72 I > % "j,Lv;y.^ -p-T mBü Mfe* i [•■ ' ^'"'ê ■ yss B 17, f wk] jï® .. ,: ;-l ;■ -!£ - ■ l&isË^r~^ e LESSEN OVER DE LAGERE ALGEBRA. LESSEN OVER DE LAGERE ALGEBRA, VOORNAMELIJK TEN DIENSTE VAN IIEN, DIE ZICH, OOK DOOR ZELFONDERRICHT, VOOR DE ACTE WISKUNDE LAGER- EN MIDDELBAAR ONDERWIJS, HET „STAATSEXAMEN" (EINDEXAMEN GYMNASIUM) EN ANDERE EXAMENS VOORBEREIDEN, DOOR J. J. VAN LAAK, PRIVAATDOCENT AAK DE AMSTERDAMSCHE UNIVERSITEIT. TWEEDE DEEL. (Met 24 figuren in den tekst) AMSTERDAM. — S. L. VAN LOOY. 1904. VOORWOORD. Ook dit tweede Deel zij een even gunstig onthaal toegewenscht als het eerste. De schriftelijke bewijzen van instemming en waardeering, die ik van zoo vele Onderwijzers, Leeraren en Hoofden van verschillende Inrichtingen van onderwijs mocht ontvangen, en waarvoor ik hun hier openlijk dank betuig, zijn mij een bewijs, dat ik bij de behandeling der Leerstof niet heb misgetast. Men heeft de opmerking gemaakt, dat het wenschelijk is in een «■edurig product de volgorde der achtereenvolgende Vermenigvuldio-insren van rechts naar links te nemen, in overeenstemming met o ö het spraakgebruik, dat aan het X teeken de beteekenis van keer toekent. Dit is juist in de Rekenkunde, en ook in de Algebra waar het coëfficiënten geldt (zie Deel I, blz. 25). Maar in alle andere gevallen heeft het X teeken geen andere beteekenis dan vermenigvuldigd met, evenals het + teeken de beteekenis heeft vermeerderd met. Zoo beteekent 3ab niet anders dan 3-keer ah. Maar alt beteekent a vermenigvuldigd met Ij. Dit niet te onderscheiden, is de oorzaak van veel verwarring op dit gebied geworden. Uitgever en drukker mijn dank voor de duidelijke en royale typografische uitvoering. Voor gegronde op- en aanmerkingen van bevoegden houd ik mij altijd aanbevolen. Hilvkbsum, 26 Sept. 1004. EERSTE LES. REEKSEN. 1. Bepalingen, enz. Elke rij van getallen, positieve of negatieve, geheele of gebroken, meetbare of onmeetbare, die op de een of andere wijze van elkaar afhangen, kan men een reeks noemen. Zoo zijn bv. de volgende getallenrijen alle voorbeelden van reeksen- 2, 5, 8, 11, "14, enz. 12, 7, 2, —3, —8, enz. 3, 6, 12, 24, 48, enz. i. Vï> V*. 'A. Via, enz. 1, Vj, Va, V24, V120, enz. Hij de eerste getallenlij verkrijgt men elk volgend getal, door hij liet voorgaande 3 optetellen ; bij de tweede, door liet voorgaande met 5 te verminderen. Bij de derde rij is het quotiënt van elke twee opeenvolgende getallen = 2 ; bij de vierde rij is dit quotiënt = V2. Eindelijk bestaat bij de vijfde getallenrij de regelmatigheid, dat de noemer van het tweede getal =1x2, die van liet derde getal = 1 X 2 X 3, die van het vierde =1x2x3x4 is ; enz. De afzonderlijke getallen heeten de termen der reeks. Worden deze grooter en grooter, dan noemt men de reeks opklimmend ; in het tegenovergestelde geval afdalend. In de bovenstaande vijf voorbeelden is dus alleen de eerste en derde reeks opklimmend. 1 De reeksen worden in verschillende soorten onderscheiden : rekenkundige reeksen, meetkundige reeksen, harmonische reeksen, enz. Wij zullen al die reeksen in het volgende kortelijk behandelen. 2. Rekenkundige reeksen. Zijn de verschillen van twee opeenvolgende termen steeds hetzelfde, dan spreekt men van een rekenkundige reeks. De beide eerste der bovenstaande voorbeelden zijn derhalve rekenkundige reeksen ; de eerste is opklimmend, terwijl het „verschil" = 3 is; de tweede afdalend met het verschil — 5. Wij zien dus dadelijk, dat rekenkundige reeksen met een positief verschil opklimmend zijn ; die met een negatief verschil afdalend. Verder is het duidelijk (waarom ?) dat elke drie opeenvolgende termen een gedurige rekenkundige evenredigheid vormen (zie Deel 1, bl. '229). Derhalve is ook elke term rekenkundig-middelevenredig tot den onmiddelijk voorafgaanden en volgenden term. De eerste term van een reeks noemt men gewoonlijk a, het verschil v. Wij kunnen nu gemakkelijk een formule afleiden voor den ne" term der reeks, dien we T„ zullen noemen. Is nl. de eerste term = a, dan is de tweede = a -f- v, de derde = a -(- 2v, de vierde = a -1- 'Sv, enz. De 10e term zal derhalve = a -f- 9v zijn, en in het algemeen de ri* term = a (n — 1) v. Wij hebben dus : 7'„ = a -f (u — 1) r. Zoo zal van de reeks 2, 5, 8, enz. de 40u term (Tw) = = 2-J-39X3 = 119 zijn, terwijl de 100J term (77ll)0) = = 2 + 99X3 = 299 is. Van de reeks 12, 7, 2, enz. zal de 10« term (7'10) = 12 + 9 X ( -5) of = 12 — 9 X 5 = — 33 zijn. Om een formule te vinden voor de som van n termen, aangeduid door Sn, moeten wij eerst een eigenschap bewijzen. Noemen wij den //' n term ( T,) voor het gemak de laatste term of /. Dan is gemakkelijk aan te toonen, dat de som van elke twee termen, die resp. evenver van den eersten en laatsten term verwijderd zijn, steeds = a -f- / is. Want de pc term, van voren af gerekend, zal = a + {/>—1) v zijn. Maar evenzoo zal de term, van achteren af gerekend, — I— (p—1) v zijn. Tezamen dus — a -\- l. Zoo is van de reeks 3, 7, 11, 15, 19, "23 blijkbaar 3 -f 23 = 7 + 19 = 11 + 15. Is liet beschouwde aantal termen oneven, dan is er een middelate term M, en voor deze geldt: M = '/, (q + l). Immers men heelt 1YI = u -f- mv, maar ook M = / — mv, wanneer de middelste term m termen van a en l verwijderd is. Tezamen derhalve 2 M=a-\-l, AT= Va (« + l). Do middelste term is dus ook rekenkundig-middelevenredig tot a en /. Thans kunnen wij de som van n termen bepalen. Is n even, dan kan men de reeks verdeelen in J/2 n groepen van telkens twee termen, waarvan de som = al is. Wij vinden dus SH = Va n (" + 0- ^ echter n oneven, dan kan men eerst den middelsten term weglaten. De som der overige termen, waarvan het aantal nu n—1 is, zal dan blijkbaar i ', —l) (a -f- /) zijn. Maar de middelste term is = '/z (" + 0> zoodat de geheele som zal bedragen: V2 («-1) (« + 0 + Vf (" + 0 = V.»(« + 0. Wij hebben derhalve in elk geval, zoowel bij even als bij oneven n: S„ = V-2 " (" + 0- Van de reeks 2, 5, 8, 11, 14, 17, 20, 23, 26, 29, die uit 10 termen bestaat, zal alzoo de som dezer 10 termen (£l0) = 5 (2 -f 29) = 155 zijn. Van de reeks 12,7,2, — 3, — 8, 13> —18 is de som van 7 termen (>SV) — 7/a (12—18)=—21. (Controleer die beide uitkomsten nu eens door directe optelling der termen). Wij gaan nu nog een stap verder. Daar / ot' 7bepaald is door de formule / — a(n—1) v, zoo kunnen wij ook schrijven ; 1* S» = Va » (2 — 1) termen, samen '/a (" — 1) termen. De eerste term der beschouwde groep van n termen is derhalve de {'/2 /?, (n — 1) —{- 1term der reeks, en is dus — ! '/2 n(n — 1) X 2 = 1 -f- n(n — l). Voor de som der n termen vindt men dus n [1 + n (»-l)] + + V2 n (ra — 1) X 2 = n [1 -f- 11 (n —1) -f- (ra — 1)] = »3(w. t. b. w.). 1;>. Tusschen elke twee opeenvolgende termen van de reeks 4, 11, 18, 25,. .. 67 interpoleert men 3 termen. Welke is de „som" der nieuwe reeks? (Gebruik de formule S„ = Va " (" + 0» 0,1 bepaal dus liet aantal termen der laatste reeks). 16. Men lieeft een rekenkundige reeks, waarvan de som = 100 is. Na interpolatie van 5 termen tusschen elke twee termen van die reeks wordt de som = 550. Uit hoeveel termen bestond die reeks? 17. Hoeveel termen moet men wel interpoleeren tusschen die van de reeks 25, 19, 13,. .. — 89, opdat de som de nieuwe reeks = — 1856 worde? 18. Hoe groot is de som van een oneindig voort loopende opklimmende rekenkundige reeks, en van een id. afdalende? 4. Harmonische reeksen. Wanneer men de termen van een rekenkundige reeks alle op een zelfde getal deelt, dan verkrijgt, men een harmonische reeks. Zoo geeft bv. de rekenkundige reeks 1, 2, 3, 4, enz. de harmonische 1, , 1 /:t, l/4, enz. Uit het in Deel I (bl. 229—230) behandelde volgt 011iniddelijk, dat van een harmonische reeks elke drie opeencoh/ende termen een■ gedurige /utriiwuisc/it' evenredigheid zullen vormen, terwijl elke term hfirmon'isch-muldelevenredig zal wezen tot den onmiddelijk voorafgaande» en volgenden term. De behandeling dezer reeksen is van uiterst weinig belang, en daarom vermelden wij alleen, dat men gemakkelijk een uitdrukking voor deu „algemeenen" term, d.w.z. voor IH kan vinden, door van de eerste twee termen a en h uit te gaan. Keeren wij deze ïd. om, dan krijgen wij de rekenkundige reeks -, -, etc., welke met de gegeven harmonische reeks a b correspondeert. D.w.z. volgens de bepaling der harmonische reeksen verkrijgt men achtereenvolgens alle termen der harmonische reeks, door die der overeenkomstige rekenkundige reeks omtekeeren. Nu is het „verschil der 1 1 il—b . rekenkundige reeks = — zoodat voor deze ° I, a ah reeks geldt: 1 a—b />-(-(«—l)(a— b) T" — _ _j_ (M _ 1) __ _ — . Door omkeering vindt men dan voor de harmonische: nl> 'ln~ a-\-(n—2)(a—b) Ook het interpoleeren van termen tusschen die van een harmonische reeks is tot het interpoleeren bij een rekenkundige reeks terugtebrengen. 5. Meetkundige reeksen. Is bij een rekenkundige reeks het verschil van twee opeenvolgende termen steeds het zelfde, bij een meetkundige reeks is dit het geval met het quotiënt. Het derde en vierde der voorbeelden van § 1 zijn dus meetkundige reeksen. Ze zijn opklimmend, wanneer het quotiënt, reden genoemd, 1 is, en afdalend, wanneer de reden < 1 is. (wanneer nl. de eerste term positief is). Bij de opklimmende reeks 3, 6, 12, enz. is bv. de reden = 2; bij de afdalende reeks 1, V4, enz. is deze = «/,. Wederom zullen drie willekeurige opeenvolgende termen altijd gedurig-imetkundig-eoenredig zijn, en is elke term meetkundig-middelevenredig tot den voorafgaande» en volgenden term. Is de eerste term weer = a, en noemt men de reden = r, dan is blijkbaar de tweede term — ar, de dej'de term = ar-, de vierde = ar3, enz. De 10e tenn zaj — m.»> 'X-% = ar + «>'" -f «r5 +...+^-arn (>•—1)6',, = ar, i — a. Derhalve is r"—1 St | ~ Ü —. r—1 Men kan deze formule ook vinden door te schrijven: S„ = a (1 + r + r* -f . . . + r»~2 + en op te merken, «hit de vorm tusschen haakjes verkregen wordt, door /■» — 1 door r — 1 te deelen. (Zie Deel 1, blz. 66 en 68). Is de reeks afdalend, dan is r<[ 1, derhalve ook r" < 1, en doet men beter te schrijven : 1—r" •S» = « 1 — r Teller en noemer zijn dan positief'. Voorbeelden der formules voor T„ en S„. Van de reeks 3, 6,12, enz. is 7']n = 3x2!,= 3x512 = 1536. 2S— 1 Voor de som der eerste 8 termen vindt men X, — 3 ^^ — = 3 X 255 = 765. Van de reeks 1, ■/«. 'A» Vs» e»z- zal de 1()e term ziJu 7'10 = 1X(V*)9 = V512- En voor de 80111 tler eerste 8 termen zal gevonden worden : O W/,)» f. M-2 -=l — l_i/a V 256) 128 128 Ook bij meetkundige reeksen kan men termen tusschen elke twee opeenvolgende intevpoleewn, zoo dat deze termen met die der oorspronkelijke reeks een nieuwe meetkundige reeks vormen. Moet men bv. 2 termen interpoleeren tusschen die deireeks 2, 16, 128, enz., dan vindt men gemakkelijk: 2, 4, 8, 16, 32, 64, 128, enz. In het algemeen kan men het nieuwe verschil op de volgende wijze bepalen. Voor den tweeden term h der oorspronkelijke reeks kan men schrijven : , 'H-i h — ar — ar [Immers die term zal de (p -j- 2)e der nieuwe reeks zijn, wanneer p termen worden geïnterpoleerd]. Men heett derhalve r = r'v, waaruit volgt: p+1 r' — l / r Merk weer op, dat deze formule uit de overeenkomstige bij de rekenkundige reeksen kan afgeleid worden, door de V bewerkingen een graad Ie verhoogen. Inplaats van —— p+i p 1 heeft men thans V r. In ons bovenstaande voorbeeld is r = 8, en zal dus, daar p = 2 is, r' = ï' 8 — 2 zijn, waardoor men de reeks 2, 4, 8, 16, 32, enz. verkrijgt. 6. Vraagstukken. 1. Druk bij een nik. reeks »S'„ eens uit in r,l, a, en bereken dan S», wanneer gegeven is a = 5, I = .3645, r = 3. 2. Een indisch vorst kwam met den uitvinder van het schaakspel overeen, dat deze de volgende belooning zou ontvangen : voor het 1(' vakje van het schaakbord 1 rijstkorrel, voor het 2e vakje 2 korrels, voor het 3e vakje 4 korrels, enz. enz., tot en met het 64e vakje. I)e vorst hield tleze belooning voor bespottelijk gering; ga eens na hoeveel ze inderdaad bedroeg. Dit vraagstuk is uitnemend geschikt de kracht van aangroeiing van een meetkundige reeks te doen gevoelen. De gevraagde som is nl.: 08* i ^ =12=rr =- L En nu is 210 = 1024, derhalve 22» = (210)2 = 1.048576, 24° = (220)2 = 1.099511.627776, dus reeds ruim 1 billioen. En 2fiü = 2+° X 22J = 1.152921.504606.846976, derhalve ruim 1 trillioen. Eindelijk hebben wij 211* = 20u X 2* = = 18.446744.073709.551616, alzoo circa 18,5 trillioen rijstkorrels ! Stel nu eens, dat 1 M3. rijst 25 X 10° korrels kan bevatten (in 1 cM3. gaan er ongeveer 25). Xu is het (2.T7?)2_(40XlOr')2_ geheele aardoppervlak = 4?rAz = — — —— — JX _ jo12 = circa 500 X 1012 M-. Derhalve zou dit .T 1 M. hoog door circa 12500 X 1018 rijstkorrels kunnen bedekt worden. Voor de gevraagde 18,5 trillioen korrels is derhalve noodig het gelieele aaroppervlak, ongeveer l'/jj mM. dik belegd; of rekent men de zeeën niet mede, dan zou al het raste laiul «Ier aarde circa 6 mM. dik met rijst moeten belegd worden, om de geëischte belooning te kunnen bevatten. 3. Bereken de waarde van x uit de vergelijking 3fc-S + gSx-S + 32.r-l + g«r + 32,+l = 4. Bepaal de som van 5 termen van de reeks a-, aVah, enz. Oplossing. Voor den tweeden term kan men schrijven 3 ! II —^ /■* ' /•» a 'h zoodat de reden der reeks =a h zal wezen. Voor de gevraagde som heeft men derhalve : ( —'/».V-A5 , s/a o yi of — 1 n a b — 1 _ """ — n _i/„ V» Va -Va Va a "b —1 n n t> —1 h *—a \/ a—?>2 V1' Va Va \/ a—1/ ti h —a ' N.B. Stelt men Va=i>, \^h = q, dan wordt dit laatste —, en dit geeft na deeling de oorspronkelijke p—(] reeks terug, (laat dit eens zien). 5. Bepaal nu eens op de zelfde wijze de som van 6 termen der reeks a. iy a — a f h -j-f ash2 -{-••• G. Van een meetkundige reeks van 6 termen is de som der eerste 4 termen = 80, die der laatste 4 termen = 720. Welke is die reeks? 7. Van welke meetkundige reeks is de som van 4 termen — 75, en van 8 termen = 1275? 8. Van oen meetkundige reeks van 18 termen is de som van den J™, 3™, 5®", enz. term =390, die van den le,\ 4un, 7e", enz. term = 120. liereken de reden en de som van alle termen. 9. Er zijn getallen, waarvan liet 4" liet 15-vond van liet le is, liet 5e het 1 O-vond van liet 2e, en het "• tot 0 naderen, wanneer n tot ac nadert, (zie ook Deel I, blz. 141 en 171). Zoo is bv. (V2),ü = Vio24' C/2)20 = '/,04837e, enz. E11 (4/3)6 = 6Vt29 is reeds < 7io, terwijl (2/J),u = 1094/59o« nog maar weinig grooter dan '/eo ls> Wij hebben dus, bij n = x: a s-= ^ en dit is de grens, waartoe een oneindige afdalende meetkundige reeks nadert. a. Past men deze formule toe op de reeks 1, V2. V4, enz., dan verkrijgt men : 1 c — — 2 —'/j evenals boven. Van de reeks 1 — 2/3 + Va — 7*7 + enz- 1S de som van een oneindig aantal termen (ris hier = •/■„): g — 1 — 3/ Hoeveel verschilt de som van 10 termen nog maar van deze grenswaarde? Waartoe nadert in het algemeen SK, wanneer r = l/2 is." (Breng dit eens onder woorden). b. Heeft men de repeteerende breuk O.JJ, dan kan men hare grenswaarde ook door middel van bovenstaande formule vinden. Immers men heeft: 0.1 j — 1'/J0, _j_ 17/1(j4 _J_ 17/)o6 _j_ enZi) derhalve 0.1 J == I7 1-Vioo 99' evenals in de Rekenkunde wordt geleerd. c. Wanneer gevraagd wordt de som te bepalen der oneindige reeks 1 + -v -f -f- iVS -f ,Bt -f- . . . , dan wordt deze dus = -—zoolang de absolute waarde van A iC x <1 is- Deel nn eens 1 — x op de eenheid, en overtuig u, dat dan inderdaad de bovenstaande reeks te vooischijn komt. Deel ook 1 -f- x op de eenheid. (I. Heeft men de reeks 1 -f 4.c — 5.c2 + afl -f- 4.f* — 5.«5 -f ,«« -f 4,c7 _ 5.cs _j_ etc., dan ziet men spoedig, dat men de termen drie aan drie kan samennemen. Stelt men l + 4e—5x*=a, dan komt er: a + a.i:3 -(- nx6 waarvan de som is: ® l-J-4#—ö.c2 l-f-5.» ï—~~ ï—— r+i+iï' zoolang „e < 1 blijft. De leerling sommeere nu eens de reeks Vs + 7/ü + 'V27 + % 1 + 7/u, + 10/729 + . . . e. Zij gevraagd te sommeeren de reeks '■'fi ~l~ ~■» "t~ 'Vs + Vin + + etc., waarbij de tellers een rehmkumluje reeks vormen, de noemers een meetJcundü/e. Men schrijve voor de gegeven reeks : Va + 74 + Vs + Vw + 1/38 + • • • = 1 Vé + Vs + Vl6 + V38 + • • • — 1 '2 1/8 + Vl6 + V32 + • • • = V4 Vlö + Va 2 + • • • — '^8 '/ga + • • • — Vl6 En de som van al deze gedeeltelijke sommen is blijkbaar — 2. De gegeven reeks nadert dus onbeperkt tot 2- Men doe nu het zelfde met de reeks V3 ~f 3/» +J/27 4" ' 'si 4" et°- /. Minder eenvoudig is de volgende reeks (.t < 1): 1 + 3x -f O.»'- + 1O03 -f 15.i;4' + . .. Men schrijve er weer voor: 1 -(- x -f- x* ■t'3 " f" "4" • • • —1 ^ l x) 2x + 2x* + 2.e3 + 2**+...= 2x : (1 - x) ■óx* -f 3.«3 + dx* + . . . = 'óx2 : (1 — x) 4.r3 + 4x* + ... = 4.«3 : (1 - .r) öx* + . . . = 5.e+ : (1 — .<•) Er blijft dus nog te sonimeeren : 1 4-2.» +3,»2+4.»3 + 5 is? Wat wordt de uitkomst, wanneer de gegeven hoek 30° en H0° is ? 5. Wat wordt de uitkomst, wanneer men uit een punt van een van fi elkaar in één punt onder gelijke hoeken snijdende lijnen een loodlijn neerlaat op de volgende lijn ; uit het voetpunt nogmaals een loodlijn op de daarop volgende lijn, enz. tot in het oneindige ? De eerste loodlijn, behoorende tot deze gebroken spiraalvormige lijn, is — ]>■ 6. In een cirkel is een regelmatige zeshoek beschreven. Daarbinnen beschrijft men den ingeschreven cirkel ; binnen dezen weer een regelmatigen zeshoek, enz. tot in het oneindige. Hoe groot is de som van de oppervlakken van al die zeshoeken en van al die cirkels, wanneer de straal van den eersten cirkel —r is? 7. Van een reeks is de eerste term —u, de tweede — }■ de derde = '/2 («-j-/>), de vierde weer hel gemiddelde van den 2«» en 3<-" term, de vijfde het gemiddelde van den 3U" en 4"» term, enz. tot in het oneindige. Waartoe nadert T„, en waartoe S„ — * u ? (Stel n = p -j- q, h =P — Vs ! (sophisnie van Zkno, den beroemden Eleaat). Waarom is deze laatste conclusie geheel onjuist, en hoe kan men in werkelijkheid den tijd berekenen, dien men noodig heeft om de deur te bereiken? Dit vraagstuk is in wezen geheel het zelfde als dat van Achili.es en den schildpad, met dat verschil alleen, dat de deur stilstaat, en de schildpad zich ook beweegt, maar met veel geringere snelheid dan Achilles. Komt Achilles op de plaats, waar de schildpad zich eerst bevond, dan is deze weer een klein eindje verder; legt Achilles ook dien afstand af, dan is de schildpad weer iets verder, enz. enz. Conclusie (van Zkno) de zelfde, maar weer valsch. Waarom? Verbeter de oplossing. 9. Andere gemakkelijk te sommeeren reeksen. a. Zij gevraagd te sommeeren de reeks Vg + V. + 'A 2 + Vso + Vso + e^'()p het eerste oog ziet men hiertoe geen kans. Maar heeft men eenmaal opgemerkt, dat 2=1x2, 6 = 2X3, 12 = = 3X4, 20 = 4 X 5, enz.; en bedenkt men, dat = 1X2 111 11 , — t ~ y 2V~B = Y ~~ ¥' e,1/"' 18 vraag terUg" gebracht tot (Vi - v2) + (V, •- V») + ('/«- %) + (lU~ v6) + ('/5 - %) f enz. Neemt men de som van 5 termen, dan krijgt men 1 — '/(i. Al het overige valt weg. De sum van 10 termen zal 1 — Vil zijn; de som van 100 termen 1 — 'Aoi! enz., en men ziet duidelijk, dat de limiet van de som = 1 zal wezen. Bepaal nu eens de som der reeks V3 + V10 + V35 + V«3 + enz. 2 Had men de reeks Vs + Vs "4" Vis + V24 "I" V35 + enz., dan zou men daarvoor schrijven: 1 1 l 1 ' 1 1 1X3 + 2X4 + 3X5 + 4X6 + 5X7 + ***" of V2IV1 - Va) + (Va - 'A) + C/3 - Va) + CA — V.) + C/ó—V?)+etc.}. De som van 5 termen is derhalve = '/.2(1 -f- V2— '/e — V7V De andere termen vallen weg. De som van 10 termen zou gegeven hebben Va (1 + '/j-'/ii - Vu); die van 100 termen ,/a (1 + Va — Vjoi — 1/ioa)» en hel is bijgevolg duidelijk, dat de som van de gegeven reeks nadert tot V2 (1 -f- Va) = 3U- Waartoe nadert nu de som der reeks Vs+V214- V«-f- V77+ enz.? En waartoe de som der reeks V4 + V10 +V18 + V28 + enz. ? En tot welke grens de som van V7 + V27 + V55-f V91 + etc.? h. Op dezelfde wijze behandelt men reeksen als Vg + V24 + Voo + V120 + etc., zijnde 1111 _1_ L L L pjiZ. 1X2X3 ^ 2X3X4 ^ 3X4X5 T 4X5X»3 ^ Voor den eersten term kan men schrijven — (^-^q — 1 f 1 1 voor den tweeden term "9" (2x3 — 3X4/' e"Z' n ver" krijgt dus: 1 \ 1. 11 1 1 1 ) 2~ j 1X2 ~~ 2X3 + 2X3 ~~ 3X4 + 3><4 ~ 4><5 + enZ' j ' waarvan de som blijkbaar tot Va X Va = V* nadert. Waartoe nadert nu de som der reeks 1 1 1 1—— 1 U enz.? 1X3X5 3X5X7 T 5X?X9 En bepaal eens de som van de reeks ƒ 1 1 , 1 l k enz. 1X2X3X4 2X3X4X5 3X4X5X6 c. Ingewikkelder worden deze somineeringen, wanneer de tellers der breuken een rekenkundige reeks vormen. Heeft men bv. de reeks 4 7 lü 13 1 1 _i_ — -f- enz., 1X2X3 2X3X4 3X4X5 4X5X6 dan kan men daarvoor schrijven: ( 1 1 1 1 I ^ 4 V1X2X3 + 2X3X4 + 3X4X5 + 4><5X6 + " 'J f + 3 G><3x4 + 3X4X5 + 4X5X6 + ' ")' d.w.z. (zie boven) 1 3/ 1 1 _2 2_ _3 3 \ 4 X 4 ^ 2^2X3 3X4 + 3X4 4X5 + 4X5 5X6 ' of 3f 1 1 , 1 , 1 + 2 U><3 + 3X4 + 4X5 + " '/ zoodat men voor de limiet van de som verkrijgt: 1 4- 7a X 7e = 13A- 1. De leerling bepale nu de som der reeks 3 7 11 15 2X5X8+ 5X8XÏI"1" 8X11X14 + 11X14X17 " 2. Ook bewijze hij, dat men geheel algemeen, wanneer de noemers drie factoren bevatten, zal hebben: t + v±l + a{a-\-b){a+2b) ^ (a + 6)(a + 2i)(a+36) />+2g _ pl>+q« + (« + 2/»)(a+3i)(a+4/>) + ' 2ab\a-\-b) 3. Wat wordt deze formule, wanneer /> = 1,^ = 0? En wanneer p= 1,*/ = 1? Verifieer deze uitkomsten eens aan de Voorbeelden en Vraagstukken in b) en c). 2* 4 O ' K W 0\/1 I Ö\/l 1 1 A ' 1 IVl A/17 4. Bewijs, dat bij vier factoren in de noemers, aldus : a (a-f- f') (a + (« + 3/>) ; (a (a + 2t) (a + Sb) (a ; 2pb-\-qa enz., de algemeene uitkomst zal wezen „ ,0/ , 0 ab'(a -|- b)[a -f- 2b) (w—2 )pb-\-qa 5. En bij n tetoran (,_1)(„_2)a8,(a+t)(a+2tMa+(„_aw. 10. Rekenkundige reeksen van hoogere orde. Bij reeksen als 5, 8, 11, 14,. enz. zijn de verschillen van twee opeenvolgende termen gelijk. Wij noemden ze rekenkundige reeksen. Heeft men evenwel een reeks als 3 8 15 24 35 .... 5 7 9 11 2 2 2 .. ., dan is de rij van opeenvolgende verschillen een rekenkundige reeks. Immers daarvan zijn de verschillen alle gelijk aan 2. Men noemt een dergelijke reeks een rekenkundige reeks van de tweede orde. Bij een dusdanige reeks vormt dus de rij der eerste verschillen een gewone rekenkundige reeks, d.w.z. van de eerste orde, terwijl de tweede verschillen gelijk zijn. Evenzoo zal de reeks 5 22 57 116 205 330 17 35 59 89 125 .... 18 24 30 36 6 6 6 .... een rekenkundige reeks van de derde orde zijn. Want de rij der eerste verschillen, nl. 17, 35, 59, enz., vormt een reeks van de tweede orde; de rij der tweede verschillen een reeks van de eerste orde; terwijl de derde verschillen gelijk zijn. In het algemeen spreekt men van een rekenkundige reeks van de pe orde, wanneer de />'- verschillen gelijk zijn. a. Fomade voor T„. Het is nu gemakkelijk, wanneer gegeven zijn de eerste term der reeks a, en de eerste termen der verschillende rijen van verschillen (of zooals men ook zegt, rerschïlreehen) ?>,, r.2, ?>3, etc., een formule op te schrijven voor T„ en een voor S„. Wat de eerste betreft, zoo is . n-1 , (n—1)(»—2) , (»—1)(« 2)(» 3) J» = a + —Pl+- 1 2 ü8+ 1 2 3 »a + - Nemen wij, om de gedachten te tixeeren, een reeks van de derde orde. De formule voor Tn zal dan met den term niet v3 eindigen, daar vit vit enz. alle = 0 zijn. Wij kunnen nu schrijven : tt tt-j-V} <1 —|— 2 V ^ —[— tl -1— —|— —|— 2^3 • • •« ®i Ui+»2 vi -\~'^vz~\~v'A vI-j-)— 3i73 . . .. v-2 r2"f*r3 V2~\~%V3 .... ®3 ®S Uit dit schema zien wij duidelijk, dat voor kleine waarden van n de gegeven formule voor T„ juist is. Wij krijgen inderdaad de binominaal-coëjjïcienten; nl. bij den derden term die der tweede macht 1, 2, 1 ; bij den vierden term die der derde macht 1, 3, 3, 1 ; enz. Wij vermoeden dus, dat ook bij den ncn term de binominaalcoëflicienten van de (n — l)e macht zullen optreden. Om dit nader te onderzoeken, zullen wij aantoonen, dat wanneer de bovenstaande formule voor den nen term der reeks geldt, zij ook voor den (« -f- l)un term zal gelden. Bepalen wij daartoe den ncn term der eerste verschilreeks. Deze zal blijkbaar — daar de gegeven formule voor den ?»en term van een reeks van willekeurige orde wordt ondersteld te gelden — wezen : m _ , 1 , (»—1)(«—2) j » = p 1 H J— V -Z H J—5 »3 + • * • Telt men deze dus bij den nen term der reeks op, dan verkrijgt men den (u -f- l)en term : fn—1 \ /(«—1)(« — 2) n — 1\ T"+, = «+(— + ij * + i.2 + ~r) + /(»-l)(w-2)(W-3) («_1)(„_2)\ + V 1 •2 •3 1 •2 / '' ' n i Nu is de coëfficiënt van i\ gelijk aan -- ; die van t\, zal w —1 /n—2 \ n(n—1) — —-— I — f- 1 I = ——— worden ; die van v3 wordt («—1)(«-2)/«— 3 \ «(»—1)(h—2) ———— ( ^ 1 = , „— ; enz. enz. , zoodat 1.2 V 3 J 1.2.3' inen voor Tn-\-\ verkrijgt: n n(n—1) n(n— l)(n—2) r>+i = " + y+ ~|72-1.2.8 •» + - En daarmede is derhalve bewezen, dat de gegeven formule — geldt zij voor den nrn term — ook voor den (n + 1)™ term geldt. Nu zagen wij, dat de formule juist is voor n = 2 en voor n — 3 bv. Bijgevolg zal ze volgens het bovenstaande dus juist zijn voor n — 4; derhalve ook voor n — 5; enz. enz. Opmerking. De boven gebruikte methode der inductie, d.w.z. de afleiding van een algemeenen regel uit een bijzonder geval, werd het eerst door Jac. Bernoulu aangegeven (i 686), en heet „de conclusie van n op n -i Een eenvoudig middel om de formule voor T„ te onthouden is dit, dat zij voor een reeks der lu orde overgaat in T„ = a + (n — 1) V[, de gewone reeds in § 2 bewezen formule voor den algemeenen term van een gewone rekenkundige reeks. Men heeft nu slechts achter (n — 1) te (n—l)(n—2) voegen vit enz. Bepalen wij door middel van de gevonden formule den 6en term der boven neergeschreven reeks der 3e orde 5, 22, 57, enz., zoo vinden wij dus : 7^=5 -f 5X17 -f 1OX1B+1OX 6=5 + 85 +180 + 00=330, hetgeen met het boven gevondene overeenstemt. Merken wij nog op, dat men bij deze reeks der 3e orde zal hebben : r, = 5 7'2 = 5 + l X 17 7-3 = 5 + 2X17 + 1X18 7'4 = 5 +3X17+ 3X18 + 1 Xi = l1/4, 1 '/j, '13/+; 21/+, 21/2, 23/4; enz. Dit berust hierop dat in de nieuwe reeks, bv. in 2 0 0 2 6 12 20 30 42 ... . de 5,; term (6) overeenstemt niet den 2en tenn der oorspronkelijke reeks; de 9e term (42) met den 3e" term dezer reeks; enz. Wii vinden derhalve uit n — 1, 2, 3, 4, 5 ... n' = 1, 5, 9, 13, 17 ... de betrekking n =: 4m — 3, waaruit volgt: u = -t3 4 Zet men dus voor n' achtereenvolgens de geheele getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, enz., zoo komt dit op hetzelfde neer of men voor n de gebroken waarden 1, ly4, l'/g, l:y4, 2, 2'/4, enz. in de plaats stelt. Voor de oorspronkelijke reeks geldt ld. : T„ = 16^2 _ 44;/ -f 30. ^ oor de nieuwe reeks zal derhalve gelden: Zet men hierin voor ri achtereenvolgens 1, .5, 9, enz., dan krijgt men de oude reeks; zet men voor ri de waarden 1, 2, 3, enz., dan ontstaat de nieuwe reeks. Maar dan zal in het laatste geval n = 1,1% 1 Vs, enz. zijn. Zoo krijgt T„ voor n = 1 V* de waarde 25 — 55 -f- 30 = ü; voor n =1 Vg wordt T„ = 36 — + 30 = 0; voor n = l3/4 vindt men 49 — 77 + 30 = 2. En dit zijn inderdaad de geinterpoleerde waarden tusschen den J(" term 2, en den 2en term ti der gegeven reeks. De betrekking ri = 4n — 3 kon men gemakkelijk neerschrijven, door te bedenken, dat wanneer drie termen worden geïnterpoleerd het ranggetal ri niet 4 eenheden opklimt tegen n met 1 eenheid. Daarom zal ri = 4/< ± /> zijn. En p vindt men door de overweging, dat met n — 1 moet overeenstemmen ri 1. Daarom word /> = — 3. Zoo ook in andere gevallen. Het spreekt van zelf, dat men voor n ook negatieve waarden mag nemen : daardoor zet men de reeks aan de andere zijde voort. Is bv. van de reeks 6 9 14 | 21 30 41 54... de le term = 21, de 2e = 30, enz., dan is van de nieuwe reeks de 4" term =21, de 5« term =30, enz., en we hebben derhalve: n — 1» 2 3, 4 ... ?.' = 1 2 3 4 5 6, 7 . ., zoodat ri = n + 3 wordt, of n = ri — 3. De 3e term (14) der nieuwe reeks correspondeert dus met den 0 " term deioorspronkelijke ; de 2" term (9) met den — 1™ term dezer reeks ; de 1'" term (6) met den — 2,'n term, enz. Is in de oorspronkelijke reeks Tn = n- -|- (1» + 14, dan is in de nieuwe reeks Tn' — [ri — 3)'2 -f- 6 (»' — 3) -f" 14. Substitutie hierin van ri = 1, 2, 3, 4, 5, enz. komt dus op het zelfde neer als substitutie van h = — 2, —1, 0, 1, 2, enz. in de" formule voor Tu. Men krijgt in beide gevallen de zelfde termen, nl. (i, 9,14, 21, 30, enz. Een enkel Voorbeeld moge de behandelde interpolatie toe- lichten. Stel, dat men de volgende thermometeraflezingeïi heeft gedaan : te 9" v.in. 68°,1 F. „ 10» „ 68°,9 „ „ 11» „ 70°,2 „ 12» 70'1 9 9 J " )) 1 V' )A 9 9 Men vraagt nu naar den vermoedelijken stand te 11"30'. Daartoe beschouwt men de aflezingen als een reeks van de derde orde, welke dooi' 4 gegevens volkomen bepaald is. Men vindt dan : (58,1 G8,9 70,2 70,1 . .. 0,8 1,3 —0,1 . .. 