hij moet in 'n circus optreden! Dit laatste is als 'n comphment bedoeld, en zoo aanvaardt le petit Turc het dan ook uit de mond van zijn opgetogen gehefde. ' r Meneer Paparigopulos kent zelf ook 'n toer en onthoudt rich dus van lof. Goed, dan mag ook hij z'n kunsten komen srertoonen, zegt madame Blanche. Maar zijn vrouw verbiedt hem driftig, zich ongeschoren en zonder boord bij tafel te vertoonen, waar vandaag nog wel 'n juffrouw aanzit 1 En morrend, beleedigd trekt hij zich met z'n toer terug, die tiu voor het pubhek verkeken is. Verbitterd ziet z'n vrouw hem na. Maar signor' Alfredo dan? Wat zal signor' Alfredo ten beste geven? Vooruit, hij moet zingen bij z'n guitaart Chadidscha... haal de guitaar van signor' Alfredo! Maar voorzichtig, hoor, niet stooten! Signor' Alfredo protesteert niet; zwijgend neemt hij Chadidscha de guitaar af en stemt de snaren vlak bij z'n oor. Als elke Italiaan, kan ook hij zingen, weet hij zijn stem te laten schreien en klagen, mysterieus-zacht als 'n echo te laten verklinken en te laten aanzwellen tot 'n zelfingenomen forto, schrijnend afbrekend als in de opera. Eerst tokkelt hij slechts; het ruischen van de regen op de luiken verbindt de klanken door er 'n monotoon orchest onder te vormen, dat bij het lied past, het lied, dat signor' Alfredo nu aanheft, het hoofd met net 't lange, zwarte, sluike haar naar achteren werpend. Hij heeft bemind, vurig bemind; gelukkig waren zijn dagen, maar nu stort hij méér tranen dan de lente rozen heeft en de zee parelen bergt, want zij, die hem trouw zwoer, heeft hem verlaten. In waarheid is het juist andersom, verneemt Charlotte later op de middag van madame Blanche, wanneer ze samen naar de Mouski-bazars gaan. Hij heeft bij 'n Itahaansche 'n zoontje, dat nu bij signor' Alfredo's ouders in Alexandrië verzorgd wordt. Om de moeder kwijt te raken, die hem later in de weg stond, heeft hij met haar kort na de geboorte van het kind 'n huwehjksreis naar Italië gemaakt en haar daar - natuurlijk niet wettig getrouwd en zonder 'n lire - in 'n hotelletje achter gelaten. Ze is van arme familie en zal zich het geld voor haar overtocht naar Egypte met de handen moeten verdienen, maar mocht haar dat lukken, dan... pauvre Alfredo! verzekert madame Blanche. Hijzelf ziet op dit oogenbhk de toekomst nog niet zoo zwart in en zingt met eerlijke aandoening, dat hij de bedrogene is. En daarna beklaagt hij zingend bij z'n guitaar «ni!T?i^oe?1? i°t: ^ is ditmaal weesmeisje, bok! Sok oh dolore! Che trista sorte... welk bitter lot! Met Napohtaansch accent zingt hij daarna, dat (Stanotte è bello lo mare!) de zee gkd ak 'n spiegel is en dat er duizend sterren hchten aan de nulde zomeravondhemel, en of er dan memand met hem, nederig visscher, maar trotsche koning der nachtelijke baai, wü gaan spelevaren? Het antwoord zingen nu de anderen, terwijl signor' Alfredo slechts tokkelt: madame Blanche laat zich door Chadidscha nog eens wijn inschenken - zij wü met haar kleine Turk gaan spelevaren. bui, madame Blanche wü iets vertehen. De legende van de Est-est-est-wijn! Charlotte kent ze niet, en ook le petit lurc kent het verhaal van de vroolijke drinkebroer nietf die knecht bij n kardinaal was. Ahemaal stil dan, madame Uianche heeft t woord. Ja, daar was dan eens 'n kardinaal, en die dankte le bon Dieu in elk gebed, dat Hij hem in Rome had doen geboren worden, waar rondom, tegen de vruchtbare hellingen, de zoete landwijn, de vino dei Castelh, de Frascati, de Grotta terrata, de Genzano gewonnen wordt. Van Christus' wonderen beviel de kardinaal dat van Kana het best, en men vond hem steeds bereid te getuigen, dat Noach de grootste geest was, die ooit geleefd had, immers Noach wist zich - eni met hem al wat leeft - te behoeden voor ondergang in dat afschuwelijke water, terwijl hij bovendien de eerste was, die °P TirSeradstK kwam» mt druiven wijn te bereiden. „Altredo. hoe heette z'n bediende? De bediende van die kardinaal bedoel ik!" Goed, kten we zeggen: Pepino Buonvmo! Pepino Buonvino dan kende de toni van Zijne Eminentie beter dan z'n eigen; hij bezat de eigenschap wijn ^in°wnr2underuZe *? drinken: mi hoeftk het glas slechts tegen het hcht te houden om te zeggen, of zijn meester er genoegen aan beleven zou en uit welke streek de wijn afkomstig was Geen wonder, dat de kardinaal dit puik der dienarenals n kostbare parel behoedde en hem in z'n eigen donzen bed het dragen, wanneer Pepino van al het wijnkeuren dronken op de marmeren vloer van het kardinaalspaleis lag uitgestrekt! Zijne Eminentie ging op reis; hij zette zijn roode hoed met kwasten op en toog uit om te zien hoe 't met de zielen der Christenheid buiten Rome stond, en of de wijnoogst dat jaar goed was uitgevallen, en daarbij zond hij zijn trouwe dienaar vooruit om hem van herberg tot herberg de weg te wijzen. Pepino Buonvino heesch zich dus op z'n roode vos, die vanzelf al stilhield wanneer hij 'n herbergschild ontdekte, en..." Alfredo, waar gingen ze 't eerste heen?" „Naar Braccia.. .anol" zingt signor' Alfredo met lange uithaal bij z'n guitaar. Goed, Pepino reed achter adem Bracciano binnen, hield stil toen hij 'n herberg zag, nam 'n flesch wijn op, die half leeg gedronken op 'n tafeltje stond, hield ze tegen de zon, en schreef met 'n stuk krijt op de herberg-deur: „Est! Pepino." Dat wou zeggen: hier is de wijn zooals hij wezen moetl En toen reed hij verder naar... ? „Naar Viterbo bij de monte Ciminol" Viterbo, de stad van de ruischende fonteinen 1 Pepino pakte er 'n flesch wijn op, hield ze tegen 't licht; 't was of er goud in dreef, en hij schreef met krijt op de herbergdeur: Est! Est!! En hij bleef er even uitrusten, en toen hij de poort uitreed, zat hij achterstevoren op z'n paard en raasde en vloekte omdat hij de teugels en de heele kop niet vinden kon. Zoo kwam hij in Orvietol Hij hield er de wijn tegen het hcht; 't was of er diamanten in waren opgelost; hij bestelde er dadelijk 'n fiascone van voor zich alleen, en terwijl hij van belang stond te slingeren op z'n beenen, schreef hij met schotsche en scheeve letters op de herbergdeur: Est! Est!! E s t!! 1 - „En daarnaar is de wijn uit die streek genoemd. Schenk in, Alfredo, schenk in! Nee, zing en speel: ik zal wel inschenken. - Maar m'n hartje, je halve glas is nog vol! Je drinkt als 'n vogeltje! Ik schenk weer bij, hoor! Zing, zing, Alfredo!" Chadidscha ruimt af; de regen is opgehouden, en nu klinkt door het tokkelen van de guitaar heen het rammelen van de messen en vorken, die Chadidscha bijeengrist. Ze zitten nog eenige tijd bijeen, de flesch Orvieto-wijn midden op tafel, de glazen heel of half gevuld. „Quanno la notte è scura, viene nenella mia... 1" Charlotte luistert, beleefd gkmlachend, met lichte hoofdpijn. Madame Blanche, die als goed-katholieke zich 'n grapje over 'n kerkelijke dienaar veroorloven kon, tuurt nu, 'n sigaret rookend, zachtjes mee-neuriënd, naar de blinden, waardoor opeens het felle zorüicht weer goudig binnenstraalt. „Andiamo...! Kom!" zegt ze, het glas leegdrinkend en opstaand. Onwülekeurig rijst ook le petit Turc op, verwachtend, dat zijn herders-uurtje geslagen heeft. Maar madame Blanche drukt hem zachtjes weer neer. „Ik ga met mademoiseUe naar de Mouski-bazars!" kondigt ze aan en strijkt haar rninnaar, die verbouwereerd op z'n stoel zit, als troost z'n keurig verzorgde haardos in de war. XIV 'n Korte siësta zou Charlotte niet onwelkom zijn geweest, maar van de andere kant is ze nu ook blij, dat ze buiten komt, weg uit het lamplicht van de schemerachtige gang. Alles tezamen heeft haar 'n weinig verward gemaakt: het ongewone glas wijn, de droefgeestige balladen van signor' Alfredo, de zoete minnarij tusschen le petit Turc en madame Blanche daar vlak vóór haar... Niettemin verheugt ze zich erover, dat ze in het pension van madame Paparigopulos is terechtgekomen; bij madame Blanche, die ze nu gelukkig weer voor zich alleen heeft, voelt ze zich geborgen. Hoe hef van haar om met Charlotte mee te gaan! O, Charlotte heeft heel goed gevoeld wat er in de lucht hing; ze heeft het onthutste gelaat van le petit Turc gezien, toen madame Blanche hem vertelde, dat ze met Charlotte naar de Mouskibazars zou gaan. En zou madame Blanche er zelf niet naar verlangen om met le petit Turc... alleen te zijn? vraagt ze zich verward af en weet zelf het antwoord op deze vraag wel. Het is dwaas, zich 'n oordeel over 'n ander aan te matigen; wat weet zij van 'n zuidelijke natuur als madame Blanche? Charlotte wil er üever niet aan denken hoe tante, de vriendinnen en kort geleden zij zelf nog over 'n levenswijze als die van madame Blanche geoordeeld zouden hebben, - ze schaamt er zich voor, nu ze haar als 'n vrouw met 'n goed en warm hart heeft leeren kennen, die haar eigen wenschen en verlangens zoo kortweg en zonder eenige uitdrukking van spijt voor Charlotte opzij weet te zetten. Dankbaar gaat Charlotte nu aan haar zijde. Het asfalt van de Sharia Boulaq droogt al op in de felle zon; de lucht is, voor zoover ze tusschen de huizenrijen te zien komt, al weer prachtig blauw, frisch, helder gewasschen. Door de goten jaagt het bruine water nog, vermengd met stof en vuil, en stort zich ruischend in onzichtbare riolen. Het gewone middagverkeer heerscht alweer in de lange, rechte Sharia Boulaq, die, in de richting waarin de beide nieuwe vriendinnen zich bewegen, op 'n wijd plein uitkomt, waarachter 'n park opdoemt met hooge palmen en andere, breedgekroonde exotische boomen. Het stadsbeeld van Caïro, v£PA f S r^nÜe' Schjint Charlotte nog bonter dan dat 7™/^^' Ca,met °P Cessies belulte oogen Sktt= rond. Dit kijken haar heele voorkomen trouwen?ve?raadt de dragomans, die werkeloos op het plein rondsllnterïn SdlS^rem ^ss'*e° doofde stad geleld wil worden. Maar madame Blanche houdt de kleurig uitgedoste cicerones door krachtige Arabi cS OS ïhrfStand' ? tei^tcld deirJSfte Ook schoenpoetsertjes komen aangedraafd 'n bfk vol smeersels en borstels aan 'n riem over df schouder en terwh m ongevraagd bukken om 'n schoen te pakkentkS reSt'van^Z ^ °f er b^CVal 1^ «aoS. wïïffi teZVÏLT'iï d£ kIe^«raatscAuim!rs^c\Pvemg passagiers. Lredupeerd is dan m zoo'n gevel de eerste w,»rlr stilte; machtige boomkronen verzwelgen het straatgerucht. Madame Blanche wijst op de muziekkapel, waar twee maal in de week concert is, - ook morgenavond. Daar zullen ze met hun beiden heengaan l Charlotte knikt, ziet in vage verwondering de eerste ficus, wiens machtig onderstel van stam-geworden luchtwortels ze slechts nog van foto's kende. Het park is niet groot; ze verlaten het nu reeds weer aan de andere kant en zijn even later in 'n zuiver oostersche omgeving verplaatst. Langs de overdekte markt, waar madame Blanche op de terugweg nog geite-kaasjes koopen wil, welke daar altijd versch te krijgen zijn, gaan ze n straat in, die, lang en recht, naar de bazars zal leiden. Er heerscht zoo'n 'geraas en drukte, dat men haast niet samen spreken kan; wagens kunnen elkaar slechts met groote voorzichtigheid, veel geschreeuw en tschkl tschkl tschkl passeeren; limonade-venters rammelen met hun glazen; dragers waarschuwen met 'n doordringende kreet, dat ze vrij baan wenschen voor hun last, welke bijna steeds op het hoofd vervoerd wordt. Charlotte schrikt van het groote aantal blinden; telkens ziet ze er weer een, die, zonder geleid te worden, het hoofd opgeheven gekjk blinden doen, al zijn zintuigen openstellend z'n weg zoekt, slechts met 'n stok vóór zich tastend. „, , . . Madame Blanche, die 'n schrede voor Charlotte uitloopt, omdat het in het voortdurende uitwijken voor rijtuigen haast niet anders gaat, geeft Charlotte, het hoofd omgewend, luidruchtige raadgevingen. Ze moet nooit 'n dragoman nemen, ook niet als ze morgen misschien alleen naar de bazars gaat, want hoe meer gezegelde „permissions" en getuigenissen ze je onder de neus houden, hoe minder ze voor 'n vrouw-alleen te vertrouwen zijn. De goede-raadgeefster loopt daarbij tegen 'n blinde aan, die nog bijtijds door n ander voor omvallen behoed wordt; driftig strijkt ze haar japon af aan de kant, waar zij de blinde beroerd heeft. Dat loopt ook maar allemaal door de straten! Bedelaars moet Charlotte nooit iets geven, want dan is er geen ontkomen meer aan. Als zoo'n brutale kerel haar geld vraagt, moet ze maar kortaf „maffiesh!" ik geef niet! zeggen, 't Is makkelijk te onthouden: ze denkt maar: „m'cn fiche!" En wekt n on- gelukkige héél erg haar medelijden op (ze houdt er nu eenmaal zoo'n teer hartje op na, dat heeft madame Blanche al gemerkt), dan zegt ze maar... - Volgt 'n Arabische volzin, waarvan Charlotte alleen de vertaling onthoudt: „Que le bon Dieu te sauve... 1" Charlotte kan niet nalaten hoofdschuddend te glimlachen, en ook madame Blanche heeft schik, neemt haar spontaan onder de arm. „Als je lacht, ben je om te stelen, m'n hartje! M'n hemel, wat 'n schat van 'n vrouwtje zal 'n man aan jou krijgen!" In verband hiermee hcht ze thans meedoogenloos de sluier van signor' Alfredo's verleden. „Pas op met die kerel, hoor je!" Ze slaan bij 'n moskee twee maal rechts af en belanden in 'n smal straatje, meer 'n gang, waarin 'n aangename koelte hun tegenstroomt nu ze uit de brandende middagzon komen. Doeken en matten, die de blauwe hemel afschutten, temperen het licht in het nauwe straatje nog meer; slechts waar 'n nog nauwer zijgangetje het kruist, staat 'n trülendgouden lichtbundel. Ze buieen nog eens af, ditmaal naar links, en hooren nu in 't geheel geen gerucht van de straat meer; de lucht, met zonderhnge, sterke aroma's bezwangerd, schijnt hier stil te staan. Aan beide zijden van het gangetje zitten in open kamertjes, welke voor winkels dienst doen, Arabische koopheden. Dit is weer duizend-en-een-nacht, 'n Ver en vaag sprookje, m de werkelijkheid getrokken. Charlotte's oogen moeten nog even aan het schemerlicht wennen, waaruit het sprookje opdaagt; als eerste ziet ze dan in z'n winkeltje 'n dikke, van t stilzitten yadzige koopman-in-parfums. En rondom - o, mirakel - niets dan parfumverkoopers, hokje naast hokje. Het riekt hier zoo sterk als in 'n hyacinthenveld, - maar dan met vermengd met de frissche, zoute wind van Hillegoms duinen. Madame Blanche kent de koopman, gaat ongegêneerd zitten op de verhoogde vloer van het winkeltje. Stoelen zijn er niet, en ook de koopman, die Charlotte thans met 'n waardig armgebaar verzoekt plaats te nemen, zit op de vloer. Of Charlotte koffie wil? vraagt madame Blanche. Charlotte, die naar het voorbeeld van haar begeleidster, maar ietwat onvrijer, op de lage zitplaats is neergezegen, schrikt op en verklaart alles te willen doen wat madame Blanche doet. 'n Klein Arabisch ventje snelt daarop heen; het afzetten van zijn bloote voeten op de grond blijft schreden lang hoorbaar... zoo stil is het. Charlotte kijkt om zich heen. De Mouski-bazars hebben hun wetten: geen der andere kooplui steekt ook maar 'n vinger uit om hun concurrent z'n klanten af te halen. Zelfs geen wenk, geen lokkend gebaar. Ze zitten zwijgend temidden van hun reukwaar, staren ongeïnteresseerd naar de beide Europeesche vrouwen, of mijmeren voor zich heen, haast onhoorbaar neuriënd, de handen om de gekruiste beenen; of ze lezen 'n krant in Oostersche schriftteekens, lezen langzaam, plechtig, van eerbied voor het geschrevene vervuld, in het halfduister elke letter spellend. Of ze rooken in gedachten hun waterpijp met de lange fluweel-omkleede slang, zooals in Charlotte's kinderboek van vroeger: „Kleine Muck en Kalif Ooievaar", blazen pff-pff de dunne rook uit, staren het langzaam wegzwevende wolkje na tot het zich in steeds varieerende werveling verdunt en geheel vervliegt. Even verderop zitten de doekverkoopers; 'n gesluierd vrouwtje betast voorzichtig en met kennis van zaken de stoffen, die de koopman haar voorlegt. Alles gaat zwijgend toe; de handel bepaalt zich tot enkele gedempte woorden, die op prijs en qualiteit, misschien ook op herkomst betrekldng hebben. Nog iets verder staan bijna geheel naakte, vaalbruine mannen en stampen met lange staven in groote mortieren, - 'n doffe galm van hout in hout: dum-dumdummedum-dummedum. Zwijgend schrijden Oosterlingen in lange kaftans voorbij, brengen voor 'n bevriend koopman als groet even de hand tegen de borst, wisselen 'n vage handdruk, staan 'n oogenblik stil om enkele woorden te spreken en werpen daarbij - donker glimmende oogen 1 'n blik naar Charlotte. Madame Blanche is aan 't praten. Zacht, bedachtzaam antwoordt de koopman, maar zij schijnt de sfeer van stilte, die hier heerscht, in 't geheel niet aan te voelen, denkt er althans niet over om er zich bij aan te passen; haar luide, zakelijke stem klinkt geheel afzonderlijk, en het is, of er tot heel aan het einde van het straatje naar geluisterd wordt, niet alleen door de menschen, maar ook door de dingen. Het doffe, regelmatige dreunen der houten staven in de houten mortieren schijnt diep, diep uit de aarde op te stijgen. Mahmoed Soliman heet de koopman bij wie Charlotte te gast is; hij reikt haar zijn omvangrijke adreskaart, waarop in sierlijke krullen z'n naam prijkt, omweven door rozen en andere bloemen. „Mahmoed Soliman. Oriental perfumes." Nu keert de kleine jongen terug met 'n koperen blaadje, waarop drie nunktuurkopjes en 'n steelkannetje met koffie staan. Het is 'n aardig, knap-uitziend ventje, dat met gemakvan-zich-bewegen inschenkt en presenteert. Charlotte drinkt. Ook madame Blanche. Ook de koopman. Het is 'n plechtig oogenblik, en madame Blanche wordt gedwongen even te zwijgen. Want men kan niet tegelijk drinken en spreken. Nu staan de kopjes, de miniatuurkopjes weer op het koperen blaadje. De koopman tast met trage, zoekende hand naar fleschjes, die op lage planken (géén boven grijphoogte) rondom in het winkeltje staan. Madame Blanche neemt er 'n paar van aan. „Hier, ruik, m'n hartjeI" Charlotte vindt alle parfums even bedwelmend zoet. De koopman noemt zachtjes de naam van elk fleschje, dat Charlotte ter hand neemt. „Barbe du pascha. - Jasmin. - Foukh." Foulah is 'n sterkriekend Egyptisch bloempje, legt madame Blanche uit. Zeker, er zal wel verschil in zijn, maar de lucht is hier reeds zoo sterk geparfumeerd, dat de reuk-organen het spoor bijster raken. En door lang naast elkaar te staan, hebben de fleschjes misschien ook iets van eikaars geur overgenomen De kleuren zijn verschillend, gaan het geheele spectrum door, met als polen melkwit en inktzwart. - Gezien? Dan maar verder! stelt madame Bknche voor. Maar dat gaat toch niet nadat ze de koopman zoolang hebben opgehouden en koffie van hem hebben aangenomen! Charlotte wil hem tenminste één fleschje afkoopen! Goed, dat zal madame Bknche voor haar doen. En dingt af van tien op twee shilling. „Wat nóg te veel is!" verzekert ze. „Non, non, pas trop cher..." protesteert in alle hoffelijk- heid de koopman, die het kleine staaffleschje nu in n rozenhouten kokertje schuift, dat hij toeschroeft. O jawel, veel te duur voor dat smerige goedje. Waarvoor Charlotte 't eigenlijk hebben wou? - Toch met om haar, madame Blanche, cadeau te doen??! Charlotte bekent onhandig, dat zij gedacht had, dat madame Blanche ervan hield. Ik?! Ach m'n kleintje, wat 'n adorabele gedachte van je, te meenen, dat ik dat stinkende goedje... als je 't met voor jezelf wilt meenemen, geef 't dan Chadidscha maar! Dieis er bhj mee! Goed... ja, dat zal Charlotte doen. Vindt die man dat nu niet vervelend?" vraagt ze, wanneer ze Mahmoed Soliman goeden dag hebben gewenscht en zich enkele passen van zijn winkeltje bevinden. „Vervelend?* Wat zou hij dan vervelend vinden? ^Nu, dat hij moest aanhooren hoe u over zijn parfums sprak!" , „Maar hij weet toch zelf 't best wat voor rommel er in ^Charlotte kan haar glimlach niet terughouden. „Ja maar, u mag die menschen toch niet zoo beleedigen. Die meneer in de trein vanmorgen ook al..." Wat heb ik vanmorgen nu weer voor kwaads gedaan tg „Nu, u het zich, waar die meneer bij zat, zoo scherp over Arabieren uit." „Tiens. Zat er nog iemand in de coupé!' Dat had madame Blanche niet opgemerkt; ze dacht vanmorgen werkelijk met Charlotte alleen in de coupé te zijn. Als ze er niet speciaal bij dacht, zag ze Arabieren nooit. Charlotte geeft het maar op, verbaast zich in suite over de liaison met le petit Turc, die voor haar nog steeds met zooveel verschilt met 'n Arabier. O, zij zal in deze paar dagen nog wel merken, dat 'n Turk in Europeesch-Levantijnsche gezelschapskringen oneindig veel meer telt dan n Arabier. Dat bijvoorbeeld signor' Alfredo's meest gloneuse tiid die geweest is waarin hij - nauwelijks twintig jaar oud het voorrecht en geluk smaakte 'n Turksche als maltresse te bezitten. - Terwijl Chadidscha, Arabische, weimg meer telt 'n huisdier. Soms. voor de grap, grijpt signor Allredo aan tafel naar haar en lacht als ze zich kakelend van angstige vreugde uit zijn handen loswringt en naar de keuken vlucht. Charlotte en madame Blanche zijn nu bij de mannen aangeland, die met de houten staven in de houten mortieren stampen. Om hen hangt de lucht van vreemde kruiden, die onder het stampen tot stuifsel vermengd worden. Ieder prevelt met doffe lippen 'n woord terwijl hij de staaf laat neervallen in een der beide mortieren, die tusschen hen vieren in staan. Elk woord sluit weer bij het voorgaande aan; zoo vormen zich koranspreuken; nooit vallen er twee woorden tegelijk, nooit twee staven, nooit werkt er een vlugger of langzamer dan 'n ander, en het nasale, doffe korangedreun herinnert er hen voortdurend aan, dat er geen God is buiten Allah, Wiens Naam geprezen zij, en dat Hij Mohammed tot Zijn Profeet heeft uitverkoren. De mannen zijn blind. Niet toevallig twee van hen, neen, alle vier zijn blind. Maar de staven vinden hun weg. En Allah, de Barmhartige, zou Allah niet meer zijn, wanneer Hij door het ijdele gedruisch der wereld het geprevelde woord der blinden niet opving, dat een door geen aardsche weifeling meer onderbroken getuigenis van Zu'n Almacht is. Madame Blanche moet haar Charlotte bijna wegtrekken van de vier weinig smakelijk uitziende stampers met hun glazige, blinde oogen, hun leege, roode oogkassen. Het is niet in de eerste plaats medelijden, dat Charlotte de voeten verlamt; ze heeft vandaag al zooveel blinden gezien. Haar fascineert het kleine wereldje dezer vier blinde stampers, dat misschien grooter is dan de groote wereld, waarin het geïsoleerd ligt, het mysterieuse wereldje van stampen en neuriënd prevelen volgens eigen wetten van rythme en harmonie. Het zijn geen menschen, die vier, het zijn wezens van 'n andere planeet, het zijn geesten, die niet eten, niet drinken en niet slapen en, geen rust kennend of verlangend, dag en nacht doorstampen en prevelen, daarmede 'n functie met 'n diepere zin vervullend, welke Charlotte alleen maar niet bekend is. Pas als madame Blanche 'nhand om haar heen slaat, krijgt ze oog voor het afstootehjke van deze blinde paria's, - ze huivert en laat zich weerloos meevoeren, naar het winkeltje waar Badr Huseyn z'n Kashmir-shawls verkoopt. Hij is kwiek en ijverig, 'n jong koopman, die het op die manier voor de wind zal gaan. Z'n oogen, sluw loerend, zijn overal tegelijk; om z'n lippen ligt 'n beminnelijke glimlach bestorven; hij spreekt onafgebroken. Zachte woorden, die hefkoozingen voor zijn sjaals zijn en zich op de duur herhalen, slechts als 'n vleiende muziek z'n koopwaar omzweven; men luistert er al gauw niet meer naar, men hoort het zelfs niet. Maar de sjaals hooren het en glanzen van ij delheid wanneer hij ze te voorschijn haalt in 'n zorgvuldig overdachte volgorde, die door frappante kleur-overgangen het oog blijft boeien. Charlotte houdt 'n sjaal in de handen vast, warm bruinrood op koelgrijze grond, ingesloten door diep, nachtelijk blauw. Het is 'n Perzische doek, fluistert de koopman. In het midden rijst de levensboom, aan de voet daarvan staat de leeuw, zinnebeeld van moed en kracht, en de pauw, de onsterfelijkheid; arabesken voegen zich tot koranspreuken aaneen. Charlotte kan de doek niet meer loslaten, lost hem tegen vijftien shilling in, staat moeilijk op om met madame Blanche verder te gaan, 'n hcht, opgerold pakje onder de arm. Sloffen en muilen met goud- en zilverbestiksel. In 'n duistere poort 'n weverij; ver, ver van de wereld, verzonken in het weefpatroon zitten 'n paar wevers achter hun stoel, werpen zonder zich ooit te vergissen de spoelen dooreen, kijken even op wanneer er zich voor de ingang twee Europeesche vrouwengestalten plaatsen, die nóg iets van het karige hcht wegnemen, 'n Paar hummels, zich hier verdienstelijk makend met kleine werkjes, het aanreiken van dit en dat, stellen zich ijverig voor de beide toeschouwsters op, waarvan zich maar één goed durft te laten kijken, en bedelen met opgehouden pootjes om 'n bakschisch. In goed Arabisch worden hun dan echter de ooren gewasschen. In 'n ondiepe kelder, waaruit 'n scherpe, onaangename lucht opstijgt, zijn stoffenververs aan 't werk met gele, roode, blauwe bovenlijven, - alles zwijgend, geluidloos, vol geheimzinnigheid. Door de stilte van het straatje wandelt 'n omvangrijke, zwaargesluierde vrouw, 'n kind op de arm, dat geheel met gouden en zilveren muntjes behangen is; de moeder schijnt dus wat voor haar kindje over te hebben, - maar waarom ze het dan z'n bar-smerige gezichtje niet even schoon wascht? Madame Blanche legt uit: de booze blik loert steeds afgunstig naar de al te mooie kindertjes, betoovert ze; ze worden ziek en sterven er aan. Straatvuil is dus afwering. En 's zomers komen de vliegen op het vuil af, brengen het in de oogen over; ontsteking, verkeerde behandeling, en de Mouski is weer 'n blinde rijker. Ze verlaten nu het stille, schemerachtige winkelgangetje, komen weer in 'n straat waar schelle kleuren, verblindend zonlicht, veel gedruisch het eerste oogenblik de zinnen verwarren. „Naar de koperdrijvers 1" stelt madame Blanche voor. En ze gaan naar de bazat der koperdrijvers. Daaronder kent madame Blanche 'n winkelier in lang, wit hemd, die tegelijk zijn verkoopsvoorraad met eigen arbeid aanvult, 'n jonge, vriendelijke Arabier met open gelaat en zwarte negerkrulletjes. Charlotte wil hem wel zoo'n gong afkoopenl Dat lijkt haar 'n aardig cadeautje voor de kapitein: zoo'n bewerkte, koperen gong! En zoo wordt er dan 'n gong verkocht. Welke wil de juffrouw hebben? Ze zijn alle verschillend van klank, hoor maar: dlng-dong-ping-pang-boemmmm. Die boemmmm gezegd heeft, wil Charlotte hebben, dat is ook verreweg de grootste , en die zal mooi uitkomen in de donkerbruine kajuit van de Medusa, 'n Met zilver ingelegd aschbakje wil ze ook hebben (voor 't hoofd van de school). Zoo'nMoorsch kofifiestelletje met porseleinen miniatuurkopjes in koperen onderstelletjes op 'n bewerkt koperen blad, dat geschraagd is door 'n hooge, zes-6tavige voet, voor tante, - neen, misschien voor de club. Voor oom en tante Hikt er haar niets geschikts bij, hoogstens nog 'n aschbakje, of'n pennebak, of n bloempot; zoo'n moskee-lampje is ook schattig; je kunt er 'n waxine-licht in branden I 't Is moeüijk weerstand bieden aan de verleiding; het is ook zoo aardig, dat je hier alles met eigen oogen door Oosterlingen ziet vervaardigen. Maar ze moet haar keus toch beperken, want anders overschrijdt ze haar reisbudget, - en hoe zal ze alles kunnen meenemen? O, het meenemen brengt geen bezwaren. De verkooper wenkt 'n man, die als voornaamste kleedingstuk 'n lang touw om het lichaam draagt. Na kort overleg keert de man van het touw met 'n lange plank terug, één lange, dunne plank, die over z'n schouder naar beide zijden doorzwiept en met het einde over de grond sleept, 'n plank, die slechts steilgehouden. 'n hoek om kan en waarvoor de menschen ruim baan maken. De verdere benoodigdheden voor de kist, die ter plaatse vervaardigd zal worden, zijn er nietig naast: 'n hamer, 'n korte, lichte zaag, 'n duimstok en 'n zakje vol spijkers, dat is alles. Voor de koperwinkel wordt nu 'n kleine timmermanswerkplaats in bedrijf gezet. De zaag ronkt en piept; de lange plank wordt steeds 'n eindje korter, en onder de oogen van Charlotte en madame Bknche verandert ze in 'n keurig, handig kistje, waarin het kofifiestelletje, de gong en de kleinere voorwerpen juist passen. Het zaagsel, dat tot 'n aardig hoopje is aangegroeid, kan mooi ak houtwol dienst doen. Klop-klop-klopI het deksel er op. Nu windt de man zich het touw van het lichaam, legt het ineengerold op z'n hoofd, en daarop pkatst de verkooper met de negerkrulletjes het kistje. Ziezoo, waarheen nu? „Kom, dan gaan we maar naar huisl" stelt madame Bknche voor. „Die kerel volgt ons wel." Het is intusschen stil-aan gaan schemeren; allengs flikkeren vetpotjes en olielampjes op, beschijnen bruine gezichten. Charlotte weet niet hoeveel tijd er verstreken is onder het zagen en ineentimmeren van het kistje; ze heeft wat afwezig toegekeken bij de strijd, welke zaag, hamer, duimstok en spijkers tegen de lange, onhandelbare plank aanbonden, en daarbij beeft ze slechts eraan gedacht, dat de plank nooit geheel toe zou geven en haar aanvallers misschien verraden zou door juist even te kort te zijn. Maar de plank moest zich voegen en zelfs nog het zaagsel voor de verpakking leveren, en tenslotte waren het nog niet eens de wreede tanden van de zaag en evenmin de felle punten van de spijkers, die hem het meest deemoedigden, neen, het was de onschuldig uitziende duimstok, die bewees, dat in de hoogmoedige plank, waarvoor iedereen ruim baan maakte, eigenlijk slechts, precies uitgemeten, 'n nederig-dienend kistje school. De man-met-het-touw gaat nu, het kistje op het hoofd, geduldig achter de beide Europeesche dames aan, die even voor de Atabet-el-Khadra links afbuigen naar de markt en daar geitekaasjes inslaan. Ta, Charlotte büjft toch zeker nog op de kamer van madame Blanche 'n boterham eten? Het pension zorgt voor de middagtafel; die wordt gezamenlijk genuttigd; maar s avonds kan men zich bij madame Paparigopulos naar z'n eigen smaak inrichten; madame Blanche eet vaak heelemaal met, maar nu wil ze het terwille van de gezelligheid doen. En geitekaasjes zijn heerhjk op het brood! Versch krijg ie ze hier alleen op de markt; iedere huisvrouw koopt hiér ^rcei.sdScheamarkt' - *wü zeggen: ™ het Zoo nu maar gauw naar huis. Wil Charlotte weer door i P I ™ . ^ nu 8aóea' "jetwaar? Dan maar vlug langs de Place de 1'Opéra en zoo de Sharia Boulaq in. Voorzichtig, n auto! De drager loopt stoïcijnsch door al het verkeer heen, hij ziet en hoort niets; men spaart hem terwille van de kist op z'n hoofd, en heelhuids arriveert hij drie schreden achter de beide dames in het portiek van madame 1 aparigopulos pension, geeft z'n last daar over aan Abdallah - n Turk rekent «niet mee Sta ET a^ïtte m-Stilte- En * ^ ^ "u wakdök dSen ^ErS «Tg ? le hemel rechtkomt, - wat dan? °^ Madame Blanche heeft 'n portret van dV „„^7" rap^fïïür - rfS >r no^1^1 DC Wijn Van siSnor' ^do. • • staat die genomenPnaaf z?kam55? ^ de wi>n mee- „Haal op!" „Ja maar... ?!" „Gauw 'n beetje!" van^Xcht^ Tg ï? krijgt later de schuld'als df%£ZlT£ M™ Germschloos, op naakte, sluipend! voeten feeheel over bodig, want signor' Alfredo is niet thuis) keerfcS^ even later met het mandfleschje Est-est-est-wijn terug. Ze is bleek als 'n doek; de hand, die de flesch aan madame Blanche overreikt, trilt als 'n blad in de wind. Nu 'n paar glazen uit de keuken 1' Chadidscha vliegt, is al weerom. Van opwinding en pret over de geslaagde diefstal stoot ze nu 'n kakelgeluidje mt, dat ze tracht te smoren door de hand voor de mond te slaan. Madame Blanche ontkurkt ondernemend de flesch^ herinnert cr Charlotte aan, dat ze voor Chadidscha n fkcormetje Barbe du Pascha" heeft meegebracht. Charlotte haalt het uit haar taschje en geeft het Chadidscha. Deze geraakt geheel buiten zichzelve, grijpt Charlotte s handen, tracht zf met kussen te overdekken; haar gelaat staat totaal onthutst. „Merci... grazie mille signorina... Comme une chienne!" stelt madame Blanche geamuseerd vast en maakt dan tegen Chadidscha zelf 'n opmerking, welke het stuurloos geworden meisje ertoe brengt om de afstand tusschen haar en madame Blanche zoo te vergeten, dat zij in de lucht, te ver om haar te raken, naar haar slaat. Madame Blanche heeft schik, vertelt aan Charlotte, dat ze Chadidscha heeft aangeraden er zich mee in te wrijven wanneer ze trouwt, over drie maanden, om haar man even vurig als 'n groot pascha te makenl Charlotte ziet verwonderd naar het kind-meisje om. „Gaat zij dan over drie maanden al trouwen??" nUnrhp Voor de derde maal, m'n hartje," zegt madame Blanche; 'n plat, luchtig gebakken brood doorsnijdend en met boter enPkaas besmerend. „Ze wachten er niet zoo lang mee als daar bij jullie, la basl - Hier, proef dit brood eens; zoo .zul ie 't noe wel nooit gegeten hebben. Alles versch. Wat drink E; ko?ê o?wijn? AHebei? Natuurlijk alleen koffie! Goed je zult 't hebben." Voor zichzelf schenkt madame Blanche dan 'nChïrlotte Ï nog perplex over wat ze daareven gehoord heeft. „Maar hoe oud is Chadidscha dan? Luister, ik zal je 't mooie verhaal vertellenl En nu dragen madame Blanche en Chadidscha tezamen de geschiedenis van Chadidscha's twee eerste ^h^ ,J mLt dat is te zeggen, slechts madame Blanche vertelt, maar rtLscha Seelt, met aangeboren talent om gevoelens plastisch te vertolken, het verhaal intens mee; ze speelt roerend haar eigen dwaze verliefdheid, haar geluk, haar wanhoop daarna. Ja, uit wanhoop is ze daarna voor de tweede maal getrouwd met die akelige, dikke kerel - zóó'n buik! van wie ze nu gelukkig bevrijd is. Ook madame Blanche's voordracht van het geval is eenigszins verwondering-wekkend. Zij ziet dit volk met nuchtere oogen, 'n grenzelooze verachting, - maar haar vertelling krijgt nu onderweg toch dramatische tinten, en Chadidscha's geschiedenis klinkt uit haar mond als 'n sprookje van vreemde bekoring. Misschien schuilt in haar pathos 'n hoon aan het adres van Chadidscha; misschien is het haar Zuidelijke dramatische aanleg, die er haar toe verleidt, aan iedere stof, zelfs 'n absurde als „de levensgeschiedenis van 'n Arabisch meisje", haar talent te wijden, maar misschien ook is er toch 'n verre verwantschap - 'n heel verre natuurlijk - tusschen het veertienjarige Arabische meisje Chadidscha, van wie nu eerst sprake is, en 'n zestienzeventienjarig Frangaisetje, uit wie later 'n ervaren madame Blanche groeien zou. Charlotte tracht haar gezicht duidelijker te zien, maar de kap van de schemerlamp werpt er kleurige vlekken en schaduwen op, die de trekken vervreemden. Ja, daar was dan eens 'n meisje en dat heette Chadidscha. En daar was 'n jonge... 'n jonge wat?... 'n jonge dadelventer, die dagelijks onder het getraliede venster van Chadidscha's huis passeerde wanneer hij op z'n ezel naar de markt reed. Het was 'n witte, Marokkaansche ezel; van het zadel hingen roode kwasten neer, en hij zat waarempel als 'n jonge pascha op z'n rijdier; in zakken hing aan beide zijden z'n koopwaar neer: de beste dadels van Caïro, de beste dadels van Egypte, nou, wat voor dadels 't waren, doet er ook niet toe. Mekaar door 'n getrahed venster in de oogen zien en dolverliefd worden is één, de bruidschat bijeenkrabben om je uitverkorene te koopen is twee, en trouwen is drie. „Je moet nog 'n glaasje van die wijn drinken, m'n hartje!" Chadidscha wü, dat madame Blanche nu verder vertelt. Zij is er geheel in; haar lichaam, haar mond trilt; in haar oogen hgt de herinnering aan het eerste huwelijksgeluk, maar ook reeds 'n vage angst voor het vreesehjke, dat komen gaat. Madame Blanche vertelt. Hij bedroog haar al spoedig. Hij kwam 's bij 'n goudsmid dadels verkoopen en hoorde achter de dunne houten wand de stem van 's goudsmids dochter. Ook toen hij er vaker kwam, zong achter de dunne, houten wand de meisjesstem. Sindsdien sprak hij nog slechts van de goudsmidsdochter en dat ze zoo mooi zong. Op reis zijn, ver van je jonge vrouw, en haar bedriegen is zoo erg nie£ want zijzelf heeft misschien het vuur ontstoken, dat je verteert en je zondigen laat. Maar erg is: bij je jonge vrouw slapen en in gedachten 'n andere in je armen sluiten. „Kun jij dan niet zingen, Chadidscha, zooals de goudsmidsdochter?" Neen, neen, neen, groote Allah, Chadidscha kon niet zingen. - En tranen vervelen 'n man op de duur. Nu volgt 'n donderspreuk, in Charlotte's ooren 'n zware vloek: „B?talak bi thalati...! 