\t DE BEIDE BUJMHARDIS EENSTRUDOM HET KONINKRIJK GODS 1 BIBL.VR.UNIV. VERZ. W.de MERODE DE BEIDE BLUMHARDTS EEN STRIJD OM HET KONINKRIJK GODS DOOR J. J. BUSKES Jr UITGEGEVEN DOOR BOSCH & KEUNING TE BAARN LIBELLEN-SERIE Nr. 92 Prijs van één nr. 45 cent. Vier nrs. per nr. 40 cent. Acht of meer nummersper nr. 35 cent. Voor dubbele nummers dubbele prijzen. BIBL.VR.UNIV. VERZ. W.DK MERODE Neen, waarlijk nimmer zal 't Koninklijk worden verslagen; Christus is machtig uit 't lijden ten hemel gedragen. Zóó, wie in strijd hier aan den Heer bleef gewijd, — ginds ziet hij 't winnend licht dagen. Lijdend verdraagt en verloochent u; staat in 't gelooven; laat geen vervolging of smaadheid de hoop u ontrooven; wachtende zwijgt, hoe bang de Booze ook dreigt: sterk zijn de machten van bovenl Eindelijk heelt toch de Heiland der lijdenden wonden. Eenmaal bevrijdt Hij wie heden nog liggen gebonden. Straks treedt Hij voort stralend uit 't hemelsche oordl Zalig wie trouw wordt bevonden. Johann Christoph Blumhardt. Jezus is Overwinnaar. In de onmiddellijke nabijheid van de laatste rustplaats van vader Blumhardt op het kerkhof van Bad Boll vinden wij het graf van een zijner trouwe helpsters. Bij dit graf staat een kruis en op dit kruis lezen wij de woorden: Jezus is Overwinnaar! De geschiedenis, die achter de woorden op dit kruis verborgen ligt, is het uitgangspunt van het leven der beide Blumhardts. In het voorjaar van 1838 begon Johann Christoph Blumhardt zijn arbeid als predikant van Möttlingen. De eerste jaren vielen hem niet mee. Geen teeken van waarachtig leven werd gezien. Onder een dunne laag van kerkelijke vroomheid verschool zich een geestelijke dood, tegen welke Blumhardt niet opgewassen bleek. Al zijn preeken werkten niets uit. Hoe geweldiger hij preekte, des te meer preekte hij de menschen dood. Het slapen in de kerk was symbolisch. Men sliep den slaap van de kerkelijk genisten. Blumhardt besefte heel goed, dat preeken niets gaf. God moest helpen. Een openbaring van den levenden God was noodig. Het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht. Indien ergens, dan is de waarheid van dit bijbelwoord openbaar geworden in Möttlingen. Te Möttlingen woonde een arm gezin, het gezin Dittus. Een van de kinderen, een meisje van 25 jaar, werd aangegrepen door een ziekte, welke in haar verschijnselen geheel overeenstemde met den toestand van hen, die ons in den bijbel als door den duivel bezetenen worden geteekend. Gottliebin had vreeselijke visioenen en hoorde angstwekkende stemmen. Zenuwtoevallen waren het gevolg. Allerlei gebeurtenissen wezen er op, dat inderdaad gesproken moest worden van de macht van den booze. Gottliebin werd geestelijk dood gemarteld. Blumhardt gevoelde, dat hij als dienstknecht van Jezus Christus moest optreden en zoo begon dan zijn harde en zware strijd met het ziekteprobleem van Gottliebin, totdat hij klaar en duidelijk zag, dat hier de duivel aan het werk was. Toen Gottliebin weer tegen den grond viel en haar lijden ontzettend was — het lichaam kromde zich, de armen werden verwrongen, het schuim stond haar op de lippen — kon Blumhardt het niet langer uithouden. Hij greep de handen van Gottliebin, vouwde ze samen tot gebed, riep haar hardop bij haar naam en zeide: „Vouw uw handen en bid: Heere Jezus, help mijl wij hebben lang genoeg gezien, wat de duivel doet, nu willen wij ook zien, wat Jezus kan." Na enkele oogenblikken ontwaakte Gottliebin. Zij herhaalde de woorden van Blumhardt en werd rustig. Dit werd het keerpunt in Blumhardts leven. Het was echter nog maar het begin van den strijd. De verschrikkingen kwamen terug. Gottliebin en Blumhardt maakten dingen mee, die niet te beschrijven zijn. Hij sloeg een blik in het zielsleven van den mensch en ontdekte op den achtergrond van dat menschelijk zieleleven machten, onder wier invloed wij onbewust leven. Hij besefte, dat de eer van God op het spel stond: „ik schaamde mij voor mijn Heiland, tot wien ik zooveel bad en die mij zooveel bewijzen van Zijn hulp had gegeven, den strijd op te geven en den duivel voet te geven.... wie is de Heer, vroeg ik mijzelf vaak af en in vertrouwen op Hem, die de Heer is, zette ik door en een stem sprak altijd opnieuw in mij: voorwaarts, het moet tot een goed einde komen, ook al gaat het door de diepste diepte, tenzij het niet waar is, dat Jezus de kop van de slang vermorzeld heeft." In vasten en bidden zocht Blumhardt kracht. Zijn vrienden vonden hem een dwaas. Hij streed zijn strijd geheel alleen. Hij stond in de eenzaamheid van zoovele knechten van God, die door hun tijdgenooten niet verstaan werden. Het einde van den strijd kwam op het Kerstfeest van 1843. De duistere machten begonnen ook Gottliebin's halfblinden broer en haar zuster Catharina aan te tasten. Het werd: overwinnen of sterven! Plotseling, om twaalf uur 's nachts, scheurde zich uit de keel van Catharina een schreeuw van vertwijfeling los. Een kwartier lang. Onder kreten van angst mengden zich duivelsche stemmen van hoogmoed en aanmatiging. Eindelijk kwam het meest aangrijpende oogenblik. Om twee uur 's nachts stootte de duivel deze woorden naar buiten: Jezus is Overwinnaar! Jezus is Overwinnaar! Nu scheen de macht en de kracht van den duivel elk oogenblik meer gebroken te worden. Tegen acht uur 's morgens kwam er stilte en rust. Dit was het moment, waarop de strijd van twee jaar eindigde. Blumhardt wist dit zoo zeker, dat hij niet nalaten kon den volgenden Zondag, 31 December 1843, in zijn preek zijn triumfeerende vreugde te laten merken. Dit was voor hem in heel dit gebeuren de hoofdzaak, dat hij midden in den nood van dit leven met God een geschiedenis, een heilsgeschie- denis, beleefde. Hij vond het allerellendigst, wanneer de menschen oppervlakkig en nieuwsgierig naar allerlei bijzonderheden vroegen, maar de groote zaak, de overwinning van Jezus Christus op den duivel en de doorbraak van het Koninkrijk Gods in een wereld van zonde en dood, vergaten. De levensvernieuwing van Gottliebin en de daarop volgende levensvernieuwing van Möttlingen waren voor hem de hoofdzaak. Toen eens iemand hem met alle geweld noodzaakte, alle mogelijke bijzonderheden van Gottliebin's geschiedenis te vertellen, waren Blumhardt's laatste woorden: „Maar, weet ge, dat is Möttlingen niet." Blumhardt Jr. heeft het daarom altijd betreurd, dat het verslag van het ziektegeval van Gottliebin, dat zijn vader voor de kerkelijke besturen geschreven had, in andere handen kwam. De uiterlijke vorm van de geschiedenis was voorbijgaand en vergankelijk, maar blijvend was de vrucht van den strijd, de doorbraak van het Koninkrijk Gods in ongekende heerlijkheid. Juist daarom was de strijd zoo ernstig. Het had immers ook een nederlaag kunnen worden. Maar het werd een overwinning. De winst, die Blumhardt uit den strijd meenam, was deze, dat hij de volstrekte onmacht van den mensch en de geweldige macht van God leerde kennen. God openbaarde zich aan hem midden in de verlorenheid van het menschenleven. Dat was Möttlingen. Daarom legde Blumhardt in zijn prediking altijd zoo grooten nadruk op het evangelie der vleeschwording. Jezus Christus beteekende voor hem: God op aarde. God in het leven met al zijn ellende, God midden in den nood van deze wereld. Jezus is Overwinnaar! Dit was vanaf dit oogenblik de strijdkreet van Blumhardt. En het lied, dat aan zijn geloof en zijn hoop uitdrukking gaf en dan ook het lied van de gemeente van Möttlingen en later van Bad Boll werd, getuigde: Jesus ist der Siegesheld, Dei all seine Feind besieget; Jesus ist's, dem alle Welt Bald zu seinen Fflssen lieget; Jesus ist's, der kommt mit Pracht Und zum Licht fflhrt aus der Nacht Het gebeuren met Gottliebin werd de stoot tot een krachtig reveil. Dit reveil concentreerde zich om twee brandpunten: de genezing van zieken en de vergeving der zonden. Gelijk in den tijd van den Heiland en de apostelen werden vele zieken op wonderbaarlijke wijze genezen. Blumhardt's beschouwing van ziekte was heel eenvoudig. Ziekte is een openbaring van de macht der zonde, welker bezoldiging de dood is. Jezus is gekomen om ons van deze macht te verlossen. Hij kan, als de levende Heiland, redden van zonde, ziekte en dood. Het genezen van zieken is een gave van den Heiligen Geest, die door God gegeven wordt