0,5 —1,4 . . . -1,9 .., zoodat de formule voor T„ wordt: J H — 68,1 -)- (m — 1) 0,8 -j 0,5 -)- (n—1 In—2 )(n—3) + ~ ' ( - 1,9) • o Daar de stand te 11" de 3''n term der reeks is, de staud te 12" de 4" term, zoo zal de vermoedelijke stand te 11"30' klaarblijkelijk gevonden worden, door voor n de waarde 3'/2 te substitueeren. Men vindt alzoo: 7'3i/2 = 68,1 + 8/« X 0,8 + »/8 X 0,5 - »/M X 1,0 = 68,1 + 2,0 + 3,9375 — 0,59375 = 70,1 -f 0,34375 = 70°,44 . De thermometer is dus na 11" waarschijnlijk nog eerst iets gerezen, voor de daling intrad. Natuurlijk kunnen we hier niet anders dan van „waarschijnlijk" spreken, want was ons de stand te 1" bekend geweest, dan zou het antwoord wellicht eenige wijziging hebben ondergaan. Groot zal die verandering echter niet wezen, want er zou dan in , , r. , (w—1)(m—2)(w—3)(«—4) de lormule voor Tn den term «'4 24 zijn bijgekomen, waarvan de waarde voor 11 = 3 '/2 bedraagt — '/lis r±- 1)(> waarde van moet derhalve vrij groot zijn, om voor dezen correctieterm een eenigzins belangrijk bediag te vinden. Wat wij doen, door de getallen 68,1, 68,9, enz. als de tei- men van een reeks der 3U orde aan te nemen, is dus eenvoudig dit. Wij brengen door de vier gegeven punten der grafische —o" -- voorstelling van liet verloop der achtereenvolgende thermometerstanden (zie Deel I, blz. 145 e. v.) een kromme van den 3un graad (welke door de vier gegeven punten volkomen bepaald is), gegeven door de bovenstaande vergelijking voor 7„. Op de horizontale as worden nu de waarden van u afgezet, de bijbelioorende loodlijnen geven de waaiden van ln aan. Alle tusschengelegen punten der kromme vindt men dan blijkbaar, door voor n alle mogelijke waarden tusschen de geheele waarden 1, 2, 3 en 4 te substitueeren. De termen van een rekenkundige reeks der orde kan men dus altijd beschouwen als afzonderlijke, op gelijke horizontale afstanden gelegen punten van een kromme van den pen graad, welke door de zelfde vergelijking is gegeven als die voor den algemeenen term der rekenkundige reeks, en waarop derhalve alle tusschengelegen punten zijn gelegen. Nu zal liet werkelijke verloop der achtereenvolgende tliernionieterstanden natuurlijk iets van dat van genoemde kromme afwijken, en bv. door de gestippelde lijn worden voorgesteld, maar men ziet gemakkelijk in, dat dit verloop uiterst weinig zal afwijken van dat van de geconstrueerde kromme van den pcr' graad, wanneer het annVtl gegeven punten groot, qenoetj is. Hoe meer tlierinometerstanden men derhalve bepaalt, hoe nauwkeuriger de interpolatie zal kunnen worden uitgevoerd. In ons bovenstaande voorbeeld zijn de 4 gegeven waarnemingen wel voldoende; alleen zou wellicht met het oog op de interpolatie juist tusschen den 3en en 4™ term nog éene waarneming te 1" wensehelijk zijn geweest. Bovengenoemde beschouwingen, welke men evenals zooveel inderdaad belangrijke dingen in maar weinig Leerboeken over Lagere Algebra vindt, zijn van het hoogste belang voor alle theoretische en toegepaste Wetenschappen, en worden dan ook dagelijks aangewend. Wij zijn daarom ten opzichte van dit onderwerp bijzonder uitvoerig geweest, meenende dat de daaraan bestede ruimte nuttiger is besteed dan dat we uitvoerig over „kogelstapels", „figuurlijke getallen" en dergelijke dingen uit den ouden tijd hadden uitgeweid. Voor wij van dit onderwerp afstappen, moeten wij nog even iets zeggen over de z.g. extrapolatie. De naam duidt reeds aan, wat daarmede wordt bedoeld. In het bovenbehandelde vraagstuk zon men nl. van extrapoleeren spreken, wanneer gevraagd werd uit de vier waarnemingen bij 9", 10", 11" en 12u at' te leiden, welke de vermoedelijke thermometerstand te 1" zou geweest zijn. Men zal inzien, dat wanneer het werkelijke verloop binnen de grens der vier waarnemingen maar uiterst weinig afwijkt van het onderstelde verloop (id. volgens een uitdrukking van den derden graad, zoodat de 4 gegeven thermometerstanden termen van een reeks van de derde orde zouden zijn), dit werkelijke verloop buiten de grens dezer waarnemingen zeer veel van het onderstelde verloop kan afwijken (zie de figuur). Met extrapolatie zij men dus altijd zeer voorzichtig. 11. Vraagstukken. 1. Bepaal Tn en Sn van de reeks 3, 5, 11, 21, 35, enz. 2. E11 ook van de reeks 0, 0, 3, 10, 22, 40, enz. 3. E11 nog eens van de reeks —2, 10, 10, 4, —2, —2, 10, 40, 94, enz. 4. E11 eindelijk van 7, 30, 53, 68, 63, 22, —75, —252, enz. 5. Bereken van al de voorgaande reeksen den 20"" term, en de soin van 30 termen. 6. Maak van allen een grafische voorstelling, ook voor waarden van n 1 (t>v. n = 0, n — '1, n= 5, n = —10). Daaruit zal blijken, dat een kromme van den tweeden graad, voorstellende een reeks van de 2U orde, door een horizontale lijn in twee punten kan worden gesneden; een kromme van den ilevilen graad in drie punten; enz. -—- zoodat verklaard is, dat in ^ r. 2 de reeks twee keer achtereen een term 0 kan hebben, dat in Vr. 3 zelfs drie keer een term — 2 kan voorkomen, en drie keer een term 10, enz., enz. De plaatsen, waar na voorafgaande stijging de kromme weer gaat dalen (een dusdanige plaats wordt een mcucDiiuiti genoemd) ; en die, waar na voorafgaande daling de kromme weer begint te stijgen (een dergelijke plaats noemt men een mitiimuni), kunnen eerst later door ons worden bepaald. Op dit belangrijk onderwerp komen wij bij de Vierkantsvergelijkingen uitvoerig terug. 7. Van een rekenkundige reeks van hoogere orde is gegeven T2 = — 5, T-a = 16, 7's = 217, Tw = 531. Bereken den 9l" term. 8. Van een dergelijke reeks zijn de eerste termen 5, 8,13, 20. De hoeveelste term is 404 ? 9. Hoe groot is de som der 2e-macliten — n° der opeenvolgende gelieele getallen 1, 2, 3 . .. n ? Men vraagt dus naar 1 + 4 + 9 + 16 4-... + Voegt men een term 0 toe, zoo heeft men dus , 2(^+1), 3(p-f 2)... (n termen). Voeg weer een term O toe. [Men vindt Va n (//, -|- 1) (3 m — n -J- 1)]. 1/. Van een reeks is Tn = 4/<"-— 1. Van welke twee reeksen moet men de overeenkomstige termen met elkaar vermenigvuldigen, om de gegeven reeks te verkrijgen? 18. Wanneer men de overeenkomstige termen van de reeks 1, 1, 3, 7, 13, 21, enz. vermenigvuldigt met die van de reeks 1, 3, 7, 13, 21, 31, enz., dan ontstaat een rekenkundige reeks van de 4" orde. Men vraagt daarvan T„ te bepalen, zonder van de nieuwe reeks gebruik te maken. [Welke opvallende overeenstemming merkt gij op bij vergelijking van de termen der beide reeksen, en hoe verklaart gij dit?] 19. Wat zal de uitdrukking voor 7„ zijn van de reeks, die men verkrijgt, wanneer men in een reeks, waarvan dc algemeene term 2n'2 — 3n -|- 7 is, de le, 4e, 7°, enz. termen neemt. (Zonder de reeks op te schrijven). 20. Interpoleer 1 term tussehen die der reeks 3, 13, 31, 57, 91, enz. 21. En 2 termen tussehen die der reeks 2, 43, 102, 152, 166, enz. 22. Bij een opkomenden storm zijn de volgende barometerstanden waargenomen: te lu 772 inM., te 2" 770 inM„ te 3" 765 mM„ te 4" 758 mM., te 5" 750 mM. Welke zal de vermoedelijke stand te 3U 15' zijn geweest ? En welke die te 5" 30' ? Is bij deze laatste vraag iets op te merken? 23. Van eene reeks is S» — n* — n3 -f- 2n* — 3n. Bepaal zoo kort mogelijk T„. (Gebruik daartoe de betrekking Tn = Sn - 24. Bepaal S,„ wanneer gegeven is Tn = 2/t3 + 3n- — 5n — 1. (Stel SH = an* + bnn + cri2 -f dn, en bepaal dan a, b, c en d door middel van bovengenoemde betrekking. Men kan ook schrijven Sn = 2 — n3 3 2 n2 — 5 n — n, en van het in Vr. 9 en 10 gevondene gebruik maken). 12. Convergentie en Divergentie van reeksen. a. Wij hebben reeds gezien, dat de som der termen van oneindig-voortloopende rekenkundige reeksen van de eerste orde hetzij tot + od (bij opklimmende reeksen), hetzij tot — x (bij afdalende reeksen) nadert. [Zie § 3, Vr. 18]. Men zal gemakkelijk inzien, dat ook de som van rekenkundige 3 reeksen van hoogere orde tot ± cc nadert. Immers de termen • worden ten slotte 5f voortdurend grooter, öf voortdurend kleiner. Het zelfde is het geval met opklimmende meetkundige reeksen. (a positief ondersteld). Bij al deze reeksen nadert T„ zelf tot ± ac. Maar bij afdalende meetkundige reeksen, waar T„ tot 0 nadert, nadert Sn - zooals wij in § 7 hebben gezien — tot een bepaalde, eindige grenswaarde. Ook bij andere reeksen, waar Tu tot 0 nadert, was zulks het geval (zie § 9). Nu worden reeksen, waarbij S„ tot ± oo nadert, divergente of divergeerende reeksen genoemd ; terwijl reeksen, waarbij Sn tot een eindige grenswaarde nadert, convergente of convergeerende reeksen heeten. Rekenkundige- en opklimmende meetkundige reeksen zijn dus divergent, afdalende meetkundige reeksen convergent. Nu zou men naar aanleiding van het bovenstaande geneigd zijn te denken, dat bij divergente reeksen Tn steeds tot ± oo nadert, bij convergente tot 0. Maar dan vergist men zich. Wel zijn alle reeksen, waarbij T„ tot ± oo nadert, divergent : dit spreekt vanzelf — maar reeksen waarbij Tn tot 0 nadert, zijn daarom nog niet altijd convergeerend. Dat Tn tot 0 moet naderen, is wel een noodzakelijke voorwaarde voor convergentie (waarom ?), maar nog geen voldoende voorwaarde. Er is meer noodig: de reeks moet daarenboven sterk genoeg afnemen. En daarvoor bestaan kenmerken, die wij zullen leeren kennen. Een zeer leerzaam voorbeeld van een reeks, waarvan Tn wel tot 0 nadert, maar daarom nog niet convergeert, zijn de in § 4 behandelde zg. harmonische reeksen. Men kan gemakkelijk aantoonen, dat bv. de reeks 1 + 7a + Va + V* ~r Vs + Ve + enz- divergeert, d.w.z. dat hare som tot -j- x nadert. Men zou dat zoo niet zeggen, maar toch is het zoo. Tel maar eens 10 termen, 100 termen, 1000 termen bij elkaar op, en ge zult zien, dat de som onbeperkt grooter wordt, en tot oo nadert. Ziehier het bewijs. Neem de termen aldus samen: 1 + Va + (Va + 7+) + O/. + Ve + Vt 4 Vb) + + (Va + Vio + • • • + Vis) + enz. De som der twee termen V3 en V* is zeker >2 X V+ (waarom?), derhalve > Va- De som der otV termen VB Vs zal zeker > 4 X Vs> d.w.z. weer > Va zij"- Evenzoo is de som der acht termen V7 • ■ • Vi« weer >8 X '/ie» '/s- Enz. Men kan dus de reeks splitsen in een oneindig aantal groepen van termen, waarvan de som telkens '/2 is, zoodat de geheele som wel = x zal zijn. Beproef dit eens met werkelijk convergeerende reeksen, bv. 1 -f- y2 -f- 1/i + Vs + • • • > en 8'e Zl,lt zien, dat men hier zulke groepen niet formeeren kan. En of' men er nu al termen tusschen uitlaat, harmonische reeksen, d.w.z. dezulke, waarvan de noemers der achtereenvolgende termen een rekenkundige reeks vormen, blijven divergent. Neemt men bv. de reeks Va 4~ V7 + Via + V17 + Vaa + enz-< dan kan men schrijven: 5 X Va > Va + Vs + V* + Va + Ve 5 X V7 > V7 + Vs + 1o + Vio + V11 zoodat 5-maal de gegeven reeks grooter is dan de hoven beschouwde reeks Va+Vs+'/i+enz.De reeks Va+V7"t"Via"l"enzis dus ook divergeerend, want 1/b van go blijft oc. Toon nu eens aan, dat ook de reeks V7+V107H-1 /207V307+— divergeerend is. Een ander voorbeeld is de reeks 1 1 1 , 1 , 1 J U — -1 1- k enz. l/2 l/3 l/4 l/5 Ook deze reeks is divergent. Immers, hoewel hier ook blijkbaar T„ tot 0 nadert, zal de som oneindig zijn. Want de som van n termen is grooter dan « X V|/«(waarom?), derhalve > Vn. En dit neemt met n onbegrensd toe. b. Alleen in het yeoal, dat de termen afwisselend -f en — zijn, 3* is liet voldoende dat T„ tot 0 nadert, opdat de reeks convergeerend zij. Immers, stelt men de reeks voor door h — h-\- h — ^4 + ^5 — h "l- enz., dan kan men daarvoor schrijven: (*i 4) (^3 — '+) -f- {h — 4) etc. En dit is blijkbaar ty —12, omdat bij afdalende reeksen h — h — enz. alle positief zijn. Maar men kan ook schrijven : 0, bv. = k, dan zal vanaf zekeren term nt„ > k' blijven, wanneer k' een getal is > 0, maar < k. En dit zoowel wanneer nt„ van den grooten, dan wel van den kleinen kant tot k nadert, want ntn zal ten slotte zeer weinig van k verschillen. De termen der reeks zijn dus van dat oogenblik af grooter dan die van de reeks k' J!__ k' zoodat de reeks divergent is. (Waarom ?). Alleen dan derhalve, wanneer Lim. nt„ = 0 is, kan de reeks convergent zijn. Maar deze behoeft het daarom nog niet te wezen. Kr zijn reeksen, waar zelfs Lim. nt„ = O is, en die tot'li divergent zijn. Pas het kenmerk eens toe op de reeks 1 -I —I f ... 1 1/2 V 3 e. Hoofdkenmerk van de eerste orde. Wanneer van een reeks Lim. 1 is, zoo zal de reeks convergeeren, en wan- fn neer deze limietverhouding 1 is, zoo zal de reeks divergeeren. Dit is een zeer bruikbaar kenmerk, dat in vele gevallen beslissing geeft. Men leidt het op de volgende wijze af. Zij de limiet = k, en in de eerste plaats k 1, dan zal vanaf zekeren term de verhouding wederom in elk t ln geval <^k' zijn, wanneer k' k, maar <^1. De verhouding van twee opeenvolgende termen zal dan bijgevolg kleiner zijn dan die van een meetkundige reeks, waarvan de reden — k', en derhalve zal de gegeven reeks zeker convergent zijn. [Immers, noemt men de termen der meetkundige reeks na genoemden term u\, u.2, u3...; die der gegeven reeks tt, t2, ts..., dan is — , derhalve <2 1 is. Dan is de reeks natuurlijk ook divergent. Opmerking. Wanneer Lim z0° ^8* daarin van * tn zelf opgesloten dat tn tot 0 nadert. Immers tn < - un. hn daar bij de afdalende meetkundige reeks un tot 0 nadert, zoo moet noodzakelijk ook t„ tot 0 naderen. T . 1-1 1 • Op de zelfde wijze blijkt, dat wanneer Lim. — - i 19> tn tot qo zal naderen, daar hij een opklimmende meetkundige reeks u„ tot oo nadert. Alleen als Lim. ^ = 1 is, kan tn tot een eindige grens- tn waarde 0 naderen. De reeks is in dit geval divergent. Ter verduidelijking geven wij het volgende overzicht. I JAm. ^±1 < 1 Lim. t„ — 0 Convergent. 1 + V» + V4+ V8+-- II Lim. ^±1 = 1 tjl Lim. t„ — 0 Conv. of Diverg. \ l 1 + Va ~t~ 7s + V* 4" • • • °* *"±1 < 1 (i + 74 + 7s + Vio + • • • tn I „ eindig Diverg. ( ' 2 + I7> + i74 + I78 + -- „ = 1 „ eindig Diverg. 2 + 2 + 2 + 2 + ... !„ eindig Diverg. 2 + 2'/8 + 23/4 + 278 + ... „ — oo Diverg. 2 + 3 + 4 + 5 + . •. III Lim. —— > 1 Lim. t„ = <* Divergent l 2 + 4 + 8 + 16 + ... ^1 U zelf opgesloten dat tn tot 0 nadert. Immers t„ < - u„. kn daar bij de afdalende meetkundige reeks un tot 0 nadert, zoo moet noodzakelijk ook t„ tot 0 naderen. T * tfl+l 1 'a Op de zelfde wijze blijkt, dat wanneer Lim. — - i is, t„ tot qo zal naderen, daar hij een opklimmende meetkundige reeks u„ tot oo nadert. Alleen als Lim. —= 1 is, kan tn tot een eindige grens- Passen wij nu liet behandelde kenmerk eens toe op de binominaalreeks: (1 + = i + lx + XP-*) + PiP~l)(p-2) , ; 1 1.2 ^ 1.2.3 * + ' *' • waarbij wordt ondersteld, dat p geen geheele jiositieve waarden heeft, daar de reeks anders «-een oneindig aantal termen zou bezitten. Nu is blijkbaar (tn is de term met : .. 'n-fi . . p—n n—p Ltm. —- = Ltm. —— ,v — _ Li»». ,v . t>i n -f -1 n +1 Is x dus positie/, dan is de verhouding ,H+l/tn (zoodra n^>p wordt) negatief, en zullen de termen der reeks afwisselend -|- en — wezen. Is x negatief, dan wordt die verhouding positief, en de termen zullen (zoodra n > p is) of alle -f, of alle — zijn. Nemen wij de absolute waarde van de verhouding, dan moet dus voor convergentie: . n p fi —J— l Ltm. —-- x <1, of x < Lim. —— M —f-1 n—p zijn. En aangezien deze kuitste limiet blijkbaar = 1 is, zoo zal de absolute waarde van x dus < 1 moeten wezen. Het convergentiegebied der binominaalreeks ligt derhalve tusschen — 1 en + 1. Zoodra x buiten deze waarden valt, zal Lim. — > 1 til worden, derhalve t„ tot ao naderen, en de reeks — al hebben de termen afwisselend teeken — divergent zijn. Onzekerheid blijft alleen bestaan voor x=±l, want dan is de absolute waarde van Lim. —~*~l = 1. 'n Is p — — 1, dan is '*+'/<„ = =p 1, en hebben wij, naarmate X = -J- 1 of -— 1 is : (1 + l)"1 =l/S = l- l-fl-l + l- l+ ... (i - ir1 = ]/o=« = i +1 +1 +1 +1 +1 +... Du reeks is dan divergent, (of onbepaald, bij u' = + l). ï,s i, dan is de absolute waarde van > 1, en zal de reeks wederom ilivergeeren. Voor p = — '2 heeft men bv.: (1 1)~2 = i/4 =1 — 2 + 3 — 4 + 5 — 6 + ... (1 — 1)—2 = 1 '0 = oc = 1 + 2+ 3 + 4 + 5 + 6 + ... Is _l; ,Jan is de absolute waarde van '»+Vf„ <1, zoodat de reeks kan convergeeren. Maar om dit uittemaken, zijn nadere kenmerken noodig. Evenwel zal men gemakkelijk inzien, dat bij .<■= + ! de reeks in dit geval zal convergeeren. Immers de termen zijn dan afwisselend + en —, terwijl t„ tot 0 nadert.]) i) Dat dit laatste inderdaad het geval is voor alle waarden van p > — 1, kan men op de volgende wijze aantoonen. Is p = — i/a> dan wordt bv. (H: (->/*) (—1V2) (—2V2). . . _ 1 .3. 5... 15 _ 1 2 3 8 2.4.<3...10 1.2. 3.4.5.6...10 1.2. 3... 16 _ 16! = 22 . 43 . 6*77."Ï6* ~~ (22)» (1* . 2* .. . 8») ~ 2»« (8!)2 ' • wanneer liet factorenproduct, 1 . 2 . 3 ... n door n ! wordt aangeduid. Nu is volgens de bekende formule van Stirung, welke in de Hoogere Wiskunde wordt bewezen, voor u — : ii! — n" e~" Ijtn , wanneer e bet onmeetbare getal 2,71828... is, dat we spoedig zullen leeren kennen. Derhalve is voor p = —l/«: (2n)-"e~-" V' 2.t . 2n 1 Ijiui. tn , . - — ~ , 1 2-n{n"t>~" l- 2jtn)2 V jtn zoodat dit voor 11 = wat na vermenigvuldiging geeft : 40 (i-vwa-ViBoXi-v^o) < ^(I-'/MXI-'/MXI-'/M) ... Maar we hebben boven (bij p = — i/2) bewezen, dat het produet (!—V2) (1—Vt) (1—Va) • • • (1—Vso) (1—Vs2) • • • tot 0 nadert. Derhalve zal ook (1 —Vso) (1 —V82) (1—Vs*). • • 0 naderen, en dus ook de40« wortel daaruit. Hoe dicht p alzoo tot — 1 nadert, altijd zal t„ tot 0 naderen. \oor waarden van p — i/3 zal dit vanzelf duidelijk wezen, want dan zijn de factoren in den teller altijd kleiner dan bij p = — 1/2- Dit is bv. voor p = — y4 onmiddellijk zichtbaar. En is p positief, dan is het duidelijk, dat vanaf zekeren factor dit in nog sterker mate het geval zal zijn. De leerling onderzoeke nu eens de volgende reeksen. 1. x Va x + Vs '®:i + V* x* + • • • 1 1.3 xh 1.3.5 «7 2' *+2~S + 2A 5 +2X6 7 +•'■ 3. i _|_ 2.r -f- 3.b2 + 4.r3 -f 5.®* 4- .. . 4. 1 + « -f lU + ^9 'r3 + Via ^ + • • • Onderzoek bij deze reeksen ook eens de grensgevallen, waarbij de absolute waarde van Lim. —j— — 1 is. 'n f. Kenmerk van de tweede orde. Wij zagen, dat in ge\al Lim ^ — 1 is, en — aan den kleinen kant tot 1 nadert, tn ' tn het in e) behandelde kenmerk geen beslissing geeft. In dit geval kan een nader kenmerk — een van de tweede oi de worden aangegeven. Bewijzen wij daartoe eerst de volgende eigenschap: ls de reeks th t2, t3, tA, enz. afdalend, dan zal deze tegelijk convergeeren ot' divergeeren met de reeks t{, 2t2, 41±, Stg, enz. Immers, daar de eerste reeks afdalend is, zal uit tl = t], '2ti = 21.2, 44 < 2t3 -f 21+, 8t* < 2t-0 + 2tü -f 217 + 2ts, enz., enz. volgen s2 < 2.^ — th wanneer men ty + t2 t3 -f- enz. ,?j noemt, en t{ + 2t2 + 4/., + enz. dooi .v3 voorstelt. Is derhalve de eerste reeks convergent, dan ook de tweede. Eveneens volgt uiUj = *i, '2t2~^>t2-\-t3, 4*4><4 -\-tb-\-tü-\-t-i, enz. de ongelijkheid s2 .vj. Is dus de eerste reeks divergent, dan ook de tweede. Omgekeerd zal men hebben 2.^ > s2 -j- h, en < s.2, waaruit volgt, dat uit de divergentie van s.2 ook die van .s-j voortvloeit, en uit de convergentie van s2 die van Opmerking. Ook bij dit bewijs houde men in hetoog.dat het slechts noodig is, dat de termen der eerste reeks op den duur afnemen, en dat het volmaakt onverschillig is ot de eerste duizend termen daaraan al ot niet voldoen. De som dezer termen is toch altijd eindig. Beschouwen wij nu de reeks 1 , 1 , 1 1 — -j 1 1 1_ enx 2/J 3 f 4'J Hier is Lim. ~~ — Lim. = 1, terwijl de verhou¬ ding -7^ den kleinen kant tot 1 nadert. Het kenmerk hl der eerste orde geeft dus geen beslissing. Maar volgens het bovenstaande convergeert of divergeert de reeks tegelijk niet 1 o- 2 ■ 4 , 1 , 1 1 7'+ P + 7'+ Mz' = 7^ + ^ + 7=i +c,,z' Maai* deze laatste is een meetkundige reeks, waarvan de 1 reden = —j is. Deze nu is convergent, wanneer de reden < 1 is, en divergent, wanneer zij = > 1 is, ni.a.w.: Is P>1, dan convergeert de meetkundige reeks, en derhalve ook gegeven reeks, en is p 1, dan divergeert de meetkundige reeks, en met haar de gegeven reeks. Aldus zijn de reeksen 1 -f V2 + '/.i + V* + enz., ' ~f~ j^2 4" Gm- — zooals we reeds vroeger zagen — divergent, terwijl bv. de reeksen 1 -f V4 -f- '/9 -f- i/io ~h enz., 1 + v8 -f- 1 27 -f- V04 -}- enz. convergent zijn. Lu thans kunnen wij het bovenbedoelde kenmerk afleiden. Dit luidt: Schrijft men in den vorm —I_, dan zal de reeks '» 1 -f«n convergeeren of clivergeeren, al naarmate Lim. na„ > 1, dan wel < 1 is. Is Lim. na„ — 1, dan zal, als na,, steeds < 1 is, de reeks toch divergeeren; maar als na„ aan den qrooten kant tot 1 nadert, geeft ook dit kenmerk geen beslissing. Er zijn dan nog scherpere kenmerken noodig, waarmede wij ons evenwel hier niet zullen bezig houden. Bewijs. Zij in de eerste plaats Lim. ruxn J, bv. — l ■ Is dan k' een getal > 1 en < k, dan zal van af zekeren term steeds worden voldaan aan de ongelijkheid 1 -|- «n ]>(1 + V») • k'(k'—1) 1 [Immers daaruit vloeit voort nau > k' -\ - n + •••> waarbij liet lc lid tot k nadert, het tweede tot k', zoodat vanaf zekere waarde van n daaraan zeker wordt voldaan, aangezien k k' is]. Dan is dus ook —■ = . ■- < ( 1777 ) ' ^aar ('e 'aa,s,c tji l -p &n \n | 1 / verhouding is die van twee opeenvolgende termen van de reeks -- + — + Ar + enz., welke convergent is, tengevolge 2k' 3 van k' > 1. En daar steeds kleiner is dan die verhou¬ ding, zoo zal ook de beschouwde reeks convergent zijn (zie bij t')). Is in de tweede plaats Lim. n«n — k 1, dan k zijn. De laaatste verhouding nu is die van twee opeenvolgende termen van de harmonische ïeeks | i/2 i/g _|_ enz., welke divergent is. Ook de oorspronkelijke reeks is bijgevolg divergent. Een nadere beschouwing der convergentie en divergentie van reeksen, en de afleiding van kenmerken van nog hoogere orde behooren tot de belangrijkste hoofdstukken der Hoogere Algebra. Het bovenstaande is echter voor velerlei beschouwingen en berekeningen, die gedurig in theoretische en toegepaste Wetenschappen voorkomen, van het hoogste belang en daarom m.i. onmisbaar. Passen wij het laatst behandelde kenmerk wederom op een paar reeksen toe. Wij zagen in e), dat wanneer in de binominaalreeks <, + 4 =, +1,+tzr» , + etyti- ,+.... x — 1 is, er onzekerheid blijft bestaan aangaande convergentie of divergentie, wanneer />> — 1 is. Wanneer x = - 1 is, zal -p = zijn. Wij kunnen 'n W-j-I daaivoor schrijven : 1 —P/n 1 i + I"i + (t±L+*+!)+.Y w \ n nl J j)( -p | j \ zoodat na„ = p -f-1 -J f- • • • wordt. De limietwaarde n hiervan is dus p1. Dit is > 1, wanneer p positief, en > 0 is. Onderzoeken wij als ticeede voorbeeld de reeks 1 12 3 12.32.5 l2.3z.5*-7 2Ï 22^ 28.4'2.6* T 22.42.6*.8i 7.9 Het quotiënt van bv. den 5<=» en 4<=» term is —, zoodat wij vinden : *„+1 (2n— l)(2«-(-l) 4»3- 1 "77"" (2« + 2)2 4(w+l)2' De grenswaarde hiervan is =1, terwijl de verhouding aan den kleinen kant tot i nadert. Wij bevinden ons dus in het twijfelachtige geval. Brengen wij nu de gevonden verhouding in den vorm 1 (' + é' 1+G+i+--) dan is dus nan = 2 + -J- + . . • •, hetgeen tot 2 nadert. Dit 4 n > 1 zijnde, doet ons dus besluiten, dat de gegeven reeks convergeert. Ter oefening onderzoeke men nu in de eerste plaats de twijfelachtige gevallen bij de Vraagstukken aan het eind van e), speciaai Vr. 2, en daarna de volgende reeksen. 1. De reeks p + p + p+p+"" Me" toone aan' (lat deze divergeert. [Bepaal uju-\ ; de uitkomst wordt dan eenvoudiger dan wanneer men bepaalt, (waarom r)] . P , p—1 . »— 2 , o d j i *"+' 11 +«i« -f 4- . . . . 2. bewijs, nat wanneer —— = —— ^ J_ je, f I » 1 ! I P—2 I n -\-b{7i -f-6sw -{-•••• de reeks convergeert of divergeert, naarmate />i — a, > dan wel 'J is. 1 1 ^ 1 2 S 3. Onderzoek de reeks 1 4- .v + -x2 -I- —.«3 4- as* 4- 2 3a ~ 43 ' '' * ± v 1 , 2^'2 , 3^ , 4.r* 4. En ook —r~.; 4 —— 4 L 12.33 33.52 53.73 72.92 ^ k v \ 1 1 x , 12 «2 1.2.3 .Ï3 1.2.3.4 5. En de reeks —-—) 1 _ Z_ 1 3 4 3.5 5 ^ 3.5.7 8 ^ 3.5.7.9 13 + "' wanneer de noemers 4, 5, 8, 13, enz. een rekenkundige reeks van de tweede orde vormen. 6. Het zelfde wordt gevraagd van de reeks , l'3 , , 12.33 . 12.32.52 x 4- -\ ,r' -I — j-7 4- 22.3 ^ 22.42 5 ^ 22.4i.6i!.7 + ''' 7. Onderzoek de reeks 1 — 2.c® -J- 3a;1 — 4,e6 -f- bx* ... 8. Eindelijk de reek» (0' + i (0 + !.(*)'+ I(ïJ + ... g. Wij zullen later zien, dat er in de Algebra verscheidene uitdrukkingen door middel van reeksen worden berekend. Zijn die uitdrukkingen, zooals gewoonlijk, onmeetbaar, dan moeten van de bedoelde reeksen zooveel termen worden berekend, dat de weggelaten termen alle tezamen geen invloed meer uitoefenen op het verlangde aantal decimalen. Heeft men cw;a£-convergeerende reeksen, d.w.z. zulke, waarvan de som slechts langzaam tot de grenswaarde nadert, dan heeft men daartoe veel termen noodig; bij .vfc/'/.-con vergeerende reeksen, die snel tot de grenswaarde voeren, kan men dikwijls met een zeer gering aantal termen volstaan. Men moet er daarom steeds naar streven reeksen afteleiden, die zoo sterk mogelijk convergeeren. Vraagt men bv. naar de grenswaarde van de som der reeks 1 + 1 -f I J_ 1 l _J_ I ? 2 T 2.3 r 2.3.4 ^ 2.3.4.5 + in 4 decimalen nauwkeurig, clan vindt men, met 5 decimalen rekenende : 2 -|_ 0,50000 -f 0,16667 -f 0,04167 + 0,00883 -f-f 0,00139 + 0,00020 + 0,00002. Men ziet gemakkelijk in, dat men bv. den vierden term verkrijgt, door den derden door 3 te doelen ; den vijfden, door den vierden door 4 te deelen ; enz. De 10e term heeft reeds geen invloed meer op de 5e decimaal, zoodat men, de eerste twee niet medegerekend, met < termen der reeks kan volstaan. A oor de som vindt men nu benaderd 2,71828, dus in 4 decimalen nauwkeurig 3»,7183. Deze reeks was dus tamelijk sterk convergeerend. Daarentegen zal de reeks 1 — Va + 7s — lh + • • i waarvan de som tot V4 rr = 0,785398... nadert, slechts zeer langzaam convergeeren. De leerling ga eens na hoeveel termen er noodig zijn, om de eerste vier decimalen, nl. 0,7854, nauwkeurig te berekenen. 4 TWEEDE LES. logarithmen. 1. Bepalingen, enz. Heeft men de eiyjonfn/iüf^/vergelijking (zie Deel I, hl. 210) 10 =100, zoo ziet men onmiddelijk, dat •r=2. Maar heeft men optelossen de vergelijking 10* = 3, dan is het niet mogelijk door middel van een of meer deitot nu toe behandelde bewerkingen (optelling en aftrekking, vermenigvuldiging en deeling, machtsverheffing en worteltrekking) rechtstreek* de waarde van te berekenen. Wij zullen spoedig zien, dat men dergelijke onbekende exponenten door middel van convergente reeksen kan bepalen. Men noemt ze logarithmen. In liet algemeen verstaat men onder de logarlthme (verkort geschreven /ot/) van een getal (i: de macht waartoe een bepaald getal p (grondtal of basis genoemd) moet verheven worden, om het gegeven getal a opteleveren. Volgens deze bepaling zijn dus de beide vergelijkingen P v = a ; ,x — log a volkomen gelijkwaardig. Evenzoo de vergelijkingen 10* = 3 en x = log 3. Voor het bepaalde grondtal neemt men gewoonlijk het grondtal 10 van ons tientallig stelsel. Wordt een ander grondtal gebruikt, dan doet men goed dit rechts onder aan het woord log te zetten. In plaats van x=loga, voortvloeiende uit px = a, schrijft men dus liever x = lo, grooter dan 1, dan zou toch in elk geval blijven gelden : log 0 — — cc ; log 1 = Q . iQ!l qc _ ^ _ Immers bij p > 1 is = o (zie Deel I, bl. 171), derhalve is de log. van 0 steeds — — cc. Evenzoo zal de log. van 4-qo altijd = -f oc zijn. Want bij /, > 1 is />cc— oo. En eindelijk is voor elke eindige waarde van p steedsp = 1, zoodat log 1 in elk stelsel = 0 is. De bovengenoemde grenswaarden zijn dus in elk stelsel (mits p 1) het zelfde; alleen zullen de tussehenliggende logarithmen telkens anders uitvallen, wanneer een ander grondtal wordt genomen. Hierbij geldt evenwel altijd, dat logp = 1, log p~ = 2, enz. En dat log % = — 1, % V^ = — 2, enz. Grafisch voorgesteld krijgt men dus het volgende verloop van de logarithmen der verschillende getallen van 0 tot-f oo. (De getallen worden in horizontale richting afgezet, de logarithmen in vertikale tig. 2). Men ziet dadelijk — zooals trouwens ook uit bovenstaand overzicht — dat wanneer het grondtal /> 1 is, getallen kleiner dan 1 negatieve logarithmen hebben, en getallen grooter dan 1 positieve logarithmen. Verder is het duidelijk, dat wanneer p > O, negatieve getallen geen logaritlimen bezitten. Want is p positief en a negatief, dan is aan de vergelijking j/t rrr a onmogelijk door reëele waarden van x te voldoen. Wij zullen later zien, dat x in dit geval imaginaire waarden verkrijgt. Ook ziet men terstond, dat wanneer p > 1, bij eei\grooter getal een "J = a", derhalve nx = log a", of u log a — log a". Hetzelfde bij log \/ a. Men brenge de bovenstaande eigenschappen eens onder woorden. De bewezen eigenschappen stellen ons in staat de logarithmen van alle deelbare getallen te berekenen, wanneer de log. van de ondeelbare factoren bekend zijn. Zoo is bv. log(5 = log(2x3) = log2-{-logli, en log<±2 = log2-\-log'A~\-log". Evenzoo zal log 12 = log (23 X :*) — 2 log 2 -f log 3 zijn. En log 8 = log 23 = 3 log 2. 10 Ook is log 5 = log = log 10 — log 2. In het gewone log.stelsel (waar p = 10) is dus log 5 = 1 — log 2. Verder is log '/2 = — log 2 (waarom ?); log '2/s = log 2 — log 3 ; log 0,2 = log 2/ln = log 2 — 1 (wanneer j) = 10). Enz. Enz. Het is nu ook gemakkelijk aan te toonen, dat wanneer de getallen een meetkundige reeks vormen, de logarithmen een rekenkundige reeks zullen vormen. Inderdaad, stelt men de getallen voor door a, ar, ar-, enz., dan zijn de overeenkomstige log. volgens de behandelde eigenschappen: log a , log a -f log r , log a 2 log r , enz. Dit is echter een rekenkundige reeks met het verschil log r. c. Hieruit volgt nog, dat (bij //^>1) de logarithmen veel minder sterk zullen toenemen dan de getallen, waartoe zij behooren. Is bv. a = 100, dan is bij /> = 10, log a = 2 ; is echter a = 10 ', dan is log a nog maar =6. Wel nadert ook log a tot cc, wanneer a tot x nadert, maar de verhou- log (t ao ding —, die dan den onbepaalden vorm — aanneemt, zal a oo , , . , 12 3 6 daarbij tot 0 naderen. Zoo nadert bv. —, , , —, J 10 100 1000 10» enz. duidelijk tot 0. Nadert a tot 0, dan nadert log u tot — x, maar het product a 1o en is de vraag tot een meer eenvoudige teruggebracht (Deel 1, blz. 142). Heeft men bv. y = & (1. c. blz. 172), dan wordt log y = — x log x, waarvan we zooeven zagen, dat dit tot 0 nadert, wanneer x tot 0 nadert; y nadert derhalve in dit geval tot 1. Wij hebben dus : Lim. .r* — 1 (.