1" En dat beduidt: „Drievoudig verklaar ik je van mij gescheiden!" Misschien is het in 't geheel niet zoo gebeurd. Misschien fantaseert madame Blanche er wat bij. Maar Chadidscha krimpt onder het fatale woord ineen, de armen gekruist, de handen over de smalle schouders geklemd, - zij leeft het fantastische verhaal als werkelijkheid mee. Haar schreiend hart op de mestvaalt geworpen, zooals men 'n gebroken kruik op de mestvaalt werpt! Droeg zij zijn kind maar onder het hart, dan zou hij het wel hebben gelaten! Maar Allah onthield haar Zijn zegen. Dat de goudsmidsdochter honden en katten moge baren en mismaakte kinderen 1 : Nu verschijnt de luie, vadzige, de eenzame in z nistoffenwinkeltje ten tooneele. Met afschuw duidt Chadidscha de omvang van zijn buik. Weggeloopen is ze bij hem! Driemaal is ze weggeloopen. Hij heeft haar geslagen; haar vader, bu wie ze vluchtte, heeft haar geslagen en haar bli haar wettige man teruggebracht, maar ze is steeds weer bij hem weggeloopen tot hij het opgaf en haar de vrijheid teruggaf... En nu, zes-en-twintig jaar, eigenlijk al haast te oud om nog weer te trouwen, begeert haar 'n eenvoudige mt de Mouski, 'n koffie- en wierookventer, die blij is, haast voor niets aan 'n vrouw te komen, want waar zal hij het geld voor 'n bruidschat vandaan halen? Na de Ramadhan, na de vastenmaand, zullen ze trouwen. Onderweg heeft madame Blanche het verhaal bespoedigd; slechts het begin, met de jonge dadelverkooper op z'n witte ezel, heeft ze met liefde voorgedragen. Nu jaagt ze de hysterisch aangedane Chadidscha de kamer uit, want zé wil met Charlotte alleen zijn. Weg! Maak dat je weg komt! Wanneer Charlotte dan wel denkt te trouwen? vraagt ze. Hoe oud ze dan worden wil voor ze de liefde genoten heeft? Weet ze dan niet, dat ze maar hoeft uit te zoeken? Ze is 'n bloempje; wie 't ziet, wil 't plukken! Waarop wacht ze eigenlijk? Op 'n ideaal? Idealen zijn er niet, maar elke man valt mee in 't gebruik, als je 'm maar klein houdt, - niet zooals madame Paparigopulos hier... daarover 'n andér maal. Wil ze geen kindertjes hebben? Haar kinderen moeten engeltjes worden; slecht» de vleugeltjes zullen er aan mankeeren. Ob, de mannen zijn monsters, maar men kan er niet buiten. Charlotte glimlacht, om 'n plotselinge weemoed, die - tot haar eigen ergernis - in haar opstijgt, te verbergen. Als ze haar glimlach niet langer volhoudt tegenover de inquisitorische blik van madame Blanche, wendt ze onrustig het hoofd af. De laatste vraag heeft Charlotte niet onrustig gemaakt, evenmin het dramatisch voorgedragen verhaal van Chadidscha's twee huwehjken. De vreemde gloed in madame Blanche's oogen doet het, haar radde stem, door 'n verborgen haast nog boven het gewone tempo uitgedreven. In madame Blanche zelf is onrust, en die draagt zij zonder het te willen op Charlotte over, - ze schaamt zich, nu ze het merkt. „Charlotte...!" zegt ze, geagiteerd. Charlotte hoort het niet. Zoo dicht als nu heeft ze nog met gestaan tegenover het mysterie der zinnelijke hefde, die in 'n plotsehnge vlam, of anders langzaam smeulend de menschen verteert. Hier is het 'n vlam, 'n groote, wilde vlam, waarvan de weerschijn het gelaat en de oogen van madame Blanche verlicht. En Charlotte zelf dan? Voelt zij de hitte ervan niet tegen haar wangen? Ziet zij alleen maar de weerschijn, of ziet ze de roode vlam zelf? Hoe zou het zijn als men er zich in wierp en zich het verschroeien? Ieder, ieder werpt er zich in. Madame Blanche kijkt haar schuw-onderzoekend aan en vraagt, wat onzeker, waarom ze dan niet eet? O, Charlotte eet wel! Ze heeft niet zoo héél veel trek vanavond. Ze wil zoo dadehjk naar haar kamer gaan... nog 'n brief schrijven. Ja, maar eerst moet ze toch rustig eten. Er wordt geklopt. Le petit Turc, - wéét Charlotte. Ook madame Blanche weet het. „Te voüa?" vraagt ze kortaf, als hij binnen komt. Ja, daar is de kleine Turk. Ah.. .hij treft mademoiselle bier ook?? Welk 'n verrassing 1 Hij stoort toch niet? Hij kwam alleen maar eens 'n babbeltje maken. Heeft Chadidscha dan niet gezegd, dat hij om half negen... ? Charlotte is opgerezen, maar madame Blanche drukt haar haast smeekend weer neer. Geen praatjes alsjeblieft. Le petit Turc moet er ook bij gaan zitten. - We zijn juist 'n boterham aan 't eten. Wil je 'n glas whn? En waarom zou le petit Turc dan geen glas Est-est-est willen? Hij is er juist voor in 'h stemming! Hij is juist in 'n stémming van tralla-la-la-la! Hij heeft met vrienden in 't café gezeten. En nu mademoiselle hier ook nog te ontmoeten! Quelle chance! Hij denkt zich samen met z'n geliefde over Charlotte vroolijk te kunnen maken, voelt niet hoe pijnlijk zijn komst de beide vriendinnen aandoet, kent de warme gevoelens van madame Blanche voor Charlotte ook nog niet, houdt het slechts voor 'n vriendelijkheid van haar, de Hollandsche bij zich te ontvangen, die hij nu 'n beetje in 't ootje nemen wil tot ze baar biezen pakt. Daarin slaagt bij gauwer dan hij heeft durven vermoeden: Charlotte staat opnieuw op en laat zich ditmaal niet weer op haar stoel neerdrukken. Ze eet 's avonds werkelijk nooit veel, verzekert ze en ze wilde toch nog 'n paar brieven... - madame Blanche is toch niet boos? Deze, anders zoo rijk aan woorden, weet nu geen argumenten aan te voeren om Charlotte bij zich te houden. Charlotte moet niet boos op haar zijn, zegt ze en haalt diep adem. Volgen nog enkele verwarde woorden tusschen de beide vrouwen, die geen van beiden precies weten wat ze zeggen. „Waarom boos?" vraagt Charlotte. - „Heusch niet? Zeg maar eerlijk: ik jaag je wegl" - „Weineen! Ik... hoe komt U erbij?" Morgen zal madame Blanche met Charlotte naar de pyramiden gaan. Ja, maar ook naar de Sphinx. En naar de Mammelukkengraven! En naar het Ezbekyeh-park, waar de muziek speelt. En als ze wil, naar de moskeeën. - Morgen. Charlotte beantwoordt vaag, zonder het zelf te beseffen, de hoffelijke groet van le petit Turc en gaat heen, de nu duistere gang door. Op de tast vindt ze haar kamerdeur, knikt nog even naar madame Blanche, die haar in de drempel naziet, van terzijde rood belicht door de schemerlamp, met tragisch opgetrokken wenkbrauwen. „Bonne nuit!" zegt madame Blanche heesch. „Bonne nuit, madame..." Bleek, peinzend, gejaagd ontkleedt Charlotte zich. Dan stapt ze in het groote, koele bed, knipt 't licht uit. Slapen! Nu ze het hoofd in de kussens verstopt, stijgt 'n krampachtig snikken in haar op, dat zich onweerstaanbaar 'n uitweg baant. Alles, alles snikt ze uit wat zich de laatste dagen in haar opgekropt heeft. Ze snikt om zichzelf, haar eenzaamheid; ze snikt om Chadidscha, die terwille van 'n goudsmidsdochtertje verstooten is; ze snikt om madame Blanche, wier oogen zoo treurig stonden toen Charlotte van haar weg vluchtte; ze snikt om de arme, ongetrouwde vriendinnen in Holland, om het gezonken gondeltje, om het duikertje in de haven, dat misschien nog eens door 'n haai verscheurd zal worden; ze snikt om alles wat haar op dit oogenblik maar aan verlatens of droevigs te binnen schiet. O, het leed der wereld is eindeloos. Steeds verder zoekt ze; tot in haar kindertijd is wel leed, dat nog uitgesnikt wil worden. Zoekend, zoekend slaapt ze in. XV De volgende morgen zit Charlotte bij heerlijk zonnig weer aan de zijde van madame Blanche in de tram, die naar buiten leidt, naar de plaats waar men ezels en kameelen kan huren om de nabijgelegen pyramiden te bezichtigen. Madame Blanche is opgeruimd en slaagt er allengs in, haar vroohjkheid op de wat stille Charlotte over te dragen. Ze vertelt hoe lang ze nu al in Egypte woont. Veertien jaar in Caïro, tevoren bijna vier jaar in Alexandrië, en nog nooit is het haar in haar droomen ingevallen, de pyramiden, die ze honderd maal uit de trein gezien heeft, van nabij te gaan bekijken. Ze gaat nu ook alleen maar mee om in Charlotte's gezelschap te zijn, niet om die ouwe steenen 1 Ze houdt niet van wat oud is; als ze wat ouds wil zien, hoeft ze maar in de spiegel te kijken, neen, ze houdt van jeugd, van al wat jong is, van Charlotte! Dat ze oud is, meent madame Blanche zelf niet; ze zegt het slechts omdat ze er zeker van is uit Charlotte's mond het tegendeel te zullen hooren. Madame Blanche is nog lang met oud; ze heeft hier en daar 'n rimpeltje, bon, ze heeft verdriet gehad om haar Siciliaan en ze heeft de zorgen uit haar leven moeten bezemen, maar als ze lacht, zie je die rimpeltjes niet, en waarom zou ze vanmorgen niet lachen? Nu, na 'n nacht van liefde, is ze frisch en monter opgestaan; haar oogen schitteren, en ze weet door haar vitaliteit nog 'n jongere vrouw aan te steken. Dat men uit zulk 'n avontuurtje zoo opgewekt, zoo zonder eenige wroeging kan opduiken, verrast Charlotte. Zij had verwacht, dat madame Blanche, door schuldgevoel gekweld, haar vanmorgen zou trachten te ontwijken. Integendeel; het is of alle schuld, die ze gisteren toch wel voelde, van madame Blanche is afgegleden; zoo rustig en vergenoegd is ze, en inplaats van Charlotte te ontwijken, klopte ze reeds toen deze nog sliep aan haar kamer; ze riep haar met heldere stem en zou a bout portant zijn binnengekomen, wanneer de deur niet op slot was geweest. Word wakker, m'n hartje! Vandaag zal ik je niet wegjagen; vandaag gaan we samen naar de pyramiden! Doe Zorgeloos babbelend over 'n mooie opdracht, die haar vanmorgen met de post uit Barcelona bereikt had, veroorloofde ze zich critiek op Charlotte's jarretelles: véél te saai! Kijk 's, madame Blanche heeft 'r heel andere! Ze zal Charlotte wel 's wijzen waar hier snoeperige jarretelles te koop zijn, — of dacht Charlotte soms, dat de Parijsche magazijnen hier geen filialen hadden? Misschien wel tot in China! Ze moet zich maar 's 'n paar cadeau laten geven! Madame Blanche heeft van le petit Turc... nou ja, dat doet er ook niet toe. Kleed je gauw aan, m'n lieveling, dan drinken we 'n kop koffie en gaan weg, - nu is het buiten nog niet zoo heet! Terwijl ze in de gang samen 'n kop koffie dronken, op sprong om weg te gaan, kwam le petit Turc plechtig z'n kamer uit, alsof hij vannacht nergens anders geweest was; hij wenschte Charlotte en ook madame Blanche beleefd goeden morgen en dreef de komedie zoover: te vragen hoe de dames geslapen hadden. „Et vous, m'sieur?" had madame Blanche op haar beurt gevraagd, maar flapte er meteen met 'n dreigende ondertoon uit: „Durf eens te zeggen van niet goed! Vous ne m'allez pas dire que vous avez mal dormi...!" Daarop kostte het Charlotte toch eerlijke moeite om 'n glimlach terug te houden: de Don Juan had van verbluftheid niet meer geweten wat te zeggen, zette daarom z'n fez op en wilde met hoffelijke groet heengaan. Maar madame Blanche lachte, lachte met heldere stem en zei hem, z'n fez niet soo saai op te zetten. Zoo, 'n heel klein tikje schuin, — dan keken de meisjes naar hem! Geluk lag in haar oogen. Zal de Siciliaan, zelf vurig van aard, haar daar boven in de hemel de kleine zonden, die nu nog haar geluk uitmaken, niet vergeven? Hijzelf heeft het toch ook goed bij haar gehad, en als men zoo dicht bij God en de Heiligen niet vergevensgezind wordt, - waar dan? Het verdriet van 'n nieuw huwehjk, door de kerk ingezegend en ook geldig voor het hiernamaals, zal ze haar man niet aandoen. Ja... en nu rijdt madame Blanche met haar jonge vriendin en beschermelinge naar de pyramiden. Op 'n kameel wil ze straks zitten, dat is haar nog nooit overkomen! - Ja, maat dat schommelt zoo! waarschuwt Charlotte. - Bah! madame Blanche wil op 'n kameel. Ze zullen er onder leiding van Mozes op uitgaan, die hen nu reeds in de tram heeft aangeklampt. Het is nutteloos om ponder Mo^es de pyramiden te gaan zien, nog sterker: „See the pyramids without Mozes, that's not see the pyramidsl'* verklaart hij bij de eerste kennismaking. Spreken de ladies Engelsch? Hij kent ook Fransch. - „Laat hooren!" noodigt madamcBlanche uit. „Ah oui, Mozes parlee tout lee lank... 1" Ook Italiaansch, Grieksch, wat ze maar willen. Hij kalmeert eenigszins wanneer madame Blanche hem in 't Arabisch vertelt, dat hij alleen meemag op conditie, dat hij geen woord Fransch meer in z'n mond neemt en achteraf geen spektakel maakt wanneer hij z'n fooi gekregen heeft. O neen! Mozes zet geen mensch af! Maar als de tram ter plaatse arriveert, kijkt hij toch eerst uit of er geen weerloozer slachtoffers ronddwalen; pas wanneer hij constateert, dat 'n schare dragomans-op-non-activiteit gereed staat om ook de kleinste buit in de wacht te sleepen, wijdt hij zich met geheele overtuiging aan zijn connectie uit de tram. Nu troont madame Blanche onder haar parasol op 'n kameel, tracht, reeds vóór het dier loopt, aan het schommelen te raken en vindt de wereld amusant: zoo van boven gezien. Ze fluit met veel goede wil 'n onherkenbaar wijsje en geeft de kameel delicate klapjes op de kale, slechts hier en daar met 'n vlok haar bedeelde schoft; juist zoo doet ze het le petit Turc wel, en het is 'n bewijs voor de weinig galante aard van deze Camelus dromedarius, dat het dier er geheel onbewogen bij blijft en zich pas door de stok van de drijver laat overreden om voorwaarts te gaan. Charlotte, op 'n klein woestijn-ezeltje gezeten, betreurt het spoedig, niet eveneens 'n kameel te hebben bestegen. Het schommelt misschien wel erg en brengt ook andere onaangenaamheden mee (madame Blanche's mollige beenen komen, zooals ze daar zit, tot halverwege de dijen, juist tot aan de rose jarretelles met de roosjes er op, aan 't licht; gelukkig vindt zij 't zelf zoo erg niet), maar daar boven zou Charlotte tenniinste veilig zijn voor de vertrouwelijke bescherming van de zwarte drijver, die haar geheel overbodig met z'n hand in de rug steunt. Tot overmaat van ramp komt er nog 'n ander donker getint heerschap aanhollen, dat zich als Ibrahim voorstelt, op madame Blanche's krachttermen van daar boven niet meer acht slaat dan op het zoemen van 'n vlieg en aanbiedt om binnen elk tevoren bepaald aantal minuten de pyramide van Cheops geheel te beklimmen. Bovendien bezit bij de bijzondere gave om de toekomst te kunnen voorspellen. Hij zal dus op klaarlichte dag Charlotte's horoscoop trekken, en dan moet ze straks de Sphinx diep in de oogen kijken: daarin zal ze Ibrahims voorspelling ten tweeden male lezen. „Yes, oh yes, your future ües on the Sphinx' face!" En hij laat zich door Charlotte's hulpeloos uitgesproken „Matnesh... ik geef niet!" niet afschrikken, hoewel het hem zou moeten overtuigen, dat hij géén vreemdelinge voor zich heeft; hij brabbelt in eenen door van 'n donkere en van 'n blonde man, 'n schatrijke Amerikaan, die de donkere verdrijven en haar 'n parelsnoer zou schenken, yes, oh yes, ze zal van nu aan altijd in 'n auto rijden, en het is niet meer dan billijk, dat ze hem voor dit blijde vooruitzicht 'n shilling geeft. Om van hem af te zijn, reikt Charlotte hem tenslotte 'n zilverstukje uit haar taschje. Goddank, hij gaat weg. Ze zijn stapvoets tegen 'n hellende weg opgereden, die in de doorzichtig-blauwe hemel scheen te zullen eindigen, maar nu belanden ze op het woestijnplateau en stevenen recht op de pyramiden af. Van uit de tram zijn ze al duidelijk zichtbaar geweest, maar nu liggen ze vlak voor hen: grauwe, troostelooze steenmassa's in de geelgrauwe woestijn, waarop de zon te branden staat. Charlotte bekent zichzelf niet dadehjk, dat ze teleurgesteld is. Wanneer men de pyramiden bij maanlicht of bij dreigend weer zag, zou men stellig door de eeuwen overweldigd worden, - maar thans doen de enorme konings-mausoleën haar bar nuchter aan. Het is, of je ze van buiten aanziet, dat men ze leeggehaald heeft, hun oude ziel geroofd heeft voor de musea; ze hebben iets wezenloos, verveelds over zich nu ze geen geheim van eeuwen-en-eeuwen meer bergen. Langs de pyramide van Cheops en de beide kleineren leidt Mozes z'n dames naar de Sphinx, die - zooals madame Blanche in de trein reeds voorspeld heeft - door 'n steiger omgeven is: men tracht verder inscheuren te verhoeden. Op die manier kan Charlotte de Sphinx niet in de oogen kijken om daarin de bevestiging van Ibrahims toekomstvoorspelling te lezen. Van zoo nabij gezien is de imposante steenklomp trouwens uitdmkkingsloos, - men zou er verder af moeten staan om de zacht-vriendelij ke expressie van het door beschadiging nog gelouterde gelaat te herkennen. Zeker, de reparaties zullen voor het behoud wel noodig zijn, maar in Charlotte verzet zich toch iets tegen zulke doktersmiddeltjes. Heeft die Sphinx, na zooveel eeuwen over de woestijn gestaard te hebben, na de smaad van het pam! pam! poum! uit de geweerloopen van Napoleon's soldaten, na door zooveel nieuwsgierige vreemdehngen-op-kameelen haar vorstelijke eenzaamheid verstoord en ontheiligd te zien, geen recht op 'n eerhjke dood verworven? Moet daar dat steigertje nu nog bij komen? Dat dokters-steigertje, dat wel de allerergste hoon is. Gaat maar heen, heeren doctoren, gaat heen, ik bid u. Ik heb het 'n paar duizend jaar lang zonder u uitgehouden en zal u zonder Uw hulp nog wel overleven... 'n Gezekchap Amerikaansche toeristen, omzwermd door 'n klein legertje van dragomans, kameeldrijvers en toekomstvoorspellers, kat zich juist tegen de Sphinx-stellage fotografeeren; van de kameelruggen knippen de kodaks. Hierdoor schiet Charlotte te binnen, dat zij aan boord waarempel alweer haar Hektoestelletje vergeten heeft! Dit alles leidt af van de eeuwen; de kleurige kaftans in de gloeiende zon leiden het oog af, en ook wat madame Bknche haar van boven zooal toeroept is niet in de geest der eeuwen gedrenkt, betrekt zich voornamelijk op de Amerikanen, - in de oogen van madame Blanche grenzeloos verachtelijk en bekcheliik: het zijn geen menschen, het zijn reizende cheque-boeken I In haar afschuw kat ze zich daarop tot wel wat heel drastische opmerkingen over twee oudere dames verleiden, die - als zij - op 'n kameel gezeten, uit de aard der zaak even gul met verborgen bekoorlijkheden voor den dag komen, maar er naar het oordeel van madame Blanche elk recht toe missen. Mozes weet zulke opmerkingen te waardeeren, vertaalt ze onbewogen in 't Arabisch, opdat ook de drijver, die in de thans zoo betreurenswaardige omstandigheid verkeert geen Fransch te verstaan, er iets aan heeft. Daarop ontziet madame Blanche zich niet van haar intiemere kennis der Arabische taal gebruik te maken en tot groote vreugde der beide donkere gentlemen 'n nog gekruider sausje op te dienen, dat zij voor Charlotte minder geschikt acht. Charlotte ademt met volle teugen de woestijnlucht in. Zoo puur is zelfs op zee de atmosfeer niet. Ze hoort nauwelijks, dat madame Blanche spreekt, zit rechtop in haar zadel (ze went nu al 'n beetje aan het ezel-rijden) en voelt zich wonderlijk Hcht en frisch, - 'n amazone. De terugreis wordt nu aanvaard. Na de gewone betalingsverwikkelingen, die door madame Bknche energiek geslecht worden, zitten de vriendinnen weer in de tram naar Caïro. WerkeHjk, er is vriendschap tusschen hen beiden; Charlotte verbaast er zich zelf over hoe het mogeHjk is: ze zijn zoo verschiUend alsof ze van twee planeten stammen, verschülend in landaard, verschuilend in eigen wezen, en ze hebben elkaar juist vier-en-twintig uur geleden voor het eerst gezien. Het is Charlotte's hulpeloosheid en madame Blanche's warme, moederHjke natuur, die hen tezamengebracht heeft. Zou er echter nog 'n diepere oorzaak voor hun vriendschap zijn? Zijn zij beiden tenslotte niet eenzaam in deze half-Oostersche stad, madame Blanche, die er veertien jaar woont, het Arabisch zoo goed beheerscht| dat zij er zich dubbelzinnige grapjes in veroorloven kan, en Charlotte, die er gisteren is aangekomen? Staan zij beiden met eenzaam in het leven zelf, madame Blanche met haar petit Turc en haar zakelijke correspondentie, - en Charlotte, die over een, twee maanden weer voor de klas zal staan? Het bewustzijn: maar zoo kort bijeen te zullen zijn, wekt in hen beiden de wensch om zich sneüer voor elkaar te ontsluiten. Charlotte valt dit uiterst moeihjk; haar voorzichtige natuur waarschuwt haar steeds voor het gevaar van 'n mogelijke blamage; 'n verkeerd geplaatst vertrouwen zou haar later zelf beschamen; zij is er bij tante en oom aan gewend geraakt haar gevoelens voor zichzelf te houden, haar leed alleen te verkroppen. Madame Blanche daarentegen heeft reeds als klein meisje op boete van helle-straf haar verborgenste zonden gebiecht in de stoel van de brave, oude abbé Dumoulin van de Saint-Michel te Bordeaux, en voor blamage vreest ze niet. Bah! Zijn de anderen zooveel beter dan zij? Alleen Charlotte maakt 'n uitzondering, - reden te meer om voor haar niet te huichelen. Madame Blanche dringt er nu in de tram op aan, dat Charlotte haar: Alice noemen zal. Denk er om, dat moet Charlotte niet onderschatten. Sinds haar man gestorven is, heeft niemand meer Alice tegen haar mogen zeggen. Ook le petit Turc niet! - die noemt haar zooals het nem invalt; soms schieten hem vriendelijke Turksche woordjes te binnen; dat hangt van de omstandigheden af, - maar dat ze Alice heet, wéét hij niet eens. Madame Paparigopulos? Die tutoyeert haar en noemt haar: chérie, - behalve wanneer ze ruzie hebben over die onmogelijke kerel waarmee ze getrouwd is. Chérie. Maar ze heet Alice. Voor Charlotte is ze Alice. Charlotte wil het eerlijk probeeren: ze vindt het Hef, dat madame Blanche het haar toestaat, - maar in het begin zal het haar heusch niet makkelijk vallen 1 Nu, ze zal haar best doen. Kom, het zal wel meevallen: zooveel respect kan Charlotte toch nooit voor haar hebben! O, jawel, mevrouw. Heusch wel! „Bah! Dat zijn maar praatjes," zegt madame Blanche verlegen. Iets anders: weet Charlotte wel wat de ouwe Egyptenaren deden? Die schreven hun naam ergens op, begroeven 'm diep in de grond en hielden 'm op die manier voor eeuwig geheim, alleen maar uit angst, dat iemand hen bij hun naam vervloeken zou, - dat heeft madame Blanche ergens gelezen, en ze kan 't heelemaal meevoelen. Kijk, zooals je bent, ben je 'n schepsel van God. Heeft 'n ander wat op je aan te merken, laat 'm bij le bon Dieu z'n beklag indienen. „God, Jij maakt de menschen tegenwoordig niet als 't hoort, laat dat beter worden!" - Je leunt niet verhinderen, dat de menschen zich druk over je maken; je kunt je niet verstoppen. Maar één ding kun je uit hun handen houden: je voornaam. Ik heb jou dadelijk om je voornaam gevraagd, omdat ik van 't eerste oogenblik af je vriendin was. Maar als je gezegd had, dat ik daarmee niets bad te maken, was 't ie goed recht geweest. Kijk zoo'n vaatdoek, zoo'n signor' Alfredo. Iedereen noemt 'm bij z'n voornaam, tot Chadidscha toe, en als de honden 'm aanblaffen, blaffen ze: Alfredo! Charlotte glimlacht om de filosofie van madame Blanche, haar bescheiden schuilhoekje, waar niemand haar volgen mag behalve die haar heel Hef zijn. Ook le petit Turc niet. En toch schenkt zij hem verder aües wat 'n vrouw maar te schenken heeft, denkt Charlotte. AUes? Weineen, dat zegt men maar zoo. Madame Blanche schenkt le petit Turc niets; zijzelf neemt slechts van het leven wat net haar nog biedt, ontworstelt het dapper de laatste vreugden. Dat le petit Turc daarbij ook niet bedrogen uitgaat, is 'n onveranderHjké wet der natuur. - Maar AUce mag hij haar niet noemen... Ze zitten nu weer thuis aan de middag-tafel in de koele, schemerachtige gang. Le petit Turc tracht zich - tegen de weinige eerbied van madame Blanche in - 'n air van gewichtigheid te geven, eet daarbij schrikwekkend veel van de spaghetti-pomo-d'oro, NapoHtaansch recept, waarop madame Paparigopulos haar gasten vandaag tracteert; morgen zal ze tagHateUi Bolognese in de kleuren van de ItaHaansche vlag opdienen, of anders heerlijke gnocchi, - wat Charlotte maar het liefste heeft. Volgt 'n omslachtige uitlegging door madame Blanche. Signor' Alfredo, vandaag geheel tiré a quatre épingles, begrijpt niet waar z'n Chianti-wijn gebleven is. „Die zal vervlogen zijn," meent madame Blanche. „Ja, maar dan mèt de flesch," antwoordt signor' Alfredo sarcastisch. „Nee, de flesch is 'r nog, - die staat op mijn kamer," Hcht madame Blanche in. Maar wat heb je aan 'n leege flesch? Le petit Turc moet vandaag dan maar eens voor 'n voUe zorgen. „Chadidscha 1 Haal voor rekening van meneer 'n flesch Chianti 1 Hier vlak om de hoek en gauw terug zijn! Je stuurt me AbdaUah niet, hoor je, want dan zitten we hier morgen nog te wachten I" Le petit Turc glimlacht wijsgeerig om de manier waarop madame Blanche over hem beschikt; hij tast in zijn vestzak naar züvergeld en reikt het Chadidscha, die zich vlug de sluier heeft omgehangen, welke haar opeens van 'n kindmeisje tot 'n schuifelend mysterie maakt, naar welks onthulling zwoele droomen kunnen uitgaan. Waarom Chadidscha zich slechts op straat sluiert? vraagt Charlotte. Hier zijn toch ook heeren? „Christenhonden!" legt madame Blanche uit. „Daarvoor is het niet noodig, je te sluieren; ook le petit Turc is voor haar 'n Christenhond geworden sinds ze weet, dat hij met Mohammed z'n broek afveegt en de paus respecteert." Le petit Turc legt daarop vol waardigheid uit waarom de andere Moslims zelf nog mede-schuldig zijn aan de réligieuse émancipatie van de jonge Turken. Laat 'n Turk zich namelijk nog eens tot 'n bedevaart naar Dschidda en Mekka verleiden, dan krijgt hij in het aangezicht van de Kaaba te hooren, dat hij de naam van Moslim niet verdient. Hier, z'n eigen vader, de vader van le petit Turc, is er door 'n conservatief Wahabiet voor heidensche hond uitgemaakt, terwijl hij juist eerbiedig z'n hppen op de Zwarte Steen wilde drukken! Zulke dingen zijn niet pleizierig, nietwaar? En dan te bedenken wat de Turken in de Kruistochten ! Neen, het gelaat der jong-Turken is niet meer naar Mekka, maar naar het Westen gericht! „Et le tien?" vraagt madame Blanche en wrijft hem met de mollige rug van haar hand over de gladgeschoren wang. „En het jouwe? Pas op, als jij te veel naar mademoiselle kijkt, hoor!" Het is maar 'n grapje, hoewel le petit Turc vandaag werkelijk meer aandacht aan Charlotte wijdt dan gisteren en hij het verhaal ook in de eerste plaats voor Charlotte heeft afgestoken, die er geïnteresseerd naar luisterde. Grapje of geen grapje, signor' Alfredo is er weinig mee ingenomen. Hij wijdt zich weer geheel aan Charlotte; hij is ernstig verliefd en spreekt haar melodieus, met weeke, bezielde stem toe, die, geheel in overgave, zijn gevoelens reeds over-duidelijk vertolkt. Al naar de woorden, die hij spreekt, lacht of schreit er iets in signor* Alfredo's stem, en zijn oogen staan deemoedig als bij 'n klein, trouw hondje. Met overdreven ernst vraagt hij haar naar Holland: waar ze woont en of ze bij haar ouders woont en nog veel meer, en door de weemoedige wijze waarop hij er naar informeert, wordt alles in Charlotte's eigen oogen .grijs en eindeloos triest. Goddank! — hij stapt nu van dat onderwerp af (haar antwoorden zijn ook spaarzamer geworden) en vertelt haar, plotseling vergenoegd en veelbeduidend, dat hij, signor' Alfredo, hier in Caïro „en club" is. „Ah.. - pui," zegt Charlotte en begrijpt in de verste verte niet wat hij kan bedoelen. Hij doorziet haar onkunde, neemt ze haar verder niet kwalijk en maakt haar liever wijzer door zijn werkkring nader te omschrijven. Signor' Alfredo houdt toezicht in 'n speelclubl Hij beweegt zich onopvallend tusschen de gasten en geeft acht, of iemand op het laatste oogenblik, als aller oogen op het uitrollende balletje gevestigd zijn, z'n inzet soms van rood op zwart verschuift, of omgekeerd. Het is goedbeschouwd 'n eerambt; men kan het geen werken noemen; signor' Alfredo hoeft er zijn handen niet bij vuil te maken; hij heeft slechts aanwezig te zijn, en op zijn schouders rust het volle vertrouwen van de bank. Hij beweegt zich vrij door de zaal, en wanneer het hem lust, ziet hij bij het spelen toe. Soms ook zit hij eenige tijd in 'n clubfauteuil en rookt een, twee sigaretten. Soms verzoekt hij iemand, voor hem méé te zetten tot dit of dat bedrag, iemand, die op zoo'n avond het geluk op z'n hand heeft. Het gebeurt ook, dat signor' Alfredo zelf voelt: op dit of dat nummer kan men zetten. Dan geeft hij 'n ander 'n wenk, en de winst wordt gedeeld. Natuurlijk, soms bedriegen voorgevoelens, en dan is hij ook bereid het verhes te deelen, indien men daarop staat, 's Avonds om elf uur is hij in rok aanwezig. Hij heeft twee maal per jaar 'n nieuwe rok noodig, en elke kleermaker levert hem die graag; in de speelzaal maakt men hem 'n compliment over z'n goedzittende rok, en dan zegt hij: die en die kleermaker heeft 'm geleverd, en zoo stroomt van verschillende zijden het geld binnen zonder dat men er zich bij heeft te vermoeien, % Ochtends om vier of vijf uur komt hij thuis. Heeft mademoiselle geen auto gehoord vanmorgen om half vijf ? Haar venster hgt toch aan de straatzijde. Tiens... Iets imposanters dan signor' Alfredo kan men zich moeilijk denken. Ministers en generaals noemen hem tu et toi. De koning kent hem, koning Foead kent hem (het is 'n héél deftige speelclubl) en heeft eens gevraagd: waar is m'sieur Alfredo vanavond? Js m'sieur Alfredo er niet? Hij kan mademoiseUe ook 'n Fransch weekblad laten zien, dat ten gerieve van de society in Caïro verschijnt; het is 'n blad, dat geen doekje voor de mond neemt; de intiemste aangelegenheden en schandaaltjes worden er - sans pardon! in verklapt; slechts de namen breekt men af, maar zoo, dat ieder ze herkent. Maaleshl heet het weekblad, dat is eigenlijk *n Arabisch woord, het meest populaire Arabische woord van dit land; het beteekent: „Laat maar loopen, - wat is er nog aan te doen?" en het is 'n raadgeving aan ieder, die zoo dom is, zich boos te maken over wat er van hem in het blad verteld wordt. Er heeft dan bijvoorbeeld in gestaan: „Est ce que m'sieur A. fr.. o va se marier ? en daaronder, dat men m'sieur A.fr. .o aan de arm van 'n dame gezien had, die hier de naam had van trouwlustig te zijn! Iedereen in de club zei, dat niemand anders met deze m'sieur A. fr.. o bedoeld kon zijn. Maar - als cavalier 1 - had hij hun nieuwsgierigheid niet bevredigd. Ah, men moet nog blij zijn als men er zoo afkomt, want ze durven nog heel andere dingen te schrijven 1 Signor' Alfredo is door de eervolle vermelding in het weekblaadje oneindig geflatteerd, zou ook geflatteerd geweest zijn indien er gestaan had: „Est ce que m'sieur A. fr.. o a abandonné sa maitresse en Italië sans moyen de repatrier ?" Hij hóórt bij de society, - dat is het maar waarop signor' Alfredo wil neerkomen. Ministers en generaals kennen hem, en als ze veel gewonnen hebben, drukken ze hem bij het verlaten van de speelzaal 'n bedrag in de band. Minder dan vijf pond neemt hij echter niet aan! Minder dan vijf pond geeft hij aan de portier, die de minister of generaal in z'n jas helpt, en hij zegt: „Hier, bedank meneer. Dit heeft meneer je gegeven." Zoo is signor' Alfredo. Zal Charlotte hem kunnen weerstaan? Ze is moe, legt zich die middag voor 'n korte siësta neer. Maar de eerste tijd raakt ze niet in slaap: in de kamer er naast kleppert het schrijfmachinetje van madame Blanche: haar werk komt practisch voor 'n groot deel op correspondentie neer. Fransche, Grieksche, Italiaansche correspondentie. Het zou madame Blanche veel voordeel brengen, indien ze ook in 't Engelsen kon corr es pondeeren, maar ze veracht de Angelsaksers, hun Baedekers, hun geld, hun taal. Ah, Charlotte moet er haar niet van praten, - het zijn verschrikkelijke kerels. Ze staan in 'n tram voor 'n vrouw op, maar het is geen galanterie; ze verlangen er zelfs geen vriendehjk knikje voor terug; het is, alsof ze ineens buikpijn krijgen en daarom niet meer kunnen bhjven zitten; niets, niets voelen ze voor 'n vrouw. Zij, madame Blanche, neemt aan om in 'n hemeltergend dessous, 'n zijden kimono losjes omgeslagen, tusschen twee Engelschen op 'n bank te gaan zitten, in 't Ezbekyeh-park, bij maneschijn, de heele avond, de heele nacht, en als «dan de zon weer opkomt, zijn die twee aan hun zeven-en-zeventigste pijp, en in haar kimono zit geen kreukje. Bah, wat 'n kerels! Klapperdeklapperdeklap! gaat het machientje haast onafgebroken; in de korte pauzes hoort Charlotte iets zwaars op de grond bonzen: le peüt Turc oefent er misschien z'n athletische toeren bij. Buiten brandt de zon, maar het bed is heerlijk koel. De blinden zijn dicht. Allengs vervaagt het klapperen in de kamer ernaast... Charlotte ziet nu 'n gezicht voor zich verschijnen. Eerst heel vaag, en ze vraagt zich af wiens gelaat het zijn kan. Nu het duidelijker wordt, herkent ze het. 't Is het gezicht van meneer Dessauvagie. Sinds haar vertrek van de boot heeft ze niet meer aan hem gedacht. Is dat gisterenmorgen pas geweest?? Toch niet mogehjk! Hij is het. Charlotte herkent hem aan zijn oogen, die niets anders zoeken dan: de vrouw. Vaag herinnert Charlotte zich, dat er tusschen haar en Dessauvagie iets minder prettigs geweest is. Stellig iets onbeduidends, want waarom zou ze boos op hem worden? Zijn oogen kijken haar aan, en ze weet opeens, dat ze vrouw is, als ze dat soms vergeten mocht zijn. Het is heerhjk, met gesloten oogen op 'n koel bed te hggen en het door je heele lichaam, tot in de kleinste vertakkingen van je arteriën, tot in het fijnste weefsel van je zenuwgestel te voelen dat je vrouw bent. Doodssdl hgt Charlotte; het hcht, dat door de kieren en spleten van de blinden binnenvalt en tegen het gepleisterde plafond weerkaatst, schijnt rozig door haar gesloten oogleden, 'n Verianeen wordt in haar wakker; als ze het zelf 1 tracht te herkennen, verliest het zich in het onbestemde. Zwaar voelt ze haar leden; 'n prikkeldene matheid breidt er zich over uit. In haar hart schijnt al haar bloed tezamen te stroomen. Nu ademt ze 'n vreemde, bedwelmend-zoete geur in; haar gedachten worden nog verwarder, weigeren gehoorzaamheid wanneer Charlotte ze weer tot de orde wil roepen; geest en lichaam zijn nu nog slechts verlangen, rijp verlangen; 'n onbewuste, half pijnlijke, half lokkende glimlach ligt om haar mond. Ineens treedt haar bewustzijn op. Er buigt zich werkelijk iemand over haar bed! Ze schrikt, wil zich angstig uit haar droom losmaken. Maar loom, loom, als verlamd zijn haar leden; ze kan baar oogen niet open krijgen. Chadidscha. Het is Chadidscha maar, cue 'n koperen vaatje boven haar hoofd rondzwaait, 'n glimmend koperen vaatje, waaruit wierook kringelend wegzweeft. Chadidscha is gekomen om de booze geesten te verdrijven, die Charlotte's slaap zouden kunnen verstoren. Wierook brengt zoete droomen... Als Chadidscha haar ziet wakker schrikken, schrikt ze zelf, legt haar vinger dwingend op de gespitste lippen. Ssssschtl Ssssssssscht! Slapen moet mademoiselle! Slapen...! Charlotte begrijpt nu dadelijk alles. Weerloos glimlacht ze tegen haar heilbrengster. Deze kan nu heengaan: de Djinnen zullen de kamer wel zijn uitgevlucht, indien ze er waren. Bij de deur knikt Chadidscha haar aangebeden mademoiselle nog eens bemoedigend toe; Charlotte's glimlach doet haar stralen van voldoening. Sssscht! Slapen! Chadidscha houdt het hoofd schuin, legt de smalle, bruine hand onder de wang. Zoo, slapen... i Oogen toe en dan sla.. .pen! De deur gaat achter baar dicht. Charlotte rust 'n tijdje op haar elleboog, staart voor zich uit. Het schrijfmachinetje hoort ze nu niet meer, in de plaats daarvan twee gedempte, opgewonden Italiaansch tegen elkaar insprekende stemmen. In de kamer is de zoete geur van de wierook blijven hangen. Heeft ze niet iets gedroomd, daarstraks? Die Cha- didscha met haar wierook... - jazeker, Charlotte heeft gedroomd. Ze zucht laat haar hoofd in het kussen wegzinken, vanzelt vallen haar oogen weer toe. Ergens zoemt 'n vheg. Zzzzzzzzzzzzzzzzzoem. Die middag, als de grootste hitte voorbij is, gaat zij met madame Blanche de Arabische stadswijk weer in, ditmaal om enkele moskeeën te bezichtigen. Charlotte is verbijsterd door de rijkdom daarbinnen, het stil glanzende marmer, het bonte glazuur, vooral het rmnitieuze snijwerk, waarin geen herkenbare motieven voorkomen, behalve enkele Arabische schriftteekens, die - steeds weer met dezelfde liefdevolle zore tot in het oneindige herhaald zijn. Charlotte heeft wel van Mohammeds verbod gehoord, het verbod aan alle geloovige Moslims om zij het in hout, zij het in steen, zij het in welke andere stof dan ook God en zijn Creaturen uit te beelden. Zoo hebben de houtsnijders eeuwen lang naar abstracte motieven gezocht en de schriftteekens uit de Koran tot volmaakte, gestyleerde bezonkenheid opgevoerd; zoo is er thans in de moskee niets dat afleidt van Allah, Wiens Naam geprezen zij, - zoomin als de starre, stipt voorgeschreven vorm doet n ^ SlndS eeuwen woordelijk herhaald, dit Madame Blanche tracht niet zooals Charlotte, die zwijgzaam, peinzend rondziet, door te dringen in de wijsheid van Mohammeds wetgeving. In de eerste moskee, die ze bezoeken, de vermaarde Sultan Hasanmoskee, ontwijdt ze de vloer door de mat te verlaten, de vuile, waardelooze mat voor de Christenhonden, en op het marmer te treden. Zij had juist gedacht, dat de mat heilig was, maar men hoefde t maar te zeggen: ze wou zelfs wel op handen en voeten loopen, - dat was niet zooveel erger dan iemand in die groote sloffen te laten rondsjouwen, die verre van flatteus ajn en haar telkens doen struikelen. Geladen met critiek sloft ze als n trouwe duenha achter Charlotte aan en trekt 'n clownsgezicht wanneer Charlotte eens glimlachend naar haar omziet In de tweede moskee, de niet minder beroemde „blauwe moskee , overkomt haar 'n klein malheur: haar jarretelle springt los, en terwijl ze die weer vastmaakt, deelt ze Charlotte vertrouwelijk mee, dat zij ze van le petit Turc gekregen heeft. De vlegelachtige gids, die men bij zulk 'n moskeebezoek op de koop toe moet nemen, staat grijnzend toe te zien, maar krijgt nu in z'n moedertaal de wind van voren. Of hij, als z'n eigen gevoel voor welopgevoedheid het hem dan al niet zegt, niet geléérd heeft, dat 'n Arab vóór zich kijkt wanneer 'n dame haar toilet in orde brengt?! In de derde moskee, de Ibn Touloun, heeft madame Blanche genoeg van al dat snijwerk en die koperen kettinglampen en begint Charlotte iets te vertellen... iets over signor' Alfredo! Ze had er eigenlijk over willen zwijgen, maar... Signor' Alfredo is daarstraks, terwijl Charlotte sliep, bij madame Blanche op de kamer gekomen en heeft haar z'n hart uitgestort. Gek, gek is hij van Charlotte, gek van razende verkefdheid, ,jl en mourirait!" Nou ja goed, 'n man denkt gauw, dat ie sterven zal, vooral wanneer hij zoo verliefd is als signor' Alfredo op Charlotte. In elk geval is het interessant, dat hij ermee bij madame Blanche kwam; hij voelde haar zoo'n beetje als Charlotte's moeder, zei hij, niet bar complimenteus, maar ze hoorde 't toch graag. En of haar ook iets bekend was? vroeg hij. Of hij op wederliefde hopen mocht? „Elle te déteste," had madame Blanche maar vast gezegd om hem op te monteren. Madame Blanche valt in 'n onderdrukte lachbui. Radeloos was signor' Alfredo geworden en had haar gevraagd, of ze dan tenminste onopvallend 'n goed woordje voor hem zou willen doen. (Dat schijnt dus iets waard te zijn, lief jel) Jawel, dat wil ik wel doen, heeft madame Blanche gezegd, maar ik hoop, dat ze er niet naar luisteren zal...! „U kijkt heelemaal niet," zegt Charlotte. „En hier is toch genoeg te zien!" „En wat dan bijvoorbeeld, m'n hartje?" f „Nou, dat prachtige snijwerk, om maar iets te noemen. Het snijwerk. Madame Blanche gaat er voor staan. Zij is niet dwars; zij wil óók wel kijken als er werkelijk iets moois te zien is. Maar nou juist dat snijwerk! Dat is overal precies ^Jazeker, dat geeft Charlotte toe: het zijn slechts enkele motieven en die worden steeds herhaald. Maar daar gaat juist zoo'n prachtige rust van uit. En de natuur dan? Herhaalt de natuur dan niet? Heeft de natuur dan niet het geduld om eenzelfde bloem, 'n zelfde insect of wurmpje, 'n zelfde vogel, visch of schelp milliarden en nog eens rnilliarden keeren te copieeren? En openbaart ze zich in die ontzagwekkende herlialingen niet even grootsch als in haar eindelooze variëteit? Jazeker, dat weet madame Blanche wel: de natuur is óók vervelend. En zeker in dit land! Die doet ook niets dan herhalen: dan weer zand, dan weer 'n boom, dan weer 'n kameel, dan weer 'n Arab, dan weer 'n neger en dan het rijtje weer van voren afaan. Ja, lach nou maar niet: het is zoo. Stil, die kerel zal ons net wat gaan vertellen. Inderdaad, de gids wil de dames op iets attent maken. Hier, in de Ibn Touloun-moskee, bevindt zich onder de leerstoel 'n poortje, en er door te loopen, brengt geluk! Maar men moet er 'n goede daad bij doen: de gids 'n shilhnggeven. Madame Blanche haalt zonder aarzelen 'n shilling uit haar taschje. Ze wil voor Charlotte geluk koopen als dat voor n shilling te krijgen is. Charlotte moet onder het poortje doorgaan, - er is al voor betaald. Charlotte vindt, dat madame Blanche voor haar shilling zelf door het poortje moet gaan. Maar neen, neen, dat wil madame Blanche niet, voor geen geld ter wereld, - daar heeft ze haar goede reden voor. Die goede reden schuilt in 'n ietwat gecomphceerd bijgeloof. Madame Blanche hééft nu juist geluk, niet waar?Le petit Turc bemint baar met 'n vuur, dat dat van haar Sicihaansche man evenaart, die nu, pauvre garcon, in de hemel is, èn ze heeft op dit oogenbhk Charlotte, die haar Ahce a ii a?e?ien- Wil ze nu nóg meer geluk en nog wel uit Allah s hand, dan zou haar geluk in ongeluk verkeeren, zoo wis als twee maal twee vier is. Nu is toch waarempel haar jarretelle alweer losgesprongen, en haar zwartzijden a-jour kous zit reeds gerimpeld om de mollige kuit. Vooruit, mn hartje, ik volg je wel! - En als Charlotte, om madame Blanche te plezieren, met gebogen hoofd door het poortje is gewipt, verdwijnt ook madame Blanche erin, ontvangt Allah s zegen en herstelt, ongezien door de Arabische gids, het ongelukje voor de tweede maal. Nu komt ze weer te voorschijn, maar weigert de goede daad te verrichten, die de gids er als verplichtend bij genoemd heeft. De bedrogene zucht, maar, iets timider dan z'n beide voorgangers, doet hij geen verdere moeite bij madame Blanche, die zoo vloeiend Arabisch spreekt. Ja... ze had 't Charlotte dus eigenlijk niet willen vertellen, dat van signor' Alfredo. En waarom niet? Omdat ze hem had beloofd erover te zwijgen, 'n Man 'n man, 'n woord 'n woord. De zuivere waarheid is 'n andere; niet de belofte van het zwijgen heeft haar 'n uur lang de mond gesnoerd, - het khnkt mooi, maar 't is niet waar. Signor' Alfredo was al niet oprecht toen hij haar vroeg om er over te zwijgen; hij weet te goed, dat zulke overgebrachte hefdesverldaringen elke vrouw flatteeren en haar, al weet ze 't zelf niet, zwak maken. Hij weet het, ook al vraagt hij met smartelijk opgetrokken wenkbrauwen nadrukkelijk om dit zwijgen. En madame Blanche weet het nog veel beter. Dat was de ware reden waarom jze zweeg. Ja... zoolang ze 't uithield. Het is dom van haar geweest om erover te spreken, maar hoe kan men op de duur zooiets voor zich houden? Le bon Dieu heeft de vrouwen babbelziek geschapen, - wat kan madame Blanche, die ook maar 'n vrouw is, daaraan doen? Ze tracht nu in Charlotte's oogen de indruk af te lezen, die signor' Alfredo's indirecte hefdesverklaring in haar wekt. O, dat ziet er slecht uit voor de sukkel. Charlotte heeft 'n afkeer van zijn dweepzieke oogen, die nooit het daglicht zien. (Van 's morgens vroeg tot 's namiddags slaapt hij, met als korte onderbreking het middageten, dat bij lamplicht genuttigd wordt.) Enfin, iemand, die wanhopig verliefd is, blijft beklagenswaardig en verdient niet, ook nog met hardheid bejegend te worden. Zoolang hij het haar niet onmogelijk maakt, zal ze vriendelijk voor hem zijn. Het gaat trouwens immers nog maar om één dag. Mon Dieu...! zucht madame Blanche, ontsteld. Is het morgen dan werkelijk al de derde dag? En moet ze daarna naar de boot terug?! Ach wat...! Ze bedenkt zich nog wel! Nu zitten ze in de tram naar huis. Ze zullen 'n boterham eten en dan vanavond naar het acht-uurconcert in het Ezbekyeh-park. Madame Blanche wil ook nog vlug even één brief schrijven, die morgen meemoet met de mailboot naar Frankrijk. Als ze thuis komen, draaft madame Blanche naar de keuken om Chadidscha te zeggen, dat ze vlug de koffie en het avondbrood brengt. Chadidscha bhjkt naar de markt te zijn, maar madame Paparigopulos zal er zelf wel even mee komen. Goed. Rikketikketikketikl kleppert even later het reisschrijfmachinetje, en het voorhoofd van madame Blanche fronst zich in streng, zakehjk denken, terwijl haar korte, spitse vingertjes kittig over de toetsen huppelen. Terwijl Charlotte de foto's aan de wand beziet, komt madame Paparigopulos, klein en bedrukt als steeds, met 'n blad binnen; Charlotte heeft de droevige, vermoeide trek om haar mond nog niet zien wijken; ze heeft haar nog niet hooren lachen, en nu, in het halve Hcht van de deur ziet ze er werkehjk lijdend uit. Aan haar rok hangt 'n vierjarig kind, haar dochtertje, dat zich gisteren en ook vanmiddag nog schuw voor Charlotte verborgen heeft gehouden, maar nu, wat gerustgesteld, met moeder 'n keer meekomt in de kamer. Charlotte, plotseling getroffen door het uitzien van madame Paparigopulos, wil haar het blad afnemen, maar daartegen rijst protest. Neen, neen, madame Paparigopulos zal het zelf wel neerzetten. „Is dat uw kindje?" Charlotte wil het 'n hand geven, maar het kruipt tusschen de rokken weg, - de moeder duwt het haar daarom met krachtige hand toe. Nu staat het voor Charlotte en kijkt haar, de handje stijf achter de rug, met onvervalschte kinderwoede recht in het gezicht. Groote, donkere, haat-gloeiende kijkers in het slecht gewasschen gezichtje, dat 'n bedenkelijk kamerkleurtje heeft. Het halfkort geknipte haar is door 'n mager hntje slordig opgesierd; het kind draagt 'n aardig, blauwzijden jurkje, dat echter vuil en vol vlekken om het kleine lijfje hangt. Hoe het heet? vraagt Charlotte vriendelijk en tracht te verbergen, dat ze van de bhk uit die kinderoogen geschrokken is. Als het kind blijft zwijgen en de lippen vast op elkaar klemt, antwoordt de moeder en eeeft. zenuwachtig, de kleine ondeugd 'n klap om de ooren. Het kind vertrekt geen spier van het kleine, wasbleeke gezichtje. Haat, niets dan haat in de oogen, om de mond. . Charlotte overwint zichzelf, neemt 'n vast besluit, knielt bij het kind neer en lacht het toe. 