aan wien Hij deze gave geven wil, maar geeft Hij haar, dan geeft Hij haar als een gave die altijd en uitsluitend aan het geloof gebonden blijft. In de genezing van zieken breekt het licht van het komende Koninkrijk door. In geval van ziekte moet men daarom tot God gaan. Vooral wanneer het zielsziekten geldt. Alleen God kan helpen en genezen. Blumhardt ontving van God in zijn strijd met het ziektegeval van Gottliebin Dittus de gave der gezondmaking. Niet als een onvervreemdbaar bezit, maar als geloofsbezit. Ook niet als een soort toovermiddel, maar als een gave die tot zegen was daar, waar het den mensen waarlijk om God te doen was. Blumhardt was geen wonderdokter of magnetiseur. Wanneer hij zieken genas, deed hij dat alleen in en door hel geloof in den levenden Heiland, die den dood overwonnen heeft. De door hem op allerlei ziekten behaalde overwinningen waren ontdekkingstochten in het voor de meesten zoo onbekende land van Gods barmhartigheid, waar zich altijd nieuwe perspectieven openen. Niet alle zieken werden genezen. Velen bleven ziek. Maar ook deze werden geholpen in een nog veel dieperen zin van het woord. Niet op de genezing als zoodanig kwam het aan, maar op de genezing als openbaring van de heerlijkheid en de macht van Jezus Christus. Zoo wordt het begrijpelijk, dat Blumhardt de gave om zonden te vergeven hooger stelde dan die om zieken te genezen. De laatste kan alleen in de eerste haar zin en bestaansrecht vinden. De vergeving der zonde immers grijpt den nood in zijn allerdiepste wortel aan. Het reveil dat op de genezing van Gottliebin volgde, was een opwekking van echt geloofsleven, zich openbarend in concrete schuldbelijdenissen en de ervaring van Gods vergevende liefde. Op den Nieuwjaarsavond van 1844 kwam een berucht type uit de gemeente in de pastorie. In den nacht had hij zichzelf leeren kennen als een zondaar voor God. Zijn rust was hij kwijt. Bij Blumhardt zocht hij troost. Angstig en bevend vroeg hij, of er voor hem nog vergeving was. Blumhardt, die de zaak niet vertrouwde, was uiterst voorzichtig. Hij bad met den man en sprak hem enkele troostwoorden toe. Telkens kwam de man terug, om eindelijk met een zeer concrete schuldbelijdenis voor den dag te komen. Blumhardt bleef terughoudend. De man volhardde in zijn verzoek, dat Blumhardt hem zeer bepaald de vergeving van de door hem beleden zonden zou bekend maken. Blumhardt gaf tenslotte toe. Met oplegging der handen vergaf hij dezen mensch in den naam van Jezus Christus zijn zonden. De man veranderde radicaal. Den volgenden dag kwam hij terug met een van zijn niet minder beruchte vrienden. Ook deze kwam tot Jezus. Voor Blumhardt zelf werd deze gebeurtenis van niet minder groote beteekenis dan de genezing van Gottliebin: „den indruk, die de absolutie op mij en den man maakte, kan ik niet vergeten. Een onuitsprekelijke vreugde straalde uit zijn oogen en het was mij, alsof ik ingeleid werd in een geheel nieuwe, mij volkomen onbekende wereld, waarin groote krachten van den Heiligen Geest werkten." Steeds meerderen kwamen naar de pastorie, om hun zonden te belijden en vergeving te ontvangen. Vreeselijke gruwelen, heimelijk bedreven, kwamen aan het licht. Brave en fatsoenlijke kerkmenschen bleken groote en goddelooze zondaren. Maar de vergevende macht van Jezus Christus bleek sterker dan de verwoestende macht van den duivel. Waar de schuldbelijdenis echt was, aarzelde Blumhardt geen oogenblik, om in den naam van Jezus Christus de schuldvergeving uit te spreken. De zeer concrete schuldbelijdenis moest echter aan de absolutie voorafgaan. De zonde wijkt niet van het geweten, tenzij zij aan het licht gebracht en door Gods genade weggenomen wordt: „denk aan de verhoudingen in onze tegenwoordige maatschappij, waarin dieven, moordenaars, echtbrekers, hoereerders, meineedigen niet ontbreken, terwijl hun uiterlijke levensopenbaring lang niet altijd hun goddeloos leven openbaart.... hoe zullen zij tot verlossing van hun zonden komen, wanneer zij geen gelegenheid ontvangen, vrijwillig hun zonden te belijden aan een broeder, die hun de blijde boodschap verkondigt en hen bidt, zich met God te laten verzoenen?" Blumhardt beriep zich op Jacobus' „belijdt elkander de misdaden" en vraagt: „wat kan redelijker zijn dan dat de bezwaarde van hart zijn gemoed voor een broeder, dien hij vertrouwt, uitstort, zooals Jacobus dit aanbeveelt en dat deze dan. niet op eigen gezag, maar in den naam des Heeren hem door het uitspreken der vergeving als een weer aangenomen kind met God verzoent?" Zoo is ook de vergeving der zonde een gave van den Heiligen Geest. Niet ons werk, maar Gods werk. Ook op dit punt droeg Blumhardt's arbeid het karakter van heerlijke objectiviteit, zoodat een ieder besefte, dat het Jezus Christus was, die door Zijn dienstknecht den zondaar vergeving en in de vergeving rust, vrede en kracht tot den strijd tegen de zonde schonk. Op de zoo ontvangen schuldvergeving volgde — dat kan niet anders — een radicale levensverandering, een God toegewijd leven en een bereidheid, om de door bepaalde zonden veroorzaakte ellende zooveel mogelijk te herstellen. Beruchte dronkaards vertelden Blumhardt, dat na hun schuldbelijdenis en zijn schuldvergeving de begeerte naar sterken drank, die ontzettende dronkaardsdorst, weggenomen was, zoodat de kroeg niet meer zoo onweerstaanbaar trok, maar hun veeleer walging en weerzin inboezemde. Blumhardt is er tot aan zijn dood toe van overtuigd geweest, dat hij met zijn schuldvergeving aan het woord van God gehoorzaam was. De zonde was vergeven. Nu moesten Gods dienstknechten de werkelijkheid van deze vergeving de wereld indragen. De volmacht, zonden te vergeven, is aan de gemeente door Christus geschonken. Zoo vormde zich dan te Möttlingen om de twee brandpunten: de genezing der zieken en de vergeving der zonde, een gemeente, waarin de Heilige Geest werkte en Jezus Christus in zijn verlossende liefde openbaar werd. Met de levensvernieuwing van Möttlingen was Blumhardt echter niet tevreden. Niet alleen de kerk, maar heel de wereld moet en mag vernieuwd worden. Blumhardt's verlangen beschreef wijde banen. Möttlingen was een profetie, die hem voor kerk en wereld op vernieuwing deed hopen. Diep heeft het hem teleurgesteld, dat de kerkmenschen — vooral de dominé's — hem niet begrepen en hem daarom alleen lieten staan: „het valt den menschen op, dat ik alleen sta en dat zelfs mijn vrienden niet volgen; o, de Heer weet, hoe moeilijk het mij valt en hoe het in mij brandt voor de geheele wereld." Blumhardt leefde in de verwachting van het Koninkrijk Gods. De wederkomst van Christus staat in het Evangelie in het middelpunt. Daarom wil het geloof, dat zich aan dit Evangelie vastklemt, den s2-n komenden Heer tegemoet. Blumhardt had maar één thema: het Koninkrijk Gods. Zijn prediking en verwachting van dit Koninkrijk beteekenden een principiëele wending van het subjectivisme der doorsnee-kerkelijke vroomheid tot de objectiviteit van het Godsrijk. Niet onze zaligheid is het belangrijkste. Het gaat voor alles om God en Zijn Rijk, dat komt, om de heerschappij van God in hemel en op aarde, ja ook op aarde: „Het is hoog tijd, dat ons christendom bevrijd wordt uit zijn egoïstisch subjectivisme, waarin het terecht gekomen is en waarvan in den bijbel geen spoor gevonden wordt. Ons christendom draait veel te veel om het eigen ik en de eigen zaligheid. In den bijbel gaat het om het Rijk van God, dat de zaligheid van den enkeling als iets vanzelfsprekends in zich sluit. Rijk Gods en Dag des Heeren, dat zijn de twee groote woorden, die de Heiland op aarde gebracht heeft en in welke alles samengevat is, wat wij ooit mogen verwachten en wenschen." Heel zijn leven is Blumhardt vanuit deze verwachting van het Koninkrijk Gods bezig geweest in het werk der zending. Vanuit deze zelfde verwachting ijverde hij voor de reformatie van het kerklied. Het was hem te uitsluitend afgestemd op persoonlijke ervaring. Hij had een afkeer van al die vrome en dierbare liederen, die cirkelden om het eigen vrome en dierbare ik en het hemelleven bezongen als de hoogste zaligheid. Zoo ontstonden Blumhardt's „Bibellieder", later door zijn zoon met nog weer nieuwe liederen aangevuld, liederen, die het groote en heerlijke werk van God bezingen. De