« = 0). Nadert v lot oo, v tot 0, dan komt er log y = 0 X alzoo weer denzelfden onbepaalden vorm. Zoo volgt bv. uit y = v^x — x1' de betrekking log y = log x ... = 1 jx log x. Nadert nu x tot x, dan nadert (zie boven) tot 0, derhalve y wederom tot 1. Wij vinden dus : X Lim. 1/ x = 1 (x — co). Nadert ten slotte u tot 1, v tot x, dan ontstaat weei log 1/ = oc X 0. Een voorbeeld hiervan zullen we later ontmoeten. 3. Vraagstukken. 1. Wanneer van een log.stelsel het grondtal 3 is, hoegioot zijn dan de logarithmen van 9, 243, V27» ^ •*> v' 3, 1K9 en —81? 2. Van welk getal is de logarithme wanneer 16 liet grondtal is ? 3. En welke waarde heeft in liet algemeen ,r, wanneer log x = n is ? (/> = 10). ^ an welk getal is dns degewone log. = 1/ 2 ? 4. Welke waarde heeft log wanneer log a = 1 -/3 ? 5. Bereken ook eens log wanneer log&'a = 2'/2. 6. Wanneer 10 liet grondtal is, hoeveel is dan 10'".''7 ? 7. Bereken zoo snel mogelijk log 15 -}- log 24 — 2 //c — % 0,4. 9. Druk eens log 6'/4 uit in log 2 (p = 10). 10. Los oj) uit de vergelijking 5*=21—(Vermenigvuldig beide leden met 2*). 11. Ook uit 10*+1 — 6 Xl(^ + = 41. (Stel 10" = y). [Neem van beide leden de log.]. 12. Welke waarden van x voldoen aan de vergelijking Jogr— 10 (p — 10)? 13. En aan (3,c)lo9**—* Hx = \ (p — 10) ? [Het is hier niet noodig van beide leden de log. te nemen, wanneer men bedenkt op welke twee manieren een macht = 1 kan worden]. 14. Bereken x uit log x — — % log 8. (Breng in het 2e lid — % onder het log. teeken). 15. En eveneens uit log x ~ V3 (2 log a — 3 log b). [Maak liet 2e lid weer tot éen log.]. 16. Ook uit logx~ = 2-\-logx, wanneer het grondtal = 10 is. Brengt men log x naai' liet lc lid over, dan komt er log x3 — log x — 2, derhalve 2 log x — log x = 2, of log x = 2, zoodat men voor x de waarde 100 vindt. Had men geschreven logx'!=logi00-\-logx=logl00x, en daaruit opgelost x~ = 100,v, dan zou men behalve c _ j()() q0j{ gevonden hebben x — 0. Maar deze laatste waarde voldoet blijkbaar niet, want nadert x tot 0, dan nadert log x tot — cc, % ^ daarentegen tot 2 X — <», zoodat deze waarden bij de grens nimmer aan elkaar gelijk kunnen worden, integendeel oneindig zullen gaan verschillen. I)e fout van de oplossing ligt hierin, dat uit een vergelijking als logx~ = log 100.e niet altijd volgt ,j.s — 100,j', wanneer beide leden tot 0 naderen. Alleen wanneer de graad der beide tot 0 naderende vormen onder de log. teekens de zelfde is, zullen de log. beide tot — x van de zelfde orde naderen. 17. Welke fout maakt men, door bij de oplossing van 2 log x = 3 {p = 10) te schrijven log.v2 = 3, x* = 1000, x= ± 10V10? 18. Welke waarde van x voldoet aan de vergelijking log (x — 2) = log — 4) 1 ■ 19. Tot welke grenswaarde nadert (x-f, wanneer x tot 0 nadert? En / * ? 1 ^eid beide uitkomsten ook uit de bekende grenswaarde^ van x at. 20. En wat weet gij van x , wanneer x tot 0 nadert ? En van (ly xf ? Logarithmentafels. Wij zagen boven ï'eeds, dat de log. uit alle deelbare getallen uit de log. der factoren kunnen worden afgeleid. Blijven dus alleen de ondeelbare getallen over, zooals 2, 3, 7, 11, 13, enz. [log 5 is uit log 2 te vinden (zie boven), wanneer p = 10]. Onderstellen wij in liet volgende het grondtal steeds = 10. Wij spreken dus over de gewone of Briggs sche logarithmen. In de eerste plaats is liet duidelijk, dat alleen de log. van de getallen, die termen van de schaal van liet tientallig stolsel zijn, door geheele getallen worden voorgesteld. Zoo is log 100 = 2 ; log 0,001 = 3. Maar in de tweede plaats kan gemakkelijk worden aangetoond, dat wanneer de getallen meetbaar zijn, doch geen termen van He schaal, de log. onmeetbaré getallen zullen wezen. Geheel kunnen ze onmogelijk zijn, inaar liet zou kunnen wezen, dat ze door gebroken getallen konden worden voorgesteld. Dit is echter onmogelijk. Immers, stel dat bv. j l l log ó/— was, waar dus — een breuk voorstelt tusschen m m 1 en 2. Dan zou lo'/m = 37 moeten zijn. Derhalve lü' = 37"'. En dit laatste is onmogelijk, want in lü', waar / een geheel getal is, zijn een gelijk aantal factoren 2 en 5; in 37"', waarin ook m geheel is, nimmer. Er blijft dus niet anders over dan dat log 37 onmeetbaar is. En zoo ook voor alle meetbare (geheele of gebroken) getallen, die geen termen zijn der schaal. (Hoe is het bewijs voor gebroken getallen?) Alleen als de getallen zelf onmeetbaar zijn, kunnen de logarithmen meetbaar (gebroken) zijn. Immers men heeft bv. 10 —i/10; zoodat de log. van het onmeetbare getal V10 liet meetbare getal J/g is. Nu worden in een log.tafel alleen de log. aangegeven van opvolgende geheele getallen; deze log. zijn derhalve alle onmeetbaar, voor zoover de getallen geen termen zijn van de schaal van liet tientallig stelsel. Er dient hierbij te worden opgemerkt, dat die onmeetbare logarithmen nimmer wortelvormen kunnen zijn, want bv. 10 , en dus evenzoo bv. 103"*"1 2 of 10 5 (Iaat dit eens zien) leveren onmeetbare en geen geheele getallen tot uitkomst. (Zie ook Deel I, blz. 168—169). De onmeetbare logarithmen nu van de opvolgende geheele getallen worden in de tafels in een zeker aantal decimalen nauwkeurig opgegeven. De ineesle tafels <-even slechts 5 decimalen aan, hetgeen voor de praktijk meer dan voldoende is. Bij sommige bijzonder nauwkeurige berekeningen heeft men een enkele keer grootere tafels met 7 decimalen noodig. De geheelen van de log. noemt men de wijzer, de decimalen de mantinse. Zoo is van % 20 = 1,30103 de wijzer =1 en de mantisse 30103. In de tafels geeft men alleen de mantisse op ; de wijzer voegt men zelf op het oog daarbij. Hiervoor gelden dan de volgende regels. a. Voor een term der schaal, waar de log. geheel is, bevat de log. zooveel (positieve of negatieve) eenheden als er nullen in den bedoelden term voorkomen. Zoo is bv. log 1000 = 3, log 100000 = 5, log 0,01 = — 2. b. Voor getallen >1, waar de log. positief zijn, bevat de wijzer een eenheid minder dan het aantal cijteis, waainit c qeheelen van het getal bestaan. Zoo is bv. de wijzer van log 317,4 = 2, als liggende tusschen log 100=2 en %1000 = 3; en die van log 7,52=0, als liggende tusschen log 1=0 en log 10 = 1. c Bij getallen <1, waar de log. negatief zijn, neemt men de mantisse altijd positief, alleen de wijzer wordt negatief gerekend. Heeft mei. bv. log 0,057, dan denkt men zich dit als log ~ = log 5,7 - log 100 = log 5,7 (— 2) = 0,75587 (-2). Het positieve gedeelte heeft dus altijd den wijzer 0, terwijl de negatieve wijzer tnsschen haakjes achter de mantisse wordt gezet. Men is echter gewoon inplaats van 0,75587 ( 2) te schrijven 8,75587 (— 10), zoodat de negatieve wijzer altijd _ J() wordt, terwijl de positieve wijzer veranderlijk is. Oin nu die negatieve wijzer uit het hoofd te bepalen, telt men het aantal nullen, dat liet eerste cijfer van waarde voorafgaat. r Bij log 0,057 bv. gaan er twee nullen voorat aan de o, derhalve zal de negatieve wijzer = — 2 ol 8 (—10) zijn. Waarin ligt nu het groote voordeel van het gebruik van het grondtal 10? Immers hierin, dat nu bv. log 23,7, log 237, l0<) 23700, log 2,37, % 0,237, log 0,00237, enz. alle slechts m dèn wijzer zullen verschillen, terwijl de mantisse onveranderd blijft. Want bv. log 0,00237 = log (237 :10') = log 237 - o, en log 23700 = log (237 X 10*) = log 237 + 2 ; enz. enz. Het komt er dus in het geheel niet op aan, wat demon- ' Ctt' waar de komma staat, of hoeveel nullen het getal voorafgaan ot volgen. Daardoor heeft men telkens slecht, een getal in de tafel op te nemen inplaats van een groot aantal, bv. alleen 2370 inplaats van al de bovengenoemde en nog meer getallen, zoodat de omvang van een lo"- tafel beperk, blijft Wa„ bv. 8 he« grondtal v„„ „et ,„g,W da , , zonden alle genoemde getallen andere manttaen hebben O 'ad, en dus in de tafel moeten worden opgenomen. co" ,afe' ™ 5 decimalen de log. van alle geheele getallen aan van af 1000 tot en met 10000. Een tafel van ƒ decimalen loopt van 10000 tot 100000. Wat de verdere ^••ian T l0rtafel betreft'de ,eerlinska» daarvan 0 akkel ijker door de bestudeering van de tafel zelf1) dan oor de uitvoerigste beschrijving op de hoogte komen. [A beteeken Numerus = Getal; L is Logarithmusl. een willen wij nog iets zeggen over het opzoeken van van getallen, die niet in de tafel voorkomen. S'ei' da; bov:ow0rdt »evr:iag'd % 342,57, dan zoeken we ee.st op og 342,5, die in de tafel staat. Bij het getal 3425 aju en wij nl de mantisse 53466, terwijl de wijzer blijkbaar ■— i is. Derhalve is reeds lo,j 342,5 =Z 2,53466. Maar daar uit de tafel blijkt, dat log 342,6 = 2,53479, en dei hal ve 13 eenheden van de laatste decimaal grooter is s!m3 > "p t^f2'57 be,mderd' d001' V'o van liet ver-' optetellen. Derimlve **■ loc, 342,57 = 2,53475. Wat wij dus doen, is lineair inf,>rpoleeren, d.w.z. wij beschouwen hg 3425 en % 3426 ais .wee opeenvolgende ( • de n en (n + l)e) termen van een rekenkundige reeks van de eerste orde, waartusschen wij de (n + 0,7)« term l) Zeer goede tafels zijn o. a. die van A. J. van Pesch, en van Wittste.n de laatste een duitsche tafel. wittstein interpoleeren. Meetkundig gesproken, verbinden wij de punten der logarithmische kromme (zie fig. 2, blz. ;>3), welke niet de getallen 3425 en 3426 overeenstemmen, i'.oor een rechte lijn, en bepalen op <üe rechte lijn liet punt, dat met liet p-etal 3425,7 overeenstemt. Natuurlijk wordt door dit interpoleeren een geringe fout gemaakt (het rechte lijntje valt niet met de kromme samen, al is het verschil nauw merkbaar), maar wanneer de getallen uit 4 cijfers bestaan - zooals liet geval is, wanneer de getallen tusschen 1000 en 10000 inliggen - dan za die fout geen invloed hebben op de 5" decimaal der loganthme. Evenzoo zal, wanneer de getallen uit 5 cijfers bestaan alzoo tusschen 10000 en 100000 inliggen - de fout, dooide interpolatie gemaakt, geen invloed uitoefenen op de en verdere decimalen van de log. zouden overeenstemmen. Zoo is 0,7 van 13 eigenlijk =9,1, maar daarvoor schrijven we 9. Moeten we 0,5 van 11 optellen, dan wordt inplaats van 5,5 gerekend 6. Enz. Teneinde dit interpoleeien te vergemakkelijken, heelt men in de log.tafel interpolatietafeltjes opgenomen (onder P.P., d.w.z. Parties Proportionales), waarvan de inrichting uit zich zelve duidelijk is. Hoe men nu omgekeerd bij een gegeven log. het bijbe- hoorend getal bepaalt, is eveneens duidelijk. Moet men bv. liet getal bepalen, waarvan de log. = 9,43258 (—10) is, dan zoekt men in de tafel, vooreerst niet lettende op den wijzer, bij de mantissen naar 43258. Men vindt bij 43249 het getal 2707. Verder ziet men, dat bij 43265 liet getal 2708 behoort. Daar nu 43258 van 43249 verschilt 9 eenheden, en 43265 van 43249 verschilt 16 eenheden van de laatste decimaal, zoo zal het gevraagde getal = 2707 -}+ Vi6 X 1 = 2707,6 zijn. Immers in liet interpolatietafeltje vindt men, dat s/ic overeenstemt met 0,5, en 9'6/](i met 0,6; dit laatste is dus liet dichtst bij %e- Ook bij het terugopzoeken bepale men nl. nimmer meer dan 5 cijfers. (Staat de gegeven log. toevallig in de tafel, dan behoeft men niet te interpoleeren, en schrijft men als 5e cijfer een 0). Neemt men nu in acht, dat in ons voorbeeld de wijzer = 9 (—10) is, dan vindt men dus voor liet gevraagde getal 0,27076. 5. Het rekenen met logarithmen. Logarithmen zijn zeer gemakkelijk, wanneer men producten, quotiënten, machten en wortels moet bepalen. Geven wij van elk dezer bewerkingen een voorbeeld. a. Zij gevraagd te bepalen : .v = 23,578 X 5,0496, dan heeft men dus: log ,v — log 23,578 -|- log 5,0496, hetgeen men op de volgende wijze schrijft: log 23,578 = 1,37250 log 5,0496 = 0,70326 op. log x = 2,07576 &■ = 119,06. Hij het opzoeken van x uit log x had men te interpoleeren tusschen 07555 en 07591, zoodat inoest bepaald worden ei/36Xl, gevende 0,6. (zie het interpolatietafeltje bij 36). b. Berekenen wij in de tweede plaats: _ 0,044613 '' ~ 0,68925 ' Men heeft: log.v — log 0,044613 — log 0.68925, derhalve : log 0,044613 = 8,64946 (— 10) log 0,68925 = 9,88838 (— 10> log x — 8,81108 (— 10) ' sr = 0,064726. Toevallig is liet geïnterpoleerde deel alweer 0,6. Men begrijpt, dat om de aftrekking der beide log. mogelijk te maken, men den negatieven wijzer van liet aftrektal in gedachten = 18 (— 20) moet nemen. Wij zien dus, dat vermenigvuldiging en deeling van getallen niet veel cijfers door middel van logarithmen wel iets vlugger gaat dan langs directen weg. Toch moet men liet voordeel „iet overschatten. Om bv. 25,6 met 378 te vermenigvuldigen, zal wel niemand log. gebruiken. c. Zij gevraagd te berekenen : x — (4,o6)\ Men heeft dan : loff x o log 4.o6. dus': Ion 4.56 = 0,65896 " —- 5 log x — 3,29480 ' x = 1971,5. Om lot/ 4,56 optezoeken, zoeke men naar % 4560. Altijd door nullen aanvullen tot 4 cijfers. Hier geeft het gebruik van log. inderdaad veel vereenvoudiging : in enkele oogenblikken bepaalt men de 5e macht van 4,56, waarvoor men langs directen weg geruimen tijd zou noodig hebben. Dit voordeel wordt des te grooter, naarmate de exponent der macht grooter is. Om bv. 2,1+ te bepalen (zie blz. 10), heeft men eenvoudig te berekenen 64%2=64x0,30103=19,266, waarbij het getal 18,4xl0ls behoort. Wij vonden vroeger 18,4467 ... X Men vindt de gevraagde macht dus nooit geheel nauwkeurig, maar toch voor het beoogde doel nauwkeurig genoeg. Wil men 2'i+ nauwkeuriger bepalen, zoo gebruike men een tafel met 7 decimalen. Wij zouden dan gevonden hebben log 2 = 0,3010300, derhalve 64 log 2 = 19,26592, en dus 26* = 18,447 X 10IS. d. Nog meer nut hebben de log. bij de berekening van wortels. Men kan rekenkundig den 2en, 3en, ja zelfs den 5™ wortel uit een getal bepalen, maar reeds liet bepalen van den 3en wortel is zoo tijdroovend, dat men deze bewerking nimmer direct, maar altijd door middel van log. uitvoert. Destemeer geldt dit voor den 5™ en hoogere wortels, die men rekenkundig nauwelijks of'in het geheel niet meer kan trekken. Bepalen wij bv. x = 0,043287, dan is log x = '/. log 0,043287, derhalve: %0,043287 = 8,6363(5 (— 10) log ,v = 9,80519 (— 10) x — 0,63854 Om 8,63b36 ( 10) dooi' t te kunnen deelen. maakt men van 8 (— 10) in gedachten 68 (— 70). e. Ook bij de bepaling van machten met onmeetbare exponenten zijn de log. onontbeerlijk. Wij hebben bv. op blz. 168 van Deel 1 gezien, hoe men uitdrukkingen als 2 kan bepalen. Zonder logarithmen — wij merkten het aldaar reeds op kan de berekening in het geheel niet worden uitgevoerd. Wij hebben nu terstond : log x — V 2 X log 3, dei halve nog eens van beide leden de log. nemende: log log x — »/2 log 2 -f log log 3, hetgeen aldus komt te staan : log 2 = 0,30103 i/a % 2 = 0,15052 log 3 = 0,47712 log log 3 = 9,67863 (— 10) log log x = 9,82915 (— 10) log x =z 0,67476 x = 4,7289. Wij vonden vroeger (1. e.), dat x moest inliggen tusschen 4,70 en 4,75. Maar bij de berekening van dergelijke exponentieele vormen doen zich dikwijls moeilijkheden voor. Heeft men bv. , .... 0,8724fi ,v = 0,42ol , waar liet grondtal 0,4251 1 is, dan is : log ,v = 0,8724(3 log 0,4251. Maar daar log 0,4251 negatief is, zoo is ook log x negatief. Wij kunnen dus van beide leden niet opnieuw de log. nemen, tenzij wij de teekens der beide leden omkeeren, en schrijven: — log x — 0,87246 (— log 0,4251). Alsnu wordt : log (— log .t') = log 0,87240 -f- log (— log 0,4251). Wij verkrijgen dan verder: log 0,4251 = 9,62849 (-10) %0,87246 = 9,94075 (—10) — Ion = 0,37151 log (— log) = 9,56997 (—10) — op. log(-logx) = 9,51072 (—10) — log x = 0,82413 log x — 9,67587 (—10) x = 0,47410. [Om —log 0,4251 te bepalen uit log 0,4251, en log x uit — lo 1 of < 1) de exponent negatief is. Heeft men bv. x = p~v, en is/»>l, dan wordt logx — — — qlogp, waarvoor men echter schrijft —logx = qlogp, zoodat men ten slotte kan berekenen log {—log x) = log q + -|- log log p- Is )>). Aan den leerling zij het thans overgelaten de volgende uitdrukkingen te berekenen. 5 n n „0—■ 0 4330 g 47f,o x = 61,58 ; .K — 0,95124 8,4,5 . f. Ook berekene hij door middel van logarithmen den volgenden vorm. • c _ | 5 / (0,02318)3 : (0,5169)* '' ~ V 3^0871 X (0,0Ö8l89r ' Men make — ten einde vergissingen te voorkomen — niet alleen bij dergelijke ingewikkelde vormen, maar ook bij de uitwerking van meer eenvoudige uitdrukkingen, eerst een schema, dat men dan later invult. Zoo schrijve men voorde berekening van liet boven opgegeven vraagstuk vooraf het volgend schema op. lotj 0,02318 3 loif zzz ( lo3 = 75: Moet men % 2/3 bepalen, zoo deele men 2 niet eerst door 3, maar berekene '/j (/— 1 en <^1- (Zie ook Vr. 1 op blz. 43). Voor z — 1 vindt men : l (2) = 1 - V, + Va - V* + • • • = 0,093147 . . . Voor 2 = — 1 wordt Z(0) = -(i + 1/2 + 1/3+ v4 + ...). Deze laatste reeks is echter divergent, zoodat wij ook op deze wijze vinden, dat / (0) = — oc is. Om nu uit de gevonden reeks voor / (1 -f- z) bv. /(13) te berekenen, ga men te werk als volgt. Daar/(l3) = — /('/13) = — — / (1 — ,s/]3), zoo heeft men met z — — 18/J3 : l (13) = i2/i3 + V2 (l2/i3+ Vs (l2As)3 + • • • = 2,564949 .. . Sterker convergeerende reeksen krijgt men op de volgende wijze. Trekt men van /(I -f c) af: / (1 - e) = - (z + V2 ** + 1/3 ^ + V4~~4 + ...), zoo ontstaat: ^ = 2 (*+ Vs^ + V.*5+ ■••). 1+5 X—1 of wanneer -—- = x wordt gesteld, en dus z = —— is : waarin x blijkbaar alle waarden kan hebben, daar z steeds <1 blijft. , , 13-1 12 0 Zoo vindt men bv. voor /(13), daar — is: ld-fl 14 7 l (13) = 2 (% + Va (c/7):i + V3 (°/7)5 + -..)• Nog sterker convergeerende reeksen voor de berekening der NEPER'ache log. vindt men in Leerboeken over Hoogere Algebra. Voor ons doel is het medegedeelde voldoende, om een inzicht te verkrijgen in de wijze, waarop de natuurlijke log. kunnen worden berekend. Zeer zeker is dit van genoegzaam belang, om er eenige oogenblikken bij stil te «taan. Opmerking. Wij komen liier nog even terug op den onbepaalden vonn V, waarover wij op blz. 55 spraken. Heeft deze de gedaante (i + 4lx, dan nadert hij voor .v = 0 tot 1™. Maar we zagen reeds in Deel I, blz. 173, en ook boven (zie blz. 68), dat in dit geval de grenswaarde = e — 2,71828 . . is. Wij kunnen deze nu ook op de op blz. 55 behandelde wijze vinden. Uit y — (1 -f- •*') ' volgt nl. : l(y) = 7**0 + *) = V« (•« - V2 " + Vs *3 -•••)» derhalve '(//) = 1 — V2 x ~r V-'i,l" Dit nadert echter voor x = 0 tot 1, zoodat y tot e nadert. Gaan wij er thans toe over uit de natuurlijke log. de gewone of BRiGG'sche te berekenen. 7. Herleiding der Neper'sche log. tot Briggs'sche, en omgekeerd. Volgens de bepaling, van de log. van een getal gegeven, heeft men : , ...log a KaJ 10 =« > e —a 1 wanneer ft het getal is, en 10 en e de beide giondtallen zijn. Hieruit volgt echter: 10%« _ . Nemen wij nu van beide leden de NEPER'sche log., dan ontstaat : log a X = *(a)> derhalve K") (1) b!ia=m Neemt men van beide leden der genoemde vergelijking de BRiGGs'sche log., dan ontstaat : log a = l(a) X l°9 ei bijgevolg // * %a . '(">=%7 Wij zien derhalve, dat om uit de NKPER'sche log. de BRiOGs'sche te berekenen, men de NEPER'sche log. slechts heeft te deelen door de NEPER'sche log. van 10; en dat teneinde omgekeerd uit de BRiGGs'sche log. de NEPER'sche terug te berekenen, men de Briggs'scIio log. moet deelen door de BRiGGs'sche log. van e. Altijd dus deelen door de oude log. van het nieuwe grondtal. Natuurlijk geldt dit zelfde voor twee willekeurige grondtallen p en q. Uit de vergelijkingen (1) en (2) volgt, aangezien l(a) 9 " ~ /(ÏO) = ^ x l!'* is, dat lort e - '//(in), wat men ook onmiddelijk uit de betrekking 1 e = e kan afleiden, door van beide leden de NEPER'sche log. te nemen: log e X /(10) = 1. Het standvastige getal 7(10), waardoor men volgens (1) alle Neper'scIic log. moet deelen, om de BRiGGs'sche te berekenen, kan door middel van de in § 6 gegeven reeksen gemakkelijk worden berekend. Uit de aldaar afgeleide reeks vindt men bv. : /(10) - 2 ;9/n + '/3 (•/„)» -f i/5 (»/,,)■• -f . . .} — 2,3025851 . . . Men vindt dus voor log e = 1/i(io): loti e. — 0,4342945 . .. Nu noemt men den standvastigen factor '//(io) of lo<) e, waarmede men alle NEPER'sche log. moet vermenigvuldigen, om de gewone log. te verkrijgen, de modulus van het gewone log.stelsel. [Evenzoo zou V/i» of logf, e de modulus zijn van het stelsel, waarvan het grondtal = p\. Wij hebben dus ten slotte : loc, a = l(a) X M = %) x 0,43420 1 (8) /(«) = lo;7 rt X '/n — (t X 2,30259 j wanneer wij /(90°—a); coseca = src(90°—a). . (1) Zoo is hv. cos 60° = sin 30°, cot 20° = tij /0J. b. Uit de in § 2 gegeven bepalingen volgt onmiddellijk: gin a X cosec a — 1 ; cos a X ™c " = 1 ? <«/ "Xw'"=l (2) Men kan dit gemakkelijk onthouden, door de 6 goniometrische betrekkingen in deze volgorde naast elkaar te schrijven: sin. cos. t da'1 is cot. = 'i/-2■ c. Eveneens vindt men terstond : sin a cos a . tq a — ; cot a = —— . • • • cos a sin a (I. Past men de Stelling van Pythagoras toe op den rechthoekigen driehoek ABC(fig- 3), dan vindt men uit a2+b*=c2, resp. na deeling van beide leden door c", b* en a2: sin2 a -4- cos2 a = 1 ; 1 4- t n i i.„t scherp. Verder zijn de hoeken \OC2 en AOD.2 (hoeken in het tweede kwadrant genoemd) > 90°, maar < 180°, derhalve stomp. Eindelijk zijn de hoeken A OCa en A 0C± (hoeken in het derde kwadrant) >180' en < 270" ; de hoeken AOC\ en AODi (hoeken in het vierde kwadrant) 270° en 360°. Deze beide laatsten soorten zijn dus inspringende hoeken, terwijl de beide eerste soorten (de scherpe en de stompe) uitspringende zijn. Een hoek „in" het tweede kwadrant ligt dus niet met beide beenen in dat kwadrant, maar alleen niet het tweede (bewegelijke) been. Het eerste (vaste) been OA wordt altijd horizontaal gedacht, overeenstemmende iuet O1, Hetzelfde geldt voor een hoek „in" het derde en vierde kwadrant: slechts éen been, liet bewegelijke, ligt daarin ; het andere, vaste, valt altijd in de richting van O'. a. Het is mi duidelijk, dat voor hoeken in liet eerste kwadrant de verhoudingen C\P\ : OC\, l)iQ\ '• ODlt enz. de sinussen der hoeken AOCi, A01)\, enz. voorstellen. Want dat is in overeenstemming (waarom ?) niet de bepaling, uit den rechthoekigen driehoek afgeleid (zie § 2). Dit nu uitbreidende over hoeken 90\ zoo zal men inzien, dat men CiP3:OCo, DzQi • ODit enz. de sinussen der hoeken AOC\ en AOD-i in liet tweede kwadrant moet noemen. Enz. In den cirkel is dus de sinus van een hoek altijd de verhouding van de projecteerende loodlijn van het uiteinde van het bewegelijke heen op het vaste, tot den straal van den cirkel. Deze loodlijnen worden in het eerste en tweede kwadrant van boven naar beneden getrokken ; in het derde en vierde echter van beneden naar boven. Daarom moet men in het derde kwadrant niet 6':i 1\ : OCi} maar — C3P3 : OCA de sinus noemen van X AOG\ ; en evenzoo —D:iQi:OD3 de sinus van /_ AOD3. En 0111 de zelfde reden zullen in het vierde kwadrant — CJ\ : OC\ en DtQ4: OD+ de sinussen zijn der hoeken AOCa en AODt. De sinus is dus positief in I en II; negatiefin 111 en IV. Positief alzoo in de kwadranten boven de horizontale middellijn AA' ; negatief in de kwadranten daar beneden. Uit de figuur ziet men verder, dat bij 0° de sin. ook = 0 is, waarna hij gestadig aangroeit, tot hij bij 90° de grootste positieve waarde 1 bereikt (OB: OB). Daarna neemt de sin. weer af', 0111 bij 180° nogmaals 0 te worden. I11 het derde kwadrant wordt de sin. negatief', blijft afnemen (in absolute waarde neemt hij toe), 0111 bij 270° de grootste negatieve waarde — 1 te bereiken (— OB' : OB'). Eindelijk neemt hij in het vierde kwadraat weer toe (in absolute waarde af), en wordt bij 36Ü3 wederom = 0. 6 Men kan zoo doorgaan, en het bewegelijke heen van den hoek nog verder laten draaien, zoodat het weer in het eerste kwadrant, enz. komt. Men krijgt dan hoeken > 360°. Alles herhaalt zich dan weder op geheel de zelfde wijze als in de eerste vier kwadranten. Stelt men dit grafisch voor (de hoeken gemeten in horizontale richting, de sinussen in vertikale), dan krijgt men de volgende voorstelling. Men verkrijgt dan de z.g. siniislijn, ook wel golflijn genoemd, daar deze lijn benaderd de golvingen van een in trilling gebracht oppervlak (of ruimte) voorstelt. De sinus is dus =0 bij 0°, 180°, 360°, 540°, enz. (algemeen bij (P -f n X 180°). Hij is -f 1 bij 90°, 450°, enz. (algemeen bij 90° +»X 360°); _ J bij 270°, B30°, etc. (algemeen bij 270" -f n X 360°). Hierbij kan n alle geheele waarden van 0 tot oc hebben. Rekent men niet verder dan tot 360°, dan kan men ook zeggen : De sinus is =0 bij 0° en 180° ; ± 1 hij 90" en 27(P. De laagste waarde dus in de horizontale standen van het bewegelijke been van den hoek, de hoogste waarde (absoluut gerekend) in de vertikale standen. b. (taan wij nu over tot den cosinus van een willekeurigen hoek. Voor hoeken in het eerste kwadrant, bv. /_AOC\, is deze blijkbaar = OP\ : OC\, in overeenstemming niet de bepaling in den rechthoekigen driehoek (laat dit eens zien). Breidt men dit nu weer uit over hoeken > 90°, dan zal men voor den cosinus der hoeken AOQ, AOC\ en AOC\ resp. moeten nemen — OI\ : OC\, — OP3 : OC\ en 01\: OCé. De cosinus van een hoek wordt derhalve in den cirkel altijd gemeten door de verhouding van de projectie van het bewegelijke been op het vaste, tot den straal. En wel vvoidt de cosinus positief gerekend, wanneer de projectie rechts van de vertikale middellijn BB valt; negatief, wanneer deze links daarvan komt fe vallen. De cosinus is derhalve positief in I en IV; negatief in II en III. Uit lig. 6 volgt onmiddelijk, dat de cos van 0° = 1 is; dat zij daarna afneemt, om bij 90° = 0 te worden ; negatief wordt en verder afneemt (absoluut toeneemt), om bij 180° zijn grootste negatieve waarde — 1 te bereiken ; wederom toeneemt (absoluut afneemt), om bij 270° nogmaals = 0 te worden ; daarna (in het vierde kwadrant) weer positief wordt en aangroeit tot de waarde 1 bij 360°; enz. enz. Dit geeft de volgende grafische voorstelling. Men ziet, dat deze cosinuslijn ook weer een golflijn is ; liet eenige onderscheid ten opzichte der sinuslijn is dit, dat de sinuslijn 90° naar links verschoven is. Wat de sinus bij 90° is, is de cosinus bij 0°, enz. De cosinus is mitsdien = 0 bij 90° -f- ii X 180°; -f- 1 bij 0° 4- n X 360°; — 1 bij 180° + n X 360°. Rekent inen weer niet verder dan 360', zoo kan men zeggen: De cosinus is = 0 bij 90° en 270°; ± 1 bij 0° en 180°. Juist omgekeerd als bij den sinus wordt hier dus de laagste waarde bereikt in de vertikale standen, de hoogste waarde (absoluut) in de horizontale standen van liet bewegelijke been. c. Om in den cirkel den tangens van een willekeui'igen hoek aan te geven, moeten wij in het punt A een vertikale raaklijn trekken (zie fig. 9). Deze lijn wordt ook wel lijn der tangenten genoemd, omdat daarop de tangenten der verschillende hoeken worden gemeten. Het is nl. duidelijk, dat om in overeenstemming te blijven met de bepaling in den 6* rechthoekigen driehoek, voor hoeken in het eerste kwadrant de tangens van bv. /_AOC\ zal gemeten worden door i O / i i t i s~\ r\ i ^1/Sj : OA ; die van /_ AODï door A T\ : OA ; enz. (waarom ?). Voor den tangens van hoeken >90°, bv. Z A0Cit Z A0l\, X A OC4, zal men bijgevolg moeten nemen resp. — ytS'2 : OA, ASs: OA en — AS4 : OA. De tangens van een hoek meet men dus in den cirkel door de verhouding van het stuk op de lijn der tangenten, van af het raakpunt tot aan het snijpunt met het bewegelijke been (of zijn ver¬ lengde), tot den straal. Daarbij wordt de tangens positief gerekend, wanneer dit afgesneden stuk boven het raakpunt ligt; negatief, wanneer het daar beneden ligt. De tangens is alzoo positief in I en III; negatief in 11 en IV. Deze teeken s zijn nu echter niet meer willekeurig. Wat den sinus en cosinus betreft, was men geheel vrij in zijn keuze, en hangt bv. het teeken van den cosinus niet af van dat van den sinus. Immers tusschen deze beiden bestaat de betrekking sini a -f- cos a = 1, waaruit volgt: cos a — -b 1/ 1 — sin3 a, en moet men dus voor den cosinus opnieuw een afspraak maken aangaande liet teeken, gelijk boven is geschied. Maar aangezien de tangens bepaald is door de formule sin a tg a = , cos a zoo is liet teeken daarvan nu volkomen bepaald. Men heeft nl. het volgende. ! I II III IV SM j —f~ -J- cos , 4- — — + tg T+ - + - En hiermede hadden wij in het bovenstaande in overeenstemming te blijven. Wat het verloop van den tangens betreft, zoo leert tig. 9 daaromtrent het volgende. De tangens van 0° is = 0. Zij neemt vervolgens toe, om bij 90° = ± x te worden. Het bewegelijke been loopt dan nl. / aan de lijn der tangenten. Nu komt de hoek in het tweede kwadrant, en neemt de tangens toe (absoluut af) van — x tot 0, welke waarde bij 180" wordt bereikt. In het derde kwadrant neemt de tangens andermaal toe van 0 tot ± oc (bij 27CT); wordt eindelijk in het vierde weer negatief en neemt toe (absoluut af) van — oo tot 0 (bij 360°); enz. enz. Fig. 10 laat van dit alles de grafische voorstelling zien. 7 • • 1 Deze tangenslijnen verloopen alzoo niet vloeiend als de sin.en cos.