's Kijken of ze dat diepbeklagenswaardige wezentje voor zich winnen kan! Ze vraagt het kind, of het poppen heeft. Die zou Charlotte dan zoo graag óók eens willen zien, want ze heeft zelf zooveel poppen gehad. De een heette Jean en de andere heette Tacques, en de eene heette Kwik en de andere heette Kwak, en de een had 'n jasje van fluweel en de andere had n broekje van fluweel, en de eene kon z'n oogen dichtdoen als t slapen ging en de andere had 'n barst, en de dokter kwam er dagelijks naar kijken. . . . De moeder is ontroerd, dat Charlotte voor haar kind knielt en het met haar blauwgrijze, ernstige, zachte oogen tot in. het kleine, vergiftigde zieltje kijkt. „Het kind verstaat alleen Grieksch..." zegt ze treurig. J Nu ziet Charlotte de moeder aan. „Maar dan kon ze t toch ook niet verstaan toen ik daareven haar naam vroeg? O neen, natuurlijk niet. Daaraan heeft madame Paparigopulos niet gedacht; haar gedachten zijn vaak geheel in de war; haar zenuwen spelen haar parten. „Maar u moogt het kind toch niet zoo zonder nadenken slaan," zegt Charlotte ernstig. . Heeft ze 't kind geslagen? Dat doet ze vaak in haar zenuwachtigheid zonder dat ze 't zelf merkt. Maar het kind maakt haar ook zoo driftig. Het huilt, het snoept, het jokt en gooit alles moedwillig stuk. Het is te trotsch om beterschap te beloven; men slaat het en weet niet, of men het pijn doet, want het brengt de lippen niet van elkaar, - ook niét als haar man het slaat. Het is nog met zmdehjk. Het plaagt en sart haar alsof het 'n groot mensch was. Het heelt nog nooit tegen haar gelachen, tegen de eigen moeder heert het nog nooit gelachen! - het is 'n slecht, slecht kind, dat geen medehjden kent. Het ziet z'n moeder werken en bedenkt alles om haar nog meer werk te bezorgen. Het gaat in de kamers van de gasten, neemt er iets weg en verstopt het; het ziet z'n moeder zoeken, maar zegt met waar het t verstopt heeft; liever laat het zich doodranselen. De duivel steekt in dat kind; vaak bidt madame Paparigopulos tot God en alle Heiligen der kerk om de booze te verdrijven. Niets, niets helpt. Nu staan de oogen van madame Paparigopulos vol tranen; ze strijkt het kind over het slordige hoofdje, buigt er zich onhandig over, als over het kind van 'n ander, - kan niet spreken. Madame Blanche dkt ongestoord verder aan haar brief. „Komt het kind nooit buiten?" vraagt Charlotte. „Heeft het geen vriendjes en vriendinnetjes?" De moeder schudt ontkennend het hoofd. Haar man zou het kind mee kunnen nemen. Hij gaat wandelen, of naar het Zondagmiddagconcert in het Ezbekyeh-park luisteren, maar hij schaamt zich om z'n eigen kind mee te nemen. Met Chadidscha zou het naar de markt kunnen gaan, maar het wil niet met haar op straat wanneer ze haar sluier draagt; het is bang, voor 'n Arabisch kind te worden gehouden. Het bespuwt de zwarte porder. Andere kinderen krabt en bijt het, en die willen daarom niet hebben, dat het meedoet aan hun spelletjes. Trouwens... het zou zelf niet willen. Madame Paparigopulos gaat nooit de straat op; ze kan moeihjk weg uit het pension; er kan altijd 'n nieuwe gast komen, en dan zal juist haar man óók zijn uitgegaan, want hij houdt van kaartspelen en gaat het huis uit wanneer het hem in de zin komt. Terwille van het kind heeft ze 't wel gewaagd om uit te gaan; ze neemt het ook mee als ze zelf iets moet gaan inkoopen, maar dan heeft ze haast; ze is gejaagd, en onderweg wil het kind naar huis terug, schreeuwt en slaat haar, en als ze dan terugslaat, ja, dan huilt het kind om z'n moeder voor de menschen beschaamd te zetten, de menschen, die niets, niets weten en er omheen komen staan om haar voor 'n slechte moeder uit te maken. Het kind hoort de wanhopig uitgesproken klacht. Het verstaat geen woord, maar het weet precies waarover het gaat; het ziet de verbijsterde oogen van Charlotte en kijkt haar spottend, vol verachting aan. „Zou je met mij wel op straat willen?" vraagt Charlotte zwak. „Zullen we morgenochtend samen naar het Ezbekyehpark gaan....?" De moeder vertaalt het, met schreiende stem, dof, zonder eelonf. Het kind snuift, veegt zich met het blauwzijden jurkje over de bovenlip en zwijgt. Nu, trillend van drift, in haar zenuwachtigheid Charlotte vergetend, schudt de moeder het kind door elkaar. Het bijt, gilt, trapt z'n moeder tegen de schenen, en deze duwt, woorden van machtelooze woede prevelend, het kind voor zich uit, de deur uit naar de gang, waar de zware stem van meneer Paparigopulos zich bestraffend laat hooren. Met 'n slag trekt ze de deur achter zich en het kind dicht, en uit de gang klinken de driftige stemmen van de ouders nu tegehjk, vermengd met het geluid van klappen. Charlotte richt zich op, gaat op 'n stoel zitten. „Ma petite..." zegt madame Blanche meewarig, staat van haar schrijfwerk op en omvat Charlotte's kin. „Jij kent 't leven nog niet. Dat is soms anders dan in de romannetjes. Bah... la saletél De vader is schuldig. Die steekt geen hand uit, en hij zal haar nog gek maken, die brave Luigia. Kijk uit wie je neemt; kijk uit vooral wie je vader van je kind maakt. - Kom, eet je brood en drink je koffie, we moeten al haast weg!" Charlotte eet mechanisch. Terwijl ze haar koffie drinkt, staart ze zonder ze te onderscheiden naar de adressen van de voor de verzending gereedgemaakte enveloppen, welke madame Blanche haar niet zonder trots voorhoudt. Alsjeblieft, Barcelona (antwoord op de juist binnengekomen brief!), Havre, Napels, Brindisi, Piraeus, Bari, Marseille, Genua. Ze verdient heusch wek eens van nabij bekeken te worden, de zakehjke correspondentie van madame Blanche. Naar alle havens van de Middellandsche Zee gaan haar korte, duidelijk gestelde, zonder door-halingen getikte briefjes. In elk ervan verraadt wel één zin haar temperament en zakehjk, schrander inzicht, aanmoedigend tot wagen en breed opzetten. En om haar brieven onweerstaanbaar te maken en voor vergeten te behoeden op overvulde schrijftafels, bewaart madame Blanche enveloppen en schrijfpapier in 'n sandelhouten doos. „Hier, ruik maar 's, m'n hartje 1 Wat, ruik je niets? Geen man ontgaat het, wanneer hij zich achter z'n schrijftafel zet, en tusschen z'n correspondentie 'n geparfumeerde enveloppe het!" In het Ezbekyeh-park speelt de muziek, met 'n voorhefde voor het nasaal-monotone. Het orchest wordt door geuniformeerde Oosterlingen gevormd, allen met de roode fez op het zwarte haar. Trompetten en trommels domineeren; er zijn zelfs 'n paar doedelzakken ingelascht. Uit het programma ziet Charlotte, dat het oostersche muziek moet zijn. Maar dan toch wel heel sterk westersch beïnvloed. Er worden slechts „orcheststukken" gegeven, zooals de menschen het graag hooren; de namen ervan staan in oostersche schriftteekens op het programma; met kleinere letters zijn er ook in het Fransch sensatie-titels onder gevoegd: „De bruid der Woestijn", „De Djinnen in de Zandstorm", „De Vlucht der Ibissen". Wagner is ook op z'n post. Rondom staan en zitten op parkstoelen Arabieren, Turken, andere Levantiinen. Weinige zuiver-Europeanen bewegen zich er tusschen, vreemdelingen, die zelfs voor de muziek hun Baedeker niet hebben thuisgelaten. Oosterlingen gaan zelden met meer dan hun tweeën of drieën, schrijden met groote, waardige passen steeds om de muziektent, zacht pratend, soms stilstaand, gesticuleerend, geheel gevangen in hun gesprek. Velen van hen zijn reeds Europeesch gekleed, bhjyen slechts getrouw aan hun roode fez, prefereeren verder bruinrood schoeisel, laag, met gelakte punten, a-jour bewerkt naar oostersche trant, en daarboven lichte, zijden sokken. Maar hoe mooi ook uitgedost, - oneindig veel voornamer, indrukwekkender en smaakvoller dan de colbertjes blijft de met 'n sjerp omwonden kaftan, de smalle, witte tulband om de fez, de wijde, in grootsche plooien neervallende burnoes. Vreemd is voor Charlotte in deze halfslachtige muziek de oostersche grondtoon. Terwijl madame Blanche tot haar spreekt, luistert Charlotte slechts naar dat teugelloos melodiëeren, dat geen begin en geen einde heeft zoomin als het snijwerk in de moskees; op en neer, op en neer joedelt de gillende wijze uit de doedelzak, alsof het nooit zal eindigen. Dof rommelen de trommels en wekken 'n voortdurende spanning, die hunkeren doet naar 'n oplossing, 'n slotkamp op leven en dood met de melodie, die door de donkere dreiging der trommels steeds weer angstig opgezwiept wordt. Maar onopgelost breekt de muziek af. Het is 'n primitieve, archaïsche muziek, die Charlotte door deze verbastering nog heenvoelt; ze schept slechts sfeer, beïnvloedt met geen uitgewerkt thema de gedachten; ze geeft zich niet af met tijd en tijdstroomingen; ze is er nu eenmaal, onveranderhjk; ze is zoo oud als de koran, neen, nog veel ouder, zoo oud als de woestijn, en heeft het onopgeloste, tijdlooze van de wind en het ruischen van de branding. Hoor, nu wordt ze naar westersche smaak misbruikt voor illustratie. Er wordt 'n zandstorm geïmiteerd, 'n Zandstorm in zakformaat, 'n Zandstorm van razende trommels en snerpende, joelende klarinetten. Dan weer 'n fata morgana. De schril-weemoedig vibreerende Engelsche hoorn bezingt ephemerische wolkenpracht; cymbalen schallen blijdschap; de fluiten kweelen jubelend, maar dan opeens breekt alles zonder echo af; verbitterd grommen de bassen; smartelijk zet de alt in; de celü en violen sluiten zich aan, en dan zinkt berusting over het orchest; trager wordt de slingering tusschen doffe wanhoop en opstandig menschelijk lijden en - er is geen God buiten Allah - de karavaan zet haar reis voort door de dorre woestijn. Razend succes. Bis, bis, bisl Jong, oplevend Egypte wil dit nieuwe; geen geïmporteerde waar, neen, alles van eigen bodem. Ak-ben-Ibrahim is de componist. En daar hij tevens het orchest leidt, kan hij in dubbele functie z'n roem oogsten met westersche buigingen. Het fata-morgana is er dus nog eens. Allen luisteren, kijken met open oogen en %ien het. Onder het donkere loof der boomen fladderen piepend de vleermuizen. Ook Charlotte werkt op sommigen als 'n fata morgana; ze hooren de muziek, aden Charlotte voorbijwandelen en kijken droomerig naar haar. Madame Blanche bevordert dit kijken op eigenaardige wijze. Zij lacht en praat door de zachte, illusionaire muziek heen; men kijkt geërgerd naar de kwebbelaar ster, maar als men daarbij de slanke jonge vrouw aan haar zijde ziet, vergeet men z'n ergernis en vindt in de blonde Charlotte, die zoo noordehjk en vreemd afsteekt naast het méér voorkomende type van de kittige, lokkende Fransch-Levantijnsche, de belichaming van de muziek. Madame Blanche is zich haar rol zeer wel bewust. „Als ik je moeder maar wasl" zucht ze. „Dan was jij nu al tien jaar getrouwd. Getrouwd met 'n charmante, knappe, welopgevoede man, groot en blond als jijzelf, eerste klas inkomen, onbesproken familie I" Charlotte glimlacht. „Maar je vyet toch, dat ze allemaal kijken met oogen als sauspannen 1 Het gaat er maar om, als moeder de goeie voor je dochter uit te zoeken en hem 'n duwtje te geven. Dat kan 'n meisje niet doen, dat moet haar moeder voor haar doen, daar hééft ze haar moeder voor. Verliefd worden is maar inbeelding, dat alles regelt de moeder, 'n Man is verliefd als je hem zegt, dat hij verliefd is." Of Charlotte dan zelfs nooit verloofd is geweest? Neen, heusch niet. Maar zoo'n beetje épris toch wel? Nu moet ze maar eens eerlijk vertellen om wie ze overmorgen naar die ellendige boot terug moet. Om niemand 1 Dus toch wel om iemand. Als 't in Godsnaam maar niet die van de trein is. Die zou Charlotte graag willen hebben, maar helaas, hij is al getrouwd. En wie zijn er ongetrouwd? Charlotte noemt ze op. De tweede stuurman. Groot, blond, knap, fatsoenlijk, precies volgens voorschrift. Vijf-en-twintig jaar. 'n Héél aardige jongen. Verloofd, maar dat vindt madame Blanche stellig niet zoo erg. Bah... die is het niet. Wie is er meer? Charlotte vertelt van meneer Strijbos. De ezel. Wie nog meer? Verder niemand. Ah, nu komen we op beter terrein 1 Neen, heusch niet. Verder is er niemand. Jawel. Neen! Jawel. Ja, als u me niet gelooft... Is de kapitein getrouwd? De eerste machinist? De tweede? Allemaal, jokt Charlotte. Madame Blanche merkt het, vraagt verder niets meer, leet nu, terwijl de muziek fluisterend de Lohengrin-ouverture inzet, haar bedoelingen luid en duidelijk aan Charlotte voor. Charlotte moet bij haar keuze uitzien naar 'n man, die werkelijk deugt om te trouwen. Ze moet daarbij haar verstand volgen in het belang van zichzelf en van haar kinderen. Liefde is iets, waarop je geen huizen kunt bouwen; van 't soort mannen, die je van hun hefde 'n mooi hedje voorzingen, krijg je er altijd nog wel 'n dozijn op de tien; Charlotte hoeft maar naar madame Blanche te kijken, die al 'n grijze pruik zou hebben als er geen haarverf bestond en die behalve le petit Turc nog 'n gros anderen kan krijgen. Die jonge stuurman van vijf-en-twintig is natuurlijk niets waard, dat heeft Charlotte zelf wel ingezien, 'n Man moet over z'n eerste jeugddwaasheden heen zijn. Denk er om, daar moet hij wat van te biechten hebben, want als hij altijd braaf is geweest, krijg je de poppen nog aan 't dansen nadat je twintig jaar in eer en deugd getrouwd bent geweest! Dus nogmaals: 'n groote, sterke, gezonde man, trouwhartig, wetend wat hij aan 'n vrouw, aan de moeder van zijn kinderen verschuldigd is. Een, die haar beschermen kan en haar in eere houdt. Heeft Charlotte dat goed begrepen? Jazeker, mevrouw! Charlotte vat het van de vroolijke kant op, heeft niet gemerkt, dat de moederhjke raadgeefster zelf 'n weinig aangegrepen is, - ze ziet het pas nu madame Blanche zich met ernstige, bezorgde oogopslag naar haar omkeert. „Zeg het nog eens, m'n kind." „Jazeker, madame Blanche!" „Jazeker... wie?" „Jazeker... Alice." Dankbaar, bruusk uit vrees van baar zwakte te zullen verraden, grijpt madame Blanche Charlotte onder de arm. XVI De volgende morgen gaat Charlotte met madame Blanche naar de Mammelukkengraven, die aan de zuid-oostkant van Cairo op n v/oestijnplateau te stoven liggen. Bij de Babel-Karafeh huren ze twee ezeltjes, witte, schoone ezeltjes met donkerroode koorden aan het zadel. Précieus trippelend dragen de beide dieren hun beparasolde berijdsters de poort Als ze 'n open markt gepasseerd zijn waar ónder de brandende zon kippen en eenden in manden, geiten, allerlei eetwaar en aardewerk verkocht wordt, neemt 'n draeoman de beide dames onder z'n hoede. Het is 'n deftige draeoman met saffraan-gele sloffen, en hij zegt, dat bij bif de Mammelukkengraven hoort, welker koepels en minaretten daar uit het geel van de woestijn oprijzen, - zonder hem is er voor de dames geen toegang. „Vooruit dan maar weer," berust madame Blanche Voor Charlotte, die de mooiste moskeeën van Caïro gezien heeft, zijn de Mammelukkengraven geen groote verrassing meer. Binnen in de grafgebouwen heerscht veel westersche smaak: de tomben zei/zijn te Parijs of in Italië besteld De gids somt de kostbare soorten marmer op, noemt fabelachtige bedragen, die ervoor besteed zijn, - ffii kijkt met op tienduizend francs. Hij vertelt hoe de Mammelukken, vrijgekochte slaven, tot Egypte's tyrannen geworden ajn; hi, vertelt van hun hoogmoed en wreedheid; hoe ze fcgypte kastijdden en uitzogen, - ja, maar toen kwam Mohammed Ah, nam de macht in handen, noodigde de Mammelukken-beys op zijn citadel, welke men van tal van punten in Caïro ziet, gaf ze lekker te eten en te drinken en net ze toen neersabelen. Bravo! Bravo! prijst madame Blanche. Andere tijden dan tegenwoordig! • Op de terugrit verlaat juist 'n karavaan de Bab-el-Karafehde beide ezeltjes moeten terzijde wachten tot door de smalle poort alle kameelen in kalme tred voorbijgegaan zijn met hun berijders, bagage en drijvers. Charlotte kan het op dit oogenblik weer niet vatten, dat ze zoo'n sprookje nu in werkekjkheidziet. Het gaat aües zoo gewoon toe: 'n Arabier bukt zich half over z'n kameel om traag in het zand te spuwen; 'n ander zoemt wat voor zich heen, terwijl hij op de beide parasols neerziet. De mannen zijn gekleed voor 'n woestijntocht: dichte, wijde mantels, het hoofd overschaduwd. „Zijn het pelgrims naar Mekka?" vraagt Charlotte, bereid om alles te aanvaarden. Neen, dat gaat met meer muziek. Dat is ook maar éénmaal per jaar, in de maand Schawwal; dan gaan ze van de Place Mohammed AH en ook niet door de Bab-el-Karafeh, maar juist de andere kant uit. „Maar Mekka Hgt toch in 't Zuid-Oosten? O, ze wülen zeker niet de Roode Zee, maar het Suez-kanaal over?" Ja, hoor 's, dat weet madame Blanche ook niet. Voor haar'part gaan ze er over de Chineesche Zee heen. Het is intusschen over elf, en madame Blanche zou vóór twaalf uur nog even 'n paar Syrische winkehers opzoeken. Ze heeft iets onder handen, dat haar waarschijnHjk geen windeieren zal leggen, maar ze is ontroostbaar, dat ze nu juist de laatste dag Charlotte 'n paar uren ontrouw worden moet. O, dat is heusch niet erg, want Charlotte wou toch nog graag even 'n paar briefjes uit Caïro schrijven. En madame Blanche is al zoo Hef voor haar geweest door haar nu reeds de derde dag haar tijd te wijden, terwijl ze 't toch waarempel druk genoeg heeft met haar zaken! VerachtcHjk gebaar van madame Blanche. Om half twee zal ze er met het eten weer zijn, maar dan moet ze nóg eens weg. Voor 'n belangrijke conferentie. Ja... Helaas. Charlotte zit op baar kamer te schrijven. Oom en tante deelt ze mee, dat ze 't hier zoo getroffen heeft met 'n aardige dame, bij wie ze in 't pension woont en die haar hier overal rondleidt, 'n Francaise. (Ze moesten haar eens kennen!) Ze eet hier in 't pension op z'n Italiaansch;; het zou niets voor tante zijn, die bij 'n ander het eten nooit lekker vindt, - maar Charlotte kan er wel tegen. Morgen gaat ze weer naar boord terug; ze wordt door de eerste machinist van de trein gehaald, - hij heeft er haar ook heengebracht. Aan de vriendinnen: ze heeft de pyramiden gezien vanaf 'n ezel en in de oogen van de Sphinx haar toekomst gelezen, die er rooskleurig uitziet en als achtergrond 'n rijke Amerikaan heeft met 'n auto. Overigens heeft ze Turksche koffie gedronken bij Mahmoed Soliman, 'n geurig heerschap. Ze wordt thans bij afwisseling op z'n Italiaansch bemind, maar *t zal wel niets worden, want ze heeft kever geen man, die *s nachts opblijft en overdag slaapt. Is er al nieuws'van Christine? Het is toch al gauw zoo ver? Nu, het antwoord daarop hoort ze toch pas in Holland. Van hier gaat het nu eerst naar Athene. Ze verheugt zich op de Akropolis en de prachtige oude tempels. Aan het hoofd van de school schrijft ze 'n beleefd briefje met belangstellende vragen, waarvoor ze zich eerst bezinnen moet. Höe ver hgt de school. Aan de kinderen van haar klas wil ze straks 'n mooie briefkaart sturen. Ook aan de goeie, trouwe meester schrijft ze. Mr. Bakhuis, i. machinist a.b. s.s. Medusa, agency zoo-en-zoo, Alexandrië, - dat heeft ze tevoren genoteerd. Ze arriveert morgen met de trein van 1.37 en hoopt, dat de Medusa nog niet naar Griekenland is weggestoomd. Als het de meester slecht uitkomt, mag hij baar niet afhalen, - ze vindt haar weg wel, en hij hoeft zich voor haar ook heusch niet weer om te kleeden: zij ziet hem veel liever in uniform. Aan de kapitein en de andere heeren moet de meester maar zeggen, dat ze haar morgen niet alleen ^ien, maar ook hooren zullen! En wel van boem-boem-boemmmmm... Prompt om half twee verschijnt achter adem, zaken in 't hoofd, madame Blanche. Vlug eten en dan moet ze weer weg: ze heeft nog twee kleine afspraken, maar om half vijf moet ze op 'n werkehjke conferentie zijn, waar men haar ervaring met de kleinhandel raadplegen wil 1 Haastig jongleert ze de gnocchi naar binnen waartoe madame Paparigopulos toch maar besloten heeft. Charlotte onderhoudt zich met signor' Alfredo. Gemakkelijk valt het haar niet: hij heeft zijn coiffure zoo sterk geparfumeerd, dat de heele gang er naar riekt; zelfs het eten schijnt er naar te smaken. En als hij naar haar indrukken uit de Arabische wijk vraagt en zij gewild-luchtig verhaalt van de tapijtwevers en koperdrijvers en van de grappige werkwijze der barnsteenslijpers, die de zaak met hun teenen dirigeeren terwijl ze met één hand de schaaf hanteeren en met de andere door 'n soort slapgespannen strijkstok de rotatie veroorzaken, die voor het slijpen noodig is, - dan zoekt zijn blik opdringerig-deemoedig de hare en hij Verneemt haar bizonderheden alsof dit openbaringen voor hem waren. Ah, si... de amberslijpers. Hij heeft in zijn ring 'n ambersteen. Ca porte bonheur... 1 En Charlotte moet de gelukbrengende steen in signor' Alfredo's ring bewonderen, - ze kijkt naar zijn üchtbruine, verzorgde vingers met de gepolijste nagels, die de vernedering van het werk niet kennen. „Bonheur" kan voor signor' Alfredo slechts vrouwelijke gunst, in dit geval Charlotte's wederliefde zijn. Zoo heeft hij het uitgesproken, zoo ziet hij er haar thans bij aan. Madame Blanche rolt haastig haar servet op: kijkt op haar armbandhorloge: ze moet weg. Au revoir, ma petitel En je haalt me om zes uur af, dan bhjven we vanavond tenminste nog samen I - Ze heeft Charlotte 'n papiertje gegeven waarop het adres van haar conferentie staat, - iedereen zal het Charlotte kunnen wijzen. Nu madame Blanche weg is, zit Charlotte met le petit Turc en signor' Alfredo alleen aan tafel: de dadels worden nog geserveerd. Haar Italiaansche aanbidder, die aan z'n liefde nog sterven zal wanneer ze niet beantwoord mocht worden, doet steeds aanhankelijker, lokt reeds vrijmoedige toespelingen uit van le petit Turc, die bij afwezigheid van zijn vriendin z'n aandacht aan Charlotte wijdt. Hij vraagt thans signor* Alfredo iets in het Arabisch, krijgt 'n kort, driftig antwoord, en hiermede acht Charlotte het oogenblik gekomen om op te staan, de beide heeren vriendelijk te verzoeken haar wel te willen excuseeren: ze is moe en wil zich liever op haar kamer terugtrekken. En tot wanhoop van signor' Alfredo, die le petit Turc de schuld aan Charlotte's plotselinge vermoeidheid geeft, gaat zij werkelijk heen, - hij hoort haar het slot van de deur omdraaien. Goddank, alleen. Tot hier in de kamer is de parfum van signor' Alfredo niet doorgedrongen. Ze wil 'n uurtje rusten en dan straks op haar eentje wat door de Arabische wiik dwalen Voor het laatst... 1 Aan elk sprookje komt 'n eind. Als ze hier te lang bleef, zou het misschien geen sprookje meer voor haar zijn, en dat ware jammer; nu neemt ze 'n onvergetelijke herinnering van hier mee. Door haar brieven daarstraks is haar weer te binnen geschoten, dat er ergens in het Noorden nog 'n landje hgt, dat Holland heet, en dat ze daar toch eigenlijk thuishoort! Verder wil ze nog maar hever met denken; de klas, de vriendinnen, dat aües ziet ze noe tijdig genoeg weer onder de oogen. Haar reis is toch nol met ten einde! 6 . Neen> haar reis is nog niet ten einde. Terwijl ze langzaam in gedachten, haar japonnetje uittrekt, tracht ze in zich zelf mt te vorschen, waarom iets in haar zoo vasthoudt aan at woord: de reis is nog niet ten einde. Natuurlijk, Athene, de Akropohs zal ze immers nog zien, misschien ook nog 'n Itahaansche, n Spaansche haven. Maar er schuilt voor Haar zeil ndieper beteekenis in,dat haar reis nog niet ten einde is. Le plaisir du voyage... c'est le retour. Ja-ja, maar Charlotte durft aan die terugkeer, welke volgens de Fransche paradox (Franschen weten niet te reizen) de grootste vreugde van elke reis zou moeten zijn, nog niet te denken en klampt zich met iets als wanhoop aan dit eene voor haar zelf zoo mysterieus klinkende zinnetje vast: de reis is nog met ten einde. ö Ze legt haar japonnetje voorzichtig over 'n stoelrand maakt heur haar los. In Holland wachten tante, de school die Badr Huseyn zoekt... ja, waar is ze, waar is ze... Charlotte weet nu. Met 'n korte beweging laat ze de sjaal onaangeroerd, van haar schouders glijden. Zonder nog om te zien, met haar grijsblauwe oogen wijd voor zich uit SÖJ*^' * ^,7^' «"* ^er'rechts oK ' sneUe nerveuze schreden, die hier in dit straatje van oostersche plechtstatigheid ongewoon zijn. Men men W^fT^ tot plaatsnemen" men kijkt van haar naar het winkeltje van Badr Huseyn, dié nu hoofdschuddend weer zichtbaar wordt en z'n doéken tf^ix:™?Niets> syi s*heeft ^ * 'n Glimlach gaat door het schemerige gangetje, 'n Glimkchgjt zwijgend van winkeltje tot wfn&tjfn, zig^n rienPAh " Want de buren kunnén elkL^nfi zien Ah, die Badr Huseyn dan toch...! De kooplui in de wmkdqes naast hem steken hun betulband hoof& but ten, en als ze de schelm m het oog krijgen, glimlachen ze. „Wat dan?" vraagt zijn onschuldig gezicht. Maar als hem van alle zijden de glimlach omringt, kan ook hij niet weerstaan, en zijn welbesneden schavuitenlippen krullen zich. Je weet 't ook nooit met die alleenwinkelende misses. Zijn ze op 'n avontuurtje uit, of niet? Het is hem toch ook al vaak gelukt, met z'n galante hofmakerij 'n dure sjaal te verkoopen 1 Zonder te weten hoe en waar ze gaat, slechts het volle daglicht zoekend en schemer en halfduister angsdg ontwijkend, volgt Charlotte enkele straten, gejaagd, de grond nauwlijks beroerend en steeds star voor zich uitziend. Er komt 'n tram aan en stopt juist waar zij wacht om over te Steken. De donkere conducteur ziet haar aan; niemand stapt uit... o, voor haar is de tram gestopt; ja, ze stapt al in. De tram voert naar de Europeesche wijk; de bonte kleuren, welke Charlotte voor de oogen schemeren, verdwijnen allengs. Op 'n plein met 'n ruiterstandbeeld ziet ze rechts opeens de hooge boomen van het Ezbekyeh-park. Ze stapt uit, betaalt 'n kleine piaster entree, die ze driftig uit haar taschje grabbelt, - dan zoekt ze 'n bank op in de schaduw der boomen, laat zich daarop neer. Hier pas beseft ze wat er gebeurd is. Hij heeft haar durven kussen. Hij heeft haar niet beroerd, maar op zijn oostersche wijze heeft hij haar gekust. Het is zoo vreesekjk, dat zij het zelf niet verwerken en het nooit aan iemand zal kunnen zeggen. Er komt 'n spelend kindje voorbij met 'n nurse. De bal van het kleine meisje rolt onder de bank. Charlotte ziet 't, maar komt eenvoudig niet op de gedachte om zich te bukken en voor hetkind de bal op te rapen. Nu kruipt de kleine zelfal onder de bank en baalt de bal. „O, wacht...", zegt Charlotte en wil zich bukken. Maar nu hoeft het niet meer, want de bal vhegt alweer weg. De nurse werpt 'n bevreemde bhk op Charlotte, - deze wendt het hoofd af en staart in de boomen. De zon is ondergegaan, en van de grond in het park stijgt het koel op. Vergeten. De herinnering van je afschudden, dat is het eenige. Maar 'n huivering, n je besmeurd voelen blijft- Na onbestemde tijd passeert met afgemeten schreden n neeeragent. Charlotte ziet in de schemering eerst iets wits, - het is ajn dienststok. Dan ziet ze de agent zelf, zijn zwarte oogen, die schuchter op haar gericht zijn. Nu is hij voorbij gegaan. Charlotte schrikt, kijkt op haar horloge. Bijna zes uur l±r was iets, mist om zes uur was er iets. Alice! Ze diept uk haar taschje het papiertje op, dat Alice haar heeft gegeven Daarginder, op het Japansche bruggetje over de beek, dié door het park stroomt, staat de agent en kijkt over het water Charlotte gaat vlug naar hem toe, laat hem het papiertjèriS ziet hem vragend aan. Lang, lang staart de agent on S o^Vlt^^ï" f V^ ^AeeWeeS om, beziet eenige tijd de achterkant, waarop echter niets ge- l^ZZTtJ?\W?kt H de voorkant weer, Stïn schudt bedroefd het hoofd. - Hé, en Ahce zei toch ..! Cba? lotte leest het nu zeE „Sharia Wahbi Basha??^- Ooh de Sharia Wahbi Basha! Die is daar! Hij wijst met zijn witte stok achtbaar opgelucht'n richting aan 1 wil eV viïïf Z k°mt ChaflottC achter adem waar 2e wezen Iï ™ # MCC 'TT?8 °P en ncef lo°Pefld «i de straat. £*E• • • gdukkig' dat Cb,dotlB er isI heef MoaS ^fl^10"6 dan wel aUemaai voor moois in de Mouski ontdekt, dat ze zooveel te laat is? Alice wacht het antwoord niet af: ze heeft zelf te veel te Jnrh^a' Hef l°0t$C ? de ^ Touloun-moskee heeft dan toch maar geluk gebracht! En eerst had ze er nog wel heele- Z\T-OOC r1Ien - * was werkelijk maar om haar jarretelle geweest. Zelfs losspringende jarretelles kunnen geluk brengen! Al haar zaken vanmiddag dadel ,k met goede afloop! En met die conferentie heeft Ahce wel haar maandgeldverdiend! Ze haalt haar duitiewelopm'tlevenln tZitZ ' V' Z°° «™%«Daar'zittenrnannen zwaS' mt,confereeren, 'n stapel papieren voor de neus (niets S zegt° 2aak2°° ^ikkeld als papieren), en Ahce komt en zegt. Voila, zoo en zoo, un-deux-trois, fini! Dan zitten ze XP aT£ ü° verba2in«. ^t de zaak zoo eenvoudig vuTT ^m? SCt én weet wat 2i' weet van de douane en dl k einhandel! Dat zou Charlotte *s moeten bijwonen: aUemaai kauwend op 'n dikke sigaar en zij, Ahce, er tusschen met^n sigaret tusschen haar vingers! En öf men naar haar Inkt-prt-l Kom, ze wil vanavond op iets tracteeren. Wat zou Charlotte ervan zeggen, samen naar de bioscoop te gaan? Daar is 't donker, denkt Charlotte. Daar hoef ik niet te praten. - Onder andere omstandigheden zou ze het absurd gevonden hebben om in de vreemde naar 'n bioscoop te gaan. Ja, ze wil graag naar de bioscoop. - Goed, m'n hartje, dan gaan we naar de cinél Om zeven uur begint die koek. Om half tien afgeloopen, en dan eten we samen voor het laatst... (Mee zucht hartgrondig) voor het laatst op mijn kamer. - Of voor de afwisseling op de jouwe, voegt ze er na 'n oogenblik aan toe. Achter het dievenlantarentje van 'n geüniformeerde neger vinden ze 'n weg naar de met fluweel bekleede stalles, en dan meteen begint het voor-programma, dat, na de gewone vlootparades', het onvermijcUuijke bezoek aan het graf van de onbekende soldaat en enkele monument-onthullingen in zot tempo, aardige kijkjes uit Europa biedt, natuurschoon, stadsbeelden. Voor het Oosten is dit alles vreemd en de moeite van bet gaan kijken waard; voor de hier wonende Europeanen is het 'n stille vreugde: 'n plekje van hun land zooals het reilt en zeilt op het witte doek te zien voorbijflitsen. Er slaat in Charlotte 'n plotseling contact aan als daar voor haar eensklaps de Goessche markt in volle gang is; 'n paar Zeeuwsche schoonen met de prachtige kappen poseeren arm-in-arm, graag lachend, voor de operateur. Tiens... la Hollandel Daar schijnt 't dan toch wel altijd carnaval te zijn. Loopen de meisjes daar werkelijk zoo? Charlotte misschien óók?? Waarom niet?! Zoo'n kap zou haar hemelsch staan. En dan un pair de sabots aan de voeten! Ahce zou nóóit anders gaan, wanneer ze 'n Hollandsche was. En kijk, daar heb je waarempel die dijken ook, waarin dat dappere, kleine jongetje z'n duim gestoken heeft! Tot slot rijdt koning Fouad voorbij, zooals hij op de postzegels staat, 'n klein dikkerdje, goed verzorgd, de fez correct op het hoofd, kwiek, opgekruld snorretje. Ruiterij met speren en vliegende vaantjes draaft op prachtige, melkr witte paarden voor het rijtuig. Naast de koning 'n populair Egyptische minister, - mager, doorgroefd gelaat. Hem geldt - volgens Alice - het gejuich van de voorste rangen welke met donker publiek gevuld zijn. Drie kluchten achter elkaar. Harold Lloyd. Dol, dol amuseert men zich; de komiek hoeft slechts stomverwonderd door z'n hoornen Amerikaanschen bril te kijken, en men eik het mt. 6 „Pourquoi... waarom?" vraagt Ahce slechts, 'n Ernstige film. 'n Arm, opvallend-mooi meisje, dat op straat, in weer en wind, bloemen verkoopt om voor zich en haar broertjes te zorgen, die zij aan tafel leert bidden nadat zi, hen alle vijf (zichzelf vergeet ze) de handen heeft gewasschen. Nachtzoentje, weemoedig-Hefdevolle blik- de bloemenverkoopster gaat de straat weer op. Het sneeuwt (uitroepen van verwondering in de voorste rangen)- op de rozen in haar mand valt de sneeuw, en daar zij op de hoek van de straat gaat staan en onvoldoende gekleed is, hjdt zij dubbel onder de koude. „De stumperd..." zucht Ahce Ze vindt overigens, dat het meisje sprekend op Charlotte lijkt De graaf. Avondcape, hooge hoed, Rolls Royce. In de drie treden van de auto tot de theater-ingang ziet hij de bloemenverkoopster. Medelijden. Hij betaalt rozen met goud- hij komt op de goede gedachte om haar in het theater voor het voethcht te laten treden, besneeuwd en wel, en hij vraagt aan het publiek, of men op de planken grootere tragiek kan uitbeelden dan het leven zelf biedt? Neen, neen, dat kan men met. Eva (zoo heet ze), diep-getroffen door eigen beklagenswaardig lot, strooit haar rozen door de zaal, en vanuit de loges en stalles fladderen de bankbiljetten het tooneel op; de graat helpt ze haar oprapen (wat ze over het hoofd zien, is voor de tooneelknechten). Hij brengt haar in zijn auto naar huis. Waar eindigt dankbaarheid en waar vangt hefde aan? Onderweg krijgt de chauffeur opdracht, hever naar het huis van de graaf te rijden. Het is geen huis; het is 'n kasteel. „üt les petits?" vraagt Ahce, die zich met deze koersverandering met dadehjk verzoenen kan. Ook Eva denkt er aan. Misschien na dagen, misschien na jaren. Er zijn eerst feesten en veel kostbare avondjaponnen met schitterende loovertjes, waarin Eva voordeelig uitziet, Zij denkt echter aan haar broertjes; in haar droom verschijnen ze, en in de nacht vlucht ze, vlucht ze van het kasteel en wil niets meer van rijkdom weten; zwaar drukt haar het schuldbewustzijn. Ze zit weer met de broertjes aan tafel; er wordt gebeden als tevoren; door het geledene is de band hechter, onverbreekbaar zelfs geworden. Loutering glanst in de groote, berouwvolle oogen van de oudere zuster. Ahce, die het werkekjke leven kent en met zich zelf weinig medelijden heeft, schreit om deze HoUywood-juffrouw, die voor haar broertjes als voren bloemen verkoopt, ze schreit om deze geënsceneerde armoede, welke uitdrukking vindt in 'n geruit tafelkleed en geruite gordijnen. Sprekend Charlotte, vindt ze, en in gedachten ziet ze Charlotte al, in armoede gedompeld, bloemen verkoopen. Ah, Ahce weet wat zware tijden zijn; ze weet wat 't zeggen wil: op je middagmaal te sparen om er toch maar toonbaar uit te zien (want als je daar niet meer voor zorgt, ben je weg); haar Siciliaan is n vurig echtgenoot geweest, maar 'n slecht potter, en hij is ineens het leven uitgestapt. In bedachtzame oogenblikfcen (wie kent ze niet?) had hij juist voldoende geld naar de Banco-di-Roma gebracht om door Het Broederschap van Jezus in de eerste klasse begraven te worden. Zeven act en duurt de film. Ze toont de wanhoop van de door zijn geliefde verlaten graaf, die vergeefs New York afzoekt. Dan: de graaf op de „Leviathan" en in de Pullmancar op weg naar Monte Carlo... de beroemde speelbank slokt op één fatale avond zijn vermogen op. Charlotte verliest het verhaal uit het oog, ziet Badr Huseyn en zijn winkeltje weer voor oogen, maar schrikt uit haar peinzen wakker door 'n stoot van Ahce. Of Charlotte daar vertrouwen in heeft? vraagt Alice. - Waarin? - Nou, dat die graaf nu als werkman de kost zal gaan verdienen voor 't meisje en haar broertjes? Als metselaar 1 Dat kjkt 'm zeker 't makkelijkst! Maar je merkt zoo wel aan 'm, dat ie geen steen goed op de andere zal leggen 1 Charlotte ziet op het doek, dat de graaf (thans als eerlijk werkman gekleed) Eva belooft te zullen trouwen. Met n vervangende kus sluit de geschiedenis in algeheele harmonie af; in de voorste rijen van het theater wordt luidruchtig meegesmakt door de geamuseerde donkere gentlemen, die nu opstaan (tulbanden blinken fel op en werpen sterk vergroote schaduwen op het nog verlichte doek, waarop in 'n half dozijn talen „Tot Weerziens" trilt) en schuifelend naar buiten gaan, waar ventertjes met zoute apenootjes staan te wachten en 'n nieuwe schare zich verdringt om eveneens het lief en leed van 'n bloemenverkoopstertje te leeren kennen. Alice, wier critiek ten opzichte van de nieuwbakken metselaar reeds ontwaakt was, ziet thans ook bloemen-verkoopen in 'n reëeler hcht; ze merkt ironisch op, dat 't nog niet zoo'n slecht métier schijnt te zija, als je er jezelf en vijf broertjes mee in 't leven kunt houden. Later, wanneer Ahce aftandsch is geworden, gaat zij óók met 'n mand bloemen op 'n hoek van de straat staan. Misschien komt 'r dan ook zelfs om haar nog wel 'n graaf. Het valt haar onder het naar huis gaan op, dat Charlotte stil is. Maar ze legt het verkeerd uit, meent, dat het om het afscheid is, dat morgenochtend voor de deur staat. Ook zij wordt nu stil, weet niet meer wat te zeggen. Wacht maar: ze wordt nog 's zoo rijk, dat ze als zakdoeken alleen maar tienpondbiljetten wil gebruiken, en dan maakt ze 'n vacantiereisje naar de Noordpool, naar Holland, om Charlotte eens op te zoeken, haar man te keuren, haar petits bébés te knuffelen! Afgesproken? Ja, dat is afgesproken. Maar kan Charlotte dan beuscb niet nog 'n dag blijven? Wil ze dan zóó graag weer naar die vent, die clown, die haar op de trein gezet heeft? Ja, daar wil Charlotte weer heen. Ahce zucht. Hoe droevig is het leven. Wie zij hefheeft, gaat van haar weg. Haar man. Charlotte. En zij blijft alleen. Nu zijn ze thuis. De beide vorige avonden hebben ze bij Ahce op de kamer gegeten, - ditmaal zal het voor de afwisseling bij Charlotte zijn. Deze is eenigszins bevreemd, de sleutel in 't slot te vinden, welke ze daarstraks Chadidscha in bewaring heeft gegeven. Maar ze denkt er verder niet over na. Binnen kijkt Ahce rond alsof ze iets zoekt; ze wijdt slechts vluchtige aandacht aan de beide Egyptische doekjes, welke de kleine Abessynische kereltjes zoo knap gemaakt hebben en die Charlotte haar laat zien om niet over iets anders te hoeven spreken. Chadidscha brengt de koffie. Ze morst erbij, en het schijnt Charlotte toe, dat Chadidscha's handen trillen. Ahce kijkt haar lachend-onderzoekend aan, en nu plotseling lacht Chadidscha ook even, maar slikt verschrikt haar lach weer in, klappertandt alsof ze het koud heeft. „Zou ze 'n standje hebben gehad?" vraagt Charlotte. „Dat weet de hemel," zegt Ahce en richt 'n paar woorden Arabisch tot haar. Chadidscha antwoordt niet, duidt (daar haar beide banden het blad omklemmen) met de kin in de richting van de waschtafel. Ahce en Charlotte kijken. Wat bedoelt ze? Chadidscha zet nu haastig het blad neer, verlaat onhoorbaar de kamer. „Tiens 1" zegt Ahce, eerlijke verrassing in haar stem leggend. In de rand van de spiegel boven de waschtafel is 'n brief gestoken. Charlotte gaat er heen. De rekening, denkt ze, merkend, dat er geen postzegel op de brief is geplakt. Ze ghmlacht om de zonderhnge manier waarop in het pension van madame Paparigopulos de rekening wordt gepresenteerd. Maar Ahce aarzelt geen oogenblik om 'n ander vermoeden uit te spreken. „Alfredo!" roept ze uit. Charlotte ziet onaangenaam verrast naar haar om. Ze neemt de enveloppe op, bekijkt ze. Het is 'n gevoerde, teer-violette enveloppe, waarvan 'n zoete geur opstijgt. Nu laat ze de enveloppe op het marmer van de waschtafel vallen. Als het werkelijk 'n brief van signor' Alfredo is, wil ze 'm niet lezen. Maar dat kan ze toch niet meenen?! Impossible! Men kan er zich toch minstens bij amuseeren! Tiens, Ahce heeft nooit gedacht, dat Alfredo verzen kon schrijven. Er zit vast 'n vers m! Mag Ahce de brief dan lezen? Ze wacht Charlotte's toestemming niet af, pakt de brief op, houdt 'm tegen het hcht van de lamp, scheurt de enveloppe vol verwachting open. Neen, het is geen vers. Het is 'n voorstel in proza. Charlotte moet onder haar hoofdkussen zoeken en er dan over nadenken, of zij vannacht haar deur zal afsluiten. Signor* Alfredo komt vroeg thuis, - dat heeft hij al geregeld. Om twee uur zal hij thuis zijn. Zij moet maar gaan slapen, niet op hem wachten; zachtjes, tout doucement, zal hij haar wekken en haar... parfaitement gelukkig maken. Hij heeft haar hef; het vuur der hefde verteert hem en slechts zij kan het blusschen; iedere andere vrouw versmaadt hij. Hij onderteekent niet; hij wéét, dat zij niet zal hoeven te raden wie de briefschrijver is; mocht ze nog 'n oogenblik twijfelen, dan moet ze maar in haar naaste omgeving zoeken. Zij hoeft slechts 'n oogenblik te denken aan A.fr. .o, dan weet ze alles... ?1 Met 'n vreemd mengelmoes van heilige verontwaardiging en dol-geamuseerd-zijn heeft Ahce de minnebrief voorgelezen, zichzelf onderbrekend met tusschenopmerkingen als: Che porcol Quel imbécilel Maledetto! en nog andere vriendelijkheden in 't Grieksch en Arabisch. Voor ze aan de laatste woorden toe is, staat ze al bij het bed, tast met de hand onder het kussen en vindt daar 'n glanzend ambersnoer en 'n paar blauwzijden, met roosjes bestikte jarretelles. „Ah, mais... I Hoe is de kerel te weten gekomen, dat je juist 'n paar jarretelles noodig hebt! Het zijn dotjes... bijna zooals die van mij!" - Om die jarretelles zou men hem z'n brief vergeven. Ze ziet naar Charlotte om, die opvallend bleek, zwijgend bij de waschfatel staat. Ahce shkt even 'n verlegenheid en 'n nu pas opkomende onrust weg. Tja... wat 'n brutale vlegel! Hoe durft hij nu al met zoo'n aanbod over de vloer te komen! 