verwachting van het komende Koninkrijk staat in het centrum.1) Tegen de macht van het rijk der duisternis is alleen God opgewassen. Tegen de geschiedenis van dit rijk der duisternis baat uiteindelijk geen bekeeringsgeschiedenis en geen kerkgeschiedenis, maar alleen de komst van het Koninkrijk. Daarom getuigt Blumhardt van dit komende Koninkrijk. Hij weet zich door God geroepen. God leeft en God heeft gesproken en Blumhardt heeft Gods stem gehoord. Nu weet hij, dat alles afhangt niet van onze verhouding tot God, maar van Gods verhouding tot ons, dat alles afhangt van Gods verlossende liefde. Het leven en werken in het geloof aan deze verlossende liefde van 1) Aan het begin van dit boekje vindt men een lied van Vader Blumhardt Aan het. einde een van zijn zoon. De vertaling is van Ds. E. L. Smelik. God noemt Blumhardt: hopen. Het is een wachten op den Heiligen Geest. Blumhardt's hoogste verlangen ging dan ook uit naar een nieuwe uitstorting van den Heiligen Geest als voortzetting en voltooiïng van de uitstorting, welke in den tijd der apostelen geschied was. En deze nieuwe uitstorting zag Blumhardt als een vernieuwing van al de gaven des Geestes: bekeering, zondenvergeving, gebed, genezing van ziekten.... de overwinning op den dood en het rijk der duisternis.... de opstanding van heel het leven van Christus in heel de wereld, bekroond door de Wederkomst van Christus in heerlijkheid God alles in allen! Blumhardt is niet in Möttlingen gebleven. Hij gevoelde, dat bij uit Möttlingen weg moest. De pastorie werd op den duur veel te klein, om allen, die hulp bij hem zochten, op te nemen. Toen Bad Boll te koop werd aangeboden, werd hij de kooper en zette hij in Bad Boll het werk van Möttlingen voort: het helpen van geestelijk en lichamelijk zieken, met het doel hen door het Evangelie aan zichzelf en aan God terug te geven. Bad Boll was een vergroote pastorie. Blumhardt zelf beschouwde het als een „huis van verwachting". In dit huis moest worden gewacht en gewerkt, gestreden en overwonnen, opdat het voorwaarts zou gaan, de toekomst van Jezus Christus en de vervulling van de beloften van het Evangelie tegemoet. Blumhardt bleef zielzorger: „ik ben zielzorger en niets meer." Honderden — rijken en armen, geleerden en eenvoudigen, ouden en jongen, gezonden en zieken — zijn in Bad Boll opgenomen en hebben in Bad Boll de werkelijkheid van het komende Koninkrijk leeren kennen. Bad Boll was een huis Gods, waarin God als de souvereine en vrijmachtige God Zijn verlossend werk volbracht. Bad Boll beteekende voor Blumhardt ook, dat hij met „de zaak", voor welke hij leefde, uit de kerk de wereld introk, zonder daarom de kerk los te laten. In de kerk werd het hem te benauwd. Men dacht er te klein van God. Blumhardt preekte eens over „de magerheid der christelijke kerk." Zijn tekst was Jesaja 24 :16: „Van het uiterste einde der aarde hooren wij psalmen tot verheerlijking van den Rechtvaardige, doch nu zeg ik: ik word mager, ik word mager, wee mijl" In 1853 schreef hij aan zijn vriend Dr. Barth: „Vaak willen mij de banden der kerk te eng worden." Toch liet hij de kerk niet los: „ik voel, dat ik de innerlijke gemeenschap met de geloovigen, in welke ik van mijn jeugd af gerust heb, niet verlaten mag en de steunpilaren niet omverwerpen mag, om nieuwe Blumhardtsche steunpilaren te fabriceeren." Toch was Bad Boll niet zoozeei een kerkelijke instelling als wel een voorpost van het Koninkrijk Gods of, zooals Ragaz het uitdrukt, een Zlon Gods onder de menschen. Alle woorden en daden in Bad Boll waren gericht op de komst van Gods Koninkrijk: „iedere groet was een zegen, iedere huiselijke arbeid een dienst, ieder woord een lofverheffing; al het heilige was natuurlijk en al het natuurlijke heilig." Te Bad Boll is Blumhardt gestorven. In zijn ziekte bleef bij een strijder Gods. „Uw Koninkrijk kome" hoorde men hem telkens bidden. Ook zei hij voortdurend: „De Heere zal Zijn werk heerlijk voleindigen." „Genade, genade" vroeg hij voor zichzelf en voor de zijhen. Eens, toen zijn beide zonen binnen kwamen, richtte bij zich met inspanning van alle krachten op en getuigde: „De Heere zal Zijn milde hand open doen tot barmhartigheid over alle volken." Op zijn sterfdag roept hij zijn zoon bij zich en zegt: „Christoph, het moet verder, het moet." Christoph antwoordt: „Er zal overwonnen worden, vader." Daarop legde de stervende vader zijn zoon de handen op het hoofd met de woorden: „ik zegen u tot overwinnen." Tegen tien uur 's avonds, 25 Februari 1880, is Johann Christoph Blumhardt te Bad Boll gestorven. Op de steen, die zijn graf dekt, staat een van zijn liederen. Onder dat lied zien wij een kruis en op dat kruis staan de woorden: „Zie Hij komt." Christoph Blumhardt volgde zijn vader op. Bad Boll veranderde niet van karakter, want ook van het leven en werken van Blumhardt Jr. was het eenmaal te Möttlingen gebeurde de oorsprong. Hij zegt in een van zijn preeken: „Deze bron is dat wonderbare, dat wij door alle lijden heen in de geschiedenis van het volk van God vinden. Het is een hemelsche school, in welke God zelf Zijn Woord spreekt. Bij deze bron leven wij sinds de dagen van Möttlingen. Onze kracht is het zoeken en — Goddank — ook het vinden van deze bron. Laat mij uit mijn Möttlinger en Boller hart getuigen: Jezus is Overwinnaar weg met al het anderel" Christoph Blumhardt erkent de levensgeschiedenis van zijn vader als zijn eigen levensgeschiedenis. Zonder de ervaringen van den vader, die in het getuigenis „Jezus is Overwinnaar" zijn samengevat, zijn het leven en de arbeid van den zoon niet te begrijpen. Nog aan het einde van zijn leven getuigt deze: „Möttlingen is onze geboorteplaats, waar wij ook nu nog altijd leven. Möttlingen is de bodem, waarop wij staan en arbeiden. Daar heeft de Heer de deur geopend, die ook in onze dagen nog altijd open staat." Bad Boll blijft een centrum van zielzorg en wegbereiding voor den Heer, een toevlucht voor vermoeiden en beladenen. ' Het parool blijft: Jezus is Overwinnaar! Sterf, dan zal Jezus leven! Vele jaren heeft Christoph Blumhardt het gezegende werk van zijn ▼ader voortgezet en daarbij altijd opnieuw de waarheid van het parool van Möttlingen mogen ervaren, totdat hij door allerlei ervaringen tot de overtuiging kwam, dat hij het roer moest wenden. Er kwam in zijn leven een geweldige crisis. Blumhardt's moeder en allen, die de geschiedenis van Möttlingen hadden meegemaakt, stierven. Dit beteekende voor Christoph een groote verandering. Hij voelde, dat alles opnieuw in het vuur moest, wilde het menschelijke het goddelijke niet overwoekeren, wilde hij zelf niet een sta-in-den-weg voor het komende Koninkrijk worden. Het ging toch niet om Bad Boll en al evenmin om Blumhardt, maar om Jezus Christus en de komst van Zijn Rijk. Daarom moest alles opnieuw aan God worden overgegeven. Zoo begon een nieuwe periode met een nieuw wachtwoord: Sterf, dan zal Jezus levenl Met een aangrijpende zelfverloochening werd al het opgebouwde eigenhandig afgebroken. Zelfkritiek tot het uiterste. De bodem sidderde als bij een aardbeving. Een felle strijd werd gestreden tusschen het oude en het nieuwe. Het nieuwe brak als een geweldig vuur door. De piëtistische vroomheid, van welke vader Blumhardt nooit geheel los gekomen was, werd nu door den zoon voor de volle honderd procent uitgebannen en al de warmte en de toewijding, die deze vroomheid zoo aantrekkelijk maken, richtte zich van nu voortaan op het groote thema van het Onze Vader: Uw naam. Uw Rijk, Uw wil! „Geef alles aan den Vader in de hemelen in het bloed van Jezus Christus terug. Wat aardsch en vleeschelijk is, laat het niet gelden. Doe gelijk de Heere Jezus. Hij had ook met Zijn vroomheid. Zijn waarheid en Zijn gerechtigheid voor den dag kunnen komen. Maar Hij heeft niets in het vleesch laten gelden. Alles heeft Hij aan den Vader in de hemelen overgegeven, opdat God de eer zou ontvangen." „Wat een wereldsche hoogmoed heeft zich toch van de arme christenheid meester gemaakt. De een ijvert tegen den ander; de een verheft zich boven den ander, ja, ten koste van God en den Heiland zoeken zij zichzelf te bevoordeelen, om in het vleesch groot te worden." „Wanneer wij zeggen: sterf, dan beteekent dat: zoek niet meer dit aardsche leven, wil niet meer in