-lijnen : bij 90°, 270°, enz. vertoonen zich discontinuïteiten (zie Deel I, blz. 146), waar de kromme asymptotisch tot de in de figuur getrokken vertikale lijnen (asymptoten) nadert. In tegenstelling van sin. en cos., welke dan eens toenemen, dan weder afnemen, neemt de tangens altijd toe. Want van oo springt hij plotseling tot oc over, om dan weer opnieuw te gaan toenemen. De tangens is dus 0 bij 0' -f- n X 180 ; ± cc bij 90 -j+ » X 180°. Tot 360° rekenende, geldt mitsdien de regel: De tangens is — 0 bij 0° en '180° ; ± oc bij 90 en 2(0 ■ I)e laagste waarde wordt weer, evenals bij de» sinus, bij de horizontale standen van het bewegelijke been gevonden ; de hoogste waarde (absoluut) bij de vertikale standen. Daarbij dient Ie worden opgemerkt, dat bij den sin. bij 90° de waarde + I, bij 270° de waarde —1 werd bereikt, terwijl bij den tangens bij 90° zoowel als bij 270° gelijktijdig de waarden ± oo worden bereikt. d. Gemakkelijk zal het nu vallen den cotangens van een willekeurigen hoek in den cirkel aan te geven, en het verloop daarvan na te gaan. Daartoe trekke men, in plaats van de vertikale raaklijn in A, een horizontale in B — de lijn der cotangenten genaamd, wijl daarop de cotangenten worden gemeten. Want in het eerste kwadrant zal, teneinde niet de bepaling in den rechthoekigen driehoek in overeenstem¬ ming te blijven, de cotangens van /^AOC\ worden voorgesteld door BU1 : OB. (controleer dit eens). En bij uitbreiding zal men alzoo voor den cotangens van / AOC-2 moeten nemen — B t/o: OB; voor dien van ^ AOCz, BUS : OB; en eindelijk voor dien van / AOC\, Blu. OB. In den cirkel wordt derhalve de cotangens van een hoek gemeten door de verhouding van het stuk op de lijn der cotangenten, van af het raakpunt tot aan het snijpunt met het bewegelijke heen (of zijn verlengde), tot den straal. Positief wordt daarbij de cotangens gerekend, wanneer dit stuk wordt gemeten rechts van liet raakpunt; negatief, wanneer het er links van gemeten wordt. Evenals bij den tangens heeft men derhalve : De cotangens is positief in I en III; negatief in II en I Vr. Dit is geheel in overeenstemming met de betrekkingen cos a 1 sin a ta a zooals de leerling gemakkelijk zal kunnen nagaan. Het verloop van den cotangens kan men uit fig. 11 onmiddelijk nagaan. Men ziet nl., dat de cotangens van 0° = qc oo is, daar dan liet bewegelijke heen // loopt aan de lijn der cotangenten (eerst — oo, komende uit het 4e kwadrant; onmiddelijk daarna -f- cc, tredende in het le). Daarna treedt afname in, tot bij 90° de waarde 0 wordt bereikt. Nu wordt de cotangens negatief, neemt verder af (absoluut toe), tot hij bij 180° weer is. In het derde kwadrant weer afname tot de waarde 0 bij 270". Eindelijk in het vierde kwadrant nogmaals negatief wordende, neemt de cotangens weer af (absoluut toe), tot hij bij 3(50" weer = =f x geworden is. Enz. Enz. Dit wordt grafisch voorgesteld door fig. 12. Deze cotangenslijnen zijn dus geheel analoog aan de tangenslijnen ; wederom vertoonen zich discontinuïteiten, nu bij 0°, 180°, enz., waar de lijnen asymptotisch tot de getrokken vertikale lijnen naderen. Maar in tegenstelling van den tangens, die steeds toeneemt, neemt de cotangens ahloor af. Van — oo wordt hij nl. onmiddelijk sprongsgewijs = -\- oo, en neemt van daar weer opnieuw af. Wij zien derhalve, dat de cotangens = 0 is bij 90°-|-»iXl800, en = q= oo bij 0° + «X 180°. Rekent men alweer niet verder dan 360°, zoo hebben wij: De cotangens is = 0 bij 90° en 270°; x bij 0 en 180 . Evenals de cosinus, bereikt ook de cotangens (eveneens oen co-betrekking, d.w.z. een com pleinen ts-bet rekking) zijn laagste waarde in de vertikale standen van het bewegelijke been ; zijn hoogste waarde (absoluut) in de horizontalt' standen. Men zou nu op geheel dezelfde wijze den secans en cosecans van een hoek kunnen beschouwen, inaar aangezien deze betrekkingen zoo weinig voorkomen, zien wij daarvan al, en laten het aan den leerling over bij wijze van oefening, de bovenstaande beschouwingen voor deze beide betrekkingen te - herhalen, (meetkundige voorstelling, teeken, verloop, grenswaarden, grafische voorstelling). Resumeeren wij nu kortelijk het in deze paragraaf behandelde. Positief zijn : sinus in I en II j cosinus „ I „ IV I tangens j { j cotangens j " " ] Onthoudt men dit, dan weet men natuurlijk ook meteen in welke kwadranten de bovengenoemde betrekkingen negatief zijn. Verder heeft men, wat de grenswaarden betreft: 0° en 180° 90° en 270° sinus ü ±1 cosinus ±1 o tangens 0 i ± oc cotangens 90' altijd tot dien van een hoek < 90° terugbrengen. Heeft men bv. A — iöu — / AOC\ — 180" — a, zoo ziet men onmiddelijk, dat beide hoeken den zelfden sin. hebben. Want dan is A'OC-x ook = c, en zal dus zijn. Wij hebben alzoo : sin (180° — a) = *in a. Evenzoo blijkt uit de figuur dade¬ lijk, dat sin (180° ft) —— 8VH ft is. Want sin (1801 + a) = — CSP2 = — CJ\ (beide : R). En eindelijk zal men hebben : sin (360° — (beide : R). Eu dit geldt evenzoo voor cos., tg. en cot. Herleiding bij 180 en 360 geeft dus geen naamsverandering ; alleen kan er teekenverandering komen, maar dit richt zicli geheel naar het kwadrant, waarin de beschouwde hoek ligt. Onderstelt men nl.a<90°, dan is 180°— a een hoek in het 2' kwadrant, en zal bv. de sin. positief zijn. 180° -j- a en 360° — a zijn dan echter hoeken in het 3° en 4° kwadrant, waar de sin. negatief is, zoodat teekenverandering intreedt. Voor cos. zou gegolden hebben : co«(180°—d)——cosa; coo(180°-t-a)=—cosa; cos(360°— a)=cosa. Want de cos. is -j- hi I en IV. (Schrijf nu de overeenkomstige herleidingsformules eens op voor tg. en cot.). Beschouwt men / AOC2 als 90° -f JiOC2 = 90° -f h, dan is het duidelijk, dat bv. sin (90° -)- b) — cos h is. Want sin (90° + h) = C,P.2: 11= OP': 1?. En dit laatste is blijkbaar = cos h. Evenzoo zal men hebben : mi 270° — /,)==— cos b ; sin (270° -f A) — — ca, b. En voor cos., tg. en cot. geldt geheel hetzelfde. Herleiding bij 90° en 270° geeft dus naamsverandering. \ oor de beschouwde betrekking komt de complementsbetrekking in de plaats. Het teeken richt zich weer geheel naar het kwadrant, waarin de te herleiden hoek gelegen is. (Geef de herleidingsformules bij 90° en 270° voor cos., tg. en cot. eens aan.). Reeds vroeger (zie § 3) zagen we, dat het bovenstaande ook geldt voor 90° —en we zijn nu in staat zijn de goniometrische betrekkingen van willekeurige hoeken te herleiden tot die van hoeken, niet alleen < 90°, maar zelfs < 45°. Want heeft men bv. 200°, dan beschouwt men dit als 180° -f 20°, en heeft men 245°, dan beschouwt men deze laatste hoek als 270° — 25°. En lioe men hoeken 360° (ot hoeken 3b0 , en negatieve hoeken tot positieve lioeken kan terugbrengen, hebben wij in $ 5 en $ 6 gezien. Daar sin (— a) = sin (360° — a) is, zoo heeft men ook onmiddelijk sin (—a) = — sina. En evenzoo voor de andere betrekkingen. Dit geeft dus de formules: sin (— a) = — sin a > cos (— «) — cos a f tg (—«)=— tg a t cot (— «) = — cota ' Opmerking. In al het bovenstaande is, speciaal voor de bepaling van het teeken van het 2" lid der lierleidingsformules, ondersteld, dat a en b 90° zijn. Maar men ziet spoedig in, dat deze formules geheel algemeen gelden, ook wanneer n en b 90° zijn. Ligt bv. n in het 2e kwadrant, dan kan men voor a schrijven 180' — a', waarin alsnu a < 90° is. Heeft men nu bv. te herleiden sin (360° — a), dan is dit dus = sin j360 _ (180°—«')! = sin (180°-(-«') = — •«'» «' = — sin (180°—a') = — — sin a, zoodat de vroegere formule blijft doorgaan. Dit komt eigenlijk hierop neer: Ligt n in het lc kwadrant, dan 360"— a in het 4e ; ligt a in het 2e kwadrant, dan 360° — n in het 3e ; enz. Men heeft dus : a I II III IV sin a j —— 360° — a\ IV III II Ij! sin (360° — a) | h + Eu nu ziet men terstond, dat de teehmverschillen aldoor hetzelfde blijven. Hetzelfde geldt voor alle herleidingsformules, en derhalve ook voor die van negatieve hoeken. Ook is het nu duidelijk, dat alle vroeger in § 3 afgeleide formules blijven doorgaan, wanneer de hoek ]> 90° mocht wezen. Zoo is bv. sin2 acos-a altijd = 1, welke ook de waarde is van a. Is a bv. = 180 -J- a', waarin a' < 90", dan is sin a — — sin a', cos a — — cos a', en derhalve sin2 a -(- cos2 a — = sin* a'+ cos* a'. En dit is = 1, want deze formule is bewezen voor hoeken < 90°. En dat bv. tg a altijd = is, volgt daaruit, dat wij het cos a J teehen van den tg. in de verschillende kwadranten zoodanig hebben vastgesteld (zie c) van § 5), dat deze formule blijft doorgaan. Enz. Enz. Ziehier nu ten slotte eenige Voorbeelden van herleiding. sin 300° — sin (270° -f 30°) = — cos 30° = — l/2 3. cos 170° = cos (180° — 10°) = — cos 10°. t niet alleen voldoet x, maar ook 360 x; terwijl aan de vergelijking cos x — —p zal voldoen 180° x en 180° -f x', wanneer x' voldoet aan de vergelijking cosx' =p. En dat aan de vergelijking tgx = j> of cotx=j> behalve x zal voldoen 180° -f- x; terwijl aan tg x = —p of cotx = p zal voldoen x = 180° — x' en x = 360° — ,i', wanneer x' voldoet aan de vergelijking tg x' = p. Recapituleerende hebben wij dus : sin x = p cos .v zzz p P cot 'l: ~ P x en 180° — x x en 360° — x x en 180° + x sin x = — p cos x = — p t° en 75° -)- 360°, d.w.z. de reeds gevonden waarden hebben teruggekregen. Enz..). Geeft de vergelijking sin 2,c — j> vier waarden, welke aan x voldoen, de vergelijking sin 3.r = p zal zes waarden opleveren. (Wij zullen later zien, dat deze van den derden graad is t. o. v. ,v). Immers de oplossing van bv. sin 3.): = 7-2 ^ 3 geeft: 3x = 60° en 120° id. + 360° i id.-f 720° i I x = 20° en 40° | 140° en 160° I 260° en 280°. (Hadden wij nogmaals 360" opgeteld, zoo had men na deeling door 3 gekregen 20° -|- 3(50° en 40° -f- 3601, alzoo de eerste twee waarden terug). Hij 2,6' moet men dus een keer 360° optellen; bij 3,t' twee keer; bij nx derhalve n — 1 keer, zoodat in het algemeen aan de vergelijking sin nx = p zullen voldoen 2/?, waarden. Men gelieve hierop in het vervolg altijd te letten. Ter oefening dienen de volgende vergelijkingen. sin 2x = — 7g2 ; cos 'óx = J ; ty 5x = — 1' 3. 9. Tafels van goniometrische betrekkingen. Ook hier zullen wij, evenals bij de bespreking der gewone logarithmentafels, kort zijn, daar de inrichting der thans te behandelen tafels het best uit een oplettende beschouwing duidelijk wordt. (Zie de Noot op blz. 60). Daar met de goniometrische betrekkingen dikwijls allerlei bewerkingen moeten worden uitgevoerd, zoo zijn daarvan de logarithmen, meest in 5 decimalen nauwkeurig, opgegeven. Een korte tafel, waarin niet de log., maar de sin., cos., tg., en cot. zelf zijn opgegeven (van graad tot graad, of van 10' tot 10'), vindt men meestal aan het eind der z.g. logarithmensinustafel. Deze laatste geeft naast elkaar log sin., log tg., log cot. en log cos. Bij tafels met 5 decimalen meestal van minuut tot minuut. Onderdeelen van minuten moeten worden geinter- poleerd. Daartoe zijn achter log sin. en log cos. de verschillen (onder D. = différenees), en tnsschen log tg. en log cot. de gemeenschappelijke verschillen (onder D. C. = différenees comïminales) opgegeven. Daar nl. cola = zoo is logcota = — t°!/ ('/ a> en zullen tle toenamen van log tg. gelijk zijn aan de afnamen van log cot. Men moet er hier bijzonder op letten, dat niet als bij de gewone log.tafel de log. altijd toenemend zijn: log sin. en log tg. nemen toe tnsschen 0° en 90°, maar logcos. en logcot.. nemen gestadig af. Hiermede zich dus nooit vergissen. Dan nog dit. De tafels loopen eigenlijk maar door tot 45°. Want daar bv. ,nn 60° = cos 30° is, zoo zullen de log. der goniometrische betrekkingen van hoeken >45° tot aan 90° toe gevonden worden, door aan den rechterkant der tafel de hoeken aantegeven, die het complement zijn van die, welke aan d- linkerzijde staan. Zet men nu onder aan dé bladzijde log sin. in de kolom, waar boven aan de bladzijde logcos. staat; evenzoo log tg., waar bovenaan log cot. staat; enz., zoo heeft men dus voorbij 45° eenvoudig de tafel in teruggaande richting te doorloopen. Voor hoeken <45° zoekt men dus in de tafel van boven naar beneden, en staan de hoeken links; voor hoeken 45° zoekt men van beneden naar boven, en staan de hoeken rechts. Daar de sin. altijd <[ 1 is, zoo is log. sin. altijd negatief. Derhalve zal de wijzer bv. 7 (— 10), 8 (—10), 9 (—10) zijn. Daarvan is dan altijd, om herhaling te voorkomen, —10 weggelaten. De gebruiker der tafel voege die er dus steeds weer achter. Evenzoo bij log. cos. En daar tg. < i is voor hoeken < 45°, en > 1 voor hoeken > 45°, zoo zal log. tg. negatief zijn beneden 45° en positief boven 45J. In het eerste geval schrijft men van den negatieven wijzer weer alleen liet positieve gedeelte met weglating \an 10. Maar ook in het tweede geval herleidt men den wijzer, bv. 1, tot den vorm 11 (—10), en laat wederom 10 weg. \ oor cot. geldt juist het omgekeerde. Deze handelwijze bevordert de gelijkmatigheid, zoodat overal nog —10 is bij te voegen. Teneinde zich nu beter in de log sin.tafel te kunnen orienteeren, noteeren wij de volgende grenswaarden. sin 0° = 0 log = — QO tg 0° = 0 log = — oo sin45° = YjV2 log — 9,84949(—10) <;/45°=l % = 10(—10) sin 90° = 1 log = 10 (— 10) tg 90° = oo log — -j-oo Voor eos. en eot. geldt liet omgekeerde (cos 0° = sin 90°, enz.) Een paar Voorbeelden moge liet gebruik der tafel toelichten. Zij gevraagd log sin 24° 13' 25". In de tafel vindt men: log sin 24° 13' = 9,61298 (— 10). Het verschil met de volgende log. is 28 (eenheden deilaatste decimaal). Hiervan neme men dus 25/eo — %2> hetgeen 35/3 = ll3/3 geeft, waarvoor men 12 neemt. De gezochte log. is dus = 9,61310 (— 10). In de tweede plaats zij gevraagd log cot 58° 47' 44". Men vindt in de tafel (van beneden naar boven zoeken, de hoeken staan nu rechts): log cot 58° 47' = 9,78249 (— 10). liet verschil met de volgende log. (naar boven) is 29. Hiervan moet nu genomen worden 4*/«o — n/i5» gevende 319/i5 = 21. Dit verschil nu van de reeds gezochte log. aftrekkende, vindt men 9,78228 (— 10). Wij kunnen nu ook goniometrische vergelijkingen oplossen als bv. (zie § 8) sin x = Vs. Hieruit volgt: log sin x = - log 3 = — 0,47712 = 9,52288 (— 10), hetgeen men door middel van de gewone log.tafel vindt. Alsnu hebben wij x te bepalen uit log sin x — 9,52288 (— 10). In de log sin. tafel vindt men bij 9,52278 (—10) ,c=19°28'. Het verschil met de volgende log. is 36, terwijl het verschil met de gegeven log. = 10 is. Wij hebben derhalve nog toe te voegen 10/36 X 60" — 5o/3" = 17", zoodat wij vinden: 7 x = 19° 28' 17". Aan de vergelijking voldoet behalve deze waarde ook nog 1803 — x, derhalve 160D 31' 43". (zie $ 8). Lossen wij nog ten slotte op de vergelijking cos 2 x = 0,6. Door de gewone log.tafel vinden wij : log cos lx — 9,77815 (— 10). Wij weten dus reeds (zie het bovenstaande overzicht), dat 2x > 45° is. Zoeken wij dus van beneden naar boven,'zoo vinden wij spoedig bij 9,77829 (—10) 2x = 53° 7'. (Denk er nl. aan, dat wij nu, aangezien log cos. afneemt, de naast hoogere log. moeten opzoeken). Het verschil (naar boven) is * 17, terwijl het verschil met de gegeven log. = 14 is. Bij de reeds gezochte waarde van den hoek moet dus nog gevoegd worden 14/i7 x 60" = 49", zoodat wij voor 2x vinden : 2x = 53° 7' 49". Behalve deze waarde voldoen nu ook nog (zie § 8) 360° 2x, en de met 360° vermeerderde waarden van deze beide hoeken' zoodat men tenslotte verkrijgt: 2.r = 53° 7' 49" , 306° 52' 11" id. -f 36(P » = 26° 33'55", 153° 26'5" 206° 33'55", 333° 26'5". Daar 49" iets te klein was, zoo is voor de helft daarvan genomen 25", en daar 11" dus iets te groot is, zoo hebben wij voor de helft daarvan genomen 5". De leerling kan zich nu verder met dergelijke opgaven zeil oefenen in het gebruik der log sin.tafel. Het zal hem dan wellicht opvallen, dat er plaatsen zijn in de tafel, waar de verschillen zoo groot zijn, dat van behoorlijk interpoleeren geen sprake meer kan zijn. D.w.z. de kromme, die log sin. of log tg. aangeeft, wijkt bij de daarmede overeenstemmende hoeken te ver van de rechte lijn af, welke twee punten verbindt, die 1' verschillen, dan dat lineaire interpolatie een nauwkeurige uitkomst zou kunnen geven. Men is dan aangewezen op het gebruik van liet z.g. hulptafeltje, dat men vindt onder het hoofd log sin a" — log « -f- S. log tg a" — log a T. Bij log sin. vindt men nl. die onnauwkeurige plaatsen dicht bij 0°, daar log sin O3 = — oo wordt; bij log tg. dicht bij 0° en 90°, waar log tg. resp. — — cc en + cc wordt. Zoo is' bv. log sin 0° 20' = 7,76475 (— 10), terwijl log sin 0° 21' reeds _ 7,78594 ( 10) is. Een verschil derhalve van 2119 (eenheden der 1. d.). Dit is natuurlijk dichter bij 0° nog veel erger. Men vindt daar verschillen tot ruim 30000 en co toe. Tot circa 2°, waar de verschillen ongeveer 360 worden, blijven deze te groot voor lineaire interpolatie. Het zelfde geldt voor logcot. in de nabijheid van 0° en 90', en voor log cos. dicht bij 90°. Maar daar wij cot. en cos. altijd tot tg. en sin. kunnen herleiden, door het complement van den hoek te nemen, en wij verder log tg 90 kunnen vervangen door log cot 0n = log '/tg o° — log tg 0 , zoo hebben wij alleen hulptafeltjes te maken voor log sin. en log tg. in de nabijheid van 0°. De figuur (zie lig. 6 en 9) leert dan onmiddelijk, dat sin. en tg. in dit geval nagenoeg evenredig zijn met de hoeken ; alleen neemt de sin. iets minder snel toe dan de hoek, de tg. iets sneller. Wij kunnen dus schrijven (de hoek uitgedrukt in seconden): sin «" — a (sin 1" — d) tg a" = a (tg 1" + d). Derhalve is log sin ct — log ') Wordt b vervangen door 90 -f b, dan verkrijgen wij . s{n (a 90° -f- b) — sin a cos (90° -f" cos a sin (90 -f" 0f cos (a + b) — sin a (— sin b) + «>s a 008 derhalve cos(a + b) = ma cosb - sinasinb . ...(«) Vervangt men nu hierin weder b door —b, dan ontstaat: cos (,a — h) = COS a cos (— b) — sin a sin (- b), d.W.Z. «os (a - b) = cos a cos b + sin a sin b. ... (<*) Ook uit de figuur had men de formules (6), (c) en (±cosa*ïnl cos a cos b zp sin a sin b ' of teller en noemer der laatste breuk deelende door cosa cosb: tü{a + h)-.t9a±t9b . 1 =p tg a tg b Zet men hierin a = 45°, en vervangen wij b door a, zoo vinden wij nog : 4 iako . v l dz tq a tg (4o ± «) — _. 1 =F tg a Deze laatste formule leert, dat #(45° + a) het omgekeerde is van ('/ (4.3° —«). Maar dit is evident, want tq (45° 4- — = cot (45° — a) = 1 tg (45° — d). \atten wij de tot nu toe gevonden formules samen, zoo lieuben wij dus liet volgende stel. , sin (ci ± b) — sin a cos b ± cos a sin b 1 cos (i ü) = cos a cos h zp sin a sin b \ i 4 i _i_ 7\ tg a ± tq b (a) , t(j (a ± b) — -i JL— 1 1 qz tg a tg b \ ftr(45°=fca) = i±^. \ 1 =F tg a Bereken nu eens door middel van deze formules : sin 75°, sin 15°, cos 75°, cos 15°, tg 75°, tq 15°. Wat kunt ge schrijven voor tg 46°? En voor tg 40°? Laat eens zien, dat cos{a — b) = cos {b — a) is; dat dus werkelijk cos (—p) — cos jt. Waarom zou bij cos (a ± b) het teeken in het 2e lid het tegengestelde zijn van dat in liet lc lid ? b. Formules voor den dubbelen hoek. Vervangt men in het voorgaande stel formules b door a, zoo vindt men onmiddelijk: I sin 2a — 2 sin a cos a | cos ^a — co®2 a — sin* c (= 1 — 2 si?i* a — 2 cos• a 1) ) _ 2 tq a I to 2a = —. ' 1 —tg^a cos 2a kan men nl. ook, door cos" n te vervangen door j shr a, of sin'1 a door 1 — cos9 a, öf geheel in sin., of geheel in cos. uitdrukken. Controleer deze formules eens door van 60° den sin., cos. en tg. te berekenen uit de zelfde betrekkingen van 30°. Vraag stukken. 1. Los eens op de vergelijking sin* x cos* x = 1 /)S. (Gebruik de formule voor sin 2.?'). 2. En ook de vergelijking cos* x — sin* x = y4V 2. (Ontbind in factoren, en gebruik de formule voor cos 2x). 3. Los op sin* x + cos* x — 5/g. (Verhef sin* x + cos-x = 1 in het vierkant). 4. Eveneens sin6 x + cos0 x = p. (Deel het le lid door sinï x _|_ cos1 x; enz.). Welke waarden kan p uiterlijk hebben ? Denk er vooral bij al deze Vraagstukken aan, dat alle waarden < 360° worden opgeschreven, welke aan de gegeven vergelijkingen voldoen, (zie § 8). c. Formules voor 3a, enz. Er bestaan ook formules voor 3a, 4(7, 5a, enz., maar deze hebben alle meer theoretisch dan praktisch belang. Toch komen de formules voor 3a nog wel eens voor, en zullen wij die in de eerste plaats afleiden. Schrijven wij sin Bo = »in (2« + ") = 2« cos a + cos 2a sin a, dan vinden wij, lettende op de boven afgeleide formules voor sin 2a en cos 2a : sin Sa = '2 sin a cos3 « (1 — 2 sin2 a) sin a — 2 sin a (1 — sin2 n) + (1 — 2 sin2 a) sin a , derhalve is sin 3a — 3 sin a — 4 sin3 a. Op geheel de zelfde wijze vindt men: cos 3« = 4 cos3 « — 3 cos a. De leerling leide 1111 ook eens een formule af voor tij 3a. Om sin 4a afteleiden, schrijven wij sin 4a = sin 2 X 2a = 2 sin 2a cos 2a = 4 sin a cos a (1 — 2 sin-a), derhalve sin 4a — cos a (4 sin a — 8 sin3 a). Had men voor cos 2a geschreven 2 cos* a — 1, dan ware verkregen : sin 4a = sin a (8 cos3 a — 4 cos a). Leid nu eens af cos 4a = 8 cos* a — 8 cos- a -f 1 of = 1 — 8 sin9 a -j- 8 sin* a. Om sin 5a te vinden, schrijve men sin (3a -f 2a). Evenzoo voor cos 5a. De leerling werke dit verder uit. Uit het volgende overzicht merkt men duidelijk regelmatigheid op in de coëfficiënten der verschillende machten van sin. en cos. In de Hoogere Algebra worden daarvoor algemeene formules afgeleid. (Het spreekt van zelf, dat de onderstaande formules niet uit het hoofd behoeven te worden gekend; alleen komen daarvoor sin 3a en cos 3a in aanmerking). sin a = 1 sin a — s{n a ^ sin 2a = cos a (2 sin a) — s{n a (2 cos a) sin 3a = 3 sin a — 4 sin3 a) — sin a (4 cos2 a — 1) sin 4a = cos a (4 sin a - 8 sin3 «) = sin a (8 cos3 a — 4 cos a) stn 5a = 5 sin a — 20sin3a -f 16sin5a = sin a (16 cos*a — 12 cosia -f 1) sin 6a —cosa(6sina—32sinsa+32sin5a) =sina(32cos*a-32cos3a+6cosa) enz. enz cos a = 1 cos a — cos a ^ cos 2a = 2 cos2 a - 1 =1—2 sin* a cos 3« = 4 cos3 a— 3 cos a — COs a (1 — 4 sin3 a) cos 4a = 8 cos* a - 8 cos2 a -f 1 =1—8 sin2 a + 8 sin* a cos 5a = 16«w5a _ 2 [links] (n 3)(w — 4) -;n_5 cogn_5 a — etc. | \ ^ 1.2 \ l Voor cos na geldt: / 0\ I cosna=2«-*cos-a-"- 2»-W-»n +- "2"-»cos"-*a^j 1 l-Z ([rechts] n(n 4)(w — 5) .^ Ca+etc l 1.2.3 ƒ (, 1 ., — cos al 1 — sinv u \ \ 1.2 , (»«-lX»»-9) , , 121F4 a ~ 8 oneven) J , «2 nV-4) }[link8] = 1 — — «in2 a + sin* a i 1.2 ~ 1.2.3.4 i »i2(M2—4(W2—16) , * 1.2.3.4.5.6 Sl"' a + etc' j even> I Vergelijk eens de coëfficiënten van sin 5a met die van cos 5a, zoowel bij de formules links als rechts van de streep (zie het overzicht); vergelijk eveneens de coëfficiënten van sin 6a en cos Ga links van de streep met die rechts van de streep. Wat volgt daaruit t. o. v. der algemeene uitdrukkingen voor die coefficienten ? (zie de formules). d. Formules voor den halven hoek. Uit de formules voor cos 2a, nl. cos 2a — 1 — 2 siti" a ; cos 2a — 2 eos2 a 1, volgt onmiddelijk : 1 — cos 2a — 2 sin1 a ; 1 -f COs 2a = 2 cos2 a, of wanneer wij 2a door a vervangen, zoodat a door ys a moet worden vervangen, ook 1 — cos a = 2 si»* i/e a ; 1 -f cos g = 2 cos2 '/g Dit zijn belangrijke formules, welke dikwijls worden gebruikt. Deeling geeft: l(fl 1 /o a __ 1 CO* a (1 - COS «)2 1 — cos*. a 1 + cos a 1 — cos9 a (1 -f- cos a)~' naarmate men teller en noemer met 1 — cos a, dan wel met 1 -f- cos a vermenigvuldigt. Door worteltrekking vindt men dan verder: . 1 / 1 — cos a sin a tg y2 a = ; of = . sin Q- 1 -f- cos a Hereken door middel van deze formules sin 15°, cos 15° en t*j 15°. ]);Xt 1 ~ c p is, en beide <[ 90° zijn, cosp — cos q positief zal zijn, evenals het 2e lid. Voorbeelden. sin 82° -j- sin 28° = 2 sin 30° cos 2° = cos 2°. sin 4a — sin 2a = 2 cos 3a sin a. cos 3a cos 2a = 2 cos 2yg a cos '/2 a. cos 20° — cos 34° = 2 sin 27° sin 7°. Los nu eens de volgende tjoniometrische vergelijkingen op. 1. sinx -f- sin 2x = sin 4c (.sin '2x naar het 2° lid overbrengen). 2. sin 9x — sin x — sin 4c. 3. sin llx -}- sin lx -f- 2 cos2 x = 1. 4. sin x sin 2x -|- sin 3.c -j- sin 4e = 0. (Neem sin x en sin 4c samen, enz.). 5. sin x sin 2,e -f- sin 3x = 1 + cos x -|- cos 2,c. (Neem sin x en sin 3.t, 1 en cos 2,c samen). Voorbeeld van oplossing. De vergelijking van Vr. 3 kan men aldus schrijven : (sin 11* -f* sin 7®) 4" (2 cos3 * — 1) = 0, of 2 sin 9* cos 2* -(- cos 2* — 0, volgens de boven afgeleide formules (zie b) en e)). Voor het le lid kan men nu verder schrijven : cos 2* (2 sin 9X -|~ 1) = 0, gevende cos 2x — 0 2x = 90°, 270° id. -f 360° * = 45°, 135° 225°, 315° 2 sin 9x -f- 1=0 sin 9x = — Y2 9*' = 30° 9* =210°, 330° | id. + nx 360° * = 23V30, 36%° | id. + *X40°. De eerste vergelijking levert voor x 4 waarden, de tweede vergelijking 18 waarden, welke < 360° zijn, tezamen alzoo 22 waarden < 360'. De gegeven vergelijking was nl. wegens den term sin llx van den llen graad. Deelt men de beide eerste der bovenstaande formules op elkaar, dan ontstaat nog de formule sin p — sin q tg ,/a (p — q) ^ sin p -f «*» 1 *9 Va (P ?j welke in de Trigonometrie (Driehoeksmeting) wordt toegepast. f. Formules bij a -f- b -f c = 180', enz. Eigenaardige formules ontstaan ook, wanneer bij sin a -f- sin b ± sin c, enz. de som der drie hoeken = 180° is, zooals in de Trigonometrie bij driehoeken voorkomt. Wij kunnen dan altijd dergelijke sommen in producten omzetten. lc. Zij in de plaats gevraagd te herleiden tga + tgb + tgc. Gaan wij daartoe uit van de formule . , , „ ty" + tgb tq (a 4- b) = • 1 — tg a tg b Daar «-(-/> = 180° — c, zoo is tg(a-\-b) = — tg c, en komt er dus, na vermenigvuldiging van beide leden met 1 — tg a tg b : — tg c tg a tg b tg c — tg a -J- tg b, of tg a -f- tg b -f- tg c — tg a tg b tg c. Dit is een zeer merkwaardige formule, waaruit blijkt, dat om drie getallen te vinden, waarvan de som gelijk is aan het product, men slechts de tangenten behoeft op te schrijven van drie hoeken, welke samen = 180° zijn. Zoo is bv. 60° + 60° -f 60° = 180°, en daar tg 60° = 1/3, zoo vindt men: l/34-V/3 + l/3 = l/3X ly 3X1/3. Beide leden zijn inderdaad gelijk, en wel =3 1/3. Controleer de formule nu eens met a — 45°, b = 60°, c = 75°. Welke formule ontstaat er, wanneer heide leden door ty a tg b ttj c worden gedeeld ? 2°. En nu sin a -f- sin b + sin c. Wij schrijven hiervoor vooreerst: 2 sin Yjj (a -f" b) cos V2 (a — b) -f- 2 sin V2 c cos l/i c. Nu volgt uit a -f- b = 180°— c ook >/2 (a -J-- b) = 90° — %c, zoodat men kan schrijven: sin a -f sinb -}- sin c = 2 cos J/2ccos ]/2(a—b) + 2 cos l/s(a-\-b)cos l/sc = 2 cos Va c (cos l/2 (a—b) -f cos 1/s («-{-&)} =.2cosllzc .2 cos V2 a cos y2 derhalve st'w a -f" s?w & + sin c =: 4 cos 1/3 a cos 1 /2 è cos1 /2 c. De leerling leide nu in dezelfde onderstelling af de formule sin a -f sin b — sin c = 4 sin x/2 a sin 1 /2 Z» cos 1 /2 c. Voor cö.y a + co.s- 6 -f- cos c kan men schrijven, wanneer wederom a -f- b -f- c = 180° is: 2 cos Va (rt "1" b) cos 1/2 (« — b) -f- (1 — 2 sin3 V2c)» daar co.s 2c — 1 — 2 .sm3 c, derhalve cos c = 1 — 2 m'»3 Va c is. Wij hebben dus ook: cosa + cosb -j-cosc= 1 -\-2sin 1 / 2c cos^ / .2(a~b) — 2 si/?. ysccosV2(« -fi) — 1 -)- 2 sin Va c {cos '/2(«—6) — cos V2 (« -f- b)\ — 1 -f- 2sm '/2c . 2 sw V2 a sin V2 mitsdien cos a -f- cos b -f- cos c ~ 1 —|— 4 stVi V'2 q s) «tVi V2(6-(-c)sm V2('"+«) co»a 4- co»6 + cosc 4- cosd = 4cosl/i(a-\-b)cos1/i (b-{-c)cos'/2(« + «)• (Neem de termen twee aan twee samen, en maak gebruik van c-\-d— 360° — (a 4- b) en d = 360' -(04-64- c)). En wat kan men schrijven voor sin (p — 7) 4" il — r) 4" gin ('' Ph wanneer />, q en r geheel willekeurig zijn 8 11. Vraagstukken. Ter oefening- in het gebruik der verschillende goniometrische formules, en in het oplossen van goniometrische vergelijkingen dienen nog de volgende gemengde Vraagstukken. 1. Bewijs, dat sin (p -|- q) sin (p — q) — si>fl p — sin3 q. 2. En dat cos (p -f- q) cos (p — q) — cos2 p — sin- q of = — cos1 q — s('m2 p is. 3. Waarom is sec1 p -f cosec2 p = sec* p X sec2 q ? 4. Herleid P ~ y, ^P-^1 en «" ƒ> + «»? cos p -(- cos q cos p — cos q cos p -f- cos q k ü tg a —tg b 5. En ook — . tg a -\- tg b a u sin(p-q) sin (q—r) . sin (r—p) 6. En eveneens ——f . ■ -f . . -f - v l '. sin p sin q sin q sin r sin r sin p l. Bewijs, dat tg 3a — tg 2a — tg a — tg n tg 2a tg Sa. (Schrijf op tg Sa = tg {2a + a) = enz.). 8. Maak eens formules op voor sin(a -f- b -f <•), cos(a -f6 + r) en tg (a + b -f- c). 9. Herleid sin 67° — sin 53°. 10. En ook sin 25° -f~ sin 35°. 11. En cos (120° -j- a) -f- tos (120° — a) -|- cos a. 12. Wat kunt ge schrijven voor sin p ± cosp ? (Bedenk, dat cos p = sin (90° — p) ). 13. Herleid 1 -}- « -j- cos a. (Neem 1 -j- cos a samen, enz.). 14. En ook 1 -\-cosa-\-cos2a. (Schrijf hiervoor 2cos'!a -|- n — = 2 cos a (cos a -f 1/s), en bedenk, dat l/2 = cos 60° is). 15. Sommeer de reeks sin a -|- sin Sa -f- sin 5/2(»+l)« i sin a -4- sin 2a 4- sin 6a -{-••• ~l~ *ut ua — • in | sm /2 a j sin ^2 na cos J/2 (« -(-1)« 1 cos a 4- cos 2a 4" cos 3« 4-... -)- cos na = ;—r-, • ' sin y2 « 18. Wat wordt de uitkomst der Vraagstukken 4 en 5 op hl. 16, wanneer men in Vr. 4 den lioek « noemt, en in Vr. 5 het aantal lijnen = n neemt? Los nu de volgende goniometrische vergelijkingen op. 1. 3 sin x -f 5 cos x — 5. (Breng 5 cos x over naar het 2e lid, en ga tot den halven hoek over). 2. 7 sin iV — 4 cos X = 7. (Stel x = 90° — y, en handel als boven). 3. svi x -f cos x = 0,8. (Zie boven Vr. 12. Men kan ook de vergelijking in het kwadraat verheffen, waarna men verkrijgt 1 + sin 2x = 0,64. Bedenk, dat er dan van de 4 oplossingen twee zijn ingevoerd). 