BIOGRAPHISCH WOORDENBOEK DER NEDERLANDEN. TWEEDE DEEL.   BIOGRAPHISCH WOORDENBOEK DER . NEDERLANDEN, Bevattende de Levtnsbefchrijvingen van voorname STAATSMANNEN, KRTGSHELDEN, GELEERDEN in allerleije vakken vanWetenfchappen, DIGTERS, SCHILDERS en andera KONSTENAREN: en verder, Zodanige Perfonen, die door de ene of andere daad, zig beroemd, of aan den Vaderlande veréenftelijk hebben gemaakt; veelal verzeld van hunne Karakterfclietzen, zeldzame Anekdoten die men tlders te vergeefs zal nafporen , onpartijdige beoirdeling hunner Daden, optelling hunner Schriften, en aanwijzing der Schrijvers wette van hun gehandeld hebben. Opgemaakt, Uit Handfchriften, een groot aantal van de beste Schrijvers in verfcheidene Talen over die onderwerpen handelende, en medegedeelde Berigten. VAN DE OUDSTE TIJDEN AF TOT HEDEN TOE, door J. A. de CHALMOT. Met Pourtraitten. TWEEDE DEE L. ^^^^ te AMSTERDA M^yffi ^ JOHANNES AL W^^pP   BIOGRAPHISCH WOORDENBO EK DER NEDERLANDEN, TWEEDE DEEL. % BaACX (JOACHIM) , een Rooms Priester, geboren té Utrecla den 10 augustus 1548, uit een aanzienlijk geflagt, zijnde zijn vader Johan Baacx, Secretaris van de Staten van Utrecht geweest. Hij was een ijveraar in het voortplant«i van den Roomfen godsdienst, en heeft zijne geloofsgenoten, zo wel door zijne predikatiën als uitgegeven fchriften grotelijks geftigt; om derzelver zonderlingheid, zullen wij van enigen de tijtels opnoemen: be Coïft of 3lbbOHaat ban alle op* regtc Catbolnncn. 1610. «£>e toaarom bet fetoaöe (Catholpen. 1614. ban ban alle ïicttcrê $c. 1616. befem btr con* fcitntie ost bedankte; waar op de Keurvorst hem om een van zijn beste leerlingen verzogt, waar toe hij zijnen neef Jan van Sweel uitkoos, zijnde deze verre in de konst gevorderd, en de behandeling van zijnen oom zeer nabij komende; deze beraadde zig niet lang om dien post te aanvaarden, en verkreeg jaarlijks sooq guldens, vrije tafel en een paard tot zijnen dienst op ftal. Jan de Baan heeft in zijn tijd door de konstoeffening veel geld gewonnen, doch hij teerde daar van ook rijkelijk, en al die hem kwamen bezoeken, wierden met ene gulle gastvrij.heid ontvangen : ten nieuwen hoed, was zijn gewone zeggen, en een oxhoofd-tvijn op een jaar meer, daar maak ik veel geede vrienden ■mede; dit was ook letterlijk waar, want a'ijne vrien.delijkhe.id lok-  BAAN. (JAKGB dé) j lokten 'ér velen aan, doch het waren meest panlikkers of cafelbezems waar onder zig de Landfchapfchilder Bi Afpelman tevondt, die inzonderheid gewóón was weken lang 'aan een eb zijne weiden te grazen; veeg hier bij, dat hij zes kinderen hadt, die hem niet weinig kostten; en daar bij nog drie van zijne zusters, en vijf van zijn vrouwen zusters onderhield; zo dat het niet vreemd moet voorkomen, dat Jan de Baan uit deze wereld flappende, geen gróte fchatten naliet; hij ftierf in 1702, twee jaren latér als zijn zóón Jakób, wiens jeugdig overlijden hij tot zijn laatfte ogenblik, met groot hartenleed betreurde. A. Houbraken, Schouwburg det Net> Konst* fchilders, IL D. bl. 303 enz, BAAN (JAK'ÖB de) , Konstfchilder, zoon van dell boven* ftaanden, is geboren in 's Hage in i673- Van der jeugd af aan ftraalde de konstliefde reeds in hem door, ze dat hij ook het onderwijs van zijn' eigen vader met zulk een gewenst ge-' volg genoot, dat hij nog geen 18 jaren bereikt hebbende, al een meesterlijk pourtrait konde fchilderen. Op zijn 2ófte jaar beiloot hij, zijn konstfortuin aan vreemde Hovön te gaan zoc ken, waar toe hem zijn vaders alomverfpreide roem ten leUsirian ftrekte, en hem gelegenheid verfchafte, oh! onder het gevolg tan Willem den III, naar Engeland óver te Heken} komende onder diens hoffleep te Londen, daar hij door het fchilderen van een groot aantal pourtraitten veel roem verwierf, en den grondflag van zijn fortuin fcheen te vestigen; dan de wufte jeugd en driftige reislust deden onzen Schilder dien fchonen kans verwaarlozen, want na dat hij een welgevulde goudbeurs hadt overgewonnen; hunkerde zijn hart, om Rome met alle deszelvs zo oude als nieuwe konstftukken, te gaan zien; Hij' nam zijn reis door Frankrijk, trók het Alpjs gebergte over; en rustte niet voor dat hij Florence bereikt hadt; hier wierdt hij door den Gröót-Hejtog gunftig ontvangen , en vondt Hof om zijn aangeborene zugt tot het historiefchilderen te oe-ftenen, aan een groot Werk in frisco, dat d« ÏMfchüder des Groct-Hertogs onder handen hadtj eri 't welk A 3  •f. «AAN. CJAKOB drj hij tot genoegen ten uitvoer bragt; voorts tot blijk van zijnd verdere-bekwaamheid, nog enige pourtraitten gefchilderd hebbende, trok hij op naai' Rome, niettegenflaande hem die vorst flerk aanzogt, om op voordelige voorwaarden in zijnen dienst te blijven. In die wereldberoemde Had komende, wierdt hij van het Bentgenootfchap, daar zig veifcheïdene Nederlanders onder bevonden, gulhartig ontvangen, en op zijn Hatelijke inwijding met den naam Gladiator vei eert , zinfpelende op zijne kloeke en wakkere geftalte en moed, doordien hij niet befchroomd was, indien de nood aan den man kwam, een krabbelvuisje te wagen. Hier was het nu dat hij enige jaren fleet anet fchilderen van historiën, moderne gezelfchappen en pourtraitten; dan hoe bekwaam hij ook ten aanzien van dit alles was, won hij egter zo veel geld niet als hij wel gedagt hadt, en ook nodig was om de levenswijze der meeste Bentvogels,, daar hij mede ook al deerlijk aan verflaaft was, gced te kunnen maken. Dus het ene jaar voor het andere na in dit llordig gedrag volhardende, was hij niet bedagt om een beurs bijeen te fpaien, ingevalle hij eens naai- zijn vaderland wilde te rug keren; en dit veroirzaaktc ook, dat hij geen gebruik konde maken van het gezelfchap vau Matheus Terwesten, zijn konst- en ftadgenoot, die ziende hoe de leeftrant der Bentvogels vele daar van in het verderf fieepte, de \'erflantfigfle partij koos, en na een jaar toevens te Rome, die Had en gants Italië vaarwel zeide, en zijn geboorteflad tot zijn woonplaats verkoos. De Baan die van begeerte brandde om mede te gaan* moest deze gelegenheid om mangel van geld laten voorbijfiippen, en een' gunfliger afwagten, die, hem ook, in 't volgende jaar te beurt viel, doordien hij als toen, met den hoffleep van een Duits Prins, naar Wenen vertrok, en dus de flaaffe kluisters van de Bentvogels ontwortelde, doch om te Wenen zijn graf te vinden, op een tijd dat hij het hoekje fcheen te boven gezeild te zijn. In deze Had gekomen, deed hem de naam zijn's vaders hier geen minder dienst dan elders waar die bekend - was, en hij kreeg gelegenheid om aan 't Keizerlijke Hof door het fchilderen van enige pourtraitten,  bAAnst. I ten, zijne kunstgaven te tonen en veel roem te behalen; dan te midden dezer bezigheden, wierdt hij van ene ziekte overvallen, die hem zo onbefuist en vinnig aangreep5 dat hij'er ■wel dra onder bezweek, fen in april 1:700 na Éen kortftondig verblijf të Wenen, in den weinig gevorderden ouderdom Van 27 jaren overleed. Met roem wordt van zijne konstverdienften gefproken, en dat hij zijnén vader niet alleen rustig na« ftreefde in het keurig fchilderen van pourtraitten; maar hem ^n het algemene fchilderen, ver vooruit zóu gêlopen zijn, indien zijn levensdraad niet zo ontijdig was afgefneden. » J. v. Goolj Nieuwe Schouwburg der Schilders. II. Di bl.466 enz, BAANST*, is de naam van een aloud adel ijk geflagt, oirfprongelijk in Flaanderen te huis horende, waar aan het grootfte gedeelte van het land van Cadzant in vroegere dagen heeft toebehoord; en reeds voor het jaar 1300 bekend was. SmalIegange in zijn Kronijk van Zeeland, is niet zonder grond op de gedagtén gevallen, dat de Heren van Baanst voor een tak van den huize van Borsselen moeten gehouden worden. Rrrzardt van Baanst , werdt in de XlIIde feeuwe, te Oost-Souburg geboren; hij huwde aan ene dogter uit het geflagt van Rengers ; en dezen Ritzardt houdt men voor den ftamvader der Baansten. Uit dit huwelijk wierdt in 1307 of daaromtrent verwekt een zoon 4 die Jan van Baanst1 Werdt genaamd, en die ene dogtër teélde, welke hij zeer jeugdig ter vrouwe gaf aan Gm de Beveren van Ninoven, in Flaanderen. Bij de huwelijksvoorwaarden verbond Jan zig met eede, niet weder të zullen hertrouwen, doch wel ras hadt hij hier van berouw, hij kogt zijne dogter af die hem van zijne belofw ontfloëg, en den ouden Heer hertrouwde in zijn 7ofte jaar met Eusabeth, dogter van Here Jan van Barnichem binnen Brugge; bij dit wijfje, dat toen zij huwde nauwlijks 20 jaren oud Was, teelde hij nog 10 kinderen, waar van alle de overige Heren van Baanst zijn afgedaald. De Heer W- te WaTfcRj maakt melding van den Ridder Gui in 1468, alsRentmees, ter van Zeeland, en op 1484 ™emt hij'« een, (waarfchijnlijk A * d5n  & BAARLAND. BAARLAND. (ADRIAAN van) den zelvden,) als een der Kommisfarisfen en Revifeurs der Keuren van Zeeland. Shmjusoutge, Kronijkvan Zeeland, W. 336"- BAARLAND, is de naam Van een beroemd adelijk geflagt, dat veel voorname Mannen zo in geleerdheid als dapperheid uitmuntende, heeft voortgebragt. Heer Hugo van Baarland leefde ten tijde van Graav Floris den V, tegen wien hij zig nevens anderen verbond, om den aanflag door Jan van Kuik geflneed, ten uitvoer té helpen brengen; dan dit bekwam hem euvel, doordien hij ook een deelgenoot werdt van hun, die om den gepleegden moord aan den Grave, te Dordrecht of daar-, omtrent, hunne ftraffen ontvingen. In het jaar 1500 leefde Fredrik van Baarland,- wiens zoon was Mattheus, gehuwd met N. Bollardt, uit een' Brabandfe familie, waar bij hij naliet Jan van Baarland die ter vrouwe nam N. Oostdyk , bij welke hij verwekte Michiel,die Bailjuw van Goes is geweest. Deze Michiel nu trouwde aan Jacoba van Banchem , die hem enen zoon ter wereld bragt, dien hij Jan noemde, en hem in de waardigheid van Baljuw is opgevolgd. Jan huwde met Kornelia Kien, en liet na Michiel, welken men als Secretaris der ftad Goes geboekt vindt, en zonder kinderen ftierf. — Melis Stoke, V. Boek, vs. 467-469. Smallegange, Kronijk van Zeeland, fol. 792. BAARLAND (ADRIAAN van), dus genaamd na de plaats van zijne geboorte-, een dorp in Zeeland op het eiland ZuidIseveland gelegen. Deze vermaarde man kwam in 1488 ter wereld, leide de eerde gronden zijner letteroeffeningen te Cend, onder Petrus Scotus, en naderhand heelt hij te Leuven zijne ftudien voortgezet. Inzonderheid zig| op de wijsbegeerte toegelegd hebbende, wierdt hij met'de waardig, heid van Meester in de vrije koniten befchonken, en leraarde vervolgens in de jaren 1518-1520 de latijnfe taal in het kollc*. gie van Busleiden. In het laatstgemelde jaar vertrok hij naar, Engeland, en van daar te rug gekeerd zijnde, wierdt hij i» pfeats van Joiiannes Paludanus tot Hoogler aar in de redehm- de  BAARLAND. (IIUBERT van) (MICIIIËL) 9 •de of welfprekentheid aangesteld, in welke wetenfchap lij een goed aantal voorname Jeerlingen heeft aangekweekt en bekwaam gemaakt; en na deze post met alle vlijt en ijver tot op zijnen dood toe te hebben uitgeoeffend, overleed hij in 1542. Erasmus getuigt van hem, dat hij een man was voor alle wetenfehappen. vatbaar; voorts, een beminnaar der zuivere latijnfe taal, die hij vaardig, ook net fchreef en fprak, waar van zijne fchriften tot volledige getuigen verftiekken, die men alle bij la Rue opgeteld vindt, en waar van wij alleen de tijtels der Historife zullen opgeven: Chnnologia brevis ac Hijïoria ab orbe eondito ad annum 1532- De literatis urbh Rmnce principibus. Be Ducibus Venetis. De Comüibus Hollandice. De Episcopis Ultra]eÜinis. Chror.icen Ducum Brabantis. De rebus gestis Ducum Brabanthe. De urbibus inferioris Germanice. Deze werkjes zijn meest alle afzonderlijk op verfcheidene plaatzen gedrukt, gedeeltelijk ook met aantekeningen en platen verficrt, doch naderhand in een lighaam vergaderd door Bernardus Gualterus in 1603 in 8vo. uitgegeven. — • Val. Andr. , Biblioth. Belg. F. Sweertii , Jthen. Belgiea p> 93. J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 10. C. Saxi, Onom. litur. Pars III. p. 106. Jmleiï. p. 596- Crenii, Anhnadv. PJiüd. Part. VII. p. 197. P- de la Rue, Geletterd Zeeland, bl. 260. BAARLAND (HUBERT van), Geneesmeester te Namen, leefde omtrent het jaar 1530, en.verkeerde in enen gemeenzamen omgang met den groten Erasmus te Bazel, ingevolge wiens getuigenis, hij een ervaren en geleerd Artz was, en teffens een man van zeer voorbeeldige zeden, en aangename verkering. Hij heeft verfcheidene verhandelingen over geneeskundige onderwerpen in 't latijn gefchreven. —— Erasmi, Epifi. Lib. II. Epift. 401. Foppens, Bibl. Belg. p. 435- Ro» kema, Naamrol der Genees- en Heelmeesters, bi. 55. BAARLAND (MICHIEL van) , een vermaard Regtsge; loerde, was de zoon van Jan van Baarland en Korselia Kien, en gelijk wij boven reeds gezegd hebben, Secretarisder ftad Gqss. Dat deze geen onbevallig Di^tei: is ?eweeit, A 5 WM  Jö baarland: baarsdorp; baart. blijkt uit de verzameling zijner uitgegevene Mengeldigtesi gedrukt te Dordrecht 1058, in 8vo. < Smallegange' Kronijk van Zeeland, fol. 702. BAARLAND (SlMÖN Van), te Goes gèbóren, was een jongeling van grote verwagting, doch wiens levensdraad in 't prilfte van zijne jeugd wierdt afgefneden, ten tijd dat hij met veel ijver zijne letteroefeningen aan Leijdens HpgefchooJ vervorderde. Albertus Eüfrenus heeft een lofdigt op hem vervaardigd, waar in hij van hem niet alleen als een zeer deugdzaam, maar teffens als een allerkundigst jongeling ge. Waagt. —_ P. de la Rue, Geletterd Zeeland, hl 321, BAARLE (KASPAR van), zie BARLEUS. BAARSDORP (KÖRNELIS van), Genees- en Kamerheer Van Keizer Karel den V, een Goefenaar van geboorte, is een zeer bekwaam Man gfiweèst, die een uitvoerig werk over d. Geneeskunde heeft gefchreven , in iS38 gedrukt, onder den tijtel van ; Methodus univerjce artis Medice. Hij overleed tè Brugge in 15Ó5 j. F. Foppens, Biblioth. Belg. pag. 193. BAARSDORP (MARINUS), zoon van KorneIis, geboren te Bzezelingen, alwaar 'hij naderhand Pastoor wierdt, Hij was een godvrugtig en liefdadig mensen, en vermaakte in 1625- alle zijne goederen aan het gasthuis aldaar. Oudheden van Zeeland, II. D, bi. 135, BAART (ARnOlD), Raadsheer in 't Hof te McMeh, is geboren tsBrusfel, en heeft den roem verworven van een groot Regtsgeleerde geweest te zijn; daar bij met zulk een fchcrp geheugen begaafd, dat hij de Pandekten en meest alle andere wetten uit het Corpus Juris, na elkander konde opzeggen. Van de pleitzaal werdt hij geroepen tot Hoogleraar in de regten op de Akademie te Douai, en van daar tot Raadsheer in het Hof te Mechelen. Hij heeft verfcheidene regtsgeleerde verhandelingen in 't latijn uitgegeven, die te famen in 1572-1582 te Keulen zijn gedrukt Val. Andr. , Bibl. Belg. BAART (PIETER), JQoktor in de Geneeskunde, een Friet van  BABÜER. (TI1E0DO0R) EACCiüS. (MART.) van geboorte, was teffens een geestig en grappig Digter, zo wei in de latijnfe als nederduitfe taal; inzonderheid muntte hij uit in het oud boere friesch, zo als men kan zien in zijn jfricöcFj S3oerep?aatje/ waar in hij Virgixius, in de platheid van die taal gevolgd heeft, doch tevens zo geestig, dat al het natuurlijke van het origineel 'er in doorftraalt, en even als de Virgile travesti van den boertigen Scarron, voor een meesterftuk in zijn foort moet gehouden worden. Nog heeft hij in druk uitgegeven de jfrieéfcfte Criton op het veroveren van de Had Olinda in Femambuk, in fol. 1630, en «Deiirjuenfpooi in tic onöeilfiöcn bcjcr 3©trcl& afgebcelb/ te Leeuwarden in Ï2°. en in 8va. gedrukt, en met geestige prentjes verfiert. BABUER (THEODOOR) , Konstfchilder , een Hollander van geboorte; fchilderde vorlteüjke paleizen, en galerijen in perfpectief; inzonderheid ook gezigten van tempels en kerken inwendig te zien, met alle derzelver ornamenten, balkons, verheven koren , altaren, predikftoelen , en wat inwendig aan en tot dat werk behoort. ■■ A. Houeraken, Schouwb. der Schild. L D. bl. 121. BACCARELLI, zie BAKKEREEL. BACCIUS (MARTINUS) , Aartspriester, geboortig va* Tiel in Flaanderen, werdt in 1564 te Leuven tot Meester in de vrije konften bevorderd; vervolgens tot Pastoor in de kerk van St. Martini te Aalst aangefteld, welke herderlijke post, hij met veel ijver en ftigting gedurende 16 jaren, waargenomen hebbende, in 1583 als Kanunnik in de Hoofdkerk te Jperen wierdt geplaatst, daar hij trapswijze verfcheidene kerkelijke waardigheden hebbende doorgelopen, eindelijk in i6or, tot Aartspriester werdt verheven. Hij ftierf den 25 februarij 1609, en heeft den roem nagelaten van een geleerd man geweest te zijn, zeer ervaren in de hebreuwfe en griekfe talen; ook zijn 'er van hem een bundel predikatiën in het latijn gedrukt, die van 's mans gezond oirdeel en geleerdheid getuige-' ■lis dragen. —— j. F. Foppens, Ml. Belg. pag. 849.  H BACHERIUS. (ANDREAS ELJCIUS) BACHERIUS (ANDREAS ELIGIUS), Profesfor in dtf Regtsgeleerdhèid, is omtrent het Jaar 15-20 geboren te Popperingen in flaanderen, alwaar bij als Advokaat heeft gèpraktifeerd; zijnde vervolgens tot Hoogleraar in Se regten te Bourges in Frankrijk beroepen, in welke bediening hij is verbleven tót aan zijnèn dood toe, die in het jaar 1562 voorviel; zijnde van hem in druk uitgekomen: Thefes CCIX. dejttre, Peifonis £? Rebus extra contraiïum acquirer.dis £?c. Men vindt niet ver. meM, of hij kinderen bij ene Juffrouw naliet', dié hij in Frankrijk trouwde: maar wel viftde ik ónder de graffchriftèn in dë Tiéters kerk te Ltijden, dat van een beroemd Medicus, 't welk zijn zoon of zijn neef kan geweest zijn; zie het hiér: D. Ö. M. S. Aelerna memorhe Akdre/e Eacuaeri., Poperiiigani Flandri, qui cum artis Medicce per'uia int er primus artis fuce cenferetur, eamqae Principib. XXXIII., Comitib, XIII. raro exempio approbasfet , Lugdunumqia Batavorum (vitce Aulica £f hmmmfatur) fecesfisfet, an?ios LXX. natus, Deo fi? 'natura ibidem co», cesfit^prid. kal. decemb. M.DC.XVL Conjtigi optlmo, optimPfitrf vxor liberique M. H. P. C. Op den zark dis het graf bedekt, leest men: D. Andreas Baccilerus, Medicina: Do&or, quondam illuftrisf. Ducum Brimswicenfmm per XVIII. anr.os ArcUater & Confiliarius, beatam rejurreQionem bic exfpe&at. -—■- ForpENS, Bibl. Belg. pag. 51. Gramaye, Antiq. Flandria, alt. edit. pag: 129. Sweerth, Am. Belg. Puil, Timaretjs, Collcüio Mc. num. £ff; BACHERIUS (JOHANNES AUGUSTINÜS), een Monnik van de Augustiner Orden, geboren te' Leuren, is Prior van zijn klooster geweest. Hij was een kundig ma'n die in een vloeijeride en veffieferi ftijl heeft géfchrevèn, mén heeft van hem cèn bundel digêdtikl.en in 't licht, onder den tijtel rFfavisfae Potticae, Jive eletlorum Poeticonm thejaurus, facn-profanuï, Notis £f Ohfcrvationilnss amant» tlBJtraius. Antv: apiul' Hekr. Aertsehs. 1635. ForPENs, Bibl. Belg. pag, 566V BACHERIUS (JÓDOCUS), Kanunnik, van Brusjel geboor- tig, is een man vaneen fcherp oirdeel en vernuftig verftahd • - -  BACHERIUS. (PETRUS) BACHERUS. ("WOLF.) i$ geweest; bij was een getrouw medehelper in het famenftellen van de Eiblinthcca fcripwum Hifpaiwnim , en heeft cok yejfcheidene latijnfe digtftukken .in 't licht gegeven. Hij is om- trent het jaar 1661 overleden. Fopf-eks, Bibl. L. {. pag. 761- BACHERIUS (PETRUS), Dominikaner Monnik en Hoogleraar in de Godgeleerdheid op de Academie te Leuven, is in 1517 te Gent in Flaanderen geboren. Hij was niet ailccn een fchrander Godgeleerde, maar teffens ook een fierlijk Digter, groot Redenaar en nauwkeurig Taalkundige; daar bij een lieffelijk Prediker, doch met al te veel bitterheid en geweld uitvarende, tegens die genen welke hij voor ketters hieldt. Gedurende een tijdvak van bijna 60 jaren hcefc hij te Brusfel, Antwerpen, Gent, 's Hage, Dordrecht, Kalkar en Kleef, zijne "rote preekvermogens ten nutte van dje gemeenten zoeken te befteden; ook is hij op verfcheidene plaatzen Prior van zijne Qrden geweest. Hij overleed in esn hogen ouderdom op den 12 februarij 1601 in zijne geboorteftad, hebbende een groot aantal van theologife fchriften en enige digtltukken nagelaten, waar van men de optelling vindt in de Bibliotliecs Belgica'wm Foffeks, pag. 952- F, Sweertii, Athen. Belg. BACHERUS (WOLFERT), een der Klerken van den Raadpenfronaris Johan deWitt, welken dien braven man verzelde, toen hij met mannenmoed naar de gevangenpoort ging, pm zo als hij dagt, zijnen broeder Kornelis van daar te kalen. Na een weinig op de poort vertoefd te hebben, werdt Bacherus door hem gezonden om een affchrift van de fententie tegens den Ruwaart te halen, Deze met een onttlaid gelaat en wankelenden gang, ter poorte uitgetreden, was maar. weinige huizen vqortgeraakt, toen hpm 't volk agter nazette; men hadt hun wijs gemaakt, dat een Klerk van den verrader de Witt, die alle ifeszelvs geheimen wist, uit de gev angenis gekomen was. Verfcheiden' wilden den zogenaamden fehelm ie live, doch BacherCs verhaastte zijnen tred niet, waar door 't grauw  H BACH. (JACOBÜS) BACHIENE. (JOH. HENDR.) *t grauw hem voorbij liep, zonder hem te ontdekken; maar eer hij met de fententie te rug kwam, was de menigte voor de poort reeds zo fterk aangegroeid, dat hij 'er niet door kon. Kort hier op nam het rampzalig treurtoneel een aanvang en de moord van deze beide broeders ging zo als een ieder weet met zodanige gruwelijkheden verzeld, dat het fcheen ais of die Haagje burgers, welke zig tot dit helsch misdrijf lieten gebruiken, even zo veel gevleesghte duivels waren. „ .Wagen., Vad. Hifi. XIV. D. bl. iöz enz. BACH (JACOBUS), Med. Doctor, geboortig van Rotterdam, heeft in de XVIIde eeuw geleeft, en onder anderen in ■t licht gegeven: Disfert. de Corde, in qua agitur de nullitate fpiriiuum, de haemoptyfi, de viventium calore. 1648. wi2° . Foppens, Biblioth. Belg. pag. 500. BACHIENE (JOHAN HENDRIK), Predikant te Utrecht Is geboren te Deil, op den 22 maart 1708; uit godvrugti-é ouders, hebbende tot vader gehadt Johan Bachiene, Predikant te Leerdam, en tot moeder Geertruid van Koten. Den kring van zijnen klasfieken en akademifen loop rondgelopen zijnde, wierdt hij Proponent, en kort daar na, op den 22 julij 1731 tot Predikant te Driel in de' Bommelerwaard beroepen; in welke gemeente hij een tijdvak van n jaren, het werk des Heren met alle getrouwheid en wannen ijver uitoefFende, en den I2 augustus 1742 mar Almelo vertrok; vervolgens naar Amersfoort den 20 feptember 1744; naar Middelburg den 28 julij 1752; en eindelijk naar Utrecht den 15 ïneij 1757, alwaar hij zijnen 50 jarigen dienst heeft gevierd, den 22 julij 1781; en zijnen 25 jarigen arbeid in de gemeente van Utrecht op den eerften pinxterdag van 1782, en zederd wegens lighaams zwakheid zeven jaren gerust heeft, zijnde ten einde zijner loopbane gefneld en door een zagten dood in de eeuwige rust overgebragt, den 23 augustus 1789, in den hogen ouderdom van 81 jaren en 5 maanden. Bachiene is driemalen getrouwd geweest; zijn eerfte vrouw was, Anna Swanida Budde; hier huwde hij mede den 12 no-  BACHIEtfE, (PHILIP JAN) i5 november 1738, en na een genoeglijken egt van ruim 21 jaren, overleed deze deugdrijke huismoeder, na zes kinderen ter wereld te hebben gebragt. De twede vrouw van Johah was, Katharina Hillegonda Roelans ; hier verbond hij zig mede in den egt op den 18 junij 1761, doch deze band werdt door haar overlijden verbroken op den 22 julij 1765. Nu reeds den ouderdom van ruim 62 jaren bereikt hebbende, nam aSjn Eerw. aan het gezellige huisleven gewoon, op den 28 october 1771 tot zijne derde egtvriendin, Geertruid vaSs den Hengst, daar hij 9 jaren en 8 maanden mede heeft geleeft, toen zij hem op den 24 augustus 1781 door den dood ontviel; en hier mede beiloot ook onze Johannes zijnen huwelijksloop, Bachiene is een geleerd man geweest, van ene blinkende godsvrugt en voorbeeldigen wandel; ijverig, getrouw en onvermoeid in het waarnemen van zijne onderfcheidene leraarspligten, die hij bij zijne verfchillende gemeentens tot nut voor zo vele zielen heeft uitgeoefFent; voorts bezat hij een eerlijk en opregt karakter, daar bij van een vriendelijken, gemeenzamen en voorbeeldigen omgang zijnde, kost het niet misfen, of hij wierdt van een ieder geliefd en geacht. Tot gebruik van zijne leerlingen, heeft hij in 't licht gegeven: <£erjte bfc> gm;ckn öcr «Öotibriijhc toaarftcöen. 