dit leven groot zijn, om later in den hemel zalig te worden. Christenheid, dit geloof is valsch. Sterf en geef al wat vleesch is in het bloed van Christus en word arm. Gij volken, wordt arm. Gij talen en tongen, wordt arm en gij, die gelooft, wordt arm. Want alleen de armen, die hun schuld belijden en met hun leven in den dood van hun Heiland ingaan, zullen ervaren dat Jezus leeft. Het komt er op aan, dat onze hoogmoed gebroken wordt." Blumhardt kwam in dezen tijd tot de ontdekking, dat de strijd tegen het rijk der duisternis volstreden was en dat nu een nieuwe strijd gestreden moest worden tegen een nog veel gevaarlijker vijand van het Koninkrijk Gods: de mensen, de mensch „in zijn vleesch". Was de strijd tegen de macht van den duivel zwaar, de strijd tegen de macht van het eigen ik was nog veel zwaarder. Dit werd het parool voor dezen strijd: Sterf, dan zal Jezus levenl Vader Blumhardt had gezongen: Jesus ist der Siegesheld der all unsere Feind besieget. Christoph brengt in dit lied een wijziging aan en deze wijziging beteekent een kritische wending in heel zijn leven en werken. Voortaan zingt men in Bad Boll: Jesus ist der Siegesheld der all seine Feind besieget. Het front wordt verlegd. Niet meer de Overste dezer wereld, tegen wien vader Blumhardt den strijd begonnen was en voleindigd had, was de eigenlijke vijand, die het Rijk Gods in den weg staat, maar de mensch zelf, die zich tegen de waarheid van God verzet, met al de kracht, die in hem is. Daarom wekt Blumhardt Jr. de zijnen op, niet meer aan den duivel te denken, maar aan hun eigen zondig bestaan: „Zoek gerechtigheid en waarheid, het land moet geploegd worden, de ploegschaar moet diep door de aarde heen." „Al de vermolmde balken, die het verzakkende gebouw van het tegenwoordige christendom stutten, moeten worden weggebroken." „Niet het christendom is het goede en het goddelijke, niet onze dogmatiek en onze leer is de waarheid, maar het goede en het goddelijke en de waarheid is alleen Christus. Het heele christendom moet vallen, opdat Christus geopenbaard worde. Het moet uit zijn met de verliefdheid van de christenen op hun christendom. Het eenige resultaat is, dat de eene christen den andere veroordeelt op grond en in het belang van zijn eigen christendom en Christus het oordeel uit handen neemt. De christenen verstaan alleen hun eigen christendom, maar juist de allerijverigsten verstaan heel vaak Christus niet meer. Zij zitten geheel aan zichzelf vastgeroest en zijn niet bereid Christus te volgen, wanneer Zijn roepstem in een andere richting wijst dan hun traditie." In deze periode is er een sterke verwantschap tusschen Blumhardt en de mannen van de dialectische theologie, Karl Barth en de zijnen. Eduard Thumeysen heeft in zijn Blumhardtboek aan deze periode dan ook de meeste citaten ontleend. De Blumhardt van Barth en Thumeysen is de Blumhardt van het „sterf, dan zal Jezus leven." Alles moet in het vuur, om gelouterd te worden. Bekeering is noodwendig, want alleen bekeering wendt den nood, bekeering van de religie tot het Koninkrijk, van de kerk tot de wereld, van het eigen ik tot God, van den dienst der afgoden tot den dienst van den eenigen en waarachtigen God. De grootste belemmering voor het komen van Gods rijk is de vrome mensch met zijn dierbare ik. Fel en hartstochtelijk preekt Blumhardt in dezen tijd tegen alle christelijk egoïsme. De kleine kinderen worden al voor dit christelijk egoïsme opgekweekt. Men leert hen zingen: Weil ich Jesu Schaflein bin, Führt Et mlch auf gute Weide. Blumhardt zegt: „Neen, omdat gij Jezus' schaapje zijt, hebt gij wol en moet gij u laten scheren. De schapen zijn er niet om de wei, maar om de wol. Wij moeten ons verzetten tegen al de liederen en spreuken van dit soort, die onze kinderen al in hun jonge jaren voor goed bederven, zoodat geen kind er meer aan denkt, dat het alles op het spel moet zetten voor den lieven God. God moet altijd maar geven en geen kind denkt er aan, dat wij ook iets moeten doen. Toch heeft Jezus gezegd. dot men zijn leven moet geven. Wij moeten al tot onze kinderen in de wieg zeggen: lief kind, gij moet sterven voor den lieven God en wee u wanneer gij in uw leven iets zoekt voor uzelf. Zoo moeten wij bij de wieg staan, maar in plaats daarvan zeggen wij: De Heere zegene u en behoede u op al uw wegen, lief kind!" „Er zijn duizenden christenen, maar er is er bijna geen een, die trouw is tot het einde. Zij hebben vele vonden gezocht en komen met allerlei uitvluchten. Zij kunnen mooi praten, maar bijna geen enkele is een strijder ten bloede toe." „Waarom willen wij, christenen, niet voor de zaak van God sterven? Waarom zijn wij, christenen, in den regel zulke groote egoïsten? Wij willen wel gaarne anderen een dienst bewijzen, maar geldt het ons leven, dan aarzelen wij." „Gelijke beschouwingen over bijbel, God en Christus, gelijke leerstellingen en dogma's maken ons niet tot het volk van God. Het volk van God worden wij alleen daardoor, dat wij voor God en niet meer voor onszelf leven." „God zoekt geen menschen, aan wie Hij zonden vergeven kan en die door Hem zalig gemaakt kunnen worden. God zoekt strijdbare helden." „Daar zijn allerlei lieve, goede christenen, die vast en zeker een goede plaats in den hemel zullen krijgen, maar zij hebben geen uur vrij, om voor God te werken." „Wij stellen allen onze eischen. Wij willen gezond worden. Wij willen rijk worden. Wij willen gelukkig worden. Wij willen bij vader en moeder blijven." „Wij strijden tegen onze zonden en zoeken vergeving van onze zonden, maar het Godsrijk is geen realiteit voor ons." „Ons christenleven is een mengsel van vergankelijk en eeuwig leven. De eene dag is Jezus de Heer, een volgende dag een ander. De eene maal volgen wij God, een andere keer gaan wij onzen eigen weg." Blumhardt getuigde daarom met al de kracht, die in hem was, tegen de geestelijke genotzucht, die om hem in Bad Boll welig begon te tieren. Hij getuigde: eerst het Koninkrijk Gods en dan pas onze zaligheid. Vooral verzette hij zich tegen hen, die de beteekenis van het gebeuren in Möttlingen uitsluitend in de genezing van zieken zochten en uitsluitend naar Bad Boll kwamen, om beter te worden, maar niet in het minste naar het Koninkrijk Gods verlangden: „Gods eer is het, die wij in ons leven zoeken moeten en dan mag niet ons eigen welzijn op den voor- grond staan, maar uitsluitend het verlangen, dat God tot Zijn welzijn, Zijn recht op aarde kome en Zijn Rijk eindelijk voet krijge in ons leven, voordat wij begeeren alle mogelijke heerlijkheid te ontvangen van de hand van onzen Heiland Jezus Christus." Weg met het christendom, dat Gods genade altijd alleen voor zich wil hebben en terwille van de eigen zaligheid de beloofde overwinning van God over heel de wereld uit het oog verliest. Ook daar waar de mensch zich heel geestelijk aanstelt, ziet Blumhardt „christelijk vleesch", dat zichzelf zoekt. Men zwemt rond in zalige gevoelens en alles getuigt: O, hoe zalig. Zalig? Onmogelijk, zoolang de wereld zucht in zonde en niemand in staat is, het Koninkrijk Gods te openbaren. Al deze zalige menschen roept Blumhardt toe: „Eén ding is noodigl Wien zoekt gij: uzelf of God? Uw zaak of de zaak des Heeren?" In navolging van zijn Meester werd Blumhardt dan ook steeds meer terughoudend met zijn genezingen. Hij voelt er niets voor, dat de menschen door zijn gebed genezen willen worden. God wil geen concurrent van de dokters zijn. Het geloof is geen medicament. Tot een zieke, die alleen maar aan zichzelf en aan zijn ziekte en aan de genezing van zijn ziekte dacht, zegt Blumhardt: houd uw ellende en denk er niet aan, het is niet het voornaamste, dat ik u dadelijk help; kom, wij willen samen iets tot stand brengen, wij willen leven en werken voor het Koninkrijk, dat is het voornaamste, uw ellende en uw ziekte zijn bijzaak." Wij moeten ons lijden niet zoo gewichtig vinden. Ook in dit opzicht geldt: Sterf, dan zal Jezus levenl / Daarom is zelfverloochening een eerste vereischte. Wij moeten onszelf wantrouwen, ons eigen gebed, ons eigen geloof, onzen eigen godsdienst. Wij moeten niet letten op onzen eigen nood, maar op dien van het Godsrijk. Geen wonder, dat Blumhardt de vereenzelviging van kerk en Koninkrijk Gods zoo noodlottig vond. „Heel eigenzinnig blijft men zich altijd voortbewegen langs de oude wegen, terwijl men toch weten kon, dat God andere wegen gaan wil. Dat moet tenslotte wel noodlottig worden en dan mag men niet zeggen: God is altijd barmhartig. Hij zal Zijn kerk altijd bewaren ja, hola, ik zou de tekst in den Bijbel wel eens willen lezen, die aan een menschelijke kerk een eeuwig leven belooft. Naar de kerk vraagt God niet, als zij nergens meer voor dient. Wij hebben volstrekt geen garantie, dat wij de zaak van God eeuwig in onze handen houden." 