4. sin x cos (x -f 20°) = 0,15. (Vermenigvuldig met 2, en schrijf het lc lid in den vorm sin p -f sin q). 5. sin (2x -f 29°) sin (2x — 17°) = 0,75. 6. t<7 x — sin x — tij x sin x. Deze vergelijking leidt na deeling van beide leden 1 sin x door sin x (dit = 0 stellen) tot 1 = , of v cosx cosx wel 1 — cos x — sin x. Men verkrijgt dan verder 2 sitt2 x 2 sin l/2 x cos'/2 x, derhalve sin' /g — 0(.t;—0°), en sin '/2 $ = cos ]/a x of ty Va x = 1 = 90°). 8* X —sin x Had men geschreven = 1, dan zou verkregen cos x zijn «gr(45°—1/i.r)=l, waaruit alleen de waarde 0° volgt. Waar is de waarde .r = 90° gebleven? Daar tg(4ó°—Ya*1') dan =0 wordt, zoo blijkt, dat voor x = 90° —— = COSX cos.v 1 sin x is, en dat derhalve en beide volkomen de COS X cos X zelfde waarde » aannemen- Terwijl dus de oorspronkelijke vergelijking x — J = ac een ware was, zou door overbrenging van termen de vergelijking cc — oo = 1 een valsche geworden zijn, d.w.z. hier 0 = 1. Op deze omstandigheid mag vooral bij goniometrische vergelijkingen wel gelet worden. 3 5 7. Waarom mag men de vergelijking — = niet aldus tg x sec .« tq x . oplossen : 3 = 5 of 3 = 5 sm x, sin x = 3/- enz. ? sec x Hoe is de juiste oplossing ? 8. Wanneer men in de vergelijking sin.v —cosx heide leden deelt door cos x, krijgt men tg x — 1. Waarom mag men dan cos x niet als een factor van sin x beschouwen (daar toch sin x — tgx X cos x is), zoodat men cos x niet = 0 behoeft te stellen P 9. tg x — sin 2x. 10. 1 — tg x — sin 2,i: -(- tg x sin 2x = 0. (Ontbind in factoren). 11. cotx -f- tg2x— Scos2x. (Bedenk, dat cosxcos2xsinxsin ^x = = cos (2x — x) cos x, en 2 sin x cos x = sin 2,v is). 12. tg 2x cot x — cot 2x tg x = 2. (Daar sin 2x = 2 sin x cos x, 2 cos2x cos 2x zoo leidt dit tot — ——— = 2, ot 4cos*x — cos22x = cos 2x 2 cos' x = 4 cos2 x cos 2x, of ook 4 cos* x (cos2 x — cos 2.r) = cos2 2x. Nu is cos2x = cos2x— sin2 x en 4sin2xcos'1 x — sin*2x, enz.). 13. tg* x — cot2 x—2. (Deze vergelijking geeft sinxx — cos*x = — 2 tin* x cos* of cos* x — *iH* x — 2 tin* x cos* x. Zet nu voor cos* x in de plaats 1 sin-«). 14. Verdeel 30' in twee deelen p en q zoo, dat sinp= 2 sm q is. (Stel r = 15° + « en q = ló° - x). 15. sin x + cos x — sec x. 16. tg x + cot .* = 4(1- sin x cos x). (Dit leidt tot een volkomen vierkant). 17. tg x + cot X + sec X cosec x = 8 18. sec- V. x -f cosec1 i/i = 16 cot |(j dn x + cos x + sin 2x = 0. (Neem 1 + «« — — 1 4- cos (90° — 2x) samen, en ook sin x -f cos w — r= cos (00° — x) + cos x). 2o tq x + 008= 2. (Breng liet le lid onder den noemer ' ' l-(-sinx 1 + sin x, en merk dan op, dat ook de teller den faetoi 1 + s'n x bevat). 21. sin* x -f tin3 x + sin* x -f sin x = cos* x -f cos3;» + cos*x +cos x. Schrijf (cos*x—sin* x) + (cos*x- sin3x) + (cos*x—sin2x) + + (cos x - sin x) = 0. Ontbinding, enz. geeft: 2 (mg* x — sin* x) + (cos x — sin x) (2 + cos x sin x) = 0, derhalve na deeling door cos x — sin x (dit = 0 stellen): 2 (cos X + sin x) = — (2 + cos x sin x). Dit in het kwadraat ,reeft 4(1+ tin 2x) =4 + 2 tin 2x + V*««8 2a>' of 8 tin 2x = = sin* 2x. Deze vergelijking geeft 'ten slotte tin 2x — 0 (2 waarden ingevoerd, welke?), terwijl de oplossing der vergelijking sin 2x — 8 onmogelijk is. (waarom ?). 1 — cos2x (cotx— l)2 OO - =: — . tgx cosec9 x 23. . 3 sin (.e — 30°) -j- o cos (at — 60°) — \/ 3. sin ,v. 26. 2 sin x -}- 4 #i'w 2x = tg x. (Breng- tg x over, eii ontbind het le lid na herleiding). 27. J —cos.v sinx 2 3 Deze vergelijking leidt tot = -—. Schrijft 1—cos.v sin x men nu 2tinx = 3(1—cos.v) of 4sin^/2xeos^/2x=6sinsl/sx, gevende .*inl/2x = 0 en tg V2 x — 2/3, dan is de waarde — 0° ingevoerd. Immers 1 —cos x en sin ,v worden voor 2 x — 0° gelijktijdig — 0, en zal de vergelijking —; = 2 sin2]/s.v 3 "2voor*= °° een vaIsche worden' daar 2 . . 3 -r-j-- dan met _ ——— is. Het eene ac is derhalve van sin y^x cos 72 x eeji geheel andere orde dan het andere x. Zie ook Deel I, bl. 208, 3C Opmerking, waar een geheel analoog geval met een zuiver algebraïsche vergelijking is behandeld. Men zij dus steeds voorzichtig. 28. cos 3.v '/j cos x. (Tusschen welke grenzen kan de verhouding cos 3x : cos x inliggen P). sin 3.i' 29. . - = cos sin lx w cos 2 x 30. tg (4a°-j- w) cot (45°— ,v) — 6 + r——. (Herleid dit tot * 1 — sin lx een vierkantsvergelijking in tg (45° + x), herleid dan het 2l' lid tot 0, en ontbind het le lid in factoren). 31. cos p cos (x — j') — cos 1 cos (x — q). 32. sin (x -f- p) — sin (x —p) — cot y2 x — 2 sin p. Sin X 4 33. Bereken x en y uit = - en cos (x—y) = 0,6. sin y 3 TT;* • • -i o i sinx —sin y 4—3 1 U ït sin x : sin y = 4 : 3 volgt — z=r — _ ° s in x -f- sin y 4-{-3 7' derhalve ook ~ Lost Iuen nu x~v °P tgl/.2(x + y) 7 uit de 2e vergelijking, dan heeft men ook 7, (•» y)> en kan men x -f y vinden uit t waarin 2 op nieuw door logaritlimen kan bepalen. Nu zou men echter ook den vorm n• -J- h-, zooals men het noemt, logavithmisch kunnen maken, d. w. z. de som in een product omzetten, waardoor de berekening iets eenvoudiger wordt. Schrijven wij daartoe x = a\/\ en stellen nu — t/2 (f. b. Heeft men bv. logarithmisch te maken den vorm .1: — X/gl -f /,' — Wgi — (,■!, zoo schrijft men daarvoor eerst Stelt men nu '''*/„* = cos >f, dan wordt dit: — " 0' 1 -f- COS /W)), derhalve ten slotte: x = 2a 2 sin 45° sin (45° — xji ' 0C + r) — d- Na uitwerking kan men biervoor schrijven: sin 0! (a cos p' + b cos q + r cos r) -f ros x (a sin p -f b sin q + f sin r) — d. Stelt men nu a cos p -f- b cos q c cos r — Q cos (f \ ^ _ . . ((l) a sin p -f- b sin q -f- c sin r —Q sin

b Nu «h — hi

4 ab moeten zijn. De leerling losse nu op deze wijze eens op de vergelijking 3Uj ,v — 7 cot x = 11. e. Ook kan men de oplossing van rievkantsvergeljkinc/m door het invoeren van een lmlplioek in een eenvoudigen logarithmischen vorm brengen. Zooals wij nl. spoedig zullen zien, leidt de oplossing van de vergelijking .r2 — px + <7 = 0 tot den vorm -v = Vs P ± l'x VéJ»* ~ 1' Onderstellen wij vooreerst p en q beide positie/. Wij schrijven dan verder: «=V«p(1±|//l- Zal x reëel zijn, dan moet q • mitsdien cos U) .4-1 — |Sn ZLJ1_L . „ _ , . COSif — \ *in v ' -''2 — V(1 : , n ^ sin = 1^, waarbij de toekens weer tegengesteld moeten genomen worden £ZTT +-? ("e"»i»*«• «—ï handelde wijl o" "" V°lg0"d° op de be- 3 «2 — 5 x _j_ i __ o 5 .r* + 2 .r — 4 = 0 t Eindelek wi'len wij „og Iaten zic„ |loe ook ecn rf |Waan,a" «» <** wortels zijn, y«w,,e,mcl kan worde,, opgelost. Zij do vetgelijkina terugbracht tot den vorm "«eujnng ,ü3 — p.v -|- q = 0. In de Hoogere Algebra wordt nl. aangetoond, dat men altijd den term met xl op een eenvoudige wijze kan doen verdwijnen. Opdat de wortels alle bestaanbaar zijn, moet in bovenstaande vergelijking p altijd positief zijn, en verder {xUpf > 0/a nloet wezen> en P positief). Aan deze vergelijking voldoen de waarden 3

, gaat men uit van de bekende formule sin (p ± q) = sin p cos q ± cos p sin q. Is nu sin p — a ; sin q — b, dan is cosp = \y 1 — cos q — 1-' 1 — b-, en heeft men dus: sin (p ± q) = a l 1 — //2 ± b V 1 —• a!, d.W.Z. p ± q — By sin [aV^ 1 — b* ± b VI — a']. Maar daar p = By sin a en q = By sin b, zoo heeft men ten slotte: B cos p volgt onmiddelijk met sin p = a, cos p — l — a 2 '• 2 Bg sin a = Bg sin 2a V 1 — «2. Evenzoo volgt uit cos lp = 2 cos9p — 1 de formule 2 Bg cos a — Bg cos (2 «• — 1). Eu kan men uit tg 2p = ——afleiden: 1 — tg'p 2a 2 Bg tg a — Bg tg —. 1 — a- 2A Zoo is bv. 2 Bg tq V3 = B de ware grootte van dat complexe getal voor, de amplitude

zoodat simp bij (p = 0 zou naderen tot b/..* i — e . 15.Logarithmen van negatieve getallen. Periodiciteit en veelwaardigheid. Uit de betrekking <■'' — — 1 volgt, dat zoo heeft 180° dus t radialen. 1 radiaal is derhalve =^- = 57° ruim. 7T Wanneer wij nu onthouden, dat 180° — t radialen, dan kan men gemakkelijk alle andere voorkomende hoeken, die in graden zijn uitgedrukt, onmiddelijk in radialen uitdrukken. Zoo is 300'' = 2t, 90° = 1/2 n, 45° = i/4 00° -= Vs * radialen, enz. enz. y* U—\) = m is. En derhalve is log (— 1) = A/in:, wanneer AI de modulus is van het BRiGGs'sche stelsel (= 0,4343, zie bl. 73). Hijgevolg zal, omdat l°9 (— a) = 1°'.) {« X (— 1)} — L°'J a + L°9 (— 1) is, ook log (— a) = log a -f- Mirt zijn, waaruit wij zien dat de logarithmen van negatieve getallen imaginair zijn. (zie bl. 53). Daar x±2»i'ïr x x . x e —ee — e (ros (± 2nx) i sin (± 2n.t)) = e (1 -f-0), zoo hebben wij dus : x x-\-2niix » = « , waarin n alle waarden van 0 tot x hebben kan. En daar p = el^'\ derhalve ook = exl(P'±2"™ _ e ^ Kp) I is, zoo is algemeen : 2n is. Kp) 1 Daaruit volgt echter, dat de logarithmen, zijnde de inverse uitdrukkingen van de ex ponen tieele, veelwaardig zullen wezen, evenals de cyclometrische betrekkingen, die het inverse van de goniometrische waren. Uit X X -f- 2MlK a — e — e — volgt nl. : *l(a) — x ± 2«/.t , wanneer wij door *l(a) de veelwaardige Nep. 1o<ï. van u aanduiden. Derhalve is *l(a) — l(a) ± 2nin. wanneer l(a) éen dezer oneindig vele */(«) is. Evenzoo zal uit 2«rr X '' a=p =p volgen: 2nin 2>tL-r Derhalve is in liet hriggs'sciic stelsel : */w7 n = Z017 ± il/. 2wvr , daar '/<(io) — M(= 0,4343) is. Is n imaginair, dan kunnen wij a altijd herleiden tot den vorm o (cos en dus *1\q (cos

) -f~ ^ -/"-"r • waarin nu 1(q) de gewone reëele Nep. log. van den modulus 9 is, en

= + 1, p — i, etc. is, ook : L *• . , ) , . u a* *5 i + • |ï-re+o.M5-eH = = cos x -f- i sin x. Door gelijkstelling der reëele en imaginaire gedeelten in beide leden (zie Deel I, blz. 190) verkrijgen wij dus: X XS X5 i sin x ■=. 1 Pf n J 1 1.2.3 ^ 1.2.3.4.5 / i 'v* 1 'v* I cos x = 1 etc ] 1.2 ^ 1.2.3.4 Deze reeksen convergeeren, evenals de reeks voor/, voor alle mogelijke waarden van x. (de leerling late dit ten overvloede nog eens zien). Zij dienen, 0111 van de opeenvolgende hoeken sin. en cos. te berekenen. Ook voor tg x kan een reeks worden afgeleid, maar deze is veel ingewikkelder, en zullen wij hier niet ontwikkelen. Evenmin de reeksen voor log sin., log cos. en log tg., welke alle in de Hoogere Algebra worden afgeleid '). ') Zie o.a. Seruet, Traité de Trigonometrie, 4ii:'nie edit., p. 2'J'J. Uil de bovenstaande reeksen blijkt duidelijk, dat I>ij x — 0 .sin. v tot x nadert en co.sx tot 1. \ oor Is ziel men, dat H'UI ( ,t) — .sin x wordt, daar de reeks voor .sinx niet dan oneven machten van x bevat. Maar co.s ( x) blijft co.sx vanwege de even machten in de reeks voor cos x. Moet men nu bv. sin JO' berekenen, bv. in 5 decimalen .T nauwkeurig, zoo bedenke men, dat 1° = radialen is, derhalve zal ~10' = Va -1 (fj + TFo (0 - ™ zijn. Nu is ~= 0,1745329, (0 = 0,0053166, (0 = = 0,0001620, terwijl ^ (j^) reeds minder dan 1 X 10" is. Wij kunnen dus met slechts drie termen volstaan, en verkrijgen: sin 10° = 0,1745329 - 0,0008861 -f 0,0000013 = 0,1730481, derhalve in 5 decimalen nauwkeurig 0,17365. Daar de reeksen sterk convergeeren, zal men ook voor grootere hoeken nooit veel termen noodig hebben. 17. Reeksen voor Bgtgz en Bgsinz. Uit de reeksen e>x — cos ,v -)- i siti x f—i* — cos x — i sin x, waarvan de tweede ontstaat, door in de eerste voor x te schrijven —x, volgt door deeling onmiddelijk : COS iV i sin x 1 -f- i tg x '' cos x — i sin x 1 — i tg x Bijgevolg zal 2.„ = i'+''*"• 1 — i tg x zijn, of tg x = z stellende, zoodat x == Bg tg s wordt: 1 ,14-iz / Nu zagen wij op bi. 70, dat ll±A = 2(s + is. Vervangen wij nu hierin z gtgr>/,2» en 2 Bg tg %2 = Ji en de hieruit voortvloeiende reeks is nog beter dan de voorgaande. De leerling berekene er Jt in 7 decimalen nauwkeurig mede. Daar de reeks voor Bg t 1, derhalve Bl. Een reeks voor Bg sin x kan op de volgende wijze worden verkregen. Wij zagen op bl. 107, «lat n w(»2 —1) . w(n8— l)(w8—9) . , = 123 T.2 3.4.5 welke reeks voor geheele waarden van n alleen bruikbaar is, wanneer n oneven is, omdat de reeks dan een eindig aantal termen bevat. Maar de reeks geldt niettemin voor alle. waarden van n; alleen wordt dan evenals bij de binominaalreeks — liet aantal termen = oo. Schrijven wij: sinv.v , «"—1 . . ("'—!)("" •') . 5 i - - = «« ,■ - 12 -- «* * + 13 3 4 5 — » - etc" dan wordt dit l»ij n = O, waarbij sin nx in nx overgaat: 12 12.32 i2.3-2.52 1,2.3™"' * 1.2:3:4.5 ~'*+ iAUSAJ™"T • • • Stelt men nu sin x = z, dan verkrijgt men ten slotte: 1 1.3 zr> 1.3.5 z' , B9 ,;n + y y + 274 y + ïas T tetc" welke reeks zal convergeeren voor alle waarden van c > — 1 en -f-1, en ook voor z — ± 1. (Zie bl. 43, Vr. 2). Wordt in de verkregen reeks voor z de waarde 1 gesteld, zoo verkrijgen we, aangezien Bg sin 1 = V2 n (= 90°): 1 1.3 1.3.5 ,/2„==i+_ + __ + _r^+... E11 stellen wij z = '/2, dan ontstaat, daar Bg sm Vg — = '/„*(= 30°): ' 1 1 1 ^ 1,3 1 , 1 3-5 1 1 Vb.t — — -"g" +2.4.5 '32 2.4.6.7 '128 welke reeks zal convergeeren voor alle waarden van c > — 1 en <[ 1, en ook voor z — ± 1. (Zie bl. 43, Vr. 2). Wordt in de verkregen reeks voor z de waarde 1 gesteld, zoo verkrijgen we, aangezien Bg sin 1 = V2 n (= 90°): waarvan vooral tic laatste reeks tamelijk sterk convergeert, in elk geval veel sterker dan die van Lkii;mtz. 18. Veelwaardigheid der eenheidswortels. Wanneer een complex getal a -f- hi, dat onder den vorm t>{cos(f-{-isineot 11 (—p)e macht verheven, weer een 1/1 oplevert. Dit is over- « , n , ?j eenkomstig de eigenschap (l/l)-''' = 1/(1) '' = 1/1. Maar liet volgt ook van zelf uit bovenstaande goniometrische voor- tl stelling van l/l. Neemt men den eersten ne" wortel, den zg. primitieven d.w.z. dien, welke gevonden wordt, door <-3^ + ; (MT + *X360-X Zoo hebben wij bv.: 1^ - 1 = (90°), (270°) =r ± i. 11 ~ 1 = (60°), (180°), (300°) = i/8 ± '/Qti^3 en - 1. ~ 1 =(45")'(135°);(225c),(315°)=1/al^ 2±'/8ti^-2(450eii31ór) e" — l/j 1^2 ± i/2t 1^-2 (135° en 225°). n Thans geeft elke V—1, tot een oneven macht verheven, weer een anderen 1^—1. Want (l^—lf is alleen dan 11 — wanneer p oneven (positief of negatief) is. Ver¬ heft men V— 1 tot een even macht, dan ontstaat een 1^1. Vermenigvuldiging geeft nu alleen dan een nieuwen wortel, wanneer het aantal factoren oneven is. Nemen wij weder den primitieven wortel, zoo kunnen uit dezen wederom al de andere V— 1 worden afgeleid. Zoo heeft men bv. bij de f— 1, dat «2 = «,\ «3 = af, «4 = «,7, «-^«i9. En hieruit volgt, dat bv. et, X «; X «3 = «j9 = «5 is. Uit het bovenstaande volgt ook, dat V— 1 alleen bij oneven n i'en reëele waarde heeft, nl. — 1 ; cille «andere wortels zijn wederom imaginair. Stellen wij de eenheidswortels in een cirkel met den straal 1 meetkundig voor, dan zien wij dat bv. de vijf V ± 1 door de hoekpunten van een regel matigen 5-hoek worden aangegeven, waarvan hij jKl het lc hoekpunt bij 72°=1/5 X360° ligt, terwijl dit bij V— 1 bij 36° = V5X-180° zal liggen. Evenzoo worden de vier ± 1 door de hoekpunten van een regel matigen 4-hoek aangegeven, waarvan bij p 1 het le hoekpunt bij 90° ligt, en bij P^—l bij 45°. Enz. Enz. Aan de hand van een dusdanige meetkundige voorstelling (de leerling teekene deze telkens) kan men nog velerlei eigenschappen illustreeren. a. Zoo zullen bij even wortels de eene helft der wortels altijd het tegengestelde zijn van de andere helft, overeen- 2» 2h komstig de eigenschap, dat Va — ± 1 ya is. De straal, behoorende bij den eenen wortel, zal dan in het verlengde liggen van den straal, welke bij den anderen wortel behoort. Zon liggen b.v. bij t^l (90°) en (270°), (180°) en (360°) in eikaars verlengde. En bij & — 1 (45°) en (225°), (135 ) en (315c). c Bij V 1 zal men hebben «4= —omdat«4=aiX«3 en =—1 is. Evenzoo is dan «3 = a.2 X «s = — "2; ('nz- G Bij — 1 beeft men «4 = «17 = «1 X "i'' = — öi> omdat rt!0 =— 1 is; enz. />. Verder zullen de imaginaire wortels altijd paarsgewijze eikaars omgekeerde zijn. De correspondeerende hoekpunten van den veelhoek liggen in dat geval vertikaal boven elkaar. Immers daar cos 1p -f- i sin «2 X «4 = «iL0 = 1. (zie boven). 6 6 Hetzelfde bij i/l en \/—1, wat de leerling zal laten zien. c. Ook toone hij aan, dat overeenkomstig de eigenschap ^—1 = — alle 1Y-I verkregen worden, door het tegengestelde te nemen van de ïKl. " d. En dat elke Vl ook een 1 zal zijn; maar een n )m \y '1 alleen dan een —1, wanneer p oneven is, anders p» weer een 1/ 1. e. Ook, dat ingeval p en q ondevTnuf ondeelbaar zijn, alle f-i p \ ' 1 worden verkregen, door alle V 1 te vermenigvuldigen 1 v) — 0, of x = 0 en x + p = 0, zoodat de wortels zijn x — 0 en x = —p. Ontbreken eindelijk \> en ± V" l/4 — y. Deze formule moet uit liet hoofd worden geleerd. De leerling brenge haar onder woorden. Een vierkantsvergelijking heeft dus altijd twee wortels, d.w.z. waarden van x, die aan de vergelijking voldoen. De uitdrukking V4 j>z — q noemt men de discriminant der vergelijking. Van de waarde daarvan hangt liet af, of de wortels reëel, dan wel imaginair zijn. Is ]/4 ))"* qt dan zijn beide wortels reëel » < q, „ „ „ „ imaginair. In het geval, dat l/4p-juist =q is, vindt men x=— i/2p ± 0, d.w.z. twee gelijke wortels — 1/i p. Zoo zal de vergelijking x* — 3x + 2 = 0, waar V4 — q = — J/4 — 2 positief is, twee reëele wortels hebben; daarentegen de vergelijking x3 + x -f- 1 = 0, waar 1lipi — q = = '/4 — 1 negatief is, twee imaginaire wortels. De vergelijking 6.t'-f-9 = 0 eindelijk, waar l/4/r—17 = 9—9=0 is, bezit twee gelijke wortels, nl. — 3. Is de bekende term q negatief, dan is natuurlijk V4/>«—q altijd positief, en zijn derhalve de wortels in dit geval steeds reëel. Opmerkingen. 1. Heeft men de vergelijking ax2 -f-bx-\-c= 0 niet tot den vorm x3 p x + — b/a en j = c/« te stellen. De discriminant wordt dan b'2 — 4 ac, en hangt liet van de waarde van dezen vorm af, of de wortels reëel, imaginair of gelijk zijn. Het spreekt van zelf, dat dit op geheel liet zelfde neerkomt als liet bovenstaande, want h% — 4ac — 4a'21 — --1 = 4«'2 ('/4 p% — q), waarin 4ac altijd positief is. 2. Zijn de wortels imaginair (complex), dan zijn ze altijd ,geconjugeerd'' of „toegevoegd" imaginair, d. w. z. is de eene (i bi, dan is de andere a — bi. 3. Voor de zg. „goniometrische" oplossing, welke echter in de praktijk wel bijna nooit zal voorkomen, zie men bl. 123—124. Wij willen nu de vraag beantwoorden wat er gebeurt, wanneer de coëfficiënt van x, id. a, hoe langer hoe kleiner wordt, en tot 0 nadert. Maken wij daartoe gebruik van den vorm (zie boven) *=k\-h±b\/l-iï\- Hierin is nu ——' zeer klein t. o. v. 1, derhalve kan geschreven worden: zoodat de eene wortel .i'i nadert tot c x\ — Tl O terwijl de tweede wortel ,c2 (met liet — teeken overeenstemmende) nadert tot b c x — —, a b d. w. z. tot oo, wanneer a tot 0 nadert, (-f- oo bij negatieve b, — 00 bij positieve b, wanneer n positief wordt ondersteld). 10 Van de beide wortels wordt dus de eene hoe langer hoe meer gelijk aan dien der + ^ V ■V2 35 — VtP — ^ lu p'2 — 'n graad. Zoo kan men doorgaan, en aantoonen, dat er inderdaad n wortels zijn, en dat de gegeven vorm P deelbaar moet zijn door x — xi, x — x.2, .. x — xn, waarna er een getal, nl. a, overblijft. Voor P„ kan dus geschreven worden : De boven afgeleide eigenschap \an het eerste lid van een vierkantsvergelijking is dns slechts een bijzonder geval van een zeer algemeene eigenschap. Die eigenschap zegt, dat elke vorm P„ van den ne,t graad ontbindbaar is in n factoren van don eersten graad. En die factoren zijn bekend, zoodra de wortelt der vergelijking pn = 0 bekend zijn. Nu kunnen er onder die wortels zeer goed meerdere imaginair zijn, zoodat ook de factoren niet alle reeel behoeven te wezen. (Onder de reëele factoren kunnen er natuurlijk meerdere aan elkaar gelijk zijn). Theoretisch kan dus elke gelieele vorm in factoren worden ontbonden ; practisch niet altijd. Keeren wij na deze uitweiding tot onzen tweedengraadsvorm terug. Wij zagen, dat indien de wortels bekend zijn, ook de factoren kunnen worden opgeschreven. Maar omgekeerd zullen uit de factoren ook de wortels bekend zijn. Heeft men bv. de vergelijking x~ — 7#-f-12 = 0, dan ziet uien onmiddelijk, dat het lc lid kan ontbonden worden in ix _ 3) _ 4), zoodat de wortels 3 en 4 zullen zijn. Dit komt echter geheel op het zelfde neer of men de wortels op liet oog bepaalt (zie boven) door toepassing der eigenschappen .1'] .t'2 = — l>> x\ + x-i — ?• Ontbinden wij als toepassing van het bovenstaande den vorm 2.v2 + S.v — 7 in factoren. Voor de wortels der vergelijking + 5 = 0 vindt men door middel van de formule : x = % (-3± V9 + 56) = Vé (- 3 ± ^ 65)- Men heeft mitsdien : 2,r3 + 3a- — 7=2 L'- — Vit— 3 + 1/ 65)] |> —7*(—3 — V65)] = = Ys (4.f + 3 — \/ 65) 3 —(— 1/ 65). Dat deze uitkomst juist is, kan men hieruit zien, dat (4,i' -f- 3) + V 65, vermenigvuldigd met (4® + 3) — l 65, oplevert (4.<* —(— 3)'- — 65 = 16.i.,J —J— 24.c 56 = 8(2,c~-|-3lf ^). De gegeven vorm heett alzoo onmeetbare factoren, welke in de praktijk evenmin als factoren worden beschouwd als imaginaire. 4. Vraagstukken. Los nu de volgende vierkants vergel ijkingen op. 1. x2 — 3.v 1/ 2 — — 1 -|- ï/" 6. 2. (2 -f- 1/ 5) ,?;2 + (3 4-21/ 5) x — (ft 4- 31/ 5) = 0. (Deel eerst door 2 —|— \/ 5). 3. x |/5 — 10 1/x — 2 = - 2 1/5. (Zonder 10l/« _ 2 in éen lid af, en verhef daarna in het vierkant; denk aan het invoeren van wortels: gegeven wortel uitdrukkingen worden nl. altijd positief ondersteld). 4. [ — 8 -f x l 2 (xl — 1)| = ,v* + 111. (Antwoord : -f 17 en — 7 i). o. 1/2.?; 1 + l' 3,r -f 1 — 7. (Breng éen wortel over naar het 2B lid). G. V h.v - 6 ± \' '.ïv i- 7 = l^ilT+TC (Welke waarden voldoen hij -j-, welke bij —?). 7. 1/20* + 1 ± V/"3^+~4 = 1^7.® — 3. (Id.). 8. V \2x + 1 ± »/ 4.>: + 1 = ± l' 21./+ 22. (Maak 4 teekencombinaties). 9. + 1 ± 1/4»; — 3 = ± 15.i? + 4. (Id.). 10. ax~+7> + caT+d ~: l/px + q. Voorbeeld van oplossing. Zij gegeven de vergelijking f Tx + 72 ± 1/ 2a + 2 = ± 1/ 6.T+~7. Verhef beide leden in het vierkant; dit geeft: 9x + 74 ± 2 1/14,r- + 158.» -f- 144 = 6,?; + 7, of ±2 1^ 14.^ + 158.« + 144 z= — (3.»; 4- 07). Nu nogmaals in het kwadraat verheffende, verkrijgt men : 50«2 4- 032,1- 4- 570 = 9x- 4- 402.?; + 4489, of 47.j;- 4- 230,7; — 3913 = 0. Hieruit vinden wij: — 115 ± 1^ 13225 + 18391T — 115 =fc 444 47 ~~ 47 derhalve x = 7 en x — — H42/47 . Door de twee achtereenvolgende kwadraatsverheflingen kunnen wortels zijn ingevoerd. Snbstitueeren wij derhalve de gevonden waarden in de gegeven vergelijking. De waarde 7 geeft: 121 ±i^"l(i = ±i^49, of 11 ± 4 = ± 7. Deze waarde voldoet derhalve alleen bij 11 — 4 = + 7. De waarde — 11+-/47 geeft: l/- ll«/*7 ± 21»7/*7 = ± ^-04^7 ' of door — V47 deelende: 1/ 529 ± 1024 = ± 1/ 3025, derhalve 23 ± 32 = ± 55. De negatieve waarde voldoet dus alleen bij 23 —)— 32 = — 55. Wij vinden alzoo ten slotte: 1 bij —1—[- voldoet alleen x — — H^/47 ' bij 1- ,, ,, x — 7 I bij + — en bij voldoen geen waarden van .r. 11. «4 — 13#'3 -f- 36 = 0. (Dit is een vierdemachtsvergelijking „van den tweedemachtsvorm"; stel x'2 = y). 12. 2 xy.v -(- Vx = 35. (Stel 1y'x = y, en denk er aan, dat xy.v niet negatief mag zijn, daar deze altijd in een gegeven vorm positief wordt ondersteld). 13. (.r — 3)"' + (7 — ar)5 = 244. [Schrijf voor (7 — x):' in de plaats — (x — 7)5, en stel .v — 5 = y (waarom?)]. 14. x — 6K.® — \yx'iz=0. (Voer gebroken exponenten in, en deel door «Vs. Waaraan moet men dan denken?). 15. (x — l-'x)± + (x - V = 20. 16. Sx Vx2 + 15 — 5 +15 = 2. 1 _|_ 2 Vx 2 — 17. —- 1 = 373- (Stel de le breuk —y). 2 — Vx ' 1+21/x 13 18. x4 — 2.u3 -f x = 30. (Stel x3 — x = y). 19. 1* '(« + xf + 10 If(a — xf — 7 v (aï _ x2y (Stel i a -f x = /?, i' « — ,v — ^ en ontbind daarna liet 1' lid der „op ü herleide" vergelijking, d.w.z. waarvan het 2'" lid = 0 gemaakt is). 20. (.v2 — 10,k -|- 17)--(- 3(.» — 5)2 = 28. (Stel .r9--10.* + \l=y) 21. (« 4)' ■ 5 («3 _ 8,0 = 94. 22. 1' 2xl — 3.v + 4 -f 2,i,'2 = 2 + 3,1'. 23. (x - 1) (6 — .v) (x — 9) (4 - x) z= 21G. (Stel x — 5 = y). 24. Wat is de waarde van V {2 -f- v'[2 -f V 2 -}- i> {2 +.. .}]j? Oplossing, btel de vorm = x, dan is blijkbaai x — 1-2 + .v. (waarom ?) Hieruit volgt -v = 2. Wat wordt de waarde, wanneer 2 door 6 wordt vervangen? 25. Wat is de waarde van (W2)(V*)y 2)'? (Zie Vr. 24. De oplossing voert tot V.» = i^2, derhalve x = 2). Dit vraagstuk geeft tot een zeer merkwaardige gevolgtrekking aanleiding. Heeft men nl. algemeen « = an" , dan is dus x = a, derhalve Vx = a. Nu is ^1 = 1; |K2 = 1,41; lK3 = 1,44; J^4 = 2 = 1,41; 1^5= 1,38; 10 1 10 = 1,26; enz. Dit nadert dus weer tot 1 (zie bl. 55). (Later zullen wij zien, dat het maximum bereikt wordt bij x — *>). Nu zou men dus kunnen denken, dat M4 ' =3; 1,41 =4; enz., zoodat men de tegenstrijdigheid zou zien ontstaan, dat 1,411,41 tegelijk 2 X en 4 zou wezen, naarmate men V x beschouwt als 2 4 1 2 °f als l- 4. Het spreekt van zelf', dat slechts éen uitkomst juist is, en wel x = 2. Men moet nl. altijd X bij de oplossing der vergelijking l/x =. a van de twee mogelijke waarden van die daaraan voldoen, de kleinste nemen, d.w.z. die, welke e is. De grootste waarde, die men aan a kan geven, is 1/ e = 1,445; dan geeft 1,445',44'' tot uitkomst de waarde X e = 2,718. Een grootcre waarde, aan a = Vx gegeven, voert onmiddelijk tot een onmogelijke uitkomst voor x. In werkelijkheid is x dan echter — go ; men mag nl. in dit geval de vergelijking x = aa" niet meer oplossen als x = a . Want is x oneindig, dan is a = oo van een oneindig hoogere orde, en kunnen de beide x onmogelijk de zelfde waarde hebben, wat toch in bovenstaande oplossing werd ondersteld. Alleen dan, wanneer e n"" eindig blijft, en dat is zoolang a V e (= 1,445), mag men stellen x = a. Het komt er dan nl. niet op aan of éen a (de eerste) in de oneindige reeks wordt weggelaten. X X X ^ X 26. —-—- = . (Deel beide leden door .v -|- 1/ x ; x—Vx 9 waarom mag men nu #-j-l/x niet = U stellen? E11 x-\-Vx 9 waarom zou men bij de oplossing van —- = X X X ~~~ X den vorm x — Vx niet = 00 mogen stellen ?). De volgende exponentiaalvergelijkingen leiden alle tot vierkantsvergelijkingen. 2-1 2+3 27. V 1296 :1/ 46656 = 6. (Welke machten van 6 zijn de getallen onder de V-teekens ?). ,-1-1 42—'i 28. 625a+2: 15625'">x~4 — 0,04. 29. 4r+2 + 4**~s = 260. (Stel 4* of 41"-1 = y). 4 30. loq x3 — — 1. (BuiGos'sche log.). lot7 x'z 31 = *. (id.). 32. *b*x-*b*'+l=l. (id.). /B i 2\^ ^+2) 33' (i+2ji = 0'001' zoo zal noodzakelijk, wanneer axs -f- bx -f c een vierkant is, wl = x2 moeten wezen, (en ook a een vierkant). Nu is de voorwaarde voor gelijke wortels b2 — 4at.? en dit kenmerk kunnen we dus in het bovenstaande vraagstuk toepassen. (Ook buiten de gelijke wortels om weet men, dat zal ax* + bx -f <• een vierkant zijn, b = 2Ka.Kc moet wezen, derhalve b2 = 4«c). Nu kan men voor de gegeven vormen schrijven : (b2 + q2) x2 -f 2 (ah -f pq) x -f. (rt2 en (c2 -f- r4) x2 -f- 2 (ac -f pr) x -f (a2 -f- p2). Derhalve zal (ab+Pq)* = (b* + q*)(a*+P\ en eveneens (ar -f pr)2 (c3 + r2) (a2 -f ;>«) zijn. Uit de 1« vergelijking volgt 2abpq=za2q2-\-h2p2, en uit de tweede 2acpr=a2r*+c*p2. Mitsdien is (aq — bP)2 = 0 en (ar — cp)2 = 0, 0f — — — en — =—, waarvoor men ook kan schrijven b q c r a:b: c — p: q:r. Zal nu ook (c2 + r') + 2 (bc -f- qr) x -f- (b2 4- q'2) een vierkant zijn, dan moet (bc + qr)2 — (c3 + r2) (b2 -f- q2) wezen, of 2bcqr = b-r2 c2q~, hetgeen leidt tot br = eg of b:c = q: r, hetgeen met het bovenstaande in overeenstemming is]. 5. Vergelijkingen van den tweeden of hoogeren graad met meer dan éen onbekende. Alles komt hier neer op het oordeelkundig' elimineeren van onbekenden, zoodat men ten slotte éen vergelijking in oplosbaaren vorm overhoudt. Wij kunnen niet anders doen dan door eenige Voorbeelden — ieder een bepaald type vertegenwoordigende — laten zien hoe men in de meest voorkomende gevallen handelt. Nog meer dan vroeger zij men thans op zijn hoede niet het invoeren of verduisteren van wortels. a. S.v — 2y = 4 ; x2 + 2xy — 3y2 - - 5. In dit geval, wanneer nl. éen vergelijking van den eersten graad, en éen van den tweeden is, lost men een der onbekenden uit de eerste vergelijking op, en substitueert de waarde daarvan in de laatstgenoemde vergelijking, aldus : y — i/2 (3.« — 4) ; x3 + x {3x — 4) — % (Sx — 4)3 - 5. De laatste vergelijking geeft, na vermenigvuldiging met 4, en herleiding op 0, de vierkantsvergelijking 11,y2—56,t'+ 68 = 0, waarvan de wortels zijn x=2 en 3Vn* De daarmede overeenstemmende waarden van y zijn y=1 en 213/22, zoodat we ten slotte twee stellen waarden hebben, die aan de gegeven vergelijkingen voldoen, nl. x=2, y = 1 en x = 3'/n, y — 2l3/22. b. (.«3 + x2y + xy3 + ,ya) (.v + !l) = 1225 — x2y + xir — f') (,l' — y) — 25. 