1759- Ook atecn-futii ober Stpftnnja II. vs. 1-4. En ten laatften: Keet öcr Sacramenten na oen aart öcr «öoööclnne bcrbonöen bcrnlaart. J77i. Boekz,, 1789. b. bl. 432-434. BACHIENE (PHILIP JAN) , zoon van Johan Hendrik Bachiene en Anna Swanida Budde, is geboren te Amersfoort in het jaar 1750. Na zijnen klasfieken en akademifen loop volbragt te hebben, wierdt hij met alle lof Kandidaat, en daar op in 1773 tot Predikant te Jutpliaas beroepen, hier heeft hij met allen ijver en getrouwheid het dienstwerk des Heren waargenomen tot in 1776, toen hij naar Utrecht vertrok, alwaar hg een tijdvak van 21 jaren niet alleen die bloeijende gemeente als Herder en Leraar heqft geftigt, maar teffens ook als  BACHIENE, ("WILHELM ALBERT) als Hoogleraar in de Godgeleerdheid Nederlands jongelingfchap tot het heilig dienstwerk onderwezen en opgekweekt. Hij ftieif zeer onverwagt op den 19 october 1797, in den ouderdom van 47 jaren, nalatende ene weduwe en vijf kinderen. Van Philip Jan wordt het getuigenis gegeven, dat zijne Kollega's in hem enen volftandigen, opregten, voorbeeldigen en hulpvaardigen Medebroeder verliezen , en de gemeente enen Leraar, met grote gaven en ongemene talenten voordien. Nieuwe Konst- en Letterbode, VIII. D, hl. 137. jBoekz,, 1797- b W. 554, 555- BACHIENE (WILHELM ALBERT), Hoogleraar en Predikant te Mastricht, een broeder van Joiian Hendrik; zag het eerfte levenslicht te Leerdam, op den 24 november 1712. Omtrent zes jaren oud zijnde, overleed zijn vader, op den 27 feptember 1718, waar op zijne moeder zig met Willem en hare beide andere kinderen met 'er woon naar Thiel begaf, daar onze veel belovende jongeling gedeeltelijk onder het opzigt van den kondigen Rector Struchtmeyer, door het onderwijs in de latijnfe en griekfe talen, tot de akademife ftudiea wierdt voorbereid, die hij van den jare 1729 tot 1733 op Utrechts Hogefchool volvoerde, de theologie inzonderheid beoefenende , door het onderwijs van den wijdbercemden Joiian van den Honert. Na op den 1 feptember 1733 onder het getal der Proponenten te zijn aangenomen, werdt Willem den 25 october van dat zelvde jaar, tot Predikant bij de guarnifcens gemeente te Namen, door den Raad van Staten aangeileld. Den 28 oclober 1737, werdt hij beroepen te Kuilenburg, na hier 10 jaren lang het heilig dienstwerk waargenomen te hebben, benoemde men hem in 1748 tot leger Predikant, daar hij van den 22 april tot in november vertoefd hebbende, naar Kuilenburg te rug keerde, en na hier nog ajidere tien jaren het woord des Heren met veel ijver en niet zonder zegen verkondigd te hebben, werdt hem den 28 apr il 3759 het beroep van Mastricht opgedragen, en den 18 julij 1764 door Curatoren van het illustre fchool aldaar aangebeld  • BACHIENE. (WILHELM ALBERT) 17 field, tut Hoogleraar in de Starren en Aardrijkskunde. Met het uitoeffienèn der werkzaamheden, aan deze beide bedieningen verknogt, heeft zijn Eerwaarde zig onvermoeid bezig gehouden, tot in 1733, wanneer hij na een langdurige ziekte en daar bij ontftanen rodenloop, op den 6 augustus, in den ouderdom van bijna 71 jaren, is overleden. Tot driemalen toe heeft de Hoogleraar Bachd-ne het egtaltaar bezogt; zijn eerfte vrouw, die hij in augustus 1737 huwde, was Engelberta Elizabeth van Menninghen, dogter van Mr. Georg Godefried van Menninghen , Rigter van den Thieler- en Bommelenvaard, en Katharina Elizabeth van Bïstervelt; bij. deze heeft hij drie kinderen verwekt, waar van de zoon, Georg Godefried, en de dogter, Kathaïina Elizabeth, bij zijn affcheiden nog in leven waren; zijne huis vrouwe overleed den 7 februari] 1760, in het 44fte jaar hares ouderdoms. Den 28 december 1761 trouwde de Profesfor voor de twedemaal, met Kornelia du Verger , jongfte dogter des Kollonels onder de Infanterij van dien zelvdea naam; deze hem mede op den 23 october 1776 in den ouderdom van ruim 61 jaren door den dood ontvallen zijnde, bleef zijn Eerw. omtrent vier jaren weduwenaar, als toen waagde hij het nogmaals fchoon bijna 70 jaren oud, zig voor de derdemaal in het huwelijksgarcel te begeven, en trouwde op den 29 feptember Klara van YseNdoorn, laatst weduwe van Joiian Pannehoeter, zeer waardig Euangeliedienaar en Hoogleraar in de Godgeleerdheid aan het doorlugtig fchool te Ma> tyicht; welke vrouw hem heeft overleefd. Men getuigd'van Bagiiene, dat hij is geweest een gaarn getrouw Leraar, die beide metieer en leven ftigtts; een ijverig voorganger in Gods huis , een wakker Euangeliegezant , een waar menfehenvriend; een opregt, nedrig en zagtmoedig Christen. Dat de Man geleerd is geweest en voorbeeldig werkzaam, getuigen zijne menigvuldige uitgegeven fchriften; inzonderheid zijn keurig en allernuttigst werk , getijteld : 2Iarörperutntrige befchjnbmg ban fcet Sïccöfrhe 3£anb/ al.sS mebe öcr anöete 3Lanöm in be % ^thnft booJhcmtnbc/ H. DeïC. B 9lWfo  Sl BACKX. (ROMBOUT) g ffufiïteil met 12 StanöKaarten. 1765. waarlijk, een uitmuntend boek, dat om deszelvs nauwkeurigheid, met veel voordeel Aopi; Bijbelonderzoekers kan geraadpleegt worden. Ik wenschte wel het zelvde getuigenis te kunnen geven, van de ftetMijÜe Wjtmftfblt in s fïuH&en met lEanti&aamn/ door zijn Eerw. in 17558 &c. in druk uitgegeven; want hoe fchoon het ontwerp van dit boek ook zijn moge, ontmoet men 'er verregaa-de jnisftellingen in, denkelijk door de onkunde of onoplettendheid van zijne correspondenten veroirzaakt; zulks heeft ten minften plaats ten aanzien van Friesland en -Overijsfel, wat het overig gedeelte betreft, kan ik bij mangel van locale kundigheid niet beoirdelen; voorts is men nog aan den vliitigen arbeid van den Hoogleraar verfchuldigd, ene .ffMctnne «JpecGja* jpïïfe ban öe ©creemgbe «ifieberianben in verfcheidene delen, ftrekkende tot een vervolg op A. F. Buschings «3eog?flj?hte of ïïzvtit'nhpbcftljnjbma; ook enen door hem veel vermeerderden druk van J. Hubners algemene «©CDgjaphie / 6 öeïcn. 1769. Nog fe gevoelens aankleefde; wat hier Ook van mag zijn, Backs moet zig van deze aantijging gezuiverd  BACQUERE. EACULETO. BA DENS. 19 veid hebben, doordien hij in zijne bediening bieef,• en. den 3 janij 1703 te Antwerpen als Pastoor overleed. Hij heeft een menigte van Sermoenen in 't nederduits door den druk gemeen gemaakt, die het getuigenis wegdragen dat ze zuiver van taal zijn, en dat men 'er die lage uitdrukkingen en gezegdens, welke in vele boeken van dat foort gevonden worden, niet in ontmoet. Paquot, Hifi- litteraire des Pais?bas. Tom. VIII. p. 334- . i BACQUERE (BENEDICTUS de) , Prior van het Cistereienfer Klooster te Brugge, is in 1613 geboren te Dendermonde in Flaanderen, en naar alle waarfchijnlijkheid heeft hij zijne ftudien aan het Hogcfchool te Leuven volvoert. Hij was een bevallig Digter, een welfprekend Redenaar en een bondig Godgeleerde. Na verfcheidene kerkelijke waardigheden bekleed te hebben, wierdt hij ten laatften geplaatst als Priorin de Abtdij van de Cistercienfers te Brugge, en teffens tot algemeen Vikaris van die Orden over Westphalen en het ftigt van Utrecht aangefteld; hij ffierf te Brugge den 28 julij 1678 in den ouderdom van 65 jaren. Bij Foppens vindt men ene lijst van zijne menigvuldige nagelatene fchriften. Foppens, Biblioth. Belg. pag. 132. BACULETO (MICHIEL de), Hoogleraar in de Godgeleerdheid , zag het eerfte levenslicht te Stochem, een kleine ftad in Luikerland, trok het Monnikenkleed aan in het klooster van St. B-.vo te Gent, en wierdt vervolgens Profcsfor in dc> Godgeleerdheid te Keulen. In 1372 «nerf hij: Trattatus Jive Jermo de facramento Altaris. Paquot, Hifi. litteraire des Pais-bas. Tom. X. pag. 213. BADENS (FRANCISCUS), Konstfchilder, te Antwerpen in I57i geboren, was nog fiegts vijfjaren oud ten tijde van den Spaanjen overval en woede,, in die flad op den 4 november i576 gepleegd.; Zijn vader die in 1604 te Amfieldam overleden is, kwam kort na het plegen van gezegde moorddadig treurtoneel in Holland, zo dat onze Franciscus van kindsbeen Ba  BADENS. (FRANCISCUS) ff te Amfieldam heeft gewoond, zijn vader alleen tot leermeester hebbende, die een gemeen Schilder was. Na verloop van enige jaren deed de jonge Badens enereize naar Italië, vergezeld van JacÓb Mathan een fchoonzoon van Goltzius', en bleef aldaar omtrent vier jaren, zijnen tijd ongemeen vlijtig beftedende, en zig inzonderheid toeleggende om de ItaHaanjè wijze van koloriet, zijnde die gloeijende vleeskleur en dienzeis welke zij aan de lighamen weten te geven, na te volgen, waar in bij ook boven verwagting flaagde. Te Amjleldam té rug gekeerd, en de eerllc zijnde die dezen fchildertrant in ons land uitoeiTende, noemde men hem deswegens den Italiaanfen Schilder; ook was bij een uitnemend Meester, zo wel in'tfchilderen van historiën als pourtraitten. K. van Mander getuigd, van hem, in 1604 een tamelijk groot ftuk gezien te hebben,' verbeeldende Batiiseba zig badende , terwijl aan haar een brief werdt gebragt door ene oude koppelaarfter, die haar- iets ïn de oren fluistert, met meer andere vrouwenbeelden en veel bijwerk; zijnde dit ftuk zeer uitnemend, bevallig, zagt en lieffelijk geCchilderd, fraai van koloriet en geestig van ordonnantie. Ook vindt men van hem vele pourtraitten die uitmuntend gecontrefeit zijn, en waar van hij fommigen op ene aartige Wijze in historieftukken heeft weten te pas te brengen ook vele banketten of gastmalen, en nagtmommerijen, waar rn de dragt of kleding van zijnen tijd gezien wordt, welk alles ftout en uitnemend wel uitgewerkt is. Onder zijne beste ftukken, behoort een op den Italiaanfen trant gefchilderd, twee geheven afbeeldende, die te famen zingen en malkander teder toelonken, terwijl de vrijer teffens op de luit fpeelt. Het regte jaar van Badens overlijden is ons met geen zekerheid gebleken; maar wel dat 'er een af beeldzei van hern is, dat m prent uitgaat, en waar onder dit vierregelig vers is geplaatst. Addtt PiUurae melhts te nemo colores, Qui verus color ejl, nofcis imaginïbus. Tu piclor dcftus; multum tft novisfe coloreA Dtfictat dottas pivgis & Italiae. Oll-  ÊADIUS. OOD.ÖCUS) Önze FraNCTscus heeft nóg een broeder' gehad, Jaiï Ba* &ens geheten, die veertien dagen na de gruwelijke moorderijeil en plunderingen door de Spanjaarden te Antwerpen gepleegd , in die ftad ter wereld kwam. Deze naar Italië gereisd zijnde, maakte aldaar zulke grote vorderingen in 'de konst, dat men reden hadt iets verhevens van hem te verwagten; het gelukte hem ook door zijne konst en minzame verkering; bij véle Groten in achting en aanzien te geraken, die hem werk verfchaften en edelmoedig beloonden. Dan noodlottig wa9 zijne terugreize uit Italië over Duitsland, warit op den Nèderlandfen bodem gekomenj werdt hij wel uitgedost, zijn éigen paard berijdende en van eeii welgevulde goudbeurs voorzien, door éne bende krijgsvolk van alles beroofd en gevangen genomen; hij ontworftelde na veel leed doorgedaan te hebben, eindelijk hunne handen en kwam të huis; doch deze rarhpfpoed griefde hem zodanig, dat hij 'er de tering van zette, èn in 1603 a; vel-leed. K. v. Mander, Leven der Schilders, II. D.- bh 20ti BADIUS (JODOCUS), gebijnaamd Ascensius, om réden dat hij te Asfche een vlek nabij Brusfel gelegen, het eerfte levenslicht zag, is een man geweest die zig grotelijks heeft doen achten, door het aantal van goede boeken die hij niet alleen gedrukt, maar velen daar van zelvs bewerkt heeft. I» 3462 wierdt hij geboren, volbragt zijné eerfte lettéroeffeningen te Gent, reisde vervolgens naar Halun om die verder voort te zetten, én maakte te Ferrare onder opzigt van Baptist* Guarini, grote vordering in de griekfe taal. Hij zette zig vervolgens te Lijm in Frankrijk neder, en gaf 'er zo wel in 't 0penbaar als privaat, onderwijs 'in de latijnfé en griekfe talen. ; Na enen geruimen tijd in die bezigheid daar ter ftede doorgebragt te hebben, verplaatfte hij zijne woonplaats naar Parijsn alwaar hij ene fchone drukkerij opzette, en een menigte latijnfé oude Schrijvers aan de wereld fchonk met zijne verklaringen en aantekeningen voorzien, als onder anderen Horatius, Persius, Terentius, Juvenalis, Sallüstius, ValeMus Maximus, Quintilianüs, Auiajs Gsllivs, Qvipius, de B 3 treur-  aa BAECX van BAERLANDT. (ADRIAAN) treuifpelen van Seneka , verfcheidene verhandelingen va» Cicero enz. Behalven dit, bepaalde hij ook zijnen arbeidzamen kring op enige hedendaagfe Schrijvers, als Petrarcha, Politianus, Laurentius Valla , Baptist Mantuanus enz. Nog gaf hij enige boeken geheel van zijn eigen maakzel in. 't licht, en moest aan des kundigen doen tcefternmen, dat bijaldien zijne huishoudelijke omftandigheden hem niet genooddrongen hadden tot onderhoud van zijn eigen gezin werkzaam te zijn, hij groter roem zoude verworven hebben. Erasmus *» Ckeroniano pag. 73. laat zig hier vrij onbedwongen over uit, wanneer hij betuigd: Neeinfeliciter omnino cesfit conatus Baeio, adeft Mi facilitas non indoüa, felicius tarnen cesfurus, nifi curae domefticae reique parandae fiudium interrupisfet otium illuê Mufis amiewn hijus laudis candidato necesfarium. Ook bevestigd hij nader deze beoirdeling, daar hij in een zijner Brieven, den 68ften namelijk van het 22fte Beek, bl. 1172, 1173 zegt: Aliis liberum erit de Badio judicare quod voluut? ego femper Mum habui in eorum numero, quorum nee eruditionem, nee ingenium, nee eloquentiam posfis contemnere: tmnctfi non disfimuh Mum longe majorem fuisfe futurum, fi fortuna benignior otium- ac tranquülitatem Jludiorum fuppeditasfet. Badius heeft verfcheidene kinderen nagelaten, en ftierf zeer waarfcbijnlijk in het jaar 1535. Bij Foppens-vindt men ene .lijst van 's mans veelvuldige werken, en in Micn. Maittaire, Amiales Tijpograph. kan men omftandiger berigt van hem vimden. Foppens, Biblioth- Belg. pag. 761. Fabricii, Bibl. Lat. Med. T. I. p. 4.36. C. Saxi, Onom. liter. P. II. p. 511. BAECX van BAERLANDT (ADRIAAN), Deken van St. Tieter te Oirfchot, is geboren te Mechelen den 9 augustus 1574, en volbragt ook in die ftad zijne eerfte letteroefeningen; vervolgens ging hij te Leuven ftuderen, eerst in de wijsbegeerte, vervolgens in de regtén, en naderhand npg in de godgeleerdheid, en hij bekwam in 1607.. den graad-.van Licentiaat in de regten. Intusfen hadt hij den geestelijken ftaat omhelst, en bij verkreag in 1606 , de bediening als Voorzitter van het Kol- Icgie  BAERLÉ. (JAN vA») VA . fig ïegie dei drie talen. In ióii wierdt hem 'een Kanunnikaat Van den tweden rang in de Hoofdkerk van St. Remboud opgedragen, waar bij op den 8ften julij van het zelvde jaar, iiog de bediening van Zanger en Kanunnik van Sb Pieter te Lèmn wierdt gevoegd. Den 30 augustus 1616, wierdt hij tot Doktor der beide regten aangenomen. In 1619 wierdt hij tot Rector: van de Hogefchool te Leuven aangefteld; doch voor welke waardigheid hij vijf jaren later bedankte, om te Oir/dot een groot dorp in de meijerij van den Bosch te gaan wonen, alwaar fcem het Dekenfchap van de Hoofdkerk aan St, Pieter gewijd, wierdt opgedragen. Ik weet niet of hij lang na dien tijd leefde , maar het is zeker, dat hij niet langer dan vijfjaren genot van zijn Dekenfchap hadt, doordien met den voortgang dérReformatie , de kerkelijke goederen wielden veibeurd. verklaart, en in 1629 de oeffening van den Roomfen godsdienst ingants Staats-Braband verboden. Suffridus Petri in IS93 fchrijvende, noemt AdriaanBaecx virum undiquaque doBisJimum. Hij heeft enige weinige verhandelingen in 't latijn gefchreven, nageiatel-,. , Val. Andr., Bibl. Belg. Paouot, Mem, Wh ter. des Pais-bas. Tom. XV. p. 132. BAECKS, zie BAACX. BAERL.E (JAN van) , dus genaamd na is plaats zijner ge« boorte, een fraai dorp in de baronie van Breda, alwaar hij in 't laattle gedeelte van de XVde eeuw het eerfte levenslicht: za*. Na zijne ftudien-voleind te-hebben, wierdt hij Monnik in het klooster der Dominikanen van 's Hertogenbosch; later te Heidelberg met de waardigheid van.Dpktor bekleed, in welka ftad hij ook de Godgeleerdheid in *t openbaar leraarde. In ''s Bosch te rug gekomen, was hij 'er een gehiimen tijd Prior van zijn klooster; vervolgens onthield hij zig enige jarën in het klooster van zijne orden te Zierikzee in Zeeland, Waar u{{ hij op den 14 feptember 1524 door zijn' Generaal wierdt géroepen, om de bediening van Inquifiteur generaal in het bisdom van Luik tc aanvaarden, welken post hij met even zo veel ijver als waakzaamheid heeft waargenomen tot zijn dood tce, b 4 miöa ingenomen. %mft. 1530. in 4to. BAERSDORP, zie BAARSDORP. BAERSIUS • (HENDRIK), ook Vekenstyl genaamd , is een zeer bekwaam Wiskonftenaar geweest, en teffens Boekdrukker te Leuven; zijnde door zijne pers, de volgende voortbrengzelen van zijn vernuft en letterarbeid wereldkundig gemaakt. 1. De compojitione fc? ufu Decretorii Planetarwn, 1530. 4to. 2. De compofuione g? ufu Ouadrantis. 1535. 4to. Nog heeft men van hem, doch zonder dat 'er zijn naam bij vermeld wordt: Tabula- perpetue iongitudinem ac latitudiimn Planctanm, ad Mmdianum Lovanienfem, editce a Gilberto Masio. 1528. 4to. 11 Foppens, Bibleth.-Belg, p. 434. BAGELAAR (JOAN), een aanzienlijk Burger te Jmfteldam, en niet onkundig beoeffenaar der digtkundé", heeft door den druk gemeen gemaakt: uwe Ocrcfcjmccrbe Chnsrclijïte «atccötfnui*/ in 5* hïinhöfcfjtcn; iicbcm? een naocrW enbc bcöenrung ober oe fiebenbaagfe Bijmoeffcmnff. ?Tmg. 1694. iu 4to. P, Raevs, Boekz. V. D. bi. S3--88. BAGGAERT (JOHANNES), geboren te Vlisfingen omtrent  BAILLLEUL. (iEGIDIUS of GILLES de). 25 Sent het jaar 1657, wierdt ter oirzaak van zijne bekwaam? heid ftads Doktor te Middelburg, en oeffende aldaar zijn veelvuldige praktijk tot aan zijnen dood toe, welke voorviel in december 1710. Hij is een kundig Arts geweest, geenzints verflaafd aan de vooroirdelen die 'er in zijn tijd inzonderheid in liet beoefFenen der Medicijnen plaats vonden, maar hij ijverde zelvs ook op het voetfpoor van den geleerden Engelfen Arts Sydenham, tegens het oude gevoelen om in de Kinderpokjes en Mafelen, de lijders bijna te doen verflikken door 't ftêrk broeijen en hette waar aan men hen blootflelde. De vernuftige Rabus noemt hem: „ een Arts, die in de woorden „ van oude en nieuwe Meesters niet wilde zweren, maar tot ,', behoudenis der Kranken meest te rade gaan met een goede „ filozofie en onwederfprekelijke ervarentheid." Hij heeft gefchreven en door den druk gemeen gemaakt, het ongemeen geprezen werkje, tot tijtel voerende: toaar&etö onltoart ban bcoj-octföeelcn/ beo? een gc$onbe rcbeï^belino ober be $e| «iet ftatttttrfpe Dingen; teaar in gctoonD toerbt/ Batj&et b\m fcan ucceeren in fnclheiö en fritte/ M Dat men fomtgï^ te toci= nig be 500 genaamöe ^cfecurinifc Soft Met een bocgrrBcn cber be ïtinbernonic^ I^gaöèr^ enige aannicruinrtn obre be ftrmentaticn en ïjoofbjlcfen; toaar in be ötoaung ban 't dcidum en alcali, ïsiaar toert aangetoc;cn en tocöcrlegt. J3nfc Dclb. 1696. fn 8bo./ zijnde reeds in 1710 uitverkögt en her- &uè£ - Paquot, Mem. lit. des Pais-bas.'Tom. V. p. 377- La Rue, Gelett. Zeeland, bl. 114. P. Rabus, Boekz. IX. D. bi. 120-136". BAILLLEUL (^GIDIUS of GILLES de), Kanunnik van St. Pieter te Leuven, is te Lillers in Artois omtrent 't jaar 1422 geboren; hij beoeffende de wijsbegeerte op de naWlijks ontlokene Hogefchool té Leuven, en verkreeg 'er in 1441 den eerften rang onder de Meesters der vrije konften. Vervolgens trok hij het geestelijk, kleed aan, leide zig op de Godgeleerdr Leid toe, en wierdt den 9 meij H5.6" Doktoren die wetenfcLap. Het zelvde jaar wierdt hem een Kanunniksplaats van b 5 S^  26 #AILLIEÜÏL BAILLEü. BALLLY; St. Pictsr te Leuven opgedragen, met een gewonen Ieraars^ftoel in de Godgeleerdheid welke *er aan gehegt was, en die hij gedurende een tijdvak van 25 jaar met veel lof vervulde; eindelijk klom hij op tot Vicekancelier van zijn kapittel ,'cn'ftfetf te Leuren den 18 .mei). 