92-111 Vertrouwt toch niet op uw kerken. „Men fabriceert tegenwoordig rechts en links kerken, en installeert zich zoo goed als maar mogelijk is en zegt: wij hebben het, ja, wij hebben alles] In Oost en West, in Noord en Zuid, overal zegt men: wij hebben hetl en men danst de wereld door met zijn christendom en vergeet het ware bidden. Wat de apostelen van den Heiligen Geest verwachtten, dat verwacht men tegenwoordig van de kerk." „Wanneer de discipelen van Jezus zichzelf zoeken of ook maar een weinig het belang van hun eigen menschelijke gemeenschap — kerk of secte — op het oog hebben, treedt dadelijk een beneveling in. Aaneensluiting in den naam van Jezus wordt alleen gevonden, wanneer menschen ook het meest belangrijke en waardevolle achter stellen bij dit eene: Jezus, de Heerl De kerk is de menschelijk georganiseerde religie, het Godsrijk als menschelijk instituut, het stilstaande Koninkrijk, daarom bijna altijd een belemmering voor dat Koninkrijk. Het organisme verwordt tot organisatie, het priesterschap der geloovigen tot hiërarchie, de Godskennis tot theologie, het levend geloof tot dogmatiek en doode orthodoxie." Blumhardt acht het een van de grootste fouten van het volk van God, dat het een station, een doorgangspunt, houdt voor het eindpunt, dat hef Van de kerk verwacht wat het alleen van den Heiligen Geest verwachten mag. Na zwaren strijd heeft Blumhardt alle kerkelijke vormen losgelaten. In de gewone vormen van het alledaagsche leven wilde hij God dienen. In dit breken met alle bijzonder „religieus" leven gaf hij uitdrukking aan zijn verlangen naar het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid. Het was symbolisch, dat in 1894 de preekstoel uit de groote zaal van Bad Boll verdween en Blumhardt voortaan niet meer in toga preekte. Niet de kerk, maar het Koninkrijk. Niet het christendom, maar Christus. Het christendom verschrompelt, omdat het te weinig den Heer belijdt en te veel vast zit aan de gewoonte, het nationale, het historisch gewordene. Daarom gist en woelt het in onze dagen tegen dat christendom. Daarom wordt tegen al onze kerkelijke traditie storm geloopen. Wanneer de kinderen van God zwijgen, spreken de steenen. Wanneer wij, christenen, aan de andere menschen gelijk worden, is het niet de moeite waard, dat wij in de wereld zijn. Wij moeten en mogen het zout en het licht der wereld zijn. Christendom zonder Christus is het aller- ergste, wat er in deze wereld te vinden is. Tot heel dit verwereldlijkte, verburgerlijkte en veruitwendigde christendom zonder Christus komt Blumhardt met de oproep: Sterf, opdat er ruimte kome voor het werk van Christus! Gij, menschen, zijt van God. Omstreeks 1896 hoorde Blumhardt opnieuw de roepstem van God, die de dan beginnende periode scherp afgrenst van de voorafgaande. Blumhardt spreekt van bazuinen Gods. Telkens hoort hij het geluid van een nieuwe bazuin. De eerste bazuin stootte de wereld in: „Jezus is Overwinnaar!" Maar zij zal niet eeuwig haar geluid geven. Er komt een oogenblik, dat zij moet zwijgen. Het Koninkrijk Gods bestaat niet uitsluitend in de genezing van zieken. Heel ons leven wordt door God opgeëischt. Daar hebt ge het geluid van de tweede bazuin: „Sterf, zoo zal Jezus levenl" Blumhardt moest zich los maken van allerlei overgeleverde vormen. Toen ook deze strijd volstreden was, hoorde hij weer een nieuw geluid: Wordt vrije menschen, hebt uw naaste liefl Dat is de nieuwe Godsbazuin, de wereldbazuin. Draagt de liefde van God in uw hart. Niet in de kerk blijven, maar de wereld in! Let op de bazuin, die in de wereld gehoord wordt. Dat is de ware vroomheid. Vanaf dit oogenblik predikte Blumhardt de liefde van God tot de wereld. Tot allen zal hij getuigen: Gij zijt van God! In deze boodschap ontving hij de sleutel, die toegang tot de wereld geeft. Eerst richtte Blumhardt zich tot de kerkelijke vromen. Maar zij luisterden niet Nu ging hij uit tot de wereld en het Rijk Gods nam kolossale dimensies aan, het werd wereldgroot, het kwam op straat. Op de wijze, waarop Stanley Jones later zou getuigen: Op lederen weg Christus! Van nu voortaan was het Blumhardt's taak, hem door God opgedragen, de ellende en den nood der wereld te dragen. Karl Barth zegt van hem: Hij was een priesterlijk mensch. Hij vertegenwoordigde God in de wereld en voerde toch geen krijg tegen de wereld. Hij had de wereld lief en bleef toch God trouw. Hij leed met de wereld mee en sprak in haar nood het begrijpende woord, maar daar boven uit ook het verlossende woord. Hij droeg de wereld tot God omhoog eh droeg God de wereld in. Hij was vertegenwoordiger van de wereld voor God en tegelijk een boodschapper Gods, die aan de menschen vrede brengt. „De vergeving is het belangrijkste stuk van het evangelie en het sterkste wapen in het Godsrijk. Jezus heeft de vergeving altijd vastgehouden, wien Hij ook ontmoette. Toen Hij gekruisigd werd, werd Hem dit sterkste wapen bijna uit handen geslagen, daar de gruwelijkste zonde zich aan Hem voltrok, maar Hij liet zich dit wapen niet ontnemen. In den hoogsten nood riep Hij: Vader, die arme menschen, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." Niet oordeelen, maar geloovenl Gelooven in God, daarom ook in den mensch. Men beschuldige Blumhardt niet van een oppervlakkig optimisme. Hij geloofde in den mensch, omdat God in den mensch gelooft en hem in al zijn goddeloosheid niet opgeeft. Blumhardt geloofde niet in den deugdzamen en vromen mensch. Hij hoorde soms wel een stem: blijf bij de vromen en de rechtvaardigen, maar hij antwoordde: neen, dat zijn satan stemmen, neen, zeg ik, ik wil tot mijn laatste ademtocht strijden voor de zondaren, de ellendigen, de goddeloozen, de verstootenen. Zag hij den mensch, zooals hij is, dan wanhoopte hij. Maar dan was hij ook zijn geloof in God en in Christus kwijt. Hij wist ook, hoe wij, vrome menschen, zijn. Wij zijn niet beter. Hoopte hij op God, dan hoopte hij op Hem, die ook in den meest goddelooze iets tot stand kan brengen. Waar de verachten zijn, daar moeten wij Jezus zoeken. Niet hoog boven de aarde, maar waar de verstootenen zijn, daar is Jezus' smartenhemel. Wees mensch onder de menschenl Niet de roomschen of de protestanten, maar de menschen. Niet de conservatieven of de liberalen of de socialisten, maar de menschen. Niet de Franschen of de Duitschers of de Engelschen, de menschen zijn het.... Jezus wil menschen hebben. Blumhardt wilde in zijn getuigen niet meer onderscheiden tusschen vromen en goddeloozen. Hij spreekt tot heel de wereld: Gij zijt van God en gij komt nooit meer van God los, want God heeft in Jezus Christus gezegd: de wereld is van Mij. „Ihr, Menschen, seid Gottes." Blumhardt wilde, dat men den mensch van boven zou zien: den mensch in zijn zonde, maar met het oog der liefde; den mensch in zijn gebondenheid, maar met het oog des geloofs; den mensch in den dood, maar met het oog van de hoop. Wie de liefde Gods in het hart draagt, twijfelt niet meer aan de wereld. Hij brengt de boodschap van de liefde Gods aan de wereld, die toch — ondanks alle verdorvenheid — Gods wereld is. Van iedere preekstoel moet verkondigd worden: „Gij, menschen, behoort God toe! Of gij goddeloos zijt of vroom, in de zaligheid of in de verdoemenis, gij zijt van God en God is goed. Of gij dood zijt of levend, rechtvaardig of onrechtvaardig, in den hemel of in de hel, gij behoort God toe." Preek zoo en gij zult andere resultaten zien dan die welke bereikt worden met dat gekortwiekte evangelie, dat met de eene hand terug neemt wat het met de andere gegeven heeft. De meest sprekende toepassing van dit nieuwe inzicht was Blumhardt's keuze voor het socialisme en dat in den meest concreten zin van het woord, zijn toetreden tot de Sociaal Democratische