't Is waar: Charlotte gaat morgen weg; als hij zoo verliefd is, stond hem geen andere weg open. Geen haar op Charlotte's hoofd natuurlijk, die er aan denkt, de deur ook maar op 'n kiertje voor hem te openen! Ze zou «rel taal moeten zijn om zoo'n onbeschaamde kerel ook maar 'n vinger te geven! Op slot gaat de deur! Dubbel en dwars op slot, met de stoel ervoor! Neen, nog beter, de deur blijft open, maar inplaats van Charlotte hgt Ahce in het bed, en dan zal hij rare oogen opzetten, - als hij ze nog open krijgt! Dan kunnen ze in het weekblaadje Maalèsh schrijven hoe mooi het hoofd van signor A.fr. .o er uitziet! Houdt Charlotte zoo van amberkettingen? Ahce niet. Maar, eerlijk, de jarretelles zijn toch om te kussen! Die hééft ze dan toch maar! Ach, m'n kleintje... 1 Drink 'n kop koffie, hier! Als ik toch ooit gedacht had, dat je daarom...! Hier, kom in m'n armen en huil bij je ouwe Ahce maar uitl - Quel cochon! Charlotte kan niet schreien. Ze trilt van de zenuwen, maar kan niet schreien. Ze valt Ahce ook niet in de armen, om troost te zoeken. De ketting moet hij terughebben, z'n brief, alles! Ahce moet het op zijn kamer leggen. Dadehjk, nu, anders vraagt Charlotte madame Paparigopulos of Chadidscha het te doen! „Alice ... 1" smeekt ze, als deze nog treuzelt. Ah, zeker! Maar natuurlijk! Waarom zou Ahce dat niet willen doen? Het zijn werkelijk mooie jarretelles, maar Charlotte's eergevoel kan ze meevoelen, al zou ze juist deze dotjes niet graag weer... Zij zou hem z'n dwaasheid ermee laten boeten. Ja, als boete zou zij de jarretelles misschien houden, wanneer ze in Charlotte's geval verkeerde. Maar ze begrijpt ook wel... nu goed, ze gaat al. Ahce gaat heen. Met de jarretelles, het ambersnoer, de schandbrief. Ze keert nog even terug: de enveloppe hoort er ook bij. Alles weer compleet terug! Maar daarmee is hij er niet van af. Laat dat maar aan Ahce over. Charlotte zinkt op 'n stoel neer, wacht. Neen, ze wacht niet, ze zit slechts op de stoel, drukt de handen tegen de slapen, waarin het luid schijnt te bonken. Wie is daar weer? - Ahce. Ahce sluit omzichtig de deur achter zich, werpt 'n bedroefde, schuldbewuste bhk naar Charlotte, gaat bij baar zitten, neemt baar hand en kust ze. Ja... zoo zijn de mannen. Durven je zoo'n brief te schrijven, haar, Charlotte zoo'n brief te schrijven. Ahce kent ze langer dan vandaag! O, als zij vertellen wilde! Maar ze wil niet, want dat alles is niets voor Charlotte, die zich zoo'n krankzinnig briefje al aantrekt. Nu is alles toch weer goed? De jarretelles, het snoer, de brief, de enveloppe, aües hgt weer op z'n tafel. Onder de brief heeft ze zelfs nog 'n paar woorden geschreven, die hij gerust in z'n zak kan steken. In 't Italiaansch, - dan weet hij van wie 't komt. En daarna heeft ze t papier flink verfrommeld, - dat is duidelijke taal, nietwaar? Die kleine Chadidscha toch! Die heeft de cadeautjes onder Charlotte's hoofdkussen verstopt en de brief in de spiegelrand gestoken. Hoeveel moet ze wel van Charlotte houden! Ze is immers zelf tot over de ooren verhefd op signor' Alfredo. Jazeker! Als hij aan tafel voor de grap (natuurlijk verafschuwt hij 'n Arabische) naar haar grijpt, is zij de heele dag mal en voor niets meer te gebruiken. Als Alfredo 'n maltresse hield, zou Chadidscha haar de oogen uitkrabben of rattegif in de soep strooien. Maar Charlotte heeft ze het zoete geluk om in zijn armen te rusten gegund; ze heeft er zelfs toe willen meewerken! - Ook Chadidscha moet van Charlotte meer houden dan van zichzelf. Alice spreekt en spreekt, en eindelijk ontspannen zich Charlotte's zenuwen. Ze schreit niet uit tegen Alice's schouders, zooals deze het gehoopt heeft, - Charlotte steunt de ellebogen op tafel, bergt er het hoofd in en luistert naar wat Ahce zegt. Aanvankehjk trekt er iets door haar heele lichaam, maar later wordt ze kalmer, neemt Alice's hand en legt die, tot bhjde ontroering van haar troosteresse, onder de wang' Ahce vertelt. Vertelt hoe gelukkig zij in haar huwehjk is geweest. Met 'n goede man getrouwd te zijn is voor 'n vrouw het grootste geluk. Moederschap kent ze niet; le bon Dieu heeft het haar niet gegund. Maar met 'n goede man getrouwd beteekent: veilig zijn voor duizend Alfredo's. Daar moet Charlotte op aan. Zij deugt niet om alleen in 't leven te staan; voor de zooveelste maal: Charlotte moet 'n eerhjke, fatsoenlijke, trouwhartige man hebben, die zoo'n A.fr..o van zeven trappen laat vhegen. Ach, die heele Alfredo! Waar is Charlotte morgen? Morgen is ze op de boot, en ze ziet Caïro, het pension Paparigopulos en signor' Alfredo haar heele leven niet meer terug... Dit is het oogenblik, dat Charlotte de hand van Ahce neemt en onder de wang legt, Ahce, die er voor het eerst n hchtpunt in ontdekt, dat Charlotte morgen voorgoed weggaat. En door deze plotselinge geste weet Ahce niet dadehjk verder te vertellen, - plotseling breekt het rateltje aan Charlotte s oor af. Ahce zegt nu, dat Charlotte moet gaan slapen. En gehoorzaam staat deze op. Ahce blijft in de kamer terwijl Charlotte zich ontkleedt. Is zij geen moeder bij haar dochter? Als Charlotte zich voor de laatste, discrete kleedij-verwisseling 'n weinig afwendt, kijkt ook Alice tactvol terzijde en wel zoo, dat ze in de spiegel haar Charlotte geheel zien kan. Ah...! Hoe tenger en blank 1 Hoe klein en zuiver de borst, 'n Maagd. Alfredo zou er z'n vingers voor afkluiven om op dit oogenblik hier in de kamer te mogen zijn! - In Charlotte's slaapkamer, waar thans alleen Alice toegang heeft! Neen, Charlotte is voor Ahce niet meer gegêneerd. Alice staat haar nader dan ooit iemand anders, nader dan haar eigen moeder, die niet genoeg van haar kind hield om met de vader ervan gelukkig te kunnen zijn en het liever verket. Nader ook dan Charlotte's vader, die, zoolang zij zelf niet oud genoeg zou zijn om zich 'n meening over zijn mislukt huwehjk te vormen, haar uit innerlijke hoogmoed buiten zijn gevoelsleven hield, misschien ook vreezend, haar in zijn zwaarmoedigheid neer te trekken, - pas veel later, na zijn dood, heeft ze dat begrepen. Nu hgt Charlotte onder de dekens, die bij de koude nachten van Caïro niet overbodig zijn, en Ahce dekt haar toe, kust haar op het voorhoofd. O ja, haar eenige vriendin in deze leelijke en gevaarhjke wereld is Ahce. Ssssscht! zegt deze nu, juist als Chadidscha gisteren. Ssssscht! Slapen! Nu Charlotte de oogen sluit, wil Ahce op de teenen de kamer verlaten, bij de deur het hcht uitdraaien. Maar de deur moet nog op slot! Zoo veilig voelt Charlotte zich, zoozeer vertrouwt ze op Alice's bescherming, dat ze met ongesloten deur zou zijn ingeslapen. Dat wou hij wel, Alfredo! Ach wat! Chadotte moet niet meer opstaan. Ahce zal de deur van buiten wel afsluiten. Brand komt er niet en trouwens: zij blijft vannacht wakker om met dat heerschap af te rekenen! Zoo... de sleutel knarst in 't slot, en Ahce neemt ze mee. Ja, - eigenlijk heeft ze 't Alfredo zelf gezegd, dat van die jarretelles. Eigenlijk wist zij alles tevoren. Eigenlijk was zij 't geweest, die Charlotte op deze grappige en ongevaarlijke wijze aan 'n paar dotjes van jarretelles had willen helpen, tegehjk signor' Alfredo eens goed in 't ootje nemend, daar aasde ze al zoo lang op. Wie had ook kunnen denken, dat Charlotte... 1 Bon, alles is nu weer goed, en Charlotte heeft Alice's hand tegen de wang gedrukt. En Alfredo heeft z'n strop. Nu, in haar kamer, houdt Ahce de jarretelles eens bij haar kousen. Ze heeft nu 'n rose en 'n blauw paar! Ja... die amber ketting! Daar moet ze nog even over nadenken, Charlotte vindt 'm toch wel mooi, al zegt ze ook van nee. In gedachten laat Ahce het snoer tusschen haar vingers glijden. De brief, ja, de brief hgt weer op signor' Alfredo's tafeltje, en wat ze er onder heeft geschreven zal hem het bloed doen stollen, - ze zou het niet graag luid uitspreken; geschreven heeft ze 't met vreugde. Zal ze wakker bhjven? Ja natuurlijk: wakker blijven en luisteren. Geen spektakel maken als de deugniet komt; dan zou alles wakker worden. Bovendien, eerhjk, wat kan ze hem met goed fatsoen verwijten? Neen, ze weet beter. Ze zal hem 'n glas water naar 't hoofd kletsen als hij voor Charlotte's dichte deur staat te morrelen. Water is 'n argument, dat zich aan geen weerspraak stoort. Water is ook vernederend. Water gooit men naar 'n Maartsche dakhaas. Ziezoo, nu staat op haar tafeltje het glas water klaar. Haar deur op 'n kier, - dan hoort ze m komen. In afwachting van de gebeurtenissen kan ze zoolang onder de dekens stappen en nog eens over haar conferentie nadenken van vanmiddag. Maar als signor' Alfredo omstreeks één uur in de nacht door de gang sluipt, vol verwachting de deurknop van Charlotte's kamer omdraait en dan 'n Italiaansche verwensching voor zich heen mompelt, heeft de gezonde natuur van Ahce het tegen haar opkomende slaap afgelegd. 'n Ander luistert met kloppend hart naar het geschuifel in de gang. Chadidscha. XVII De volgende morgen is Alice weer vroeg op, verschijnt in kimono in de gang en draait niet zonder zelfbewustzijn het slot van Charlotte's kamer open, waartoe op dit oogenblik alleen %ij toegang heeft. „Goeie morgen, m'n hef je! Je ziet 'r heerhjk uitgeslapen uit!" Zijzelf trouwens ook, maar ze wil het geen woord hebben en verzekert Charlotte, dat ze de heele nacht wakker heeft gelegen om te luisteren wat er gebeuren zou. En jawel, prompt twee uur was signor' Alfredo thuis gekomen, had voor Charlotte's goedgesloten deur gestaan en van: per Bacco! gevloekt. Hij had 's moeten weten, dat Ahce de sleutel onder haar hoofdkussen verborgen hield! En och, wat heeft hij 'n spektakel gemaakt toen hij daar op z'n kamer die brief vond! Die brief, en dan natuurlijk z'n amberketting. Ja. En ook de jarretelles. Terwijl Ahce helpt om het toiletkoffertje te pakken (laat mij dat nou 's netjes voor je doen, m'n schat) komt madame Paparigopulos het ontbijt brengen en vragen, of er al 'n rijtuig gehaald moet worden. - Daarvoor is 't nog wel wat vroeg, - maar kan er over drie kwartier 'n rijtuig zijn? — Ja zeker, meneer Paparigopulos zal er zelf even een gaan halen; hij staat zich te scheren; Chadidscha is naar de markt. „U moet me ook nog vertellen wat ik schuldig ben!" Madame Paparigopulos noemt 'n bedrag, zoo laag, dat Charlotte er tegen protesteert. „Nee, nee, heusch, dat is ook de prijs, die de anderen betalen. De prijzen zijn hier op de maand berekend, - met u is het 'n uitzondering geweest." „Geen praatjes!" hakt Ahce af. Ze straalt. Waar zij Charlotte gebracht heeft, is het goed en niet duur geweest. En dan ook nog te bedenken, dat er acht eieren in de macaronikoek waren! Charlotte wil Chadidscha tenminste 'n goede fooi geven. Neen, dat mag ook met, want dat is in het pension van madame Paparigopulos de gewoonte niet. Al mooi genoeg, dat de juffrouw haar 'n fleschje parfum gegeven heeft. En trouwens, Chadidscha heeft heelemaal geen fooi verdiend, omdat ze vanmorgen veel vroeger dan anders naar de markt is gegaan zonder het madame Paparigopulos te vragen. Ze had thuis moeten blijven om 'n rijtuig te gaan halen, wat nu meneer Paparigopulos zelf zal doen. Abdallah is nooit voor tien uur binnen, - dat heerschap komt steeds later en moet maar eens onder handen worden genomen. Nu... daarmee heeft de juffrouw niets te maken. Na 'n half uur wordt er geklopt en komt meneer Paparigopulos melden, dat hij 'n rijtuig gehaald heeft. Het staat te wachten. Het is 'n goed rijtuig. Er stonden er meer, maar bij heeft ze alle bekeken en er toen een uitgezocht, dat hem gpedleek. Mag hij zich misschien aan de juffrouw voorstellen? Hij is meneer Paparigopulos zelf. De juffrouw heeft hem wehswaar al gezien, maar toen was hij er niet op gekleed om met haar kennis te maken. Hij is nu geschoren en draagt 'n boord. Zijn das heeft hij in de haast vergeten om te doen. Mag hij voor de juffrouw het kistje met kopergoed-uit-debazar omlaag dragen? Het is wat zwaar voor haar, en daarom... kijk? in de andere hand kan hij het vahesje nog houden! Charlotte weet niet goed hoe ze zich tegenover hem houden moet. Ze heeft het gevoel, dat hij op 'n fooi aast, maar dat moet natuurlijk 'n vergissing zijn. Neen, meneer Paparigopulos is slechts in 'n bui om zich ijverig te toonen en de weggaande juffrouw eens te laten zien hoe onrechtvaardig het geweest is, indien iemand hem tegenover haar van luiheid beticht mocht hebben. Zijn vrouw, anders steeds in de weer, staat er nu bij; het is alsof ze even uitrust en 'n oogenblik in haar leven kalm en gelukkig zijn wil. Kijk eens hoe vriendelijk mijn man zijn kan! Zoo is hij geweest toen ik hem nam, - begrijp jullie het nu? vraagt ze met haar bhk, niet voelend hoezeer de serviliteit van haar man Charlotte afstoot. Nu Charlotte madame Paparigopulos de hand tot afscheid drukt en haar bedankt voor haar goede zorgen, kan het kleine, slovende, ongelukkige vrouwtje het niet laten om haar te omhelzen en 'n kus te geven. Beneden wacht meneer Paparigopulos bij het rijtuig, dat bij met zooveel zorg heeft uitgezocht. „Heerlijk weer," zegt hij, alsof het in Egypte niet elke dag heerhjk weer was. „Dan kun je straks mooi 's met je kind gaan wandelen 1" raadt Ahce hem met verachtelijke spot aan. Hij verbleekt er niet onder. Hij kijkt verbaasd. Ja zeker... het is toch Zondag? De muziek speelt vanmiddag in het Ezbekyeh-park en dus gaat hij er met zijn dochtertje heen om te luisteren I Ahce haalt de schouders op. Charlotte, verlegen, voelt thans ook 'n weinig medelijden met meneer Paparigopulos, tracht door 'n warm woord bemiddelaarster tusschen man, vrouw en kind te zijn. „U moet véél vaker met uw kind uitgaan," zegt ze zacht en dringend. „Het ziet er niet goed uit. En uw vrouw kan zoo moeilijk weg." Juist 1 Juist wat hij ook al gezegd heeft: het kind moet wat meer uit! Het heeft het noodig! Frissche lucht! heeft hij gezegd. Maar nu wordt natuurlijk aües goed: nu gaat de i/ader ermee wandelen. Terwijl het rijtuig wegrolt, legt Ahce driftig-smalend aan Charlotte uit, dat dit niets dan 'n bevlieging van hem is. Hij wil op Charlotte 'n goede indruk maken. Als Ahce straks thuis komt, is 't weer over. Hij hgt de halve dag op bed, in 't donker, en laat Luigia sloven. In de siësta verlangt hij z'n vrouw, - terwijl Chadidscha vlak ernaast in de keuken bezig is! Weigert ze, dan slaat hij de pan met soep pan 't vuur af. Porcol Dat het kind erbij is, geneert hem niet. Nu, van dat aües hoeft Charlotte nog niets te weten. Hij beeft geen mooie vrouw gezocht zooals 'n andere man (ze is ieelijk als de nacht, die goeie Luigia), maar eentje, die voor bem sloven wou. Hijzelf verbeeldt zich in het pension „toezicht te houden"! Als hij dan maar eens met zichzelf begon. Bah, ze wil er niet meer over spreken. Tweede klas Alexandrië. - Heb je voldoende geld, m'n schat? Die drager van het kistje wü ik betalen, - 'n halve shilling zou trouwens te veel zijn. Zoo, 'n coupé niet-rooken. fCon ik maat met je meegaan! Ja, maat dat kan niet. En thans komt het afscheid. Chatlotte staat in 't coupé-venster; Ahce omklemt haar banden, kust ze, laat et haat tranen over vloeien, vraagt haat, zich te bukken, dat ze ook haar gezicht kussen kan. Charlotte kan niet schreien. Ze zou het willen, om Ahce te toonèn, dat ook zij dit afscheid diep en smartelijk aanvoelt. Maar iets staat als 'n muur om haar ziel, iets, dat vraagt: waarom nog schreien? Wonderiijk kalm voelt ze zich; ze weet zelfs niet, of het haar werkekjk spijt: van Alice weg te gaan. Er is iets afgesloten in hun korte vriendschap, die niet inniger worden kan bij 'n langer samenzijn; juist het bewustzijn, dat zij maar zoo kort kon duren, heeft hen immers in eikaars armen geworpen. - Afgesloten. Te schrijven hebben ze elkaar ook niets. Charlotte heeft Ahce, haar omgeving, haar gedachten en gevoelswereld 'n weinig leeren kennen, maar wat weet Ahce van Charlotte? Alice heeft zich van haar 'n ideëele voorstelling gevormd, die niet met de werkelijkheid overeenstemt, Alice ziet in haar slechts 'n kind, maar ze is geen kind, ze zou zich, wanneer het er op aan kwam, door geen moederlijke raad laten leiden, - en op de dag, dat Alice dat merkte, zou het met haar warme moederlijke genegenheid ten einde zijn. Dit alles ziet Charlotte vooruit. Daarom - en ook omdat Charlotte er naar hunkert uit de atmosfeer van het Oosten weg te komen weet ze niet, of ze om dit afscheid verdrietig moet zijn. Alice kwelt zich niet met de vraag, of er tusschen hen beiden 'n geestelijke gemeenschap is, die aan de tijd weerstand zou kunnen bieden. Charlotte te zien, haar te mogen vertroetelen en liefhebben, haar goede raad te mogen geven, zich met baar als vriendin tusschen anderen te toonen, arm in arm met haar te mogen gaan, dit alles is Alice's geluk geweest, - en dat is nu mt. Het kind gaat zonder smart weg: net leven wacht 't nog, ook al meent het in jeugdige zwaarmoedigheid er reeds mee afgedaan te hebben. De moeder blijft achter en scheurt zich de ziel uit het lichaam om ze haar kind mee te geven. Medelijden met Ahce, - dat is het eenige wat Charlotte de keel toeklemt nu de trein zich in beweging zet, nu ze voelt hoe traag Ahce's handen zich van de hare losmaken, en nu ze haar alleen op het perron ziet achterblijven, schreiend, zwak wuivend, temidden van louter Arabieren, die ze zoo hartgrondig verfoeit. Het schijnt Charlotte, of Ahce's handen met haar meereizen: ze voelt ze nog om de hare geklemd. „Au revoirP* roept ze, hoop gevend. „Tot weerziens... AliceI" Maar Ahce schudt droef-ongeloovig het hoofd. En de trein buigt af. Lange tijd staat Charlotte aan het open venster en staart naar buiten. Ze ziet naar de paars-blauwe pyramiden, die nu, in de vroegte, nog maar één trillend-gouden zonnekant hebben. - Zal de meester aan 't station zijn? vraagt ze zich eensklaps af. Is ze werkehjk maar drie dagen van boord weg geweest? Het schijnt haar zooveel langer 1 De redelooze gedachte stijgt beklemmend in haar op: dat men haar op de Medusa geheel vergeten zal hebben; dat de meester, de kaptein, de tweede stuurman haar nauwelijks nog zullen herkennen. Ze ziet er onuitsprekelijk tegen op om voor het eerst weer meneer Strijbos te ontmoeten. Hij veracht haar uit de grond van zijn hart - ze weet het - en heeft hij daarin geen gehjk? Ze ziet hem voor zich: kort, vierkant, verbrand, met z'n onbevreesde, kalme bhk. Bekrompen? Hij doet z'n plicht en wijkt van zijn weg niet af. 'n Schip is 'n schip, heeft hij tegen de kaptein gezegd. Dat is zijn geloof, zijn diepste overtuiging. Op 'n schip geen jongedametjes, heeft hij er maar mee willen zeggen. Varen is 'n ernstige zaak, waarbij men het hoofd koel moet houden. Ik ben zeeman en wensch het varen niet als 'n pleziertje te zien opgevat. Zoo heeft Charlotte die paar driftige woorden, uit eerlijk gekwetst-zijn geboren, niet verstaan toen ze werden uitgesproken. Ze schenen haar destijds slechts knorrige dwarsdrijverij, die uit 'n bekrompen gemoed voortkwam. Haar schuldgevoel is het, dat haar thans voor de ware zin ervan openstelt. Zij, Charlotte, heeft schuld. Wat haar gisteren gebeurd is, heeft zij aan zichzelf te wijten. Het zou haar niet overkomen zijn, indien in haar oogen onaantastbaarheid te lezen ware geweest. Neen... Chadidscha's wierookgeur heeft zich door haar droomen gemengd; de zoete parfums der Mouski-bazars hebben als gif haar wezen doordrongen, en signor' Alfredo heeft gemeend, zijn kans te mogen wagen. Nu pas, nu Caïro veilig achter haar hgt, durft ze voor zichzelf zijn naam voor het eerst weer uit te spreken. Ze geeft er zich thans ook rekenschap van, dat meneer Dessauvagie eensklaps uit haar leven verdwenen is. Niets, niets is van hem teruggebleven. Kijk: kameelen met 'n drijver. Charlotte ziet eens in de coupé om, bemerkt daarbij, dat er aan het andere venster twee heeren tegenover elkaar zitten. Een van hen is 'n waardige Oosterling... dezelfde als op de heenreis! Ze had nog niet op hem gelet, en hij schijnt haar ook nu nog niet te herkennen terwijl hij even van zijn krant opziet. Ineens overvalt haar door deze fijne Oostersche wellevendheid opnieuw de waan, dat men haar aan boord óók vergeten zal zijn in de lange, lange tijd, dat ze is weggeweest. Ze vertrouwt er wel vast op, dat de Medusa in Ie haven van Alexandrië hgt, maar misschien is het schip intusschen weer heen en terug naar Holland geweest... Charlotte gaat zitten, het gelaat afgewend om niet in het gesprek te worden betrokken, dat zich thans tusschen de beide heeren ontspint. Ze spreken Fransch, maar geen van beiden heeft het Fransch als moedertaal. „Arménien," zegt de een nu van zichzelf. Armeniërs zijn die menschen, die door de Turken al maar door vermoord worden, denkt Charlotte bij zichzelf. Ze voelt, dat de Armeniër nu en dan naar haar omkijkt en haar in 't gesprek tracht te lokken. Zijn stem hjkt iets op die van signor' Alfredo en meneer Dessauvagie; wat hij zegt is er op bedoeld, door haar verstaan te worden, die met afgewend hoofd zit. De Oosterling merkt spoedig, dat. hij bedrogen wordt, leent er zich niet toe om als hulpbruggetje te worden gebruikt en zwijgt zonder daarom z'n vriendelijke wellevendheid te verhezen. Het is warm in de coupé; Charlotte wil wat eau de Cologne op haar zakdoek doen om er zich het voorhoofd mee te verfnsschen. Maar als ze haar vakesje opent, vergeet ze dit voornemen, staart naar iets wat bovenop hgt: de amberketting. Ze zoekt nu de geheele inhoud van het koffertje door, zorgvuldig, om niets over het hoofd te zien. - Neen.. de jarretelles zal Ahce zelf hebben gehouden. Charlotte denkt even na, bekijkt peinzend de amberketting. Ze maakt zich niet driftig meer. Het snoer is niet van haar: zij heeft het afgewezen; dat het toch in haar koffertje hgt, is zoomin de schuld van Charlotte als van het onschuldige snoer zelf. Nu ze er de nieuwsgierige blik van de Armeniër op voelt, neemt ze het in de gesloten hand, sluit kalm haar koffertje en gaat bij het open venster staan om nog weer wat uit te zien. Rijstvelden. Katoenverbouw. Boven de Nijl staan drie gigantische, spits toeloopende zeilen. Kijk... 'n vogel op één poot. Geen gewone reiger. Misschien 'n ibis? Nu, wat zou 'n ibis met Jn ambersnoer moeten beginnen? 'n Kleine karavaan. De voorste drijver roept haar grijnzend iets toe en krijgt voor straf de amberketting niet. Spelende kindertjes. Om de reizigers in de trein te vermaken, buitelen ze over de grond en gaan op hun handen staan. Nu zijn 't goeie vriendjes. Om het snoer zou misschien 'n vechtpartij ontstaan. Het is trouwens al te laat. 'n Landbouwer op het veld, de bloote beenen in 't water. Te ver weg. Misschien ook zou hij z'n akker niet dankbaar meer zijn, indien hem uit de trein kettingen ter waarde van Engelsche ponden werden toegeworpen. 'n Tijd lang niets. De vervelende natuur, zooals Ahce ze gekarakteriseerd heeft: 'n heele boel zand, dan 'n palm, weer 'n heeleboel zand, dan weer 'n palm... Opeens, langs de kant van de weg 'n oud en armoedig, ongesluierd wijfje, dat droefgeestig naar de trein omziet en zich met de smerige mouw over de tandelooze mond veegt. Iets goudigs vliegt door de lucht, valt in het dorre gras van de wegberm. Het wijfje gaat er rap heen, zoekt verwonderd weer het venstertje waarin Charlotte staat, vindt het niet meer, prikt met haar stok naar de ketting, die men 'n oogenblik voor 'n doode slang zou kunnen houden... De trein buigt af. Charlotte gaat weer zitten, 'n onbewuste glimlach om de mond. Als ze merkt, dat de Armeniër naar haar kijkt, bukt ze zich naar haar koffertje in het bewustzijn, dat ze er nog iets wilde uitnemen. O ja, de eau de Cologne. De rust, waarmee ze het vocht dan op haar zakdoek sprenkelt en zich er het voorhoofd en de polsen mee verfrischt, zegt haar Armenische overbuurman duidelijk, dat zij geheel met zichzelf bezig is en dat hij er geen manoeuvre achter hoeft te zoeken. Hij zucht, kijkt nu ook maar door het venster naar buiten. Zoo: zwijgend, naar buiten starend, de krant lezend, verstrijken de uren. Als Charlotte in Alexandrië uit de coupé stapt, wordt haar 'n stevige zeemansknuist tot steun geboden. De meester. Weer in burger, zooals 't hóórt. En Charlotte moet niet denken, dat de rose lefzakdoek z'n eenige is. Hij heeft ook nog 'n paarse. Het kistje met kopergoed uit de bazars stelt hen voor de noodzaak 'n rijtuig te nemen, en daardoor vervalt de nieuwe wandekoute, die de meester daarstraks op de heenweg zorgvuldig gecontroleerd heeft. Hij zit nu met de voeten op het kistje, de knieën opgetrokken, naast Charlotte. En hoe ze 't daar in Caïro nou gehad heeft? Ja, dat ze aan die dame goed reisgezelschap zou krijgen, had de meester dadehjk gezien! 'n Nette, vriendelijke dame! Hij zou anders ook niet gerust geweest zijn: met die Arabier in de coupé. - Aan boord? AUes nog bij 't oude. 't Lossen is afgefoopen; er worden vandaag 'n paar honderd balen katoen geladen; dan gaat de reis verder. Naar Piraeus, de haven van Athene. De meester is blij toe, dat de Medusa weer zee kiest, 't Heeft nou lang genoeg geduurd: vier dagen in Alexandrië!" Ja, voor juffrouw Charlotte was 't natuurlijk leuk geweest; nou kon ze zeggen, dat ze de pyramiden gezien had. Maar voor zeelui was dat lange vastliggen niks gedaan. De officieren de heele dag bij 't laden en lossen, vaten en baaltjes teUend, waarvoor jf even g°ed 'n klerk kon nemen; de machinisten niets te doen, kruipen van verveling maar in 'n café. 't Slokt al je geld op, - daarmee bedoek de meester zichzelf met, maar de jongeren, die 't kleinste tractement en de grootste uitgaanslust hebben. Trouwens, zoo'n haven is voor jongelui toch enfin, 't zal nou op Piraeus aan en dan naar moeder de vrouw, als 'r geen nieuwe orders komen. D'r gaat boven open zee maar één haven, - en dat is Amsterdam. Charlotte laat de meester maar vertehen. Hoe dankbaar is ze, dat hij haar heeft afgehaald. Zonder hem zou ze haast niet naar boord hebben durven gaan uit vrees, dat men haar daar geheel vergeten kon hebben... Ze passeeren zonder moeilijkheden de douane, die even 'n plankje van de kist met kopergoed hcht en 't dan verder wel gelooft: Charlotte en de meester zien er niet als gevaarlijke smokkelaars uit. De Medusa! Hoe vertrouwd, hoe gezellig klein ligt ze daar tusschen die groote Engelsche cargo en die Australische boot uit Sydney. Op het voordek is Beermans aan 't balen tellen, veegt zich met de zakdoek de hals af, maar wuift er vroolijk mee, nu hij Charlotte ontwaart. Charlotte wuift terug, innig verheugd over dit prettige weerzien. Alles is nog bij het oude. Dirrek-met-de-handjes staat aan de wal over sinaasappelen te onderhandelen, houdt er zes of zeven in één hand vast. Gerrit, die in de „kuil" aan 't baadjes wasschen is, kijkt door de stangen van de ijzeren reeling geïnteresseerd toe. De hofmeester komt over de plank aangeloopen om Charlotte van haar toiletkoffertje en de meester van z'n kistje met kopergoed te bevrijden. „Bkj u weer te zien, juffrouw!" verzekert de hofmeester. En Charlotte knikt vriendelijk terug, onderzoekt op dit oogenbkk maar kever niet waarop deze bkjdschap wel gegrond mag zijn. Nu staan ze op het achterdek reeds bij het trapje naar de kajuit en hooren van beneden lachende stemmen omhoog schallen. Er is 'n dreunende, zware lach bij, die Charlotte eigenaardig treft. Wie lacht zoo? De kapitein, de eerste stuurman en de agent van de maatschappij, 'n vriendekjke jonge man, die - uit Hollandsche ouders in de vreemde geboren - z'n moedertaal zuiver behouden heeft, zitten bij 'n glas port. Er schijnt 'n aardigheid gezegd te zijn: nog lachend zien de kapitein en de agent naar Charlotte om, die het trapje nu afkomt. „Wel, daar heb je gelukkig ons passagieresje weer! U hebt zich dus toch niet voor 'n harem laten schaken! Bkj u weer te zien, juffrouw Clarenbeek!" verwelkomt de kapitein baar hartelijk. „Kent u onze agent al?" - Neen, de agent heeft nog niet het voorrecht gehad aan de juffrouw voorgesteld te worden. De kapitein haast zich daarom, hem aan dat voorrecht te helpen. En Charlotte knikt de jonge agent dubbel vriendekjk toe, omdat meneer Strijbos, die bij haar komst nog even opgeruimd keek als de anderen, intusschen kans gezien heeft de weinig innemende plooi terug te vinden, waarmee h'j Charlotte al menig oogenblik van de rek vergald heeft. Naar de reden van zijn aanvankelijke opgeruimdheid hoeft Char- lotte niet lang te zoeken: vóór hem, Op tafel, hgt 'n rijtje postzegels, waarmee zonder twijfel de agent hem verrast heeft. Charlotte kan op dit oogenblik onvriendelijkheid minder dan ooit verdragen; ze wil het niet merken, dat het gezicht van de eerste stuurman sinds haar binnenkomen betrokken is, en steekt hem eerhjk de hand toe. „Dag, meneer Strijbos! Ik geloof, dat uw reis althans niet voor niets is geweest!" En duidt daarbij met 'n hef knikje op de postzegels. Strijbos neemt haar hand aan, - wat kan hij anders doen? zwenkt plotseling tot 'n twijfelachtig soort vaderlijke welwillendheid, knikt en hoeft gelukkig niets te zeggen, omdat de jonge agent luid lacht om het eerste grapje van de aardige, knappe, gedistingeerde juffrouw. Charlotte luistert naar de lach. 'n Plezierige, beschaafde, jonge lach. Maar het is niet de lach, die ze daareven boven aan het trapje hoorde, zwaar, daverend, gul. Dat kan slechts de lach van de eerste stuurman zijn geweest. Die lacht dus wel eens, - dat had Charlotte niet gedacht. Ze gaat zich in haar hut verfrisschen. Hoe klein is het kamertje, - dat had ze alweer vergeten. Na die paar dagen in het Oosten te hebben geleefd, valt haar op, dat alles wat hier maar blinken wil helder gepoetst is, het mahoniehout gewreven, de beddesprei hagelwit. De hofmeester heeft aan het eind van de reis z'n fooi verdiend. Ja... die eerste stuurman! Charlotte's vertrek naar Caïro moet hem wel 'n groote opluchting zijn geweest. En daar Charlotte met de beste wil van de wereld niets bedenken kan, dat hem reden tot zijn antipathie zou hebben gegeven, moet ze wel aannemen, dat hij vrouwenhater uit overtuiging is. Ze zou toch wel eens willen weten waaruit hij z'n overtuiging .geput heeft. Zeker, ze kan even koud zijn als hij; dat is niet moeilijk, maar 'n aardiger taak zou het misschien zijn, te trachten met wat zonneschijn het ijs tusschen hen beiden te smelten. Ze heeft het gehoord: hij kan lachen. Dat zal ze nu onthouden. Ze laat Gerrit die middag het kistje met kopergoed openen en 's avonds aan tafel, waar allen aanwezig zijn behalve meneer Dessauvagie, komt ze met haar gong voor de dag, de gong, die ze voor de kajuit van de Medusa bestemd heeft. Neen maar, dat is leukl Ze had 't niet mogen doen, maar leuk is hetl 't Aardigste is, dat ze van dit cadeau allemaal wat hebben! De kapitein zelf in de eerste plaats, want welke kaptein heeft nu niet graag 'n kajuit met 'n gong? De anderen hoeven nu niet meer om de haverklap op hun horloge te kijken, of het al etenstijd is, - dat zal de gong hun wei vertellen. En is 't voor de hofmeester soms geen mooi cadeau? Die hoeft nu niet meer achter de laatkomers aan te loopen. Dat kun jij in je zak steken, Strijbos...! „Zoo," zegt deze en kijkt nu voor het eerst naar de gong om. „Ja, u denkt natuurlijk: was 't maar 'n postzegel!" lacht Charlotte. En de anderen lachen met haar mee. Nee, aan postzegels heeft hij niet gedacht, mompelt Strijbos. Hij heeft alleen maar naar die gekke figuurtjes op de gong gekeken: wat die moesten voorstellen. „Ja, stuurman, van kunst hebben we hier geen van allen verstand," zegt de kapitein, in zijn geïrriteerdheid de bewerking van de gong wel wat te hoog aanslaand. „Jij moet maar denken: als je m maar hóórt. Wij vinden 'm allemaal mooi." O, natuurlijk, zeker, hij zal 'm wel hooren. Charlotte lacht en ziet de brompot zoo vroolijk-bezwerend aan, dat hij niet durft terug te kijken. De hofmeester is heengegaan en keert nu reeds met 'n koord terug, waaraan de gong hangen kan. Hij hoort het lachen in de kajuit niet. Voor hem is dit 'n ernstige aangelegenheid: hij is nu 'n hofmeester-met-'n-gong. Het laden gaat voort tot in de duisternis; acytheleenlampen werpen schei-wit licht op het voordek, beschijnen het schilderachtige troepje Egyptische havenwerkers, dat met helsch kabaal elke hijsch uit de duisternis in de lichtkring der lampen ziet aanzwaaien; grillige schaduwen wandelen over bet dek, rekken en krimpen, glijden over elkaar heen. Maar eindelijk, om tien uur, komt er 'n eind aan het gesis der stoomlieren, het geschreeuw en gedraaf; de boatmen gaan heen, en de planken klappen neer op het gapende ruim. Alles wordt goed vastgehamerd, want er staat buiten 'n ruwe zee, - voor 't eerst op deze reis. Nu wordt 't: wachten op de „papieren". Dat is te zeeeennog niet allen zijn aan boord: de Lotsmm meldt hefS nat *.T JTS> dl-S<^de Stoker- Ea inkeert ook I JL* t T iC machmist> meneer Dessauvagie. Over dit aanSfel& mFST ^ " woe^ D^*<£ aan talel had hij zich reeds geërgerd over de afwezigheid van zim ondergeschikte, die tl z'n tijd en gefd aan de wa1 cww? Cn «S* de mcht bo°rd terugkeert Charlotte, die op de verlaten brue naar de maanspiegehne 3L if* haveuWater Staart' hoort> kneden zich, de mSsto "JSl^ l^^^ ^ iS DU ^eiTweS 2Ta a ■ pteln de raad van de meester volet dan ?" f paPlefen Cn de loods er * ~ maar wegsiforneï Laat dat heertje maar eens merken, dat het scWd nietTnS zi,n pleizier blijft hggen wachten l'Laat'm maS TyodZ MeneS; °P de h<* nakijkenTeft ^ Meneer Strijbos komt er bij staan en eromt over die ver vloekte papieren, die altijd te laat kom^n Is h7t scSp er" e^nhjk voor de papieren, of zijn de papieren ï voo?he 3 5?U 1 2°? heel Veel bedorven zijn als de Medusa zonder die rompslomp van papieren uitvoer? ironie WeTït met berustende zSman had^ii ~ StUUtman met zoo mopperen; als vroïïer S ^f* ^r ,?oeten 2or8en eeuwen vroeger op de wereld te zijn gekomen. Toen viel 'n reeder z n sch,pper om de hals van lankbaarheid als die 'n Sn ntr^at^0ZnëTmCht' P^en dtrfde Hj^ niet aan te komen. Toen was 'n schipper - naast Godl - Snit w in SdÜP' ^ T ^ « SnTkund; ning het wel en wee van de ieedet af. Maat - eetliik - wie ovlomst^EaSl8 ^ °°* }*°* ™ 'ntehouS nH™ £ de Vtouw en de verzekeringsmaatschap¬ pijen. En die assuradeurs hebben voor de eofie eane van zaken nu en dan ook weer eens 'n schipbreukjenoficf om verzekeren. Nietwaar? Dat de reederijen kundiefe zeelui no^ toCtd^jkhdd, Dat heere°' ^ - of twef plezierreisjes naar Tunis en Algiers hebben gemaakt, hun nautische ervaring ter beschikking stellen om méé achter de groene tafel te gaan zitten, waar uitgemaakt wordt, of kaptein Zoo-en-zoo er schuld aan heeft, dat z'n schip bij heiig weer op de keien is geloopen: pure vrindeüjkheid. „Wij zijn niet meer in tel, heeren; het gaat om de assurantiebewijzen, om de haventoestemmingen, om de papieren. Als goed zeeman beef je niet meer voor stormen en klippen, maar voor de papieren. - 'k Wou, dat ze nu maar kwamen." Zwijgen. De papieren laten op zich wachten. Van het voordek klinkt harmonica-muziek, welke om de daverende Jordaanzang vraagt van Janus, de schele stoker, die nog niet aan boord is teruggekeerd. Ook Dessauvagie laat nog altijd op zich wachten, ,,'t Is elke reis weer 't zelfde," zei de meester daareven. - Charlotte heeft er geen schuld aan, dat de tweede machinist z'n tijd, z'n geld en zichzelf aan de wal verslingert. Nu de harmonica even zwijgt, klinkt heel aan 't eind van de donkere kaai 'n gezang, dat door iedereen herkend wordt: „As de tros is losgesmaite, as de plènk is ingehaold..." Ja, Schele, daar mankeerde ditmaal niet zooveel aan. Het gezang zwelt aan en schijnt dus naderbij te komen; op de bak verkneuteren zich de kameraden van schele Janus. Nu, nog naderbij komend, heeft Janus „z'n hart in Sieriksai verlóure"; de gegolfd ijzeren loodsen sidderen ervan; het is, of de heele atmosfeer trilt bij dit oorverdoovend gezang. Onder 'n electrische lantaren, waartegen hij steun zoekt, is de zanger thans zichtbaar; zijn beenen zwabberen op 'n zonderknge, onberedeneerde wijze onder z'n romp, maar z'n stem blijft op volle kracht, en hij onderbreekt z'n zang slechts om opmerkingen, die hij van de schepen aan de kaai te hooren krijgt, kernachtig in het Janmaats-Maleisen te beantwoorden, van welke taal hij zich op vrooiijke uitstapjes in Java's kustplaatsen vlot heeft leeren bedienen, 'n Paar kameraden van de Medusa gaan de laatkomer nu tegemoet. „Zoo, jongesl" verwelkomt deze hen. „Da's goeie, dat jullie me komme helpe om die orangs daar op d'r eige kapal... I - Hei, dinger sekah, loe blauwe monjets daar bove, sekarang saja poenja kameraje dateng! Mari sini as ie potverdomme brani bent!" ' „Kom, Janus, ga liever mee, dan zinge we op de bak nog n moppie en dan mot je maor 's vertelle hoe je 't bai de maissies heb gehad!" O, dat wil de Schele ook wel; geef me maor 'n arm, jonges • same uit, same thuis. Jullie wazze toch zonder janus nie weggevare, wat? Dat wou 'k óók zegge! - Van beide zijden gesteund, zwaait Janus op de Medusa aan, waar hem morgen bij t ontwaken uit z'n roes, de boodschap zal worden geS*^ *»* ta ,de te?