1482 in den ouderdom van 60 jaren Hij heeft verfcheidene latijnfe verhandelingen nagelaten 1 Forp£KSj Bibl. Belg., pag. 16. , . '• „ _ BAILLIETJR (LODEWYK JÖSEPH EE), wierdt omtren* 't midden der laatstverlopen euw te Antwerpen geboren j na zijne eerfte letteroefeningen verrigt te dabben, begaf hij zig in het genootfchap der Je/uiten, 't welk bij egter in 't vervolg verliet; na tot Priester geordent te zijn. In 1680 of het volgende jaar, wierdt hij Beftierder van de Augustincr Nonnen van het huis den Vredènberg. genaamd in de ftad Lire, en hij bragt door zijn voorbeeldig leven niet weinig too orri 'er de godvrugt in bloei te brengén. Zijne lighaamszwakheden hem genoodzaakt hebbende om dien post na verloop van drie jaren te verlaten, begaf hij zig naar Antwerpen, fleét aldaar gedurende twee jaren een zukkelcnd leven, en ffierf in 168 5 in den bloei van zijn jaren. Hij heeft gefchreven: m w*jfö/«m timw* f$m mfèm *™ alic mmfdmu mm btfoaöcrfijr& {tmJföSetécn etiöc rfjee^ tcujdie perfanen cm,/ in ï%9. gedrukt tè Anfieldam bij Jan Stichter, 1084. . Paquot, -Mm. litter. Tom. VI p 147. BAILLEU, is een der verbondene Edelen geweest, wier namen men op de lijst bij Bor gemeld vindt; anderen noemen, hem Bailleu be Hünnepiajk. Bij den Heer te Water kan men enige gisfingen ten aanzien van dezen Edelman vinden; doch hij bepaald egter niets met zekerheid. — Te Water, Verbond der Edelen, II. D. bl. 179. BAILLY (GESLUIN le), is in de Nederlanüfe gefö&fed* nisfen bekend geworden, door zijne -onderhandeling met den Grave van Rennenberg.' -Omtrent het jaar 1580, -en zclvs Vroeger, hadt men reeds enig vermoeden, dat die Graav *iic v tapt  BAILLY. (GESLUIN le) éf gsigt voor den Roomfen Godsdienst, of om andere inzigter, mooglijk de Spaanfe zijde zou omhelzen. Het zij nu dat de Spanjaarden, hier van door hem zei ven, of door anderen onderrigt waren; is het zeer zeker, dat de Hertog van Terranova zig van Bailly bediende, om Rennenberg tot den afval over te halen, en de voorwaarden waar op hij zulks verrigten zou, te bepalen. Waarfchijnlijk is het dat Rennenberg, in den beginne voor zig en de zijnen te veel,, heeft willen bedingen; ten minften de onderhandelingen moeten voor een wijle tijds afgebroken zijn geweest; want de Graav tekende gelijk men weet de Unie van Utrecht, en bragt Groningen aan der Staten zijde; zo dat men alle reden hadt, Rennenberg als een waar voorftander der vrijheid aan te merken; doch het blijkt dat hij in januarij 1580 de onderhandeling met Bailly weder heeft aangevangen. Rennenberg hadt onder zijne Raden, zekeren Popke Ufkens, een man die den Staat getrouw was; deze werdt door Korkput gewaarfchouwt op zijne hoede te zijn. De Friefen kregen ook agterdenken, en maakten zig met behulp der Staatfe knegten meester van het ilot te Leeuwarden, op den 1 februarij. Toen eisten zij 't flot te Harlingen op; doch de bezetting hier m, buiten uitgedrukten last des Graven van Rennenberg, zwarigheid makende , zou men zig genoodzaakt hebben gezien tot geweld, hadt men ten zelvden tijde, Bailly niet in handen gekregen, bij wien men enige blanken vondt met Rennenbeeg's hand getekend. Te weten, de Graav al in januarij, te wege gebragt hebbende, dat de Groninger gijzelaars voor de onderhouding van 't verdrag van junij jongstleden genaakt, en te Groningen te rug gekeerd waren, fchijnt zig van hem bediend te hebben, om, onder de hand tekenaars te winnen, tegen de Utrechtje vereniging. Ten minften men heeft nog twee \erbindtenisfen, tusfen den Grave en meer dan 300 ingezetenen van Groningen gemaakt, op den 24 februarij, waar bij men eikanderen beloofd: „ de Utrechtfe vereniging , tot welke. „ men de ftad, door onbehoorlijke middelen-dagt te luengen, „ op dat mei;ze daar na met bezetting^ bezwaien zou, tc ... zul»  ** 2AILY. (DAVID) * zullen tegenftaan, ten diénftë des Könihgs én'dèra1gém'ën# Staten." Met oogmerk nu om ene diergelijke verbindtenis in Friesland te bewerken,'fcheen Bailly iri Harlingen gekomen, en van de genoemde blanken voorzien geweest te zijn; doch men bediende zig nu van een derzelven, om 'er hem een bevel op te doen fchrijven tot overlevering van 't flot te Harlingen; 't \velk den 5 van februarij gefchiedde.- Zie ook RENNENBERG. — Wag., Vod. Hifi. VU. D. bi. 320-322. BALLY (DAVID), Konstfchilder, wierdt geboren te Leijien in 1584, en was een zoon van Pieter Baily een vrij bé. kwaam Schilder, die in zijnen jongen knaap van dc vroegte jeugd af aan een natuurlijke drift tot de konst ontwa?r wordende hem enigen tijd onder zijn opzigt naar prenten: liet tekenen! Dan onze Jakob bij toeval op een winkel van Jacques de Geyn gekomen zijnde, ontvonkte bij hem de lust van het' graveerijzer te Ieren behandelen, 't welk hij met veel ijvér' en geen geringe vordering * gedurende hét tijdvak van 'een jaar uitoeffende. Doch zijner zugt tot de fchilderkónst dé voorkeur gevende, befteedde hem zijn vader, bij Adriaan Verburg, om verder in bet fchilderen onderwezen te worden; hoewel deze zig in dien tijd bezig hield om de Gene'eskonst te oeffenen; hij bleef aldaar tot in 1601 , toen hij naar Amfieldam vertrok, om zig verder in de konst te volmaken, door het onderwijs van Kornelis van der Voort, te dien tijd den' meest geagten Fourtraitfehilder; hier verbleef hij omtrent zes jaren; en doordien deze van der Voort , vele konftige fchilderfttikken van andere Meesters in'bezit hadt, vondt David gelegenheid om 'er nu en dan een van na' te fchilderen; onder deze ftukken was een Tempel van Steenwyk , welken hij zo natuurlijk gelijkende kopieerde, dat Steenwyk bezwaarlijk de kopij van zijn origineel wist te onderfcheiden. Van Amfieldam Weder naar Leijden te rug gekeerd, maalde hem de reislust zodanig in 't hoofd, dat hij in december 1608 naar Hamburg vertrok; van daar naar Duitsland, bezogt hij de (leden Frankfort, Wuremberg; Avgsburg en verfcheidene anderen; reizende ver-  BAJUS. (JAC0BU3) 2» Verders door 7ïrd naar Finetim, en van daar naar Romen, ten einde de behandeling der Italiaanse Konstfchilders v/aie 't mooglijk af te loeren; tot bereiking van dit ontwerp, was.zijn voornemen om enen geruimen tijd in deze met konstftukken vervulde ftad, te vertoeven ; doch zeker voorval was oir?aak, dat hij van befluit veranderde, en naar Venetien te rug keerde, daar hij flegts vijf maanden vertoefde, en van daar genoegzaam langs den zelvden weg dien hij gekomen was, naar zijn' vaderland reisde, daar hij in 1610 aanlandde. Door Duitsland herwaarts komende, heeft hij verfcheidene Hoven bezogt, daar hij een proef van zijn konst ter gedagtenis heeft nagelaten, inzonderheid aan 't Hof van Bninswijk, daar hem de.Hertog een jaarlijkfe wedde aanbood, indien hij zig voor enigen tijd aan zijnen dienst wilde verbinden ; doch de zugt om in zijn vaderland te rug te keren, deedt hem die gunftige aanbieding beleefdelijk weigeren. Ten laatften wars van omzwerven en reizen, is hij te Leijden in 1613 te rug gekomen, teneinde wanneer hij uitgerust zoude hebben, zijn konst in ftilheid uit te oeffenen. Dan de menfchen leven bij verandering, en dit fpreekwoord wierdt ten vollen aan onzen David Baily' bewaarheid; want in 1623, verwisfelde hij zijn kloek penfeel voor de fijn verfneden pen, . en tekende vele pourtraitten uitvoerig met inkt op parkement, die hij dan met het penfeel verder opmaakte; deze ftukken waren zo uitnemend wel getroffen, dat de liefhebbers van de konst 'er groot behagen in fchepten. Het jaar van zijn 0veriijden is mij niet gebleken. —— A. Houeraken, Schouwiurg tfc. I. D. bi. 118,. BAJUS (JACOBUS), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Leuven, geboren te Aath, was een broeders zoon of neef vaa Michiel Bajus, en drukte ook volkomen deszelvs voetftappen in 't beoeffenen van geleerdheid en wetenfehappen; voor dezen oom ftigtte hij een fchwn praalgraf met een fraai opfchrift. In 1568 bekwam hij de waardigheid van Doktor in de godgeleerdheid-, vervolgens wierdt hij Deken van St: fitter ie Leït-  3ö BAJUS. (MICHIEL) Leuven, en eindelijk Hoogleraar in de Godgeleerdheid aan die Akademie; hij is een werkzaam, voorzigtig en kundig man gefeest, die van veel nut was in die beroerde tijden tot inflandhouding van den bloei der Hogefchool. Hij liet zijne goederen bij uiterften wille na, aan zijnen neef Egidius Bajus0, Dr en Profesfor in de Godgeleerdheid, die 'er ingevolge dè begeerte van zijnen oom een Kollegie voor ftigtte, het Bajaanfe genaamd. Hij ffierf den 19 oétober 1614, en heeft enige latijnfe fchriften door den druk gemeen gemaakt, waar van men de optelling vindt bij Foppens, Bibl. Belg., pag. 500. F. Sweertii, Athen. Belg,, pag. 355. BAJUS (MICHIEL), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Leuven, wierdt te Melun onder het gebied van Aath geboren m 1513. Te Leuven ftuderende, maakte hij zulke uitmuntende voortgangen, dat hij van een leerling, wel dra opperite van 't kollegie van Standonk wierdt, en drie jaren later in *t openbaar de wijsbegeerte begost te onderwijzen; zes jaren hier mede gefleten hebbende, wierdt hem in 1549 het bellier over 'tPausfelijk kollegie opgedragen, teffens den eertijtel van Licentiaat in de Godgeleerdheid ontvangende , welke twee jaren later door dien van Doktor verwisfeld wierdt. In 1563 zondt de Koning van Spanje hem naar 't Concilie van Trente, alwaar hij fprekende blijken van zijne uitmuntende bekwaamheden heeft gegeven; en in 1575 wierdt hij tot Deken van St. Pieter te Leuven aangefteld; voorts befchonk men hem met den post van Kanfelier der Hogefchool, waar nog bij gevoegd werdt, die van Inquifiteur generaal van de. Nederlanden. Bajus is een zeer bekwaam man geweest, en niet minder achtenswaardig, om zijne zedigheid, godvrugt, en befcheidenheid, dan om zijn verftand en geleerdheid. Negenmalen, getuigd' men van hem, las hij de werken van den Kerkvader Auoustinus door. Ook fchreef hij vele Godgeleerde werken, waar Van de voornaamften zijn: De meritis Operum libr. II; de prima hminis juftitia £f virtutibus impiorum, libr. II; de Sacratiimtis bi genere, contra Calvinum; de forma Baptismi. Alle wel-  BAJUS. (PETRUS) BAKE. (LAURENS) 3l welke verhandelingen, in een deel te famen te Leuven in 1565 werden gedrukt; en waar bij in 't volgende jaar een tweede deel wierdt gevoegd , bevattende deze Hukken : -Be libero, hmninis arbitrio, libr. I; de Charitate, Juftkia & ■Jvtfificatione, libr. IÏI; de Sacrificio, libr. I; de Peccato ori^inis, libr. I; de Indulgentiis, libr. I; de Oratione po defwi'iis, HIt. I. Voorts gaf men nog een derde deel van zijne werken in 1581 uit, bevattende: Refponfio ad Qiiajiiones Pfift. Marnixii de Ecclefta Chrtsti , £jf Sacramtnto Altaris; Apologia pro refponjione contra obje'cliones ejusdem de veritate Corporis Christi in Euchariftia; Epijiola de fiatuum inferioris Germanice unione, cum iis qui Je defertores Romance Ecclefice vacant, 6? de Juramento quod eorum jiisfit i Clero & Monacho exigitur; Epijiola de Juramento jusfu Duels Alenzonii , ■ Antverpice in pratorio coricebto fcf comprobato. Hij ftfcrf na vele onaangenaamheden met de Jemiten doorgewoifield te hebben, den 16 december 1589, in den ouderdom van 77 jaren. Foppens, Bibl. Belg. pag. 888. Pallavic, Hjloria Conc. Trideniin. Lib; XV. cap. 7. num. 11. Val. Anoreas , Bibl. Belg. p. 670. &c. Gerv, Apologie des deux cenfures de Louvain cf de Douai pag. 26. P. Bayle, Dittion. ed. de 1730. Tom. I. p. 420-424. BAJUS (PETRUS), geboortig van Aatli in Henegouwen, de vader van Jacobus en broeder van Michiel, is Advuhaat geweest, en heeft uitgegeven Directorium Eleüionmn cjc ForrENS, Bibl. Belg. pag. 953- BAKE (LAURENS), Heer van Wulverlmst, geboren te Amfteldam, werdt in het begin van deze eeuw voor een der beroemdfte Nederlandfe Digters gehouden, en is bij velen in onze dagen, inzonderheid om de zuiverheid van taal, weinig in achting gedaalt; waarom ook zijn' tijdgenoot Jon. Vollenhove , te regt van hem heeft gezongen: Wie niet verzeilen wil op klippen, noch op banken, Van onduitsch of kwaad duitsch, en harde basterdklanken,» Die volg dees poezij, gelijk een held're baak. ïleC  3if BAKE. (LAURENS) Het uitmuntendfte zijner werken is de Bijbelfe Gezangen, dat in 't jaar 1682 't eerst in 't licht kwam, en aan den Burgemeester Koenr. van Beüningen opgedragen werdt; menontmoet hier fchone gedagten, ongemene vonden, kragtige vernuftverbeeldingen, geestige leenfpreuken en uitdrukkingen, die den lezer als in verwondering opgetogen houden. Zo verheven nu als zijne gedagten in deze heilige gezangen ten toon gefpreid zijn, zo fcherp en ftekelijk, wanneer 't hem lustte, waren zijne punt- en hekeldigten. Ook is hij lid geweest van 't konstgenootfchap, tot zinfpreuk voerende: In imgnis vohdsfe fat eft, waar van nog verfcheidene toneelfpeJen den fchouwburg verfieren. In de voorrede zijner Mengelpoêzije, in 't jaar 1737, door L. van den Broek uitgegeven, leest men, dat onze Digter, uit het oud Amfkeldams geflagt der Baken , onder welken voorheen , ook Laurensen geweest waren, voortgefproten, en aan de aanziealijkfte huizen van genoemde flad vermaagfchapt was; 't welk ook blijkt, uitliet gene de Digter Antonides vermeld, daar hij zegt: Van het oud geflacht gedaald Der Baken, om hun deugt gelasterd en verdreven, Toen Spanjens fcherpe roe deedt gantsch Europa beven. Zijne ouders waren Justus Baak en Magdalena van Erp, ene zuster der eerfte vrouwe van den Ridder Pieter Korneuszoon Hoopt. Hij had zig in zijne jeugd met vrugt in de regten gcoeffend, en was daar in tot Meester bevorderd; ook was hij Heer van IVulverhorst, ene heerlijkheid in 't land van Montfoort, in 't fligt van Utrecht, welke zijn' vader reeds hadt bezeten. Uit een zijner gedigtcn op de Diemertneer blijkt, dat hij nog in 't begin dezer euwe geleefd heeft, en uit J. de Regts Mengeldigten bl. 45, dat hij in 't jaar 1715 reeds overleden was. Men vindt bij den Profcsfor C. Earlasus, en den Ncderlandfen Digter Joost van Vondel, enige gezangen aan zijne voorouders Justus en Laurens Bake toegewljdt; en uit het voorfte gedigt op zijne Bijbelzangen gemaakt, blijkt het, dat zijne ene zuster is gehuwd geweest met Johan Wuitiers, Hft.  BAKENESSE. )3 Here van Asfmibtirg en Heemskerk. Zijn afbeeldzel is door J. C. Philips in 't koper gebragt, en voor den druk zijner Bijbelzangen in 1721 op nieuw uitgegeven, geplaatst. Wag. Befchr. van Amftelclam, XI. St. bl. 390 &c. BAKENESSE, is de naam van een adelijk geflagt in Kerf nemerland, dat reeds voor meer dan derdehalve eeuw is uitgeftorvcn. Barthout van Bakenesse, Hofmeester van Grave Jan van Egmond die in 1513 overleed, was het laatfte man- ' jielijk oir van dien ftam, en liet enkel een onegte zoon na, met name Pieter Bakenesse, die in 1561 is geftorven. Men vindt in de oude vaderlandfe Krorüjken en op de lijst der Edelen en Schildknapen, die omtrent het jaar 1310 onder Graav Willem de III. .geleeft hebben, al vermeld Jakob van Bakenesse; voorts Klaas van Bakenesse in de rekeningen van 't Haarlemmerhout, op 't jaar 1334; als Schepen te Haarlem, in 1348 en in 1358. Lysbeth van B&kenesse met haren zoon Dirk van Bakenesse, 1395- Barthout van Bakenesse in 't register van den ommezet over de ftad Leijden, als wonende in 1433 aldaar op 't rapenburg. Jakob van Bakenesse, Schildknaap, die getrouwd was met N. van Heemskerk, en te Haarlem ftierf en begraven wierdt in 1455, nalatende Katrina van Bakenesse, die ten man hadt Frans van der Boekhorst, zoon van Adriaan en van N. Sayt, en liet een zoon en ene dogter na, en leefde nog in 1457, *n welk jaar zij haar testament gemaakt heeft; en, Adriaan van Bakenesse , Ridder ten Heiligen lande, die 1450 trouwde met N. vak Heussen, zuster van Meinard van HeusseN te Haarlem, waar bij hij gewonnen heeft den hier bovengenoemden Barthout van Bakenesse, Hofmeester van den Grave van Egmond, gehuwd met N. Sonk dogter van Dirk Sonk Janszoon , Schout van Delf, en Magdalena van Bleyswyk , Dirks dogter, en zuster van Franciscus Sonk , Coadjuteur van den Bisfchop van Utrecht. S. Ampsing, Befchr. van Haarlem, bl. 21-25. Befchr. van Delft, in folio, bl. 665- Goudhoeven» Kronijk, bl. 158. S. v. Leeuwen, Bat. illuftr. bl. 856. II. Deel. C BAI^  34* BAKHUIZEN. (LUDOLF) BADHUIZEN (LUDOLF), Konstfchiïder, fe geboren te Smbén den 18 'december 1631. Zijn grootvader was Predikant- in Qostfriesland; zijn vader Gehard Bakhuizen, Secretaris van genoemde ftad, onder wien hij als Krerk diende tot zijn igdejaar; toen verliet hij Embden, en k\vam in 1650 te Arfiddam wonen, om den koophandel te Ieren." De Heer Baetelot, die zijn patroon was, hadt veel dienst van hem, dewijl hij het boekhouden en de fchrijfkonst meesterlijk verftond; dan hij bleef hier niet lang, doordien dekonstgodin hem tot hare oeffenfchool lokte; gelijk hij zig dan met zijn 19de jaar tot het tekenen van den fcheepsbouw naar 't leven begaf, zonder dat hij immer de wijze van tekenen of de. behandeling van de tekenpen gezien hadt;' dan het leven was zijn voorwerp, en de natuurdrift zijne onderwijs ter. Inmiddels kreeg hij kennis aan deze en gene konstoeffenaars, diq hem aanmoedigden tot het penfeelgebruik, daar hij. wel groten' lust toe hadt, maar niet wist hoe hetzelve te behandelen. Albert, van Everdingen was de eerfte, die hem een palet met verf en penfelen in handen gaf, om 'er een proef af te nemen;dit ging zo 't best mogt, met maken en'hermaken; evenwel het werdt een ftukje fchilderij, en hij kreeg 'er 10 guldens voor. Dan vraagde hij eens dezen, dan eens'genen, aangaande de tempering of vermenging der verwen, maakte zig door zijne vriendelijkheid en leergierigen aart bij elk bemind, en kwam hen op hunne fchilderkamers en 'in hunne bezigheid bezoeken, cm af te zien, hoe zij het een en ander behandelden. Veel vriendfchap genoot hij van den Zeefchilder Hendrik DunriELs, toen ter tijd den 'oudften broeder onder de bend der Konftenaren te Awfleldam, uit wiens openhartig berigt, hij' ongemeen veel dienst trok. Zodanige voetftappen drukkende, gelukte het hem eindelijk, de konst zo verre te brengen, dat zijn roem zig niet flegts aan de Ntderlandfe gewesten bepaalde, maar tot de naburige landen overklonk. . bakhuizen hieldt een voorbeeldig levensgedrag, was nijverig arbeidzaamftil en deugdzaam van aart, daar bij befcheMen en minzaam tegens een ieder; zodanig kajakter kost niet  BAKHUIZEN. (LUDOLF}' 35 «ter. misten of moest hem vrienden verwekken. Nam hij enige uitfpanning, 't was naar den Amjlel of Taant dat hij zig begaf, daar men verfchot van vaartuigen vindt. Beftond FM dan eens uit zijn windkoiken te raren, of de ftormviolen op te rammeijen, waar door de waterbaren, fiag op flag fchuimende elkander agter na rollen, den zeeman met ingebondene reven noodzakende om een goed heenkomen te zoeken; dan was onze Ludolf in zijn nopjes, en flapte als 't maar enigzints kon hikken, in een fteigerboot, en liet zig tot aan den mond van de zee voeren, zo om van nabij de barning en botzing van 't gezwollen zeewater tegens 't fit and, als de verandering van lugt en water in die gefleldheid, af te loeren; inzonderheid deed hij zulke fpeelreisjes, wanneer hij in "t zin hadt, iets dergelijks op 't panneel te brengen, ten einde hij daar een levendigen indruk van zou bekomen, of het denkbeeld dat hij 'er van gevormd hadt, kragt bijzetten. Hij kwam van deze togten ook zo dra niet te huis, of hij begaf zig terftond naar zijn fchiidervertrek, daarl.ij voor een ieder ontoegankelijk was, ten tijd toe dat hij zijn oogmerk in 't brengen van zijne bekomen denkbeelden te fchildeien, hadt bereikt. Met een woord, hij wist door zijne onvermoeide vlijt en nafporing , de menigvuldige veranderingen van de wufte lugt en water elementen, op ene verwonderlijke met de natuur overeenkomftige wijze, na te bootzen. In het jaar 1665, lieten Burgemeesteren van Amjteldam aan onzen Bakhuizen een groot ftuk fchilderen, vol gewoel van allerlei fchepen en jagten, en hun koopftad in 't verfchiet, waar voor zij hem 1300 guldens gaven, en nog ene verering daar te boven; dit konsttafereel verftrekte tot een gefchenk aan Lodewyk den XIV, Koning van Frankrijk, die 'er zo groot genoegen in nam, dat hij het in de Louvre, onder ene verzameling van de konftigfte fchiiderftukken liet plaatzen. De Groot-Hertog van Toskanen, de Koning van Pruis/en, de Keurvorst van Saxen, en verfcheiden' andere Duitje Prinfen, heb. ben niet alleen van zijne konstwerken gekogt, maar hem zelvs in perfoon te Amjteldam komen bezoeken; onder dit getal beC 2 vondt  BAKHUIZEN. (LUDOLF) yondt zig ook Peter de I, Czaar van Muskonen, dis zelvs? van hem'begeerde,'dat bij in zijne tegenwoordigheid, verfcfceideae fóort vaiï fchepen voor hem aftekende. Op de Konstkumer in het ftadshtiis te Amjleldam, hangt het pourtrait van onzen, Bakhuizen, door hem zei ven in den ouderdom van c'S jaien, zittende, en levensgrootte gcfchilderd ; hij houdt ene fchrijipen in de regter-, en een blad papier, waar op zijn eigen beeld, als in zwarte konst, door hem zeLven gefchrapt, nog eens te zien is, in de iinkerhand; 't ftuk is in '£ ja^ 1609 gefchiiderd, en door den Schilder, die Medeopziender van gemelde Konstkamer geweest; is, aan hetzelve yereerd. ".'..! De ijver tot de konst, bleef Bakhuizen tot zijn jongften !evensftond bij; en niettegenftaande hij in het laatfte zijner dagen, veeltijds met den fteen of het graveel deerlijk gekweld wierdt,' welk ongemak hij ook zeer te regt voor een bode hieïdi die hem zijn aftogt kwam aankondigen, waarom hij zig ook tijdig tot die grote reis zodanig wel getroost voorbereidde, dat hij 'er geen den minften fchrik voor liet blijken, bleef egter zijne werkzaamheid in hare volle kragt, want in den avondftond zijnes'levens, vervaardigde hij nog een Plaatwerk onder den tijtel van Tflróom en Zeegezigten, 't welk hij in het 7ifte jaar zijnes ouderdoms geëtst heeft. Ook hadt hij altoos oen zonderlinge geneigtheid. tot de digtkonst laten ' blijken, en uit dien hoofde in een gemeenzame Verkering en vriendfchap geleeft, met de geagtfle Digters van zijnen tijd, inzondprheid met Francius , Broekhuizen , Antonides' van der Goes, en D. van Hoogstraten; ook maakte hij zelve van tijd tot tijd een digtftukje, dat niet onaartig was. Nog iets zeldzaams ten aanzien van onzen Schilder, dient hier aangetekend ; daar men namentlrjk te Anfteldam en op andere plaatzen meer, de gewoonte hadt, om die genen wel-' ke den overledenen ter begravinge verzeldcn, met een glas wijn 'te befchenken, ene zcrge die den erfgenamen doorgaans is aanbevolen, zo hadt hij goedgevonden dien last zeLv nog fej zYin lsren te vervullen, en tot dien einde de wijn tpt zijne " * i* be,  , BAKHUIZEN. (LUDÖLF) 57 tfegraaffenis 'nodig, bij zljneö wijnkoper üitgeproeft, geK'ögt, betaald en denzelven verzegeld doen wegleggen. Ook vo'ndt 'men na zijnen dood eén zakje met géld, en daar in zo veel guldens als bij jaren oud was, afgepast vóór de genen die Hem naar het graf zouden dragèn; nevens een géfcbrëvèhe lijst van de namen der Konstfchilders, die hij daar toe uit de bendé 'gekozen hadt; niet last om hetzelve ter zijner gedagténis in gulle vriendfchap te verteren. Zo het rnooglijk ware alle de koristftukken die Bakhuizen vervaardigd heeft; bijeen te verzamelen, ên fiegts' mét een vlugtig oog te befchouwen; zou men verbaasd moeten ftaan over 's mans vlijt en werkzaamheid , inzonderheid wdnneex men in aanmerking neemt, welk éen geruim tijdvak hij van zijne in bezigheid doorgèbragte uien, heeft moeten afzonderen, tot het onderwijs in de fchrijfköns't, daar hij wiskohftige .gronden of bepaalde leidingen toe uitgevonden hadt, en die hij aan vèrfcheiden voorname kooplieden kinderen onderwees J voég hier bij, een menigte uitvoerige tekeningen en geëtste platen, dié hij aan de wereld heeft medegedeeld; zo dat meri te regt mag befluiten, dat hij geen uur heeft laten ontflippen , zonder het aan nuttige werkzaamheid te beftfeden. Dees brave Schilder overleed dén 7 november 1709, na 78 jaren bereikt te hebben; en zijn pourtrait is door A. Hoübraksn ln 't koper gebragt. Houbraken, SchowSb. der Nederl. Schilders, II. D. bl. 236-244. Wagenaar, Befchr. van Am* fieldam, VIL Stuk, bl. 80, ■ BAKHUIZEN (LUDOLF), Konstfchilder, een kleinzoon van den vorigen, geboren te Amjleldam den 29 augustus 1717, Zijnde zijn vader een voornaam Koopman op Duitsland; dan vermits de dood dezen in 1731 wegrukte, hieldt zijne moéde: het komptoir aan voor Ludolf, dat hij ook in 1732 aanvaardde, doch niét met het grootfte genoegen, doordién hij een onverzettelijke geneigtheid tot den krijgsdienst gevoelde, daar zijne moeder even fterk tegen was, buiten wier wille hij egtè* . G 3 •  33 SAKHUIZEN. (LÜDOLF) niet kunnende befluiten aan zijn lust voldoening te geven hij het komptoir nog al bleef