Partij. Sinds 1899 zien wij Blumhardt steeds meer bezig met de sociale vragen. Hoe minder hij door de kerk begrepen werd, des te meer voelde hij zich gedrongen met deze vragen bezig te zijn. Hij voelde dat hij zich in de sociale vragen met het leven der menschen bezig hield: „Wat is beter, in den bijbel lezen of in de menschen lezen? het handschrift van God in de menschen lezen of alleen maar een lezer zijn van datgene, wat God eenmaal gezegd heeft? Mij hebben de kerk en de vrome menschen in de steek gelaten, toen ik zeide: het gaat om het leven der menschenl Eindelijk, na eeuwen, vraagt men om een andere en betere samenleving en zoo heeft Jezus het gewild." In den grond der zaak wilde Jezus de sociale vraag oplossen. Hij was meer sociaal dan religieus. Jezus wilde niet een religie brengen. Hij wilde leven brengen. De menschen hebben van Hem een godsdienststichter gemaakt. Maar dat was Hij niet. In een andere preek zegt Blumhardt: „Ja, als de Heiland nu kwam, zouden wij Hem doodslaan. Hoe zou Hij zich gedragen? Hij zou zeker niet uw gebedskringen bijwonen en uren lang met u op de knieën liggen. Hij zou de sociale vraag oplossen, haar inderdaad oplossen!" Blumhardt vraagt: „Wanneer wij over het Koninkrijk Gods spreken, wat bedoelen wij dan?" En hij antwoordt: „Het bestaat daarin, dat God in onze harten Zijn Geest geeft, die ons leert met menschen goed te leven, zoodat niemand honger lijdt. Zoo staat het met het Koninkrijk Gods. De prediking van het Koninkrijk Gods proclameert ook de rechten van den mensch als schepsel Gods." Daarin ligt volgens Blumhardt het groote verschil tusschen onze tegenwoordige rijken en het Godsrijk, dat de bestaande rijken er niet in slagen, aan alle menschen een menschwaardig bestaan te verschaffen. Wanneer het menschelijke tot zijn recht komt, komt het goddelijke ook tot zijn recht. Wordt voor alles echte menschen, dan kan God iets met u doenl Wanneer wij geen menschen zijn, die tot God om recht voor allen roepen, dan hooren wij niet bij Jezus. Bij Jezus zoekt men niet alleen zijn eigen recht, maar ook het recht van de andere menschen. Bij Jezus vormt zich een gemeente, die om de rechten van den mensch roept. Blumhardt ziet, wat er in de wereld woelt en werkt en hij gelooft, dat een nieuwe Godstij d is aangebroken. De menschen hongeren en dorsten naar Jezus. Zoo heb ik, zegt Blumhardt in 1899, een dezer dagen in een socialistische krant gelezen, open en rond: Ja, als de geest van dezen Jezus ons weer bezielen konl Dat is honger en dorst naar Christus. Enkele dagen later sprak hij over de beteekenis van het lichamelijke voor het zieleleven en zeide: „Dat wordt het meest beseft door de veel gesmade socialisten. Eigenlijk zijn het profeten. Zij willen de heilstaat dichterbij brengen en zeggen de dwaasheid: Als wij maar lichamelijk goed verzorgd zijn, zullen wij ook veel betere menschen zijn. Dat is mij een profetisch getuigenis uit de wereld. Men moet om zulke dingen niet lachen. De Heiland heeft dat ook gezegd, al wist de Heiland natuurlijk' meer dan Bebel. Het is een schande voor de christelijke kerk, dat zij niet in staat is geweest, de sociale vraag op te lossen." Wanneer in de wereld het getuigenis van een andere, een nieuwe wereld gehoord werd, erkende hij dat getuigenis als gerechtvaardigd, omdat het een vraag naar het Koninkrijk Gods was. Al klonk dat getuigenis nog zoo ruw en goddeloos, het bevatte z.i. meer réëele goddelijke waarheid dan alle geestelijk en godsdienstig getuigenis van zijn dagen. Het christendom was zoo geestelijk geworden, dat het de menschen „im Geist ersauft hat". Tot de vromen zei Blumhardt: „Wat helpt het, dat gij tot een arme zegt: word warm en word verzadigd, en gij geeft hem nietsl Wat helpt het, dat gij over het hemelrijk beuzelt en gij laat uw medemenschen in hun boeien en banden, de gevangenen in hun gevangenis en gij weet niet eens boven de kleinste standsverschillen uit te komen, zoodat gij een afkeer hebt van arme menschen en op de hoogte van uw stand blijft leven. Daarvoor heeft men in onze dagen geen Interesse meer. Wij leven nu in de tijd van het proletariaat. Ja, zij zijn er God zegene hen!" „Het proletariaat is een instrument in Gods hand, waarmee God de christenheid opnieuw aan de waarheid van Zijn Rijk herinneren wil: Hoe kunt gij toch zoo geestelijk en religieus zijn, wanneer gij goed eet en drinkt en niet denkt aan uw medemenschen, die honger lijden? Gij moet aan hen denken en het is dienst van God, wanneer menschen opstaan en zeggen: wij willen ook levenl" Het verheugde Blumhardt dat velen tot de kerkmenschen zeiden: luistert, wij willen niet langer lijden] „Die zgn. goddelooze menschen werken heel vaak in den wijngaard, zij zijn niet kerkelijk en doen alsof zij geen godsdienst hebben, maar is dat geen godsdienst, wanneer men daaraan werkt, dat de mensch tot zijn recht komt?" Voor Blumhardt was het geloof van het om een nieuwe maatschappij strijdende proletariaat een geloof aan het ons door Christus beloofde Godsrijk: „de sociale strijd van millioenen staat niet op zichzelf, hij staat in verband met den strijd der apostelen. Het gisten der volken, het woelen van de laagste klasse der maatschappij, het roepen om levensrecht, het is alles een teeken van onzen Heere Jezus Christus. Hoe hooger zij het ideaal stellen, des te meer ontvangen zij van God het getuigenis, dat zij gelooven, wat Jezus gewild heeft, al weten zij dat zelf niet." Zoo werd de socialistische beweging voor Blumhardt „ein Feuerzeichen am Himmel". Zij kondigde het oordeel aan. De christelijke maatschappij moest zich afvragen, in hoeverre dit oordeel waarheid sprak. 19 Juni 1899 woonde Blumhardt een volksvergadering in Göppingen bij, waar geprotesteerd werd tegen een wetsontwerp, dat het verenigingsrecht der arbeiders beperkte. 1 October volgde een vergadering waar gesproken werd over den fabrieksarbeid van de gehuwde vrouw. De beslissende stap werd gedaan in een vergadering der Sociaal Democratische Partij, 24 October van hetzelfde jaar. Daar zette Blumhardt zoo beslist als het maar kon zijn standpunt ten opzichte van het socialisme uiteen. Den volgenden dag berichtten de bladen met groote letters: Dominé Blumhardt's overgang tot het socialisme! Wie Blumhardt goed kende, verwonderde er zich niet over, want hij wist, dat hij altijd gearbeid had voor armen en geringen. Het was de geest van Christus, die Blumhardt er toe drong, want ieder, die in Zijn geest werken wil, moet zich voegen bij de armen en onderdrukten. Tot wie is Christus gezonden? Tot tollenaren en zondaren. Hi] heeft ook twaalf proletariërs tot Zijn discipelen gemaakt. Wie zou dan Blumhardt kunnen verwijten, dat hij zijn chistelijk geloof verloochende, toen hij zich bij de proletariërs voegde? Deed hij niet hetzelfde, wat Christus gedaan had? De socialisten werden zijn bondgenooten en hij werd de hunne, omdat zij, de ellende der wereld ziende, getuigden: zoo mag het niet langer 1 Zoo ging dan Blumhardt met de liefde Gods ook de wereld van de Sociaal Democratie binnen. Met het woord: „Ik verklaar mij solidair met het verlangen naar een nieuwen tijd, niet met de partij." In een schrijven aan zijn vrienden, waaruit wij enkele zinnen citeerden, heeft hij de motieven van zijn daad op klassieke en aangrijpende wijze toegelicht. Groot was de verwondering van velen. Niet minder groot en fel de verontwaardiging over en de veroordeeling van Blumhardt's optreden. Men vond hem een dwaas, een dweper, een renegaat, een Christusverloochenaar. Blumhardt antwoordde: „Wanneer wij nu geheel aan de kant van de zondaren gaan staan, wordt het een strijd op leven en dood. Men heeft mij een „Christus-dweper" genoemd, ik wil inderdaad Christus geweldig prediken, zoodat de ooren u zullen tuiten en de wereld begint te schreeuwen van ontzetting en de menschen razend worden, omdat Christus alle vromen bij den duivel indeelt en de goddeloozen in het hemelrijk brengt. Tot dezen strijd moet het komen. Daarom wil ik tot alle menschen zeggen: ik ga weg uit uw deugdzame en vrome wereld. Gij vindt dat vreeselijk. Maar op deze wijze moet Christus verkondigd worden. Wat in mij van Christus leeft, wat ik in dit leven van een Godsrijk en zijn gerechtigheid op aarde geloof, wordt tot uitdrukking gebracht in mijn