^ °P '* matje moet verscUjnen. Nu, terwijl hij de loopplank wordt opgeduwd, geeft hij bet verward relaas van zijn avonturen. De meisjes lusten 'm! trek zijn ze op hem. „Schele benne anders de mooiste niet," betwijfelt een van È,nentS' VeiÜg °Ver de looPPlank trachten te „En wie is dan de mooiste? Jai soms?" vraagt de Schele zieh omwendend. „As je maar fideel ben, dat hebbe ze graag! Dr was één bai. nai, ik zeg verder niks... die heb ikin n . j or , ,e. n P^Ptertje van 'n riksdaolder gestopt Das de Schele, jonges!" r see*? * ^ ^locpplank over cn WOfdt DStlLt de bak geboegEven later nadert langs de kade 'n slanke, zwarte gedaante en vindt zwijgend 'n weg naar de Medusa. Daar treedt de meester hem in de weg. „Je bent vroeg, dat moet ik zeggen," hoort Charlotte brommen. „Ik wil je nog even hebben kom maar mee." ' Dan, te middernacht, komen de papieren. Het schip kan varen. De loods wordt nu haastig gehaald; 'n half uur later zijn de trossen ingehaald en trekt 'n sleepbootje de Medusa weegT DC nachine bonkt; het sleepertje gaat zijns Drie stooten met de fluit daveren over het slapende in maanlicht gedrenkte Alexandrië. Zoo, vol mysterie, schemert het Oosten weg. De maan is niet eens geheel vol, maar zoo intensief is haar schijnsel, dat de kapitein - zonder naar de jamp m t kaartenhuisje te gaan, of zich bij 't kompas bij te lichten - n brief van z'n vrouw doorvliegen kan, die hem nog wel tezamen met die ellendige papieren, op het laatste oogenblik vreugdevol verrast heeft. Na de thuiskomst van meneer Dessauvagie is Charlotte oververmoeid gaan slapen. Terwijl ze zich in haar hut ontkleedde, bekroop haar weer dat zelfde heerlijk-veikge gevoel van: ver in de vreemde in 'n vertrouwde, Hollandsche omgeving te zijn. Aan niets wilde ze verder meer denken; ze heeft de oogen gesloten en is in slaap gevallen. Gelukkig maar... want de Medusa met haar leege ruimen begint, nauwelijks nadat ze de haven achter zich heeft, te dansen van belang. Zoo te dansen, dat het voor de loods 'n niet ongevaarlijke toer is: langs het uitgeworpen stormleertje z'n motorsloep te bereiken, die, eerst meters ver onder hem verzinkend, hem dan opeens - sneller dan het vrachtschip op de beweging van het water reageerend - de voeten dreigt te verbrijzelen. XVIII Meneer ^Strijbos krijgt nu, bij het verlaten van Alexandrië, eindelijk z'n zin: de zee wordt 's wat ongemakkelijker, zooals hij 't graag heeft; de kust is nog in 't zicht als de eerste stortzeeën al over komen. Hij heeft zöoals altijd de hondenwacht, stapt met groote passen op de brug heen en weer, taxeert de windsterkte eens, tuurt met saamgeknepen oogen onder de klep van z'n pet voor zich uit, de handen in de jaszakken begraven. Als de Medusa haar neus diep in 'n waterberg dompelt, zoodat het witkokende schuim sissend opspuit en zelfs de hooge brug besprenkelt, spuwt Strijbos vergenoegd het zout van z'n hppen, lacht in zichzelf en stapt elastisch weer heen en weer op het hevig zwalkende bruggedek. Hij is anders op wacht niet erg spraakzaam, maar nu knoopt hij 'n luchtig praatje met de roerganger aan, die, moe van het balanceerende stilstaan, half op z'n stuurrad leunt en in de verhchte kompas-kap vóór hem tuurt. De stuurman spreekt niet over de zee - die is goed zoo; daar valt mets van te zeggen -, neen, hij spreekt over 'n jaar geleden, over de „Perseus", die bij de Balearen toevallig door deze zelfde Berend „op de keien" gezet is. Hoe-d-ie 'm dat nou wel geleverd had. Waar kwamen ze eigenlijk vandaan? Berend gaat overeind staan achter z'n roer. De Perseus kwam van Marseilje en gong naar Algiers. „Nou, maar konden jullie dan niet om die Balearen heen varen, zooals 't hoort?" Berend, die over deze eenvoudige vraag al veel is lastig gevallen en zelfs als getuige voor de scheepsraad heeft moeten verschijnen, zucht hartgrondig. Hij had z'n koers gevaren wist hij veel. Dat daar de Ballejare lagen, had ie ook pas geweten toen 't ongeluk in de krant sting. De kaptein was gaan legge en had aan de derde gezeid 'm te wekke zoodra r n lichie zoo-en-zoo voor de boeg kwam. Om half twaalf zagge we 't. En an bakboord nog 'n lichie. „We zelle den ouwe maar late slape," had de derde gezeid, „we komme d'r zóó wel langs." Effe later kwam de eerste bove; die had over 'n kwartier toch wacht, en die zei: „Zeg, derde, vaar je niet wat krap an?" - „Ja, ik kijk net 'r 's," zei de derde. En meteen kwam den ouwe ook bove; die was van z'n eige wakker geworde, omdat ie d'r nie gerust op was, en die zei: „Potverhierendaar, waarom wor ik niet gewekt as ik 't zeg?! Gooi óm je roer naar stuurboord!" Maar meteen zatte we ruil speed op de keie. En de meester was zoo van z'n doen, dat ie uit de machine-kamer naar bove kwam geloope om te vragen wat 'r was. De donkey-man, u ken 'm wel, die magere, die nou op de Herremes vaart, heb 'r 'n herseschudding van overgehouwe, want die vloog door de schok met z'n bovenhuis tegen de ijzere trap van de machinekamer; 't was 'n zuiver gelukkie, dat 'r in logies geen ongelukke gebeurd zijn: de petroléumlamp woog van de balke tegen de grond, net as de lui zelf, die al op d'r kooie lagge. Eerst zouwe we volle kracht achteruit, maar den ouwe was bang voor zinke, want 't voorruim liep al vol, en trouwes, we zatte zoo vast as 'n huis; gelukkig was 't 'n stille zee, niet zooas nou, anders hadde we gauw de fierlefans geblaze Het is 'n opwekkend gesprek voor de hondenwacht. Ook op deze reis moeten lichtjes gepasseerd worden, heel wat, en met veel zeemanskunde moet er bij nacht en duisternis 'n weg gezocht worden tusschen de tallooze eilanden, eilandjes en klippen, die de Grieksche zeeën tot zulk riskant vaarwater maken. De stuurman grinnikt. Hier 'n sigaartje voor straks, na wacht! „Dankje, stuur!" Volgt het verhaal van de redding. D'r kwam al gauw 's 'n Engelsche twee-pijper bij kijken, maar die gong naar Port-Saïd, en toen hebben ze nog 'n Itahaander en twee Spanjolen op bezoek gehad en eindelijk kwam de Lekkerkerk, en daar zijn ze toen op overgestapt met achterlating van de heele lading, want 'r stak 'n harde wind op; ze moesten 'r gauw af. Nou, en toen kwam 't allerergste: de Scheepsraad. De derde heb wat motte hoore en de kaptein niet minder, - die kon 'r toch niks an doen! „Heeft de verantwoording," zegt de stuurman, half tegen Berend, half tegen zichzelf. De kaptein heeft de verantwoording. Te allen tijde. De verantwoording voor wat z'n stuurlui, z'n machinisten z'n loods mthalcn Hij, stuurman Strijbos, kan ovïï twee'jaaï gezagvoerder ajn, misschien eerder, wanneer de MomE zoo doorgaat. Dan heeft bi/ de vetanWo^fHSïdwel zorgen, dat m, gewekt wordt wanneer er 's nacht Vicntie» gepasseerd moet worden. Als de derde wacht W ijE* kaptein, in zulk water althans, niet slapen. Akf?e itzeS ie J^reS^.611 je ve^rouw^kaS^t Kaptein Strijbos. Misschien niet altijd even vrindehik maar dan toch gezagvoerder op z'n schip. - Walffad de' ouwe tdB.t^o^.ecpt^^e/^S^ iïSJT C Wen- °P 2CC Vergfiet Je ^ romrnd wee'r' iJatA S VCr WCg ^ e ^sschen hemel en wateTS drstesr.T2eggen' * ^zich geen ™ ^^bo^e^^a ^««aitige bhk op 't kompas: of Berend mee 't T, fcW S°mS VCrgeet- Neen' ^ val* ™gal mee. t Is hier nog veihg water, maar toch.. 8 „k Hou m wel vast, stuur!" stelt Berend hem gerust En vertelt nu wat hij alles heeft moeten hooren, h?j £ X koers gevaren had Jij ken toch niks andeS S 'n schip verkeerd gaat - Wat kon hij méér doen as de koers vare die de derde 'm gezeid had...?! ' Charlotte schrikt wakker, richt zich op en luistert slaan dKrdoTondtr^' ^ ™ ^odTandS oiep en dof onder haar hut te zoemen, klepperend raast N, ach m de diepte voelt wegzinken, begrijpt ze dat de^Tf gXn ff"*" ^ '< SP * * alsofï Slnti^' fecds vertfouwd a«idoet, aisot ze er in haar slaap onbewust naar geluisterd Wf> i. ea duwt e, dan w<*r ttgen, M mits, breng nog 's wat piepers 1" Bij heldere maneschijn vaart de Medusa de haven van Piraeus uit. De kaptein stapt vergenoegd op de brug heen en weer. „En nou: recht toe, recht aan naar moeder de vrouw!" zegt hij, als hij even bij Charlotte stilstaat. Hij moet z'n vreugde ergens kwijt. „Wij zeelui noemen dat: achter Bornholm gaan kggen!" voegt hij er in z'n pret aan toe. Maar nu hij Charlotte's vragende oogen ziet en aan het uitleggen wil gaan, merkt hij, dat hij wel wat ondoordacht gesproken heeft. De uitdrukking heeft 'n dubbele beteekenis, welke hem nu pas te binnen schiet; de brave kaptein betrapt er zich echter tegekjkertijd op, dat hij - onbewust - toch wel aan die dubbele beteekenis gedacht heeft. Zou de juffrouw ze er uit proeven...? „Ja, juffrouw: Bornholm dat is 'n eilandje in de Oostzee... waarachter al sinds ouwe dj den de houtschepen uit Zweden bij storm 'n veikge schuilplaats zoeken. En... eh. Begrijpt u wel?" Ja, Charlotte begrijpt 't wel. Aan de kchte verlegenheid van de kaptein — en ook aan iets ondefinieerbaars in de uitdrukking zelf - heeft ze wel gemerkt wat dit beeld van oudsher voor de zeelui beduidt, aan welke menschekjke gevoelens het in grappig-onschuldige zin uiting geeft. Ongewild ziet ze 'n trouwhartige, stevige, warmbloedige „moeder de vrouw" voor zich en 'n veilige, vertrouwde bedstee Als ze weer alleen is, tuurt ze over de verschansing; 'n glimlach speelt om haar mond. Hoe mooi beroert haar het eerkjke verlangen der zeelui, die 'n maand of langer hun vrouw niet hebben gezien. „Bijna alle zeemanshuwelijken zijn gelukkig," heeft de kaptein bij het vertrek in Rotterdam gezegd, en Charlotte begrijpt thans nog beter dan toen: waarom. Voor üefde is fantasie noodig, - de lange scheiding wekt die fantasie. Ja, hoe bitter het klinken moge: ket steeds weerkeerende afscheid houdt het geluk in stand. Het wekt de erkenning van het geluk - voor het te laat is. Charlotte moet aan Ahce denken. AHce, die zich thans het huwekjk met haar Sicikaan herinnert als 'n ononderbroken gouden droom, zal, toen hij nog leefde, vaak genoeg op haar pauvre garcon gemopperd hebben, verveeld naast hem gezeten, hem duizend mijlen weggewenscht hebben, gegeeuwd bij het slapen gaan. „Laisse moi dormir, je fe £rie.\ Nu' 'a nó heeft 2e heimwee naar zijn vurige verliefdheid. .. ° Is er 'n vreugdeloozer huwelijk dan dat van tante en oom.-' Maar als oom morgen aan de dag sterft, zal tante haar verloren geluk betreuren. Het afscheid in het zeemanshuwelijk is gelukkig slechts bij uitzondering een afscheid voor eeuwig. Maar het kan het zijn en bkjft telkens een waarschuwing. In eenzame nachtelijke uren stijgen herserischimmen uit het duister op. Dénk er om. .. het geluk kan ineens uit zijn! Dat is de ongewilde wijsheid der scheiding. Charlotte schrikt met 'n zucht uit haar overpeinzingen opoe loods gaat heen en groet haar in't voorbijgaan. Nu stapt hij in z'n bootje, dat met 'n boog wegschiet naar de haveningang, 'n schitterend waterspoor achter zicii latend. De volgende loods zal die van IJmuiden zijn. De deining. Ze is er nog. Zoodra de Medusa wat van de kust weg komt, begint het stampen en slingeren weer. Charlotte, in die ééne dag de beweging alweer ontwend, kleedt ach gauw uit en gaat op bed liggen vóór ze duizelig wordt. De volgende morgen onder het aankleeden voelt ze nog n lichte beklemming, die gelukkig overgaat zoodra ze aah dek komt en de zeewind haar om de ooren waait. Ze at met de kaptein alléén aan 't ontbijt, en deze overvalt naar met de vraag- of ze er wel aan gedacht heeft, wat t vandaag voor 'n dag is? Neen, wat is er dan?? Nou, in Holland rijdt vandaag de goede Sint over de daken. Sinterklaas?! Waarempel, de kalender, afgescheurd op de maand December, wijst 'n dikke j aan. Hoe kon ze dat vergeten! In Holland is 't koud, sneeuwt het nu misschien. In alle groote winkels tracteert de grijsgebaarde heilige met z'n roode mijter de opgewonden kinderen. In HoJIandis 't sinds dagen n geheimzinnige tijd van pakjes-maken en vrookïfce rijmelarij. Daar kan niemand vandaag de nog zoo heerhjkgezelkge, oud-Hollandsche sfeer van „Sinterklaas" ontgaan. Op school zingen nu de kinderen van: „Sinterklaas kanoen- tie, doe wat in m'n schoentje'', „Zie, de maan schijnt door de boomen", „Daarginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan"... Neen, Charlotte zou de heele Sinterklaas werkelijk vergeten hebben. De kaptein is beter Hollander dan zij: bij heeft er aan gedacht 1 Ja, maar dat heeft z'n reden. Er zijn twee Sinterklaaskisten aan boord: een voor de bemanning en een voor de heeren. Die voor de matrozen en stokers komt van 'n vereeniging in Amsterdam, die zich het lot der zeevarenden aantrekt en aan elk HoÜandsch schip, dat met Kerstmis op zee is, 'n kist meegeeft. Nu zullen ze deze keer, als er niets bizonders gebeurt, juist vóór Kerstmis thuis zijn; dat treft zoo mooi als 't maar kan: met Kerstmis en - wie weet! misschien met Oud-en-Nieuw ook nog thuis (de kaptein zegt nu niet meer: achter Bornholm, maar Charlotte moet er toch heimeUjk aan denken). Goed, omdat de Medusa dus met Kerstmis wel in Amsterdam zal zijn en al 't volk dan verspreid is, dacht de kaptein de kist nou maar open te breken. De andere kist kwam van z'n vrouw; dat had ze in 't eerste jaar van hun trouwen gedaan, en nou zag ze zelf wel in, dat ze er daarmee voor goed aan vast zat. Ze had 'r elk jaar weer dezelfde aardigheid in. Er zat voor alle officieren en machinisten 'n nesterijtje in; ook Gerrit en de hofmeester waren nog bedacht. Daar waren gedichtjes bij in, - dus dat was wel in orde. Maar nou de andere kist. 't Was mooi genoeg, dat die vereeniging de cadeautjes kocht; je kon niet verlangen, dat die dames óók nog voor de paar honderd schepen, die met Kerstmis op zee zwalken, aan 't dichten zouden gaan. En kijk, - daar wou de kaptein nou maar op komen; 't hoefden natuurlijk geen ellenlange verzen te zijn; de man 'n paar regels, dat was voldoende... Charlotte moet dichten. De kaptein ziet 'n dichteres in haar. Dichten is voor hem iets wat elke vrouw kan, zéker onder de inspiratie van de goede Sint. De lastige opgave kittelt Charlotte. Als ze nu maar wat bizonderheden kende... - O, dat kwam in orde! Hier had ze vast de hjst met alle namen; 't waren er niet zooveel: zestien stuks, niet meer. Zestien gedichten moet Charlotte voor zonsondergang klaar hebben. That's alk De kaptein gaat voor haar al eens de lijst door. Nou, Dirk Westra, - dat is Dirrek-met-dehandjes, - daar maakt ze wel wat van. Gerri7HooTkaas I „Gerrit m z'n roode baadje, maakt soms al teTerat 'n praatje. ' 'n Beetje moraal, - dat onthouden ze lis z?? met Smterklaas te hooren krijgen. Bakker. Da's dé tin^ermÏÏ It ST tó Zr.^? - CharlotTweet^i kon'» A.'^?- P"kl?P' n'mt: »sJaat de «Pijker op z'n Si» Paft ?°g ï n ^'^ scha^n, hameren kanl - paf staat de kaptem: hi had niet gedacht dat de juffrouw ze zóó uit de mouw zou schudden O hoeveel Sinterklaasgedichtjes heeft Charlotte niet voor de kleine peuters in haar klas gemaaktl Nou, dan hebben we hier Janus Kneppelhout, 't Schele Gevaar. Daar rijmt: „misbaar" op. Wacht, de kaptein weet n mooi rijm: „Al kijkt die Janufnog zoó scheef hh hTeft n leeuwerik in z'n keell" 1 Charlotte moet lachen, - de kaptein ook. Neen dat de arme man scheel kijkt, is erg genoeg voor hem, - daaraan ^ Ch«lotte hem met Sinterklaas niet herinneren Maar op 7a gezang zal zij natuurhjk dichten: het is 't waard P fnT'7,1S,er Hein K<*koek met z'n Scheveningsch petje en zn schedel van gewapend beton. Bertus, lange Bertus tl tld^te de P«seus naar de kelder^eeftï gezet, - dat mag hij nog wel 's 'n keertje hooren en wat nZf hS ^ > 2e/^en? Hobbie^donk^ snteert!'" Ve™*«, die dag en nacht de machine aafMcht n^fl*^ ^ * Gn daarna ^ Chariotte snellS ^ DI- nJmwo°fd«> zouden haar nog Sid Ceïï^ CIl' lnd,enJ2e' ™°* «ch uit turend, nief atgeleid werd door het steeds wisselend schouwspel van lucht-water, water-lucht, - al naar gelang de Medusa naï Wet0 door deT^kb00rd, Tf£lt' ^schen ïat^ Kaptein door de hofmeester de kist voor de manschappen rneteZTX^^^^ Charlotte WecteereZ Büna mete dan rooken, 'n Paar pi pen, kromme en rechte, sigarettenkokers met 'n keve uffrouw en 'n paardekop er on"S2 kleine sigaartjes. Kalenders en almanakken, voor ernstig gestemden. „De Wapens neer!" van Bertha von Suttner. Bijna stukgelezen, maar dat is niet erg; de geest van 'nawerk is onaantastbaar. „Vrouw Zorg" van Sudermann en 'n stapel romans van mevrouw Oourths-Mahler: „De schoone Melusine", „De Toovermacht der Liefde", „Het Amulet van de Rani", „Wilde Ursula", „Arme, kleine Annie", „O, Gij Koningsdochter!" en „Wat heb ik je gedaan?" Alles in dezelfde verfomfaaide toestand. Op Charlotte's aarzelende blik, deelt de kaptein haar mede, dat er in 't logies altijd 't eerst naar de meest gescheurde boeken gegrepen wordt. Al te goed bewaarde werken stuiten op 'n gerechtvaardigd wantrouwen. Vergeefs zoekt Charlotte naar moderne succes-schrijvers, - ze vindt - inplaats van Curwood, Jack London of Anita Loos - 'n bundeltje afleveringen'van „God ziet U", „In den Heer is mijn Vertrouwen", „Het Christelijk Licht in duister Afrika". ,,'t Is ze tenslotte 't zelfde wat ze lezen," zegt de kaptein,, als Charlotte de blaadjes wat teleurgesteld inkijkt. „Wanneer de reis maar lang genoeg duurt, verslinden ze elke regel schrift, bestudeeren zelfs de preekbeurten en de advertenties: goedkoope aanbieding van zwarte stof voor domineesjassen. Lacht u daar maar niet om, - 't is heusch!" Charlotte verdeelt nu consciëntieus de cadeautjes onder de zestien gegadigden, die zich straks zuUen aanmelden; wanneer ze op de man zelf niets weet te dichten, dan wel op het cadeautje, dat hij krijgt. Om vier uur is ze met alles klaar: de pakjes kggen gereed, met de gedichtjes eraan, de kaptein kan thans voor Sinterklaas spelen. Ja, maar nou heeft de kaptein nóg 'n verzoek: 't zou zoo aardig wezen, als vjf de boel onder de mannen zou wiüen verdeden en de gedichtjes voorlezen; dan snapten ze ze ook beter, en ze zouden 't natuurkjk allemaal 'n hed ander idéé vinden om uit hiér handen... Goed, als de kaptein dat meent... - Charlotte zal het doen. 'n Uur vóór het avondeten wordt op ongewone wijze de gong geluid en door Gerrit aan de bemanning meegedeeld, dat Sinterklaas in de kajuit is aangekomen. „Naar de kajuit, voor 'n segaar en 'n God-ziet-u, 'n beetje vlug, mannen!" verordonneert de bootsman. Daar, in de kajuit, zit Charlotte, geflankeerd door de kaptein en de meester, achter de tafel, waarop de cadeautjes ajn uitgestald. Half in de deur staan de janmaats en de stokers, voor zoover ze achter 't stuurrad, of van „de plaat" weg konden, en constateeren met ingenomenheid, dat Sinterklaas ditmaal 'n juffrouw is. Da's weer 's wat anders as anders! Terwijl de hofmeester twaalf glaasjes vol schenkt (zooveel „hens zijn er verschenen), steekt Charlotte van wal. De kaptein en de meester en ook de anderen stellen dadehjk vast, dat ze 't „allemachtig aardig" doet. Ze is wat bevangen wat verlegen en opgewonden; haar stem klinkt hooger dan anders, maar ze vindt haar woorden, giet ze in welgevormde zinnen; onderweg gaat 't steeds beter; ze weet voor ieder het juiste woord, 'n vriendhjk grapje, dat streelt en nooit kwetst, en leest staande, de wangen wat rooder dan anders duidehjk en „met begrip" de gedichten voor de aanwezigen! De Janmaats, gewend dat 'n vers iets onhandelbaars is, dat alleen in toom gehouden kan worden door krachtig op elk rijmwoord te drukken, staan verbaasd hoe luchtig zoo'n dichtstuk de juffrouw van de mond vloeit; ze hebben onderweg zelfs moeite om te controleeren, of de boel wel rijmt zooals 't hoort. Deze controle berust trouwens alleen bij hen, op wie het voorgelezen gedicht niet slaat; hij, die in versmaat de loftrompet over zich hoort steken, is er te zeer van onder de indruk om nog aan rijmwoorden te denken; dankbaar, hcht ontroerd zelfs, neemt hij z'n pijp, z'n zakmes, z'n roman of z'n almanak aan, vouwt behoedzaam het aan hem en aan zijn goede hoedanigheden gewijde poëem op, ten einde het in het logies te lezen en nog eens te herlezen, er ook in Holland mee te pronken. „Dankje wel, juffrouw!" „Je hebt 't toch niet van de juffrouw!" zegt de kaptein die wil dat de bedeelde het oud-Hollandsche: „Dankje, binterklaas!" uitspreken zal. „O ja, dankje, kaptein," stamelt de man, de bedoeling van de kaptein niet vattend. „Dirk z'n handjes; 't Zijn me klantjes! Wat hij vast heeft, heeft hij vast! Da's véél waard voor 'n varensgast I Dirk, je bent 'n jonge baas, Maar dit zegt je Sinterklaas: 't Vaten zit jou in je bloed, En als jij je best steeds doet, Zal je nog eens bootsman zijn! Of... wie weet! misschien kapteinl" Hoogrood van benauwdheid neemt Dirk z'n cadeautje en z'n vers in ontvangst; woorden ontbreken hem; zwijgend steekt hij Charlotte een van z'n formidabele schuimspanen toe en drukt haar de hand, dat 't kraakt. „Wie op de Medusa vaart, Heeft de opera uitgespaard! Zooals onze Janus zingt, Zoo'n stem, die 't heele schip door klinkt, Vind je werkelijk nergens weer. Janus... zing nog menig keerl In den avond, in den morgen. Want 't lied verdrijft de zorgen!" „Nou moest je eigenlijk 'n stukkie late hoore, Janus!" plagen z'n makkers, die op Sinterklaas, aangemoedigd door de aardige, hartelijke juffrouw, in de kajuit wel eens 'n woordje durven laten vallen. Janus kan op dit oogenbhk niet zingen. Hij heeft wat in z'n keel. Hij heeft er nog nooit bij nagedacht, of het lied de zorgen misschien verdrijft. Hij heeft trouwens eigenlijk nog niet zooveel zorgen om te verdrijven. Maar nu de juffrouw dat zoo zegt: van dat 't hed de zorgen verdrijft, krijgt hij 't in z'n keel. „Hier, vergeet je In den Heer m'n Vertrouwen niet, Janus!" „O ja, kaptein, ik dach al... da'k wat vergat..." Als de ceremonie is afgeloopen en de mannen met hun pakje en gedicht naar 't voorschip terugkeeren, gaan de tongen weer rapper. „Had jij gedacht, dat ze zoo lollig en zoo doodgewoon zijn kon?" „La me jouw versie nog 's kijke?" „Zag je wat den ouwe d'r zich op verbeeldde?" „Nou, of die groos was!" ! P* Is oolc beslist 'n aardige meid, - die kenne ze mijn in t logies sture!" Ja, nu zijn ze weer heel wat mans. Aan tafel zijn de kaptein en de meester gul met hun lofspraken op Charlotte. En meneer Strijbos kan - na de waardevolle postzegelschenking - moeilijk anders doen dan met belangstelling te luisteren, althans nu en dan instemmend te knikken. Het moeilijke probleem van deze fatale postzegels heeft hem sinds gisterenavond haast onafgebroken bezig gehouden. Hij is begonnen met er ahe kwaad achter te zoeken dat hij maar vinden kon. Plagerij was 't van haar geweest. Hij moest s verlegen gemaakt worden. - Maar om iemand te plagen, geef je 'm niet de donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem in-met-groc>te-profielkop'naar-hiiks en de nog ongekartelde ij cents Willem III van 1852. Ze heeft ze hem trouwens niet plagerig gegeven, maar vriendelijk toegeschoven. Was 't soms bedoeld als: kolen vuurs opz}n hoofd? Wat bhksem, ze moet er toch een of andere bedoeling mee gehad hebben! 'n AaÏÏ?l °P hem? Wil mejuffèr met twee postzegels van Willem III (één gekarteld, één ongekarteld) 'n eerste stuurman, hem, Strijbos, in de wacht sleepen? 't Zou krarjetinnig zijn, maar wat komt in 't hoofd van 'n trouwlustige vrouw met op? De stuurman heeft op dit gebied al méér ervaringen opgedaan. Diezelfde West-Indische dame van de papieren bloemen-en-weet-ik-wat-meer heeft 'm uit haar hut 'n epistel op z n dak gestuurd met 'n formeel huwelijksaanzoek. En nou deze weer! Ja-ja! Maar van twee postzegels (de donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem IH-met-grooteprohelkop-naar-links en de nog ongekartelde 15 cents Willem IH van 1852) tot 't stadhuis, dat was nog 'n verduiveld eind. Van hier naar de maan! Met groote passen ijsbeert de stuurman de brug op en neer, kijkt even, of Hein (die niet weg mag naar Sinterklaas m de kajuit) z n koers vaart, gaat dan tegen de verschansing staan en beseft, dat zijn drift, zijn wantrouwen tegen dl andere sexe, hem tot dwaze veronderstellingen voert Die West-Indische dame maakte in 't half uur, dat ze 's ochtends aan dek kwam (opdat de hofmeester de hut in orde kon maken), lieve oogjes tegen hem. Dat doet deze hier niet. Deze wou er trouwens zelf niet de eer van hebben toen ze hem die postzegels gaf. Ze waren van 'n vriendin. Mag hij dat gelooven? Hij heeft geen „vriendin" gezien in de haven van Rotterdam en zag er, tellend en schreeuwend, in z'n speciale pakje voor de havens waar gebunkerd wordt, waarempel niet uit om smoor op te worden. D'r is natuurlijk geen vriendin. Zijzelf heeft zich neergezet en naar Holland geschreven om die twee zegels van Willem III en om die de Ruyter-jubileumserie met overdrukken. Wanneer ze niet 't plan heeft hem aan de haak te slaan, kan ze hem die postzegels slechts gegeven hebben om 'n prettiger verhouding tusschen hen beiden te scheppen. Dat was dan, hij moet 't toegeven, vrindeüjk van haar. Ze hóórt niet op de Medusa, want de Medusa is geen passagiersschip; ze heeft geflirt met getrouwde menschen als de kaptein en de meester, die je toch voor verstandiger houden zou, - met Dessauvagie, 'n lichtzinnig nummer, dat 't nooit tot iets brengen zal en net zoomin als zij op 'n vrachtschip thuishoort, - en met 'n verloofde jongen is ze gaan passagieren. Dat alles valt niet te loochenen. Maar als ze hem, Strijbos, die postzegels, die donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem in-met-groote-pronelkop-naar-Hnks en die nog ongekartelde 15 cents Willem III van 1852 werkelijk alleen gegeven heeft om de vrede te sluiten, - dan is dat vrindeüjk van haar. Ach wat, hier-en-daar, hij ziet de boel natuurHjk weer veel te zoetsappig! Als ze niets anders wilde dan goeie maatjes met hem worden, zou ze met 'n paar mooi-uitziende, waardelooze zegels van Nicaragua of Zanzibar zijn komen aandragen. Hij kent zulke cadeautjes wel; of de karteling, waar haast alles op aankomt, geschonden is, daar kijken die gevers niet naar, - als 'r maar 'n mooi plaatje op staat! Maar ackter die donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem III, enzoovoorts, zat méér. Dat die twee zegels van 'n vriendin kwamen, moest 'n grapje voorsteken. Ja-ia, dat waren zoo van die verliefde-vrouwen-grapjes. Als hij er ingevlogen zou zijn en zich door haar had laten lijmen, zou ze op de groote dag aan z n oor fluisteren: „Weet je wie die vriendin van de zeeels geweest is? Ik zelf!" Bliksems, je moest zoo oppassen! Maar wanneer hij zich Charlotte dan weer voor oogen haalt: hoe vriendelijk en zonder aanstellerij of zwaarwichtigheid ze hem de zegels heeft toegeschoven („Meneer Strijbos, lk heb n paar postzegels voor u."), wijken zijn booze verdenkingen weer en kan hij zich ook niet meer voorstellen dat ze op hem verkefd is. Hij heeft er haar waarachtig weinig aanleiding toe gegeven en is zich zeer wel bewust, dat hij al heel weinig op 'n lady-killer gekjkt. Natuurkjk, hij zal op z'n hoede zijn. Het geval begint hem nu toch te interesseeren. Waaróm heeft ze me die zegels gegeven? Waaróm heeft ze me de donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem III-met-groote-profielkop-naarlinks en de nog ongekartelde 15 cents Willem III van 1852 gegeven? Dat wil hij eens trachten uit te visschen. Die avond, na tafel, wordt in de kajuit de kleinere kist „voor de heeren" geopend, en de hofmeester deponeert alle pakjes bij Charlotte. Charlotte moet ze verdeelen en de bijgevoegde gedichten voorlezen; de kaptein en de meester T11 ^anmidaag gehoord hoe mooi ze dat kan. Ze berust, al lokt het haar met erg aan, meneer Strijbos 'n gedicht voor te lezen. Nu, misschien staat er 'n vingerwijzing in wat z n gedrag tegenover dames betreft, - dan zou de moeite tenminste niet vergeefsch zijn. Voor de meester is er, in 't geval hij „eens vermoeid mocht blijken van het lange sterrenkijken", 'n hoofdkussen, „met kberty-stof overtrokken, dan heeft hij nimmer last van schokken". Voor de kaptein 'n paar vilten pantoffels. ", °°» V?6™1 weder khaSt> da* de rheumatiek hem plaagt . Dan krijgt Charlotte het cadeautje voor de eerste stuurman in handen. Het bijgevoegde gedicht houdt helaas geen lesje in wat hoffekjkheid jegens dames betreft. Hij krijgt er voor iets anders van langs. De stuurman schijnt namekjk te denken: ' „Als ik postzegels inplak, Leg ik - louter voor 't gemak M'n sigaar op de tafelrand. Stuurman, dat geeft nog eens brandt Stuurman, doe niet ondoordacht ! Stuurman, neem je toch in acht I Mag ik - om je 't af te leeren Deze aschbak jou offreeren? 'k Wed, als je hem goed bekijkt, Dat juist deze jou wel lijkt 1" O ja, deze aschbak moet hem wel lijken; het is 'n zelfvervaardigde aschbak van 't bekende soort: door de glazen kom schemert 'n kleurig fond van verknipte postzegels. Dat de stuurman zich eerst haastig overtuigt, of er bij de verknipte postzegels geen van waarde geweest is, kan Charlotte hem niet kwalijk nemen; zoodra hij gezien heeft, dat alleen gewone Hollandsche zegels en 'n paar voor-oorlogsche Duitsche ten offer zijn gevallen, laat hij onomwonden zijn appreciatie blijken. Werkelijk, 'n aschbak had hij al lang noodig; zelf kwam je er niet toe om zoo'n ding te koopen, maar de vrouw van de kaptein zag nou ook letterlijk alles; 't vorig jaar ook al met die prullemand! De kaptein glundert. Voor allen komt er 'n practisch, klein cadeautje te voorschijn, met inzicht gekozen. De kaptein is niet méér verwend dan een der anderen: met de pantoffels houdt de goede Sint voor hem op. De meester is geweldig wijs met z'n kussen, vindt 't alleen véél te mooi om in z'n hut te houden; het hoort thuis, op de sofa in de voorkamer. Neen, neen, waarachtig niet! protesteert de kaptein. In 't gedicht staat duidelijk: „met überty-stof overtrokken, dan heeft hij nimmer last van schokken". Schokt er thuis iets? Neen, op het schip, - daar schokt 't. Vooral in de hut van de meester, die viak boven de machine ligt. Voor Gerrit 'n scheertoestelletje (z'n baard kondigt zich aan; de kapteinsvrouw ziet letterlijk alles), voor de hofmeester 'n potlood, dat tegelijk 'n penhouder is en dat hij in z'n borstzak kan dragen. De tweede madbrinist moet wat beter op z'n geld passen, dicht Sinterklaas, en om steeds te kunnen zien hoeveel dagen hij met z'n maandsalaris moet uitkomen, krijgt hij 'n kalender present. De tweede stuurman wordt bedacht met 'n zout-en-peperstelletje voor z'n aanstaand huishouden. Bram, de stuurmansleerling, en Nik, de assistent-machinist (Charlotte kende zelfs z'n naam nog niet en ziet hem voor 't eerst, zwijgend en verlegen, in de kajuit verschijnen) krijgen beiden 'n Engelsen zakwoordenboekje, wat overal te pas komt. De pakjes voor de derde stuurman en de derde machinist blijven gesloten voor hen bewaard, - die loopen nu wacht. De kaptein is weer tevreden over de zorgzame keuze der geschenkjes; z'n oogen lachen, ook 'n beetje van trots. ,,'t Is of m'n vrouw d'r zelf bij zitl" zegt hij 'n paar maal. „Vooral omdat de juffrouw de gedichtjes nou ook noe voorleest!" 6 Ja, de kapteinsvrouw heeft 't klaar gespeeld, nu, op Sinterklaasavond bij haar man te zijn. De inhoud v«i haar versjes, de cadeautjes zelf bewijzen hoezeer haar gedachten ach bezig houden met het schip en z'n bemanning. Charlotte schaamt zich 'n beetje, de plaats in te nemen van haar die er zooveel recht op heeft: thans in de kajuit te zijn. Besteelt ze haar niet? Zonder haar verlof deelt Charlotte door n aardige voordracht thans in de eer van deze aardige gedichtjes, waarin hartekjkheid goed maakt wat onbeholpenheid in de vorm mocht bederven. Hoe prettig-argeloos is de stemming. Charlotte heeft het gedichtje voor Dessauvagie onbevangen voorgelezen, de passage over zijn loszinnigheid ernstig, vriendekjk onderstrepend, en hij heeft gecharmeerd gegkmlacht, - voor het eerst weer. Meneer Strijbos heeft nog geen hatekjk woord toten vanen. En nu komt de kaptein met de mededeeling, dat Sinterklaas hog één pakje heeft gebracht, en daar staat op: beek1" passagleres van de Medusa, mejuffrouw C. Claren,,'t Is toch niet waar?!" Jazeker, het is waar. Sinterklaas zegt er haar hartekjk dank voor dat zij in deze voor hem zoo drukke tijd z'n taak op de Medusa heeft wiken waarnemen. En hier is het pakje. De Akropoks-m-zakformaat. Als Charlotte op raad van de kaptein het dak van het Parthenon wegschuift, blijkt zich daaronder 'n inktpotje te bevinden. De Propyleeën zijn 'n weinig uitgehold van boven, zoodat men er de penhouder Xjan, *g£Cn' ^ er aDart bii is en bekroond wordt door 1 hidias Athena Promachos. Ook van het Nike-tempeltje en van het Erechtheion bkjkt ket dak verschuifbaar: het eerste is 'n keurig bakje voor ongebruikte pennen, terwijl men in het tweede z'n penhouder aan 'n rechtopstaand borsteltje reinigen kan. Neen, maar dat had Sinterklaas niet moeten doen! protesteert Charlotte. Zoo'n mooie inktpot! En ze ziet er zoo verlegen en hulpeloos uit, dat allen om haar glimlachen en haar graag mogen lijden, - slechts in zoover het de eerste stuurman betreft, is deze laatste uitdrukking iets te sterk. Hij benut het oogenbkk om - met de anderen - Ckarlotte aan te kijken en meteen uit te vorschen, of haar hulpelooze verlegenheid soms komedie is; of ze eerkjk verrast is, of al lang heeft zitten uitkijken naar 'n cadeautje, 'n belooning voor haar Smterklaasdiensten. Overtuigd van Charlotte's onschuld is hij pas wanneer zij met onloochenbare oprechtheid en vol warmte er op aandringt, dat de kaptein de prachtige inktpot voor z'n vrouw zal meenemen. Ze heeft het al zoo leuk gevonden de cadeautjes te mogen uitdeden en de mooie gedichtjes voor te lezen: dat is haar al Sinterklaas genoeg geweest. Maar de kaptein hoort haar niet eens: hij wil er nog 'n zelf vervaardigd gedicht bij voordragen. Die robuste zeeman, die in elke haven iemand de waarhdd durft te vertellen, wordt 'n oogenbkk lachwekkend verlegen omdat wat hij ten beste zal geven 'n product van eigen geest is. En pas wanneer hij door de eerste regelen heen is, die behelzen, dat Sinterklaas voor de Medusa eerst aüeen maar „pijpen en sigaren en andere heerenwaren" bestemd had, omdat hij niet wist, dat het schip „tot passagiersboot was gepromoveerd en er 'n dame aan boord verkeert", wint de kaptein z'n zekerheid. De inktpot moet Charlotte benutten om er herinneringen uit te putten. Sinterklaas wil hopen, dat ze er nog menigmaal de pen in mag doopen. Dat ze dan óók eens 'n briefje zal schrijven aan cue op 't zilte water drijven. Ja, dat zal Charlotte vast doen. „Dank je wel, Sinterklaas! Ook voor 't mooie gedicht!" Sinterklaas straalt en komt met uitleggingen-acnreraf. Hij had wel gedacht, dat de juffrouw 't mooi zou vinden, omdat ze van kunst hield; je zou zoo van buiten, als de deksels dicht waren, heelemaal niet denken, dat je 'n inktpot voor had; dat was juist 't aardige ervan, nietwaar, en op de onderkant stond in Grieksche letters: Akropolis-Athene, - had de juffrouw dat al gezien? Voor z'n vrouw heeft hij haast net zoo iets, maar dat is 'n bonbonnière, - wacht, hij zal 'm even halen. En hij keert uit z'n hut terug met de Theseustempel als bonbonnière. De hofmeester verrast op 'n volle ketel van de traditioneele Sinterklaasdrank: warme, zoete chocola. En hij zet er 'n trommeltje spekulaasjes naast, - apart uit Holland meegenomen. Charlotte mag inschenken: ze doet het ook voor de derde stuurman en de derde machinist, legt er spekulaasjes bij; Gerrit zal ze hun even brengen. De gezelligheid neemt toe. Charlotte merkt niets van zeeziekte, hoewel het opkomen van 'n sterke westelijke wind met aanschietende zee het stampen van het schip heviger en onberekenbaarder dan ooit maakt. Ieder moet er op letten, dat z'n kop chocola het diepe schoteltje niet uitvliegt, dat nog wel op zulk weer berekend is. Soms moeten ze zichzelf ook schrapzetten, zoo scheef komen ze op hun stoelen te zitten. Dan is het: lachen en haastig de kop chocola leeg drinken. 6 De kaptein komt weer op z'n oude stokpaardje: de marine. Daar hadden ze 't niet op ijverige menschen begrepen; als je maar ijverig genoeg deed, mocht je voor straf niet werken. Dat had ie al gauw gemerkt. Was er 'n beroerd werkje te verrichten, dan zei hij dadehjk: „Hè ja, mag ik 't doen?" en dan namen ze 'n ander, die zoo dom was om er 'n scheef gezicht tegen te trekken. Daar had je bevoorbeeld droogroeien. Of de juffrouw weet wat droog-roeien is? Dat is roeien in 'n boot, die niet van haar plaats komt, om de eenvoudige reden, dat ze van achteren zit vastgebonden, 't Ging alleen maar om de goeie slag-van-roeien te pakken te krijgen. Nou, dat werkje vonden ze allemaal even saai, alleen ik was 'r fel op. D'r waren acht banken voor zestien roeiers m die schoolsloep en dan nog de plaat* aan 't roer. Aan zoo'n stilliggende boot viel wel niets te sturen, maar bij de marine gaat alles model; ze doen er niets half, en dus moesten we met z'n zeventienen droogroeien. „Hè ja!" zei ik, „fijn!" En ze keken me al dadekjk wantrouwend en boos aan. De eerste maal kregen we allemaal 'n vaste plaats op de banken aangewezen. D'r was er geen een, die behoorlijk z'n riem wou aantrekken, en dat kwam me goed van pas: ik zwoegde aan de mijne net zoo lang tot ik de sloep heelemaal had omgetrokken en de bakboordploeg de riemerl niet meer kon uitsteken, omdat we door mijn schuld tegen de wal aan waren gedraaid. „Jij wat zachter aantrekken, Jaspers!" zegt onze bootsman tegen me. Ik zeg: „Ik zou 't wel willen, bootsman, als ik maar kón! Als ik eenmaal begin te roeien, vergeet ik de heele wereld, zoo fijn vind ik het!" „Nou, maar fijn of niet fijn, jij moet voortaan maar aan 't roer zitten 1" zei die bootsman. „Jij zou de heele sloep nog uit mekaar trekken, en dan moest de koningin weer voor 'n nieuwe betalen!" En ik van toen af aan 't roer! O, de verhalen vallen zoo maar uit de lucht. Van het zuidekjke land der vuur-aanbidders tot het noordeüjke der Eskimo's en robbenjagers hebben deze varensgasten, of anders hun broers, hun vrinden gereisd; ze hebben er ervaringen opgedaan, die het vertellen waard zijn, of het anders wel geworden zijn dank zij de vele tierelantijntjes, waarmee zeemansfantasie ze opgesmukt heeft. Als ze met hun gedachten wat erg ver van honk dwalen, drijft kun verlangen hen op deze Sinterklaas-avond weer naar Holland terug. Of 't dan heusch waar is, dat op Terschelling, waar de eerste stuurman vandaan komt, aan 't strand nog altijd vuurtjes worden gestookt om de schepen te laten verongelukken? Of ze daar 's avonds werkekjk 'n koe met 'n lantaren aan de staart de duinen insturen? Of hijzelf er met de Medusa langs zou durven varen? Nou ja, - hij heeft natuurkjk aandeelen in de Terschellingsche Strandvonderij... Maar in ernst: hij moet nu eens vertellen wat ie laatst niet wou laten hooren. Van dat schip, dat op 'n mijn geloopen en door de bemanning in de steek was gelaten. Had hij dat niet met nog 'n paar Terschellingers „geborgen"? Als ze 't verhaal al kennen, waarom moet de stuurman 't dan nog 's vertellen? Ja, maar ze kennen 't akeen van de meester, - hijzelfheeft 't nog nooit verteld. Nou, als 't dan moet, zal hij ook z'n nummer afdraaien, 't Was in 1917, tijdens de verscherpte duikbootoorlog, en voor de kust van Terschelüng kep 'n Deensch vijfhonderdtons-vrachtbootjej de Köbenhavn IV, op 'n mijn. Die dreven daar toen plemy. 