waarnemen. Intusfen ontvonkte in hem door het lezen van Houbraken'; Schouwburg, de lust tot de fchilderkonst te meer wijl hem daaruit bleek, dat zijn grootvader ook reeds de jongelingfchap ontwasfen was, alvorens hij zig daar met de borst op hadt toegelegd. Hij begost dus den tijd tot zijne uitfpanning bertemd, met allen ijver aan deze edele wetenfchap toe te wijden, begevende zig onder 't bellier van den watteren PourUaitfchilder Jan Maurits Quinkijard, die toen naast zijn deur woonde, en hem in de tekenkonst onderwees j het welk zijnen lust en ijver zodanig aanvuurjie, dat hij met het begin van 1738 , toen 21 jaren bereikt hebbende, der koopmanfchap vaarwel zeide, en zig onder de leiding van zijnen bekwamen meester, .geheel en al der konst toewijdde, bij wien hij zig zo lang in 't tekenen en fchilderen oefFende, tot dat hij bekwaam wierdt gekeurd om zig zeiven te kunnen voorthelpen." Zijne zugt tot den krijgsdienst die gants niet uitgedoofd was beftierde zijne genegentheid meestal, tot 't fchilderen van paar! den en allerlei foort van oorlogstuig; teneinde nu hier toe ene nodige kundigheid te verkrijgen, deedt hij ene reize naar de legers, die in 1743 aan den lihijn en Maijn gekampeert Honden, en om hier zijn oogmerk ten vollen te bereiken, nam hij dienst als volontair, waar door hij gelegenheid kreeg' em alles van nabij te befcho.uwen, en af te tekenen wat hem maar eenigzints van dienst konde zijn, zig zeer. geduldig de vermoeijenisfen getroostende, die onaffcheidelijk liet krijgs-' leven verzeilen; ook toonde hij bij een voorvallenden veldflag, dat het hem aan geen moed noch dapperheid ontbrak, hebbende hier van ook een volledig getuigfchrift van de ge! biedende legerhoofden bekomen. In i746 en I747> zette hij zijne konst-met ijver naar zijne gemaakte tekeningen voort; en zijn voornemen was, om den veldtogt van 1748 te gaan bijwonen, toen hij daar in door de onverwagte tekening" der Akenfi vrede verhinderd wierdt. _ J. v.Gool, Nieuwe Sehouwb. fkr.Ncd. Schildert, ft D* bl. ysn ^AF-  BAKKER. (ADRI'AAIn) M BAKKER (ADRIAAN), Schout der ftad Haarlem, hekiëfedde dit ambt in 1690, een tijdftip waar in de gemoederen 'door velerlei ontroerende omftandighedeh, ligtelijk. tot het uitoeftenen van buitenfporighedën overfloegen. Té Rdtteida?) was nauwlijks een verbazend oproer geftild, of meri zag een diergelijk binnen Haarlem om een bijna niets betekenend voorval op het hevigfte uitbarüen, dat egter 8oor dfe fófog der gewapende burgerij in zijne beginzelen gefluit weidt, Ds Regering aldaar hadt namelijk ter voorkoming van brand, het roken van tabak op ftraten, wagens en fchuiten, en op gevaarlijke plaatzen binnen's huis, verboden; cp ene boete vari zes guldens voor elk die 'er op betrapt werdt, Het gemeen fpotte met dit bevel, en overtrad hetzelve bijna ieder ogontlik. De Schout die zig ambtshalve verpligt rekende, de gemaakte keur te doen gehoorzamen, tastte bp den 23 october ènen jongeling cp de flraat aan, en vorderde Van hem & boete; de knaap weigeragtig of bnmagtig zijnde biö të betalen, trok Schout Bakker hem den rok uit; het gemene volk dit iiende, hieldt zulks voor een zware belediging; loopt den Schout na, én dwingt hem den rok te rug të geven», dan hier mede niet te vrede, begeerde men ook de boeten die enigen reeds betaald hadden, te rug. _ Ook keef het hier nog niet bij; want als het woeste grauw eens aan 't hóllen is, heelt men veel werk om het te doen bedaren. Men fprak Van dei Schouts huis te willen plunderen; ook werden 'er de glazen ingefmetën, en ander geweld gepleegd; en terwijl men met dit voorfpel van plundering doende was j waren 'er die zig bezig hielden, een lijst van regenten op te Hellen, die men verzekerde dat het zelvde lot zouden óndergaan. Thans dagt men ook het gunftige ogenblik aanwezig te zijn, om de zoutpagt'ën andere lasten af te krijgen; doch de fchuttsrij bij tijds in de wapenen gebragt, pfaatfte zig vóór de huizen, M 't grootfte gevaar liepen, en ftuitte den opftand. Den a$ 's morgens bij tijds, kwam 'er een regiment voetvolk, benevens enige ruiterij in de ftad, 't welk zo veel fchrik onder 't grauw te wege bragt, dat niémand »6Sf durfde kikken; C 4 twe3  4» BAKKER. (ADRIAAN) (JAKOB) (JAN de) twee der oproerigen middelerwijl gegrepen zijnde, werden met geesfeling geftraft; twaalf anderen die gevlugt waren openlijk ingedaagd, en hier mede was de zaak afgelopen. . Europ. Merkur. van 1690. oüob.-decemb. bl. 91-9^ T-7 Wia, Vad. Hifi. XVI. D. bl. 129. ' BAKKER (ADRIAAN), Konstfchüder, geboren ïtAnjlel dam, was een broeders zoon van Jakob Bakker; hij muntte inzonderheid uit, in het fchilderen van grote hiftorie-ftukken en pourtraitten. Onder zijne voorname konstwérken wordt ge■teld, het ftuk op 1 ftadhuis van Amfteldam geplaatst, tegen het wulfzei boven den ingang van de pleitkamer, verbeeldende het laatfte oirdeel; waar in zig könftig getekende naakten doen zien, waar in hij meer als in zijn wijze van fchilderen geprezen wordt. Hij is geftorvèn te Amfteldam in 1686. HoubrAKÉïf, Schouwb. der Ned. Schilders. III. D. bl. 18 ff. BAKKER (JAKOB), Konstfchüder, geboren te Harlingen m 1609, was de oom van Adriaan, en een meester in 't fchilderen van hiftorienen pourtraitten, welke laatften hij könftig met een goede gelijkenis en vaardig opmaakte; ja 't is bijna niet te geloven, 't gene van.zijne uitftekende vaardigheid in 't fchilderen, verhaald wordt; namentlijk: dat hij ene vrouwe van Haarlem gekomen om uitgefchilderd te worden niet kraag, klederen, twee handen levensgrootte, ruim halver! wegen en wel.gqfchilderd, op enen dag voltooide, en zij met het ftuk voor den avond naar Haarlem vertrok. Ook bezat hij ene uitftekende wijze van tekenen; zijne Akademie-beelden heeft hij, inzonderheid de vrouwtjes zo konftig op blauw palier met zwart en wit krijt getekend, dat hij daar door de kroon van alle zijne tijdgenoten heeft weggedragen. Hij is te Amfteldam den 27 augustus 1651 geftorvèn, 42 jaren oud zijnde. Houbraken, Schouwb. I. D. bl. 336. BAKKER (JAN de), een der eerfte belijders en verkondigers der lerevanLuxHER, in de. Nederlanden, hadt, in weerwil van hem zeiven,.en alleen op fterk aanhouden van zij. Ben vader, den geestelijken ftaat aangenomen. .Zedert wierdt  BAKKÉR. (JAN de) 42 bij Priester te Woerden. Getuige van de gruwelen, welke ds ongehuwde ftaat der Kerkelijken voortbragt, en zelve, daarenboven, niet ongenegen tot het gezellige leven, hadt hij ene vrouw getrouwd. Hem mishaagden, wijders, vele leerftellin. gen der roomfe Keike, omtrent welke hij van oirdeel was, dat het gros der Christenen nader diende onderrigt te worden. Van hier zijne koenheid in het wederfpreken van menfelijke inftellingen. 't Een en ander deedt hem, bij de Geloofsonderzoekeren, eerlang in 't oog lopen, 't Gevolg was, dat hij in 's Gravenhage in hegtenis geraakte. In zijn verhoor voor zijne Regters, vielen verfcheiden redewisfelingen voor. ' Hij verklaarde, niets te willen vastftellen, dan 't geen in de H. Schrifture was uitgedrukt, in zulk een vei Hand ,^ als de H< Geest, door wiens ingeving dezelve gefchreven was, die wilde verftaan hebben; tot welkers uitlegginge men geene andere woorden, dan die der Schrifture zelve nodig hadt. Den Christenen beweerde hij, ftondt het niet vrij, door geweld iemand tot het geloof te dwingen. Men moest de men'fcheri dwingen in te gaan , gelijk als God dwingt en gebiedt te dwingen, niet met gevangenisfén, Hagen of vuur, maar met weldadigheid en infcherping van 't Godlijk woord, met wel te leven en te leren. Hij beklaagde zig dat de hoererij, onder1 de Priesters dagelijks geplèegd, gebiegt en vergeven wierdt. Hij' bekende het geweld, welk hij op zig zeiven hadt geoeffend, om zig van vrouwen te onthouden, doch de drift der nature niet te hebben- kunnen overwinnen; om allen aanftoot, zo veel mooglijk, - te vermijden, was hij daarom heimelijk en zonder getuigen getrouwd. Ondanks 's mans bondige redenen, wierdt Jan de Bakker ten vure verwezen. Zijn vader bezogt en verfierkte hem in de gevangenisfe: xifi wel remoed, dus fprak hij,hem aan, vw voort in 't goede. Naar % voorbeeld van Abraham, ben ik bereid, mijnen zeer lieven zoon, die mij nooit misdaan heeft, Gode op te offeren. Op den dag,, 't was den 15 feptember, als het doodvonnis aan hem zon volvoerd worden, ontwijdde men hem vooraf op ene hoge flellaadje: toen omhing men hem met een kort ^esl kleed, C - en  4* BAKKER. BAKEEREEL: en zette hem'een zotskap op het hoofd,. In 't voorbijgaan vari ide gevangenisfe naar de ftrafpiaats, riep hij de genen, welke om het geloof, aldaar zaten.opgefldtën, enige hartfterkendê en vertroostende woorden ttoe. Met een vrolijk gejuich en handgeklap; wiëfden deze beantwoord. Men bondt hem aan een paal, worgde hem, en verbrandde voorts.zijn lighaam toe asfche. Dus deerlijk een uiteinde hadt Jan de Bakker, ih den ouderdom van weinig meer dan 26 jaren. Zints de piediking ian Luther, was hij in Holland de eerfte martelaar. . G. Gnaphjéi , Hiftoria. de Martijrio J. Pistorii a Woerdbu G. Brandt, Hifi. der Reform. 1. D. bl. 26 en 95, BAKKER (KÖRNELIS ADRIAANSZOÖN) , bekleedde In 1575 hat ambt van Penfionaris te Zierikzee, in welke waardigheid hij een der Afgevaardigden was tot de vredehandeling te Breda. Wao. , Vad. Hifi. VII. D. bl. 29: BAKKER (IviEEUWES MEINDERTSZOON), een geboren bnrger van Amfteldam, verdient als de uitvinder van een allernuttigst werktuig, ene piaats in deze Siographie te bekleden; hij vondt namelijk in het begin van 1650, de Kameelen of Schip]igters uit, door middel van welken, de zwaarfte oor^ logfchepen van 90 en 100 ftukken, zonder hinder over 'c Pampus en andere ondiepten in de Zuiderzee, van Amfteldam af naar de Vlieter tce worden geligt Wagen;, Befchr. van Amfteldam, VI. St. bl. 177. BAKKEREEL CGUILIAM en GILLIS) , Konstfchilders , geboortig van Antwerpen, leefden omtrent in 't midden der vorige eeuw; het waren twee broeders gelijk in naam, maar gants verfchillende van aart, geneigtheid en verkiezing hunne* konsthandeling; want de ene was een Iandfchapfchilder, de ander hadt zig tot het fchilderen van grote beelden bepaalt. Daar is geen geflagt bekend, waar onder 'de konst zo vele jaren agter een heeft gebloeit, als het geflagt der Bakkereelen. Van ouds her, heeft 'er altijd een of twee te Romen gewoond ; en de laatfte was aldaar niet geftorvèn, of 'er trok ftraks weder een ftuk of twee van Antwerpen naar toe, om  BALCK. (DOMINIKUS) 43 om de plaats te vullen. Sandrart verhaalt: „ dat hij 'er in „ zijn leven zeven of agt van gekend heeft, die veel geld door hun konst wonnen, maai' ook alles weer in vrolijkheid „ verteerden." —— Houbraken, Schouwb. I. D. bl. 218- BALCK (DOMINIKUS), Profesfor in de regtsgeleerdheid" £e Franeker wierdt geboren te Leeuwarden den 12 april 1684; hij was de zoon van Johannes Balck Med. Doktor, en van Sofhia Viglius, ene dogter van Kornelis Viglius, Advokaat voor 't Hof van Friesland en Secretaris van Ferwerderadeel. Zijn enigfte broeder Joh. Balck , was insgelijks Advokaat voor gemelden Hove en Rector der latijnfe fenolen te Leeuwarden; een man van grote geleerdheid, die bij zijn affterven op den 20 feptember 1752, een uitmuntende Bibliotheek heeft nagelaten. Dominikus verloor zijn vader zes jaren oud zijnde, volvoerde zijn eerfte letteroeffeningen in zijn geboorteflad, en wierdt in december 1700 naar 't Hogefchool te Franeker gezonden, alwaar hij zig in de latijnfe en griekfe lettei/.unde oeffende, onder het bellier van Willem Coetier en Lam» Bos, de wijsbegeerte hoorde hij bij Ruard. Andala, en onderwijs in de godgeleerdheid genoot hij van den groten Campeg. Vitfjnga ; waar na hij de regten beoeffende, onder op • zigt van de kundige meesters Zachar. Huber en Amt. Schultino; gaande vervolgens naar Leijden, om ook de lesfen van Joh. Voet en Ger. Noodt in die wetenfehap te horen. In 't jaar 1706 naar Friesland te rug gekeerd, wierdt hij op den 17 feptember te Franetr tot Doktor in beide de regten gepromoveerd, en begaf zig toen naar Leeuwarden, om voor het Plof van Friesland de praktijk te oefFenen. Ruim tweejaren later, namelijk den 29 maart 1709, wierdt hij te Franeker als buitengewoon Hoogleraar in de regten beroepen; in welken poat hij verbleef tot den 4 november 1712, wanneer, hij door 't vertrek van Profesfor Schultino naar Le;jden, in; diens plaatze tot gewoon Hoogleraar werdt bevorderd, in welke waardigheid hij op den 13 november 1713, door ene^ plegtige ■ redevoeiing werdt ingewijd, en die hij gedurende eeu|  44 BALCK. (EVERHAKDJ eert tijdvak van ruim 36 jaren mét alle getrouwheid en ijver, heeft waargenomen, met het- verklaren der Injlituten en Pandekten, hebbende door zijn onderwijs vele bekwame Mannen voor den ftaat en pleitzaal gévormt. Hij ftierf dén 17 mejj 1750, en zijn ambtgenoot Christ. Hendrik Trotz, zederc Profesfor te Utrecht, heeft zijne nagedagtehis door cên plegtige lijkoratle gevierd, welke door den druk 'wereldkundig is gemaakt. Onze Profesfor trouwde den 11 maart 1715, met Anna LATANé, dogter van Pieter LATANé, Hoogleraar in de genees- en kruidkunde te Franeker, en Margriet Geertruid Steindam; ene dogter van den Profesfor in de theoldgie Abraham Steindam. Zijne vrouw ftierf 16 dagen voot hem; na-lange jaren een zukkelend.leven doorgeworfteld td hebben; drie kinderen hadt hij bij haar verwekt, waar. van hef ene vroegtijdig Overleed, en hij de bittere.fmertê hadt dé beide anderen te verliezen, toen zij hunne ftudien hadden voltrokken, en alle redenen gaven te hopen, dat zij in 't iaven gebleven , de loffelijke voetftappen van hunnen' vader in het vak der regisgeleerdheid,. zouden hebben .nagewandelt. Gedagtig het goede dat bij ain Frieslands Hogefchool hadt genoten, befprak onze Profesfor aan de.zelver Bibliotheek, 300 guldens tot aankoop van boeken. Hij heeft geene fchriften in druk nagelaten, dan alleen drie Dispuiten, en zijne Oratio inaiiguralis, de origine atque utilitate fitcionum Juris, apud Romanos. Franeq. T714. fol. —. Vriemoüt, Athenl Frif. p. 758. feqq: BALCK (EVERHARD), Hoogleraar in' de regisgeleerdheid te Harderwijk, is geboren te Deventer in 1590. Na de gewone letteroeffeningen der jeugd doorgeworfteld te hebben , bepaalde hij zig inzonderheid tot de beoeffening der r'egtsgeleerdheid , ten welken einde om daar in.kundig te Woiden, hij verfcheidene Hogefcholen bezógt, en de leslcn der voornaamfte Mannen in die wetenfehap bedreven, hoorde; de laatfte, en die hij tot den eindpaal van zijnen loop uitgekozen hadt, was Bourges; hier verkreeg hij de doktorale' v. aar-  BALCK. (EVERHARD) 4J. hardigheid, en wierdt 'er wel dra tot Hoogleraar in'deregi ten aangefteld, welken post hij met veel roem waarnam tot het jaar 1625, toen de bezorgers van het Harderwijker. Hogefchool, hem iri dien zelvden post aan hun pas ontlokene Akademie benepen ; hij aanvaarde die' met genoegen, kweet 'er zig met alle vereiste'ijver en werkzaamheid van, en beantwoordde volv komen aan het vertrouwen van zijne Mecenaten. Dan de arbeidzame taak aan zijne bediening verknogt al te flaafagtig uitocffenende , zonder zig genoegzaam enige uitfpanning te. gunnen , was oirsaak, dat zijne gezondheid 'er grotelijks bij leed, en hij door een bederf in zijne vogten wierdt aangetast, waar van hij hoopte te zullen herftellen, met zijn gehoortelugt te Deventer te gaan ademen, voor welke plaats hij behalven dat nog een bijzondere betrekking hadt, doordien 'er zijne moeder woonde. Doch dit ingebeeld hulpmiddel was kragteloos, zijn kwaal verergerde, en hij ftierf in de armen van zijne bedrukte mceder, den 2 maart 1628, nauwlijks 38 jaren bereikt hebbende. Zijn vroegtijdige dood was een treffend verlies voorde aankweekende geleerdheid van dien tijd, want Everhard Balck was een doorkundig mensen; hij paarde bij een gelukkig geheugen, een fijn en fchrander oirdee], en ene diepdenkende kunde in vele wetenfehappen, inzonderheid in de regtsgeleerdheid, waar op hij zig voornaamlijk hadt toegelegt. H. Heyendaal een regtsgeleerde, aan hem bevriend, heeft een uitmuntend vers in het nederduits op zijnen dood gedigt, doch te. lang om hier te kunnen plaatzen. Onze. Profesfor heeft enige latijnfe werken in druk uitgegeven, die eer; aan zijne nagedagtenis doen, en waar van geen het minst geagtfte is: Ele$amm Juris Civilis Libr. II. in quibus varia Jut: Civ. loca, 6? quetstiones, noyiter erplicanpur, decidtmtur, trac- ■ ' tantur. Harderovici., 1628. in L2°. Jacoeus Zevecotiüs, voorheen Augustiner Monnik te Gent, doch toen ter tijd ' Hoogleraar in de gefchiedenisfen en welfprekendheid te Harderwijk, heeft dit werk door enige laüjnfe digtregels vereeuwigt, die men W zijne uitgegevene Poëmata vindt, en ook ziin te lezen bij Paol-ot, Mem. litter. Tom. XVIII. p. 435 £c* — Val.  45 BALBIAN. (JOSSE van) (KQRNELIS van) Val. Andr., Bibl. Belg. p. 2X. Revii, Daventrtct ilhiftr. p. 673- Foppens, Bibl. Belg. p. 629. Witte, Diarium liogmph. ad ann. 1628. C. Saxi, Omm. liter. P. IV. pag. 325. BALBIAN (JOSSEvan), Med. Doktor, is omftrcsks 155, te Aalst in Flaanderen geboren. Hij kreeg fmaak voor de geneeskonst, leide zig op de beoeffening van die wetenfchap toe, en wierdt te Padua tot Doktor daar in bevorderd; de beroer' ten die zijn vaderland ontrustten, en de vrees voor de gedtigte 'vïeifchaar der Inquifitie, deden hem 't zelve verlaten, en elders ene veilige wijkplaats zoeken, daar hij zonder fcbroom belijdenis van den gereformeerden godsdienst konde doen welken hij grotelijks toegedaan was. In 1597 begaf hij zig met 'er woon naar Gouda, daar hij in 1616 is geftorvèn, zo als blijkt uit het volgende graffchrift, 't welk men ontmoet in de grote kerk van die ftad, en waar uit fchijnt te blijken, dat hij vrouw en kinderen heeft gehadt: Singulos dies, fmgulas vitas puta. Jüsti a Balbian, Flandri Alostani, Philo-Chijmici, ejusque hceredum fepulchnnn. Bit heri, ego hodie, tu cras. Obiit anno "MDCXVI. Josse Balbian heeft verfcheidene werkjes in 't latijn gefchreven en doen drukken , waar van verre we-* de meesten over den Steei der Wijzen en het goudmaken handelen, en die hoe ongerijmd ook van inhoud, nogthans bij de begunftigers en beoefenaars van die ingebeelde konst, grotelijks geacht worden. F. Sweertii, Athen. Belg. p. 497. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 598. Foppens, Bibl. Belg. p. 783. TxMAREtis, Colleft. Monum. p. 239. BALBIAN (KORNELIS van), Med. Doktor, wierdt in de provintie van Flaanderen. geboren , en waarfchijnlijk uit de zelvde ftad en het zelvde gefiagt herkomftig als Josse. Hij gaf zig ook even als deze aan de beoeffening der Genees-en Scheijkunde over, en bragt een gedeelte van zijn leven in Italië door, daar hij uitgaf: Iijpecchio della Chimia. Roma 1629. 120. ■ Val. Andr., Bibl. Belg. p. 143. Foppens, Bibl. Belg. P- 194. BAL-  BALDERIR. BALDEUS. BALDUINUS. '0 BALDERIK, Bisfchop van Utrecht-1 zoon van Lodewtx? jjeji X. Graav van Kleef, en broeder van Graav Baldewyn, volgde op Bisfchop Radeodus in 917, en voerde vele uitmuntende daden uit. Hij verdreef de Deenen, maakte de vesting van Utrecht groter, en vernieuwde de domkerk van St. Marter ongemeen pragtig. Hij was een man van diepzinnige geleerdheid, onder wiens tugt en opzigt de kinders. van Keizer Heb? j5mk den I, te weten Otto, Hendrik en Bruno onderwezen en opgevoed zijn. Lr 966 trok hij naar Italië om Keizer Otto den I. te bezoeken, en verkreeg van hem de vrijheid om gouden en zilveren munt te flaan, als mede de bevestiging over de Kerk te Thiel in Gelderland. De bisfchoppelijke waardigheid een tijdvak van 59 jaren bekleed hebbende, ftierf hij op den 27 december 977. — Beka £f Heda, Hift. Uitr. cum Béfw Buchelii; in Hedam, p. 75. Batav. Sacra, I. D. bl. 613. BALDEUS (PHILIPPUS), eerst Predikant op. Ceijlon, in dienst van de Nederlandfe Oostindife Maatfchappij, en nader, hand in het vaderland te rug gekeerd te Geervliet, gaf in 't jaar 1672 uit, ene befchrijving van 't eiland Ceijlon, Malabar ejgi de kust van Kormandel; 't welk gevoegd bij de werken van ]. Dapper, J. Nieuwhof en A. Montanus, ene befchrijving Van de meeste Oostindife gewesten, benevens die van Sijrien cn Palestina oplevert, gedrukt te Amfteldam gedurende liet tijdvak van de jaren 1670-1683, in XII delen in folio, met vele fraaije prenten verfiert. BALDUINUS, Bisfchop van Utrecht, was de opvolger van Polkmarus. De vermaarde Jan Veldenaar zegt in zijnen Fasckulus temporum van hem: fji toa£ een gïoricrcfé man ban groter ueucfjöcn/ enoc fioctfjgebcren / uiant grebe arncitt bie xix grebe ban eïctte bie toap oem ban fjcm tr\be tesaf, fnn ftifïcr foen / cnbc biffchou baltwréug toaö 5ijn ouDocm. Naaf het godsdienftig gebruik van die tijden, was volgens het eenparig getuigenis, Balduinus een man van bijzondere opmerkzaamheid, zonder valsheid of bedrog. Hij overleed in inejj 994, na n°g géeit  ft BALDUINUS CE II. BALDUINUS. (FRANCBCUS> geen volle vier Jaren cjen bisfchoppelijken zetel te hebben be» zeten Beka fif Heda, Hifi. Uit. cum notis Butaan- tii Hedam, p. 9'i. ■ BALDUINUS de II, Bisfchop van Utrecht, wierdt in rr7S met eenparigheid van ftemmen, als de opvolger van Gor*l vaart tot die waardigheid verheven. Hij was een Hollander van geboorte, zijnde een broeder van Floris den III Graav Van Holland, Otto, Graav van Btmhtim en Diederik Dom proost van Utrecht. Zijn roem beftond in de zagtmoe'digheid en kuisheid,die hem toegefchreven wordt; hij was zeer ftreng tegen rovers, ftraatfchenders en rebellen, die hij fcherp ver volgde, en allerwegen uit zijn Bisdom verdreef; ook voerde hij oorlog tegen Gerard en Otto Graven van Gelder ter oir " zake van de Veluwe. Hij ftierf den ii april- llg6 aan' ene on, verwagte ziekte, na dat hij het Bisdom r8 jaren beftierd hadt i Utfupra. p. 177-183. BALDUINUS (BENEDIKTUS), de zoon van een Schoenmaker, die m zijn jeugd insgelijks het zelvde handwerk heeft gedaan en omtrent >t jaar l6oo leefde, begaf zig later tot de beceffenmg der Godgeleerdheid en Philologie. Zijn vroegfte levensfond gedenkt hij, in een door hem uitgegeven boekje, getijteld: Calceus antiquus g> mijfiicus. Paris 1615. Svo Van welk werkje mén berigt vindt bij Fabricius in Bihl— pha antiquaria, C. XVIII. (J. I0. p. 573, 5?4 sf Onom. liter. Pars IV. p. 114. ' BALDUINUS (FRANCISCUS), Hoogleraar in de regtsge. eerdheid. Onder alle de voorname Mannen, die wij onzé lezers doen kennen, zal men 'er zeldzaam ja mooglijk geen één aantieffen, die op 's werelds fchouwburg meer wisfelingen heeft ondergaan, dan deze. Als Regtsgeleerde zal men hem mmmer van het pad der- deugd zien afdwalen; dan hoe groots ' hoe verheven hij ook in dit vak der wetenfchappen uitblonk' zo veel te lager zonk hij ten aanzien van ene gepaste ftandvastighe.d in het belangrijke ftuk van den godsdienst, en bragt daar door zijn zedelijk karakter in geen geringe minachting; te  BALDUINUS. (FRANCISCUS) ♦9 te meer, daar geenzints zijn verftand, maar