overgang tot de groote, om haar bestaan strijdende arbeidersklasse. In het strijden van de socialisten zie ik iets van Christus, want ook Christus wil een menschheid in welke gerechtigheid en waarheid, liefde en leven alles doordringen. In den geest van Christus maak ik mij één met dit streven. Vreest niet. Gelooft veeleer, dat de tegenwoordige tijd geroepen wordt, om het Godsrijk nader te brengen." Blumhardt werd lid van de partij en korten tijd daarna werd hij gekozen tot lid van de Wurtemberger landdag, waarin hij zes jaar zitting heeft gehad. Met hart en ziel heeft bij onder en voor de socialisten gearbeid. Niet als een oppervlakkig optimist is hij tot hen gegaan, verwachtende bij hen te zullen vinden, wat hij in de kerk vergeefs gezocht had. Integendeel. Het was ook geen willekeurige daad, maar eenvoudig gehoorzaamheid aan God, die hem een woord voor ons geslacht had gegeven. Ook Blumhardt's toetreden tot de Sociaal Democratische Partij, zegt Lejeune, behoorde tot zijn totale prediking: Gij menschen zijt Van God! Blumhardt's keuze voor het socialisme was een prediking van de liefde Gods tot de wereld met een daad, daarom ook niet afhankelijk van succes of mislukking. Blumhardt trad niet toe met een politiek program, maar met de prediking van Jezus Christus. Daarom was zoowel het feit belangrijk dat Blumhardt socialist werd als dat andere feit, dat Blumhardt socialist werd. Deze man, die alleen voor Christus leefde, maakte zich van de christenheid los en gaat als een voorpost tot de goddeloozen en predikt zoo op aangrijpende wijze de genade van God, die goddeloozen tot kinderen aanneemt. Vanuit zijn verwachting van het Koninkrijk Gods is Blumhardt socialist geworden. Hij zag hoe in het werk der socialisten de beloften van God zich vervulden. Zij moeten — dit woord is niet van Kutter, maar van Blumhardt afkomstig — ja zij moeten, ook al gelooven zij niet aan Christus, zij moeten Zijn wil doen! Hij zag, hoe het socialisme tegen de macht van het bestaande, de geldmachten en de wereldmachten den strijd aanbond en hij aanvaardde dezen strijd als een getuigenis tegen de ongerechtigheid en voor de gerechtigheid. Hij wilde van het woord tot de daad komen, van het preeken tot het werken, want alleen door de daad heeft het woord beteekenis en het preeken kan alleen als emst worden gewaardeerd, wanneer het niet bij preeken blijft, maar tot werken komt. Zooals vanzelf spreekt, ging Blumhardt's verwachting ver uit boven de realiseering van sociale gerechtigheid. Hij ging uit de kerk tot de Sociaal-Democratische Partij, omdat hij ook de laatste in zijn verwachting wilde opnemen. Hij wilde toonen: mijn verwachting strekt zich wijd uit en is door en door ernstig! Daarom ging hij tot de partij der verdrukten en armen en zeide tot hen: Ik kom tot u, omdat mijn verwachting zoo groot is, dat zij allen omvatten en zoo ernstig, dat zij bij u beginnen wil. sz-rv geving. Zij moeten er nu eindelijk eens ernst mee maken: Jezus de vriend van tollenaren en zondaren. Dat beteekent een aanklacht tegen de verburgerlijkte kerk, een getuigenis tegen alle menschelijke ongerechtigheid en voor de goddelijke gerechtigheid. God is een God van recht en waarheid, geen maatschappij-God, geen gewoonte-God, geen kerk-God." Het socialisme heeft Christus niet gezien, wel het geweldige van den nood. Het Christendom heeft van den nood niets gezien. De kerk was meer kerk dan Koninkrijk Gods. De kerk is in het sociale leven niet geweest getuige van Jezus Christus en van de verlossing, die in Jezus Christus is. Daarom had Blumhardt gelijk toen hij door zijn toetreden tot de Sociaal-Democratische Partij getuigde, dat God ons in het socialisme iets te zeggen heeft. Deze daad van Blumhardt was een demonstratie ter eere Gods. Thumeysen zegt terecht: demonstratie is gevaarlijk, maar toch noodzakelijk. Het is nog veel gevaarlijker niet te demonstreeren en toeschouwer te blijvenl Blumhardt heeft een moeilijken en zwaren tijd doorgemaakt na zijn overgang tot het socialisme. Bad Boll liep leeg en kwam in financiëele moeilijkheden. Trouwe vrienden lieten hem los. Anderen schudden bedenkelijk het hoofd. De kerkelijke besturen eischten, dat Blumhardt zijn ambt als dominé van de Wurtembergsche landskerk zou neerleggen. Blumhardt heeft aan deze eisch voldaan. Hij vond het pijnlijk, maar voelde het toch als een verlichting, van alle kerkelijke plichten bevrijd te zijn, daar hij voor zijn werk volstrekte vrijheid noodig had, een vrijheid, die een dienaar der kerk niet heeft, daar de kerk niet alleen aan Christus' geboden maar ook aan haar politieke relaties gebonden is. De kerk gaf Blumhardt gedaan. De socialisten riepen hem het welkom toe. In ontelbare vergaderingen in het geheele land heeft Blumhardt in deze jaren gesproken. De harten van tollenaren en zondaren ontsloten zich voor hem en zijn boodschap. Aan de armen werd het evangelie verkondigd. Duizenden, die aan kerk en christendom sinds lang den rug hadden toegekeerd en welhaast atheïst waren geworden, luisterden naar Blumhardt met eerbied en geestdrift, omdat hun hier de Christus verkondigd werd, die Zijn Rijk doet komen en strijd voert tegen de oude wereld van ellende en nood. Aan zijn graf getuigde een partijgenoot: het waren feestdagen voor ons, wanneer hij in ons midden wasl Het Is goed, dat men hope en stil zij op het heil des Heerenl Tenslotte is Blumhardt uit het drukke leven door God in de stilte geroepen. Onder de zielszorg en den strijd voor het socialisme brak zijn kracht. Toen kwam nog weer een nieuw inzicht. Hij erkende, dat op den weg van het menschelijk pogen niets te bereiken valt en kwam terug van zijn vereenzelviging van het socialisme met de komst van het Koninkrijk. Hij trekt zich uit de socialistische beweging meer en meer terug, al blijft hij tot aan het einde van zijn leven lid van de partij, maar wat belangrijker is: in zijn prediking komt het socialisme geheel op den achtergrond. Hij spreekt nog maar hoogst zelden over het socialisme en doet hij het een enkele maal, dan toch heel anders dan voorheen. Zelfs zegt hij: Het kan noodig zijn alles op te geven en los te laten, om Christus te winnen. Ook het socialisme behoort tot de wereld, die vergaat en brengt niet de gemeenschap der menschen, zooals zij eenmaal door den Geest van God komt. Menschen kunnen de nieuwe levensvormen van het Godsrijk niet scheppen. Dat kan alleen God. Het socialisme wordt nu enkel een heenwijzing naar het komende Godsrijk. Bovendien kwam hij al meer tot de ontdekking, dat het socialisme van de feitelijke socialistische beweging weinig overeenkwam met het socialisme, dat hij achter de beweging vermoed had. Zooals hij de overwinning van Christus' zaak niet verwachtte als resultaat van den arbeid der bestaande kerken, zoo kon hij op den duur al evenmin de overwinning van het door God gewilde socialisme — een nieuwe wereld, waarin gerechtigheid woont — verwachten als resultaat van het werk der socialistische beweging. Door allerlei teleurstellingen heen begint hij zijn hoop en verwachting al meer en uitsluitend op God te stellen. Zooals Blumhardt jaren terug zijn arbeid niet wilde laten opgaan in de genezing van zieken, zoo wilde hij zich ook nu niet vastleggen op het socialisme, al bleef dit voor hem een heenwijzing naar het komende heil. De diepste zin van zijn leven en werken, de diepste zin ook van zijn genezing van zieken en zijn strijden voor het socialisme, werd nu, los van zulke door God gewilde belichamingen, openbaar: zijn geloof aan het komende Koninkrijk. Zoo ging Blumhardt aan het einde van zijn veelbewogen leven in de heilige stilte, waarin hij op Gods daden wachten moest. Zijn taak door God hem opgelegd was nu: dragen, wachten, bidden. Dit beteekent geen dadenlooze gelatenheid, maar eschatologische spanning. Nog weer weid het geluid van een nieuwe Godsbazuin gehooid: hopen en stil zijn op het heil des Heeienl Blumhardt's paiool weid nu: Ei woidt geregeerd! Jezus Christus komt. Zoo weet Blumhardt zich aan het einde van zijn leven tot deurwachter geroepen. „Ik ben een deurwachter, anders niets." Hij ziet zijn taak eenvoudig hierin, dat hij bij de deui staat en op den Heei wacht en het altijd opnieuw tot de menschen zegt: Hij komtl In deze houding van wachten en uitzien