'n Ander Deensch schip, dat net passeerde haalde er de bemanning af, - en 't was 'n wrak. Van deze laatste toevoeging ontgaat Charlotte de zin Ze weet met, dat 'n schip 'n wrak is van het oogenbkk af, dat de bemanning het verlaat. Ze heeft trouwens weer moeite genoeg om dit zeemansverhaal te volgen; het is of de stuurman - als afwering tegen haar? - naar termen zoekt, die voor n met-zeevarende moeikjk te begrijpen zijn. Goed, 't was dus 'n wrak. Door de kuil spoelde 't waterals t ding met zoo kcht geladen was (niets dan drijvende waarl), zou t dadekjk naar beneden zijn vertrokken 't Had zooveel slagzij dat je op de brug in 'n boog moest staan om ie overeind te houden. Affijn, eerst waren ze nog niet aan boord. De stuurman zat net thuis, blommetjes te gieten want zóó was 't weer varen, zóó weer afmonsteren voor drie, vier maanden. Nou, ze kwamen 'm dan vragen of ie - als ongetrouwde - mee wou gaan bergen, d'r gingen ook n paar voor de machine mee; die zouden probeeren of 'r nog wat stoom in zat; je zag nog altijd rook uit de pijp komen. Hij had r als verzetje wel aardigheid aan; 't was 'm niet om t bergloon begonnen... toen later 't geld loskwam zat hij alweer op zee en had geschreven, dat ze zijn portié maar onder mekaar verdeden moesten, want dat hij alleen voor de aardigheid had meegedaan. Maar daarop wil ie nou niet komen. Ze zouden er met 'n kleine kotter heen; toen moest ie nog weer zeden ook dat zou n mensch op zoo'n stoomschip verkeren, 't Langs zij komen viel ook al niet erg mee; we sloegen haast nog lek tegen de reekng van de slagzij-kant, - d'r stond nogal wat zee. 6 schVertel 'S ^ gordiinties>" de meester er tus- O, van die gordijntjes. Ja, dat moest misschien 'n aardigheid voorstellen, maar dan was 't toch 'n zoutdooze. Toen de stuurman en de anderen (negen hens met mekaar) weggingen, stonden me daar van die dlanders toe te kijken en zoo n beetje te gnnniken, en toen wisten ze niets hartdijkers te zeggen als: Nou, jongens, we zullen de gordijntjes maar vast neerlaten! ' „Wat wil dat dan zeggen?" vraagt Charlotte. In haar stem ligt vage schrik voor het laaghartige, dat 2e vermoedt, maar toch nog niet goed gelooven kan, De stuurman kijkt op. De juffrouw vraagt 'm wat, - dat gebeurt niet elke dag. Stelt ze belang in zijn verhaal? Ze schijnt er zoo door geboeid te zijn, dat ze zich op dit oogenblik heelemaal geen rekenschap meer geeft van hun toen nog niet zóó vriendelijke verhouding. Ze heeft 't trouwens natuurlijk wel begrepen, dat van die gordijntjes, maar vrouwen hooren iets naars of griezeligs graag duidelijk vertellen. „Nou..." zegt hij, half norsch, half verlegen, „de gordijntjes laten ze daar neer wanneer d'r op zee blijven of op andere manier..." „Ontzettend," stamelt Charlotte. Haar woord blijft 'n oogenblik hangen; allen zwijgen. Het is, of de eerste stuurman er nog naar luistert en of dat eene woord uit haar mond hem tot nadenken stemt. „Ja, zou je die beroerde kerels niet?!" vraagt de kaptein in "eerlijke verontwaardiging over dit lummelachtige afscheidswoord aan 'n moedig groepje mannen, dat - uit zin tot avontuur of uit wenschelijkheid van bijverdiensten - 'n levensgevaarlijke taak op zich neemt: in 'n zee vol mijnen 'n wrak te bergen. Nu de stuurman verder vertelt, heeft hij eensklaps de toon van zijn verhaal gewijzigd in het luchtige. Zij zou nog denken, dat hij hier zat op te hakken om zich in haar oogen interessant te maken. „Nou, daar ging 't dan! Twee lui, die 'r wat meer van wisten (een had als donkeyman gevaren), gingen 's aan de machine vragen, of die nog wou, en mij zouden ze van jong tweede stuurman ineens tot kaptein op 'n lekke schuit bevorderen, maar. O, Charlotte laat zich niet misleiden door zooveel luchtigheid. Ze voelt heel goed de dreiging in het verhaal van deze riskante tocht op 'n schip, dat niet meer zeewaardig is en zich 'n weg moet banen door 'n bewogen water vol mijnen. Haar oogen verraden de stuurman wat zij denkt en voelt en ontnemen hem de zekerheid in zijn houding. Hij vertelt nu waarom hij dat gezagvoerderschap op die scheefliggende boot niet kon aannemen. D'r moesten er 'n paar beneden blijven onder 't varen, om de machine op gang te houden; je zat daar natuurlijk 'n beetje van de buitenlucht af en... dat moesten - behalve die donkeyman en die andere, die 'r verstand van had - wij ongetrouwden wel opknappen. Verder weet de stuurman er niet veel meer van te vertellen; alles is goed gegaan; ze hebben 't schip 't Noordergat door gekregen, in den Helder geborgen en 't netjes weer aan de reederij aangeboden; dat zag er nog 't voordeehgst uit, want voor veel meer dan voor oud roest kon je in dat jaar in Holland 'n lek scheepje - met 'n bedorven lading met verkoopen. De reederij heeft toen héél diep in d'r beurs getast en voor de veihge berging de man precies vijf-entwmtig gulden durven aanbieden. Dat wil zeggen: samen twee-honderd, - dus voor hij v>ijn portie had afgestaan nog minder; dan hadden ze, om 't eerhjk met hun negenen te verdeelen, de centen moeten doorzagen. Er volgen nog andere verhalen, die zich op reederijen en bergingsloon betrekken. Charlotte hoort ze niet meer, draait in gedachten de Akropohs-inktpot in 't rond, zint erover, dat de stuurman naast z'n postzegels toch nog andere liefhebberijen heeft, - bijvoorbeeld de juist verhaalde. De vrouw van de kaptein had eigenhandig 'n aschbak voor hem beplakt, - die scheen 't beter met hem te kunnen vinden dan zij. Waaróm kan ze met hem niet op dezelfde prettige voet staan als met de meester? De stuurman deelt deze afwezigheid met haar, doorleeft nu, langzaam z'n sigaar rookend, buiten z'n vertelling om, het heele avontuur nog eens, - 't is nog heel anders gegaan; je kunt zulke dingen onmogelijk precies vertellen; je moet t zelf meemaken. Jazeker, zoo is 't. - Iets anders houdt hem ook bezig. Hij hoort in z'n ooren nog dat zacht uitgesproken: „Ontzettend" van daareven. Er klonk drift, afschuw, medegevoel door; het was eerhjk en kwam uit 'n groot hart; hij weet zelf nog niet precies hoe het nu eigenlijk klonk, wel, dat t hem pakte. - Hij moet er nog eens rustig over nadenken, n Feit is, dat 'n vrouw zooiets op 'n andere toon zeggen kan dan 'n man. Ze had in 't verhaal meegeleefd, natuurhjk met omdat 't haar wat schelen kon wat hèm nou speciaal overkomen was, neen, uit 'n soort onpersoonhjk medegevoel, zooals 'n man dat zoo hcht niet heeft, 'n Man zou t nou in de eerste plaats interesseeren om te weten, of dat schip geborgen was of niet en hóe de reederij zich daarna gehouden heeft; 'n vrouw... - Zijn studie van de ingewikkelde psyche der vrouw wordt plotseling onderbroken doordat hem de postzegels weer te binnen schieten: de donkergroene, grofgekartelde 20 cents WiUem IlT-metgroote-profielkop-naar-knks, de nog ongekartelde 15 cents Willem III van 1852. Op dit oogenbkk zien zij elkaar beiden tegekjk onbewustonderzoekend aan, wenden de bkk ook dadehjk weer van elkaar af. Doch door dit toevalkg samentreffen van hun bkk wordt Charlotte zich bewust: hier in de kajuit zijn twee menschen, die elkaar trachten te doorgronden. Haar intuïtie schrijft haar dadekjk de eenige rol voor, die zij van nu aan tegenover de ander te vervullen heeft. Zij wil wel goed vriend met meneer Strijbos worden, maar het is thans v$n beurt om zijn ernstige wil daartoe eens te laten blijken. „Wie nog 'n kop chocola?" vraagt ze met heldere stem en ziet vrooHjk de kring rond. XX Goliath was 'n reus van zes^en-'n-halve el hoog ongenaakbaar van kracht en beschermd door 'n pantserliemd, dat n half dozijn vijandelijke Israëketen tezamen nóg niet zou kunnen torsen. Verachting is 'n te zwak begrip om er mee uit te drukken wat dat hoog opgeschoten krachtwonder voelde, toen hij de nietige herdersknaap David moest ontmoeten in het strijdperk tusschen Socho en Aseka. Maar iJavid wist met z'n sknger 'n steen te mikken tegen het voorhoofd van de reus; deze zag daarop de sterren voor z'n oogen dansen, nam n wonderlijk suizen in z'n ooren waar- de gansche atmosfeer vulde zich voor hem met 'n hefekïk ruischende muziek, en glimlachend stortte hij zes-en-'n-halve el languit neer. Wat helpt het zwaarste pantser, wanneer het 'n plek vrijlaat, die geen kiezelsteentje verdragen kan? Zonder zich er aanvankekjk zelf rekenschap van te geven, heeft Charlotte - 'n vrouwekjk David - haar tegenstander in z n zwakke plek getroffen en déze ongenaakbare Goliath (met door n steen, maar door twee postzegels van Willem III; van z'n evenwicht beroofd. De stuurman heeft gedurende de hondewacht, die op de gezellige Sinterklaasavond volgde, telkens weer aan Cnartotte moeten denken. Zij wordt hem steeds meer 'n raadsel. tin daar de stuurman binnen zijn gezichtskring geen raadseltjes verdraagt, neemt hij zich voor, ook dit op te lossen. Hij zèl weten wat er achter die postzegels schuilt. Zij mag in ijtnuiden met van boord gaan en hem z'n leven lang met deze rebus kten zitten. Hij gaat desnoods met de duinen van Holland in t zicht regelrecht op haar af en vraagt: „Wat had dat met die postzegels te beteekenen?" Misschien kan hij alles doorgronden zonder 'n woord tot haar te richten. Z'n oogen kijken scherp. Van nu aan zal hij op haar letten. Bij de eerste poging tot verdere toenadering weet hij genoeg. Ah, juffertje, naast het doel geschoten! net zou heelemaal wel eens de moeite waard zijn, uit te visschen wadr bi, zulk soort vrouwen de leugen ophoudt en de waarheid begint. Hij wü graag bekennen, dat dit type hem ondoorgrond mysterie is; z'n instinct heeft hem steeds gezegd, het uit de weg te gaan, - en dat zou in 't algemeen ook wel het veiligst zijn. Maar nou hij er dan al toevallig op stuit, kon hij het eigenlijk wel eens 'n beetje bestudeeren, al was 't alleen om zijn wantrouwen en z'n weinig hooge dunk gerechtvaardigd te zien... De paar vrouwen, die hij van nabij heeft leeren kennen: de kapiteinsche, de vrouw van de meester, nog 'n stuk of wat, - dat zijn geen raadsels; dat zijn verstandige vrouwen, die de boel bij mekaar houden, niet naar meer dan één man, hun eigen man, kijken en de kinderen opvoeden zooals 't hoort. Kuren hebben ze allemaal op hun tijd; zenuwen heet dat tegenwoordig; goed, dat hoort er bij; het gaat er maar om hoeveel je je daar als man bij van streek maakt. Maar hij wil maar zeggen: de kinderen komen op tijd in school, en de man loopt niet met gaten in z'n sokken. Zoo eentje wordt deze hier nooit. Maar dat is dan ook vrijwel alles wat hij tot nu toe met zekerheid van haar te zeggen weet. Die middag aan tafel richt hij onopvallend z'n eerste lange, doordringende blik op haar. Ze merkt het niet. Vijf minuten later waagt hij het nog eens. Zij merkt het ook thans niet. Dit weinig-op-haar-qui-vive-zijn, waarop hij niet had durven rekenen, vergemakkelijkt zijn studie belangrijk. Hij volgt nu elk van haar blikken, tracht ook de steels geworpene op te vangen, - zij merkt niets. Hoor, nu lacht ze, en terwijl hij omlaag op z'n bord ziet, luistert hij scherp en tracht voor richzett uit te maken in hoeverre haar lach op het credit van werkelijk geamuseerd-zijn en op het debet van haar vrouwelijke behaagzucht moet worden geschreven. Hoor, nu heeft ze 't weer op de kaptein begrepen. „Kaptein, kan ik niet als uw secretaresse voorgoed op de Medusa aanmonsteren? Nee, juffertje, stap jij in IJmuiden maar op. - Nou is ze weer met Beermans aan de gang. 'n Enkele blik overtuigt Strijbos, dat die nog altijd totaal van de wijs is. Toe maar, 'n verloofde jongen! 't Wordt voor jou hoog tijd, dat IJmuiden in 't zicht komt, vrindje! - Met Dessauvagie schijnt ze toch niets te hebben gehad, - goed, 'n mensch kan zich vergissen. , Bii de avond-boterham zet hij z'n studies voort, t Is eigenlijk amusant, te zien: hoe zoo'n juffertje 'n paar overigens toch verstandige mannen naar haar pijpen laat dansen. Zyn detective-blik heeft ze nog steeds niet opgemerkt. Ah, hij zorgt wel, dat hij niet in de kijker loopt. Hij zit zwijgend aan tafel, - dat valt niet op, want hij heeft de heele reis geen mond open gedaan. Hij tikt met 't blad van z'n mes het zout en de peper over z'n eten en opeens, geheel onverwachts, kijkt hij op en ziet wat hij zien wil. Kijk, hoe vrindeüjk ze daar juist de kaptein toelacht en hoe deze gestreeld terugknikt! De meester en Beermans bedelen meteen ook om 'n glimlachje! Ja-ja, allen laten zich inpalmen. Maar hij niet. Niet door ghmlachjes, niet door postzegels. Ze doet er trouwens ook niet langer moeite voor. Ze weet nu wel met wie ze niet hoeft te beginnen, beschouwt hem daarom maar als lucht. - Des te beter! Hij komt niet op de gedachte, dat dit onopvallende studeeren tenslotte toch niet onopvaüend bhjven kan. Charlotte zelf heeft er nog steeds niets van gemerkt. Maar anderen valt het op. Dessauvagie is de eerste. Na zijn verrassende ontdekking ziet hij peinzend 'n oogenbhk 'n andere kant uit. Dan merkt ook de kaptein iets, is verwonderd - om met te zeggen bevreemd — over het gedrag van zijn eerste stuurman, die zich op deze reis al heel weinig van z'n beste kant laat kijken. Kan hij z'n critische blikken tenminste niet voor zich houden? Je zou 'm eigenlijk eens kort en goed moeten vragen wat hij nou eigenlijk precies op de juffrouw en haar aanwezigheid hier aan boord aan te merken heeft. Heeft ze 'm iets gedaan? Heeft ze in Amsterdam haar passage soms niet betaald? Erg lang van stof is Strijbos nooit geweest, maar althans goedlachscher dan op deze reis, - en hij heeft te leeren, dat men 'n dame niet aankijkt als 'n tros, die in de knoop hgt, of 'n onklaar geraakt anker! - Gelukkig maar, dat ze het zelf tot nu toe nog niet gemerkt schijnt te hebben! „Zij heeft 't natuurlijk al lang dóór," denkt Dessauvagie op ditzelfde oogenbhk. „Anders zou ze immers niet zoo netjes 'n andere kant uit bhjven kijken. Maar wat wil hij in 's hemelsnaam van haar? Waar moet dat op uitdraaien?" Dessauvagie is er weer bovenop; dit spelletje interesseert hem; hij zal er van nu aan op gaan letten. Straks wil hij z'n mandoline weer 's te voorschijn halen; hier in de Middellandsche Zee kun je op dek nog wat zitten tokkelen, - dat is over 'n week afgeloopeh. In Holland wacht hem iets, dat 'm troosten zal voor z'n dolle, dure, vreugdelooze dwaasheden te Alexandrië. Hij heeft zich werkekjk mal aangesteld. Nu, niemand denkt er gelukkig meer aan; de tijd wischt elke blaam uit, - dat weet hij nu voor de toekomst. Als zij, daar in Holland, 'm nu maar niet vergeten heeft. Ach wat, die vergeet hèm nog niet als ze in eer en deugd met 'n dikke koopman gaat trouwen. De volgende middag (Malta komt in 't gezicht) wordt Strijbos eensklaps, geheel onverwachts, belemmerd in z'n vrije studie van de psyche der vrouw. Als hij wéér opkijkt om Charlotte in 't vizier te nemen, ontmoet hij daarbij voor het eerst haar blik, die, half verwonderd, half bestraffend, hem duidelijk zegt, dat zij aan het spelletje nu wel eens 'n eind wil zien komen. Verward, nergens op verdacht, vergist hij zich in het quantum zout en peper, dat hij over zijn grauwe erwten strooit, merkt dat zelf nog niet eens, bukt zich over z'n bord en wordt van verlegenheid rood tot achter in z'n nek. „Goed zoo," prevelt de meester en eet haastig verder, hopend, dat niemand 't gehoord heeft. Maar die hoop is ijdel. De kaptein kan 't niet laten, instemmend te knikken; Beermans trapt onder tafel Dessauvagie op de teenen, en de op deze wijze gewaarschuwde antwoordt met 'n knipoog en 'n glimlach. Slechts Charlotte schijnt 's meesters opmerking ontgaan te zijn, - anders kon ze zich nu niet zoo argeloos-opgewekt tot de kaptein wenden: „Nou, u zou ons toch vertellen van die Griekscke agent in Athene?" „O ja, da's waar ook!" De kaptein vertelt, en allen luisteren met lachende oogen, alsof het verhaal van het begin af reeds van groote humoristische kracht zou zijn. Ja, hij, de kaptein, was dus met Cirigottis, de Grieksche agent van de maatschappij (waarmee de juffrouw heeft kennis gemaakt), in 'n restaurant gaan zitten. In Piraeus. De Hoüandsche consul met z'n vrouw troffen ze daar toevallig ook, en ze bestelden. .. wat lachen jullie toch? „Ja, omdat u zelf lackt!" Dat is waar. De kaptein kan onder het verhaal zelf z't vroolijkheid haast niet bedwingen. »^ou'. schei nou maar uit. We bestelden dus koffie, viei koffie, nietwaar, want we waren met z'n vieren..." „Ja, u was met z'n vieren." „Nou, later nog weer vier koffie..." „Dat zijn er acht." „Ja, precies, acht koppen stonden 'r op het tafeltje, want de kellner zou dadekjk terug komen om de vier leege weg te halen, - hij had z'n handen al vol. Nou wist ik onder t praten zes van die lepeltjes weg te moffelen, en toen kwam de kellner, wou de vier koppen weg halen, keek er naar en vroeg de agent wat op z'n Grieksck. - „Wat wil die kerel van u?" vroeg ik. - „De vent is gek," zei de agent nijdig. - „Dat zal wel," zei ik, „maar wat wil ie dan?" - , Hij zegt dat 'r lepeltjes bij zijn geweest!" zei de consul, die ook in t complot was. - „Ja, maar die waren er ook bij!" zei ik. „ k Heb ze gezien! Ze zijn zeker gevallen!" De kellner snapt wat ik bedoel en zoekt onder de tafel en de stoelen. Wij staan op en zoeken mee, - alleen de agent bhjft nijdig zitten. „En nou afgemarcheerd jij!" valt Cirigottis uit en begint spektakel te maken. Aües kijkt; de chefkomt er bij. lk zeg: „Nou, dan de zakken maar omkeeren. Mevrouw staat er buiten; die zou die leehjke tinnen lepeltjes nog niet in 'r keuken wiken hebben!" Ik keer m'n zakken om. De consul lachen haast houden kan, doet 't ook. „Nou, als zelfs de diplomatie open kaart speelt, kun jij niet terugblijven Cirigottis!" zeg ik. Hij protesteert nog, wordt zoo nijdig als je t van n Griek maar verlangen kunt. „Vooruit, wees nou verstandig, Cirigottis, en keer je zakken om ["zeggende consul en ik, „de luidjes zouden anders vast nog denken, dat jü de lepeltjes hebt wülen wegnemen, want jij bent de eenige trnek onder ons!" Razend keert ie tenslotte z'n zakken om en de lepeltjes vkegen er uit. Lieve help, wat hebben we gelachen! Hij wou 't eerst zelf niet gelooven; toen opeens snapte hij aües en begon maar mee te lachen. De kellner lachte ook mee en de chef lachte, enfin, we lachten met mekaar, maar Cirigottis vond 't toch niet prettig, dat er zooveel menschen omheen zaten, en ze dachten in dat café toen toch allemaal, dat hij de lepeltjes had willen stelen. We stap- ten maar gauw op, en hij zei: „Door jouw verdikkemese schuld, captain, kan ik me nooit weer in dat café vertoonen!" Ja. De agent had eieren voor z'n geld gekozen en meegelachen. Dat zou nu misschien ook het beste zijn geweest wat de eerste stuurman doen kon. Maar in plaats daarvan eet hij zwijgend door terwijl al de anderen onbedaarlijke pret hebben, verorbert zwijgend zijn te zoute erwten en beveelt Smits op onzekere toon: hem 'n biertje te brengen. Daarmee hoopt hij de boel er door te krijgen. Charlotte tikt in die dagen weer hjsten voor de kaptein, en deze laatste wrijft zich vergenoegd de handen: z'n hjsten hebben er nog nooit zoo keurig uitgezien. „U moest hier werkelijk maar voorgoed bhjven, juffrouw Charlotte!" zegt hij. Hij gelooft zich na de gezelhg doorgebrachte Sinterklaasavond ook wel het privilegie te mogen aanmatigen, haar bij haar voornaam te noemen, - natuurlijk met: juffrouw ervoor. Charlotte glimlacht. Ja... maar de koek is op. Sinds de Medusa haar voorsteven weer naar het Westen gekeerd heeft, beschouwt Charlotte haar reis in zekere zin reeds als beëindigd. Wat haar recht vooruit wacht, is niet meer het onbekende. De Medusa doet geen vreemde havens meer aan. Charlotte verlangt er ook niet meer naar; ze heeft genoeg gezien. Neen, neen, de reis is ten einde. Zij zoekt bezigheid. Gedacht heeft ze al zooveel in de laatste weken; het is toch aües vruchteloos. Van louter denken zou ze haar hoofd weet vermoeien, dat ftisch moet zijn voor de taak, die haar spoedig weer wacht. Ieder mensch hunkert naar geluk, — daarin staat ze heusch niet alleen. Voelt men zich eens ongelukkig, - wat helpen gedachten? Droeve gedachten roepen er weer andere. Weg er mee. Wie verstandig is, tracht ze te vergeten, zich te bevrijden van de dwaze, zoo diep in elk mensen schuilende premisse: dat het heelal zich om hèm als middelpunt wentelt. Wie sterk en moedig is, leeft het heden en niet de bange droom van 'n tenslotte nooit tevoren te bestemmen toekomst. Mag Charlotte later eenzaam zijn, - door er nu reeds aan te denken, is ze het vandaag al. In Holland wacht haar haar werk, kaar klasse van een-en-twintig bengels, die zij, schandelijk genoeg, in haar ver-drijvende gedachten haast vergeten zou hebben. Haar meegebrachte, voor 'n deel nog onbeschreven cahiers gebruikt ze thans voor 'n ander doel. Ze tracht het een en ander van haar reis vast te leggen. Later zou ze het misschien met zoo goed meer weten. Neen, het wordt niet het „Logboek van de club", dat haar opgedragen is. Ze vertelt zoo onderhoudend en kleurrijk ze 't maar kan enkele kleine voorvallen; van het havenduikertje in Alexandrië vertelt ze, van de teleurgestelde donkere roeiers, in 'n ander schetsje weer van de arme, oude Arabische smokkelaar, die in n waardeloos matras-omhulsel z'n mooie tapijtjes verborgen had, van de jongetjes in de bazars, die voor de koopheden koffie aandragen en zulke aardige doekjes vervaardigen met pyramiden en kameelen en ezeldrijvers en sperwers en hieroglyphen er op; in Holland zal ze dan in haaTvrije oid1 de vertellingen met. copiëerinkt tikken en de voorste bladzij openlaten voor de opdracht: „Aan de kinderen van mijn klzs En dan laat ze 'n aantal exemplaren hechten en er n kaftje omplakken (Piet, de oude conciërge, factotum van de school, zal dat keurig voor haar doen) en geeft ieder in de klas z n afdruk. O, Charlotte is zich zeer wel bewust, dat van deze cen-entwinög afschaften slechts zeer weinige voorbestemd zijn om langer dan n week, 'n maand bewaard te blijven. Maar daar gaat het met om. De kinderen zullen 't tóch leuk vinden dat zij hun van h^ar reis op deze wijze iets vermaakt; ze zal de schetsen zelf voorlezen, er foto's bij laten zien, de doekjes die ze gekocht heeft... * ' ' Terwijl ze, het schrift op haar knieën, de gebonden jaargang van De Prins als onderlegger gebruikend, in kinderhjk-eenvoudige vorm van dit en-van dat vertelt en glimlachend voor zich uit ziet, gaat de eerste stuurman voorbij naar de kajuit Hij staat later op dan de anderen, moet z'n vier uren hondewacht 's ochtends eerst uitslapen en ontbijt steeds op z n eentje. Zonder Charlotte aan teTzien, zegt hij iets in t voorbijgaan. Ze gelooft, dat het: „dag, juffrouw!" geweest is, en antwoordt bijgevolg maar, koef-welwiUend: „Dag, meneer Strijbos." Zijn voorbijgaan haalt haar even uit haar werk. Als ze graag over iets nadenken wilde, zou ze kunnen beginnen met voor zich zelf eens op te lossen wat hij eigenhjk precies van haar wil. Ze heeft aanvankelijk gemeend, dat hij bereid was tot toenadering, maar die toenadering tracht hij dan toch wel op 'n heel zonderlinge manier te bereiken door dat voortdurende fixeeren aan tafel, dat op z'n zwakst uitgedrukt alweer niet erg hoffelijk is, en waaraan ze gisterenmiddag dan ook maar eens 'n eind heeft meenen te moeten maken. Hoe ontstelde hij van haar bestraffende tegenbhk. Als ze had kunnen vermoeden, dat hij daardoor aan algemeen leedvermaak ten prooi zou vallen, had ze 't op 'n andere wijze aangepakt, - het was haar zelf pijnlijk geweest. Nu durft hij haar van schrik heelemaal niet meer aan te kijken! Zoo is het: de stuurman heeft de schrik te pakken. Hij ziet in, dat het 'n stommiteit van hem geweest is: aan tafel zoo naar haar te kijken. Waarom in 's hemelsnaam heeft hij het gedaan, - zich niet bij z'n werk en z'n postzegelalbum gehouden! Door die twee vermaledei de Willem Hl-zegels is de heele komedie begonnen. Maar nou is 't afgeloopen! Ze kan flirten wat ze wiï, de kaptein en de meester stapelgek maken, de heele Medusa onderste boven zetten, - hij ziet 't niet meer. Neen, de volgende middag aan tafel zorgt hij er wel voor, geen bhk aan haar te verhezen. Ja... maar niemand kan hem beletten, naar elke intonatie van haar stem te luisteren. Hij kan 't niet laten, 'n Duivel heeft hem te pakken, dwingt hem, z'n onverdeelde aandacht aan Charlotte te bhjven wijden; als hij dan niet meer kijken mag, dan maar langs phonetische weg. Soms brengt hij er zich aan tafel toe, aan andere dingen te denken, bijvoorbeeld aan de lading-verdeehng, die deze reis niet onberispekjk is: het schip heeft naar bakboord wat slagzij. Hij dacht 't al dadehjk na het verlaten van Piraeus, maar 't was toen met die sterke deining nog niet met zekerheid te zeggen. Nu de zee weer glad is, merkt hij, dat hij zich niet bedrogen heeft. De kaptein kreeg 't vanmorgen ook in de gaten; 't valt Strijbos mee, dat er aan boord nog anderen zijn, die door de juffrouw hun zeemansschap niet heelemaal vergeten. Je maakt al gauw wat slagzij, met nalfleege ruimen en die zware fusten op 't dek, - om dezelfde reden ging de schuit met die deining zoo te keer. En... Maar als 'n lokkende muziek dringt Charlotte's stem ach weer door deze beschouwingen, die dus ook al geen veihge toevlucht meer voor de stuurman zijn. Hij vergeet z n zware rusten wijn aan dek en z'n lichte lading kchtT'n ddvdSV11 1UiStCrt SleChtS' En efgenS h Het is eenvoudig niet te begrijpen. De een spreekt zoo en de ander spreekt zus; ieder keeft van Onze Lieve Heer 'n stem meegekregen. Goed, zoo'n stem kan aangenaam of minder aangenaam zijn, al naar 't uitvalt, maar als je er 'n half uur naar geluisterd hebt, zeg je al gauw: „Ziezoo, nou geloof ik t wel." Hi,, Strijbos, spreekt met dezelfde stem over znwerk als over z'n kefbebberij; als hij trouwde en t over z n vrouw en kinderen had, zou z'n stem er gelijk om bhjven. - Heel anders bij z'n overbuurtje. Dat heeft voor elk gesprek, elke gedachte weer 'n stemwending. Als ze lacht, is t ook niet: ho-ho-ho of ha-ha-ha, neen, ze ziet waarachtig kans om steeds weer op 'n andere wijze te lachen, boms lacht ze en dan voel je er meteen medelijden doorsoms lacht ze alleen maar uit beleefdheid en weet dat dan zoó goed te verbergen, dat je al heel scherp luisteren moet - zooals btnjbos - om te hooren, dat ze er niets van meent. Zooals ze op binterklaasavond „ontzettend" zei, terwijl kij aan 't vertellen was zoo heeft hij haar stem niet weer gehoord. Meende Ze dat toen?? Is iemand, die z'n stem beheerscrn als 'n muakant z n instrument en er bewust zooveel uitdrukking in weet te leggen, wel te vertrouwen? O, deze nieuwe studie zou minstens evenzeer de moeite oonen indien men er prijs op stelde, deze juffer goed te leeren kennen, - wat bij Strijbos intusschen niet meer het geval is. Hij vindt 't wel aardig om er naar te luisteren, dat is u 18 onderw,1)2e»s - dat zei ze immers toen ze aan boord kwam? -; daarbij zal haar stem haar goed te pas iffS" j?iweet nog ^el'cS °p sch°o1 haast * «&p viel bi, de lessen van „de Sik" met z'n kraakstem. Jr£T,2ereS- j: daar hecft tói a°ë «iet eens zoo bij nafrlcHoo! W l°Z df °°g,enbS dan ^Cn School? W« is £ IZI ^ e(t••21, dan in de Middehandsche Zee te zoeken?! Dat schijnt haar dus óók al geen ernst te zijn! Wat moet er van de jeugd terecht komen, die aan zulke juffertjes wordt toevertrouwd? Ja... maar Charlotte's stem is de moeite waard om er naar te luisteren, dat valt niet te loochenen. Zoo'n stem geeft de duivel aan lichtzinnige jonge vrouwen, die op de wereld komen om de heele boel op steken te zetten. Hoor, hoe ze lacht 1 Als de stuurman zich niet tijdig beheerscht, zou hij waarempel weer in de verleiding komen om naar haar te kijken. En daarbij kan hij zich haar lachend gezicht toch precies voorstellen; hij heeft 't al zoo vaak gezien. Ja, ze lacht veel; ze weet bliksems goed, dat ze dan op haar aardigst is en 'n man het lichtst van de wijs zou brengen. Dat is nou het gevolg van z'n dwaasheid: het kan gebeuren, dat de stuurman, terwijl hij de hondewacht loopt, ineens Charlotte's lach in zijn ooren hoort. Of, terwijl hij over de verschansing leunt en naar 'n ver lichtje op zee tuurt, in het duister haar gelaat verschijnen ziet, zoo precies, alsof het er werkelijk was. Hij ziet de lichtjes in haar grijze oogen; de blankheid van haar wangen valt hem op, haar lachende, half feopende mond met de gave, verzorgde tanden. Soms kijkt ij er 'n tijd naar voor hij zich er zelf van bewust is, - merkt hij het, dan laat hij met 'n ruk de verschansing los, ijsbeert op en neer, steekt z'n pijp op. Houdt hij vijf minuten later echter weer stil op z'n eentonige wandeüng en kijkt hij in gedachten naar de planken van het bruggedek, dan komt dat, omdat de studie van de vrouwekjke psyche hem - ondanks zichzelf - weer bezig houdt. Hij moet er soms ineens aan denken, dat zij het haar niet over de ooren draagt zooals die moderne wichten. De zoogenaamde „jongenskop" negeert hij maar kever heelemaal. Hij bedoelt slechts, dat zij er haar kapsel naar heeft ingericht om het gezicht, het voorhoofd, de ooren zooveel mogelijk vrij te laten, - dat gaf 'r iets opens, iets fijns. Nou ja, dat zal ze zelf natuurkjk wel weer het best weten 1 Nog andere détails schieten hem op 't onverwachtst te binnen. Je ziet tegenwoordig bij de vrouwen van die kaalgeschoren nekken, - bij haar kgt er 'n fijn dons over; onder haar kapsel, achter in de hals, spelen 'n paar krullende, goudig-blonde haartjes. Wanneer ze zich wat naar voren deugend „mgekr^d, £ malen vaatgesteld - din is ae op haaeXgevSijLrê' maar dat alléén is het niet Voor Iml ♦ verzorgd, - het leegeboS liggen 0%??, ^ ^ mas' .fgeloojen. De rSttSS tanen dïï ° ^ er nog haast het beste ™Tr • oa?ttón> " ™e bevalt hem SSïïSïï^ hTnie^ffi1™^^ rrehaM ,j„> e i',1"" eet> zn handen steeds tot 'n vuist waaraan ^ettfteSSW^ g°uden armband» Engelsch munt^ J^^TE ft* °ï postzegels tot 1900. Hij voelt zich verplicht het brandende vraagpunt op te lossen: moet zij zoo'n armband dragen of met> Aanvankelijk oordeelt hij: neen, daarna: misschien. O, ze weet wel waarom zij deze armband draagt! Het zacht rinkelende gouden muntje lokt onopvallend de aandacht op haar fijne polsen met de paarlemoerachttg schemerende huid, Voor hem, Strijbos, had ze 't overigens niet hoeven te doen. - hij heeft zóó wel gezien... Opeens stijgt hem het bloed naar het hoofd. Voor hem heeft ze de armband omgedaan,^/ voor hem en voor niemand anders. De heele reis heeft ze zonder armband aan tafel gezeten; dat rinkelende muntje zou hem anders al honderd maal zijn opgevallen. De heele reis . .. tot op vandaag. Dus dat heeft ze gemérkt, dat hij vanmiddag op haar handen heeft zitten kijken. Zelfs dat is gevaarlijk;zelfs dat ontgaat zoo'n vrouw nietl Voor de zooveelste maal blameert hl) zich voor haar. En zij moet nu wel denken...! Maar waarom is hij ook zoo'n ezel! Strijbos, kerel, herken ji] jezelf nog? Nu is het uit. Nu zal hij ook niet meer naar haar handen kijken. Nog twee weken, nog twaalf dagen, en 't is geleden. Wat hebt u daar voor 'n aardige armband, juffrouw Charlotte?" vraagt de kaptein en bukt zich bewonderend over haar pols. Er wordt gelachen aan tafel; men is vroolijk, - alleen meneer Strijbos kijkt op z'n bord, neemt aan mets deel, schiint geheel afwezig. Wie hem even scherp aankijkt, voelt: zijn zwijgen is geen offensief meer; het is tegen niets en niemand gericht dan misschien tegen zichzelf. Daar zit iemand, die met 'n gezelschap niet méé kan doen hulpeloos op z'n bord staart en nu van armoede maar dadehjk na tatel opstaat, 'n onhandige groet stamelend zonder er iemand bij aan te durven zien. „Meneer Strijbos?" vraagt Charlotte. Verward bhjft hij staan, kijkt haar aan. Sinds .zij op de hondewacht uit het duistere Niets als droombeeld voor hem verschenen is, heeft de stuurman haar gelaat met meer gezien. Zij houdt het hoofd 'n weinig gebogen, zoodat haar lachende oogen dadehjk onder de wenkbrauwen schuilen, ™ met haar allervriendelijkste stem (zoo spreekt ze anders tegen Beermans, flitst het door Strijbos' brein) zeet zedeneer Strijbos, nu heb ik voor deze reis nog nïfr één wensch: voor ik van boord ga uw postzegelalburf teTbbS posSStè ÏZhOCu * dC k^ë^ maar het woord postzegel te laten vahen om vroolijkheid te verwekken zoo beruckt heeft de stuurman dat woord gemaakt' ~ w ^£d ^ottc «aar de anderen om. Ik meen ket werkekjkl'' zegt ze ernstig, - bevreesd, dat StrSo?zonder n woord te zeggen de kajuit verlaten zal. „Ik heb i?nm'n »Sr?g g'Cn .g0ed ver20rSd van 'n SnSig phdatehst gezien; ik denk, dat het er wel anders zal Sf lo^^°0kC^ * de jongendvanrm'nSs„Nou, juffrouw, ik wil met genoegen...» stottert de stmirman, die te zeer onder de indruk if van dit eSon 1^^^ °m "S? achtef ^schhIid%?kugSen\S: schuilen en daarom - z'n eenige uitwee - 'n heldhaftige „Vrijbos, je haalt ons dat postzegelalbum niet hier!» roepen de anderen vroohjk-dreigend Nu, onder de algemeene attaque, vindt kij z'n zekerheid terug. „Wees maar niet bang,»4stelt hij hen gems? fuSe weten toch met wat mooi is!" gerust, „jullie lo^Uff ^ hebt u het beloofd> de°t« oml" zegt Charlotte „Ik kom er u nog wel aan herinneren 1" 2egtLhar „Uat zal met noodig zijn, juffrouw!" verzekert Striib™ éJ^V^T2e^ ™ het meSfvSgt,* nat iuj er in geslaagd is, met de anderen méé te lachen en grappig te zijn: Charlotte, of hijzelf. 6 e° zich Unnf * UI T de^ Snuift de buitenlucht op. Indien hij hiSi J u6* van de vrouwehjke psychebezii rif V ï' 21Ch afgevraagd hebben, ofdfr verzoek moet worden tr;S belangstelling of aan koketterie , JtUrUGhtJlij Skchts- is ««od gevleid door haar ver reïne^onï °P ï" ^ f6 a denkt' ^^4-" 7in^ g t ™nfe scePtici daar in de kajuit. Zinloos verheugd, 'n wijsje tusschen de „nL a^j dat geen wijsje is, begeeft hij zich met veerende schreden naar zijn hut om op z'n eentje even te bekomen. In de kajuit zweert Charlotte op dit oogenbhk bij hoog en laag, dat het haar ernst is geweest met dat postzegelalbum. Ze heeft nog nooit 'n echte verzameling gezien, en waar ze nu hier aan boord toevallig op 'n philatelist gestooten is... Niemand gelooft het. Ze zien er 'n nieuwe poging harerzijds in om haar vijand te ontwapenen, - 'n poging, die zeker succes zal hebben. Beermans ergert zich en vindt, dat die dwarsdrijver zooveel tegemoetkomendheid met verdiend heeft 1 Eén glimlacht er. Dat Strijbos tot over z'n ooren op Charlotte verliefd zou worden, staat voor Dessauvagie al dagen lang vast. Even zeker weet hij, dat Charlotte haar aanbidder zal afwijzen. Dat ze hem nu zoo belangstellend naar z'n postzegelalbum vraagt, heeft geen ander doel dan het vuurtje nog wat aan te stoken, - dat 't flink sissen zal wanneer er straks 'n emmer ijskoud water over wordt uitgekeerd. Vrouwen zijn wraakzuchtig... In dit speciale geval vergist Dessauvagie zich: het is geen wraaklust, maar veeleer 'n plotseling opkomend medelijden geweest, dat Charlotte er toe gebracht heeft, de stuurman aan te spreken en naar zijn postzegelalbum te vragen. Hoe hij er ineens van opfleurde! . Sinds vanmiddag gelooft ook zij het: hij is verliefd op haar, - al weet hij dat waarschijnHjk zelf nog met. Ze kan er geen bewijs van aanvoeren; het is ook bijna onaannemelijk aeker, maar haar gevoel kan haar niet zóó bedriegen: ze heeft hier aan boord 'n nieuwe, ernstige minnaar gevonden, 'n Minnaar, die zelfs niet zoo héél veel afwijkt van Ahce s strenge voorschriften! Een, die van trouwen zal spreken en nooit naar bloemrijke woorden zal zoeken om er zijn gevoelens mee uit te drukken. Sterk, mardijk, gezond, zonder twijfel geschikt om er met wat beleid 'n voorbeeldig huisvader van te maken. Naar haar schatting acht of tien jaar ouder dan zij, rijp, met beide beenen in 't leven staande. Het éénigi wat misschien op hem aan te merken zou zijn: hij heeft geen jeugdzonden te biechten. En juist daarop heelt Alice nog wel zoo aangedrongen. Jammer! In s hemels- SeCu° Se? " ^ metS te biechten heeft- • • 2'n groote timiditeit is het bewijs van z'n onschuld b^nlT' " 2i? d°°r één Straffende bhk°vïtf££ brengen de uitverkorene zijns harten naar de oog?n tfzkn - dïStoïCD Stdt' ^ haflden ^ WaS aat is nooit n Don Juan geweest Charlotte is zijn eerste liefde, - wórdt het althans Waarom zou hi, er toch wel tot aan het eind van de reis mee gewacS hebben, z n hart aan haar te verhezen? Wat is de releTvaï 2 n plotsehnge ommekeer geweest? Toen hij naar Sïï nekkig en weinig vriendehlk aankeek (wat zij niet m^rktel v^ouw. 'n Beet,e heimehjke pret en leedvermaak Sft * zich met te ontzeggen. Ze kan er zichzelf mee cLplhneï ST* 1? 21) "u111 gCslï,agd is' ^ bfomPot uu z°n Wk ?e K^om, genoeg hiervan, ~ ze is n°g °iet klaar met het te ^al ze op dat postzegelalbum nu nog terugkomen? Ze wou ^irï^jl Charlotte met **** schriften naar 't dek gaat en zich in t warme zonnetje neerzet (puurblauw en glad is weer En ™d.' ?^ • Plaagdmveltje stak toen in haar? En avant! Ze is haar kinderen juist aan 't vertellen van gttaaSeeft6 aI ^ " F* ™ * ™ï Kort voor de zon in zee wegzinkt, sdjgt van de westeliike kim 'n rookpluimpje op. 'n JFS^I^isTrooSSS n schip geworden en reeds geïdentificeerd aLTEes Juliana. 'n Holiandsche bootl De kaptein wenkt Oiarlotte naar de brug, en als ze daar aankomt en 'n kijker in ontvangst neemt, roept hij omlaag naar Gerrit, die juist voorbijholt: „Waarschuw de stuurman even!" „Jewel, kaptein!" Op de Prinses Juliana zit 'n broer van de eerste stuurman. Meneer Strijbos komt nu - voor zijn doen gehaast - het trapje naar de brug op, hij heeft zich geen tijd gegund, z'n slofjes met 'n paar schoenen te verwisselen. Z'n eerste woord is 'n kort bevel aan de roerganger om de koers 'n weinig te veranderen: de schepen kunnen gemakkelijk wat dichter langs mekaar heen, - dan v>ie je mekaar nog even. 't Is gelukkig nog nèt niet donker. „As ie er nou maar verdacht op heeft," trekt de stuurman in'twijfel. Bram, de stuurmansleerüng, is op de brug verschenen om de naamvlaggen te hijschen; Strijbos helpt hem er bij, gaat dan in 't kaartenhuisje de scheepsroeper halen. De schepen zullen vlak langs elkaar heen varen. Op de Prinses Juliana heeft men de naamvlaggen herkend, en ook daar verstelt men de koers 'n weinig, 't Is mogelijk, dat de stuurman van de Prinses Juliana z'n broer ook even zien wil, - of zou de kaptein daarginds alleen maar wat op stuurboord aanhouden om z'n passagiers het verzetje te bieden van 'n Hollandsen vrachtbootje? Nu wordt er daar van de hooge brug gewuifd. Strijbos zwaait opgewonden terug, plaatst de scheepsroeper aan de mond, en over het water dreunt het: „HaUoooo-die-Chrüiiis!" „Halloooo-die-Baaaaaart!" .. Bart. Charlotte hoort het voor 't eerst; iedereen zegt Strijbos. ... . , Ja, wat zullen ze mekaar nu verder toeroepen? Het is de vreugde van elkaar na maanden weer even te zien voorbijvaren. Ze weten wel, dat ze allebei gezond zijn, zoolang hun naam niet bij 'n schipbreuk genoemd wordt, - en daar staan ze immers in uniform op de brug? Misschien vraagt „Bart nu aan „Chris" hoe 't thuis is? Neen, het komt anders. „Waar zit Jaaaaan?" schettert het van de Medusa. ",West-Indiël" „Welk schip?" „De Frieslandl" „Oh." Even stilstand van het discours. Thans zijn ze op 't dichtst bij mekaar. Nieuwsgierige passagiers kijken omhoog naar de brug van hun schip, of over het water naar „Bart" en naar het meisje daar tusschen die officieren. Charlotte verbeeldt ach, dat ook „Chris" zijn broer 'n oogenbhk vergeet om naar haar te zien. 6 Nu de afstand grooter wordt, ontwaakt de vrees noe 'n vraag vergeten te hebben. De tijd is kostbaar. Ze zetten beiden tegelijk de scheepsroeper weer voor de mond, wachtman op wat de ander roepen zal. Chris hakt de knoop „Gaan jullie dóór?" „Ja!" „Boffürd!" Bart is de bofferd. „Goeie rei.. .eis!" „Wat zeg je?" „Goeie rei.. .eis!" 