alleen tijdelijk belang, hem tot die wuftheid fcheen over te halen. Balduinus wierdt op den eerften dag des jaars 1520 geboren te Arms, in 't graavfchap Artois, "t welk voorheen mede tot de Nederlanden behoorde, uit een aanzienlijk geflagt; bekledende zijn vader Anthony Balduinus (Baudouin) , aldaar heC1 ambt van 'Fiskaal; zijne moeder Hendrika Johanna , was afkomftig uit het vermaarde geflagt der Foeesten. De jonge Balduinus nauwlijks lójaien oud, werdt naar Leuven gezonden, alwaar hij zig beijverde om de meeste wetenfehappen, inzonderheid de regtsgeleerdheid, onder het opzigt der voornaarnfte Hoogleraren grondig te beoeffenen. Hoedanig hij hier in Haagde, bleek toen hij reeds in 1542 in't licht gaf: Leges Jufiiniani de re Rustica, met aanmerkingen, die hij twee jaren te voren te Parijs hadt bearbeid, Balduinus trok in 1543 ten twedenmale naar die ftad. Hij drong zig hier in de gunst en vriendfchap van L. Baif , Karel du Moulin en Cujacius , en nam zijn intrek bij du Moulin. Aldaar betoonde hij reeds enigen afkeer voor den roomfen godsdienst, en het duurde niet lang, of hij gaf daar opentiijk blijken van; want nog in dat zelvde jaar ondernam hij ene reize naar Geneve, en leidq aldaar belijdenis van de leer van Calvyn af. In 1545, kwam hij over Straats* lurg, na aldaar een mondgefprek met Martinus Bücerus gehouden te hebben, te Parijs te rug, begevende zig aldaar weder tot de roomfe Kerk. Ook nodigde hij door een Programma, onder den tijtel: Pmfata de Jure Cirili, de Studenten ter aanhoring van zijne voorlezingen, en bragt in 1546, de fchone verhandelingen over de Injlituten van Justiniaan to voorfchijn. Zijne wufte onberadenheid, dreef hem ten twedenmale naar Geneve, en wel tot Calvyn , die hem met alle gulheid en de toegenegenheid enes vaders ontving, gunnende hem zijn huis en tafel, doordien hij voorgaf zijne leerflellingen op nieuw te willen omhelzen. Hier door ontging hem het ambt van Hoogleraar te Grenoble, dat hem toegedagt v/as. Hij keerde vervolgens te rug naar Parijs, verborg zijne herhaalde verandering van godsdienst, en begaf zig met ongemene vlijt tot' II. Deel. D het  S* BALDUINUS. (FRANCISCUS) het leraren en fchrijven. In i548, deedt hij zijne Commentarien over de voornaamfte Jufiiniaanfe Novellen, te Lion drukken, In dat zelvde jaar leide Francisous Duarenus zijn profesforaat te Bourges neder, om het ambt van Advokaat te Parijste aanvaarden; deze een goed vriend van hem zijnde, wist bij de Regering van Bourges te bewerken, dat Balduinus in zijne plaats werdt aangefteld. Dan de vriendfehap tusfen deze twee grote Mannen, duurde niet lang, maar verwisfelde wel haast in enen onverzoenlijken haat; want Eguinarius Bara de ambtgenoot van Balduinus, met wien Duarenus zig niet had L-rmen verdragen, en inzonderheid om die reden Bourges hadt verlaten, kwam in het jaar 1550 te flerven. Duarenus wist 2!g dooi; zijne vrienden dien post te verzorgen, met een aanzienlijke wedde, verre die van Balduinus te boven gaande; rdt gaf aanleiding niet alleen tot onaangenaamheden, maar veroirzaakte zelvs zodanig verregaande twist, dat de Studenten partij kozen, en het tot dadelijkheden overfloeg. De Regering van Bourges fcheen, door fcherpe verwijtingen-, Balduinus als den bewerker hiér van te befchouwen. Wat hier ook van mag zijn, zeker is het, dat hem het verbliif te Bowes ondraaglijk werdt, en hij zonder iemand vaarwel te zeggen, in 1.555 van daar vertrok. Gedurende deze twisten, trad hij in H huwelijk met Kataeina Biton, weduwe van Philippus Labbeus, een agter-kleinzoon van den geleerden Jefuit van dien zelvden naam; hier verwekte hij maar ene dogter bij, welke te Heidelherg geboren, en tweemalen gehuwd is geweest. Hij begaf zig naar Geneve, en nam zijn toevlugt weder tot Calvyn, die geen reden hadt om hem vriendelijk te ontvangen; bij wist egter op nieuw zijne genegenheid te winnen, met zig ten derdenmale in 't openbaar tot de Hervormden te begeven. Van Geneve trok hij naar Tubingen, ter verkrijging van den post-als Hoogleraar, die door Karel du Moulin aldaar zedert enigen tijd bekleed was; dan de onophoudelijke klagten zijner mededingers, ja zelvs naderhand die van zijne ambtgeroten, hoofdzaaklijk befTaande, dat hij zijne regtsgeleerde Iesfêlï met ie veel theologie vermengde, maakten zo veel gerugt ten  BALDUINUS. fFRANCISCUS) JQ ten ziinea r.odele, dat hij genoodzaakt wierdt ten einde onaangeiraamhedfa. te ontgaan, van die bediening vrijwilligen afftand te doen, fohoon de Hertog van Wurtemberg die hem gunftig was en zijne vcrdienften kende, hem gaarne wilde behouden; doch Balduinus onbuigzaam, wilde na geen stoorflagen van bemiddeling, luisteren. Op raad van Calvyn nam hij toen op zeer voordelige voorwaarden, het ambt van Hoogleraar op het doorlugtig (obool van Straatsburg aan; dit GijmXiafium in 1566 tot ene Hogefchool bevorderd, deedt hij aldaar een openbare redevoering over de Burgerlijke Regten, en liet dezelve in druk uitgaan; geen geringe trekken bragt hij daar in te berde, tegens Duarenus, hem affchilderende als den fchijnheiligften aller ftervelingen, die de jeugd door ondeugende leerftellingen tragtte te verleiden, om die reden de Duitfers aanradende, hunne kinderen niet naar Frankrijk tc aenden. Dan Duarenus bleef hem niets fchuldig, want twee brieven die hij in druk uitgaf, den enen aan Calvyn en den ander aan F. Hottmankus gerigt, waren met de gevoeligfte uitdrukkingen vervuld, ja van den laatften zou men gebruik hebben kunnen maken, om een naamregister van fcheld. woorden famen te fielten. Doch Balduinus gaf geen kamp; in 155Ö, liet hij te Straatsburg een zogenaamd Christelijk antwoord drukken, waar in hij nog fterker fchold en raasde, dan Duarenus gedaan hadt. In dat zelvde jaar wierdt Hottman zijn ambtgenoot, welke tot dien tijd toe te Laufanne, defraaije letteren onderwezen hadt. Balduinus hadt veel tot die beroeping toegebragt ; doch het gevolg beantwoordde in geenen dele aan de verwagting die hij 'er zig van hadt voorgeteld;^ want Hottman werdt voor hem een twede Duarenus, dat is zijn volflagen vijand; en om den eerften wraak te verfchalFen, nam de twede alle mooglijke middelen te baat, om hem te kwellen. Bij dit verdriet, kwam nog een ongemene duurte van levensmiddelen te Straatsburg; 't welk alles famengenomen, Balduinus deedt befluiten, een ander verblijf te zoeken; en hier toe deedt zig gemakkelijk ene gelegenheid op. De Keurpaltfife Kanfelier Minkwis en nog twee voorname Hofraden, D z wa*  fS BALDUINUS. (FRANCISCUS; waren zijne vrienden; deze hadden hem reeds in den unnng van X55ó geraden, vóór zijn ambt te Straatsburg te bedanken, en een dergelijk op het Hogefchool te Heidelberg te aanvaarden , waar toe zij zig fterk maakten hem zulks te bezorgen t zo zeer hij in den beginne daar over weifelde, zo min zwarigheid vondt hij 'er nu in om het aan te nemen; hij trok das ifi 1557 derwaarts, wierdt van Gereformeerd een Lutheraan, bragt zijne ledige uren Set fchrijven door, en leefde vergenoegd; welk genoegen trapswijze vermeerderde, door de komst zijner huisvrouw, die hij in Frankrijk hadt agtergelaten , ea door de verkrijging van zijne bibliotheek, waar van hem 't gebruik tot hier toe geweigerd was; voeg hier nog bij, de eer riiö hij genoot, van in dat zelvde jaar de vergadering te Frank, fifi bij te wonen, welke door middel van den Keurvorst van de Paltz, Otto Hendrik, was bewerkt, ten eindo door de bijeenkomst van enige Duitfe Vorften, een einde aan den lang, durigen twist te maken, tusfen de huizen van Hesfen en Nas, fa, over de Katzenelleboogfe erfopvolging; door zijn' cirdeelkundige raadgevingen, bragt hij veel toe, om dat hatelijke ge, ühil te beflisfen, en tot genoegen van beide partijen ten dmcie te brengen, Het was ook'op deze vergadering, dat Bal.CÜÜïuS kennis maakte, met den beroemden, en dcor zijne fchriften alom bekenden Jacobus Ommulius; en dat teffens ■de grond gelegd wierdt van die vertrouwelijke vriendfehap, welke zedeit tusfen hem en den roomfen Geestelijken Kassan' der plaats heeft gevonden, wiens gemeenzame onderhoudingen hem een verregaande onverfchilligheid voor de Protestanten inboezemden; waar van egter eigenbelang, naar alle Waarfchijnlijkheid, het beweegrad was; want op dien tijd hadt Hertog Willem reeds op 't oog, om te Duisburg een Hogeichool op te rigten , alwaar Kassander den post van eerften Hoogleraar zoude vervullen, en Balduinus ongetwijfeld ook iiiet zoude vergeten worden; doch het gantfe werk blee," in de geboorte fteken. Hoe vergenoegd hij nu ook te Heidelberg gedurende enigen tijd leefde, bewerkte egter zijne onverzadeiykc zugt tot verandering, zonder 'cr enige fchijnbare reden, voor  BAJLDU1NU5. (PRANCIS-CüS) , |j . voor te hebben , dat hem daar alles tot een last wfevdj. Verblind door fiche nerende voortützigten, deedt hij zig in 1561 , onder voorwendzel van dringende noodzaaklijkhsidf naar Frankrijk nodigen, en zeide de zekere plaats te Meidellerg vaarwel, om aldaar een hoger doch onzekerder trap van eer te beklimmen. Zijn eerfle bedrijf in Frankrijk komende, was al wederom van godsdienst te verwisfeien, en van protestant wieidt hij nu op nieuw roomsgezind; want hij begreep wel, dat anderzints de weg tot fortuiii voor hem zoude geflc*ten zijn. In dezen tijd werdt het ontwerp gevormt, om site 4? Roamft en protestantfe hoofden onder een hoed te brengent men wierp de ogen op Kassander, om zulks te bewerkite'digei?; dan deze die liever een anderen, dan zig zei ven dezen l89t op den hals gefchoven zag, prees Balduinus als den bekwsamften hier toe aan; ook nam 'er de Koning van Navttrre genoegen in, en deed Balduinus bij zig komen, om, na eiiig? gemaakte ontwerpen, ene reize door het Duitfe rijk te. doen, waar toe de Koning hem 100 gouden kroonen fchoot, voor. ziende hem teffens van een onderrigtfchrift, waar naar hij mef goedvinden van Kassander, den vrede der Kerke moest zien te bewerken. Intusfen dat Balduinus zig tot deze reize bereid' de, werdt op bevel van den Kardinaal van Lotharingen f K«' hel, Hertog van Guife, te Poisfij ene Kerkvergadering be-. legd, waar bij zo wel Protestantfe als Roomfe Godgeleerden tegenwoordig waren. Balduinus fchoon afwezend, toonde zig egter , niet onverfchillig daar omtrent, 's Mans pogingen hadden bijzonder ten oogmerke, om de Gereformeerden geen voordeel uit die vergadering te doen trekken, indien het hem al nietmooglijk geweest ware, hen onder elkander verdeeld w piaken; het gelukte hem ook die vergadering vrugtloos te doen fcheidem Bij zijne terugkomst uit Duitsland, bragt hij £we-i voorhagen van vergelijking mot zig; doch om die van gee.r vrugtte doen zijn, kwam'hij niet eerder, dan toen de gezegd», vergadering reeds uit een was gegaan; want niets ging h#ï jninder ter harte, dan die bedoelde vereniging;'doordien tóen •Biet zekerheid gemeld vindt, dat het hem niet aan de» ïvü p 3 ont-  54 balduinus. (franciscus) ontbroken heeft, om den Koning van Navarre den godsdienst der Hervormden zo hatelijk af te fchilderen , als dien der Roomfen in een gimftig daglicht te (lellen. Voor deze en andere gedane dienden, verwagtte hij van de roomfe Vorften, ja zelvs van het Opperhoofd der Kerke, grote beloningen, en verbeeldde zig, het geluk reeds agierhaald en gegrepen te hebben. Dan ook in deze hoop vondt hij zig bedrogen; want de Bisftbop van raknee, Jan van Montluc, die hem voor zijn vertrek uit Duitsland, de belofte van een zeer voordelig Profesforaat te Valence gedaan hadt, was de eerfte dien hij ten enemalen van gedagten veranderd vondt. Na vele andere tegenftribbehngen ondergaan te hebben, moest hij zig ten laatften gelukk.g rekenen, dat Karel van Bourbon, natuurlijke zoon des Konings, op ene fobere bezolding, aan zijn beftuur werdt toevertrouwd. Ook geraakte Balduinus in dezen tijd, in een zeer hevigen twist met Calvyn en s. Crispyn, waar van zijne fchriften de duidelijkfte bewijzen opleveren; dan ook niet» genftaande deze moeilijkheid, begaf hij zig met zijnen leerling m 1562, naar Italië, ter bijwoning van de Kerkvergadering te Traite, 't welk men ook als het voornaamfte oogmerk zijner reize houdt; doch hier bij vondt hij wederom een verkeerde rekening, veroirzaakt door den dood van den Koning van Na, varre, die in de maand november van dat zelvde jaar overleed aan ene gevaarlijke wonde, die hij in de belegering van Rouaan bekomen hadt. Daar was dus niets anders voor Balduinus op, dan langs den naasten weg fpoedig naar Parijs te keren, alwaar hij bij zijne komst, zijne meubelen en boeken gants niet in dien ftaat vondt, als hij wel gewenst hadt. In de beroerten door den binnenlandfen krijg veroirzaakt, was alles deerlijk verftrooid geraakt, en hij behoefde niet zeer fcherpztonrg te zijn, om te bemerken, dat hij aldaar weinig vrienden hadt; ten minften niemand, die gedurende zijn afwezen, enige acht op zijné goederen geflagen hadt. \ Daar het hem in Frankrijk geheel niet fcheen te willen gelukken, en de onzekerheid wam- in hij zig be vondt, hem dagelijks met'fiienwe gevaren dreigde, dagt hij best het oog-naai 1  BALDUINUS. (FRANCISCLS) '5 tün vaderland te flaan, en daar te rug te keren; doch de matigheid was, dat, zo dra de Regering de partij der Hervinden hadt. gekozen, hij daar uit gebannen was. Overbodig sya het zijn, hier te verhalen, hoe gruwzaam en beestagtig da Spanjaarden met die genen handelden, die zig gewetenshal ven verpligt hielden, van godsdienst te veranderen. Het griefde M Staten des Lands deerlijk, dagelijks onfchuldige flagtoffers. naaï het moordfchavottezien flepen, en zij zog.en hierom met allen ijver de verzagting van'sKonings plakaten te bewerken, hmm uiterfte pogingen aanwendende om een middenweg, öf christelijke verdraagzaamheid, tusfen de Roomfen én Protestanten uit te denken. Kassander, óp wien men het oog geflagön hadt om zulks te bevorderen, behaagde egter aan de meesten met, om zijn ruw en verwaand karakter. Graav Willem Lodewyk van Nasfau, herinnerde zig ter dezer gelegenheid, onzen Balduinus, dien hij te Straatsburg had horen leraren, en te Heide'berg beter van nabij leren kennen; ook waren zijn' broeder Willem de I, en andere Groten, als de Aartsbisfchop van Kamerijk en Maximiliaan van Bergen, niet tegen hem; want Balduinus bezat, behalven zijne geleerdheid, al wat in een volkomen Hoveling vereischt wordt; en dus darten zrj hem in ftaat, die gewigtige zaak tot een gewenscht einde te kunnen brengen. Ter bevordering dan van dat heilzaam oogmerk, werdt hij ontboden, het zij om alleen of wel met medewerking van Kassander de hand aan den ploeg te flaan; en hiettegenftaande het opgemelde banvonnis tegens hem uitgefproken, werdt hij in 't jaar 15Ö4 * door den Prins van Oranje en andere Groten, buitengemeen gunilig ontvangen, en met gefchenken overladen; ook verzekerden hem alle de Edelen, dat zij hem het ambt van Hoogleraar te Doitai of te Leuven zouden bezorgen. Balduinus dien het nimmer aan woorden ontbrak, verhief hemelsbreedte zijne daden. Hij aanvaardde zijnen arbeid mei het zamenftellen van het zo beroemde en alom bekende fmeekJchrift aan den Koning. Ook bevondt hij zig bij de onvergenoegde Edelen, toen die bezig waren met het niet minder bc£> 4 rue  pö BALDUINUS. (FRANCISCUS) rugtefmeeychrift, weik daar na aan de Hertoginne Marlet van Parma, werdt overgegeven, op te flelien, en 't welk op den 3 april 1555 getekend wierdt. In het volgende jaar kwam dö tijran Alva te Brüsfiï, en deedt kort daar op de Graven Egmond en Hoorn gevangen nemen. Balduinus die mtusfen wederom te Parijs geweest, en op aandrang vanGraav Willem Lodewyk, ter verkrijging van het ambt te Douaz in allerijl naar Brusfel gereisd was, maakte zijne opwagtmg bij den Hertog. Het zal mooglrjk vreemd voorkomen, dat gen man die toen een aanhangeltng van Oranje was, waar van Alva niet onbewust konde zijn, door hem gunftig ontvangen wierdt; doch deze verwondering zal ras verdwijnen, wanneer men zig herinnert, dat hij een regtfchapen Hoveling was, en zig zijn gantfche karakter voorftelle als dat van iemand, die korrflig de huik naar den wind wist te hangen. Hoe het ook zij, het fchijnt egter door zijn volgend gedrag, dat liij den Hertog weinig betrouwde; want hij verzogt hem om verlof, zijne vrouw en boeken van Parijs. te mogen halen; doch eens daar zijnde, vergat hij naar den bloeddorftigen landvoogd te rug te keren. Hij hieldt zig nu te Parijs bezig, met het houden van voorlezingen over deP««dektsn, die met algemene toejuiching aangehoord werden; ja Gauchier de St. Marthe getuigd, in zijn lofredenen op vermaarden Rcgtsgeleerden, dat zig onder zijne hoorders, de voornaamfte Raadsheren en Krijgslieden bevonden. In 1568, wist bij de Regering van Befanpn te overreden, om een Hogefchool in hare ftad te ftigten, en zij bei iepen hem tot Hoogleraar in de regten; doch nauwelijks'hadt hij zig daar ter neder gezet, of hij wierdt gewaar dat Keizer Maximiliaan de II, aldaar geen Hoogleraar in dc regten wilde dulden; zulks fchrikte hem af, om enige lesfen televen, en welke dringende aanzoeken men hem ook daar toe deedt ver .weigerde hij het volftandig, met te zeggen: „ het rTaat ,an „ geen uitlegger der wetten vrij, de bevelen te overtreden „ van hem, die wetten geeft." Zijne bedoelingen hier dus ook verijdelt ziende, keerde bij zonder lang beraad naar Parijs te  BALDUINUS. (FBANCISCUS) 57 * rug, en wierdt eindelijk na zo vele omzwervingen, dien woeligén levenftandmoede, en zugtte naar een beftenéige rus* plaatze; hier toe bood zig ook wel dra de gelegenheid aan; want hij wierdt op aanbeveling van den Kanfelier des Heitcgs van Anjou, in 1569 door dien vorst, tot Hoogleraar in de regten te yfogmaangefteld, en bovendien benevens PieterAyrault, tot des Hertogs Raad benoemd. Dan ook hier , bereikte hij zijn doelwit niet; want voor dat vier jaren verlopen waren, werdt hij in 1573- tot Hoogleraar in de regten te Parijs beroepen; welken post hij gretig aanvaardde, en tegenswoordig was bij de luisterrijke pragt die bij de plegtige inhaling der Poolfe Gezanten ten toon gefpreid wierdt, ter gelegenheid, dat zij den Hertog van Akjcu kwamen verwittigen, dat hij op den 16 meij tot Koning van Potot was verkozen. Men verbeelde zig niet, dat Balduinus flegts een bloot aanfehouwer van deze plegtigheid was, verre van daar, hij (j-eelde Jer ene hoofdrol, want zijne redevoering aan een dier Gezanten, met name Jon. Sariüs Z/.mosky, daar hij groten lof mede behaalde, ftrekt tot een be .vijs van het tegendeel. In verfcheidene gefprekken met de Poolfe Edellieden , onderrigte hij hen, welke verbeteringen voor de Hogefcho'ol teKrakau noodzaaklek vereischt wierden , zou zij ir, bloei geraken; en tot een der gefcbüafte middelen , prees hij daar toe aan ene handleiding, hoedanig de beoerlening der regtsgelcerdheid moest beftierd worden; fchenkende hen ten dien einde, enige zijner redevoeringen en lesfen, die hij te Bourges voorheen gehouden hadt. De Poolfe Gezanten deden hun uiterfte best, hem over te halen, met hun naar Krakau te vertrekken; ook 'was Balduinus hier niet vreemd van, en zon zig daar toe hebben laten bewegen, ware de dood niet tusfen beiden gekomen, die alle de grote ontwerpen verijdelde, welke hij reeds tot die reize gefmeed hadt. Hij wierdt door een aanhoudende koorts aangetast , die hem fpoedig ten grave ücepte; en hij overleed in tegenwoordigheid van zijne huisvrouw en dogter, benevens den beroemden Jefuit MALDdKATj den 11 november i<73 i oud ruim 53 jaren in het .Roilegie ywJrD s W  55 BALDUINUS. (FRANCISCUS) ras te Parijs. Pafirius Mastos droeg zorg dat Balduinus ia het klooster der Mathurinen wierdt begraven, en dat dit zonderlinge-graffchrift op dezark'die hem bedekte, wierdt geplaatst: Cujaci? Balduinus hicjacet; hoe team reputa, & vale! Mortuis vóbis, Jurisprudentiam cerripiet gravis fopbr. Franciscus Balduinus J. C. obiit anno etatis LUI. n Kovembris a, partu Virginis M.D.LXXIII. Papyjuus Massónus Balduim Lditor pos. Zie daar lezer, de gewigtigfte levenstrekken een's mansrftanders van het Christendom werdt. Dan Balduinus verwisfeit fchielijk in een bevalliger gedaante, wanneer men hern als Geleerde befchouwt; want dan vertoont hij zig als een Man, die met behulp der griekfe en lat'tjnfe talen benevens de grondige kennis der oudheden, een der voortreffeüjkfte uitleggers van het Roomfe Wetboek was, en met den zelvden glans in het verklaren der Burgerlijke Regten en Kerkelijke Gefchiedénis praalde. In een woord, zo lang 'er zugt voor ware geleerdheid zal zijn, zullen de febriften van Balduinus als altoosdurende gedenktekenen van zijn te regt verkregenen roem, in eerbiedige aandenking blijven. Men vindt ene optelling van zijne veelvuldige uitgegevene werken, onder andeien, in de Jurisprudentia Romana &f Attka, cum pivfat. J. G. Heineccn Tom. I. p- 2-26. Ook bij Paquot, Hifi. litter. Tom. lil. p. 71-99- i Papir. Massonus , Elog. Part. II. p. 255-263. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 221. Fr. Sweertii, Athen. Belg. p. 239, 240. J^F. Foppens, Bibl. Belg. p. 281-' 284. CoNKiNfiius, ad Scec. XVI. c. III. p. 155- twn '-Mis Krantzii. Tob. Magirus , voc. Fr. Balduinus , JCtvs. Pope Blount, p. 708-709. Morhof., Polytifi. pratt. Tom. II. p. 571. Jo. Molleri, Homonijmoscap. p. 650. Crenii, Animadv. Philolog. Part. VIII. p. Wfr 118. Jo. Fabrich, Hifi. Biblist. Part. I. p. 175- Petr. Burmannus, fenior, ad Sijllog. Epifi. Tom. II. p. 241- CataL Bunav. Tom. I. vol. II. p. 1057. Jon. Frid. Jugleri, SSeytragc lm 3ftt(Nifftf ïSiegtctytytf, Tom. H. p- 41-78. Scevol. Sammarthan. II. Ekgior. p. 107-109. B. G. Struvius, in Thefaitr. var. Erudit. S. Bibliotheca antiiua. An. 1705- P- 382-386. 