is Blumhaidt blijven volharden, toen in den wereldoorlog alle menschelijke verwachtingen stuk braken. De openbaring van het antigoddelijke en satanische in den oorlog bracht hem niet in de war. Blumhardt verwachtte de openbaring van Christus. In verband daarmede echter ook de openbaring van den mensch der zonde, 't Kwam er z.i. dan ook op aan, de stem van God in en achter het wereldgebeuren te verstaan, Gods stem: bekeert ul Het Koninkrijk van God komt dwars door het oordeel van den oorlog heen. Jezus'blijft de Heer. Alles loopt uit op Zijn overwinning. De oorlog zal er uiteindelijk toe medewerken, dat Jezus als Overwinnaar openbaar wordt. God geeft de geschiedenis niet uit handen. De verschrikking van den oorlog heeft hem zeer aangegrepen. Nachten lang lag hij wakker bij de gedachte aan de duizenden, die moesten lijden en sterven. Toch wist hij zeker, dat ook de oorlog opgenomen was in het plan van God. De menschen waren voor den oorlog verantwoordelijk, maar daarachter werkte Gods hand. De oorlogstijd was hem een tijd van waanzin en goddeloosheid: „Oorlogen zijn niet naar den wil van Christus", doch tegelijkertijd een heilige tijd: een tijd van God. Blumhardt's levenseinde was een voortdurend gebed: Heere God, vernieuw de wereld, vernieuw ons allen! Tot God zei hij: Gij alleen kunt helpen, niemand andersl Tot de menschen: Bidt en u zal gegeven wordenl Ging hij voor in gebed, dan bad hij bijna altijd de drie eerste beden van het Onze Vader: Uw naam, Uw wil, Uw koninkrijk! Zoo bleef zijn leven strijd tot het einde toe. Blumhardt leed er onder, dat hij niet meer werken kon. Hij rustte, omdat God het noodig vond, maar hij kon in het rusten toch onmogelijk de eigenlijke houding van Jezus' discipelen zien. Daarom heeft Ragaz gelijk, wanneer hij zegt, dat wij om den milden en vriendelijken grijsaard den hartstochtelijken en radicalen strijder niet mogen vergeten. Blumhardt stierf in Augustus 1919. Aan zijn graf werd de zesenveertigste psalm gelezen. Op zijn graf staan deze woorden van zijn vader: Dasz Jesus siegt bleibt ewig ausgemacht. Sein wild die ganze Weltl Uitzicht en Taak. Dit opschrift draagt het laatste hoofdstuk van het Blumhardtboek, dat Ragaz schreef onder den veelzeggenden titel: „De strijd om het Rijk Gods in het leven van Blumhardt, Vader en Zoon — en verder." Wij leerden het werk van de beide Blumhardt's kennen. Het moet worden voortgezet. Dit beteekent niet, dat er moet komen een Blumhardt-vereering, een Blumhardt-kring, een Blumhardt-theologie. Blumhardt zegt ergens: Er moet geen Bad-Boll-Christendom komen. God beware ons daarvoorl Een Blumhardt-cultus is een innerlijke tegenstrijdigheid. De Blumhardts zijn niets en alle menschen zijn niets. Jezus Christus is alles. Het werk van de Blumhardts als het werk van de Blumhardts was tijdelijk en vergankelijk. Het is voorbij gegaan. Het werk van de Blumhardts als het werk van God is eeuwig en blijvend. Het kan niet sterven. Het wordt in altijd nieuwe vormen voortgezet. Deze voortzetting is de verhooring van hun beider gebed, dat steeds meerderen gegrepen zouden worden door de waarheid, door welke zij zelf gegrepen waren. Lang zijn de beide Blumhardts door de christelijke wereld opzettelijk en onopzettelijk ter zijde gesteld. Maar Kutter heeft gelijk: Nu is dat niet meer mogelijk. Te waar, te noodig is hun getuigenis geworden. Wat zij zelf in alle stilte, maar ook vol profetische kracht verkondigd hebben: God zelf in Jezus Christus, niet een religie, niet een christendom zonder Christus en zonder God — dat is Voor kerk en wereld in onze dagen de eenige hulp, het eenige noodwendige, datgene wat den nood kan en ook inderdaad zal wenden. En Lejeune zegt: Het oogenblik is gekomen, dat de boodschap die de beide Blumhardts in den kleinen kring van Bad Boll verkondigd hebben, in de wereld doordringen moet. Het was immers altijd de wereld, de arme, van de waarheid afgedwaalde wereld, die zij omringden met hun geloof, hun hoop en hun liefde. Ja, het getuigenis van de Blumhardts moet worden doorgegeven. Hun werk moet worden voortgezet. Door wie? Door ons allenl De strijd om het Godsrijk in het leven van Blumhardt, Vader en Zoon.. en verder. Zijn wij bereid? Willen wij ons geven? Zion hongert naar menschen, geen halfheden, geen imitaties, maar echte menschen. Misschien zijn wij naar onze gezindheid reeds zoo'n mensch. Dan moeten wij wachten, totdat wij het ook metterdaad zijn, anders spant God ons niet voor Zijn wagen. Eén voor den wagen spannen, die hem doet stilstaan, is erger dan niemand inspannen. Daarom spant God menigmaal vele jaren lang niet in. Maar spant God eenmaal in, dan rijzen de haren ons ten berge. Dan moeten wij ons alles laten welgevallen, van onze liefste gedachten loskomen en een vrij hart voor God hebben. Niet beven en niet bang zijn. Gaat het door vuur en water. God is onze Koning. Ja, het is de tijd, dat Zion menschen noodig heeft, maar Zion neemt niemand aan, die niet volkomen betrouwbaar is. Slechts zij worden tot mede-arbeiders van God geroepen, die zich willen geven en desnoods willen sterven, die de wereld liefhebben en haar zien in het licht van Gods belofte: Jezus is Overwinnaar] Wij staan ten laatsten kamp gereed, een strijd van dood en levenl Houdt daarin moedig stand en weet: God zal u nooit begeven. De oude wereld stort temeer, maai op haar puin gaat Christus weez zijn nieuwe Rijk herbouwen. Bazuingeschal verkondigt blij: — 't wordt overal vernomen — reeds komt de Heiland naderbij, Zijn Rijk zal weldra komen. O sluit nog eens u vast aaneen, sterk naast elkaar en met Hem één: zóó zult gij overwinnen! Christoph Blumhardt. 3 0000 00907 5346 MET EEN BOEKSKE IN EEN HOEKSKE O c z I— 00 m i— r— O Z > z O m i— i— O UITGAVE EN DRUK VAN BOSCH & KEUNING TE BAARN • LIBELLEN-SERIE Nr. 92 Nog eenmaal, Blumhardt — ook al heeft hij een tijdlang het socialisme overschat, doordat hij in het socialisme een komen van het Godsrijk zag en dus veel meer dan een heenwijzing naar het komende Godsrijk —> idealiseerde de socialisten niet. Hij wist wat hij in hun kring zou vinden. Maar hij ging deze wereld binnen met den geest der vergeving. Hij kon zelfs het atheïsme van vele socialisten begrijpen. Door vertwijfeling waren zij gekomen tot ongeloof. Daar was een groote duisternis over de volken, ook over de christenheid, zoodat velen niets meer van God zagen en dachten, dat er geen God was. Een dominé schreef Blumhardt een bezorgden brief en vroeg hem, of hij nu werkelijk meende, de socialisten in den geest van Christus te zullen opvoeden. Blumhardt antwoordde met een wedervraag: Is het de dominé's gelukt, de bourgeoisie in den geest van Christus op te voeden? Vader Blumhardt had het Christoph altijd voorgehouden: Let vooral op hen, die door anderen veroordeeld en verdoemd wordenl Daarom lette Christoph vooral op de groote massa der proletariërs. In hun zoeken zag hij een teeken van den Menschenzoon. De goddelooze socialisten, die gelooven in den nieuwen tijd, zijn minder goddeloos dan de vele vromen, die zeggen: wij kunnen deze wereld toch niet veranderen. In zijn schrijven aan zijn vrienden zegt hij: „Een discipel van Christus kan zich heel goed verbinden met de Sociaal-Democraten, ja nog veel beter dan met andere partijen. Waar nationale eerzucht, verheerlijking van de door oorlog en bloedvergieten gewonnen eer, bestrijding van religieuze overtuigingen in het belang van een confessie en eenzijdige sociale belangen programmatisch als het allervoornaamste gelden, ten nadeele van andere menschen, kortom waar meer of minder het egoïsme of kapitalisme de drijfveer van het handelen moet zijn, daar kan ik veel minder in den geest van Christus meedoen, dan daar waar in het belang van vermoeiden en beladenen, onterfden en onderdrukten, een andere maatschappijinrichting gezocht wordt. Waar oorlog en bloedvergieten, waar volkerenhaat en klassenheerschappij bestreden worden, wat kan mij verhinderen als echt discipel van Christus aan dien strijd deel te nemen?" ,Het diepste streven der arbeiders is naar Gods wil een protest tegen de ongerechtigheid van het maatschappelijk leven, dat ook door de officieele Christenheid gesanctioneerd wordt. De kerkelijken en vromen moeten ophouden met hun spelen met het woord der goddelijke ver-