1<= Oplossiny. Men kan de le leden dezer vergelijkingen verder ontbinden, en schrijven : (x + >/)- (xs + >r) = 1225 ; ( y _ 3, 4, _ 3, - 4 y = 3ï, 4i, - 3i, - 4i |' evenals hoven. Daar het dubbele teeken van x + y in geenerlei verband staat met het dubbele teeken van x — y (beide door wortel trekking ontstaan), zoo krijgen we door teekencombinatie telkens 4 waarden. Wij vinden dus acht stellen waarden voor x en y. De beide vergelijkingen waren elk van den vierden graad, dus had men in het gunstigste geval 4x4 = 16 stellen waarden kunnen verwachten. Dat men slechts de helft van dat aantal vindt, komt daardoor, dat de beide vergelijkingen een factor -j. y3 gemeen hebben, welke na deeling wegvalt, (zie de Ie oplossing). Daardoor ontstaat er een vergelijking van den 2U" graad, welke gecombineerd met een der beide gegeven vergelijkingen, 4x2 = 8 oplossingen zal leveren. Heeft men algemeen een vergelijking P = 0 van den pKn graad, een Q = 0 van den qün graad, een R = 0 van den j,un graad, enz., dan kan men hoogstensp X 'j X '' X • • oplossingen verwachten. Immers men kan zich het le lid P der eerste vergelijking altijd ontbonden denken in p factoren P\, P$, • • • P,, van den lun graad; evenzoo het 1° lid Q der tweede vergelijking in q factoren Qu Q2, . . . Q,, van den 1™ graad; enz. Wij hebben derhalve ook : px = 0, P.2 = 0 ... Pp = 0 ; Qi = 0, Qa = 0,... Qq = 0 ; Rt = 0, R, = 0,... Rr = 0 ;.. ., en nu ziet men gemakkelijk in, dat elk der eerste [> vergelijkingen, gecombineerd met elk der tweede q vergelijkingen, met elk der derde r vergelijkingen, enz., in het geheel )> X (j X r X • • • stellen oplossingen zal geven, die P, Q, R, enz. = O maken. Heeft men bv.: t\ = ü, l\2 = U ; Qi — 0, = 0 ; Rx = 0, R2 = 0, A'3 = 0, zoo zal men achtereenvolgens hebben: P)=0, Ql=0, Ri = 0; l\=0, Q, =0, Ri=0; P=0, Qi=0, Rs=0; P =0, Q2=0, Rl=0; enz. enz.; in het geheel dus S X 2 X 2 -— ^2 stellen vergelijkingen van den eersten graad, derhalve ook 12 stellen waarden, die P= Px X Pi, Q=QiX Qt, R= Ki X l'zX alle = 0 zullen maken. C* •'•2 ~ H' = 8/s 'rï! i — .'/ — 2/ri .vy. Deelintj geeft ojimiddelijk x + y = 4, zoodat de vraag is teruggebracht tot de oplossing van .V - y = 2/3 ; .1' -f y — 4. Yeriieft inen die vergelijkingen beide in liet kwadraat, en trekt ze daarna af, zoo vindt men: ixy— 16 — */g .«V, bijgevolg «2«/2 + 9a7/ — 3ti = 0, waaruit voortvloeit xy = 3 of — 12. Daardoor wordt x — y = 2 of — 8, en dit gecombineerd met z'-|-y=4, levert de oplossingen x=3,y=l en x=—2, v/=6. Er is gedeeld door x — y =; ^1% xy. Daardoor zijn dus die waarden van x en y verduisterd, welke x — y en 2/3 xy gelijktijdig = 0 maken, d.w.z. x — 0, y = 0. Immers schrijft men voor de eerste vergelijking A f1— BQ, en voor de tweede P = Q, dan voldoen hieraan niet alleen de waarden welke aan A = B, P= Q voldoen, maar ook de waarden, welke aan P= 0, Q = 0 voldoen. Dit wordt nog duidelijker, wanneer men voor de eerste vergelijking schrijft AP —BQ = 0, of daar Q = P, ook AP—BP= 0, of (A B) P = 0. De tweede vergelijking wordt P— Q — 0. Volgens het boven behandelde splitst zich dit stel dus in A—B = 0, P — Q = Q en P=0, P— Q = 0, d.w.z. P= 0, Q = 0. In voorbeeld b) werden bij de eerste oplossing ook twee vergelijkingen op elkaar gedeeld, maar daar de tweede leden bepaalde getallen waren, kan men die in een dei- vergegelijkingen niet = 0 stellen. Er werden dus daar geen waarden door de deeling verduisterd. Evenmin werden er bij dit Vraagstuk c) door de kwadraatsverheffingen waarden ingevoerd. Want die dienden alleen om door aftrekking de waarde van xy te vinden. Van de in het kwadraat verheven vergelijkingen zelf is geenerlei gebruik gemaakt. Daar x — y = 2/3 xy van den tweeden graad is, en x -}- // = 4 van den eersten graad, zoo konden bij de oplossing van dit stel 2 paren waarden voor x en y verwacht worden. Inderdaad vindt men na de kwadraatsverheffing, enz. 2 stellen waarden, en ook daaraan kan men zien, dat geenerlei waarden zijn ingevoerd, d. x~> + y~' = B3 ; x -|- y = 3. Deeling geeft: — xsy -}- .»2//3 — .iv/3 -(- y* — 11. Verheffen wij nu de tweede der gegeven vergelijkingen tot de 4U macht, zoo wordt deze: .o* -f~ 4x3y öx2y2 -|- 4xy3 -j- y* = 81. Derhalve vindt men door aftrekking der heide laatste vergelijkingen: 5 i^y + «V + .Vif) = 70, Of xy (x2 -f xy + y2) = 14. Nu is (x -f- ,'/)3 = 9, derhalve x2 XH + H' — 9 — xy, en wij vinden: xy (9 — ry) =14, welke vierkantsvergelijking levert: xy ~ 2 of xy = 7. Daardoor wordt x2 xy y2 = 7 of 2, derhalve zal na aftrekking van 3 xy = 6 of 21 ontstaan {x—,'/)8 = 1 of —19, dus x — y=± 1 of ±/19. Combineert men dit nu met dan vindt men ten slotte: l.c = 2, 1, Vs(3± tV-'ll») \y = 1, 2, Va (3 =F t V19). Men had de waarden van x en y ook kunnen vinden, door (x -f- y)1 — 9 te verminderen met 4.ry = 8 of 28, gevende (x — ƒ/)- = 1 of — 19; enz. Zoo zonden wij nog tal van voorbeelden kunnen uitwerken, die alle weer van de voorgaanden verschillen, wat methode van oplossing betreft. Bij alle verschil hebben de oplossingen toch zeer dikwijls dit gemeen, dat men ten slotte de vraag -terugbrengt tot de oplossing van x ± y — a, xy — h. Dit doet men dan altijd, door de 1° vergelijking in het 11 kwadraat te verheffen, en daarvan 4xy = 4b af te trekken (of op te tellen). Zoodoende krijgt men (x zF y)~, waarna men door worteltrekking vindt x — y = ± iSa* 4b (of x y = ± l/a2 -f- 4b). Heeft men x3 -f- y2 ei' •»y, dan zijn ook onmiddellijk (x -f yf en (x — yf, derhalve x + y en x — y bekend. En uit x -f- y en x — y vindt men door optelling en aftrekking x en y afzonderlijk. De leerling zal in de nu volgende Vraagstukken ruimschoots gelegenheid tot oefening vinden. De herhaaldelijk bijgevoegde wenken dienen gedeeltelijk tot vingerwijzing, wanneer de oplossing niet voor de hand ligt, gedeeltelijk ook om een bepaalde oplossing op den voorgrond te stellen. 6. Vraagstukken. 1. x -f y — r>/6 xy ; x — y = >/6 xy. (Elimineer y of xy). 2. x2 + y~ = 10 x = 5 y. (Druk y in x uit). 3. x2— y2 = 40 ; xy — 21. (Verhef de lu vergelijking in het vierkant, enz.). 4. xy -|- x = 12 ; xy — y = 5. (Optellen en aftrekken, xy naar het 2e lid, enz.). 5. x2 — y2 = 48 ; x2 -f" xy -f- y'2 =z 48. (Stel de le leden aan elkaar gelijk). 6. x* y* = 609 ; 3 (x y) — 7 (x — y). (Druk y in x uit). 7. xy = 12 ; xz = 20 ; y» = 15. (Vermenigvuldig de vergelijkingen met elkaar). 8- (* -f »/) (« + y + «) = 42 ; (x -f *) (x + y + z) = 35 ; (9 + *) (* + y + *) = 21. (Tel de vergelijkingen op). 9. a'3 -f- y3 -)- s3 = 371 ; x -)- 2y ■= 7 ; 4,« — 3y z — 2. (Druk y en z in x uit). 10. # + y*-z* = 3 (x + y) = 3 '/2 (* 4- z) — 41/5 (y + *). (Id.). 11. a-2 -f 3/2 — *2 4- 2 xy = 48 ; ,r2 — y2 — s2 -{- 2 ys = 24 ; x + y + * = 8. (Ontbind de 1" leden der le en 2e ver- - gelijking). 12. x2 — xy = 21 ; x2 + y2 = 65. Oplossing, x (x — y) = 21 en (x — y)"3 = 65 — 2 .«y geven xi (65 — 2 .si/) = 441. Maar x2 — 21 -f .«?/, zoodat men de vergelijking (21 + xy) (65 — 2xy) = 441 verkrijgt, d.w.z. een vierkantsvergelijking in xy. Enz. 13. (« + 2)(y+7) = 30; # = 4. (Stel x + 2 = p,y + T=q). 14. a-2 + ,vs — -2 = 22 ; x (y -f- z) = 15 ; x + y + z = 8. (Schrijf •« + (.'/ + •*) = 8, en combineer dit met x(y + s) = l5). 15. x _ y = 1 ; x* + y* = 337. [Verhef de le vergelijking tot de 4e macht, en trek van de 2e vergelijking af; vergelijk daarna met (•« —I- 16. x — 2z = 2 ; 2y + 3^ = 9 ; x2 — xy -f 2y2 = 22. (Druk y in x uit). 17. xy — x — y = 5 ; ** — v» — * = 11 ; yz — y — z— 1. (Tel bij beide leden telkens 1 op; enz. Zie verder Vr. 7). ?/ *vz y z 18—=18; — = 2; — = 4x/2. (Vermenigvuldigen). z y x 19. (.«2 + f) (x + y) = 131/3 xy ; {x* — y*) (x2 — y2) = 711/,, x2y". [Deel de vergelijkingen op elkaar, en elimineer daarna xy; dit geeft 2 (x2 + y2) (x + y) = 5 (.e2 — y2) (x — y), of 2 (x2 + y2) = 5 (x — y)s = 5(.«2 + y2) — 10 xy, derhalve 3 _|- y%) = 10 xy. Dit gecombineerd met de le vergelijking, geeft x -f y = 4. Enz. Enz. Denk vooral aan de verduisterde wortels]. 20. x2 + xy = 144 ; y2 + xy =112. (Tel op). 21. x3 — y* = 2V3 (x ~ y)3 ; xy = 4. (Deel de beide leden der le verg. door x — y. Enz.). 22. x2 + y V xy = 70 ; y2 + a «y = 105. (Stel x =p, y = q, ontbind de le leden, en deel; zoodat q in p wordt uitgedrukt). 23. Xiy + xy2 = 108 ; xs + ys = 737. [Bereken (x + y)3]. 24. x2 — xy -f y2 = 19 ; loy x + loy y = 1. 25. a,2«/-|-= 36 ; .f2-|-4'+ / = 433 ; .« -f y — 12. (Verhef de 2" vergelijking tot de 3- macht, eu bepaal daarna xy). 28. x-y -f xy* = 30 ; x*y2 + x*y* = 468. 29. x -f- y + z — 9 ; xy = 6 ; xz — 8. (Tel de laatste twee vergelijkingen bij elkaar op, en schrijf voor de i« * + 0/ + z) = 9). 30. x + y = 4 ; (x2 + //2) (.«3 + ,/) — 280. (Deel de 2« vergelijking door de le, en vergelijk de uitkomst met (x -f y)2 ; er komt een vierkantsvergelijking in xy). 31. x2 4- y2 -)- c- = 38 ; x -\- y -\- z =. 10 ; xy = 6. [Verhef de 2e vergelijking tot de 2« macht, trek daarvan de 1® vergelijking af, en maak gebruik van de 3C vergelijking; zie verder Vr. 291. 32. X2 + y2 -f «S _ 54 ; x _j_ y g _ 10 ; (a;-\-y)z= l0\/sxy. 33. x2 y- = x -f y — xy. (Dit is terug te brengen tot x y — 1, x y — xy ; bepaal daarna xy). 34. xs -f y3 = X2 -f- y2 = x -f y. [Dit geeft x2 -- xy -f y2 — 1, dus X2 -f y2 = 1 -f xy. Derhalve is ook x -\-y — \ -f xy. Verhef dit in het vierkant, en maak daarna weer gebruik van x2 4- y2 = 1 -f ,cy\. 35. 'd*~l + i"+l = l9; 3c+2-42'/-, = 77. (Stel 3*"1 =p en 4'/_1 = q). 36. Vx~+y -f\ '.v—y = 4 ; 3y-f 1^2,0 — 3,1/= 2l^C. [Na kwadraats verheffing komt er ^ xl—>fl — 8 — x en i 4,v2 — 9»/* =12 — 2x, gevende 16# = 04 -f y2 en 48.7; = 144 + 9:y2. Enz.]. 37. x2 (x 3) -f yz (,'/ — 3) = 40 ; x* -4- y2 -f- xy (x -f- y) = 99. (Vermeerder de V vergelijking met 3-maal de tweede). 38. Vx + 3 — V'' y + 1 = 1 ; x — y = 35. (Stel x + 3 = p en Vy + 1 = q)- 39. .r2 + xy + y2 = 7 ; + *z + * = 21 ; y2 + y2 + *2 = 28. [Aftrekking geeft x (y — s) + (y3 — z2) = — 14 en z{x — y) + (x2 — y2) — — T, of (y—z)(x-\-y-\-z) — —14 en (.v — y) (x -f y + *) = — ?. Stel .« + y + * = p, dan heeft men dus py — pz= — 14 en px—py = — 7, bijgevolg 2py — p (•« -}-«) = — 7 of 2;>?/ _ p (p — y) = — 7, derhalve 3py = p2 — 7. Verder is alzoo 3pr = p2 + 7 en 3p.e — p2 — 28. Substitutie in bv. x2 -f- xy -f- y® = 7 geeft dan een vierkantsvergelijking in p2. Enz.]. 40. + y + * = 6 ; .t2 + y2 - ~~2 = 12 ; .*» + f + _ 3Ü. [Verminder de 3e macht der le vergelijking met de 3e vergelijking, de 2e macht der 1K vergelijking met de 2e vergelijking, en deel]. 41. x Vx + lyy°- — 4a- ; Vx + l*y = 2/3 «. (Stel V'x — p en y — q, en elimineer q). 42. 2.«2 -f .ry -f 3y2 = 72 ; 3«2 — 2.ey -|- y2 = 59. [Telt men de 2« vergelijking bij 2-maal de le op, dan komt er &-2-f-y8=29. Dit afgetrokken van de 2e, geeft x(x—y) = 15 of (x2 — 2xy -J- y'?) = 225. Daar nu x2 = 15-)- xy en x2 -f y2 = 29 is, zoo komt er ten slotte de vergelijking (15 -f xy) (20 — 2xy) — 225. Enz.]. 43. (x2 + y2) (x -y)= 148 ; (.r2 - y2) (x + y) = 288. [Deeling geeft x2 -j- y2i uitgedrukt in (.<■ y)~; hieruit kan men gemakkelijk x* -f- y2 in x — y uitdrukken. Enz. Men kan ook onmiddelijk na deeling y in x uitdrukken, enz.]. 44. x:> - f — 31 (x — y); -f y"° = 11 (x + y). [Na vereenvoudiging zal men door aftrekking vinden xy(x9-f y2) = 10, en door optelling x* x2y2 -f yl' = 21. Enz.]. 45. (.•3 -f f) (*" - r) = 637' (*3 - f) (*2 + y2) = 925(Aftrekking geeft x2y2 (x — y) = 144. Nu is x3 — y3 = = (x — y):i — 3xy (x — y) en x2 -)- y2 = (x — y'f + 2xy, zoodat men gemakkelijk xy kan bepalen. Enz.). 46. 4- yz + ~*9 = 84 ; « + y + « = 14 ; f _ ,r-. (Door combinatie van (1) en (2) verkrijgt men xy-\-.cz-\-ys = 50. Tengevolge van (3) wordt dit y (x 4- y + g) — 56. Enz.). 47. .*2 +y* -J- r2 = 89 ; x 4- y + 2 = 13 ; y« — xz. 48. A'2 4- y2 4-p* 4- q* — 65 ; ,„4- y — 7 . p -j. q _ 8 ; xy _p(j 49. .r3 4- y3 4-^s 4- qü = 252; x + y = 5 ; p + q = 7 ; xy ~pq. [Bedenk, dat (x + yf — «s 4, y3 4. 3.Fy ^ + ^ 50. .t,24-y2-f;)24-ï3==145; a,4_y4.p4_?_.2i; Xy~pq — 20. (Men vindt gemakkelijk (x 4- y) (p 4- q) — 108. Verder is (■" + .'/) 4~ (p + 9) = 21 ; enz.). 51. («3+y8) — (p24-98)=45; «v + ^+i»4-<7=15; xy=pq=8. (Verhef .r + y = 15 — (p 4- ?) tot de 2* macht). 52. .i'3 4" 4" P3 H~ 73== 819; x 4- y -\-p 4- (J=- 21; xy~pq-=24. [Bedenk, dat (.® 4~ .V 4~ P 4" q)3 = (.« -)- ,y)3 4~ (p 4~ q? + + 3 (* + y) (p + y)(* + y+p + q) = «8 4- y3 + />3 4- 4- y) 4- enz.]. 53. X3 4- y3 4- p3 4- ^3 _ 1820 ; y2 4. ^ 4_ qi _ 170 . « + y 4- /> 4- ? = 20 ; «y = pq. [Combinatie van (1) en (3) in verband met (4) geeft ®y + (* + y)(p + q); van (2) en (3) id. 2«y4-(« + y)(p4-j). Enz.]. 54. (*3 4- y3) — (P3 + f) = 868 ; (.v2 4" y2) — (p2 + 3 — 3p) = ?• Optelling geeft 2 (p5 + q3) — 6 (p + q) = p + q of 2(p*—pq+q*) = 7. Aftrekking geeft 2(/>3 — q3) — 6(p — q) — — (p — q) ot 2(p3+i"7 + < _//"+" _ n_cm_^ •v"= ; y" ~~ 2 ~~ Pm wanneer a + h + cm door f wordt vervangen. En hieruit volgt: U = x' p" ; — y" J ™ . n m Of ~?l p , c =: p , 7 mn /"+" ; //" _ '«+« _"•+» . '« _ »+n •f r » — z p . Door optelling vinden wij alzoo, daar a'" + />'" _f_ c" weer = pm is: mn mn mn mn r,n+" + + ^«+« hetgeen de verlangde betrekking is. 7. Wederkeerige vergelijkingen. Dit zijn vergelijkingen die de eigenschap bezitten, ,■ een wortel is ook lx een wortel zal zijn. Wij zullen bewijzen, dat wanneer de coefficienten der \ ergelijkmg van voren naar liet midden toe dezelfde of liet tegengestelde zijn als die van achteren naar het midden, dat dan de vergelijking een wederkeerige is. ti- ^ij in de eerste plaats : + b.y} -f c.,:3 -f c.i:8 -f />.ff -f a = 0. ^ei\anBt men hierin ,v door i/x, en vermenigvuldigt niet f ' ,n /iet men terstond, dat de oorspronkelijke vergelijking terugkeert. 7* is dus een wortel, wanneer x er een is. ei gelijkingen \an het bovenstaande type—oneven, graad, coëfficiënt en voor en na het midden gelijk met het zelfde teeken — zijn altijd deelbaar door -f 1, en hebben dus een wortel jc= — 1. '"""O" " <'S + >> + + 1 + «' (.,• +1) i» altijd deelbaar door a; -f 1. 6. in de tweede plaats zij gegeven de vergelijking a.ir' -)- b,r* -)- cx-s — c,,r — b.y — g — 0. Ook hier ziet men terstond in, dat vervanging van * door jt geen verandering aanbrengt in de vergelijking. Ook, dal vergelijkingen van deze soort — onam grand, coélheienten vuo,- e„ „a hel midden gelijk „,et te„e„eU toeken — altijd deelbaar zijn door x — 1, en dus een wortel x = 1 zullen bezitten. c. In de derde plaats onderzoeken wij do vergelijking il.i;* -f- -f- ~f~ I'-'' ~4~" n —- "• Ook deze is wederkeerig, maar is thans noch door nöcli door —1 deelbaar. \Vant x =— 1 geeft a — b-\- _j_ c l) -j- a, hetgeen niet — 0 is. En ,i; = 1 maakt het 1-' lid evenmin = 0. Hetzelfde geldt t. o. v. alle dergelijke vergelijkingen, nl. van even graad, met coëfficiënten, die liet zelfde toeken voor en na hot midden hebben. d. Eindelijk zij in de vierde plaats gegeven : 4- l,.v2 — h.y + a — 0. Dat hier de middelste term ontbreken moet, opdat de vergelijking wederkeerig zij, is ook onmiddelijk in te zien. Want anders zou men door vervanging van x door '/* niet de zelfde vergelijking kunnen terug krijgen. Vergelijkingen van dit type — even graad, coëfficiënten met tegengesteld teeken voor en na liet midden — zijn deelbaar zoowel door x -f 1 als door x — 1, hetgeen gemakkelijk is aan te toonen. De vergelijking is derhalve ook deelbaar door x i en er is een wortel x — — 1 en een x = 1 ■ Wij kunnen dus altijd een willekeurige wederkeerige vergelijking van de 1", '2 en 4'' soort door deeling door x + 1, joor of door x- — 1 (éen keer of meermalen) terug brengen tot een van de 3" soort. Want eindelijk zal de vergelijking niet verder deelbaar zijn door genoemde factoren, en moet hij dus van de 3« soort worden. Dat de nieuwe vergelijking nog altijd wederkeerig is, volgt hieruit, dat wanneer do oorspronkelijke vergelijking tot wortels heeft bv. x = \, x = {>, x = %> * = ?. «=V».en 1110,1 deelt door x 1, de nieuwe vergelijking nog altijd de wortels/»,1//-» (i en 7? bezitten. Altijd komen wij dus op een vergelijking van de 3" soort, en we moeten dus thans «Ie verdere oplossing van een dergelijke vergelijking behandelen. Nemen wij de termen van de bedoelde vergelijking — zii e van den vierden graad — aldus samen: « (.V* 1) -{_ b (a-3 -(- ,?;) -)- CX1 — ()_ Deelen wij nu door x%, dan komt er: «(«• + 7*0 + (« + '/*) + c = o. Wordt dan verder ,t'-f 1/x=y gesteld, dan is,ï?2-4-i/t,==v2__o en verkrijgen wij derhalve : a (y* — 2) -f by -f c = 0, waardoor de vergelijking tot een ^«^vergelijking is teruggebracht die wij op de gewone wijze kunnen oplossen 011 W1J (la» verder de vergelijking x + i/, = v 0„ Avaann nu y bekend is, dan vinden wij * door een nieuwe' uerkantsvergelyking. De vierde,nachtevergelijking is alzoo i eze wijze van oplossing teruggebracht tot twee vierKantsvergehjkingen. Was de herleide wederkeerige vergelijking van den zesden f gexveest, dan zouden wij deze hebben kunnen teruglengen tot een gewone vergelijking van den derden graad Maar aangezien de oplossing daarvan tot de Hoogere Algebra behoort, zullen wij deze vergelijkingen niet behandelen, evenmin als d,e van nog hoogeren graad. Alleen vermelden wij, |B sdai, zo» geworden zijn, zooals de lezer gemakkelijk zal kunnen controleeren. Er bestaat een algemeene formule voor af + uitgerukt ,n + i/x = y, maar de afleiding daarvan behoort e\eneens tot de Hoogere Algebra1). van de 'tl61111? kaU tr°UWenS °°k gemakk(,|Ük geschieden door middel z-co'lTXl 7".™"*' °P bL 107 W». Stelt men „1. Even- 1 »1,'/ '* = C0S * ~ *' P, ™ dus 0 + 1/, = 2 COS f. Evenzoo zal z + l/z» = 2 cos n

2n~5cos"'* -..., derhalve na vermenigvuldiging met 2, en z + y, —y stellende: Geven wij nu ccn enkel voorbeeld van oplossing. 20.i,•5 — x1 — 421iC3 + 421.tr8 -f- iV — ^0 = Deze vergelijking is van het tvpe ft). Deelen wij door x — 1, dan komt er: 20.S4, -f 19.t-3 — 402.«2 + 19.7,- + 20 = 0, welke vergelijking van liet type r) is. Deze wordt dus verder opgelost. Zij leidt tot 20 (.t-2 -f 7*0 + 19 (.« + '/*) - 402 = °' of 20 (y2 - 2) + 19y - 402 = 0, gevende 20/ + 19y - 442 = 0, waaruit .V — 5l/s Hieruit x oplossende, zoo vindt men ten slotte: x — 5 of V5, — 4 of — V4* Hierbij behoort dan nog de waarde x = 1, daardoor x — 1 is gedeeld. De leerling losse nu de volgende wederkeerige vergelijkingen op. 1. 6.t5 + 41«* -|- 97.«3 97.r® + ^,v + 6 = 0. 2. 450.b5 — 555.** — 1069.W3 + 1069.«8 + 555.;; — 4o0 = 0. 3. 72.«* -f- 306.!.'3 + 4G9.?;2 4- 300.?; + 72 = 0. 4. G.rfi — 35,i;5 -(- 56.W4- — 56.);2 -|- 35.» 0 = 0. 5. X1 _ 4.);« -)- 2.i;5 — 5«* + 5.«3 — 2.»;2 -{- 4.e — 1 = 0. 8. Binominaalvergelijkingen. Dit zijn vergelijkingen \an " a den vorm ox ± ft = 0. Men kan ze altijd, dooi ^ .'/ te stellen, terugbrengen tot den vorm - 1 . " «-2 , »(»—8) „ -4 w(M 4)(n—5) n—6, '+?=»"» +-T2"-' " 1-2-3 * De oplossing geschiedde hier wel is waar onder aanname van een zeer speciale, imaginaire, waarde van 3, maar de formule geldt toch geheel algemeen, zooals men gemakkelijk zal kunnen controleeren. //" ±1=0. feitelijk komt de oplossing van die vergelijkingen dus neer op die van ?/ = |/=Fl, d.w.z. 0p het bepalen der eenheid,wortel* (zie bl. 138 e. v.) Men kan echter ook voor kleine waarden van n het eerste lid in factoren ontbinden, en zóo tot de oplossing geraken \ oor ƒ ±1 = 0, y» ± 1 = o, y ± i = o en f £ 1 = 0 laten wij dit aan den leerling over. [Wij wijzen er op, dat y + 1 ontbonden wordt, door te schrijven (y* + l)2 — 2u- = 2 ^ ^ ,yl 2 ^ï- Men zal i" a,l die gevallen de op bl. 139 en 140 berekende waarden zien terugkomen. Alleen bij ^ ±1==Q wjJIen ^ ^ oplossing ingaan. Nemen wij *»-l = 0, dan leidt dit tot (,; _ 1) (,A + a.3 + ,?.2 +,, + 1) _ 0, .v\.z. tot .i 1 o ot x=l, en de wederkeeriqe vergelijking van den vierden graad x* -f- ,?;3 -f- x- -j- x 4- 1 = 0 Lost men deze laatste op, zooals in § 7 'is uitgelegd, dan verkrijgt men voor ,?• de waarden x ~ '/+(— 1 -f V5) ± l^lö _j_ 2 1^5 ] = ~ V* (1 + 1^5) ± i/4 / I/lo _ 2 1/5 I' geheel in overeenstemming met het op bl. 139 gevondene. Op geheel dezelfde wijze zou de oplossing van x~ ±1=0 tot een wederkeerige vergelijking van den zesden graad geleid hebben, welke tot een vergelijking van den derden graad is e'"g te brengen. Hier is dus de goniometriselie methode \an bl. 138 e.v. te prefereeren. En dit geldt in nog sterker mate voor a-11 ±1=0 r13 ± 1 o «r.- w ...... u' x ^ 1 — "> enz. enz. Want verge- U vingen van den 5™ en hoogeren graad zijn in het al^emeen (,°01' algebraische hulpmiddelen niet meer oplosbaar. De goniometriselie methode geeft ons ook het middel aan de hand vormen van de gedaante x" ± 1 jn reëele tweedem etc hts fa c toren te ontbinden. Is n oneven, dan komt bovendien nog een reëele eerstemachts- factor voor, nl. ,t ± 1; en is n even, dan zal bij x 1 nop de reëele ttoeedemachtsfactor x*— 1 voorkomen. Wat nu de bedoelde reëele tweedemachtsfactoren betreft, deze vindt men op de volgende wijze. Wij zagen op bl. 141, dat de imaginaire wortels van ± 1 steeds paarsgeioijze voorkomen. Hij cos(p-\-isinif behoort nl. altijd den „(jeconjageerden" (toegevoegden) wortel cos

— i sin 'ƒ), dan komt er voor den verlangden reëelen tweedemachtsfactor : (.t; — cox (/)• + f — — -1''cos y ~t~ Stelt men nu hierin voor

X -f" c- ('c Analytische Meetkunde wordt aangetoond, dat de kromme, die dat verloop weergeeft, een parabool is, waarvan de as in P — midden tnsschen de beide wortels xy en x2, waar ;/=0 wordt — loodrecht op de .Y-as staat. Voor de waarden x = ± cc wordt y = + ; voor x = xx en x — x3 wordt y — 0. Schrijft men voor den gegeven vorm (zie blz. 147) : y = a (x — .«]) (x — x2), zoo ziet men duidelijk, dat voor waarden van x, die kleiner dan xi, of grooier dan x2 zijn, y positief uitvalt. Immers is ®Oi, dan is ook x < x.2, en zijn derhalve de factoren x Xl en x — j!.2 beide negatief. En is x > x2, dan is ook x^>Xi, en zijn de factoren beide positie!. Is echter x> xu maar , zoo vinden wij reeds : 12 x = — oo y = 2 a- = 0 y — % x — -f- x y = 2 Hieruit ziet men, dat de kromme, welke het verloop der breuk weergeeft, bij x — — oo en -f cc asymptotisch (zie Deel I, blz. 146) zal loopen aan de lijn, welke op een afstand = 2 evenwijdig loopt aan de A*-as. Immers voor waarden van x in de nabijheid van — oo en -f- 30 is y 2,4.2 steeds uiterst weinig van —- = 2 verwijderd. De vraag doet zich nu voor, waar een maximum o( minimum zal optreden. Lossen wij daartoe x op nit de vergelijking y (x°- + 2) = 2.»;2 + + 1, gevende (2 - y) x* + x + (i- 2y) = 0, derhalve m _ ~1 ±^l —4(2—y)(l — 2y) __ — 1 ±V — 8//2-f 20 y—7 2(2 -- y) ~~ 2(2—y) De waarde van x wordt dus imaginair, zoodra de vorm — %2 + 20// — 7 negatief wordt, d.w.z. zoodra 8y2—20//-(-7 positief wordt. Is deze vorm nog juist = 0, dan is x nog juist reëel, zoodat de waarden van y, opgelost uit de ver-» gelijking 8>/'2 ~ 20// -f 7 = 0, de grenzen aangeven, waarbuiten y niet gaan mag. Met ''esp. grootere of kleinere waarden van y correspondeert geen reëele waarde van x meer. De wortels van bovengenoemde vergelijking geven dus de maximum- en minimumwaarden van y aan. Daar boven, of daar beneden zijn geen punten der kromme. Nu zijn de bedoelde wortels : y = Vg(10=bl^ 100—56) = V4(5±1^11) = circa 2,08 en 0,42- En daar 8y-—20//-f- 7 negatief moet blijven, opdat x reëel zij, zoo moet y tusschen de wortels inliggen (zie § 1). y moet dus grooter zijn dan de kleinste wortel V+ (5—VI1), en kleiner blijven dan de grootste wortel V4( 5-f-Vil). Do eerste waarde is dus een minimumwaarde, de tweede een jmm»mmwaarde voor y. De bijbehoorende waarden van x worden gevonden uit de vergelijking (zie boven) 1 _ 1 ~~ ~~ 2(2-7) ~ 2(7^2)' Want V—8^ + 20//—7 is nu =0. Bij y='/4(5—Vil) behoort dus : 1 2 « = = — =8—Vll= circa —0,32. J /2 (5—V 11)— 4 —3—Vil En bij y = 1/4 (5 -f- V 11) behoort : 1 2 ,r = —-— = —— = 3 V11 = circa 6,32. V,(5+V 11)—4 -3 + V11 Het bovenstaand lijstje van waarden moet dus nog worden aangevuld met x — — 0,32 y = 0,42 (minimum) x = 6,32 y = 2,08 (maximum). In figuur 21 is het behandelde verloop in beeld gebracht. Duidelijker dan vele woorden — wij merkten liet in Deel I, blz. 146 reeds op — geeft een dusdanige meetkundige voorstelling het geheele verloop der breuk weer. De leerling behandele nu op geheel dezelfde wijze als boven is geschied, de breuken _ 3,„ 2 x — 3 + .« + ï~ e" 3.,-2 - x 4- l' en brenge het verloop in teekening. Bij de eerste breuk is de teller een vorm van den tweeden graad met reëele wortels; bij de tweede een vorm van den eersten graad. Het verloop is geheel gelijksoortig — met maximum en minimum — als dat van de boven behandelde breuk. Alléén 12* x = — = —— = 3 -f V 11 = circa 6,32. V2(ó + Vll)-4 _3 + Vll Het bovenstaand lijstje van waarden moet dus nog worden aangevuld met x — — 0,32 y = 0,42 (minimum) x = 6,32 y = 2,08 (maximum). In figuur 21 is het behandelde verloop in beeld gebracht. Duidelijker dan vele woorden — wij merkten liet in Deel I, blz. 146 reeds op — geeft een dusdanige meetkundige voorstelling het geheele verloop der breuk weer. De leerling behandele nu op geheel dezelfde wijze als boven is geschied, de breuken _ 3,„ 4 2 x — 3 wordt nu de A-as twee- of eenmaal gesneden, en zal bij de laatste breuk de A-as asymptoot zijn. (waarom?) b. Als tweede voorbeeld beschouwen wij de breuk 2.e + 1 " ~ 2a« - x — 6' waarvan de noemer nu een vorm van den tweeden graad is met reëele wortels, terwijl de teller wederom geheel willekeurig is. Wij kozen een vorm van den eersten graad. De noemer, die blijkbaar = (x — 2) (2.r -f 3) is, wordt 0 \oor x =z ■ l]/2 en x = 2. Voor die waarden van x wordt de breuk dus =p oo, en in de meetkundige voorstelling zullen twee discontinuïteiten voorkomen (zie deel I, bl. 142) met vertikale asymptoten bij x = — l>/2 en x = 2. Voor 'v= Va wordt de teller, en dus ook de breuk = 0. Voor x = ± oo wordt de breuk =^ = 1 = 0, zoodat de A-as asymptoot zal wezen. Voor x=0 verkrijgt men de waarde — %. Wij hebben derhalve reeds: uvniunt ICCUÖ. •v = — co y — 0 x — — 11/8 y — zp oo * = — Vs V — 0 * = 0 y - - 7« •v — 2 y = oc x — oo y — 0 Een maximum en minimum zijn niet aanwezig, omdat in ons voorbeeld de waarde van x, waarvoor de teller = 0 wordt, nl. x = — i/j, inügt tusschen de waarden van x, waarvoor de noemer =0 wordt, nl. •v = ~ 1 '/a en x=2. Dit is uit het verloop der breuk (zie tig. 22) onmiddelijk intezien, wanneer men nl. deteekens nagaat, die de breuk achtereenvolgens zal aannemen, en welke men gemakkelijk kan afleiden uit de eigenschap, dat de noemer positief zal zijn buiten de wortels, negatief daartussehen. Wij kunnen daarvan het volgende schema opschrijven. * —iy» — v» 2 teller — — — 0 -(- -4" + noemer -j- 0 — — — 0 ~l~ breuk — =poo-j- Ö — =pa>-|- Had men de breuk -5 -—„ gehad, waarvan de teller X1 OX -f- O = ü wordt bij x = 4, de noemer bij x = 2 en x — 3, zoodat de eerste waarde 1111 buiten de beide anderen ligt, zoo zou men weer een maximum en minimum gevonden hebben. -f- -}- 7 Hetzelfde is het geval met de breuk 2ar vvaar de teller van den tweeden graad is met imaginaire wortels. Is de teller een vorm van den tweeden graad met reëele wortels, zoo zal alleen in het geval, dat éen dezer wortels inligt tusschen de beiden van den noemer, terwijl de andere er buiten ligt, het maximum en minimum weer ontbreken, evenals in lig. 22. Maar in de gevallen, dat de wortels van den teller beide binnen die van den noemer vallen, of beide er buiten (aan éen zijde of aan weerszijden), zal er weeleen maximum en een minimum zijn. De leerling ga al die verschillende gevallen bij de genoemde en de nu volgende breuken eens uitvoerig na, en brenge het verloop weer in teekening. ,vl _ a; _ 2 .r3 — 4*-f 3 — 3.g + 2 _ a' —3* — 4 _j_ x _2 ' ,}•- — 4.r — 5 ' x'1 + ó.v -f- G •®2 — 3.t- + 2 (Bij al deze breuken is er een horizontale asymptoot). C. In de derde plaats zij gegeven de breuk 3#2 — 2# -f- 5 y = 7^2 * Hier is de noemer van den eersten graad, en er is dus altijd bij éene waarde van x, 11I. x — 2, een discontinuïteit met vertihilen asymptoot. De teller is hier een vorm van den tweeden graad met imaginaire wortels. Bij x — ifc oc nadert thans y tot -- = 3.r, d.w.ü. hij 'l' = — « ~ 0°' en bij x = + qd tot -f oo. De kromme heeft dus niet a!s in de boven behandelde gevallen een horizontalen asymptoot, maar begint en eindigt met een z°\ oneindigen tak. Voor .« = 0 wordt y = 2l/0. Zoeken wij nu de plaats van maximum en minimum. Uit y (x — 2) = 3a-8 — 2x + 5 volgt: 3.b2 — (2 + y) x + (5 -f 2y) — 0, waaruit •v = Va (- + y =*= yl — 20y — 56). Stelt men nu hierin weer y2 — 20y — 56 = 0, zoo wordt 10 ±21/39. Daar y-— 20^—56 positief moet blijven, derhalve y buiten de wortels moet liggen, zoo correspondeert*/=10—2l/39=r =—2,49 met het maximum. w=104- — — 22,49 met het minimum. De bijbehoorende waarden van x vindt men blijkbaar uit x = i/B (2 + y) — '/3 (1 + ï/^), en zijn dus resp. =l/s(6—V39)=—0,08 en =V3(6+1/39)=4,08. Was de teller van den tweeden graad geweest met reëele wortels, dan kan zich óf het geval voordoen, dat de kromme zonder maximum en minimum verloopt — wanneer nl. de waarde van x, waarvoor de noemer = 0 wordt, weer inligt tusnehen de wortels van den teller — óf het geval, dat er een maximum en minimum is — wanneer de genoemde waarde van x buiten die wortels ligt. De leerling onderzoeke en teekene nu de volgende breuken, die van bovengenoemde gevallen voorbeelden zijn. x2-j-2x—8 _ x"1—2.v—3 —(— 3 3x —11 3. Maxima en minima van producten. a. Neemt men telkens het product van twee getallen, waarvan de som hetzelfde blijft, bv. = 12, dan zal dat product zijn hoogste waarde verkrijgen, wanneer de getallen aan elkaar gelijk worden. Zoo is = 2 X 10 — 20, 3X9 = 27, 4x8 = 32, 5 x 7 = 35, 6 X 6 = 36. Het laatste product is derhalve het grootste. Het bewijs is gemakkelijk te leveren. Stel de beide getallen n x en a -f- x, waarbij alleen x verandert, zoodat de som steeds = 2a blijft. Het product is dan = a% — x", en dit is blijkbaar maximum als x = 0 is. Het omgekeerde van deze eigenschap luidt: Neemt men telkens de som van twee getallen, waarvan het product onveranderd blijft, dan zal die som zijn laagste waarde verkrijgen, wanneer de getallen gelijk zijn. Immers, was bij het standvastige product a2 de som van a en a niet de kleinste van alle sommen, dan zou bv. de som van ax en % kleiner zijn, bv. 2a — 2rf. Het product van twee getallen, waarvan de som =2a 2rf is, zou dan — nï zijii. Maar volgens het bovenstaande kan dat product hoogstens ia — d)2 zijn, en dus nooit de waarde a~ bereiken, zoodat de zooeven gemaakte onderstelling tot een valsch resultaat zou voeren. b. Nemen wij nu het product van meer dan twee getallen, waarvan de som konstant blijft, bv. = 12. Dan zal dat product weer maximum zijn, wanneer de factoren aan elkaar gelijk worden. Zoo is bv. bij 3 getallen: 1x1X10=10,2x3x7=42, enz. Maar 4 X 4 X 4 is = 64, en deze waarde wordt door geen enkel der voorgaande producten overtroffen. Want zoolang er van de factoren nog twee ongelijk zijn, kan men met behoud van de andere factoren die ongelijke aan elkaar gelijk maken, zonder dat men hun som, en dus ook de som van alle factoren verandert. Volgens het voorgaande zal dan echter het product van die twee ongelijke nog vergroot worden, dus ook het geheele product. Hoe luidt nu de omgekeerde eigenschap, en hoe bewijst men die ? ö s van het product a" b" c'... do der grondtallen standvastig, dan is dat product maximum, wanneer de grond- tallen resp. evenredig zijn aan de gegeven exponenten Zoo is bv. van alle producten aH\ wanneer a + b steeds -10 is, het product 63 X 4* = 3456 het grootste van allen en wel omdat % =r */g is. ' Men bewijst die eigenschap op de volgende wijze. Het pi o uc c ... zal tegelijk zijn hoogste waarde verkrijgen me, het produc, onidnl p, q en r onveran¬ derlijke getallen zijn. De laatste producten ,Jn eenvoudig W itj W g,00,ci' dn" dc eerste. Nu is (-)"(bY'(c \ ,(l' h \ W W vv "'~UXy x-jx(»xjx-)x Derhalve heeft men een gedurig product, waarvan do som dor grondtallen = ?Xp + i x,+ 1Xr + ...