526-532. C. Saxi, Onam. literar. Pars III. p. 239, 240. Analeü. p. 630. D. Clement, Eiblioth. curieufe, Tom. II. p. 368. Jona Willem te Wat2r, Verbond der Edelen , li D. bl. tifltkfö BAL-  Éo BALDUINUS. (PASCHAS.) BALEN. (HENDRIK VASy BALDUINUS (PASCHASIUS) , bekleed Je in" 1553 de waardighe.d van Prior te Pakmpkin, een klooster gelegen tusfen Rljsjel en Douai; en was een-gelee d man, die ver uitge. ftrekte kundigheden bezat, zeer ervaren was in de latijnfe, giiekfe en hebreu wfe talen, de welfprekéndheid, oudheden' mathefis enz., en geboren fcheen om aan anderen den fmaak tot tvetenfehappen en godsvrugt in te boezemen. Hij muntte inzon eheid uit door zijne zagtaartigheid, zijn geduld en ingetogenhe d. Mij fchieef de volgende, werkjes: Epift. de Hebrceu Gsm ■ arum nominibus ac viribus. De Ponderibus £f Mevfuns. Dt Caendarii reformatione. Monumenta Chronicon PhanopU nmjh ap. Buzelinum,■ Gtdlo-FL p. 138. Foppens, Eiblioth. Belg, p. 933. Paquot, Memoires litter/Tom. II. p. 391, 392. BALEN (HENDRIK van-), Konstfchüder, is volgens het getuigenis van Karel van Mander, een leerling van Adam van Oört geweest. Wat zijne fchilderwijze betreft , draagt *8 t S^'ftig getuigenis weg, dat zij zo ten aanzien van ordonnantie, tekening als fchikiertrant, deugdzaam goed is, zo dat zijne Hukken wel in de reije van de konftigfte meesters ene p'aats verdienen; en, in 't bijzonder moet.men 'er van getuigen, dat hij zijne naakten zo fchoon, zo poezel van omtrek, en zo rond en kragtig heeft uitgevoerd, dat bijna' alle andere konst daar bij afvalt. Onder vele van zijne grote fchildei werken , munt inzenderheid uit, de Afbeelding der zondige/wereld, ten tijde van den Boetpiedi-ker No ach; het dorjlige'' Israël \ drinkende van 't water dat uit de fteemots ontfpringt; nog een ftuk daar Farao in het rode meir verdrin: t. Een klein ftukje van hem op koper gefchildert, verdient als een kenstja» weel befchouwt te worden; het beeld 't oirdeel van Paris af lijnde de drie Godinnen, inzonderheid Venus die zig- van agteren met hare poezelige billen laat zien , zo rond, kragtig en uitvoerig gefchilderd, dat ze buiten het tafereel febijnen uit te fteken; de grond waar op zij ftaan, is met gras, kruidjes, en voorts het gehele landfehap, uitvoerig en konftig door den FiUwedm Breugel gefchildert, On-  BALEN. (MATHYS) $i Onze Hendrik van Balen, heeft een zoon nagelaten, Jokannes genaamd, in 1611 te Antw rpen geboren, waar van K. de Bie, op bh 120 zegt: hij heef; de konst hij zfn berugts vader Hendrik van Balen geleert. Nadeihand is Johannes naar Italië gereisd, heeft aldaar de konst voortgezet, en door gijn ijver en naarftigheid, nog gedurende het leven van zijnen vader groten roem verworven, waar op dit vers flaat: Pythagqras tijran van Lemnos heeft gefchreven : Als 't lighaam fteift, de ziel tot flegte of beter iTant Verhuist. Wie twijfelt aan dit oude leerftuk, want De .^eest van Henrik leeft in Jan, bij 's vaders leven. Jan leefde nog in 1661, en woonde toen te Antwerpen, doch zijn vader was op dien tijd reeds overleden. — K. v. Mander, Leven der Schilders, II. D. bl. 17S. A. Houbraken, Schouwburg, I. D. bl. 81, BALEN (MATHYS), herkomftig uit een voornaam geflagt te Dordrecht, afftammende van Maria Balen, die benevens bare egtgenoot Matthias Aalberts, in 1557 het weeshuis te Gorkum heeft geftigt, werdt op den 1 october 1611 geboien, uit Jan Balen en Elisabeth Bokstaal zijn eerfte vrouw, welke uit een aanzienlijke familie van Gent herkomftig was, en den 1 februarij 1620 overleed. Mathys heeft diie vrouwen gehadt, de eerfte Kristina van den Tak, huwde hij den 19 jünij 1632, deze ftierf den 18 october 1642, nalatende een zoon en twee dogters; met de twede Martina Savarx trad hij in den egt den 17 april 1644, en deze ftierf den ■?o october 1652, na hem een zoon en drie dogters gebaard ie hebben; de derde was Elisabeth van Rvnberk , hier trouwde hij mede den 21 december 1653, en heeft bij haar geen kinderen verwekt. Onze Balen lei zig inzonderheid uit op de beoeffening van zijne moederspraak, en maakte versfea welke in dien tijd gefmaakt wierden; dan zijne voornaamUe letteroefening beftond, om de oudheden en de gefchiedenis van zijn vaderftad nauwkeurig op te fpoien, waar toe hij gee-  & MLEN. (MATHYS)- «« geenen aanhoudenden arbeid noch vlijt fpaarde, ook wierdt hem zeer gunitig door de Regering toegang tot de ftads archiven verleend; de vrugten die wij van 's Mans letterarbeid hebben, beitaan in de V$cftfyjjbi\W ter „Sta* ©oJÖwtSt/ bcr= tattente baar begin/ ounonrev tamemms cn tetteren fïant nij./ i(567 in 4to., en verfiert met vele fraaije platen. Dit werk benevens deszeivs maker, is door de pen van de verfiandige Juffer Margaretha Godewyk, met de volgende latijnfe. digtregels vereert : Qui Patrimn fervat meru.it geftare Coronam, Balen quid meniit? qui Patrimn aedificaU Delirium Dordrechta tuum, laus prima Camoenae% Is prelium Famae non morientis habet. Het is ook waar, dat deze befchrijving alleruitmuntendst is-, en dat de Schrijver, met voorbijgaan van zaken, welke niet tot zijn onderwerp behoren, 'er alles in bevat, wat men in de befchrijving van ene ftad kan verlangen. Hoe veel nut hij daar mede gedaan, en te gelijk zijnen naam vereeuwigd heeft, is den Nederlandtren ten overvloede bekend, uit den inhoud van 't Boek zelve, dat onmisbaar is voor iemand, die de vaderlandfe gefchiedenisfen beoeffent, doch bezwaarlijk en niet dan voor een hogen prijs is te bekomen. De war? tijd van zijn overlijden is mij niet gebleken. Foppens, Bibl. Belg. p. 865. C. Saxi, Onèm. liter. Pars V. p. 246. Pa'ouot,' Memoires fitter. Tom. IV. p. 100-102. Pars, Naamrol van dt Batav. en Holl. Schrijvers, bl. 159-160. BALEN (MATHYS), Konstfchüder, een kleinzoon van den Dordfen Hiftoriefchrijver, is te Dordrecht geboren den 24 februarij 1684; zijn vader die in 1746 overleed, hadt den ouderdom van 100 jaren, min ruim twee maanden bereikt. Al vroeg toonde Mathys , dat zijne neiging tot de fchilderkonst overhelde, met bij zijne ouders zo lang aan te houden, dat die hem eindelijk bij Arnoud Houeraken bedelden om te' leren tekenen; doch na dat hij twee jaren het fchrander onderwijs van dien begaafden Konftenaar genoten hadt, van be- fluit  BALEN. BALINGHEM. BALINUS. 6} fluit veranderden, en hem bij een Kruidenier te Rotterdam irf den winkel plaatteen, met oogmerk om hem in die nering op te b.engen; maar op zekeren tijd met zijn meester over het kloven der duigen van een pruimevat, in woorden rakende, kwam hij bij zijne ouders weer t'huis. Jritusfen begon de zugt tot de konst op. nieuw in hem te herleven; des begaf hij zig andermaal naar Houbraken, en viel met geen minder drift ais te voren aan de konstoefrening; daar hij zo lang met dien zelvden ijver in volhardde, tot hij zijne leerjaren door, en de grondregels der konst magtig zijnde, zig in ftaat oirdeelde, om voorts door eigen beoeffening zig te kunnen redden; volgende in alles nauwkeurig de manier van zijnen meester, en meest hiftorien en landfehappen van eigen vinding fchilde- ïende. — J. v. Gool, N. Schouwb, der Schilders, II. D. bl. 55~57- BALEN (PIETER KRISTOFFEL wj»), heeft ingevolge berigt van J. B. Gramaye, ene Befchrijving van 's Hatogenbpsch in het latijn uitgegeven; doch Mr. J. H. van HeurN betuigd, naar die befchrijving te vergeefs gezogt te hebben, fchoon Oudenhoven die in zijnen druk van 1670, bl. 25. aanhaalt. F. Sweertii, Athen. Belg. p. 601. v. Heuen, Befchr. van 's. Hertogenb. I. D. Voorrede, bl. 26. BALINGHEM (ANTONY van) , Jefuit, wierdt te Se. Omer geboren in 1571, in dc orden der Jefuiten in 1588 aangenomen, daar nauwer door de vier beloften in 1608 aan verbonden, en ftierf te Rijsfel den 24 januarij 1630, in zijn 5ofte jaar. Hij heeft zig ten enenmalen tot den predikdienst toegewijd, en veel roem, door zijne vlugheid en welfprekendheid, in die geestelijke renbaan verworven. Paquot , Hifi. litter. Tom. VIII. p. 131-138, telt niet minder dan 40 werkjes op, die hij over godvrugtige onderwerpen door den druk heeft gemeen gemaakt. F. Sweertii, Ath. Belg. p. 35. ForrENS, Bibl. Belg. p. 6o. BALINUS (JOHANNES), Priester, geboren te Wezel, en ook in die zelvde ftad geftorvèn. Hij is geweest Kapellaan van  tf+ BALJUW. BALLAERT. BALLING. van Claodius de Rva, Baron van Baidnpan, en heeft gefchreven: de Bello Belgico, mijpiciis Ducis Ambr. Shnul*. Brux. 1609. in 8w. Ook nog ene menigte andere werkjes, waar onder vele digtftukken, die men wil dat nog onder bewaring van zijne naastbeftaandeq berusten. . Foppens Bibl Bel* P- 567- ' ' " ' BALJUW (NO, Konstfchüder, een Antwerper van geboorte, kwam in 't Iaatfte gedeelte van de voorgaande eeuw ter wereld. Zijn voornaamfte konstoeffen'ing beftond , in her fchilderen van Henen vafen, voor de Antwerpfe bioèmfchilders • welke vafen hij op een vasten prijs ftelde, even als de bakkers het brood. Men kan niet ontkennen, of zij zijn kondig gcrchilderd en wel'gekleurd, doch vallen wat plat dat jammer is, want de kindertjes, faters, nijmfen en andere fieraden daar hij die mede heeft opgefchikt, zijn fraai en ftout gete! kend en uitnemend wel behandelt Weyerman, Leven der Schilders, III. D. bl. 230. BALLAERT (MICHIEL), Hoogleraar in de Godgeleerdheid, is te Brusfel geboren den 15 april Iff22. wndde zig vroegtijdig aan den geestelijken ftaat, en is Provintiaal geweest van de Karmeliten kloosters in Staats-Flaanderen &c. Hij ftierf den 2 februarij 1684; en heeft onder anderen gei fchreven : Fnjlitutidnum mijfticarum , libr. IV. Antv. 1671 A-to. Introduttienem tri terram Canneli. Brux. 1659. gV, ' Foppens, Bibl. Belg. p. 896". BALLING (PIETER), Priester, werdt op Sacramentsdag van het jaar 1578, na het lezen der Misfe, in de St. Bavo of grote Kerk te Haarlem, door een der moordzieke Soldaten die bezig waren met plunderen, zodanig van agteren gekwetst, dat hij op den fchoot van vrouwe Machteld van der Laan,' wier man een der nieuw aangeftelde Burgemeesteren was, ne- derzeeg, en kort na zijne bekomene wonden overleed. - Ampsing, Befchr. van Haarlem, bl. 463. Wag. , Vad. Hifi. VII. D. bl. 209. Oudheden van Kennemerl. bl. 27. BAL»  BALNEAVIS. (HENRY) CS BALNEAVIS (HENRY), een Schot van geboorte, Lt. Kollonel bij 't regiment van Stuart, een Krijgsman ruim 70 jaren oud, was in 1787 door de Staten van Holland buiten dienst gefield, om dat hij ronduit weigerde, zig aan derzelver bevelen te gedragen, in zo verre hij waande, dat die tegens zijnen eed den algemenen Staten gedaan , aanliepen. Hij beftondt ene daad, door dezen als een betoon van kloekmoedigheid aangezien, door anderen, zo zij dagten met meerder regt, voor verraad uitgekreten. Hij hadt Oudewater daar hij in guarnifoen lag, verlaten en zig naar 's Hage begeven; derwaarts wederkerende, om in gevolge het befluit van den Raad van Staten, het vorige bevelhebberfchap weder op zig te ne- . men, werdt hij afgewezen, en moest met zijn rijdtuig te rug keren. Men droeg te Oudewater alle voorzorg om hem, die pien vastftelde dat voor hadt met bijftand van volk daar binnen te komen, 'er buiten te houden. Verftandhouding met de Soldaten binnen de ftad, ftelde hem in ftaat, om den tijd der verrasiing te beramen en dezelve te volvoeren, 's Morgens tusfen vijf en zes uren naderde hij de poort, werdt door die zijne zijde hielden gekend, die op een door hem gegeven teken , met geweld de wagt aanvielen en hem den ingang bezorgden , de gereedftaande geweren afhaalden, en hem vergezelden na het verblijf des Kollonels van Citters, daar thans bevel voerende. Men brak de deur open, haalde hem en den Kapitein May, op 't onzagtfte ten bedde uit, en zette deze beiden met nog twee Officieren, een Adjudant en een Kommandant der Vrijcorporisten in hegtenis. Intusfen ging • een gedeelte zijner manfchap de poort fluiten, een ander gedeelte het gefchut op de wal vernagelen, een derde maakte zig meester van het kruidmagazijn, om 'er patronen uit te halen , gelijk zij ook de vaandels en de batailjons-kas in handen kregen. Vervolgens een wagen geprest en zijn volk in orde ,gefchaard hebbende, trok hij ter poorte uit met vliegende vaandels en flaande trommels, met vier kompagnien van Stuart, het gehele derde batailjon van Grenier, vijf Dragonders van Byland, en een man van Saxen-Gotha. Een II. Deel. E ge-  6$ BALNEAVIS. (HENRY) gedfalte y&n het batailjon van Hardenbroek uit Heusden naar finmn trekkende, vervoegde zig bij dezen. De drie kompagnien, yan Stuart in de Wierikkerfchans, onderrigt van bet Voornemen van Balneavis, wagtten den uitflag van den toeleg te Oudewater af. Dezen vernomen hebbende, verlieten zij pnder aanvoering eens Korporaals, die van den bevelhebbenden Officier defleutels gevorderd, en, op het dreigen van geweld, bekomen hadt, die fchans, waar behalven de Officieïen en enige Sergeanten, flegts 20 Soldaten bleven, alle volgden zij den weg naar Gelderland door Balneavis ingeflagen. Dit bedrijf van Balneavis, namen de Staten van Heiland op, als een verraderlijken aanflag en overweldiging van het krijgsvolk , <£ welk zij ter verdediging van hun (buverein grondgebied, aldaar in bezetting hadden. Om dit hoogverraad te ftraffèn, en hun fouverein gezag over het krijgsvolk binnen Holland gelegerd, te handhaven, beloofden zij den genen, 'dis. Balneavis op de Voorpootte in 's Hage zou leveren, of daar toe gewisfe aanwijzing wist te doen, dat hij dadelijk op de. Voorpootte in hegienis geraakte, ene bel< ning van 2000 gouden dukaten, met voimagt aan alle en een iegelijk, wie het ook zou mogen wezen, dezen Ealneavis waar hij ook te bekomen mogt zijn, daadlijk te vatten, en naar 's Hage over te brengen ; gelastende de Officieren en Geregten, om des verzogt, de behulpzame hand te bieden. Aan de Soldaten, die onder het geleide van Balneavis, waren medegegaan, deden zij bij ene openbare afkondiging, weten', dat zij de misleiden en tot inkeer komenden, voor den eerften julij, volkomen kwijtfcholden van alle ftraffèn,- waar in zij door de gepleegde euveldaden mogten vervallen wezen; terwijl zij allen, die deze kwijtfchelding van ftraffe verfmaadden, als verraders en weglopers, met de doodftraffe dreigden. Balneavis in de afkondigingen van de Staten van Holland een Verrader genoemd, werdt met zijn volk in de befcherming geno- men der Staten van Utrecht, te Amersfoort vergaderd. . 1-,L Hifi., XXXVIII. Deel, bl. 302-305. Zie ook Ver» ming m Pte\«ten, Refolutim en andere autentijke ft'ukken enz., door  BALTEN. (PIETER) BALTENSZ. (FRANS) Cr door J. A. de Chalmot, II. Deel, bl. 9, 10. XXII. Deel, fel. 29. 45. BALTEN (PIETER), Konstfchilder, wierdt in 1579 te Antwerpen in 't Schilders-gilde als lid aangenomen; hij was een zeer goed Landfchapfchilder, die de manier van Pietes. Breugel volgde, en ook fraai met de pen tekende; ook hadt hij verfcheidene landen bezogt, daar hij een menigte tekeningen naar het leven hadt vervaardigd. Hij fchilderde op een vaardige wijze, zo wel met water als olieverwen, en maakte zeer goede Beelden, fchflderende veelal Boerekermïsfen en gelijkfoortige Hukken, die gretig gczogt werden. Pieter die te Antwerpen overleden is, was ook Digter en Rhetorijker. —— K. v. Mander, Leven der Schilders, I. D. bl. 306". BALTENSZ (FRANS), is geweest in 1648 Boekdrukke* te Dordrecht, blijkens een door hem als autheur uitgegeven boekje in 8vo., onder dezen zonderlingen tijtel: J»amariunie/ ofte *>piegf)el öcr Ooöpbjcefcr.thcijt cn «Êertaar&etjr/ ofte gefrneecït ban ben ï?ecrc met j»ct rcchtscfcohtgó Wijf ban 'éamaria/ pft unt Saccb ban €ph?a:m ban ^ïctjar/ befcfeebcn ia l)rt bierbe Captttcl ban ben €bangcïi(ï fïcfjanne/ mpn$ boo$c=> fielt / bic met bcrseïöingïjc bcrgoïucn foo:bt/ boïghen^ De tooof ben öc£ ï}ccrcn &c. Uit de voorrede en het werk zelve, zoude men niet zonder grond kunnen befluiten, dat de fchrijver het gantsal in ene verbijstering van zinnen, uit zijne pen heeft doen vloeijen, doordien 'er geen zamenhang noch ïlot in het werkje van voren tot agtcren is te vinden, en de woorden onverfchillig door eikanderen fchijnen geplaatst te zijn. BALTHASAR GERARDS, geboren te Villefans in Sourl gtmdie, was de moordenaar van Willem den I, Prinfe van ■Oranje, welke gruwelijke fchendaad hij op den 10 julij 1584, door middel van een pistool ten uitvoer bragt, zijnde de Prins toen ter tijd te Delft in het St. Aagten klooster, 't welk tot een verblijf voor hem was vervaardigd. Balthasar was, terftond na het plegen van den moord, agter uit door de ftallingen weggevlugt, tot aan de veste, alwaar hij menende zig te water te E e be-  & SAETHASAR GERARDS. keggen, door twe? van '? Brlhfen dienaren, agterbaald ea gevat werdt. Men bragt hem terflond in de Conchergerie; hier '! van IW/ï, waar bij daar na Gemagtigden kwa¬ men, uit den ffogen Rade en 't Hof van Hcjland, ondervraagd zijnde, beleedt hij: ,, dat hij Balthasar Gehards genoemd >i el 9, in 't graavfchap Bqurgandie geboren was; dat P bli $ van wille was geweest, en gelegenheid hadt reM ?ogt' om de!1 Prl:ns v?n kant,te helpen. Dat hij eindelijk « v^n. 2iJn voornemen kennis gegeven hadt aan een Jefuit te M die he^ J)adt geraden, deswege, met den Prinfe « van Parjia te fpieken; dat hij hier op, naar Doornik aan ,. dezen gefchreven hadt, doch geen antwoord duiven afwa*„ ten, uit vreze dat hem 't overdragen der zegels van den Grave van Mansveld, in wiens dienst hij waarlijk geweest was, kwalijk genomen zou worden. Dat bij hier op berwaarts was gekomen, en den moord hadt uitgevoerd, daarbij „ de reis nog om doen zou, alfchoon hij zig ten dezen tijde ,, duizend mijlen van hier bavondt." Men vondt twee blazen bij hem , met behulp van welke hij over de graft dagt te zwemmen. Voorts toonde hij zig bedroefd , dat de Prins dit feadt men hem wijs gemaakt, nog leefde. Doch vernemende dat hij gewond was, geliet hij zig blijde te zijn: waar uit men vermoeden mag, dat hij 't loot vergiftigd of hoekswijze gevormd hadt. Daar na gepijnigd zijnde, verklaarde hij • in ,, zijn opzet gefterkt te zijn, door Gery' Minderbroeder te „ Doornik, die hem zijnen zegen gegeven, en door den Jefuit ,, te Trier, die hem verzekerd hadt, dat hij omkomende, dn„der de Martelaars gefteld zou worden." Andermaal gepijnigd, bekende hij: „ zijn "voornemen den Prinfe van Par,, MA geopenbaard te hebben, die hem gewezen hadt naar V dm Raadshee.r Assonville, met wien hij afgefprokeij was ,, dat hij zig om toegang bij den Prinfe te krijgen, voor enen Francqis Guion uitgeven zou. Voo^s hadt de. Raadsheer „ hem ernftig en bij herhaling vermaand, dat hij betrapt wor„ dendg, den Prins van Pa*ïu njet melden moest." Den volgenden dsg, bleef hij ook bujten pijnej, bij de gemelde '■ be-  BALTHASAR GERARBS". 6f ' i 'irtentêiiis, daar bij vcegëridé: „ dat hij uit AssoNvïr.le ver3' j „ ftaan hadt, dat Parma den toeleg preesj 'en hérri 't lö'orls, ■ j ,, bij oen Ban beloofd, verzorgen zou" &c. Voorts volharde • J hij bij de betuiging: „ dat heni zijne onderneming biet ÏOÜW» " u „ de, die hij nog ter hand liaan zou, al moest ze duizénd Ié* 1] „ vens kosten, 't Pijnigen verklaarde hij te lijden, oni Zijne ■ fl „ voorgaande zonden. Om 't ftuk aan den Prinfe Begaan, ': I „ hadt hij, als een wakker voorvegter der Rocmfe Kerke, Üeil ■' U „ hemel verdiend." Nogthans ontviel heffl, Htsferi bekten, " | dat hij 't ondernomen hadt, uit begeerte naar rijkdom. GB; | geesfè'd zijnde, paste hij op' zig toe de woorden, dböï P'ii.A' j tus gefproken van den Heere Christus, Ecce Homó, He hift '< II den mensch. Op den i3den, werdt hij door 'dé Gernagtigdci'! ' I uit den Hogen en Provintialen Rade , en door die van óèü ■ Geregte en Schepenen van Delft, gevonnist: „ om op eên „ fchavot voor 't ftadshuis gebragt te worden, daat hem éi regterhand, tusfen een tocfluitend heet ijzer, gefchrÖéid| „ 't vleesch voorts, op zes plaatzen, met gloeijendé téngen> ! „ uit Zijn lighaam genepen zou worden, zijn lighaatri tQÜ ■„ men daar na van onderen op levende vierendelen J 't hert ! „ daar uit halen, en hem in *t aangezigt werpen; 't hoofd i; van den romp gehouwen,- zou agter 's Prinfen huizing op „ een' ftaak, op den fchooltoren gefteld, de vier delen zijirs i I „ lighaams, aan de bolwerken van vier poorten der ftad ge"■ g hangen worden. Voorts zouden zijne goederen verbeurd ,; zijn." 't Horen van dit vonnis ontftelde hem dermate, dat :• hij het uur vervloekte, waar in hij eerst te Dokj den pleü:• handel leerde, 't welk hem ter kennisfe der Groten inge; wikkeld, en uit ziigt tot ftaat J tot zulk een ramp' gebragt hadt; dan hij herftelde zig egter fposdig. Des anderen daags den !, isden julij, werdt het vonnis uitgevoerd, 't welk bij met i veel hardvogtigheid doorftondt. Toen hem de hand, met ï : een gloeijend wafelijzer, gekneld was, fchudde hij de ftomp nog, als ware het om een kruis te maken en het volk te j zegenen; en het was op de zelvde wijze, dat hij het overga ï Zijner ftrafïe verdroeg. E. v. Metert-W , NtderL Ottli E 3 &  lo BALTIN. BAMESBIER, BANELT. BANJAART. fol. 229. Hooft, Nederl Gefch.' fol. 903 en 904. Wagen.* Vai. Hifi. VII. D. bl. 5- -535, en meer anderen. BALTIN (ADRIAAN,. geboren in 1545, is Penfionaris der ftad Brugge- geweest. Hij ftierf in 1623, in den ouderdom van 78 jaren, en heeft in druk uitgegeven: Orai. in fufiere feren. Alberti Austriaci, Principis Belgamn. Ook vindt ik nog in de Befchrijving van Mechelen, gedrukt te Brasfel in 1770. I. D. bl. 334, een graffchrift in de franfe taal, ter eere van enen Josse Baltin, die Raad en gewoon Requestmeester is geweest van de Aartshertogen, geftorvèn is den 9 januarij 1621 en in de Kerk van St. Jan te Mechelen begraven. —— Foppens, Bibl. Belg. p. 9. EAMEOOTS, zie LAAR (PlETER van). BAMESBIER (HANS), een Duitfer van geboorte, is geweest een deftig Pourtraitfchilder, een leerling van Lambert Lombardus. Hij woonde te Amftetdam, en ftierf aldaar in '£ laatst der XVIde eeuw, in den hogen ouderdom van bijna 100 jaren, —— K. v. Mander, Leven der Schilders, I D bh 155- BANELT (JOHANNES), 'een Luikenaar, en Geestelijke van de orden der Kruisbroeders, leefde in de XVIde en XVIIde eeuw; hij heeft een boekje gefchreven tot tijtel voerende: De translatione Reliquiarum corporis S. Odili;e Coloni* Agrippina ad locum clarum, Jive ccenobium Huenfe totius ordinis primarium. Col. 1621. 