'n Onverstaanbaar antwoord. Ze wuiven nu nog slechts tegen elkaar. Glimlachend bhjft „Bart" tegen de reeling broïr " 1QeCnS Zegt tegen Ch«lotte: «Dat was m'n „O dat dacht ik al," antwoordt Charlotte. Ze dacht het met alleen, - ze wist 't. Die Jan, die met de Friesland naar West-Indie is, zal ook wel 'n broer van hem zijn. Waarom is meneer Strijbos eigenhjk 'n bofferd? Omdat hij regelrecht naar Holland gaat? Maar daar wacht hem toch niemand t^nfo^re£ ^ ^ S *" -Wstoeter „M'n andere broer zit in West-Indië. Op de Friesland!" hcht meneer Strijbos Charlotte thans in. - Ja, ook dat had ze reeds gedacht. Nou.. Strijbos zal maar weer naar z'n hut teruggaan om zich voor het avondeten op te knappen. Hij loopt nog op z'n pantoffels. „U neemt 't me niet kwalijk? Ze riepen me opeens Terwijl Charlotte verzekert, dat ze hem z'n pantoffels niet kwahjk neemt, valt 't haar moeihjk, zich goed te houden. Kijk eens aan, - bij wil zich toch wel beteren! denkt ze bij zichzelf. Opgewonden keert Strijbos in z'n hut terug, krijgt 't vage gevoel over ziek, dat hij zich krankzinnig heeft aangesteld door te verteken, dat daar op de Prinses Jukana z'n broer Chris zit en dat Jan met de Friesland op weg naar WestIndië is. Is hij de macht over z'n tong kwijt? Kan hij niet wachten tot ze hem iets vraagt? Gevraagd heeft ze hem: z'n postzegelalbum te mogen zien. Hij grabbelt naar z'n sleutels, haalt het dikke boek uit de la, legt het op z'n tafeltje. De meester en Beermans zijn de eenigen aan boord, die het ingezien hebben, ja, niet goed, - zoo-zoo. Zij zal ook wel geen geduld hebben om het heele boek van de eerste tot de laatste bladzij... Hij zal haar natuurkjk „De Koningin van z'n Verzameling" laten zien, de blauwe j cents Hawaï met Kamehameha DJ. En dan de Tunis-serie, die hij compleet heeft op de üla 5 Francs van 1888 na. En dan verder... De stuurman zit, voor hij er verdacht in heeft, over z'n album gebogen, bladert, geniet, zoekt naar series en vergeet, dat hij zich voor het avondeten wilde opknappen. De gong. Verstoord kijkt hij op. Aan de gong is hij nog niet gewend, al komt ze ook van Charlotte. Hij staat haastig op, bergt het album weg, trekt z'n schoenen aan, kamt voor het kleine spiegeltje zorgvuldig z'n weerbarstige haar. Aan tafel, zoometeen, zal hij haar vragen, of ze morgenochtend misschien z'n verzameling wil zien. 's Ochtends heeft hij altijd 't best tijd. Is z'n haar vandaag dan niet in 'n behoorkjke scheiding te krijgen?! Hij zucht, verlaat de hut, heeft z'n positieven nog juist voldoende bij mekaar om te beseffen, dat hij door de een of andere reden geheel uit z'n doen is geraakt. Aan tafel vertelt hij luidruchtig van z'n beide broers. Ze waren ieder bij 'n verschikende maatschappij gaan varen om nooit samen op één schip te hoeven zijn. Want ze konden 't bést met mekaar vinden... precies 'n week lang. - „Smits, je vergeet je pkcht; je kon nu toch langzamerhand wel weten, dat de iuffrouw 's avonds 'n spiegeleitje eet!" Terwijl de hofmeester heensnek en in de kombuis noTeens loroKricbTS^ M ™ S uitsluitend tot Char¬ lotte gericht Zi,n oogen zten et haar hongerig bii aan Alien zwijgen van verwondering. Als StSibos dat t,„ StaSafeS* °°k PlOBe^ - w5d.°vutrottod: eemïïnTlt^' m tafe1.™?'. -et zulk mooi weer liever De^Sïm " T d? «erookt. S^en, gemusiceerd, "e eerste stuurman raakt met opnieuw aan 't verhalen ,i, „Op de gezelligheid, jufliouwi" Dit is echter geen wijn, die men ad fiindum drinkt Allen ™SZ™mït%™ * «P?»»*e P^ndThomn? Ï^S*X*J5S vrinc£Hetfi ï Hpo^WSS Zich fftra? zich daar dan zelf voor, wijdt uit verlegenheid haai• ^dacht Tan de sterren, zet het glaasje naast zich neer, slaat de handen °mZoo herinnert ze Strijbos aan >n mooie plaat die bijgaren lang aan de wand heeft gehad, - in z'n hut op de Achiües Hü durft haar vanavond niet meer te vragen om morgen z n postzegel album te komen zien. Zij is zelfs boven postzegel- ^n^St de verte 'n schip, - rijtje van tintelendhelderrUchTes tegen de horizon. „My old Kentucky home, uood nicht..." neuriet Dessauvagie. Jt g Opeens i het half twaalf geworden. De kaptein wil voor 't skpen gaan nog even op de brug kijken. Dessauvagie stelt S SoT'n canon te zingen. De zingende stemmen verKen over het water. De flesch wijn wordt nog eens ge- m°^£roÏ'Lo^n begint de hondewachtgl hii nu toch nog vragen, of zi morgenochtend... ? Hl) krijgt Xjn v^rzoelfniet uit,volstaat met de wensch van: „Wel te rusten, juffrouw 1" Wel te rusten, meneer Strijbos I „Daarmee heeft de stuurman nog vier uurtjes de tijd, ïnflVrmwl" lacht de meester. 1 O k da's waar ook, - daar heeft Charlotte: niet aan gedacht. Namurlijk, meneer Strijbos heeft 's middags immers AAW de wacht van twaalf tot vier I Hierop Set de stuurman z'n kans schoon, haar er op te attenSen dat - als ze zijn postzegeldbmn nog zou wlUen feT- hem dat^'s ochtend/het beste schikt. „Misschien morgenochtend ?' Ja... dat is afgesproken. De volcende morgen in de kajuit. De ontbijttafel is afiJ^-fn het kleed van bruinróode saai ligt, opgeslagen, S^^^^ SttijbOS' t I GoSeeTe Is komen aandragen; hij gaat er mee om als n Godgeleerde ^^TÏrS* album zóo dik kon zijn, had Charlotte toch nooit gedacht. O, er zijn nog wel dikkere. Het zijne heeft destijds ƒ 22.50 gekost, maar tegenwoordig P?men^ 06 kng^, h°,e tcru£ ^ vaste albums, fclkaar telkens aanvullende, losse bladen, die je zelf in de band hechten kunt, zijn natuurlijk veel practischer, en eenmaal zal hij er ook wel aan moeten gelooven, al ziet hij er wat tegen op z'n elfduizend zegels nog eens over te plakken. „tilfduizendtr' vraagt Charlotte verbaasd. De stuurman verzekert haar in bescheiden hoogmoed dat dit nog met zoo veel is. Hij zal haar nu eerst eens de Koningin van zijn verzameling laten zien: de blauwe 5 cents Hawaï met Kamehameha III. r^°e .ontnoudt u zoo'n onuitsprekelijke naam?" Deze kon de stuurman eerst ook niet onthouden. Maar toen heeft hl, m opgeschreven. Kijk, daar, 'n paar rijen lager heb ,e twee dames: Likehke en Kapiolani. Koninginnel of prinsessen, dat weet hij niet. Nu zal de stuurman Charlotte z'n bijna complete Tunis-serie laten kijken. Maar voor hij 't vergeet: wil de jufrouw niet zien waar haar eigen postzegels thmshooren? De donkergroene, grofgekartelde 20 cents Willem ni-met-groote-profielkop-mar-lhiks en de nog ongekartelde ij cents Willem Hl van 1852? En de De Ruyterzegels? Nederland, Nederland... 's even kijken... dat was bladzij 368 als hij 't wel had, neen 362; hoe kon hij zoo dom zijn: bii 368 begonnen immers de koloniën! Alsjeblieft daar waren haar zegels, dat is te zeggen, die de Ruyterzegels had nij al en ook de ongekartelde 15 cents Willem Hl van 1852 maar met de grofgekartelde 20 cents. Die dubbele kon hij dan mooi weer inruilen tegen andere, die hij nog niet had bijvoorbeeld de hla 5 Francs van Tunis, die aan z'n seriê ontbrak. Tunis dat is bladzij 671, - de meeste kent hij wel J?n2en° " " *d?I" Vraagt ^ triumfantelijk» als 'n J?!?^&2!%^ onbegren*de ^rg voor dit alles ziet ze Hoe hij de bladen omslaat, telkens weer even 'n postzegel, die dwars is gaan zitten, rechtschuift en tegehjk controleert, of dat kleurige, voor hem zoo waardevolle papiertje nog wel goed gehecht is, - dit alles ziet Charlotte en beseft nu pas ten volle wat dit postzegelalbum hem op deze wereld beteekent. Aan ,ets heeft hij zijn geheele hart willen hangen. Aan zn schip? Iedere dag kan hij overgeplaatst worden. Maar z'n postzegelalbum kan hij dan meenemen. Toevallig is hij er mee begonnen, met dat postzegelsverzamelen, dat hij eerst voor anderen heeft gedaaan. En hij is niet de man om iets half te doen. Wat hij in zijn drang naar bezigheidbuiten-de-diensturen ook opgenomen had, - hij zou het gansch gedaan hebben. Charlotte wil nu toch eens weten wat hem buiten dit album nog meer lief is, en ze werpt voorloopig het voorzichtige angeltje uit: „Verzamelen uw broers ook postzegels?" Neen, gelukkig niet! Wat ze in handen krijgen, is voor hem. Z'n broer Jan heeft, zonder er zelf 'n aasje verstand van te hebben, eens 'n oude, zeldzame zegel van Britsch Guiana voor hem op de kop getikt, - daar was het geluk met de domme geweest, enfin, die broer had in aües geluk: z'n hoed waaide eens af toen hij in burger over het Damrak hep, en toen hij 'm 'n eindje verder weer opraapte, lag er 'n gouden tientje onder. Terwijl de stuurman voor Charlotte Britsch Guiana opslaat om haar de oude, zeldzame zegel te laten zien, voorkomt hij haar eigenkjke wensch door vrookjk, met 'n onbezorgde stem, cuVze uit zijn mond heelemaal niet kent, te verhalen, dat de statistieken hebben uitgewezen, dat hij en z'n broers mekaar om de twee jaar in Amsterdam tegen 't lijf loopen. Dan drinken ze samen 'n biertje en gaan ergens heen. Twee jaar geleden ('t moet nu dus weer gauw treffen) zijn ze samen naar de komedie geweest, naar de stadsschouwburg, en daar hebben ze 'n stuk gezien, dat erg mooi zou zijn, maar tenslotte op kinderachtige nonsens bleek neer te komen. Hij, Strijbos, gaat niet naar de komedie om op trompetjes te hooren blazen en door menschen in fluweelen pakjes met houten sabels te hooren rammelen, 't Had hèm geen moment gepakt; aüeen z'n broer Jan had 't voor kinderen wel 'n aardig stuk gevonden. Hamlet heette 't. Enfin, ze waren tenminste weer 's samen uitgeweest met z'n drieën, en je bent al bkj, als je niet op je eentje door Amsterdam hoeft te sjouwen. Vroeger gingen ze, als 't om de tijd even kjen kon, de ouwe vrouw in Terschelkng opzoeken, maar dat ^ was met haar dood ook afgeloopen, en als je dan nog op zoo'n sarrende Hollandsche motregen getracteerd werd, was je bkj wanneer ie 't anker weer kon laten hieuwen... Charlotte lacht. Op die manier is Amsterdam voor hem stellig niet aanlokkelijk. Maar heeft de stuurman dan geen andere farnilie? ö Jawel, maar hij is niet familie-ziek. Hij heeft neven en nichten, maar ja, als je die opzocht, wist je nooit, of je welkom was, of dat ze maar zoo deden in de hoop, dat er later nog s wat zou afvallen. De juffrouw zal 't wel weten: als vrijgezel willen alle menschen wat van je. Als je ooit 's bij kennissen wordt gevraagd, zal 't altijd zoo treffen dat hebbe* Jmst toevalkg een of andere juffrouw op bezoek De stuurman voelt, dat het gesprek 'n verkeerde kant uitgaat zint op 'n wending. Maar Charlotte houdt hem tuist op dit punt vast. O ja, ze begrijpt wel wat de stuurman bedoelt verzekert ze lachend. Die juffers moesten aan de man! En iedereen denkt dan, dat zoo'n man dat niet merkt. Charlotte vindt het héél verstandig, dat hij als zeeman het vrijgezelienleven prefereert. Deze lofspraak op zijn standvastigheid verleidt er de stuurman tegen wü en dank toe, zijn oude, gekefde denkbeelden °.ve5 "et zeemanshuwekjk nog eens uiteen te zetten. Wil hij zichzelf er misschien nog eens aan herinneren? Wil hij et zich m zijn suizelende val aan vastklemmen als 'n drenkeline aan n stroohalm? ö Ja, dat zegt de juffrouw daar zoo, maar hoeveel menschen zijn er, die het wiken inzien? vraagt hij met iets wanhopigs in ara stem. n Zeeman moet met trouwen. Varen en trouwen kan anebei goed zijn, maar samen geeft 't mets dan ellende. Hij weet t toch van nabij. Hoeveel vrouwen kunnen zonder hulp van de man de kinderen groot brengen en zorgen dat er wat goeds uit groeit? En als er aan boord ooit 'swat hapert, - waar denkt de man het eerst aan? Aan z'n schip? Aan z n bemanning? Neen, aan z'n vrouw en kinderen de heele aardigheid van 't varen is er bij hem af! En ook de aardigheid van 't schepen-bergen in 'n zee vol mijnen, denkt Charlotte bij zichzelf. Intusschen vindt de stuurman het wenschekjk, van dit onderwerp af te stappen. Hier is de oude, zeldzame zegel van itt vaal m Bovenaan- Die blauwe, met dat scheepje in Charlotte buigt er zich bewonderend over. De stuurman ziet van zijn album naar haar hals, inet de fijne gouden krulletjes onder het kapsel; hij ziet haar welgevormd, intelligent profiel en is overtuigd, dat 'n kunstenaar thans in haar de inspiratie vinden zou voor 'n schilderij: „Jonge vrouw, over postzegel-album gebogen." Die middag, gedurende z'n wacht, neemt stuurman Strijbos in westelijke richting 'n schittering boven de horizon waar: het eerste lonken van de Siërra Nevada. Hij staat tegen de brugge-verschansing en tuurt vooruit en vraagt zich zuchtend af hoe hij op de onzahge gedachte gekomen is, Charlotte vanmorgen van zijn afkeer tegen het huwehjk te vertellen. Zeker, alles wat hij ervan gezegd heeft, gaat op en is jarenlang z'n rotsvaste overtuiging geweest, maar juist dit geval zou 'n uitzondering maken op duizend andere. Zou hij, Strijbos, zijn zeemansplicht vergeten al was hij honderd maal getrouwd en vader? De vrouw, die hèm nam, wist, dat hij 'n zeeman was - en basta. Die zou niet verbaasd staan wanneer ze in 'n wat droevig krantenrelaas ooit te lezen kreeg, dat stuurman of kaptein Strijbos, z'n persoonlijke gevoelens verzakend, op. z'n post gebleven was. En zou juist aan haar de opvoeding van zijn kinderen niet toevertrouwd zijn? Zij, die jaren lang voor de klas gestaan heeft en twintig kinderen, misschien dertig, veertig tegehjk heeft opgevoed? Zij, die - de meester heeft het hem verteld - 'n middelbaar examen gehaald heeft en elk oogenbhk voor 'n vacante betrekking op H.B.S. of gymnasium zou kunnen solliciteeren? Zij, die op en top 'n lady is? Hoe heeft hij haar miskendI Stommerd! Idioot! Bhnd en doof moet hij geweest zijn. Ze is nu tegen hem ook vrindehjk net als tegen de anderen, en hij weet nu, dat ze zich bij alle vrindelij kheid niet met 'n vinger laat aamaken. Hij zal het zich nu maar bekennen: bij is doodekjk op haar. Gek, stapel, dol is hij van haar. - Hij kan het beeld van daarstraks niet uit z'n oogen bannen, - hoe ze daar over zijn postzegels gebukt stond. Het stormt in z'n bloed. Hij gelooft, dat hij in elkaar zou zinken, wanneer ze hem beroerde, onmachtig: zooveel geluk te torsen. En daar vertelt hij haar in haar gezicht, dat hij niet trouwen wil. En zij zegt dadelijk: groot gelijk. Waar heeft hij z'n hersens gehad?! Hij denkt zich ineens in, dat ze alleen zijn, zij en hij alleen in 'n kamer, of aan dek, of God weet waar; niemand is erbij; het is stil om hen heen, rust, en ze kijken elkaar in de oogen, m'n hemel, ze kijken mekaar in de oogen, en hij zegt zacht: Charlotte, en zij zegt: Bart, en ze leggen de handen ineen... Alles begint voor de stuurman te draaien; hij kan niet verder denken en klemt zich aan de verschansing vast. Strijbos, je staat op de brug! Met 'n ruk maakt hij zich los, ijsbeert op en neer, ziet, als hij aan stuurboordkant 'o blik naar het achterschip werpt, Charlotte staan. Van nu aan ijsbeert hij alleen nog maar op de stuurboordhelft van da brug en wendt op elk loopje achteloos het hoofd naar he* achterschip. Ze staat met Dessauvagie te praten. Neen, vrindje, doe maar geen moeite, 'n Vrouw als zij is geen spek voor jouw bek, - daar raak je niet aan. Geen één hier op het schip, die z'n geluk hoeft te proheeren. ï Ook Strijbos zelf niet. Hij ziet in gedachten de vriendelijkverwonderde, misschien wat medelijdende blik al, waarmee zij 'n aanzoek uit zijn mond aanhooren zou, - en bij voorbaat voelt hij zich door de grond gaan. Dat ze naar hem hengelde, zooals die West-Indische dame, - dat heeft hij zich verbeeld. Hij mag blij zijn, wanneer ze zich met hem op straat zou willen vertoonen! Ze kan nog wel wat anders krijgen dan 'n zeeman bij de vrachtvaart. Ze heeft tien maal zooveel geleerd als hij. Hij is maar 'n ruwe kerel. Gesard en geplaagd heeft hij haar de heele reis, haar de pret vergald waar hij het maar kon. Voor z'n kop zou hij zich kunnen slaan. Vergeving. .. vergeving, Charlotte. Ze ziet hem thans, wuift hem vriendelijk toe. „Dag... dag juffrouw Charlotte," prevelt hij, terwijl hij onbeholpen terugknikt. „Is er al wat van Spanje te zien?" roept ze hem toe. „De Siërra Nevada...!" antwoordt hij. En hoort Dessauvagie zeggen: „Ziet u nou wel?" Wat: ziet u nou wel! Wou die daar soms beweren, dat hij even ver ziet als Strijbos? - Hé... de silhouet is intusschen reeds veel duidelijker geworden. Onder de schit- tering der sneeuwkoppen schemert nu ook het gebergte zelf. Mag ik even op de brug komen... ? duidt Charlotte. De stuurman knikt verward en gaat reeds 'n kijker voor haar halen. Intusschen zegt Dessauvagie, teleurgesteld, dat Charlotte hem verlaten gaat: „U zult 'm nog erger van streek maken P' Charlotte begrijpt werkelijk niet wat meneer Dessauvagie kan bedoelen. Op haar verzoek tot nadere expkcatie zwijgt hij, ziet haar slechts lachend aan. „Ik geloof, dat u zich vergist," zegt Charlotte thans onder het heengaan. Ze is 'n weinig verontwaardigd. Maar als ze op de brug verschijnt, kgt er 'n ondeugende trek om haar mond, - daar kan ze zelf niets aan doen. De stuurman ontdoet 'n kijker van z'n doppen, stelt 'm op „normaal" in; hoe ijverig is hij nu in alles. „Uw oogen zijn zeker gewoon?" vraagt hij, bevangen. „Doodgewoon," zegt Charlotte en lacht en buigt het hoofd 'n weinig naar voren, zoodat haar oogen dadelijk onder de wenkbrauwen schuilen en zij op haar allergevaarkjkst is. Dan neemt ze uit de handen van de onthutste stuurman de kijker aan en tuurt er door naar Spanje's sneeuwgebergte. Zwijgend staat hij achter haar, in afwachting van wat zij zeggen zal. „Dan komen we zeker vandaag nog in de Atlantische Oceaan?" vraagt ze. De stuurman denkt vannacht. Tegen de morgen. Misschien nèt nog gedurende zijn wacht. „En dan nog 'n week," zegt hij er achter aan, na 'n oogenbkk zwijgen, en op 'n toon, alsof bij het meer tot zichzelf dan tot Charlotte zegt. Nog 'n week... denk er om, Strijbos! Als je nog met je groote verzoek voor de dag wilt komen... over 'n week is het te laat. Charlotte kgt weer in haar dekstoel, tuurt voor zich uit; dan, als haar oogen vermoeid worden, simt zij ze. De Spaansche zon koestert haar huid onder het dunne, zomersche japonnetje, dat ze morgen misschien al niet meer dragen kan. Ja... ze gelooft er nu toch wel op te kunnen rekenen, dat ze, voor ze van boord gaat, 'n aanzoek krijgt, 'n Ernstig gemeend aanzoek, waarop ze slechts, omdat dat haar bijvoorbeeld toevallig zoo in de zin komt, met het woordje doe tC antWoorden natuurlijk, ze zal het niet Maar dan mag ze ook eigenlijk geen spelletje met de stuurman spelen, zooals daareven nog, op de brug. Ze doet dat ook alleen omdat bij er zoo'n dankbaar object voor is. En verdiend heeft hij het wel, - dat zal hij zelf toegeven! Charlotte heeft daarstraks gedurende de middagtafel nos eens op zijn origineele manier van eten gelet. Nu ze hem beter kent, irriteert het haar niet meer; ze vindt het - integendeel grappig. Ze geeft dadehjk toe, dat er iets voor te leggen is om de vork vlak boven de greep vast te houden, - op die manier 1breek ,e de steel niet doormidden als je uit alle macht n wat harde aardappel tracht te vermorzelen. En dat hii uit elk eten stamppot maakt, - daar zit tenminste systeem is. Eten is voor hem in de eerste plaats het delgen van de honger geen vormenrijke eeredienst, aan het verhemelte gewijd - Tlï* m' °01t n?ë eens heer wil worden> moet hi van zijn denkbeelden op dit punt toch afstand doen. O daartoe zou hij ook wel bereid zijn! Ze meent zelfs reeds bespeurd te hebben, dat hij daarstraks aan tafel z'n best deed om Cjhmlachend ziet Charlotte voor zich uit , 2eker' mi js » 2'q hart 'n goedaardige, trouwe kerel, die n gevaar onder de oogen durft te zien. Als ze alles eens nagaat, valt er nog heel wat goeds van hem te zeggen hif'v Tf?"0^ " G"*10** ™ë lang niet verliefd op hem. Verliefd wordt men op 'n man trouwens niet terwiü? van z n deugden. De stuurman heeft z'n uiterlijk ook niet mee. Als jeune premier zou hl. op de planken 'n slecht figuur maken. AUes s kort en vierkant aan hem; je kunt ovefal 'n hheaal Ws eggen Z'n breede voorhoofd wordt door het stroeve SS in n zuivere rechthoek omlijst. Als hij 'n snor droeg, zou het i SSSÏÏT ^ Cn ^ 2^ — hem -or wa^HrV^tman " geen ^ Z'n zeemansbloed klopt warm. H , heeft temperament, misschien wel meer dan menie succesvol jeune premier; het hgt bij hem alleen maaS verborgen, - zooals bi allen, die zei/bevreesd zijn voor huS temperament. Zijn temperament brengt hem tot overdrijving, tot star doorzetten, ook waar het de moeite rtiet loont. Zijn temperament brengt hem er toe, het gevaar te zoeken'van 'n mijnenveld, en heeft hem nu in de nog gevaarlijker zone van Charlotte gedreven. . Charlotte. Heeft Charlotte nog wel temperament? O ja, ook zij durft het gevaar te zoeken. Zij durft het avontuur van 'n zeemanshuwelijk wel aan; zij vreest niet voor het maandenlange alleen-zijn, niet voor de zware taak van het grootbrengen van haar, baar kinderen. Zij durft het aan: van 'n uit hoogmoed eenzaam, uit eenzaamheid kortzichtig en prikkelbaar stuurman 'n goedgeluimd, verdraagzaam kaptein te maken met 'n breede kijk op de wereld. Ze heeft gemeend, mèt het ambersnoer haar diep-beleedigd begeeren het venster te hebben uitgeworpen, - maar nu voelt ze, dat het weer zou kunnen ontwaken, reeds weer ontwaakt is, hier in de warme stilte van deze windstille dagen. Neen, neen en nog eens neen, Charlotte is niet trotsch op haar maagdschap, is er niet afkeerig van, vrouw en moeder te worden. Maar voor de vervulling van zulk 'n wensch, die de school en haar nieuw opgezette levensplan in vergetelheid doet wegsuizelen, wil ze geen liefde huichelen. j Daar kan 'n storm door twee menschenharten gaan, n alles uit z'n voegen rukkende wervelstorm, die de zielen gulzig aanzuigt en ze roodgloeiend versmelt. De algoede natuur heeft ieder mensch als 'n harp geschapen waardoor eens de wind kan strijken, alle snarenberoerend, alle klanken vereenigend tot Goddelijke harmonie. Daarvan zingen duizend dichters door duizend jaren heen. Daarop is het de moeite waard, te wachten. Charlotte neemt haar stuurman z'n hulde met kwalijk, verheugt er zich zelfs over, vergeeft hem terwille daarvan z'n bokkigheid, die haar weken lang het gezellig samenzijn in de kajuit vergald heeft. Maar mocht zijn aanzoek komen, - dan zal ze het weigeren. XXI Zijn aanzoek komt. Zoodra de Medusa de wijdte van de Atlantische Oceaan bmnenstoomt, verandert de temperatuur. De zon heeft ^ het midden van de dag nog wel dezelfde krackt, maar vaS Spanje s wmterscke hoogvlakte komt 'n koele Oostenwind aangeblazen, die Charlotte naar de bakboordzijde ZThet schip verjaagt en haar dwingt, zoodra de zon wa! kgl^inkt n mantel aan te trekken. Van 'n weggetje, dat tusfchen de fusten Baeco-wijn is opengelaten, mlfkt' Charotte geSufk om nu en dan eens flink op en neer te stappen, - zool! ngTet schip de wind en de golfslag op zij heeft en dus me? skfger dan stampt, is dit wandelen nog niet vermoeiend. g De wind krimpt; het wordt de volgende avond werkekik koud aan dek; ket blaast nu bijna met stormkrach!3 Noorden; de eerste stortzeeën komen over, en nu worden ?3ÏTÏ Wanf ^tjcs minder aangenaam, zeffs wat g? vaarhjk Zoo vlucht ze naar de brug? krijgt de leeren ias van de kaptein weer aan, dezelfde, die hij hïr op de avond van de uitvaart reeds geleend heeft, en zoo, beschermd tegen koude en vocht.ziet ze van boven toe hoe de matrozen onder leiding van de bootsman de fusten nog eens opnieuw tegen de ijzeren reekng sjorren. F ë „Zou 't in de Golf van Biscaje erger worden?" vraagt ^ de eerste stuurman, die thans wacht loopt g Deze heeft al 'n tijd lang heimelijk naar haar gekeken zooals ze daar tegen de brugge-verschansing staat df handen ferm in de wijde jaszakken, de oogen half tfegeknepeftegeS de scherpe, vkegende wind en het tot over de brug?c£Se schuim. Hij verkeert reeds sinds 'n halfuur in tweestrijd of hij haar zal aanspreken. tweestrijd, ot Hij durft niet Hij weet het eerste woord niet te vinden dat - wie heeft het niet ervaren? - >n schuchter minnaar" zooveekmoeilijkheden baart. Hij vreest ook, da tzijThem van verdenken zou: terwike van' haar zijn phcht 5er" p de brug te verzaken. Intusschen is er op Lt oogenbhk niets SS™r££ïi> VO°f de>eArekt 3S lTvemg4: rmmte uit, - en Strhbos weet zi n phcht dan ook eigenlik met anders te betrachten dan door seamanhke heen en weer te ijsberen, achter Charlotte's rug al maar heen-en-weer op de brug, die thans 'n cake-walk is. En al ziet hl, zoo haar oogen met, haar heerhjke, grijze oogen, die hem tot in de ziel dringen; al hoort hij zoo haar stem met, haar stem, die 'n hemebche muziek is, waarnaar hij met mtgelmsterd raakt, - hij heeft tenminste de groote geruststelling, dat Charlotte zoolang ze hier bij hem op de brug staat, met in de kajuit met Dessauvagie of Beermans kan zitten praten. Maar nu vrtagt zij hem zelf wat. Ja, dan is hl, wel gedwongen - reeds door de eenvoudigste wetten der beleefdheid 1 - z'n phcht 'n oogenbhk te vergeten om n dame antwoord te kunnen geven. Of het in de Golf nog erger zal worden? De stuurman weet het ook niet met zekerheid, - hij hóópt het met, indien de juffrouw daar dan misschien weer last van zou onder- V1 ObÏÏiotte verzekert hem opgewekt, dat ze niet meer van plan is om zeeziek te worden. Ze vindt dat beet,e schommelen nu juist wel aardig: op die manier merkt ze tenminste, dat ze V Dat is in de hjn van de stuurman geredeneerd. Hij knikt onwillekeurig en geeft haar de bedeesde raad, om ook in de GXmaar niet bang te zijn al mocht het er ^ en dan ook eens naar uitzien, of het schip zou kapseizen. De lading is deze reis niet zoo'erg gelukkig verdeel/: zware dekbek^g, halfleege ruimen, dan hjkt 't al gauw, of 'r heel wat gebeurt, maar 't heeft niets te beteekenen. . Charlotte ziet hem lachend aan. „Zoolang u met bang wordt, ben ik het ook niet 1" zegt ze. Het schip maakt 'n zwaai, denkt de stuurman en houdt zich aan de verschansing vast. Maar het schip.maak: geen zwaai. Samen bang, of geen van belden bang zingt t in zijn olren Dat is al 'n verbond. Hij hoort zelf met, dat hl, haar E de stellige belofte geeft: „Ik zal er u veihg doorbrengen!" Jouf jou zal ik er veihg doorbrengen m'n heve• hn^l zweert hij bij zichzelf, terwijl hij zich, duizelend, aan de ^^dSt^A hij zich naar z'n hu, die te klein is om de gelegenheid te geven, nog als 'n verdwaasde op en neTte iisberen. Hij laat zich in z'n kooi neervallen, springt weer overeind, steekt 'n verkeerde sleutel in de lade, waarin hij zijn postzegelalbum heeft. Als het slot niet wil openspringen, trekt hij zonder verbazing de sleutel weer terug. Het slot wil niet open, zeer juist, want ook zijn postzegelalbum zou hem op dit oogenbhk geen rust kunnen schenken. Samen bang of geen van beiden bang en ik zal er jou veihg doorbrengen, m'n schat, m'n engel! - Plof! hij zit op z'n stoel; z'n oogen boren in het niets. Er is geen tweede zooals Charlotte; er is er geen, die aan haar tippen kan. Welke vrouw staat uren lang in 'n oude, geleende mannenjas op de brug, van louter plezier om dé zee te zien dansen en zich de vochtige, zoute wind om de ooren te laten vhegen! Iedere vrouw zou voor rnirakel liggen, of als ze dan al niet zeeziek was, tenminste toch in de kajuif wegkruipen en 'n romannetje lezen, of iets anders nutteloos doen, God-weet-'t, 'ri haakwerkje of wat anders. En dat kon zij bovendien óók! De meester heeft gezegd, dat zij van die Malteezer kant meer afwist dan Jozef zelf. En dan boeken en de rest! Ezel, stommeling, had ie dat nou weer moeten zeggen, dat hij dat stuk Hamlet met mooi gevonden had?! En als zij 't nou juist 's prachtig vond? Als dat nou juist 's heel beroemd was wat die slappe pias daarin deed en vertelde? Had ie dan niet kunnen zeggen, dat hij en z'n broers zich zoo best geamuseerd hadden die avond? O, hij voelt wel, dat zij van al zulke dingen allemachtig veel verstand heeft' al hakt ze er ook niet over op, al is ze eenvoudig en vriendelijk tegen 'n onwetende als hij, Strijbos. En had ze die taart voor de kaptein z'n verjaardag soms niet mooi opgesierd?! Was 't niet zonde geweest om 'm aan te snijden? Had de kaptein niet zelf gezegd, dat 't zonde was? Dat alles kón ze als ze maar wou, maar ze was verstandig genoeg om met de heele dag aan zulke flauwiteiten te geven, zooals andere dames, zooals die West-Indische, die naar hem gehengeld had! De gong! Strijbos springt overeind. Aan tafel, jongens! . Haar, haar oogen, haar handen weer zien, haar stem hoeren," haar de saus en het vleesch aanreiken...! In de kast staan z'n goeie schoenen. M§*x Op de hondewacht neemt hij zijn besluit. Het bonkend neerdaveren van de •Stortzeeën in de ijzeren kuil schudt hem wakker uit z'n stuurloos droomen; wanneer het voorschip zich weer huiverend opricht uit het kille stortbad en zich onbevreesd in 'n nieuwe berg van donker-ghmmend water werpt, overwint ook Strijbos zijn laatste vreesachtige weifeling. Nu of nooit, - over vier dagen is het te laat. Wanneer bij thans zwijgt en zijn kans niet waagt, zal hij aan zelfverwijt te gronde gaan. 't Is alles ontzettend onverwachts gekomen; z'n kop kan het nog niet verwerken. Om er lang en breed over te piekeren; daarvoor zal hij nog gelegenheid genoeg krijgen, maar zij, zij is nog maar vier dagen aan boord, vier nachten en drie dagen misschien; hij moet voor ze aan wal stapt haar ja, of haar nee hebben. Is het: ja! dan mag de hemel boven hem ineenstorten; dan begint voor hem van die minuut aan het leven pas, dan heeft hij vier-en-dertig jaar lang rond geloopen zonder te vermoeden, dat het hem beschoren was nog eens de gelukkigste aller stervelingen te worden. En zegt ze nee... dan weet hij eerst niets meer, maar dat zal hij dan wel zien. Morgen zal hij haar vragen. Niet op de brug, want dat is dienst, maar morgenochtend of 's middags na de wacht, of 's avonds, wanneer hij haar maar even alleen kan krijgen. Morgennacht zal de Medusa zoowat de Golf binnenloopen; van te voren moet hij het gevraagd hebben; in de Golf zou het misschien zoo ongemakkehjk weer worden, dat je geen rustig woord met mekaar spreken kunt. Morgen. Morgen\ De stuurman verlangt naar kalmer weer. En krijgt z'n zin. De koers leidt de volgende dag wat dichter onder de Spaansche kust, en juist zoowat op de hoogte van Kaap Finisterre treft de stuurman Charlotte alleen op het achterdek, tegen de reeling geleund. Zonder zich verder te bedenken, leidt hij zijn aanzoek in met de in 't wilde gestotterde woorden: „Juffrouw Clarenbeek... ik wou... ik had gedacht. .. ji zult het misschien gek van me vindea..." . Kijk, dat is nu weer niet complimenteus gezegd van de stuurtnan. Waarom zou Charlotte dat zoo gek vinden? Hij wil nu slechts doelen op zijn betoog van enkele dagen geleden, zijn betoog, dat 'n zeeman niet trouwen moet, - maar dat kan Charlotte toch niet weten? Alles wat ze met absolute zekerheid weet, is, dat thans het groote woord komen zal. „Mag ik u misschien vragen, juffrouw... Ziet u... op n zeeman neer?" gaat de stuurman voort op de ingeslagen Hoe hij daarbij komt? vraagt Charlotte hem ernstig en vriendelijk. „Dat zou toch heel dwaas zijn, meneer Strijbos." De stuurman schept moed. Hij had het zoo maar gedacht Hij had gedacht, dat de juffrouw misschien op hèm zou neerzien. Charlotte weet niet dadekjk wat ze zeggen moet. Is ook zij bevangen? Ze tuurt voor zich uit en zegt nu slechts^Daartoe mis ik elk recht, meneer Strijbos. En ik begrijp O de juffrouw moet het hem niet kwakjk nemen, zegt Strijbos. ° Geen van beiden weet iets te zeggen. De stuurman tracht te verwerken wat zij kem geantwoord iaeeft. Daartoe mis ik elk recht, meneer Strijbos. O, mist ze daartoe elk recht? Dus dan mag hij daaruit opmaken... Ja, de stuurman wil dan graag de vrijheid nemen... de stuurman wil haar dan graag 'n voorstel doen. Zij heeft natuurlijk het recht om het af te wijzen. Misschien heeft de juffrouw al geraden... ?! Neen, waarempel niet, Charlotte heeft niets geraden. Ze wil het aanzoek nu ook voluit hooren, - daar heeft ze eerkik recht op. ' Ja, de stuurman had haar dan graag, als ze niet op hem neerzag... hij kon over enkele jaren, volgens de gewone gang van promotie over twee jaren reeds, kaptein zijn en wat hij van trouwen gezegd had en van 'n zeemanshuwekjk ging in het geval, dat hij op het oog had, niet op. De stuurman geloofde er lang genoeg over nagedacht te hebben en zich afgevraagd te hebben, of zijn gevoelens duurzaam zouden zijn; hij heeft... voor de juffrouw hefde opgevat; hij begrijpt natuurkjk... o, hij begrijpt aUes. Het is ook maar 'n vraag van hem; hij voelde de drang om het haar te zeggen, maar durft er daarom nog niet op te hopen, dat... RBE* ° r Verder brengt de stuurman het niet. Met brandende oogen ziet hij naar Charlotte. Deze schijnt haar zelfbekeerscking geheel te hebben terug gevonden. Kalm en vol zachte vriendelijkheid, die balsem voor zijn bloedend hart is, zegt ze hem: Het is 'n groot voorstel, dat hij haar doet. 'n Heel groot voorstel, dat zij stellig niet luchtvaardig opnemen en zonder meer verwerpen zal. Hij begrijpt natuurlijk, dat het haar wat onverwachts overvalt. . . . Ja, dat begrijpt hij. De jul&ouw is natuurlijk nergens op verdacht geweest, en daarom kan ze niet zoo ineens... Zoo is het. Zij zal er ernstig over nadenken, haar gevoelens voor hem peilen. Ze mag hem graag lijden, werkelijk, vooral sinds zij hem beter heeft leeren kennen; ze vindt hem flink; ze waardeert het in hem, dat hij haar alles openhartig bekend heeft; als hij er haar later over geschreven had, zou het antwoprd haar veel moeilijker zijn gevallen dan nu van man tot man. O neen, hij had ook gemeend... hij is geen prater, maar het gaat met de mond toch altijd nog beter dan met de pen, en als zoo'n brief dan misschien nog zoek raakte ook... dat gebeurde zoo vaak met die wisselvallige reizen. Dus de juffrouw kan nog niet dadelijk zeggen... Neen, dat kan ze niet. Ze zou de stuurman zelf onrecht aandoen door hem haar hand toe te zeggen, zonder datzij zelf wist, of ze... Nietwaar? Ze zijn toch geen van beiden zoo jong meer om nog 'n overhaast besluit te mogen nemen. Hier biedt zich voor de stuurman de gelegenheid voor n onhandigheid, en hij haast zich, daar gebruik van te maken door te bevestigen, dat ze geen van beiden meer zoo jong zijn om nog 'n overhaast besluit te mogen nemen. O, neen, maar hij verlangt zulk 'n besluit ook niet dadelijk. Hij is reeds zoo gélukkig, dat hij de juffrouw zijn gevoelens heeft kunnen uitspreken; hij had er tegen opgezien als tegen 'n berg, maar nu weet ze 't en kan er over nadenken, en hij zal haar beslissing zonder tegenspraak aanvaarden, hoe die ook mag uit- V Charlotte reikt hem als bevestiging van deze afspraak haar kleine hand, en hij neemt ze dankbaar en gretig in de zijne, zou ze van onstuimigheid wel fijn kunnen knijpen. Dit oogenblik alléén is reeds het mooiste van z'n leven; hij zal het nooit, nooit kunnen vergeten. Hoe gemakkelijk maakt 7e het hem. te vertellen wat hij nog te vertellen heeft; hoe lief-verstandig, hoe ernstig luistert ze, zonder de hysterische opwinding, die elke andere vrouw in haar geval %pu hebben getoond. Hij biecht. Hij smeekt haar, het hem te vergeven, dat hij aanvankelijk zoo barsch tegen haar geweest is; ze mag er het bewijs in zien, dat hij niet, zooals sommige andere mannen, maar dadehjk... Nu heeft hij van zijn denkbeelden op dit punt afstand gedaan; zijn gevoelens voor haar zijn plotseling ontwaakt en nebben hem doen inzien hoe dwaas hij geweest is en hoeveel onrecht hij haar heeft aangedaan... Ze spreken nog lang samen, vertellen beiden van hun thuis, dat geen thuis is. Vooral de stuurman is spraakzaam; Charlotte luistert meestal, luistert, 'n starende, moeihjk te duiden uitdrukking in de oogen; wanneer hij even stokt, moedigt ze hem aan tot verder vertellen; het is, alsof ze leemten tracht aan te vullen, tallooze, tallooze leemten, die er tusschen hen gapen. De stuurman voelt zich gelukkig, breekt er zich thans het hoofd niet over, of ze op zijn aanzoek neen of ja zal zeggen. Waar hij zich geheel weerloos aan haar heeft uitgeleverd, zou het voor haar zoo gemakkehjk zijn geweest, hem door 'n spottende afwijzing belachelijk te maken, belachelijk voor zichzelf en voor het heele schip. Inplaats daarvan hoort ze hem aan; hij heeft nog nooit zóó met iemand kunnen praten; door haar houding is alles opeens zoo eenvoudig geworden. Wil je voorgoed m'n kameraad zijn; willen we elkaar het leven mooi maken, wij, wij beiden? — daarop komt z'n heele vraag nu neer en heeft niets belachelijks meer. De zon is ondergegaan, de schemering ingetreden zonder dat de stuurman er notitie van heeft genomen. Maar wel Charlotte. Charlotte heeft peinzend toegezien hoe elke keer, dat de bakboordzijde van de Medusa weer hoog boven de golven uitrees, de matroode schijf daar in het Westen weer 'n eindje verder achter de zich wringende waterkim was weggezonken; hoe zich op die plaats kleine, roode wolkjes als 'n ruiker van steellooze rozen ontplooiden, en hoe toen van drie hemelstreken de nacht was komen aansluipen. Het schijnt haar beklemd te hebben, - nu plotseling uit het trapje-naarde-kajuit de heldere galm van de gong opschalt, zucht Charlotte verlucht op en zegt snel, beshst: „Ik zal u, voor ik van boord ga, m'n antwoord geven. Op het allerlaatste oogenbhk. Moet ik u teleurstellen, dan zou het pijnlijk zijn, nog langer samen aan tafel te zitten en elkaar op het dek en de brug te ontmoeten, nietwaar? En in het tegenovergestelde geval is het misschien ook beter, dat... * Charlotte stokt even. AUes, aUes wat zij wil, wenscht, voorstelt, is goed, haast de stuurman zich dankbaar te verzekeren. Maar hij moet haar toch even zeggen: voor de haven van IJmuiden zal hij het natuurlijk druk hebben... ja, hij is hier nu eenmaal de stuurman. En tusschen IJmuiden en Amsterdam? In het Noordzeekanaal? Heeft hij het dan ook nog druk? Charlotte gaat natuurlijk pas in Amsterdam van boord. In het Noordzee-kanaal... neen, dan is er misschien wel 'n geschikt oogenbhk om elkaar nog even... Dan houden we het daarop. Afgesproken? Plotsehng rilt de stuurman, alsof hij koorts heeft. „ZuUen we nu maar aan tafel gaan?" vraagt Charlotte met de vroohjk-heldere stem, die hij wel van haar kent. Van de midscheeps nadert met zeevaste gang de meester... Aan tafel steekt Charlotte aUen door haar vroohjkheid aan. „De juffrouw vindt het, geloof ik, nu toch ook wel leuk, dat 't weer op huis aan gaat!" zegt de kaptein vergenoegd. „Nog vier dagen!" Ja, denkt Charlotte, - nog vier dagen. De stuurman staart voor zich uit. Hij weet niet wat hij van Charlotte's vroohjkheid denken moet. Hij vreest, dat het iedereen dadehjk opvallen zal wanneer hij Charlotte aankijkt, of het woord tot haar richt. Nu, achteraf, bedenkt hij in welke woorden hij Charlotte eigenlijk zijn aanzoek had willen overbrengen. Het stormrek is op de tafel aangebracht, opdat de borden niet tegen de vloer vhegen. Maar al liggen de borden nu ook vast, - de soep zelf is zoo dwaas om dwars tegen elke beweging van het schip te wiUen ingaan; de blaadjes selderij, de maggi-blokjes, die erin zijn opgelost, hebben er haar niet van afgebracht, dat ze in haar wezen vloeistof is en zich dus te houden heeft aan de grondwet, die eens en voor al voor vloeistoffen is vastgesteld, - zoo vertoont ze 'n onredelijke neiging om haar bovenvlak waterpas te houden ten koste van het schoone tafelkleed, dat er sinds gisteren hgt, en ten koste van de mouw van meneer Strijbos. Het is niet erg, troost Charlotte. Met heet water gaat alles er uit, - als de stuurman het zelf met klaar speelt, moet hij haar straks de jas maar even geven. Wanneer de hofmeester in dat geval nog voor 'n keteltje heet water zou willen zorgen...? Allen kijken verwonderd op. De hofmeester wou juist weg gaan om de aardappels en het vleesch te halen, maar bhjft nu, verrast, staan om te hooren wat er volgen zal. „Nou, Strijbos... dat zou ik maar gauw aannemen!" raadt de kaptein lachend aan. „Ja... zeker," stottert Strijbos, Charlotte verward aanziend. 'n Nieuwe zwenking van het schip. Allen tillen hun bord vlug 'n weinig op om de soep te redden, - slechts bij Strijbos vhegt ze er weer over heen, nu aan de andere zijde en over de andere mouw. „Ik kan wel merken, dat jij nog niet lang vaart, Strijbos!" zegt Dessauvagie met raadselachtige humor. De volgende dag heeft het kleine scheepje moeite om zich tegen de hooge zeeën in te werken, 'n Ander vrachtbootje, dat uit tegenovergestelde richting passeert, bhjft van de morgen tot laat in de middag in 't zicht, - zoo weinig komt men vooruit. Matrozen en stuurlui loopen in glimmende oliejassen, en Charlotte moet - om ongelukken te voorkomen geleid worden wanneer ze naar de brug wil. Dank zij haar stage training voelt ze zich niet zeeziek meer, maar wel vermoeid en wat duizelig door het voortdurende stampen en zwaaien van het schip. 