=„ + 4 + c +... is Maar dit is volgons de onderstelling standvastig, zoodat liet product maximum zal 2ij„, wanneer alle (actoren gelijk Zijn. Derhalve moet -p = i = t = ... zij„ E„ (]ai, js ook het oorspronkelijke product maximum. Welke is de omgekeerde eigenschap? d Hoe nu tal van Vraagstukken door middel van de bovenbehandelde eigenschappen kunnen worden opgelost zullen we aan een.ge Voorbeelden laten zien. 1®. Welke driehoek heeft van alle driehoeken met gelijke basis en gelijken omtrek het grootste oppervlak? Wij weten, da, 0> = ,(»-a)(, dan zijn dus * en a standvastig, derhalve ook * - a (fi en dus ook 0 is alzoo tegelijk maximum met (s-b)(,—c). De som van deze factoren is echter = 2s — (b ~L c) — n derhalve standvastig. Het product is mitsdien maxi ~,n' wanneer s b = s c, d.w.z. wanneer b = c. De <,el2 beenige driehoek is alzoo de grootste. 2l'. Welke kegel zal onder alle kegels met standvastig oppervlak den grootsten inhoud hebben? Het oppervlak is gegeven door de formule 0=nrn-\-nrs, wanneer r de straal van liet grondvlak, en s de schuine zijde is. De uitdrukking r- + rs is dus standvastig. De inhoud / is = V3 -trVi, wanneer h de hoogte van den kegel is. I is derhalve tegelijk maximum niet r2/i, of met r*h2, d.w.z. met >A(s2— r2). Maar omdat ?•(?' + .*) standvastig is (zie boven), zoo is iA (sq — r-) ook tegelijk maximum met r-? (,s. _ r); dus ook met 2r> (.« — r) of met 2r® (rs — Nu is i*s + r3 konstant, bijgevolg ook (rs — r") -f 2r?. Het product 2r2(rs —r") is derhalve maximum, wanneer rs—r!=2r? is, d.w.z. wanneer ■< — 3/-. De schuine zijde van den kegel moet dus driemaal zoo lang zijn als de straal van het grondvlak. Uit dit vraagstuk ziet de leerling, dat er dikwijls allerlei vernuftige kunstgrepen noodig zijn, om liet ten slotte daartoe te brengen, dat men twee factoren krijgt, waarvan de som konstant is. 3e. Wat weet gij van een gelijkbeenig trapezium, waarvan do kleinste der evenwijdige zijden = a is, en de beenen = h zijn, wanneer het oppervlak zoo groot mogelijk moet wezen . Stel de grootste der evenwijkige zijden =.x, dan is liet oppervlak gegeven door de uitdrukking O — i/2 (a + x) Vtfi — ]/4 (•'• — «)'2. waarin de worteluitdrukking de hoogte voorstelt. Wij kunnen dus ook nagaan, wanneer 16 O1, d.w.z. („ 4. [ 4I/2 — (x - «)•] =(« + xf (2b + x — a) (2b - x -j- «) maximum is. Zijn p en q nader te bepalen getallen, dan is deze laatste vorm tegelijk maximum met (a + A")2 'P(%b — a x) . q (2b -f « — <»)• Dit nu is maximum, wanneer [zie c)] 1/2 (a + x) — p (2b — a -(- x) — <] (2b -\- a — .«), . . (), zoo komt er: 1 + »/. a + * _ _ v " + •« _ _ n •2 b — a + x ' 2 2 b+a—*~ ' of 2<4!>■ — (.V — a)3}-f (a-f-«)(2Z>-f-«—.r) — (a-j-«)(2i —« + .i) = 0, of wel 8//2 _ 2 (« - rt)2 -f 2 (a°- - *«) = 0, gevende : lV» _ aA. _ 2j2 — 0, waarvoor men ook kan schrijven : a) ~ Alleen dan derhalve, wanneer aan deze voorwaarde is voldaan, is liet mogelijk de onbepaalde factoren zóo te bepalen dat aan de voorwaarden (a) en (h) gelijktijdig kan woren voldaan Men kan nl. door oplossing der vergelijking x- ax — 2b = 0, en substitutie van de daaruit gevonden waarde van .v in de uit (a) opgeloste uitdrukkingen voor p en e laatst gevonden betrekking voor * nu zegt niets anders, dan dat * de middellijn moet wezen van den cirkel, om het trapezium beschreven. Dan is liet oppervlak bij gegeven a en b zoo groot mogelijk. 4. Vraagstukken. Ten slotte geven wij hier nog eenige Oefeningen, betrekking hebbende op liet geleerde in de $$ 1 en 3. 1. Hoe moet men p nemen in de vergelijking 8«* — (2p -f 1) x -f (óp — 26) =r 0, opdat de eene wortel > 4 zij, de andere < 1 ? [De getallen 1 en 4 moeten dus tusschen de wortels inliggen, en zoowel voor x = 1 als voor x = 4 zal liet eerste lid der gegeven vergelijking negatief moeien worden. Dit geeft de voorwaarden p < 8 en p > 6. Bijgevolg zal voor alle waarden van p, welke > 6 en < 8 zijn, aan de vraag voldaan worden. Het spreekt van zelf, dat men bij andere vergelijkingen voor j> evengoed een oneindig aantal waarden, o! geen enkele waarde had kunnen vinden (wanneer?)]. Hoever kunnen in de bovenstaande vergelijking de wortels uiterlijk komen? 2. Ga nu eens na hoe p moet genomen worden, opdat de wortels van de vergelijking (•* — 3) (,e 4) + (p — p — 2) het getal 3 insluiten. 3. Voor welke waarden van x is V'V4, -\- 10.®* — 39 reëel? En -j- 3''; +5? 4. En voor welke waarden van x zal de uitdrukking 7^ ^- lo — — 11* •+■ 24 reëel zijn? En wanneer zuiver-iinaginair of complex? 5. Wanneer wordt gelijktijdig voldaan aan de ongelijkheden ie* __ 17,«a -|_ 70 > 0 en .c'! — 6.«'J — 16 < 0. 6. Ga eens na wanneer de vorm (ax + l>): + {px + ?/8 een zoo klein mogelijke waarde aanneemt. 7. Voor welke waarde van x wordt — 2 + V8 — x maximum? En wanneer minimum? [Stel x - 5 = y, en verhef in het kwadraat]. 8. Welke cilinder met gegeven oppervlak heeft den yrootsten inhoud? 9. En welke cilinder, die in een gegeven bol beschreven is ? 10. Hoever moet de top van een kegel van het oppervlak vn.ii oen gegeven bol, toaarom li ij beschreven is, verwijderd liggen, opdat de inhoud van den kegel zoo klein mogelijk zij? [Is r de straal van het grondvlak, h de hoogte, dan moet dus l/:..ns/i of ook r2h minimum zijn. Drukken wij nu r in li en h uit (li — straal bol) door middel van een paar gelijkvormige driehoeken, dan vindt men Jiz h ..... . i . gemakkelijk = -——. Wij moeten dus zorgen, dat ö h—2 li l>2/2 ]t i 0f wel ——minimum wordt. Dit zal blijkbaar h—2R h—IE liet geval zijn, wanneer —L(i 2/i\ h- ~ h\ T) maximum wordtMaw deselaatete „itdntkking is logelijl( malimum mol - (1 — - J, waarvan de soni dei- factoren stand- "" I1;'"0*1"®' is de'l'»lve maximum, wanneer 1S" t0P '« dan op een afstand 2R van den bol verwijderd]. 11. Bewijs, dat van alle rechthoekige parallelopipedums met gegeven oppervlak de kubus den grooteten h,hond heeft. Hoe luidt de omgekeerde stelling? 12. Welke verhouding zal er tusschen de afmetingen van een rechthoekig parallelopipedum moeten bestaan, opdat by gegeven mhoud het buitenoppervlak zoo klein mogeJk zij, indien een zijvlak ontbreekt? 13. Welke rechthoek, i„ een gegeven driehoek beschreven heeff het grootste oppervlak? 14. «lp de eeno van twee.!««), lijnen is een vast stak gegeven, terwijl langs de tweede een ander stuk van «Ir f""'0, 'l™1 0,1 ,veOT k»" glijden. De uiteinden au d e twee stukken vormen een viervlak Nu vraagt men de hggutg van het bewegelijke stuk te bepalen, zoo dat bet vtervlak een z„o Mn mogelijk beeft uit nevenstaande figuur ziet men onmiddelijk, dat het opper\lak der zijvlakken AC!) eu JU'/) niet verandert, wanneer CD langs de lijn q glijdt. ij hebben er dus slechts voor te zorgen, dat Opp. ABC+ + Opp. ABD minimum zij; derhalve CG -f DH minimum, wanneer dit loodlijnen nn a 7) XT l.*t «i-b- /-/-/ i at, 1 1>Ll »i wanneer - /1/7 n . - h staat' 0,1 VLUABis, ook LG//en DH' Derhalve zal in L GCL - waarvan de basis CL konstan t is bij liet, verschuiven van CD, en waarvan ook de hoogte GK niet verandert (daar AB // vlak CDL loopt, en GK X °l> dat vlak slaal) ~ de som der opstaande zijden CG-\- LG minimum moeten wezen. Wij zagen echter in § 3 [bij d), Vr. 1], dat van alle driehoeken met gelijke basis en gelijken omtrek de gelijkbeenige het (/rookte oppervlak heeft. Omgekeerd zal dus bij gegeven basis en oppervlak ook de gelijkbeenige driehoek den kleinsten omtrek hebben ')■ CG-\-LG is dus minimum, wanneer CG= LG is, en mitsdien zal het voetpunt K der hoogtelijn GK in het midden van ( L vallen. Is nu KF 1/ LD, en FE in het vlak KGB // GK getrokken, dan zal EF zoowel J_ staan op de lijn CD als op de lijn AB, en dus de afstand der beide kruisende lijnen voorstellen. En daar /v op het midden ligt van CL, zoo zal ook F op liet midden van CD liggen. Wij hebben dus ten slotte gevonden, dat — opdat het oppervlak van het viervlak ABCD zoo klein mogelijk zij — het verschuifbare stuk zoodanig op de lijn q moet liggen, dat de uiteinden C en D even ver van dat punt F der lijn q liggen, hetwelk den kortsten afstand tot de lijn /> bezit. Het bepalen van maxima en minima van verschillende uitdrukkingen kan in zeer vele gevallen niet meer met de min of meer eenvoudige hulpmiddelen, die in deze les werden behandeld, geschieden. Men zal dan zijn toevlucht moeten nemen tot de hulpmiddelen, welke de Differentiaalrekening biedt. i) Immers, behoort bij een gelijkbeenigen driehoek met basis u en omtrek p het oppervlak 0, dan zou de onderstelling, dat bij gegeven a en 0 de omtrek van een ongelijkbeenigen driehoek 0 zou zijn. Want het oppervlak van den gelijkbeenigen driehoek met omtrek p zou dan a fortiori > 0 zijn, hetgeen strijdt met de aanname, dat dit oppervlak = 0 is. Men kan de stelling evenwel ook eenvoudig langs meetkundigen weg bewijzen, (rechte lijn < gebroken lijn). ZESDE LES. ONBEPAALDE VERGELIJKINGEN. A. Vergelijkingen van den eersten graad. 1. Eén vergelijking met twee onbekenden. Wanneer minder vergelijkingen gegeven zijn dan niet liet aantal onbekenden overeenstemt, dan zal de oplossing van die vergelijkingen noodzakelijk onbepaald moeten blijven. Immers, men kan bv. bij één vergelijking met twee onbekenden aan de eene onbekende alle mogelijke waarden geven, en telkens de daarbij behoorende waarde van de andere onbekende bepalen. Er zal dus een oneindig aantal stellen waarden der onbekenden zijn, die aan de gegeven vergelijking voldoen. Voegt men echter aan de oplossing de een of andere beperkende voorwaarde toe, bv. dat de onbekenden slechts geheele, positieve waarden mogen bezitten, dan zullen aan de gegeven vergelijking slechts een einclü/ aantal waarden paren voldoen, of wel een zeer bepaalde serie waardenparen, wanneer het aantal oneindig groot is. Wij zullen m het volgende zeer in 't kort aangeven, op welke wijze men die geheele, positieve waarden vindt. Lang zullen wij er niet bij stilstaan, omdat de de oplossing deionbepaalde of diophantische vergelijkingen [zoo genoemd"naar Diophantcs, den Alexandrijnschen wiskundige, die er zich het eerst mede bezighield (300 n. Chr.)] weinig praktisch nut heeft, en ook uit een theoretisch oogpunt niet zeer belangrijk is. Zij gegeven de vergelijking -j- Oy zm 193. Men lost nu die onbekende op. welke den kleinsten coëfficiënt bezit ; dat is hier x: , _ 193~9-'/ = _ 2y + . 5 5 [Men schrijft nl. niet 38 — y -f Va (3 — 4^)> omdat de coëfficiënt van y in de breuk van het 2e lid de eenheid moet worden. Men kan dit doel niet altijd op deze wijze bereiken, maar dan zorge men, dat de rest der deeling van den bekenden term een veelvoud wordt van den coëfficiënt van y, of er aan gelijk wordt. Had men bv. de vergelijking 5,r+7?/=83, dan zou men dit doel zelfs op twee wijzen kunnen bereiken, of , .. 83-7y 17 2+2y 1+y door te schrnven .«=—-—=17—y ——y — & r- t ° 5 o o 3 + 3 y , 1 + .V~ of door te schrijven « = 16 — 2y —- =16 — 2y-\-o — . " O O Nu stelle men, omdat x geheel moet worden, en 38 — 2y reeds geheel is, wanneer y een geheel getal is, de breuk Va (3 + y) = p- Dit geeft dus : y = 5p — 3. [Had men in de uitdrukking voor x den coëfficiënt van y in de breuk niet = 1 gemaakt; had men bv. V5(3—4y)=p gesteld, dan zou men gekregen hebben 4y = 3 — 5p, en zou men nogmaals door 4 hebben moeten deelen, waardoor een nieuwe hulponbekende q zou noodig geweest zijn]. Substitutie van deze waarde in de bovenstaande uitdrukking voor x geeft dan verder: x = 38 — 2 (hp — 3) + p, of .r = 44 — 9P. Het getal p — dat dus altijd geheel moet wezen — is derhalve de hulponbekende, waarin de onbekenden x en y zijn uitgedrukt. De bovenstaande twee vergelijkingen, nl. x = 44 — 9p, y — 5/> — 3, vormen de oplossing der onbepaalde vergelijking 5x + 9y= 193. Nu geve men aan p zoodanige geheele waarden — positieve of negatieve — dat zoowel x als y niet alleen geheel zijn, maar ook positief. Men heeft alzoo slechts op te lossen de ongelijkheden 44 — 9/> > 0 ; hp — 3 > 0, gevende: P 4 % en > 3/5. p kan dus slechts de waaiden 1, 2, 3 en 4 hebben, waarmede de volgende waarden voor x en y correspondeeren. P = 1 2 3 4 Tv = 35 26 17 8 y = 2 7 12 17 Alleen deze vier paren geheele en positieve waarden voor .1' en y zidlen aan de gegeven vergelijking voldoen. Men ziet gemakkelijk in, dat x niet lager dan 8 kan komen, want er gaat telkens 9 af; en y niet lager dan 2, omdat er telkens 5 afgaat. Opmerkingen. Had men de vergelijking 3x + 7y — 45 gehad, dan kan men de oplossing bekorten, door onmiddelijk y = Sp te stellen, omdat 3 en 15 beide door 3 deelbaar zijn, en 7 niet. Men krijgt dan na deeling door 3 de vergelijking x-f- lp = 15, waaruit x = 15 — 7p. Deze vergelijking, gecombineerd met y = 3p, geeft dan de oplossing van het vraagstuk. Is de vergelijking 6^ + 12^=217, dan ziet men onmiddelijk in, dat geen enkel stel geheele waarden van x en y daaraan kan voldoen. Immers 6 en 12 zijn beide door 6 deelbaar, terwijl de bekende term 217 dit niet is. De leerling losse nu de volgende vergelijkingen op. 11.»+ 17»/=1130; 4.»— 19»/= 7; 5.» + 13^=265; 6,»+35y=800. 2. Aantal oplossingen van de vergelijking ax+by = c. Bij het bovenstaande voorbeeld, nl. 5x + 9y = 193; vonden wij vier stellen waarden voor de beide onbekenden. Dat dit aantal eindig is, wanneer «, b en c alle positief zijn, is gemakkelijk in te zien. Ook dat het aantal waarden bij vergelijkingen als bv. 3.r — 11//=2 oneindig groot zal zijn. Want dan zijn de beide ongelijkheden, die de hulponbekende p bepalen, niet in overeenkomstigen, maar in tegengestelden zin. Zoo leidt de laatste vergelijking bv. tot x — Wp — 3, y = 3y> — 1, en hieruit volgt p 3/n en P Vs- Voor 2> kan men dus 1, 2, 3, 4 ... tot in het oneindige nemen, warrmede voor x de waarden 8, 19, 30, 41, enz., en voor y de waarden 2, 5, 8, 11, enz. overeenstemmen. Eén ding is verder onmiddelijk duidelijk: dat in beide gevallen de waarden van x en y rekenkundige reeksen vormen. En men kan gemakkelijk bewijzen, dat van de algemeene vergelijking cue by = c de oplossing in het algemeen de gedaante heeft: x — .rn ± bp ; y " !/o =F ap, zoodat de coëfficiënt van p in de uitdrukking voor x gelijk is aan den coëfficiënt van y in de vergelijking, en vice versa. Daardoor vormt de serie waarden voor x een rekenkundige reeks, waarvan de reden is ± b, wanneer p met 1 opklimt; en die voor y een rekenkundige reeks met de reden a. Dit zagen wij boven dan ook bewaarheid. Van de vergelijking 5,i' -(- 9// = 193 was de oplossing x — 44 — 9p, y — — 3 -f- 5p ; van de vergelijking 3x — 11// = 2 was deze x = — 3 -j- 11 p, y — — 1 -J- 3p. Hierin hebben wij dan ook een gemakkelijk middel, om wanneer een stel waarden bekend is, al de anderen zonder verdere oplossing neer te schrijven. Dat het zooeven beweerde juist is, volgt natuurlijk hieruit, dat a.v by het getal c moet opleveren. En nu valt de hulponbekende p alleen dan weg, wanneer deze de bovengenoemde coëfficiënten bezit. Wat nu het aantal waarden N~ betreft, dat men voor x en y vindt, w anneer a, b en c alle positief zijn, dit is gegeven door de eenvoudige formule 'v=fe) + '' wanneer de geheelen van het quotiënt c : ab aanduidt. Er bestaat dus een onzekerheid van een eenheid. Zoo kon 13 men bij de vergelijking 5x -f- 9y = i93 van tevoren verwachten, dat het aantal oplossingen zou bedragen = of een meer. Wij vonden vier. Het bewijs van bovenstaande formule wordt als volgt geleverd. Door behoorlijke keuze van de hulponbekende /t kan men de oplossing van ax-\-by—c altijd terugbrengen tot — ■'-'o 4~ l'P ; .'/ — >jo — "p i waarin x0 en ;/0 positief zijn. Heeft men bv. zooals bij de oplossing van 5x -f9y = l 93 gevonden x = 44 — 9/;, y = — 3 + 5p, dan kan men door substitutie van p — 1—q de uitkomsten onmiddelijk tot de verlangde gedaante terugbrengen. Men krijgt dan nl. x = 35 9q, y = 2 — 5q. In het algemeen zal men dus p slechts te vervangen hebben door / ± q. Nu heeft men verder de ongelijkheden •vo + bP > 0 ? .'/o — ap > 0, • ï v Va waaruit volgt p > ; ƒ> — 3% < 2V5) dan ziet men dadelijk, dat p de waarden —3, —2, —1, 0, 1 en 2 kan hebben; dat wil dus zeggen: het aantal waai den voor p, en dus ook voor x en y is gelijk aan de geheelen van 32/s -f- de geheelen van 2*/b + de eenheid (voor de waarde 0). In het algemeen zal men dus hebben : »=(?) +(?)+!. Nu volgt uit ax0 %o — c onmiddelijk : Ü2 + ^9 — 1 b a ah' d.w.z., de breuken 1, welke bij de geheelen behooren, a, p en y noemende : (5) + (?) + <- + » = (i) + r. Wij kunnen dus ook schrijven : ^=Q) + (r-«-» + 1. en wij hebben nog slechts de waaide van y —« — $ te bepalen. Natuurlijk moet deze laatste uitdrukking geheel zijn, terwijl de grenzen blijkbaar — 2 en 1 zullen wezen. De eene grens is nl. die, waarbij y = 0, « en ^ = 1; de andere, waarbij y = 1, « en = 0. Daar evenwel dio grenzen zelf nooit bereikt kunnen worden zoo blijft er voor y — « — $ slechts de waarde —1 of 0 over. Wij verkrijgen derhalve ten slotte : 'v=(£)+(~ö')+1' en hieruit volgt liet gestelde onmiddelijk. Opmerking. Men zal gemakkelijk inzien, dat het bovenstaande alleen geldig is voor die gevallen, waarin «, en y alle echte breuken zijn, d.w.z. wanneer a, b en c onder/int/ ondeelbaar zijn. (de leerling toone dit eens aan). Heeft men nu bv. de vergelijking 3.e -j- 7y = 69, dan stelle men eerst y — 3y>, en passé daarna den regel toe op de nieuwe vergelijking x -f- 7p — 23. Enz. Enz. 3. Onbepaalde vergelijkingen met drie en meer onbekenden. a. Twee vergelijkingen met drie onbekenden. Zij gegeven de vergelijkingen 3« + 5/y — Iz — 58 ; 4.6' -f- 3y -f- 5z = 73. Elimineeren wij een der onbekenden, bv. x, dan komt er: 11 y — 43z= 13, d.w.z. éen vergelijking met 2 onbekenden. Lost men deze op de boven behandelde wijze op, dan verkrijgen wij, daar y = 1 -f 4s -f Vu (2 — 2) is, 2 = 2 — lip, y = 9 — 43/>. Nu moet men ook x in /> uitdrukken. Daartoe worden de zooeven gevonden waarden van y en 2 in een der beide gegeven vergelijkingen gesubstitueerd, bv. in de eerste. Men ver- 13* krijgt alsdan 3.i* = 27 138 p. Toevalligerwijze is nu liet tweede lid dezer vergelijking door 3 deelbaar; was dit niet het geval geweest, dan zou men p in een nieuwe hulponbekende q hebben moeten uitdrukken, teneinde x geheel te maken, en zouden y en z eveneens in q moeten worden uitgedrukt. Thans is dit niet noodig, en heeft men als eindoplossing : x — 9 -f- 46jt> ; y — 9 — 43 p ; z — 2 — 11 p. Er ontstaan derhalve drie ongelijkheden, waaruit volgt: P> — 9Ue > P < V43 5 P < s/in en hieraan wordt alleen voldaan door de waardep = 0. De eenige oplossing der beide gegeven vergelijkingen in geheele positieve getallen is alzoo: ,v — 9, y = 9, z — 2. Het spreekt van zelf, dat men ook een oneindig aantal oplossingen kan hebben, en dat er gevallen zijn, waarin geen enkele oplossing bestaat. Alles hangt daarbij van den zin der ongelijkheden af. Geheel op dezelfde wijze behandelt men drie vergelijkingen met vier onbekenden, enz. De leerling losse ter oefening nu nog eens op het stel 5a' -j- 6y -f- = 67 ; 2.v -f- 7y -f- 9s = 83. Opmerking. Men kan gemakkelijk aantoonen, dat in het geval van twee vergelijkingen met drie onbekenden, nl. aix + b\y + cis = Pi ; "i-v + % + ciz = Pu de oplossing de algemeene gedaante zal hebben: x — Xq ± (ij c2 — b.2 c})p ; y = y0 ± (cl a2 — c.2 «j) p z = z0± («1 h — ai bl) P- Voor het geval van drie vergelijkingen met vier onbekenden, enz. worden de coëfficiënten van p hoe langer hoe ingewikkelder. Niettemin laten deze zich met behulp van de theorie der determinanten onder een zeer overzichtelijken vorm brengen. Maar dit behoort tot de Hoogere Algebra. b. Eén vergelijking met drie onbekenden. Anders wordt de zaak, wanneer men twee (of meer) vergelijkingen te weinig heeft, zooals in liet geval van éen vergelijking met drie onbekenden. Men handelt dan als volgt. Zij gegeven de vergelijking 4.v + 7y + 9z = 79, dan lost men weer de onbekende niet den kleinsten coëfficiënt op: 7 9 — 7 v — 9z 1 — y z x — " = 20 — 2y — 2z —-, 4 4 en stelle nu l/4 (1 — V + ~) = !'■ [Men drage wederom zorg, dat één der beide onbekenden in de laatste breuk de eenheid tot coëfficiënt verkrijgt (zie § 1)]. Wij verkrijgen dus verder (het is onverschillig of men hier y of z oplost: beide hebben 1 tot coëfficiënt): y ~ 1 -j- z — 4p \ = 18 — 4s -|- lp ; z — z, waarbij nu 2 en /> als hulponbekenden fungeeren. Thans moet of z, of p worden geëlimineerd, maar altijd zóo, dat nooit twee vergelijkingen van elkaar worden afgetrokken, maar altijd worden samengeteld. Wij kunnen dus bv. z alleen elimineeren, door de le en ook de 3e vergelijking 4 keer bij de op te tellen. Alsdan verkrijgt men: x -|- 4y ■=. 22 — 9/> ; ai 4z = 18 -f- lp. Nu moet ,v 4// minstens 5 zijn, en ook x + 4c minstens 5. [Hadden wij bij de eliminatie vergelijkingen a/getrokken, dan zou men een dergelijke conclusie niet kunnen maken]. Derhalve zal p bepaald wezen door de ongelijkheden 22 — 9/)>4 ; 18-f7p>5, waaruit volgt j» 2 en p — '1 c'/j. p kan dus alleen — — 1, 0 en 1 zijn. Wij hebben alzoo het volgende schema. p= — l | p = o ^ | f>= i ,= ll-4*>6)| =lt—4»>6k >#>_,| = 25-4;>0> c i+SS <* i = | r3+;j:i <-'• 3=1, 2 z = 1, 2, 3, 4 Ï = 4, 5, 6 *=7,3 I Z=14, 10, 6, 2 x = 9, 5, l y — 6, 7 | 'J = 2, 3, 4, 5 y — 1, 2, 3 Dit zijn dus in liet geheel 9 oplossingen, welke aan de gegeven vergelijking voldoen. Men kan nu ook 2 vergelijkingen met 4 onbekenden oplossen, enz. En op de zelfde wijze zou men het geval van 1 vergelijking met 4 onbekenden, 2 vergelijkingen met 5 onbekenden, enz. kunnen behandelen, maar alles wordt dan ingewikkelder, en wij zullen er ons niet mede bezig houden. Alleen merken wij nog op, dat ingeval p zeer groot is, en a, b en c alle positief zijn, het aantal waarden der ver- gelijking ax -f- by -j- cz = p zal naderen tot J¥ = J~~. 2 abc Want uit ax -\-by = p— cz volgt, dat ax-\-by achtereenvolgens — p—c, =p — 2t', = p — 3c, enz. kan zijn. Dit geeft dus aanleiding tot (p/c) vergelijkingen (het tweede lid der laatste zal dan nl. — p — (i>/c) c, dus —0 of iets >0 zijn), en het aantal oplossingen zal resp. zijn: |Wv ('-£).<**■ \ ab J y ab J ^ ab J Vervangen wij nu de geheelen door de volledige quotiënten (hoe grooter p is, hoe geringer fout zal daardoor gemaakt worden), dan wordt het totale aantal oplossingen : P—e , V—2c , P—3c . (p . \ —— H 1 f- enz. - termen , au ab ab \c J hetgeen bij groote p (sommeer de rekenkundige reeks, door pi de tellers gevormd) tot —— zal naderen. 2 abc Passen wij dit op de bovenstaande vergelijking 4c-)- 7y-\- 9^=79 toe, dan vindt men benaderd 6241 : 504, dus hoogstens 12 waarden. Wij vonden er iets minder, nl. 9. De leerling losse nu ter oefening op : 2.v -j- óy 4- Is 43 ; en ook 4a — % -)- \\z = 5. B. Vergelijkingen van den tweeden graad. Werden bij onbepaalde vergelijkingen van den eersten graad slechts geheele, positieve waarden der onbekenden verlangd, bij vergelijkingen van den ticeeden (en hoogeren) graad wordt alleen naar de meetbare (rationale) waarden gevraagd. 4. Alleen dan, wanneer een der onbekenden slechts tot de eerste macht voorkomt, worden evenals boven slechts geheele positieve waarden gezocht. Zoo leidt de vergelijking 3.r2 — hxy 2x — 7y — 29 tot 3a.2_l_2.if—29 75A-2+50.C— 725 v — —r~rï—" of 2"°y — ' OtV -|- 7 5A' -{- 7 gevende : 648 25?/ = 15.b — 11 —— . y 5.»+7 Wij vermenigvuldigden beide leden nl. met 25, ten einde bij de deeling door ö.c -f- 7 breuken te vermijden. Daar nu ?/ en dus ook 25// geheel moet wezen, zoo zal 5.r-)- 7 noodzakelijk een deeler van 648 moeten zijn. Nu zijn de deelers van 648 de getallen 1, 2, 4, 8 ; 3, 6, 12, 24 ; 9,18, 36, 72 ; 27, 54, 108, 216; 81, 162, 324, 648 (alle zoowel + als—). Behoudt men alleen die waarden, welke voor x geheele positieve waarden geven, zoo vindt men : 5x + 7 = 12, 72, 27, 162 x = 1, 13, 4, 31, terwijl blijkbaar de negatieve waarden niet voldoen. Hieruit vindt men: 25y — — 50, 175, 25, 450, zoodat de eerste waarde moet verworpen worden. Wij behouden dus ten slotte : x == 13, 4, 31 y= 7, 1, 18, en dit zijn de eenige geheele, positieve waarden, welke aan de gegeven vergelijking voldoen. 5. Thans gaan wij over tot de oplossing van vergelijkingen als y2 4.c2 — 5x -f- 7, d.w.z. tot het beantwoorden der vraag naar het meetbaar maken van y = V 4&-2 — hx -j- 7. a. Is zooals in dit voorbeeld de coëfficiënt van x* een volkomen vierkant, dan stelle men y = ± (2x p), waardoor men verkrijgt : 4x2 -f 4p.v -f — 4,.2 _ 7) 7 ~2 derhalve « = . 5+4/J Dit is dan de oplossing van liet vraagstuk. Welke meetbare waarden men ook aan p geeft, altijd zullen nu x en y meetbaar worden. Voor p = — 1 vindt men bv. x = 6, y — ± 11; voor p = — 2 wordt x = — l, y=± 4; voor p — 0 is x — l2/5, y =z ± 2*/s ; enz. enz. Wilde men in zulke gevallen alleen de gelieele waarden bepalen, zoo zou de oplossing zeer moeilijk worden. Dit meer bijzondere vraagstuk wordt dan ook slechts in de hoogere deelen der z.g. getallenleer behandeld. b. Is de bekende term een volkomen vierkant, bv. in de vergelijking y2 = 3.1-2 + * + 25, zoo stelle men y — ± (px -[- 5), en handele als boven, (de leerling werke verder uit). c. Kan men het tweede lid in (reëele, meetbare) factoren ontbinden, is m.a.w. in de vergelijking y'2 = ax2 -f- bx -j- c de discriminant b- — 4ac een volkomen vierkant, zooals bv. in de vergelijking V* — — 13,z; — 5 = (3* -f 1) (2a- — 5), zoo stelle men y=±p (frc-j-1). iAIen verkrijgt dan: p3 (3.V -f- 1)2 — (3.v _|_ 1) (2.V — 5), of 2x — 5 = p* (3.f -f 1). Men had ook van deze laatste gelijkheid kunnen uitgaan, want zal het product -f-1) (2x — 5) een vierkant zijn, dan moet de eene factor, bv. '2x—5, gelijk zijn aan den anderen, vermenigvuldigd met een vierkant p1. Uit de gevonden vergelijking kan men nu weer x oplossen, enz., wat aan den leerling wordt overgelaten. d. Ook in het geval, dat een meetbaar stel waarden voor x en y bekend is, kan de vergelijking worden opgelost. Zoo ziet men bv. terstond, dat in de vergelijking f — 2x2 + \x + 3 de waarde x=1 het tweede lid = 9 maakt, zoodat y—± 3 is. Men stelle in dit geval x — 1 4- p , y = ± (3 -f- mp). Er komt dan : 9 -(- 6mp ~1" '"7'" — 9 -f- 8p -)- 2p2, waaruit na deeling door p ontstaat: 6//t m-p — 8 -j- 2p, derhalve 8—6»i P = -^=2' Substitueert men nu voor m willekeurige meetbare waarden, dan vindt men de bijbehoorende voor p, en zijn ook x en y bekend. Zoo geeft bv. m= 2 voor p de waarde—2, en wordt x = — 1, y — ± 1. Enz. Enz. Is geen der boven behandelde voorwaarden vervuld, zoo kan de oplossing der vergelijking y- = ax'1 + bx -f- c tot groote moeilijkheden aanleiding geven. Hierop gaan wij niet verder in. Alleen wijzen wij er op, dat het vraagstuk somtijds onmogelijk is. Heeft men bv. y2 = 3,t-2— 12a; +12, zoo kan men voor het tweede lid schrijven 3 {x2 — 4« -f- 4) = = 3 (,t. — 2)2. En nu is (.v — 2)2 een volkomen vierkant, terwijl de factor 3 dit niet is. Derhalve kan y2 onmogelijk voor meetbare waarden van x een volkomen vierkant worden. Heeft men een volledige vergelijking van den tweeden graad met twee onbekenden, bv. 3.r2 — y2 + 2 ,ry -f 5,ï — Gy = 11, zoo schrijve men: yi + (6 - 2.v) y - 4- hx - 11) = 0, losse hieruit y op : y — $ — 3 ± V 4,/r- — x — 2, en make alsnu f4e* — x—2 meetbaar. Daardoor is de vraag tot het boven behandelde teruggebracht. De leerling losse thans de volgende vergelijkingen op. ,r2 — XV + 5.» = 17 ; 2x~ -J- 4xy — 9y =. 35. 2. 5.«3 — 3.» — Ty = 2 ; xy — x + 2y = 27. 3. A'" -j- ll,»;y = 12 ; 3a-2 — óy — 7 ; — öjr = 4. 4. 2y — 3xy =11 ; 6a-3-f-5.«y = 4x — 13y. 5. r/2 = 9.*2 + «__!; = 5«2 _ 4j. _|_ 3(J> 6. y3 15 a-2 -f 2« — 8 ; yï = 7.c3 -f 4.® — 2. 7. 3.®3 -(- 2xy — 5y- -)- x — 4y = 13. 