8vo. —— Foppens , Bibl. Belg. p, 567. BANJAART (ALBERT) , afkomftig uit het oud adelijk Hollandfe geflagt van dien naam, 't welk thans geheel is uitgeftorven, was een der genen, die in het jaar 1168, als ondertekenaar van het verdrag, dat Graav Floris de III. van Holland genooddrongen wierdt aan te gaan met zijnen overwinnaar Filips Grave van Flaanderen, gemeld wordt; gelijk hij ook voorkomt op het jaar 1203, toen Graav Dirk zig gedwongen zag, het oudfte gedeelte van Holland, als een leen van  BANJAART. (DIRK JANSSEN) fï itn Brtibmi, te ei kennen. Noodlottiger was vóór h#m | Sït het zelvde jaar, de partij die hij met anderen', tegens Ada, haren gemaal den Graav vanLoon, eh moeder gektJziïj hadt, en waar aan de verwoesting van zijn fchone kasteel tu?» fen Kastrikum en de Beverwijk gelegëh, moet worden töÊgS» fchreven, na dat hij nevens anderen, gants Kennemerlmd in rep en roer hadt gebragt, en het beleg voor den Leijdfen Éus% geflagen. Velius in zijn Kronijk van Hoorn, noemt ondèr énige der voomaamfte geflagten in die ftad bekend, ook dit, dag hij zegt4, op het jaar 1419 reeds uitgeftorven te zijn, dan dit moet ene misileiling van dien Gefchiedfchrijver zijn, of $$ de beide volgenden moeten niet tot dat geflagt behoord hebben. Goudhoeven, Kronijk, bl. 295, ïg6. Wagen,; Vod. Hifi. II. D; bl. 259- 295- 304- BANJAART (DIRK JANSSEN), te Htoïn jrborfen, ft een man geweest, die door zijn ondernemenden aart, boven het gemeen heeft uitgemunt, en zig tot een hoofd val! de volkspartij durfde opwerpen, zonder het gezag der Regering enigzints te fchromen. Hier van gaf hij een doorflaande blijk , in het jaar 1477; want als te dier tijd binnen Hoorn een geweldig oproer ontftond, ter gelegenheid van het invoeren van enige nieuwe excijnfen die het volk wilde afgefchaft hebben , en° waar tegen de Regering geene maatregelen te werk |elde om die te beteugelen, zo drong Banjaart verzelt van enigen uit het gemeen, in het huis van den Schout, brak den ftok waar aan de gevangenen gefloten waren los. en voerde die in verzekering naar het ftadshuis. Daags daar aan, toen de Schout Velaer die grotelijks' in den haat van het gemeen ftondt, weder in de ftad kwam, fnelde het grauw naar zijn huis, doorzogt het van onderen tot boven , maar vondt hem tot zijn geluk niet, doch toen ging het aan 't plunderen , vernielende en rovende al wat 'er in was; waar na zij tiaar meer andere huizen trokken, waar van fommigen het zelvde lot ondergingen. De verbittering van velen zo wel groot als klein, tegen Schout Velaer en die genen welke tot zijn E 4 foo«  ?a BANJAART. (DIRK JANSSEN) fiioer behoorden , was zo uitbundig, dat fommigen van ds regerende Burgemeesters, in plaats van den moedwil te Muiten, van het fladshuis riepen; „ dat Burgemeesteren alles wat „ door Banjaart en de zijnen was bedreven, ter hunner ver„ antwoording. namen." Het gemeen dus den ruimen teugel gevierd, behoeft men zig niet te verwonderen, dat met hollen voortvarende, alle palen van befcheidenheid overfchreedt. Daar waren van de Regenten die dezen moedwil reeds in den beginne hadden willen fluiten, gevangen gezet, en fommigen hadden al zestien dagen in den kerker gezugt, dagelijks ondiaaghjken hoon en fmaad ondergaande, met bedreiging zelvs dat men hun van 't leven zoude beroven, indien zij niet bewerkten, dat Velaer viijwilligen afftand van het Schoutsambt deedt, en zijne commisfie aan hun in handen flelde. De vrienden van den Schout ziende, in welk dringend gevaar hij zig bevondt, bewogen hem ten laatften door bidden en fineken, om daar van afftand te doen; waar na men ten Hove wist té bewerken, dat de aanftelling van den Schout, mits voor die vergunning ene aanzienlijke fomme aan den Graav betalende voortaan door de ftad zoude gefchieden. Als nu Burgemeesteren raadpleegden, aan wien dit gewigtig ambt te zullen opdragen, kwam 'er op aanftoking van Banjaart, een onbeftusde menigte ten ftadshuize in Burgemeesters kamer dringen, z-eggende: „ raadpleegt gijlieden wie gij Schout zult maken? „ wij waarfchouwen u, indien gijlieden'er enen anderen aah„ fteld als onzen kapitein Banjaart, zal de drommel de kaars „ dragen, en wij zullen u zo veel volk op 't lijf fturen, dat „ gij 'er van gruwen zult." Deze bedreiging werkte uit, dat Banjaart het Schoutsambt verkreeg; waar na de rust ook genoegzaam in de ftad wierdt herfteld, de gevangenen ontflaakt, en aan de uitgewekenen vrijheid vergund om weder binnen te mogen komen. Doch Banjaart die ter bekoming van dit ambt, gewaagd hadt de ftad onderfte boven te keren, hadt weinig genot van zijne euveldaad, want korte maanden na dat hij in den eed was genomen, maakte de dood een einde aan zijne door geweld verkregene beftiering. Vejuüs, Kronijk van Hoorn, bl. 97. 192. 107. 109. EAN-  BANJAART SCLI, ' 73 BANJAART SCEI, was in 1447 Slotvoogd van Medmblik, te dier tijd dat Mr. Gooswyn de Wilde, een aanzienlijk man in Flaanderen geboren, het ambt van Prefident van Holland uitoefende. Tusfen deze beide menfchen, was zedert enigen tijd een onverzoenlijke haat ontftaan; veelligt alleen ter oirzake van de oude partijfchap hier te lande, alzo de Prefident der Kabbeljauwfe, Banjaart der Hoekje zijde toegedaan was. De wrok ging zo verre, dat de Prefident Banjaart opentlijk van manflag of moord befchuldigde ; waar tegen Banjaart hem niets fchuldig bleef, maar aan de Wilde de onnatuurlijke zonde van Sodomie te last lei. Veel gerugts maakten deze verwijtingen door gants Holland. r Hertog Filips van Bourgondien kreeg 'er wel dra kennis van, en 't is te vermoeden dat hij den Prefident fchuldig hieldt; immers hij befloot hem van zijn ambt te ontzetten. Intusfen kwam Jan vanLannoy, in junij des jaars 1448 over, bekleed met de waardigheid van Luitenant of Stedehouder des Hertogs. Op den 2often deedt hij den afgezetten Prefident, en deszelvs bcfchuldiger, den Slotvoogd van Medenblik, vatten, en in 's Hage enigen tijd op 't Hof bewaren; 't fcbijnt egter dat men federt goedvondt, de regtspleging over de Wilde niet in V Hage te willen houden, om van de misdaad, die hem te iast gelegd werdt, zo weinig gerugts te' maken als mooglijk ware. De gevangenen werden beide naar Heusden gebragt, alwaar zij wel anderhalf jaar' zaten. Eindelijk voerde men den Prefident naar 't flot te Loevejlein; hier werd: hij zonder nog fchuld bekend te hebben, ter dood vêroirdeelt. Om den ellendigen Heer egter tot bekentenis te brengen, werdt 'er een vuur ontfteken, in 't voorhof van 't fiot, en een rood kleed daar nevens op de aarde gefpreid; men beloofde hem 't zwaard, zo hij belijdenis wilde doen; doch dieigde hem te verbranden, indien hij bij de ontkenning bleef volharden; waar op hij, uit overtuiging van fchuld, of uit vrees voor zwarer ftraf, de misdaad beleedt, met welke men hem betigt hadt, en op ftaande voet onthalst werdt. De Slotvoogd die geoirdeeld werdt fiegts een' manflag te hebben begaan, werdt eerst op vrije voeten gefleld: E 5 éot[}  U BANK. (LAURENS) BANKKRT. (ADRIAAN, doch kort daar ni; bij vonnis van den 6 december i44n ter lande uitgebannen, en van alle zijne waardigheden vervallen verklaart. R. Snov, kerwn Batav. lib. X. pag I50 De Riemer, Befchrijving van 's Gravenhage, II. D. bi. 25 aants v. en x. Wagen., Vod. Hifi. IV. D. bl. 22-24. BANK (LAURENS), geboren te Kaping i:: ,v,,,;;, j, gedurende 15 jaren Hoogleraar in de regten te Wfe, ~ wees, pe achting die hij daar als Student verkerende "reeds hadt verkregen , werkte uit, dat hij van zijne reizen door Z'-l ' panjt mz- te n,3 komende, tot het Hoog... ereambt aldaar bevorderd wtótfc Hij ftierf den r3 october S*« was. een geleerd man, en heeft vele werken door den d uk weieidkundig gemaakt; * onder anderen: Rcna triul phans.Fran. 1645. De Tijran.idc Pap, in Reres & p£ 2! * ift* öJT £aÏ ^ ^ 7/ *^*™*> Mercator, Ma* ;/?9'"lC51- " ^ Uxa S- ^eUari.Z. tohcee Not, ü uflrata. Ib. I, ^ ^ ^ * nooufte zonden die 'er kunnen uitgedagt worden, het zj ■door geestehjke * wel door wereldlijke pérfonen bedreven! In M £" Sddb0ete tG b£taien' k™ verzoent wori M ? ï VeifCheidCnC dn,kk£" d- alle oj> dtfza en H- f M ™ wetenswaa^ d se zaken, bj Bayle in zijn DiEUonaire, T. I. p. 437. * * 1730 E. L. Vriemoet, Aihen; Frif. pag. 403-405. BANKERf (ADRIAAN), geboren te )%sfkgm ee;,t fepitem ter zee onder t Kollegie ter Admiraliteit in'z-fa* wierdt Schout-brj-nagt den r9 december ICT54, Viee-Admiraa d n rju,, I66s, en lMtftdijk Lt. Admiraal den 20 augj" ««ff. In t jaar ir55o beyondt hij zig op de vloot, die naar frrr, se;?den; Mj zende met ******* naai Landskroon om aldaar de brandwagt voor de haven té houden, en dat vaarwater voor de Sneden onbruikbaar te maken, fch.p de Zw;«^ genaamd voerende 28 ftukken 'gefchut* dreef  BANKERT. (ADRIAAN) 7-5 &eef door de kragt der ijsfchollen, tot onder 't eiland Wem aan den grond. De Sweeden met dit ongeval tragtende hun voordeel te doen, gingen 'er twee kloeke oorlogfchepen van 40 en 50 fokken benevens drie mindere vaartuigen op los, ten einde hem te befpringen, lopende ten zuiden vag Wee» om, terwijl nog vijf andere fcheerboten en floepen, van gefchut en volk wel voorzien, benoorden het gemelde eiland omzeilden; doch de wind hun tegenlopende, dreven zij allen naar Kranenburg. Den 14 maart kwamen zij weder; verzelt van enen brander; en terwijl hun volk uit de boten op Ween landde zeilden de oorlogfchepen heen en weder, fchoten zeer hevig op het fchip van Bankert; en bleven den gantfen nagt nabij hem ten anker liggen. Den isden met den dag gingen de Sweeden weder onder zeil, en bragten hunnen brander tot aan het fchip van Bankert ; deze maakte hier op gebruik van zijne fokken die 't verst dragen konden , en fchoot niet alleen den brander in den grond, maar vuurde ook zo.hevigcpde overige Sweedfe fchepen, dat die hem kwartier beloofden, zo hij zig wilde overgeven; doch Bankert zijn antwoord was, dat hij geen kwartier begeerde , maar zig tot den laatften man zoude verweren, en toonde daar bij met het ophalen van alle zijne vlaggen en wimpels, dat het hem regt ernst was. Intusfen hadden de Sweeden hun gefchut op 'teiland Ween geplant, om hem mede na de landzijde te befchietcn ; dan ook hier werden zij door Bankert dapper begroet; want door zijn gefchut werdt van een der zwaarfte fchepen de raa afgefchoten, en de anderen zodanig geteisterd, dat zij den moed lieten zinken, en genoodzaakt wierden om af te deinzen. Met eodanigen heldenmoed ver «veerde zig de zeevoogd Bankert, fchoon aan den grond zittende, tegens twee oorlogfchepen, vier andere vaartuigen en een' brander, benevens 400 Soldaten , die op het eiland Ween gelegerd waren, om hem te overmannen. Alleen drie doden en tien gekwetften bekomen hebbende, kwam hij met groten roem te Koppenhagen te rug, alwaar hij op de vriendelijkfte wijze door den Koning van Mvmmjm wierdt ontvangen, die. nevens den Admiraal Os- »A>f  ïé BANKERT. (ADRLAAN; *am en vele andere hoge Bevelhebbers, hem den wel verdien," den lof gaven, dien hij door zijn dapper gedrag met zo veel ïegc hadt verkregen. " Als Vice-Admiraal was Bankert fn- >l jaar, W* tegenswoord g bij den zwaren fcheepfhijd tegens de Èngelfe vloot, onde"bevel van den generaal Monk, in welk gevegt zi;n T h• D ^ nauw door de vijanden geprangd werdt, d„ §hij h t tZnZ be zonk, genoodzaakt wierdt te verlaten, na het in brT d geftoken, en zig benevens z,n volk in de boten geborgen te beoben. Op een ander fchip overgegaan zijnde, ontzette ^ met zijn fmaldeel drie Staatfe fchepen, weike groot gevaar lij pen om door de Engeljen genomeb te worden. Schoon die • flag voor de Nedérlandje vloot in geenen dele voorfpoedig was tverdt egter de vo:rzigtigheid in den aftogt in "acht gel' men, grotelijks geprezen; en de Staten van Zeeland, betoon den ook hun genoegen in het gehouden beleid en de zonderlinge dapperheid van bunnen zeevoogd. Als Vice-Admiraal • kwam hij ook met vijf Zeeuwje fchepen in 1667, bij s lands zegepralende vloot te Chattam, en fchoon de grboffte ze*e reeds bevogtcn was, zeilde bij egter met nog 14 fchepen de rivier verder op, om den vijand afbreuk te deen. Dan meer gelegenheid om zijnen heldenmoed te tonen , kreeg Bankert in het jaar iü?2, in den oorlog door dezen Staat tegens de Engeljen en Franfen gevoerd; want in enen zeeLag tegens de famengevoegde vloot van die beide Mo-e-nhe den, geraakte hij in een hevig gevegt met het imaldeel'vafl de witte vlag, meest uit Franje fchepen beftaande, blijvend* hij bijna den gantfehen dag in 't gevcgt. Niet minder dapper betoonde hij zig in 't volgende jaar, benevens den Lt. Admiraal de Ruiter, tegens Prins Ros1!ert en SprAg, hebbende de Ruiter met het roede, en onze Bankert met het blauwe fmaldeel der Engelje fchepen, te kampen. De Ruetek lag toen, met enige fchepen, in het midden der vijandelijke branders en andere vaartuigen, dan hij boorde door Bankert verzelt, dwars door de Engeljen heen. Dï .Ruiter bekwam bij dit r-evegt toinder fehade dan Bankert, wiens voorfieng en groot tóars^ zeil  BANKERT. (ADRIAAN) 57 esil wierdt argefchoten; ook geraakte zijn fmaldeel enigzintsiji wanorde, 't welk de Ruiter zo dra niet gewaar wierdt, of bij ontzette hem, en herltekle fpoedig de orde. In het twede gevegt welk in dat zelvde Jaar voorviel , ondervond d'Estrees, die de witte vlag onder zijn gebied hadt, de moed en bekwaamheid van onzen zeeheld; en in het derde viel B akkert andermaal aan op het fmaldeel van d'Estrees , die men zegt dat heimelijk bevel van zijnen Koning hadt, om het;?evegt zo veel te vermijden als in zijn vermogen was; doch; deszelvs Schout-bij-nagt Martel, vogt als een leeuw; zelvs poogden de Franfen het fchip waar op zig de Lt. Admiraal bevondt in brand te Heken, dat hun egter mislukte, en zïj reifpilden hunne branders vrugteloos; hier op dreef Bankert hen om de post, alwaar ze in den wind bleven hangen, zon* der weder af te komen. Bij de hervatting van den ftrijd, vogten de beste Kapiteinen van Prins Robbert als ware helden ; doch Bankert , de Ruiter , van Nes en Tromp die hun gantsch niet in moed en dapperheid toegaven, drongen 'er zo geweldig op in, dat de vijanden genoeg te doen hadden, men het Admiraalfchip van Sprag, en meer ar.dere zwaar befchadigde fchepen, te befchermen en uit het gevegt te liepen. In 1674, bevondt zig de Et. Admiraal weder op 's lands vloot, die last hadt om langs de kust van Flaanderen te lopen, Baar en door de Hoofden en agter de Cingels. De vloot van daar te rug kerende, kwam te Torbaij ten anker; alwaar de Admiraal de Ruiter 'er enige fchepen afzonderde, waar mede hij voornemens .was zijne onderneming betrekkelijk Amerika, te gaan voortzetten. De overige fchepen bleven onder het bellier van Tromp, Bankert en van Nes, welke door verftandho.uding met den Ridder de Rohan, een landing op de Franje kust voornemens waren te ondernemen; doch dit ontwerp voor dat het uitgevoerd koste worden, ontdekt zijnde, verviel in duigen; zo dat het aan de Staatjen alleen gelukte, een ftroping op Belijle en Nokmoutier te doen, welke laatfte plaats zij ook veroverden, doch na verloop van wei? nige dagen, doordien dezelve niet te houden was, weder  ?f BANKERT. (JOHAN) verlieten; z?j hadden aldaar 19 op het ftrahd gejaagde fche- Pen' ?"* enfS Sefchl,t veroverd, 17000 guldens hrandfchatting gevorderd, en tot zekerheid voor de betaling van deze fom, gijzelaars mede genomen. In 1671 begaf de Lt. Admiraal Bankert zig in huwelijk met vrouwe Constantia Cau, weduwe van den Heer Samuei Bisschop; bij de gewone feestviering, hadt hij de eer vier Af gevaardigden uit 's lands Staten op zijn bruiloftsmaal te ver gasten; hij leefde met deze zijne huisvrouwe in een vergenoede egt tot m het jaar 1684, toen hij te Middelburg overleed Zijnde aldaar in de St. Pieters of oude kerk begraven Men ontmoet zijne Afbeelding op meer dan ene wijze in plaat gebragt; doch de beste daar van wordt gehouden die door H. Berkmans is gefchilderd, en door C. Hagen in 't ko per gemeden; onder deze, leest men het volgende Bijfchrift: Het oor dronk lang den roera van Bankerts heldenaart • Nu ziet het oog den Held, tot Neerland* heil gefchaepen Die 't fnedig flaghfwaeit op de Franfche ruggen fchaerdt . En noijt voor vijandt heeft gefwicht in 't blanke wapen • Zijn moedt ontnam den Zweedde land- en zeelaurier De Deenfche Kroon erkent en eert hem als befchermer' In yieede bünckt fijn raedt; fijn deucht in oorlogsvier Men druk hem niet in Print, maer houw fijn beeld uit marmer.. Ook wordt de lof van zijne heldendaden vermeid, ter gelegen herd van het flaan van verfcheidene Gedenkpenningen, waar van men de afbeelding en 'befchrijving vindt, bij Mr. G. van Loon, Ned. Hijloriepenningen, III. D. bl. 119. Is6. Smaixegange, Kronijk van Zeeland, bl.' 425. 77? Brandt Leven van de Ruiter. P. de Lange,' Batavife Romein, bl. 480! P. de la Rue, Heldhaftig Zeeland, bl. 120. 273. • BANKERT (JOHAN) , Zee-Kapitein, waarfchijnlijk een broeder van Adriaan en zoon van Joost, fneuvelde op den *J junij i«565, i„ den voor zo vele beroemde vaderland* Heiden nóodlettigen fcheepftrijd tegens de Engelfin, denzelv- den  BANKERT. (JOOST van TRAPPEN) 7-9 ■en dag, op welke de Lt. Admiraal Wassenaar Qgdam met zün fchip in de lugt fprong, en behalven hem de Lt. Admiraal Kortenaar, Auke Stellingwerf, en meer andeien het leven lieten. ■—— Wagen., Vad, Hift. XIII. D. bl. 147. . !'ANKERT (JOOST van TRAPPEN), Kommandcur ter ?,ce, zag het eerfte levenslicht te Vlisfingen, en hadt d:t met vele andere zeehelden gemeen, dat de vereeuwiging van zijnen naam meer aan zijne dapperheid, dan aan den luister van zijnegeboorte moet toegefchreven worden. Zeer waarfchijnlijk was bij dc vader van den hier boven befchrevenen Lt. Admiraal Adriaan Bankert; dan hoe het ook mag zijn, onze Joost, is door zijne bekwaamheid en moed, trapswijze van een gering bootsgezel, tot het ambt van Kommandeur over de kust van Zeeland opgeklommen. Hij wierdt in 1624 tot Kapitein .onder het Kollegie van genoemde provintie aangefleld; en toen in 1628 de vermaarde Pieter Pihtersz. Hein dei Spanjaarden zilvervloot vermeesterde , voerde Bankert als ViceAdmiraal , het fchip de Neptunus van 24 ftukken gefchut en bemand met 155 koppen. In die zelvde rang, verzelde hij de Generaal Hendrik Loncque in een'togt naar de Wcstindiën, om ingevolge' het oogmerk der Westindife Kompagnie, een aanftag op Femambuk te ondernemen, die ook in 't jaar 1629, volkom.n en naar genoegen gelukte. In 1637 bekleedde Bankert de rang van Kommanden", en het was in die waardigheid, dat hij met vier Staatje oorlogfchepen in zee gelopen zijnde, na een hevig gevegt tegen zeven Duinkerker oorlogfchepen, 'er drie van vermeesterde, die hij zegevierende te Vlisfingen binnen bragt, alwaar hij onder groot gejuig van het volk wierdt ontvangen. Geen minder aandeel hadt onze Joost het volgende jaar, in het gevegt tegens de Duinkerkers, fchoon de Lt. Admiraal Marten Harpertz. Tromp het opperbevel over de vloot voerde; en dat hij gerekend wierdt geen minder deel aan de bevogtene zege dan dien Admiraal te hebben, bleek, doordien hij even alsdeze met -een gouden keten ter waards van 'aóoö gulders werdt  $o BANKERT. (JOOST vah TRAPPEN) werdt befchonken, behalven nog een gifce van 800 guldens in geld. Ook deelde Bankert in den roem der overwinning, .die Tromp in 1639 op de grote Spanje vloot aan de Engelfe kusten behaalde. ó Door zulke en dusdanige bedrijven meer , zig een grote roem verworven hebbende, verkoos hem de JVestmdife Kompagnïe in 16-45, tot Admiraal over een vloot, die zij voornemens was naar de Wcsündièn te zenden, met inzigt om de ver vallene zaken in Brazil te bërftellen. Hij ging daar mede in februarij 1646 onder zeil, doch deze togt viel noodlottig uit, en hij hadt tegens vele rampfpoeden te worftelenj want reeds .leden twee van zijn' fchepen fchipbreuk bij Dmns, en nauwelijks die haven uitgelopen zijnde, dreef hem ftorm en tegen. Wind te rug naar Engeland, alwaar de vloot door de ongeldigheid der winden, genoodzaakt wierdt negen weken te vertoeven. Na het doorworftelen van een menigte andere noodlottige rampen, waar bij nog ten overmate kwam, dat 'er onenigheid onder de hoofden en 'muiterij onder het fcheepsvolle ohtftond; zeilde de vloot eindelijk naar OUnda en kwam aldaar op de rede, maar vondt 'er alles in den akeligften toeftand. , Gebrek aan leeftogt, deed de aldaar overgeblevene Nederlanders, ten uiterften verheugd zijn, over de aankomst van di© vloot, doch welke vreugde wel dra op ene bittere wijze werdt getempert, door de vermeerdering der onenigheden onder de fchepelingen. Bankert na aldaar enigen tijd vertoefd en zo. veel doenlijk de rust onder zijn volk herfteld te hebbe trok van daar met den Overften Hinderson en een a 1 ke vloot, naar Rio St. Francisco, en wierp aldaa met oogmerk om de Portugeezen derwaarts te lokken; djt mislukte hem ook, en het enigfte voordeel was het eiland Tagaripa te vermeesteren , , .„ bloeds koste, en alwaar meer dan 2000 menfc ven geraakten; waarlijk een al te wrede opoffering tot bekoming van een klein hoekje lands, 't welk men bi it ; koste houden, maar fpoedig weer in handen der Pc-.;, rezen' geraakte. Dan  BANKERT. (JOOST van TRAPPEN) Èt Dan het Haagde hem gelukkiger ter zee, hij nam nu en dan een fchip of fchoot 'er een in den grond; ook tastte hij omtrent de Baai de todos los Jantos, een uit Portugal komende vloot van zeven fchepen aan, waar van hij een in dep grond fchoot, een twedc ontfnapte het, doch de vijf overigen die rijkelijk geladen waren , en over de twee millioenen waardig gefchat werden, wierden prijs gemaakt; 400 Portugeezen verdronken of fneuvclden in het gevegt, de 250 die overgebleven waren, wierden gevangen gemaakt en naar Olmda gevoerd. Onder dezen bevonden zig de nieuwe Onderkoning, de Admiraal, Vice-Admiraal, de Providoor en Regidoor van Brazil, andere mindere Bevelhebbers en drie Geestelijken. Nog enigen tijd hier na wierdt hij met enige koopvaardijfchepen verfterkt, en veroverde onder da linie, nog vier Portugeefe fchepen met fuiker geladen, waar bij hij 50, en de Portugeezen 120 man verloren. Bankert was voornemens met vijf fchepen naar huis te keren , doch onder wege werdt hij door ene ziekte aangetast en ene daar op volgende beroerte overvallen , die hem na weinige dagen den geest deedt geven. Zijn lighaam werdt geopend, gezouten, bewaard, en dus door zijne beide zonen aldaar tegcnswoordig, niettegenftaande men het, wegens het toenemend bederf, verfcheidenemalon over boord wilde, zetten, in Zeeland gebragt en begraven. Men heeft twee Af beeldzeis van hem in prent, waar van het ene door Udemans is gegraveert; op het ander dat zonder naam van Plaatfnijder is, leest men dit vierregelig versje van D. J. Vos. Zie hier afgebeeld naar 't leeven, Zeelands zeemachts Commodoor, Spanjens vreefe, Duinkerks beeven, Die in 't vechten u ook gaat voor. Veel verloor het vaderland aan dezen wakkeren zeeman, en hij wierdt van velen nagetreurd, doordien van hem de roem uitging, dat hij een der beste zeehoofden was, die immer II. Deel. F  82 BANXHEM. (JAN van) in drenst van 's lands Staten geweest waren. . Smalle- Cange, Kronijk van Zeeland, bl. 772. Brandt, Leven van deRuiter. De Laat, jaarl. verhaal van de Westind. Komp., bh 167. P, de la Rue, Heldh. Zeeland, bl. 127-130. BANKHEM (JAN van), Prefident van den Hogen Raad, geboren te Leijden in het jaar 1540, uit aanzienlgke ouders! wierdt van der jeugd af aan, voorbefchikt tot de beceffening' der fraaije wetenfehappen. De eerfte gronden leide hij daar toe te Utrecht, onder beftier van Macropkdius; van daar begaf hij zig naar Leuven, alwaar toen de ftudie der regtsgeleerdheid ten hoogden toppunt geklommen was; hier ftudeerde hij met onophoudelijke vlijt, een geruimen tijd; bazogt vervolgens Angers, en werdt aldaar tot Meester bevorderd. In zijn vaderland te rug gekeerd, begaf hij zig tot de praktijk, en oeffende die met veel roem; waar in hij ook, door ondervinding en verftand, boven de meeste zijner tijdgenoten uitmuntte. Wanneer 'er in 1582 een Hoge Raad over Holland, Zeeland en Westfriesland, waar van het Berigtfchrift reeds in 1580 was ontworpen, wierdt opgerigt en in bediening trad; werdt van Bankhem, om zijne uitnemende verdienften en bekwaamheid, op aanbeveling van Prins Willem den I, tot lid daar van aangefteld, welken post hij egter niet dan na fterk aanhouden op zig nam; ook onttrok hij zig daarom niet, ten dienfte van het vaderland, zig in gewigtige regts- en ftaa'tszaken te laten gebruiken. Dus was hij, benevens zijnen Raadsvriend Dirk van Leuwen fcheidsman tusfen den Magiftraat van Leijden en den Dijkgraav en Heemraden van Rijnland, over het regtsgebied; vervolgens bevlijtigde hij zig naderhand, den twist tusfen den zelvden Magiftraat en den Senaat der Akademie te doen eindigen, waar in hij zo gelukkig tot genoegen van beide partijen Haagde, dat hij kort daar na tot Curator van die Hogefchool verkoren wierdt, welke hij benevens Douza en Joiian de Groot met zo veel nut en ijver beftierde, dat die hand over hand in roem en bloei toenam. Bij uitnementheid wordt zijne deftigheid, billijkheid en kunde in 's lands weiten en  BANKHEM. (JAN van) & en regten geroemd. Het was ook enkel om z'rjne verdienden, dat hij na het overlijden van Dirk Nieuburg, tot Prefident van den Hogen Raad werdt benoemd, in welke waardigheid hij den 29 november 1601 overleed. . Wag. Vod. Hifi. VH..D. bl. 451» BANKHEM (JAN van), eerst Schepen en vervolgens Bailjuw van 's Hage, waarfchijnlijk een afdammeling van den bövendaanden, doch zeer verfchillend van aart en karakter, want daar gene een allerbraafst en deugdzaam man was, tooiv de deze een deugniet te zijn, voor de fnoodde fchelmftukken berekend, zo als wij door het verkort verhaal van zijn bedrijf zullen zien. Hij bekleedde in 1672 het ambt van Schepen in 'sHage, en was een der bitterde vijanden en ijverigde vervolgers van de gebroeders C. en J. de Wit; dit ging zo verre, dat hij enige Kapiteins van de Haagje fchutterij, bij eede hadt doen beloven, om de Witten niet in 't leven te laten; ook hitde hij in perfoon de Burgers van het blauwe vendel, tegens die ongelukkige flagtoffers aan. Of dit nu daden waren welke ene beloning verdienden, late ik aan het oirdee! van mijne lezers gaarne over; maar zeker is het, dat hij in feptember van dit zelvde jaar, door Prins Willem den III, tot Bailjuw van 's Gravenhage wierdt aangedeld; dan dat hij zig in deze bediening zo fchelms van zijn pligt kweet, dat de mate zijner euveldaden overlopende, hij op last van 'tHoj van Hdland den 31 julij 1680 in hegtenis gezet en drengelijk gepijnigd werdt; waar na hij nog in het zelvde jaar, wegens menigvuldige begane misdrijven en vuile handelingen veroirdeeld werdt, om onthalsd te worden. Hij beriep zig van dit vonnis op den Hogen Raad, en wist middel te vinden, om hangende het geding hier over, uit de gevangenis te ontfnappen, en benevens zijn zoon een verblijf te Amfteldam te zoeken, doch bij werdt hier agterhaalt en betrapt, men bragt hem op nieuw naar 's Hage, op de gevangenpoort, alwaar hij na nog verfcheidene jaren gezeten te hebben, dierf, terwijl zijn geding v«or den Hogen Raad nog onafgedaan was, en hij daar door de F 2 wcI"  jïf BANNING. BANNIUS. BARBANCON, welverdiende ftraf, em door beulsfcanden op het fchavot te fterven,''ontging. 