2e gaat 's middags wat rusten, juist als de eerste stuurman wacht loopt, en kruipt 's avonds ook vroeg onder de wol. De kaptein en de andere heeren bhjven in de kajuit niet napraten; je kunt toch geen rustige kop thee drinken; ze zijn moe van hun wacht en trekken zich, juist als Charlotte, vroeg in hun hut terug. Slechts Dessauvagie en de pechvogel aan boord, de derde machinist, in 'n plotselinge woede voor het kaartspel, spelen in de kajuit tot middernacht toe om kwartjes, dubbeltjes en koper; de hofmeester staat erbij toe te zien, geeft belangeloos goede raad, en wanneer Dessauvagie naar z'n wacht moet, vraagt de hofmeester aan de pechvogel, of hij mag inspringen. Wanneer de kaptein dan om half twee uit z'n hut komt, om nog eens op de brug te gaan, en die beiden daar zwijgend aan 't kaarstspel vindt, 'n hoopje geld naast zich, wordt hij driftig en maakt er streng 'n eind aan. Indien hij de directie zou meedeelen, dat de derde machinist zich niet ontziet om in de kajuit tot half twee 's nachts met de hofmeester om geld te spelen, zou dit voor de pechvogel nieuwe pech beteekenen. De kaptein is daar echter geen man naar. Uit haar bed ziet Charlotte weer, juist als tusschen Alexandrië en Athene, de zee zich sluiten en openen achter het dikke, veilige glas van haar patrijspoort, en ze tracht zich voor te stellen hoeveel schepen er wel met al hun lief en leed op de wijde, wijde wateren der aarde zouden dobberen. Vage, vaak stuurlooze gedachten houden haar voor het slapen bezig, terwijl ze door het kleine ronde venstertje het geweld der elementen aanschouwt. Water-Lucht-WaterLucht... En ze voelt zich klein, heel klein, 'n atoom in het Heelal. Er is 'n stem, die zegt: „Juffer, je bedenkingen zijn zot en benepen. Is 'n eenvoudig en rechtschapen man-van-vleeschen-bloed niet goed genoeg voor jou? Moet hij juist zóó en zus en niet anders zijn om jou te bevallen? Verheug jij je dan heelemaal niet, dat je de gelegenheid geboden wordt om mee te werken in de groote gedachte der schepping? Dat je vrouw en moeder worden kunt? Liefde! Heb hem hef, - is dat zoo moeihjk? Maak zijn leven rijk, - het jouwe zal het ook zijn!" Charlotte luistert; ze hgt te kijken en luistert. Hoe zal ze morgen denken, bij daghcht? In de duistere, grondelooze nacht keeren de gedachten en gevoelens vaak tot de groote, eenvoudige zin der schepping terug. In de nacht vreest men het leven, de eenzaamheid en zoekt naar redding, uitkomst. De dag brengt weer zelfbewustzijn. Acht glazen luiden middernacht. De hondewacht begint. Op de brug ijsbeert nu de eerste stuurman. De eerste stuurman. .. die haar gevraagd heeft zijn vrouw te worden. Hoe eerhjk zijn zijn gevoelens voor haar. Ze zal hem afwijzen, moeten afwijzen, omdat ze met anders kan. Maar als zij zich indenkt hoe groot zijn teleurstelling misschien zijn zal, voelt ze medelijden in zich opstijgen. Medelijden met de stuurman. Of misschien ook met zichzelf... ? Allons! Is alles niet 'n zaak van durf? Is het niet de durf, die ons leven de moeite waard maakt? Wil het geluk niet veroverd worden? „De moed tot het geluk", heeft Charlotte eens ergens gelezen. De volgende morgen is er aan Charlotte iets veranderd; zij heeft in haar voorkomen, in haar wijze van doen en laten 'n rustige gedecideerdheid, welke menschen kenmerkt, die 'n besluit kunnen nemen. Het is, of zij zich weer herinnert, dat er behalve de eerste stuurman (die haar 'n huwelijks-aanzoek gedaan heeft) nog anderen aan boord zijn. Heeft ze tot nu toe uren lang op de brug gestaan, starend in wind en golven; ze zit nu in de kajuit of in de tusschenloop bij de machinekamer (waar 't lekker warm is) eens met die en dan weer eens met 'n ander te keuvelen. Verstandig, overlegd, vol belangstelling en innemende vriendelijkheid. Ze hoort nu voor het eerst meer uit het mislukte leven van Dessauvagie, die eigenlijk voor heel wat anders dan machinist op 'n boot bestemd was. Hij is de eenige zoon van 'n vooraanstaande persoonlijkheid in de Nederkndschehandel; hij is van moederszijde geparenteerd aan de adel en wilde van jongsaf in de diplomatie. Maar hij had het z'n vader wat te bont gemaakt, was op z'n achtiende jaar na z'n dwaze kwajongensstreek als kolentremmer naar Amerika ontsnapt. Hij wou van ónder op, uit eigen kracht het leven doo, kreeg al 'n plaats als arbeider op 'n fabriek 1 Maar z'n vader kwam er achter en stuurde geld om tenminste voor machinist te studeeren. Dat deed hij toen maar terwille van z'n ouwe, en voor hij er erg in had, kon hij als derde machinist gaan varen. Dat was z'n vaders invloed, waarvoor hij nergens veilig is. Overal vervolgt ze hem. Het is als 'n vloek. Hij weet nog niet waar hij in z'n leven terecht zal komen; op de Medusa zal hij wel niet grijs worden, maar hoe hij ook zwaait, - papa's invloed zal hem wel weer rechtop zetten, - die zekerheid verknoeit hem, ontneemt hem zijn zelroewustzijn; idioten benijden hem wel eens om zoo'n vader. Natuurlijk, de schuld Hgt bij hem zelf. Hij heeft er al eens over nagedacht hoe hij zijn fatum zou kunnen ontloopen. Vluchten helpt niets, want tot het laatste uithoekje van de bewoonde wereld vervolgt hem, hulpvaardig, als 'n obsessie, papa's invloed; misschien zou hij zichzelf en zijn naam nog eens zóó geweldig kunnen blameeren, dat z'n papa het opgaf en de beschermende handen van hem aftrok... dan was z'n zoon er misschien. Achteloos, cynisch, niet zonder 'n weinig te koketteeren met zijn meedoogenlooze eerlijkheid, discht Dessauvagie Charlotte zijn levenslot op. Charlotte hoort hem, half-medelijdend, glimlachend aan. Of hij dan niet beter eenvoudig 'n andere naam kan aannemen en uit de gezichtskring van z'n hulpbereide vader ontglippen kan? vraagt ze. Neen, dat gaat niet. Of hij zijn naam blameert, vindt Dessauvagie niet erg; hij kent de wereld en de menschen en veracht bij voorbaat z'n rechters, - maar mèt of zonder blaam, hij wil z'n naam bhjven dragen. Als hij zich 'n andere naam aanmat, zou hij voor zich zelf ook Mr. X. zijn en het leven niet meer de moeite waard vinden. Charlotte ziet hem aan. Hij wil het doen voorkomen, alsof hij voor 'n gedachte leeft. Is het leven hem niet rijk genoeg meer om er zich naamloos in te storten? Welk 'n verdwazing, welk 'n hoovaardij, denkt Charlotte. Ze zou hem ernstig de les willen lezen, en niet uit angst voor zijn geblaseerde spot laat zij dat plan varen - neen, slechts uit 'n plotseling in haar ontwakende voorzichtigheid: op dit oogenblik wil zij haar eigen gedachten hever niet verraden. En zoo glimlacht zij slechts tegen Dessauvagie, die hier in 'n onuitgesproken goedkeuring voor zijn feudaal aanvoelen ziet en gevleid de schouders ophaalt. Met allen babbelt Charlotte, - alleen met meneer Strijbos niet, en wie haar op de hoogte van kaap Finisterre met hem in 'n lang onderhoud betrapt heeft en daaruit zekere conclusies mocht hebben getrokken, moet thans wel toegeven, dat hij zich vergist heeft: tusschen die twee menschen is niets „gaande". Zij ontmoet de eerste stuurman slechts aan tafel, is vriendehjk tegen hem als tegen alle anderen en heeft ook tegen hem dat ietwat beschermende in haar toon, dat zij pas sinds de allerlaatste tijd over zich heeft eekreeen. Strijbos zelf vraagt zich in angst en vreeze af wat hij van Charlotte dehken moet. Hij kan het gevoel niet van zich zetten dat zij Hekeboe met kern speelt. Waarom is zij gedurende zijn wacht nooit meer op de brug? Hij tracht nu en dan in haar oogen te lezen, maar die beantwoorden zijn bhk vriendekjk-onbezorgd, - ze verraden niets. Hij tracht zich de verstandige, ernstige woorden te herinneren, waarmee zij eergisteren zijn aanzoek beantwoord heeft. Als hij haar thans aanziet, kan hij zich niet meer voorstellen, dat zij werkekjk zoo met hem gesproken heeft, - hij krijgt nergens meer houvast. Vat zit de aangelegenheid niet al te luchtig op> Heelt zij misschien na 'n uurtje nadenken tegen zichzelf gezegd: Ach wat, onzin, ik zou wel mal moeten wezen- 't zal bij hem ook wel overgaan; in IJmuiden zal ik 't 'm wel vertellen? - Neen, het zal niet overgaan bij Strijbos; het zit te diep; als hij eenmaal iets wil, zit het diep bij hem; hij kent ziek zelf wel. Ja, ziek zelf kent hij, maar hij moet toegeven dat de vrouw voor hem (ondanks al z'n studie) aan raadselachtigheid mets verloren heeft... Na de Golf wordt de zee weer rustiger. Sinds gisteren waait het niet meer. De wind is Zuid-West, gaat met het schip mee, - zoodoende merk je 'm niet. Voor dit jaargetijde is de lucht ongewoon mild. Nu men weer 'n rustig oogenbkk zitten kan, neemt Charlotte enveloppe en schrijfbloc en adresseert 'n brief aanMadame Ahce Blanche, Sharia Boulaq 70, Caïro. Het is het adres van 'n dame met wie ze in Egypte in kennis is gekomen, - n heel vriendelijke dame (de meester heeft haar gezien) die haar belangeloos rondgeleid en raad in dit en in dat gegeven heeft. Als Charlotte de brief beëindigd heeft (de brief is niet lang, maar ze heeft er veel bij moeten nadenken, zeker omdat t Fransch is), vóór Charlotte dus de enveloppe dichtplakt leest ze nog eens aandachtig door wat ze geschreven heeft! En daarbij speelt 'n raadselachtige ghmlach om haar lippen, btnjbos heeft wel gehjk. Vrouwen zijn raadsels. Van donkerblauw is de zee eerst groenig, tenslotte grijs geworden. Zoo wordt ie weer goed," is bet oordeel der bemanning. Flauwe plagerij, dat hen in het Kanaa1 mist m,r„t dikke gore mist, die het varen belemmert. Dit ontbrak nog net aan Charlotte's zee-ervaring. Maar ze verheugt er zich niet over, nu ook eens met mist-op-zee kenms te maken. Nog niet zoo lang geleden heeft ze gewenschtdat de reis nog lang, heel lang duren mocht, - nu vaart de Medusa haar veel te langzaam. Charlotte verlangt naar IJmuiden. Maar hoe groot bij allen het verlangen naar Holland zijn mag - men blijft toch zeeman en vergeet met, dat in het Kanaal bij mist uiterste voorzichtigheid geboden is. De telegraaf op de brug wijst halve kracht aan; de misthoorn roept somber-klagend de vraag in 't rond, of er nog anderen in de buurt zijn. Ja, in dit drukke, smalle vaarwater zijn altijd wel anderen in de buurt. Oppassen! „Boe-oe-oe-oe...! Boe-oel" antwoorden drie, vier echos mt de grauwe, versluierde wereld, waarin de Medusa verloren schijnt. „Hoe vindt men z'n weg nog?" vraagt Charlotte zich af. O men vindt z'n weg wel. Het gaat alleen wat langzamer. Bü het passeeren van kaap Ouessant heeft men door vlaggeseinen de naam van het schip opgegeven; het draadlooze station zal het bericht reeds sinds lang naar Holland hebben doorgeseind; in Amsterdam heeft men bij het tijdstip van passeeren vijftig uur opgeteld (de zeelui zelf tekenen: nog dertien wachten), en de steeds ongeduldig wachtende kooplui hebben de toezegging gekregen, dat de Medusa met haar lading wijn en tabak morgen in de voormiddag verwacht kan worden. Maar nu die mist! Nu zal 't op z n vroegst morgenmiddag worden, misschien wel tegen de nacht. Un de kaptein en de meester, die hun vrouwen in IJmuiden reeds verwachten, zijn geïrriteerd door de gedachte, dat die beide dames uren en uren zullen zitten wachten. Enhn, ze zijn altijd met d'r tweeën en hebben aanspraak aan mekaar... Zal er ook voor Charlotte iemand aan de boot zijn? Ze hoopt het innig. Het treft, dat het morgen Zondag is, - allen zijn vrij, en wie weet...! Het zou zoo leuk ziin. En anders zóu het nog kunnen schijnen, of in Holland haar memand verwacht. Ta, maar hoe kunnen ze daar weten wanneer het schip arriveert? Aan boord zelf kan men het immers nog niet zeggen, of 't morgen vóór de nacht zal zijn. Het komt Charlotte wel voor, dat de mist minder dik is dan 'n uur geleden. Het zijn zoo van die vlagen, - nu komt er weer wat zicht om het schip; over 'n minuut zit het misschien weer midden in zoo'n bank. Maar neen, - de mist klaart werkelijk wat op. En de volgende middag, omstreeks drie uur, ligt de Medusa (vroeger dan iemand aan boord het heeft durven voorspellen) m het open water voor IJmuiden op de loods te wachten die men met dringende, regelmatig aanhoudende stoomsignalen naderbijroept. De mist is hier onder de Hollandsche kust weer dichter, - de loods heeft 't bij het zoeken niet gemakkelijk. Ongeduldig ziet men op de Medusa naar hem uit. Als hi, nou ook maar 's éven z'n fluitje ket hooren - dat je tenminste wist, of ie opschoot! Het eenige antwoord op de wegwijzende stooten is de melanchohsche roep van de IJmuider brulboei. Boe...! Boe... I „D'r wil daar 'n koei gemolleke worre," vangt Charlotte van het voordek op. De loods! Hij krijgt geen hard woord te hooren over z'n lange uitbkjven. Innemend vriendekjk wordt hij ontvangen „öhj, je te zien, loods! Breng ons maar gauw thuis!" „Breng julke dan eerst geen mist mee!" kaatst de loods terug de trap naar de brug opwippend. Ring-rinkeldeking! gaat de telegraafkandle. Op 't voorschip wordt de diepte gepeild. Achttien vaam - achttien vaam, zeventien vaam zeventien vaam... Zoo vindt men na 'n klein uur de haven-ingang. Holland. Reeds de stem, de brommerige stem van de door en door verkouden loods was alweer zoo Hollandsen. Geheele afwezigheid van de gewichtigdoenerij der vreemde loodsen. Daarbii is dit de eerste eenigszins riskante invaartde^ loods moet de weg haast op z'n gevoel kennen n Paar HoUandsche tjalken. De kade. 'n Rij kraakzindeÜjkehmsjes mt roode baksteen. Jongens op klompen. Hol- Daar, bij de sluizen, staan wacktenden. Ambtenaren van de douane en poktie, de dokter. AUes oneindig veel eemoedekjker dan ergens anders. Geen coukssen. Nog iets verder: tante en oom! Nel, Kootje, Annetje. Mies ontbreekt. De anderen wuiven, wuiven. Oom met z'n hoed, hoewel hij daar z'n zakdoek voor heeft. Hoe kef, hoe het van hen om haar hier te wachten. Ze wuiven en roepen Hallo! Ja! Hier Charlotte! Goeie reis gehad? Ja! Bij jullie ook aües goed? Ja, alles best! Waar is Mies? Dat zullen we je wel vertellen 1 Er staan nog twee dames, die zich al bij het clubje hebben aangesloten, maar zich nu bij het verwelkomen wat afzijdig houden. Ze wuiven niet, staan hier ook niet voor het eerst op de aankomst van de Medusa te wachten; ze zien hun mannen aan dek en zijn gerust. Straks, bij het alleen-zijn, dan. „Kwatta! Fijne reepe Bensdorp van vijf en tien cent!" roept 'n jongetje, dat met 'n mand chocola komt aangesneld. „Kwatta, meneer?" vraagt hij aan de eerste stuurman, die voor op de bak staat en bij het binnenvaren in de sluis van: „Zachies anl" en „Ja, toe maar weer!" schreeuwt. Nu hgt de Medusa in de sluizen gemeerd. De havendokter stapt het eerst aan boord. De douane en politie. En reeds omhelzen tante en de vriendinnen de heelhuids teruggekeerde Charlotte. Oom steekt haar z'n hand toe, maar krijgt ditmaal ook 'n zoen. „Kind, kind, wat ben je opgeknapt! Wat 'n kleur heb je gekregen!" Wat heeft tante om haar in angst gezeten! Wat Charlotte wel dacht toen ze ze allemaal aan de kade zag staan? Sinds vanmorgen negen uur wachten ze hier al! Nel had naar Amsterdam getelefoneerd en gehoord, dat de boot vanmorgen zou binnenloopen. Maar ze hoorden 't hier al wel, met die mist...! Zès uur gewacht. Om twaalf uur maar brood met eieren gegeten; ze hebben in zoo'n herbergje om 'n groote ijzeren kachel gezeten en gewacht, gewacht... - Wat hef van jullie! Waar is Mes? Is die intusschen soms verloofd? - Kind, hoe raad je dat! Ja, Charlotte heeft het ontbreken van Mies goed uitgelegd. Ze hadden nog gevraagd of Mies meeging, maar Zondag is juist de eenige dag, dat haar jongen vrij heeft en ze moeten nog verlovingsbezoeken beantwoorden. Vanavond hoopte Mies nog even aan te komen loopen. Mèt hem natuurhjk. Mies is de club ontrouw geworden. Was 't Nel maar, denkt Charlotte, terwijl ze vraagt: „En wie is de gelukkige?" 'n Onderwijzer van de Bizondere School. In 't voorjaar gaan ze trouwen. Maar nu moet Charlotte vertellen l Goed, maar waar moet ik beginnen? Nou, bij 't begin. Eerst maar naar beneden gaan. Naar de kajuit: de kaptein en de ambtenaren van de douane en poktie verlaten ze juist. De dokter is alweer van boord. „Hoe is 't met de Kwikstaart?" vraagt Ckarlotte, terwijl zij als gastvrouw de anderen voorgaat naar de kajuit. „Kind, kij smacht alweer naar jel D'r is maar één behoorlijke kracht aan de school, en dat ben jij! Mies is bhj, dat ze bij 'm weggaat, zegt ze!" Was 't Nel maar, denkt Charlotte. Nel is de oudste van hen en ziet er het meest uit, of ze nooit in de gelegenheid zal zijn, de club ontrouw te worden. Was 't Nel maar, - die haar, Charlotte, de postzegels gestuurd heeft. Nu zitten allen in de kajuit om de tafel met het roodsaaien kleed. De aandackt is voor Charlotte, die niet alleen in haar gezicht veranderd is. Ze heeft over de vriendinnen nog meer dan vroeger overwicht gekregen. Allen zijn opgewonden, - zij schijnt kalm. Tante en de vriendinnen kijken haar onderzoekend aan. Charlotte verbergt iets voor hen. Oom vraagt Charlotte te raden wat hij sinds haar vertrek de heele tijd gedaan heeft. - Geschilderd heeft hij. De meester komt met z'n vrouw in de kajuit afdalen. Hij wilde haar graag eens aan de juffrouw voorsteken. En natuurlijk ook graag aan de familie van de juffrouw. Tegehjk verschijnt ook de kaptein met z'n vrouw. Algemeene kennismaking. Aan de wal heeft men zich ook reeds aan elkaar voorgesteld, maar de meester kent de dames nog niet. Hij heet Bakhuis. Oom heet Jansen. Jansen uit den Haag. Charlotte is vanaf het eerste oogenbhk vertrouwekjk met die beide zeemansvrouwen, wie de vreugde over het weerzien en de eerste gewisselde kus de oogen uitstraalt. O, Charlotte weet zooveel van hun mannen I Van de kaptein z'n marine-tijd („mevrouw, wat hebt u voor 'n aardige Sinterklaas gezorgd!") en van ket planetarium, dat de meester nog eens bouwen wil! - De meester kijkt met onverkolen trots en genoegdoening z'n vrouw aan. Heeft hij haar te véél goeds over dat meisje geschreven? Gelokt door de lachende meisjesstemmen, die uit de kajuit opschallen, verschijnt Dessauvagie ten tooneele. Hij wil graag eens met de oom en tante van juffrouw Clarenbeek kennis maken. Als de autoriteiten weer van boord zijn en het wachten nog slechts is op het oogenbhk, dat de Medusa aan de andere zijde de sluis uit en het Noordzee-kanaal in kan, komt ook Beermans zich voorstellen. Hij is 'n knappe jongen. Zou er tusschen Charlotte en hem misschien... ? Neen, - ze levert hem, met meneer Dessauvagie, onbeperkt aan haar vriendinnen uit. Tante bhjft op haar hoede. Oom presenteert sigaren met bandjes en vertelt onderwijl, dat hij in z'n jonge jaren ook nog wel eens wat voor 't varen heeft gevoeld, - dat is te zeggen: voor de marine, 'n Paar jongelui van z'n kennis gingen bij de marine. Maar z'n ouweheer was er tegen geweest. Die had 'n goedloopende zaak. Hij had gelijk. Als je 'n goedloopende zaak meekrijgt... nietwaar? daar kruip je in. Het is 'n horlogerie geweest, waar oom ingekropen is, en hij heeft hem drie jaar geleden behoorhjk, laten we zeggen vrij goed verkocht. Aan iemand uit Dordrecht, die zelf niet in 't vak bekend was, maar er 'n handig mannetje in wou zetten en Kootje flirt met de derde machinist; Annetje lacht opgewonden mee, maar Dessauvagie wijdt zijn galante aandacht uitsluitend aan Kootje. Charlotte werpt er even 'n bhk op, maar als ze zich dan door tante en Nel zelf gecontroleerd voelt, let ze niet meer op die hoek van de tafel, komt met haar inktpot aan, die ze van Sinterklaas gekregen heeft: de Akropolis van Athene. Kind, kind, wat heeft Sinterklaas je verwend I Tante en Nel trachten uit te visschen wie de Sinterklaas van de inktpot wel geweest is. Er behoort weinig menschenkennis toe, om aan het stralende gezicht van de kaptein de gever te raden. Tante ziet er onbevredigd uit. Charlotte lacht, maar er steekt iets achter die lach. In haar oogen hgt iets geheimzinnigs. Als ze zich tot Nel wendt, klinkt er door haar vrooUjke stem 'n vage deernis; haar woorden zijn dan van groote warmte vervuld, - alsof ze Nel bijvoorbaat voor iets troosten wil. Nel voelt het wel, wordt verlegen zonder zelf te weten waarom en ziet nu en dan peinzend voor zich heen, terwijl oom de kaptein, de meester en Beermans (die zich tot Annetjes teleurstelling ook al niet met haar afgeeft) bezig houdt met bizonderheden betreffende het verkoopen van 'n goedloopende horlogerie. Na 'n tijdje schijnt Nel het besluit te hebben genomen, met de anderen méé vroohjk te zijn. „En heb je onze brief" ontvangen met de postzegels?" vraagt ze Charlotte. „Wie is dat mer aan boord, die postzegels verzamelt?" Op het woord postzegels kijken de kaptein, de meester en Beermans, afgrijselijk verveeld door oom's verhaal, verrast op. Postzegels 1 Wat 'n prachtige afleiding ditmaal! Ook tante en Annetje worden een en al aandacht; slechts Dessauvagie en Kootje luisteren niet, - ze hebben het te druk over kunstnijverheid en het valsche begrip, dat de menschen daar in het algemeen nog van hebben. Hoe zelden zie je 'n kamer, waarin de meubelen werkehjk bewust gekozen en gegroepeerd zijn en waarin ook de kleinste voorwerpen zich aan die stijl aanpassen? Je rilt er soms van wat de menschen in één kamer durven onderbrengen. Ja, Dessauvagie heeft daar nooit zoo'n èrg in gehad, niet bewust althans, maar nu de juffrouw dat zoo zegt: onbewust heeft ook hij wel gerild... De brief met de postzegels? Die heeft Charlotte in Athene ontvangen. („Griekenland", - zegt oom zacht tegen tante, maar toch luid genoeg om haar tegenover allen te blameeren.) Ja, in Athene. En postzegels verzamelt hier de eerste stuurman. .. Is hij hier niet? O neen, de eerste stuurman is er nog niet bij gekomen. Da's jammer, anders zou Charlotte hem vragen, z'n postzegelalbum eens te halen. Zóó'n boek... nietwaar, kaptein?... het hjkt wel 'n middeleeuwsche bijbelI Maar misschien hebben jullie al eens 'n verzameling van 'n philatelist-van-confessie gezien? Neen, tóch niet (zwijgend hoofdschudden van Nel, tante en Annetje). Zoo'n boek hebben ze nog nooit gezien. Nou, dan zal Charlotte voor de aardigheid even aan de eerste stuurman gaan vragen, of hij, mèt z'n boek, op 't matje wil verschijnen 1 Gelach. Beermans biedt aan, meneer Strijbos voor haar te gaan halen. De kaptein wil de hofmeester ook wel even sturen. Neen, neen, dan komt hij er vast niet mee; alleen Charlotte zelf gelooft de stuurman te kunnen overreden, z'n postzegel-album hier te brengen. Ze springt vlug van haar stoel op, verdwijnt lachend langs de trap naar het dek. Tante zucht op. Nu heeft ze zekerheid. Nel staart op haar magere handen, die voor haar op tafel liggen en aan de punten van 'n battisten zakdoekje trekken. Charlotte is boven. Nu is het opeens gedaan met haar kalmte en zekerheid. Ze buigt zich over de verschansing, alsof ze zien wil hoe dicht de Medusa aan de kade ligt, en of het water in de sluis al stijgt (dit laatste kan daarom al niet, omdat de sluis nog open is en op 'n boot wacht, die binnen wordt geloodst en dan meteen geschut kan worden). Zoolang Charlotte zoo rilt en klappertandt, kan zij niet naar Strijbos toe gaan. M'n God, hoe lang staat ze hier al? Tien seconden of tien minuten, of nog langer? Beneden zullen ze al denken... Ze hakt de knoop door; ze beseft absoluut niet wat ze doet, heeft het gevoel in de blinde te gaan. Ze beweegt zich regelrecht naar de hut van de eerste stuurman, weet, dat ze hem daar vinden zal, al is dat niet afgesproken. Ze klopt aan. De deur wordt open getrokken. Zij gaat naar binnen, sluit zelfde deur achter zich. Voor haar staat Strijbos. Vreemd, angstig ziet hij haar aan; zijn mond staat strak van nervositeit. Hij heeft z'n Zondagsche uniform aangetrokken; z'n haar Hgt precies in de scheiding. Hij begroet haar met geen woord, wacht slechts brandend op het hare. Zij wil hem vragen, of hij nog steeds op 'n antwoord prijs stelt. Maar haar Hppen brengen er niets uit. Dan vraagt hij haast onhoorbaar: „En?" Charlotte kijkt hem aan. Kan hij niet in haar oogen lezen? Ze komt 'n schrede naderbij. En dan is er opeens 'n macht, die hen aaneensleurt. „Charlotte...!" kreunt de stuurman, haar heftig, onbeholpen in zijn armen sluitend, zijn armen, die hard en sterk en eerhjk als werktuigen zijn. Troetelwoordjes weet hij nog niet te vinden; hij zou ook nog niet jij en jou tegen haar durven zeggen; die groote, sterke man doorhuivert het: 'n jonge vrouw, Charlotte, aan zijn borst te voelen. „Charlotte... Charlotte..." stamelt hij slechts; zijn stem verraadt nog ongeloof. Charlotte, verward, het schreien nabij, ziet naar hem op. Als twee kinderen kijken ze elkaar in de oogen, zelf nog niet beseffend wat hen in eikaars armen gedreven heeft, Charlotte geheel hulpeloos, vreeselijk verlegen voor hem. Ze hoort zelf niet wat ze hem vraagt en belooft; nu ineens heeft ze haar stem teruggevonden en stoot zachte, gejaagde woorden uit. Alles, alles wat in haar macht Hgt, zal ze doen om z'n leven gelukkig te maken; hij zal in Holland 'n werkeHjk tehuis vinden; zij zal zijn vrouw zijn; zijn kinderen zal ze grootbrengen met al haar kracht en Heide. Méér weet ze niet op dit oogenbHk. Is hij daar tevreden mee? Is het zoo goed? De stuurman hoort niet wat ze zegt. Ja, ja, het is aUes goed. Hij kust haar. Op de wangen, op het haar; hij drukt haar hoofd aan zijn borst en streelt het. Charlotte... Charlotte. Hij is geen jongen meer en moet zijn bloed bekampen. Charlotte merkt wat ze in hem wakker roept, ziet hem rood worden; donkerrood wordt zijn gebruinde zeemanskop; verward kijken z'n oogen. Ze maakt zich van hem los; hij durft het haar niet te beletten. „Denk er om," zegt ze haastig. „In de kajuit wachten ze op ons. Hier op het schip... we moeten er apart voor samenkomen om aUes te bespreken. In den Haag, of als dat niet gaat, in Amsterdam. Nu eerst naar buiten!" Zij vlucht de hut uit; hij volgt haar wankelend. „Niet dadehjk naar de kajuit," zegt Charlotte. Gelukkig ziet hen niemand. De wind koelt af. Zij heeft hier buiten dadehjk haar beheersching terug, vindt de kameraadschappelijke toon, die zijn bloed weer bedaart. Luister, m'n jongen. M'n jongen! zegt ze! - Luister. In de kajuit zitten oom en tante. En 'n paar vriendinnen. Ik weet niet, of ze iets ver moeden. Ze moeten je even zien, maar we zeggen niets. Oom en tante. Vriendinnen. Met 'n ruk keert Strijbos tot de werkelijkheid terug. Neen, neen, niets zeggen; hij is als de dood voor... Kom nu maar eerst! Samen dalen ze het trapje naar de kajuit af, Charlotte lachend, de stuurman zich reddend achter waardigheid en stugge ernst. Het postzegelalbum, waarom Charlotte is uitgegaan, hebben ze vergeten. Zij merkt het zelf niet eens, stelt haar stuurman argeloos voor: „Meneer Strijbos...!" Nu weten tante en ahe drie vriendinnen: dat is 'm dus. Tante, die óók waardig en ernsdg zijn kan als 'n ander het is, knikt even in zichzelf: ze is gerust. Wanneer Charlotte het op die jonge, donkere machinist begrepen had gehad, zou tante niet gerust geweest zijn. De vriendinnen, Annetje en Kootje toonen zich ronduit: onthutst. Kan Charlotte, zoo stralend-jeugdig als ze er nu na haar reis uitziet, Charlotte, die zoo goed gekleed gaat en zooiets fijns over zich heeft, niets beters krijgen dan 'n knorrige man van den jaar ouder dan zij?! Hij zal vast tegen de veertig loopen! Hoe is ze verliefd op hem kunnen worden? Hij heeft dan zeker verborgen charmes, maar 't gezicht wil óók wat. Neen, op deze verovering hoeven ze niet jaloersch te zijn, Annetje niet en Kootje, die met die akergeestigste jonge machinist (ze kan alleen z'n naam met onthouden) al zoo aardig „op weg" is, al heelemaal niet. Ze hadden van Lotte eerder verwacht, dat ze nog eens met 'n artiest zou trouwen, die haar schilderde of beeldhouwde, of haar zachte, fijne wezen in verzen beschreef. En nou neemt ze die stijve, saaie Dood-in-de-potl Charlotte voelt het. En nu komt er strijdlust in haar oogen. O, juffers, jullie kent 'm niet. Als jullie maar eens wisten wat 'n flinke kerel het is! Die breekt den zulke ladykillers als er daar eentje zit en jullie het hoofd op hol brengt, dwars doormidden. Nu, nu weet Charlotte pas goed, dat ze van hem houdt, van haar, haar stuurman. Julke zien niet hoe trouwhartig en goedig hij is I Julke weten niet koe warm z'n bloed daareven opbruiste! Ze werpt de stuurman 'n blik van vrookjke verstandhouding toe, 'n bkk, die 'n oproep is om z'n beste beentje voor te zetten. Bkndekngs volgt hij. Hij voelt hoe zij hem zien wil: vrijmoedig, opgewekt, met rustig overwicht. Hij kan nog wel méér. Heeft hij geen zege behaald? Is dit niet de heerkjkste dag van zijn leven? ZuUen zij niet allen jaloersch op hem zijn, jaloersch op de bkk, die zij kern daareven toewierp en die hem in vuur en vlam zet? Zijn oogen kijken nu ondeugend en ondernemend rond, trotseeren het ietwat bevreemde kijken van de kaptein, de meester en Beermans (Dessauvagie is in gesprek met dat dunne meisje), trotseeren en dagen uit. „Strijbos," zegt de kaptein en kijkt hem op zijn beurt onderzoekend aan, „nou is de juffrouw apart naar je toe gegaan om je te vragen, je postzegelalbum te laten kijken, en nu heb je het nóg niet willen meebrengen. Da's nou toch niet aardig van je!" Strijbos wil wel begrijpen wat de kaptein bedoelt, maar het lukt hem niet dadelijk. Hij antwoordt voorloopig met 'n mysterieus lachje en verwacht intusschen redding van Charlotte's zijde. „Ja, kaptein, de stuurman is onverbeterkjk!" zegt ze. „Hij wou wel in de kajuit komen, maar niet met z'n album! Dat verdient zooveel belangstelling niet, beweert hij!" En lachend ziet ze haar stuurman aan. Deze krijgt 'n inval, knipoogt tegen Charlotte. (Niemand heeft hem ooit zien knipoogen, maar daar maalt hij nu niet om). Hij zal z'n postzegels dan toch maar even halen, belooft hij, staat op en gaat heen. Postzegels? Oom is bkj, dat hij in de gelegenheid is, eens 'n mooie verzameling te zien. Hij heeft vroeger ook aan postzegels gedaan, maar tegenwoordig sckildert hij. Strijbos keert terug zonder postzegelalbum. Maar het komt nu dadekjk, excuseert hij zich. Smits zal het brengen. Dat gelooft geen mensch, die hem kent. Strijb os zou de hofmeester z'n postzegelalbum toevertrouwen ? Diens vingers aüeen reeds aan het album dulden? Nooit. Er steekt iets anders achter. Strijbos tracht van zijn kant de gedachte, dat er iets anders achter zit, niet weg te werken. De hofmeester komt het trapje afgedribbeld met 'n nieuw kistje sigaren. „Is dat 'n kistje van vijftig?" vraagt Strijbos met nadruk. „Schrijf 't maar voor me op." En hij zet het nieuwe, nog ongeopende kistje voor zich op tafel neer, ziet de kaptein glunder aan. „Dat is toch nog beter dan postzegels, nietwaar?" vraagt hij, vol dubbelzinnigkeid. En zonder zich van de verbouwereerdheid van de kaptein en de anderen iets aan te trekken, zet hij zijn nagels, z'n korte, sterke nagels, onder het deksel van het kistje, dat reeds opengaat vóór oom, hulpvaardig, z n pennemes ervoor heeft kunnen aanbieden. Nu pas vindt oom ket in z'n zak, knipt het open om te toonen, dat hij 'n pennemes bezit. „Opsteken, meneer?" vraagt de stuurman. „Opsteken, kaptein? Meester? Beermans?" Eddie rookt akeen sigaretten, - hem hoeft hij niet te presenteeren. Hii neemt nu zelf ook 'n sigaar uit het kistje, bijt er het puntje af. Zoo doen de anderen. De kaptein, de meester, Beermans en Dessauvagie ziin nu deelgenoot geworden van het geheim, — en ze moeten het 'n oogenblik verwerken. Het is al te zot om het zoo dadelijk te kunnen gelooven. Zeker, over de beteekenis van dit kistje van vijftig, nog onderstreept door Strijbos' vraag aan de hofmeester, óf het wel 'n kistje van vijftig was, valt niet te redetwisten. En er zijn nog andere symptomen, die er op wijzen, dat... Stom van verbazing zijn ze. De stuurman schijnt het niet te merken. Hij biedt oom 'n vlammetje aan (de anderen geven elkaar vuur) en merkt op geheimzinnige toon op, dat postzegels verzamelen nu eigenlijk echt iets voor 'n zeeman is. Ja, dat begrijpt oom wel. 'n Zeeman komt in veel vreemde landen en is daardoor in de gelegenheid... Strijbos bedoelt eigenlijk nog iets anders. Er bestaat verwantschap tusschen 'n postzegel en 'n zeeman. Ja. Beiden zijn bestemd te reizen. Of ze graag willen of niet. Ah zeker, maar oom zou nog iets anders durven beweren. Postzegels zijn kapitaalbelegging. In andere liefhebberijen steek je geld, maar je haalt het er nooit weer uit. Daar heb je bijvoorbeeld schilderen. Wie haalt daar z'n geld weer vut? Maar bij postzegels verzamelen is dat iets anders. Schommelen de prijzen daarin overigens nog al? Hij heeft er nooit zijn speciale aandacht aan gegeven Oom is thans de eenige, die nog niets vermoedt van wat er hier in de kajuit voor nieuws is. Zelfs de beide zeemansvrouwen, die toch van niets kunnen weten, ruiken lont. En daar de hofmeester daareven Gerrit gesproken heeft, terwijl hij voor Strijbos het kistje van vijftig ging halen, weten ze er ook op de bak en in 't logies reeds alles van. Het is tante aangenaam, uit de mond van haar man te hooren, dat postzegels verzamelen geen nuttelooze liefhebberij - zooals schilderen - maar 'n kapitaalbelegging is. Ze zendt Charlotte eens 'n goedkeurende bhk toe van: 'n ernstig en betrouwbaar man! O, hoe dankbaar is Charlotte voor die eerste bhk. In hetzelfde oogenbhk legt Nel haar hand op die van Charlotte. Charlotte moet niet denken, dat Nel jaloersch op haar is: ze gunt haar haar geluk, 'n Flinke man heeft Charlotte zich gekozen. Hij is ook heel aardig en grappig, zonder dat je het dadehjk aan hem ziet. Charlotte moet maar heel gelukkig met hem worden. Lieve, heve Nel. O ja, Charlotte is gelukkig. Nu, nu pas gaat ze 't voelen, hoe gelukkig zij is. Beermans kan zich 't moeilijkst met het nieuws vereenigen. Hij draait onrustig op z'n stoel, bijt op z'n sigaar, is zichtbaar nerveus. Ook de meester houdt zich stil. Hij zou Strijbos eerst nog wel eens willen vragen, of hij wel beseft wat voor vrouw Charlotte is! Hoe groot en onverdiend zijn geluk is, indien zij werkehjk met hem zou willen trouwen, - wat de meester intusschen nog niet gelooven kan. Dessauvagie heeft schik. Hij noemt Kootje nu ook al juffrouw Kootje. Hij komt dezer dagen misschien nog wel even in den Haag en wil dan graag eens zien wat voor moois ze daar allemaal heeft. - Leest hij veel? - O, ja zeker! (Charlotte heeft hem nog nooit zien lezen) - Goed, dan wil Kootje voor de aardigheid eens 'n boekenlegger voor hem schilderen. - Dat is beloofd, juffrouw Kootje! De kaptein heeft zich thans in het verrassende nieuws ingeleefd, kan er niet bedroefd om zijn; het wekt ronduit z'n vroohjkheid op. Hij waagt zich reeds aan bedekte toespelingen, fluistert z'n vrouw wat in 't oor, laat z'n Malvasier aanrukken. Hij wil er op klinken, dat Charlotte niet voor het laatst op de Medusa is geweest. Wie weet, misschien vaart zij nog eens 'n keertje mee van IJmuiden tot Amsterdam, zooals bijvoorbeeld zijn vrouw en die van de meester vaak doen! „Ja, daar kunt u op rekenen, kaptein!" belooft Charlotte lachend. Oom begrijpt niet wat er aan de hand kan wezen. De lui zeggen geheimzinnige dingen tegen elkaar. Wordt bij er op een of andere manier tusschen genomen? Z'n das zit recht. Wat kan er wezen? De hofmeester komt met de wijn, schenkt de glaasjes vol. Er wordt geklonken. De kaptein wil er even wat bij zeggen. Hij wil zeggen wat 'n vreemd ding de zee eigenlijk is. De zee scheidt de landen en de volken, maar brengt menseben soms bij elkaar. „Proost!" roept oom en snapt niet wat de kaptein bedoelt. Hijzelf wil ook even drinken op de bemanning van de Medusa, die zijn nicht weer heelhuids thuis heeft gebracht. Indien een van de heeren nog eens in de Haag mocht komen, hoopt hijj dat die dan het huis van oom niet voorbij zal loopen. - Hij heeft gezegd. De eerste stuurman vraagt nu, of hij van deze vrindelijke uitnoodiging misschien het eerst gebruik zal mogen maken. „Natuurlijk... zeker!" stottert oom verward. Tante knikt. De stuurman moet maar komen, zegt zij. „Ja, waarachtig kerel, laat je gauw 's kijkenl" roept oom joviaal uit. Goed, hij zou dan graag morgen willen komen. Jazeker... waarom niet? Morgen! En dan kan de stuurman misschien nog overbkjven om het Kerstfeest te vieren? vraagt Charlotte. Tante herinnert eraan, dat hij zich daar niets bizonders van moet voorsteken. Geen diner, hoor! 'n Gewoon gezellig onderonsje, anders niets. Neen, dat begrijpt de stuurman wel. Hij stelt er zich niets bizonders van voor. Maar hij zal héél graag bkjven. Hij is vrijgezel. En Algemeene hilariteit doet hem stokken. „Dat zal wel niet meer zoo lang duren," zegt de kaptein nu ronduit. „Hier, vrijgezel, laat je nog 's inschenken!" Wacht eens nu begint oom iets te vermoeden. Ah 1 Hij ziet er tante eens heimekjk op aan, maar zij veracht hem te zeer om hem met 'n bkk imichtingen te willen verstrekken. Nu, onverwachts, komt in de kajuit ket bericht, dat de sluizen dadekjk weer open zuken gaan. AUes springt op voor het laatste stukje van de reis: het Noordzee-kanaal. Voor de kaptein komt 'n berg post uit Amsterdam. „Minnebrieven. .." zucht hij, als hij de groote dienst-enveloppen ziet. Die heeft hij in 't kanaal te verwerken; kij moet ook nog de gages aan het volk uitbetalen. Gelukkig zal het kantoor straks reeds gesloten zijn. Hij kan dus dadekjk mee naar huis, naar z'n jongens gaan. Trouwens, de oudste twee stroppen wachten natuurkjk al op de kaai in Amsterdam... 'n Paar uur later. De Medusa kgt aan de Amsterdamsche kaai gemeerd. Op het dek, bij de loopplank, staat Charlotte's koffer. Gerrit is er op uitgegaan om twee taxi's te roepen. Nu ze toeterend naderen, moet Charlotte afscheid nemen. Ze kan haar tranen niet inhouden. Ze heeft de kaptein reeds haastig de hand gedrukt; hij zat onder drukten begraven en riep haar vroolijk tot weerziens toe. „Wacht nog even!" zei hij, kwam snel op haar af, terwijl ze reeds in de deur van de kajuit stond, drukte haar de hand en zei: „U krijgt 'n béste aan hem." De meester kan dat niet zoo zeggen en zwijgt hever. Wat hij te zeggen heeft, zal hij Strijbos nog wel vertellen, en duidelijk ook. Hij wenscht haar het allerbeste en tot ziens en dat het haar verder goed mag gaan. Maar zijn vrouw knikt haar hef toe. „Jij wordt nu ook zeemansvrouw," zegt haar bhk. „Je zult er geen spijt van hebben, en als je 't in het begin eens wat moeilijk vindt, kom je maar bij mij." Dessauvagie komt haastig groeten. Ook Kootje wil hij nog even... Tot ziens dus, juffrouw Kootje! - Ja, vast...! Beermans heeft z'n koffertje gepakt om vlug naar z'n meisje te gaan; hij zal in de taxi's meerijden; zoo is 't al afgesproken. Hij is nog niet over z'n schok van daareven heen, staat verward, afwezig bij de meisjes, die met begrijpen, waarom zoo'n knappe, aardige jongen zoo weinig z'n mond open doet en zoo melancholiek moet kijken. De hofmeester heeft daareven van Charlotte z'n fooi gehad. Hij begrijpt niet hoe 'n meisje, dat%pogoed'weet hoe 'thoort, met zulke krenterige familie verwant kan zijn. Gerrit zal ook wel goed door haar bedacht worden. Misschien krijgt die snotaap veel te veel naar wat ie verdient. Strijbos schuift de hofmeester op zij, - hij wil zelf even Charlotte's koffer naar de taxi's dragen. Allen zitten in de auto's. In de achterste tante en oom, Charlotte en Nel. De taxi-chauffeur wacht sceptisch tot aan het afscheidnemen 'n eind zal komen en hij de voet op 't gaspedaal kan drukken. Strijbos lijdt er onder, dat Charlotte nu reeds weer van hem afgescheurd wordt. Hij kan vanavond onmogelijk meer weg, anders zou hij dadehjk meegaan. „Tot morgen!" troost Charlotte. Hij kijkt weemoedig het venstertje binnen. Hij weet nog niet hoe hij zich houden moet tegenover die familie van Charlotte. Moet hij daar z'n aanzoek nog voordragen? Ze wéten natuurlijk alles al, maar hij kon daarstraks in de kajuit en daarna onder het varen, terwijl hij aan dek moest wezen, toch moeilijk z'n hedje afdraaien? „Nou, tot morgen dan, Charlotte..." zegt hij en steekt aarzelend z'n groote hand door het coupé-venster. Maar dan maakt Charlotte 'n eind aan de komedie. Dan blameert ze hem tegenover de hofmeester en wie er verder maar staat toe te kijken. Ze springt op, slaat haar armen om zijn hals (vlak voor oom langs, die zich tegen de rugleuning van zijn plaats drukt om haar vrije doortocht te laten) en kust hem innig en uitgelaten op allebei z'n wangen. „Dag, m'n 1 i e v e 1 i n g," zegt ze, 'n opstijgende snik in haar keel. En op dit steekwoord meent de chauffeur het pedaal wel te kunnen neerdrukken. In gas en benzine-dampen bhjft de stuurman, diep-ontroerd, staan. En binnen in de auto valt Charlotte schreiend haar tante om de hals.