6. Meetkundige toepassingen. a. Wij zagen in Deel I, blz. 117, dat wanneer volgens de Stelling van Pvth^goras cs = u2 -(- b- moet zijn, daaraan door meetbare waren van a, b en c voldaan wordt, door te stellen a=pi — qi en b=2pq- c wordt dan = p* -(Dit is volgens de identiteit (P2 + 8 — 7')2 4- (2p<])2, de z.g. Pi/thayoreïnche vergelijking. Hoe zou men nu die identiteit door middel van het bovengeleerde kunnen vinden ? Stellen wij daartoe c = «-}-/, dan wordt a22al1* = = a- -\-b2, ot 2al-\-l2 = b*. Hieruit volgt a=J' ^Verder •o ïi , , b*+P , is t> — o, en c — a -(- t — ———. Vermenigvuldiging met 21 geeft dus voor a, b en c waarden, die zich verhouden als l'1 2bi en Ir -)- l1, of met andere letters als — q3J 2pq en p- -f- qi. b. Op de zeltde wijze kan men de vergelijking a — b, of r^>q moeten wezen. Verder moet a+b>a—b zijn> mi(sdien p > q. En ook c -f- d > c — .y. Er moet alzoo nog worden voldaan aan de ongelijkheden «2 (r* — q*) -f W2 (?'2 — (/•) _ /2 a >■>■ é2—<- waaruit voortvloeit «2 > <" ^ r'2 - c-d, d.w.z. p>.?. Voor n kunnen wij dus slechts een bepaald aantal waarden nemen, wanneer q, r en l willekeurig worden aangenomen. Neemt men n = \, dan wordt p* — s* = r* — q* (zie boven), of (0 + £)2-(c-rf)*=(c+ bijgevolg «2 + b2 = r- -f d1. De koordenvierhoek is dan echter een zeer bijzondere, en wel een met twee rechte hoeken, resp. tusschen de zijden a en b, en c en d. Nemen wij q = 8, r = 12,1= 10, n = 2 (n > »/4 < 41/ \ dan wordt p — 21, .->•:= 11, en verkrijgen wij: a = 20, b — 13, c = 23, <ƒ — 1, Q — i60) wanneer nog, teneinde de breuken te verdrijven, met 2 wordt vermenigvuldigd. (O dus met 4). Nemen wij 7 = 6, ,=26, /=!(), « = 1/2C»>Vs2<31/32), dan wordt p = 13, ,v = 3, en vinden wij (wederom na vermenigvuldiging met 2, resp. 4): a ■=■ 19, // — 7, c = 29, cl — 23, Q = 320 e. Beantwoorden wij thans de vraag een der zicaartelimen, bv. die naar de zijde c getrokken, rationaal te maken Het is bekend, dat men heeft: 4~c® = 2a2 -f 2b2 — c2, en aan deze betrekking wordt voldaan door de identiteit 4 (p2 ~ q2 — r2)2 = 2 (p2 — g2 4. rl 4. 2(??.)2 4. + 2 (p2 — q2 + r2 — 2?>-)g — (4/)r~>2. waarvan de waarheid duidelijk wordt, wanneer men voor de eerste twee termen van liet tweede lid schrijft : 4 (p2 __ _J_ ry -I- 16gV. Aan de noodzakelijke voorwaarde c^> a — b <^a b wordt blijkbaar voldaan, wanneer men {p, q en r alle positief onderstellende) )) g -f- r neemt. Zoo geeft bv. p = 7, q = 2, r = 3 de waarden a = 66, b — 42, c = 84, zc =■ 36. Na deeling door 6 verkrijgt men dus a = 11, b= 7, c — 14, — 6. f. Om de deellijn {bisectricë) naar de zijde c meetbaar te maken, gaan wij uit van de formule db dc2 = -——— (a b -\- c) (a -\- b — c). ( a — b wordt ondersteld. Neemt men a — 5, b = 3, n = 6, dan wordt c = ',6/i7, J = 6u/j7. Na vermenigvuldiging met '17 krijgt men bijgevolg « == 85, 6 = 51, c — 56, -- 60. 7. Nog eenige andere vergelijkingen. a. Er zij gevraagd welke meetbare waarden van x en y voldoen aan de voorwaarde • + y — + y3Hiertoe heeft men slechts op te lossen de vergelijking x* — xy //2 = 1, of (•« + yf + 3 («*— y)~ = 4- Stelt men nu x-\-y—p, x— y = q, dan wordt dus pi _|_ 3^2 — 4 0f p* = 4 — 3g-4. Met p = 2 — geeft dit 4« 2(3—w2) „ n — ., derhalve p — ' , . . Voor x en y verkrijgen 3+71* O-f-ft* wij alzoo: _ 3—w2-f 2n 3—n2—2n 3+"~ ' 'J ~ ~3+m»"~' De leerling controleere of nu inderdaad x+y=:«3-f ys is Met n = 0 vindt men .v= l, ,, = ] ; met „ = i/g komt er ■e = lj/l3, y — 7/|!{j Enz. Men losse nu ook de vergelijking x*--y*=j*—y3 op b. Welke meetbare waarden van x en y maken tegelijk x -f- y en x- -(- y'2 tot vierkanten ? \\ ij hebben alzoo de oplossing te zoeken van de vergelijkingen ■'! + // ' p- ; ** + y2 = q2. Die der tweede vergelijking is bekend, nl. ■g = a* — b2 ; y — 2 ah. Er moet dus nog gezorgd worden, dat a2 + 2ab~b* een vierkant wordt, nl. = p*. Stellen wij daartoe p = a + n dan verkrijgen wij : ' 62+«- a — . 2 (b—n) Jsemen wij bv. b = 2, n = 1, dan wordt a = s/8. Met a = 5, b = 4 vinden wij dan verder x = 9, y = 40. En nu zijn inderdaad 9-(-40=49=73 en 81 -f 1600=1681=412 beide vierkanten. Enz. c. Op te lossen de vergelijking O!3 -f ff3 = V2. Daar dus [x -f- y) (,v — xy _f_ y2) een vierkant moet wezen s T» f ~Xy + y* = n* (x + V)- Daardoor wordt x ~(n + y)x+ (ƒ—n*y)—0, derhalve x=l/i t("2 + y) ± ^ n* + Qn*y — 3^2]. Stel nu de worteluitdrukking =n* + ty, dan verkrijgen wij: v=2na-^i : „s i 8 9~2<+*2 . , 03 + 6< — t* : i+f ' i+y-w~3+7~ ; n +^=wS-3q^-» bijgevolg „ , c „(3 0(1 0 ' =2" 3+i^ °f * = "' 3+1» ■ Zoo geeft n = 7, t — — 2 de waarden ,r = 14 of 105, y = 70. Bij n = l, £ = — 1 behooren de waarden x = 1 of 2, y = 2. Enz. De leerling beproeve nu eens de oplossing te vinden van de volgende combinaties van voorwaarden. 1. .t3+!/3=j'2 ; 72- 2- «3+y8=/>® ; •^+,y2='/2- d. Geven wij ten slotte als laatste voorbeeld nog de oplossing der vergelijking y x x = y . Stelt men y = px, dan wordt afx — {px)', of ./ = px, dus P—* x=i^p. Daar p in het algemeen een breuk zal wezen, zoostellen f/b — l a — b ^ wij p = n/b- Alsdan wordt x — \/ "/j, of x — 1/ (a/b) . Nu moet dit rationaal gemaakt worden. Daartoe moet nood- a n -|-1 . zakelijk b = n(a — b) zijn, waaruit volgt - = ——. Wij verkrijgen alzoo : -=(^)" - a n-\-1 daar y =px = - x — x is. b n Nemen wij n — 1, dan wordt x = 2, y == 4. (2+ = 4*). Met n = 2 vinden wij x = %, y =- 27/8. Inderdaad is (9/4),r/8 — (iV8),/«, want beide leden zijn = (Va)'7 4- Zoo geeft 11 = 1, t = — 2 de waarden ,r = 14 of 105, yz=z 70. Bij ft = 1, £ = — 1 behooren de waarden x = 1 of 2, y = 2. Enz. De leerling beproeve nu eens de oplossing te vinden van de volgende combinaties van voorwaarden. i. '?2- 2. .w3+y3=7»2 ; «a+y8=?8- d. Geven wij ten slotte als laatste voorbeeld nog de oplossing der vergelijking y x x = ij . ZEVENDE LES. PERMUTATIËN EN COMBINATIËN. KANSREKENING. 1. Permutatiën. a. Men verstaat onder variatie (verandering) een bepaalde groepeering eu rangschikking van een of meer van eenige gege\en „elementen . Zoo zijn bv. van de gegeven elementen a, b, c, (l de samenvoegingen a, />, c, ab, ba, ac, ca, abc, acb, acd. . . . alle variatiën. Neemt men alle elementen, dan spreekt men altijd van permutatie (verschikking). Zoo' noemt men van de drie elementen a, b en c de samenvoegingen abc, acb, cba, enz. permutatiën dezer elementen. Het is echter beter slechts een naam te gebruiken, en in de bovengenoemde gevallen altijd van permutatiën te spreken; wanneer alle elementen genomen worden, kan men van onderlinge permutatiën spreken. Het aantal permutatiën van eenige, bv. n gegeven elementen bepaalt men als volgt. Het aantal een aan een is blijkbaar =n. Men heeft dus l\ =n. Het aantal twee aan twee zal =n(n—1) zijn. Want achter elk der n elementen kan men de n—1 overigen schrijven. Dan zal P*=n{n—1) zijn. Evenzoo is het aantal drie aan drie gegeven door IV = n (n — 1) (n — 2), want achter elk der n(n — 1) permutatiën twee aan twee kan men de n — 2 overige elementen schrijven. Enz. Enz. In liet algemeen heeft men dus : P„p — n (n — 1) (H — 2) . . . (w — (/> — 1) ). Woidt p — n, dan vindt men dus voor het aantal onderlinge permutatiën: pH" g: B (n — 1) (n — 2) ■ . . 3 ■ 2 . 1 = n ! , wanneer men liet faetorenproduct n (n — 1)... 1 door n ! (lees ii-faculteit) voorstelt. (Zoo is 1 ! = 1, 2 ! = 2, 3 1 = 6, 4 ! = 24, 5 ! = 120, 6 ! = 720 !, enz.). b. Worden in de perinntatiën de elementen ook herhaald, dan spi-eekt men van permutatiën met herhalingen. Hun aantal 1 &an 1, nl. P*, is weer = n. Het aantal 2 aan 2 verkrijgt men, door achter elk der n gegeven elementen alle n elementen te schrijven. Heeft men bv. de elementen a, b en c, zoo verkrijgt men op die wijze de permutatiën na, ab, ac; ba, bb, bc; ca, cb, cc. Men heeft dus Pn = Evenzoo vindt men P„3=n3, enz., zoodat men in het algemeen heeft: P/ = n". Thans kan p zeer goed n zijn. Zoo zal bv. van de 2 elementen a en b het aantal permutaties met herhalingen 3 aan 3 = 2:! zijn, nl. aaa aba baa bba aab abb bab bbb . c. Komen onder de gegeven elementen gelijke voor, dan vinden wij minder bv. onderlinge permutatiën dan door de formule voor Pn wordt aangegeven. Denkt men zich nl. de gelijke elementen eerst ongelijk, dan is liet duidelijk, dat wanneer deze nu gelijk worden, er gedeeld moet worden door het aantal onderlinge permutatiën dezer gelijke elementen. Worden bv. de elementen a, b en c gelijk genomen, dan zullen alle permutaties, die alleen in de volgorde dezer 3 elementen verschillen, gelijk worden. En het aantal daarvan is blijkbaar P3J = 6. Immers abc, acb, bac, bca, cab, cba worden thans alle gelijk, nl. = aaa. Heeft men derhalve onder de n elementen p, q, r. .. gelijke, dan zal het aantal onderlinge permutaties worden : „ n! i> — " — iii piqlr5.., 14 d. Geven wij nu van liet hoven behandelde eenige Voorbeelden. 1. Op hoeveel manieren kunnen 3 personen plaats nemen in een zaal, waarin nog 8 plaatsen onbezet zijn? Het antwoord is klaarblijkelijk I\3 = 8x7x0, d.vv.z. op 336 manieren. 2. Op hoeveel manieren kunnen 4 personen op een bank plaats nemen? Dit aantal is gegeven door de uitdrukking I\*=4! = 24. 3. 6 personen dineeren in een besloten kring. Op hoeveel verschillende wijzen kunnen deze aan een ronde tafel zitten? Ook hier is het antwoord P6Ü = 6 ! Maai daar de tafel rond is, zoo zal de volgorde a,b,c,(l,e,f wel op het zelfde neerkomen als b, c, d, e,f, a; c, d, e,f, a, b; enz. enz., zoodat nog door 6 moet worden gedeeld. Op 5! = 120 verschillende manieren kan dit derhalve geschieden, zoodat eerst na 4 maanden de oorspronkelijke plaatsing terugkeert. De leerling zal nu eens nagaan hoeveel 4-hoeken er kunnen gevormd worden, door 4 gegeven punten op alle mogelijke manieren te verbinden. (Waaraan moet hier tevens worden gedacht?) 4. Hoeveel getallen kunnen gevormd worden met de cijfers 2,4, 4, 5, 5, 5,6? Dit zijn dus 7 elementen, waaronder resp. 2 en 3 gelijke voorkomen. Het gevraagde aantal is mitsdien = ÏTÏÏ = «* 5. Op hoeveel manieren kan men de elementen a, a, b, c, d aan weerszijden van een streep plaatsen ? Denkt men zich de streep weg, dan is het gevraagde aantal 5! = iT, — 60. Maar daar nu bij elk dezer permutaties de «J I streep op 4 verschillende plaatsen kan staan, zoo is het gevraagde aantal = 60 X 4 = 240. t 6. Hoeveel cirkels raken aan drie gegeven cirkels? Let men zoowel op uitwendige (u) als op inwendige (i) raking, dan heeft men blijkbaar de volgende gevallen van raking: u u n, i u u, u i u, u u i, u i i, ' i u i, i i u en iii. Tezamen alzoo 8 cirkels. Men vindt dit aantal nn ook door de formule 1\ = 23 = 8. Want het gevraagde aantal is blijkbaar dat van hel aantal permutaties met herhalingen drie aan drie van twee gegeven elementen, (m en i). Hoeveel bollen raken er nu aan vier gegeven bollen ? 2. Combinatiën. a. Let men bij liet samennemen van eenige elementen alleen op groepeering en niet op rangschikking, dan spreekt men van combinatie (verbinding). De samenvoeging- ba is thans geheel hetzelfde als ab-, ac en ah zijn daarentegen verschillend, want hier komen in de beide samenvoegingen andere elementen voor. Het aantal combinatiën van n elementen 1 aan 1 is weer — n, dus C'„ = n. Het aantal 2 aan 2, 3 aan 3, enz., in het algemeen /> aan /> wordt uit dat der permutatiën verkregen, door te deelen door p ! Immers bij combinaties 3 aan 3 bv. zulle» de permutaties abc, bac, enz. alle gelijk worden, zoodat door het aantal onderlinge permutaties dezer elementen moet worden gedeeld. Wij hebben dus : CP _ ]'»' _ »("- !)("—2)-(w—(j» — 1)) " 1.2.3. .p " ' Dit zijn alzoo niet anders dan de binominaalcoefficienten der ne macht. (Wij komen hierop spoedig terug). Zoo vindt men bij 5 elementen achtereenvolgens : „i 5 2 5.4 3 5.4.3 5 r -0; 65 = n = ; 5 = r^3= 10 C 1 = 5-4'3-2 _ - . r 5 _ 5-4-3-2-1 _ 5 1.2.3.4 ° ' 5 — 1.2.3.4.5 — ' Het spreekt van zelf, dat alle eigenschappen der binominaalcoëfficienten, vroeger in Deel I (bl. 105—J 11) behandeld, onveranderd gelden voor de verschillende combinatie-aantallen. Zoo is in het bijzonder de eigenschap 14* Cf = Cnn~r te vermelden. b. Ook hier kan het voorkomen, dat in de combinatiën de elementen herhaald voorkomen. Men spreekt dan van combinatiën met herhalingen, of herhalings-combinatiën. Wij kunnen gemakkelijk bewijzen, dat liet aantal daarvan wordt voorgesteld door de formule ?-rp w(M+l)(w + 2)..(n-|-(p-|-l)) 1.2.3 p waarin wederom p n kan zijn. Plaatst men nl. achter elk der n elementen alle n elementen, en nog eens het voorop geplaatste element, dan is het duidelijk, dat alle combinaties nu 2-keer voorkomen. Niet alleen zal men nu a\b naast b\a vinden, maar ook a\a naast a\a, bh naast b\b, enz. (de leerling schrijve het maar eens uit voor de 4 elementen a, b, c en d). Wij hebben alzoo C„ = ^. Om het aantal 3 aan 3 te vinden, schrijve men achter elk der herhalingscombinaties 2 aan 2 alle n elementen en nog eens de beide vooraangeplaatste elementen. Alsdan zal bv. niet alleen ab\c naast ac h en bc\a voorkomen, maar ook aa\b naast ab\a en nog eens ab\a ; en zal ook aa\a drie keer voorkomen (en wel in de zelfde kolom). De voorgaande uitkomst is dus te vermenigvuldigen met ^2, en we verkrijgen Cn = t, 3 1-2.3 Enz. Enz. Opmerking. Bij het bewijs van de formule voor 6'„2 moest door 2^ worden gedeeld, bij dat der formule voor Cf door 3, bij Cn zal door 4 moeten worden gedeeld, enz. enz. De getallen 2, 3, 4, enz. zijn hierbij niet anders dan het aantal combinaties van resp. 2 elementen 1 aan 1, 3 elementen 2 aan 2, 4 elementen 3 aan 3, enz., d.w.z. resn = - = 2 — — 3 t" 1 ' 1 o — 4.3.2 ,){x-\-c)=ri-\-(a-\-b-\-c)x'i-\-(ab-{-ac-\-bc)x-\-abc. Op dezelfde wijze vinden wij (x-f a) (x+b) (x+c) (x+d) — =.c* + (a -f b -f- c-f- (/).r3 -f (ah -j- ac -f ad-f bc -f bd-f- cd)x9- 4- + (abc -f- abd -f acd -f bcd)x -f- abcd. Enz. Enz. Wij zien dus — en dit is ook van zelf duidelijk — dat in dit laatste voorbeeld de coëfficiënt van x'1 de som is van alle mogelijke combinaties van de 4 getallen a, b, c en d 1 aan 1; dat die van x2 de som is van de combinaties dezer getallen 2 aan 2; die van x de som der combinaties 3 aan 3; en eindelijk de term zonder x de som der combinaties 4 aan 4. Immers bij de vermenigvuldiging der 4 factoren x + a, x + h' z + c en x + d zal bv. een term met x* ontstaan' door bet gedurig product te nemen van den term a van den 1™ factor, den term b van den 2™, den term «van den ' en den tenn x van den 4™ factor, gevende abx\ Evenzoo zal ontstaan acx2, adx"2, enz. enz. Wordt nu a = b = c == d genomen, dan komt er: (« + af = ** + Cil x*a + C42 ,««« -f .ra» + C4± «*, omdat dan a -f b -f- c -f- (/ overgaat in 4 a, waarin 4 = C4* is; ab -j- ac -J- ad -(- bc -f- bd -j- cd in 6a'2, waarin ft — (J 2 is; enz. enz. 4 Bij n gelijke factoren komt er dus: (■c + a) = Xn + Cn x"—1 a -f Cn .K"-g gï -f ... -\+ C„" 2 afla«-2 4. Cn"~l x a"-l 4- c„" q". Worden nu voor de verschillende combinaties hunne waarden in de plaats gesteld, d.w.z. C'J door C„2 door n (n — 1) * 12 vei vangen, enz., dan ontstaat onmiddelijk de bekende binominaalformule. b. Wat zal de algemeene uitkomst nu zijn, wanneer (a-hb4-c)n wordt bepaald? Blijkbaar komen er dan drie soorten van termen. In de eerste plaats termen, waarin slechts een der letters n, b en c voorkomt. Dit kunnen dus alleen a", b" en c"^zijn. Deze termen kunnen wij vereenigen in het teeken 2£a". In de tweede plaats komen er termen met twee letters. Die termen bevatten alle mogelijke producten av bq, a" cv, b c , waarbij p q = n. Hiervan zullen de coëfficiënten n\ ^ f blijkbaar = ——- zijn. Want cl' li' bv. ontstaat uit het product p\ q\ 1 van n getallen, waarbij p gelijke getallen a, en q gelijke getallen b voorkomen. Het aantal permutaties daarvan is echter de genoemde uitdrukking, (zie bl. 209). Voor bepaalde waarden 71! van p en q heeft men dus ——- 2 ar />'. En sommeert men p\q\ nu weer over alle termen, waarbij p en q telkens andere waarden hebben, dan komt er ^ ("T~! ~ ^ Zoo heeft men bv. bij (a -J- b -f- c)a slechts termen, waar p = 2, q = 1 is, nl. a-b, abz, a3c, ac', b2c en bc*. Het aan- 3! tal van elk bedraagt — = 3. De bovenstaande uitdrukking Li . wordt dus eenvoudig 3 a'b. Bij (« + b + c)+ heeft men termen met aV>, enz., en termen met a-b'2, enz. Het aantal van de eerste soort is — = 4 • 3! 4' dat der tweede soort zal —- = 6 bedragen. De boven afgeleide uitdrukking wordt dus hier 4 2 a3b + 6 2 a*b*. Eindelijk zullen er in de derde plaats termen komen, waarin alle drie letters a, b en c voorkomen. Al die termen bevatten af bq c, waarbij thans p -f q -j- /• — n is. Na het boven gezegde zal men inzien, dat al die termen begrepen / n\ \ zijn in de uitdrukking V* [ ; - 2 aplqc\ ypl qlrl J Zoo is bv. bij (a -f- b -f- c)3 slechts p = 1, q — 1, r —1, en heeft men alleen 3! abc = Gabc. ^ Bij ta + 6 + c)4, kan p = 2, q=1, r=z 1 zijn, en heeft men — 2 a-bc = 12 2 a%c. Wij hebben dus ten sloffe: („+> + ,)- = JE* + **') + X^V). Voorbeelden. (a b -f- c)3 = 2-a3 -f- 3 2a-b -f- 6 abc. = (a3+b3 -}- c3) -f- 3(a?ö -f ab2 + a*c-\- acn- -)-isc -f ie2) + 6abc. (a -\-b-\-cf= Sai -f- (4 StPb -f 6 2W) + 12 2a*bc, waarin 2£ a3b — a3b -|- ab8 -f- a3c -f- nc3 -}- b3c -f- bc3 ie, v"d'b3 — id., en Sa9bc — a9bc -f- alflc -j- abc9. (a -f- /<-M5= -V' + (ó 2a*b -f 10 2W)-f (20.5'a86c-f-30.2,a»fc4c). 5 t Hier wordt de coëfficiënt van 2 n*b gevonden uit — = 5, 4! (j | w | die van 2 a3b~ uit ———10, die van 2 a3bc uit -—' = 20, O . êm • 3 . en die van — asb9c uit -—— = 30. 2! 2! Opmerking. De coëfficiënten der termen, waarin slechts 2 letters voorkomen, zijn blijkbaar altijd binominaalcoëffi- denton. Want -f!- = P' ?! p(p-l)... I X q(q-l)... 1 ' omdat ii (/> 1) — verschillende letters daarin in alle denkbare combinaties, herhaald en niet herhaald, voor. Van (a -f- b c)5 zal bv. het aantal termen = C3° = 3.4.5.6.7 — —21 bedragen. Inderdaad bestaat 2£a-' uit 3 ter1. J.0.4.0 men, ^ a^b uit 6, (fib1 uit 6, a3bc uit 3, en ook a2b*c uit 3 termen. Van den vorm (« -f- b -j- c -f- d -f- éf zal het aantal = C\G = 5.G.7.8 9.10 — —„ , „ „ = 210 zijn. 1.2 3.4.5.6 J 4. Kansrekening. In nauw verband met het in § 1 en 2 behandelde staat de zg. kans- of ivaarschijnlijkheidsrekeniny. Werpen wij met éen dobbelsteen, op welks G zijvlakken resp. 1,2... 6 oogen voorkomen. Wat is 1111 de „kans" dat men bv. met den eersten worp 3 werpt P Daar men slechts G verschillende worpen kan doen, en het nummer 3 daaronder slechts éen keer voorkomt, zoo zegt men, dat de kans om 3 te werpen — '/« is- D.w.z. van de zes keer dat men werpt, zal het gemiddeld éen kejdr gebeuren. Hierbij /* mag wel gelet worden op de bijvoeging „gemiddeld", want het kan toch zeer goed gebeuren, dat men bv. 10 keer achtereen een ander nummer werpt, en eerst de lle keer het nummer 3. Alleen dan, wanneer men een zeer groot aantal keeren achtereen werpt, zal — wanneer de dobbelsteen nl. gelijkmatig is afgewerkt — het aantal keeren, dat men 3 werpt, hoe langer hoe meer tot '/o van het totale aantal worpen naderen. Eerst wanneer het aantal worpen =r oo werd, zou men nauwkeurig 1/ö vinden. Onder (wiskundige) kans of waarschijnlijkheid wordt alsnu verstaan de verhouding van het aantal gevallen, waarin een gebeurtenis kan plaats vinden tot het aantal der mogelijke gevallen. Zoo was in ons bovenstaande voorbeeld liet aantal mogelijke gevallen - 6, en het aantal gevallen daaronder, waarin 3 kan geworpen worden, = i ; de kans oni 3 te werpen is derhalve — %. Wij zien dus, dat de kans altijd wordt uitgedrukt door een getal 1. Noemt men de kans of waarschijnlijkheid W, dan zal blijkbaar bij W = 0 de gebeurtenis onmogelijk zijn, terwijl bij W = 1 liet intreden daarvan zeker is. Bij W=1/j noemt men de gebeurtenis onzeker-, er is evenveel kans, dat ze niet plaats vindt, dan dat ze wel intreedt. Verder zal de gebeurtenis bij II 1 /a waarschijnlijk genoemd worden, en bij Hr< l/2 onwaarschijnlijk-, in dit laatste geval is er meer kans dat ze niet intreedt, dan dat ze wel plaats heeft. Geven wij nu eenige Voorbeelden van het berekenen van verschillende kansen. a. Hoe groot is de kans met twee dobbelsteenen 9 te gooien ? Het aantal mogelijke worpen is blijkbaar = ÏV=62=36. (Men kan nl. ook 4,4; 2,2; enz. werpen). Verder kan 9 gegooid worden bij 6,3 ; 5,4; 4,5 ; 3,6 ; in het geheel dus 4 keeren. De gevraagde kans is derhalve 4/3B = i/9. Schrijft men alle mogelijke worpen op, dan blijkt, dat men kan werpen : 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 oogen 12345654 3 2 1 keer zooals gemakkelijk is te controleeren. Hieruit ziet men, dat men de meeste kans heeft met éen worp 7 te gooien : de kans daarvoor is '/„. I)e kans een aantal oogen te werpen bv. boven 8 is = (4 + 3 + 2 + 1): 36 = 5/ls. Enz. Enz. Hoe groot is nu de kans met drie dobbelsteenen 10 te werpen ? Welk aantal oogen heeft thans de grootste waarschijnlijkheid ? b. Hoe groot is de kans dat men met éen dobbelsteen drie maal achtereen 5 werpt ? De kans dat men het éen keer doet, is = Vo- Dat men de tweede keer nogmaals 5 werpt, is alzoo = V8 X V0, en dat men het de dercle keer wederom doet, zal =VaX1/oX Vo = = (Ve)3 = Vaie zijn. Immers, het totale aantal combinaties, dat men maken kan van de oogen van den eersten worp met die van den tweeden en derden worp, zal = 6 X 6 X 6 = 63 bedragen. [Want elke der 6 mogelijke worpen van den eersten worp kan gecombineerd worden met elk der 6 mogelijke worpen van den tweeden en met elk der 6 van den derden worp. (Men heeft trouwens ook 7JC'! = 63)]. Eén dier combinaties slechts zal = 5, 5, 5 zijn. Derhalve is de kans = Yo» — Vaie- Evenzoo zal de kans met twee dobbelsteenen de eerste keer 5, en de tweede keer 11 te gooien, = 4/3g X 2/ze, = = Vo X Vis = V162 bedragen. En de kans uit een spel van 32 kaarten eerst harten-aas, daarna schoppen-boer, en eindelijk ruiten-zeven te trekken, = V32 X V31 X V30 zijn- Want is de eerste kaart getrokken, dan blijven er nog slechts 31 over, enz. Men kan bij dit laatste vraagstuk ook aldus redeneeren. Het geheele aantal permutaties drie aan drie van 32 kaarten bedraagt jP3a'! — 32 X 31 X 30. Eén dezer permutaties is de gegevene, alzoo is de kans = Va2X3iX30. Hoe groot is nu de kans uit twee vazen, waarvan de eene 4 witte en 8 zwarte kogeltjes bevat, de andere 6 witte en 6 zwarte, 2 witte kogels te trekken ? c. Hoe groot is de kans met twee dobbelsteenen de eerste keer 8 te werpen, en indien dit niet geschiedt, de tweede keer 8 te gooien ? De kans dat men de eerste keer 8 werpt, is = 5/3ö (zie boven). De kans dat dit niet geschiedt, is dus 1—5/56 = 31/3GDaarvan is weer de kans voor de 2U keer 8 te werpen, = V36» zoodat die kans 31/38 X V36 = 155/im bedraagt. De gevraagde kans is derhalve = 5/30 + 155/i296 = 333/i290- Bereken nu eens de kans met twee dobbelsteenen de eerste keer 7 te gooien ; en indien dit niet gebeurt, de tweede keer; en indien ook dit niet geschiedt, de derde keer. d. Welke is de kans met twee dobbelsteenen in twee worpen minstens éen keer 10 te gooien? De kans dat de eerste keer JO geworpen wordt, is —3/JC— (zie boven). De kans, dat dit niet geschiedt, is derhalve 1 — V12 = '/12- De kans dat het ook de 2-' keer niet geschiedt, is weer u/12, en dus de kans dat het geen van beide keeren gebeurt, =(u/12)-. Blijven over de kansen dat het beide keeren ot éen van beide keeren gebeurt, d.w.z. minstens 1 keer. De gevraagde kans is mitsdien 1 — C1/^)"3 = S3/144. Wat is nu de kans uit een spel van 32 kaarten bij drie trekken minstens éen keer een aas te trekken ? (Onderstel, dat het spel telkens weer uit 32 kaarten bestaat). Reeapi tuleeren wij het in de vier bovenstaande Voorbeelden behandelde, dan kunnen wij dus het volgende opschrijven. ie. De kans dat van eenige elkaar uitsluitende gebeurte. nissen met waarschijnlijkheden wu ivg, w3, enz. minstens eén plaats vindt, is gegeven door w = wi + «'2 + 'C-6 + • • • [Zie bij «): de kans om bij twee dobbelsteenen bv. boven 8 oogen te werpen], 2'. Dat van eenige onafhankelijke gebeurtenissen meerdere samentreffen : W = Wj x w2 x tt>3 x • • • [Zie Voorbeeld b)\. Alle andere gevallen, die bij de kansrekening kunnen optreden [zie o. a. de Voorbeelden c) en (/)], zijn combinaties van deze twee hoofdregels. Ziehier ten slotte nog twee Voorbeelden. a. Twee spelers A en B houden op met spelen, wanneer de eerste nog 3-keer zou moeten winnen, teneinde het geheele spel te winnen, de tweede nog 2-keer. Nu vraagt men in welke verhouding de inleg moet worden verdeeld. Na 4-keer spelen is het spel in elk geval beslist. Want dan zou A of 4 of 3 keer gewonnen hebben, in welk geval A het spel wint; óf A zou 2, 1 of 0 keer hebben gewonnen, in welk geval B het spel wint. Nu zijn er bij die 4 spelen blijkbaar /'2 =2' mogelijkheden (aantal permutaties met herhalingen van de (wee elementen A en B 4 aan 4). Daaronder zijn echter slechts 5 mogelijkheden dat A wint, nl. AAAA, AAAB, AABA, ABAA en BAAA. De overige 11 mogelijkheden zijn alle ten voordeele van B. A moet derhalve 3/j6 van den inleg hebben, en B 1 '/ic- b. Wanneer inen uit een zak met 5 kogeltjes blindelings een willekeurig aantal grijpt (ondersteld, dat de kans om er bv. 5 te grijpen even groot is als om er 1 te grijpen, en dat men er minstens éen grijpt), dan vraagt men welk aantal de grootste kans heeft, een even. ot' een oneven aantal. Op het eerste oog zou men zeggen, dat de kans voor oneven grooter is. (bij een even aantal kogeltjes even groot). Maar dat is niet zoo. De kans nl. om 1 te treffen, is Cj1 = 5; die om 2 te treffen, C'5 =10; enz., zoodat de verschillende kansen 5, 10, 10, 5, 1 zijn. Voor even is derhalve de kans 10 4-5 = 15, terwijl die voor oneven = 5 -f 10 -j- 1 = 10 is. De laatste kans is derhalve de grootste. Dit komt daar van daan, dat (zie Deel 1, bl. 110) de som der binominaalcoëfïicienten van even rang gelijk is aan die van oneven rang, en wel beide — 2"—1. Maar daar bij ons vraagstuk de le coëfficiënt, betrekking hebbende op 0 voorwerpen, wegvalt, zoo zal de som van de oneven kansen = 2n_l, maar die van de even kansen = 2"~1 — 1 zijn. Er is dus altijd 1/2» meer kans om oneven te treffen. INHOUD. Bladz. Voorwoord v EERSTE LES. Reeksen. § 1. Bepalingen, enz 1 2. Rekenkundige reeksen ' 2 3. Vraagstukken 5 4. Harmonische reeksen 6 5. Meetkundige reeksen 7 6. Vraagstukken 10 7. Sommeeren van oneindig-voortloopende afdalende meetkundige reeksen 12 8. Vraagstukken 15 9. Andere gemakkelijk te sommeeren reeksen 17 10. Rekenkundige reeksen van hoogere orde 20 11. Vraagstukken 30 12. Convergentie en Divergentie van reeksen 33 TWEEDE LES. Logarithmen. § 1. Bepalingen, enz 50 2. Eigenschappen 52 3. Vraagstukken 55 4. Logarithmentafels 57 5. Het rekenen met logarithmen 62 6. NEPEB'sche logarithmen 67 7. Herleiding der NEPER'sche logarithmen tot BRiGGs'sche, en omgekeerd 71 DERDE LES. Goniometrische betrekkingen. § 1. Inleiding 2. De vier hoofdbetrekkingen 75 3. Betrekkingen tusschen de goniometrische verhoudingen van een hoek 76 4. Goniometrische betrekkingen van eenige bekende hoeken. 78 5. Goniometrische betrekkingen van hoeken grooter dan 90°. 80 6. Negatieve hoeken 8g 7. Herleidingsformules voor hoeken >90° 89 8. Oplossing van de eenvoudigste goniometrische vergelijkingen 9. Tafels van goniometrische betrekkingen 95 10. Betrekkingen tusschen de goniometrische verhoudingen van twee en meer hoeken a. Formules voor u±b 201 b. Formules voor den dubbelen hoek 104 c. Formules voor 3a, enz 105 d. Formules voor den halven hoek 108 e. Formules voor sinp±süiq, enz 109 f. Formules bij a -f b -f c = 180°, enz m 11. Vraagstukken 114 12. Het invoeren van hulphoeken 13. Cyclometrische betrekkingen 126 14. Het theorema van Moivre 12g 15. Logarithmen van negatieve getallen. Periodiciteit en veelwaardigheid 16. Reeksen voor sinx en cos x 134 17. Reeksen voor Bg tg z en Bg sim ! 135 18. "Veelwaardigheid der eenheidswortels 138 VIERDE LES. Vierkantsvergelykingen. § 1. Oplossing 143 2. Eigenschappen der wortels 140 3. Ontbinding in factoren van een willekeurigen vorm van den tweeden graad ^ 4. Vraagstukken 150 Bladz. § 5. Vergelijkingen van den tweeden of hoogeren graad met meer dan éen onbekende 157 6. Vraagstukken 162 7. Wederkeerige vergelijkingen 168 8. Binominaalvergelijkingen 171 VIJFDE LES. Over het verloop van vormen van den tweeden graad. Maxima en minima. § 1. Verloop van den vorm ax2 + è.c-f c 175 2. Verloop van breuken, waarin vormen van den tweeden graad voorkomen 3. Maxima en minima van producten 182 4. Vraagstukken ZESDE LES. Onbepaalde vergelijkingen. A. Vergelijkingen van den eersten graad. § 1. Eén vergelijking met twee onbekenden 190 2. Aantal oplossingen van de vergelijking ax-\-by — c . . 192 3. Onbepaalde vergelijkingen met drie en meer onbekenden. 195 B. Vergelijkingen van den tweeden graad. 4. Een der onbekenden komt slechts tot de eerste macht voor. 199 5. Oplossing der vergelijking y- = ax2 + bx + c 199 6. Meetkundige toepassingen 202 7. Nog eenige andere vergelijkingen 205 ZEVENDE LES. Permutatiön en combinatiën. Kansrekening. § 1. Permutatiën 208 2. Combinatiën 211 3. Bewijs van de binominaalformule van Newton voor geheele waarden van den exponent. Machten van drietermen, enz. 215 4. Kansrekening . 219 ERRATA. De lezer gelieve de volgende verbeteringen aantebrengen. Blz. 49. Regel 8 v. o. staat: 1,7183, lees 2,7183. „ 57. „ 16 „ „ grenswaarden, lees grenswaarde. „ 67. » 4 „ „ (1 + 3)'/, lees (1 + 3) „ 85. „ 10 v. b. „ 1, lees 11. 93. „ 12 v. o. zet onder tg x— — p of cotx— — p een streep. „ 110. „ 5 „ staat: 2 sin 9, lees 2sin9x. „ 166. „ 4 v. b. „ x2+y2-z2 = 89, lees x2-89.