'Toen hij te Amfteldam gevat was, werdt hij befchuldigd met énen zekeren Samuel Bosch een aan (lag geuneed'te hebben, op den perfoon van Burgemeester Koeneaad van Beuningen, die men weet, dat een groot Aiitago. nist van Willem den III. was De Riemer, Befchr. vak 's Gravenhage, II. D. bi. 53,' 54. Wag. , Vad. Hifi. XIV D W.'i54. 169. XV. D.- bl. 204. Wag., Befclg. vmi Amftel dam, VI. St. bl.'ioi. BANNING (FRANS), zie KOK (F. B.) BANNING (JAN BODECHER) , geboren te Loosdrecïx, een dorp in Gooiland, is' gedurende een tijdvak van 23 jaren Hoogleraar in de wijsbegeerte aan Leijdem Akademie geweest.' Hij Was 'een geleerd man, en paarde bij de bcoeffening der wijsbegeerte die 'der dig'tkonst en andere fraaije wetenfehap, pen. ' Hij ftierf in 1642,' en heeft onder anderen in 't licht gegeven :' Epigrammata Brafüiana, £? Poematum lihros , una cum Dhfertatione epiflolica dc Philofophice £f Poèticès ftudiii conjungendis. lugd. Bat. 1637. 120. Foppens, Bibliotk Belg p. Ut- ■ ■ BANNIUS. (JOHANNES ALBERTUS), van Haarlem geboortig, is geweest Priester en een uitmuntend Mufikant. Hij beeft gefchreven en uitgegeven:' Epiftolam ad Petrum Scriverium, de Mufico ftudio , retlé inftituendo i§ inftaurando; eri' in 't nederduits: gantfcFje famen|ïelïing öcr JBaufïjfs. . Foppens,' BPjlioth. Belg. p. 562. 1 ; " BARBANCON (KONSTANTYN), geboren in 1565, in een dorp van den zelvden haam, gelegen een "klein uur gaans Van Beaumont in Henegouwen. Na het volvoeren van zijne eerfte letteroeffeninge'n, wierdt hij een Kloosterling van de orden der Kapucijnen, Vervolgens tot den Priësterftand verheven; hij was'uitmuntende in deugd, en onberispelijk van zeden; ook 'ftierf hij met' de geur van heiligheid, den 26 november J621; 'zónder ziek te zijn geweest, en hebbende nqg dien ' • '-' ' zelv-  BARB2YRAC. (JAN) t$ eèlvdfen dag de Vespers helpen zingen., Ene optelling van zijne dweepzieke fchriftenj vindt men bij Paqugt > Hifti lüter., Tom. VIII. p. n6, 117. —— Mirjei, Scriptores Sax. XVII. p. 331. edit. Fabric üïgid. Gelenius , de admir. magnitud. Colonice, p. 523-527- BARBEYRAC (JAN), Hoogleraar in de regtdn te Groningen, is geboren te Bezien in Frankrijk, den 15 maart 1674. Zij11 vader was aldaar Gereformeerd Predikant, en wierdt genooddrongen na de intrekking van het edikt van .Nanles, om der vervolgingswille; zijn vaderland te ruimen en elders een verblijf met zijn huisgezin te zoeken. Hij verkoos hier toe Lau,■Janne in 1686, en Jan begaf zig naai- Berlijn.-, alwaar hij in 1687 een aanvang maakte, om in hetFranfe kollegie, de fraaije letteren te onderwijzen. Enige, redenen die men niet gemeld vindt, deden hem van de beoeffening der Godgeleerdheid afzjen, waar toe zijn vader hem hadt vooi befchikt , om zig der regtsgeleerdheid toe te wijden, en wel inzonderheid, tot het Regt der Natuur en der Volkeren. In .1710 wierdt hij tot Hoogleraar in de regten en gefchiedenisfen te Laufannè beroepen,, en hij verbleef 'er zeven jaren in dien post, in welk tijdvak hij driemalen de waardigheid van Reétor bekleedde, ianltii wierdt hij als lid van het Koninglijk Genootfchap der wetenfehappen te Berlin, opgenomen; en in 1717 aangefteld, tot Hoogleraar in de regtsgeleerdheid te Groningen, in welken post hij metèen onvoorbeeldelijken ijver en werkzaamheid, is verbleven tot op zijn dood toe, welke voorviel in het jaar 17441 Men heeft van hem de vertalingen in het frans van twee uitmuntende werken van Sam; Pufendorf, te weten over het Regt der Natuur en der Volkeren; en, over de pligten van den Mensen en van den Burger. Bij het ene zo wel ais bij het andeie, heeft hij uitmuntende aantekeningen gevoegd, en bij het eerfte nog ene voorreden, die 'er tot inleiding van verftreku De beste drukken van zijn Droit de la Nature &c. is van 1712 en 1734 in 4to., en van les Devoirs de l'Homme &c. van 1718 én 1759 in 4to. Nog heeft hij in het fransen vertaald, uitgeF 3 6*  U BARBIEUX. (ANTHONY) geven de beide redevoeringen van den Hoogleraar Nooit *1 , T * Souvminen en de 't Geweten, van l1LiTe,r0k nedei'duitfC V6rtaIin« het licht nog verfcheidene Leerredenen van' den beroemden Tillotson Ene puntende franfe vertaling van H. Grotius oVer * ^ ^Iw U!tge'eZene het eerst te ^/fcto» m I724, en naderhand te ^ in I7jp herdri]kt> I724;R- Cümberlind «*- & z* Mnfrr, mede met fchone aantekeningen. Behaiven verkherdene Akademife Redevoeringen, zo te Gekevé, Laufahnè, te c™^» uitgegeven, heeft hij nog oirftrongelijk gefchreven en door den druk gemeen gemaakt: traité jur la morale des Peres, pour repondre au Pere Ceillier Religieus Bemhttm, uit deze verhandeiing waar van een klein gedeelte m het nederduits is vertaald, wordt men des Hoogleraars VB. t.gö belezenheid in de fchriften der kerkelijke Oudvaders ontwaar en telkens welk een geringen prijs hij in het oirdeel van dre Mannen fteide. Traité du Jeu &e. 3 torn. Amft. i 737. 8vo ajloire des anciens Traiiêz repandus dans les Autheurs grecs 6? latms & autres Monumens de ïantiauité, depuis les tems les plus reculez, jusque i l'Empcreur Charlemagne, in het eerfte deel van het Supplement au Corps Diplomatique de Dumont. <*f - I739- in folio. Defence du droit de la Compagnie Hollan. doije des kides Orientales, contre les nouvelles pntentions des halt- ms des Pais-Bas Autrichiens, in 4to. Stolle ad Hei> mahmi ConfpeÜum, p. 540. C. Sa», Ohm. liter., Pars VI. P- 99, 100. Anal. p. 637. Moreri, Dittionaire, ed. de 1740." Tom. II. ^m é(itmm/ I?44. Mv_ p ?8i_ gn^( Jur ©efdjidift bt$ %m Barbeyrac in SSWtatgtti |ur $i{loiit t« WatWdU $attó. 1749. 8vo. $0. iv. p. 244, 245. BARBIEUX (ANTHONY), Dominikaner Monnik, deedt zijne geloften in het klooster te Rijsfel, in welke ftad hij den 4 augustus 1624 werdt geboren, en hij ftierf 'er na een god. vrugtig leven tot zijn einde toe geleid te hebben den 6 januarij 1678. Hy]heeft verfcheidene latijnfe werken, nagelaten, dié tot  BARD. (PETRUS) BARDE3. (WILLEM DIRCKSË.) 87 . L ffigdng van zijne geloofsgenoten kunnen verltrekkens —* ; Paquot, Mem. litter. Tom. VI. p. 101, 102: BARD (PETRUS), Vikaris generaal vart de 'órden dér 'Coenobiters, is in 1443 e» Doormk geboren, lardeerde ié Leuven, en was aldaar de contubernaal van Adriaan van Utrecht, naderhand Paus, onder de benaming van Adriaan Be» VI. Hij ftierf als Vikaris generaal van de Coenobiters, zijnde teffens Prior van het klooster van die orden te Parijs, in 1515* na 82 jaren geleëft te hebben. Hij heeft onder andéren gefchreven: -Collationum feu Concionum facraruw , V. Vol: in folio i liog: Gallicce Cmlestinorum congregationis Monafteriorum fmiauones, Virorum illuftrium elogia &c. Parif. i'i9- m 4«» ' Foppens, Bibt. Belg- p- 953- BARDÈS (WILLEM DIRCKSZODN), Schout vari Amfteldam, is een man geweest van kloek verftand en minzamen omgang, doch enigzints ftamelende van tale. Hij was Bud Schepen te Amfteldam, toen hij in 1542, onaangezien hij bij fommigen, van lutherije verdagtwas, tot Schout aangefteld werdt, op aanprijzing van Burgemeester Hendrik DirkZöon, die gehouden werdt, de Regering der ftad op zijnen duim te draijen. Dan eer wij verder gaan met te befchrijven, op welk een harde wijze deze man is behandeld geworden, zal het vooraf nodig zijn te melden, dat 't Schoutambt der meeste Hollandje fteden, ten dezen tijde, ftondt aan de begevinge der Graven; doch 't was te Amfteldam in 1508 , onder de minderjarigheid des tegenwoordigen Graven, Keizer Karël dewV, voor 20000 guldens verpand aan de Wethouderfchap, mids dé lastbrief verleend wierdt op 's Graven naam; Burgemeesteren begaven, federt het Schoutambt op ene jaarwedde, en lieten de boeten, kleinigheden uitgezonderd, verrekenen aan de ftad. Agt jaren hadt Bardes het Sehoutambt bekleed, tot genoegen der Regeringe, toen hij, of om te minder af te hangen van zijns gelijken, en zijn ambt op vaster voet te behouden , of om andere redenen, ten Hove te wege bragt, dat de Landvoogd», vrouw Maria; de 2o0«o guldens, door da F 4 fi2"  ti BARDES. (WILLEM DlRCKSZOüiV) ■ .ftad op het Schoutambt gefchoten, afloste, en hem Schort «aak» van >s Keizers wegen. Van toen af, veranderd^! gunst der Wethouderfchap te hemwaards, in'afkeer en ni" Men gaf hem na, aat hrj de geheimen der ftad, met name haar_ veinzen van armoede, om met geene leningen gekweid te z,n ten Hove openbaarde. Niemand nogthans was meer op den Schout verbitterd, dan Hendrik Dirkszoon, do hem eerst bevorderd hadt, en wien zijn gezag nu me st tetns de borst was om dat "er zijn eigen meest door geknot werT Hy fmeedde dan, gelijk federt geregtelijk getuigd fa, een ftuk - hatelijk, dat 'er hier te lande, zelden weergade van J zien «. Floris Echertzoon, Kettermeester en Onder-pastoor der oude Kerke, op zijne zijde gelokt hebbende, befett ^m getuigenisfen tegens den Schout, behelzende, dat hi enzyne huisvrouw herdoopt waren, ene vergadering van Herdopers ten hunnen huize gehouden, en anderen bijgewoond hadde,, De menfchen die deze zaken verklaarden waren ^Vannen ^' " * * ^™«> e.n annehjk wijf, z,g generende met het befpieden en beklappen van zulken, die verboden vergaderingen bijwoonden; Volkje Willems, vrouwmensen van gelijken ftempel, KorJE M™0N W, notaris, en Adrlv.» jaaaoo, . ftjper. De Pastoor fchreef den inhoud van hun getuigenis^ over, aan Ruard Tapper, opper-Incjuinteur te Led. Doch 2 «T, T20 det te werk gesaan'of de Sch™ wt er de lugt van gekregen, en zig terftond bij de Landvoogdes*-vervoegd, klagende, dat men hem met lasteringen Jt iSrren-' °;k vemicrf Mj'dat 2 AnJleUani gezonden werden, die de getuigen onderzogt hebbende, fterk vermoeden of genoegzaam blijk kregen, van de valsheid der verklaringen. Sedert werdt de zaak den Hove van Holland bevolen, welk Gemagtigden ftelde, om dezelve rader te onderzoeken; en dus ftondt het 'er mede, oP 't einde des jaars 1554. In 't volgende jaar, werden Volkje en Fr in ftilte naar V Hage gevoerd, en op de gevangenpoort ge.' zet. Men ondervraagdeze hier, naar 't herdopen des Schout,; 't welk  -BARDES. (WILLEM DIRCKSZOON) £ f welk zij verklaarden gezien te hebben, ftaande op een:bankje, voor de glazen van zeker fpeelhuis buiten de ftad, welk Bardes in huur gebruikte. Hier ra kwamen 'er Gematigden van 't Hof naar Amfteldam, om de gelegenheid van dit fpeelhuis te onderzoeken; een van welken, cp het bankje tredende, zijnen arm te kort bevondt om bij het glas te reiken; waar op hij tegen den Schout zeide, dat zijne zaken behouden waren; zonder hem egter verdere opening te geven, 't Liep' nog twee jaren aan, eer de andere medepligtigen, met name Hendrik Dirkszoon en de Pastoor, gevat en naar 's Hage gebragt werden; de Iaatfle weidt aangegrepen, daar hij voor 't outer ftondt, en in zijn priesterlijk gewaad Vervoerd. De getuigen na lang zitten, bekenden einde;ijk fchuld, en dat zij door den Burgemeester en den Pastoor, bewogen waren, om den Schout valfelijk te betigten. Toen deed het geregt zijnen pligt, de Notaris werdt van zijn ambt ontzet; Adriaan Janszoon gegeesfeld, en beide ten lande uitgebannen; de Pastoor moest bekennen, dat hij op een roekeloze wijze en zonder grónd, ten nadele van den Schout, aan Ruard Tapper gefchreven hadt. Dan met F\' liep het zo gemakkelijk niet af; haar wierdt de tong uit den hals getarnd, voorts gewqrgd, geblakerd, en naar Jt galgeveld gevoerd, blijvende tot het jongfte ogenblik ftaande houden ^ dat zij door Hendrik Dirkszoon en den Pastoor verleid was, met verzoek, dat men den Schout voor haar om vergiffenis wilde bidden; dit ftrafvonnis werdt op den 3 meij 1561 ten uitvoer gebragt, intusfen dat Volkje in de gevangenis was geftorvèn. De Burgemeester zig hebbende weten te hoeden voor fchrift van zijne hand, en do getuigen tegen hem, om derzelver gebleken' meinedigheid' wrakende, ontworftelde de jongfte ftraffe. Hij werdt onder borgrogt van 40000 ponden, geflaakt, en kwam na verloop van een jaar, wederom te Amfteldam; daar hij nog vier jaren toefde, eer men hem van den borgtogt ontfloeg, zijnde ondertusfen van andere misdrijven befchuldigd, die egter niet geregteiijk bewezen werden. Daar na wanende enen vrijen hals te hebben, vorderde hij den Schout aan regt: om her. F 5 ftel-  J<& BARDES. (WILLEM) Helling van èër. Zo veel vermogt hij eindelijk, dat hij in da ja en 1563 en 1564, nog wederom tot Burgemeester verkc* ren werdt. 't Schoutambt toen andermaal aan de ftad verpa id zijnde, werdt Bardes van 't zelve verlaten in 1565'; feiert werdt hij befchuldigd* de hand gehad te hebben, in dé opfchudding van dat jaar; voor den Raad der Beroerten gedag-, vacird, ftiergelijk gepijnigd en zuiver gefchouwd. Daar na dö Staats partij regen den Spanjaard gekozen hebbende, werden Zijne goederen meest onder Amfteldam gelegen; welk lang Spaans bleef; verbeurd verklaard. Alle fmarten hadt hij manmoed g doorgeworfteld, doch dit leed trof hem zo diep, dat het hem eerst de gezondheid en naderhand het verftand krenkte; hij bragt 'het overige zijner dagen te Delft door, alwaar hij in een deerniswaaidigen toeftand, in 156S zijn leven eindigde. Viglii, Epist. feleü. p. 371. Wag., Vad: Hifi. V. D. bl. 411-415. Wag., Befchr. van Amfi. III. St. bl. 93-105. 143. 275. BARDES (WILLEM), Burgemeester te Amfteldam, in we?* keftad bij ook het eerfte levenslicht zag, was een zoon van den bovenftaanden Schout, en zeer ijverig werkzaam voor de hervorminge, niettegenftaande de ftrengheid waar mede zijn vader om het begunftigen en aankleven van die partij ^ vervolgd was. In 1578 behoorde hij onder de ballingen, die zig toen weder in Amfteldam bevonden, hebbende alvorens enigen tijd, a!s Stedehouder van Sqkot in het Noorderfovaitier geweest» Twee da.en voor de grote omkering in Amfteldam, voorgevallen op den 26 maij van gemelde jaar; fchreef hij aan Sc* Koy, dat hij zijn volk moest gereed houden, om op 't eerfte bevel van de Staten van Holland te kunnen optrekken; ook ' ontbood hij enen fchootvrijen helm en rondas,- tot zijn- gebruik; blijks genoeg, dat hij iets geweldigs in den zin hadt. De omwenteling naar wensen geiukt, en de Regeerders; die de inwoners dus lange gefolterd hadden, ter ftad uitgeleid zijnde, was Mr. Willem Bardes een van die genen, welke ,tot Burgemeester en Raad aangefteld wierden. In 1579'wierdt hij  t BARDES. (WILLEM) 91 hq als Gelastigde van de Staten van Holland naar Weesp gezonden , om aldaar de rust te herftellen , die door enige Roomsgezinden in 't ftoren van den hervormden Godsdienst, met kennis of door aandrijven van enigen uit de Regeringe ^ebroken was; hij zette zeven leden uit de Vroedfehap, en drie derzei ven, nevens den Secretaris en een oude Pastoor, uit de ftad hebbende doen leiden, was de rust aldaar herboren. In't jaar Ï586", verzette hij zig mannelijk tegens de oogmerken van Leicester , die op raad van Jakob Reingoud , Heer van Kouwenberge een' vreemdeling, ftraffèn en vorderingen ten laste der Kooplieden wilde invoeren, fchoon het den naam hadt, dat die ftraffèn alleen zouden dienen tegen de Lorrendraijers, zijnde zodanige lieden, die tegen deplakaten, en onaangezien de borgtogten bij hen gefteld, den vijand goederen toevoerden; ook niet min ijverde hij tegen het oprigten der kamer van geldmiddelen , waar van Reingoud vlamde om Thefaurier te worden. Hij toonde op ene vrijmoedige wijze, dat Leicester geen magt hadt, zodanige oprigting to doen, zonder voorkennis der algemene Staten. Deze zaak op nieuw voor den Raad gebragt zijnde, wierdt van elk 't ftraffèn der Lorrendraijers redelijk gekeurd, alleenlijk gaf Bardes in bedenking, of het zonder gevaar van oproer te doen ware; doch over 't opregten ener kamer van geldmiddelen, merkte hij bij herhaling aan, dat alle nieuwigheid ongemak baarde, en dat hij 'er zo veel voordeels niet uit te halen zag. In Jt voorbijgaan, liet hij iets merken van de klagten, die hem en zijne ambtgenoten uit Holland gedaan waren , over 't dringen van vreemdelingen in de Regeringe, waar over Leicester zeer verftoord werdt. Bardes verzogt dat men zijne woorden, als fpruitende uit zugt tot vcorftand van 's lands vrijheden, ten goede nemen wilde; waar op de Graav hernam: dat de woorden goed, maar de werken gering waren. Maar met dit ftribbelen tegen 's Graven welbehagen, werdt niets gevorderd; de kamer werdt opgeregt, en Reingoud Thefaurier gemaakt. Het ambt van Burgemeester en Raad heeft Bardes te Am- fieh  ë BARENDS. (BAREND) BARENDZEN. (DIRK) ■fieldam verfcheidenemalen bekleed; en hij-overleed in 1 ij* MSoi, nalatende een zoon, insgelijks • Willem Bardes L Jiaamd, aan wien de Staten van Holland, in ieó3, ene renté van 200 ponden 's jaars toeleiden, wegens 3200 ponden die *gn' grootvader, bij zijne Jaatile Scbouts-rekening van de Rad rog te vorderen hadt Wagen., Vad. Hifi. VIL D bl- 205. zoo. 299. VIII. D. bl. I57. a?3. w ft/cjSK «wi III. St. bl. 47o. 477-479. , BARENDS~(BAREND), geboortig van kampen, hadt zig I? het Jaar 1572 S^voegd bij de G**, r^ft^. Na dat bij benevens zijne makkers vele roverijen en. pïuBderingen ter IntflS VriCKen -a,S V"mdCn dagthij met zijnen bekomen buit naar EnMen te wijken, doch wierdt op znne retze derwaarts door de Enkhuisers agterhaald en geno! ^^c^^ETlT'inJttU v-eimen, Hijt. van Enkh. bl. 141. BARENDS (WILLEM), Kapitein ter zee, wérd t ben even i Jan Kornelisz in het jaar r59ö( onder beleid van den dapi pi.ren zeeneld Jakob van Heemskerk, ten derdenmale xs£ zonden, om door het noorden enen doortogt naar Tarta^è én Chna te zoeken. Na Spitsbergen ontdekt te hebben ftierf hj op dien togt in *fe£ Met gemelden Heemskerk kwamen twaalf zijner fcheepsgenoten te rug in het vaderland, na dat zij onder het doorftaan van veelvuldige gevaren, de uiterfté hoeken van het noorden, zonder den weg naar tinna gevon^ SiS ' GsÖtu, Annfr ^tR™ZEN (BIRK)' E0»Si™^> ^oren te ^ ^ n 1534, genoot van zij, en vader, dat een tamelijk goed schilder was, doorkin? ™„r. -n , é op he ftad hms te gezi-en ^ tgf ■ beeldende de opfchuddingen, door de Wederdopers verwekt teien, m weik ftuk, naar dien tijd niet kwalijk behandeld, de  BARENDZEN. (DIRK) 93 f e woede van dien muitzugtigen hoop zeer vreemd en verfchrikkelijk uitgebeeld is; het eerfte onderwijs in de konst. Toen Dirk den ouderdom van 21 jaren hadt bereikt, vertrok bij naar Italië, hieldt zig te Venetië op bij den beroemden Titiaan , die buitengemeen veel van hem hieldt, hem in bUis nam, als zijn kind behandelde, en vergunde ja zelvs beval, zijne te Venetië komende landslieden, wel te onthalen. Hij die met een edelaartigen ziel en vlug verftand, was begaaft, verkeerde 't liefst met deftige en vermogende lieden, of geleerden, doordien hij zelv' in de fraaije letteren bedreven, der latijnfe tale magtig, en zeer belezen was. In Italië. hieldt hij gemeenzame verkering met den Heer van St. AldeèoNDE, welke vriendfehap en goede verftandhouding federd in Nederland tusfen hen altoos in wezen bieef; zulks Ai.decokde nimmer te Amfteldam kwam, zonder Dirk te bezceken, vermaak fcheppende in deszelvs bijwezen. Om. kort te. gaan, Barends was een deftig en weigeziqn man; die ook liefhebberij hadt voor de muzijk, en tot zijne uitfpanning op verfcheidene fpeeltuigen zig oeffende. Hij hieldt ook gemeenzame verkering met den digtkundigen Lampsonius, en zij hielden onderlinge briefwisfeiing in de latijnfe taal. Na ene afwezentheid van omtrent zeven jaren, keerde, Dirk door Frankrijk naar Holland te rug, en trad te Amfteldam in huwelijk, met ene dogter uit een der treffelpfte huizen van die ftad In den ouderdom van 28 jaren, portraiteerde hij zig ze!ven en zijne buisvrouw, zijnde zeer aartig en fraaij behandeld. Offchoon hij zig meestal aan 't portraitfchilderen hieldt, waar in hij zeer vaardig was, en een bevallige manier volgde, heeft hij nogthans ook enige fraaije outerftukken, en meer andere uitmuntende taferelen gefchilderd, waar in men kennelijk de voortreffelijke manter 'van Titiaan ontdekken kan, dien hij ook geportraiteerd- heeft. Men vindt nog ten buidigen dage fchilderijen va» Barekds, inzonderheid op de Doelen of Schuttershaven te'Amfteldam, die in grote achting bij de liefhebbers worden gehouden. In het fpreken van de Italiaanfe taal, behieldt Barenes den V~e-  BARENDZOON. (HERMAN) BARKEY. (NIKLAAS) Venetiaanfen tongval, en beminde de landbouw zonder dezelve nogthans te beoeffenen. Zijne fchigtigheid voor de zee en het water, bragt te'wege, dat hij aan zijne begeerte om Haarlem of andere fteden te bezoeken, fchroomde te voldoen, doordien zijne zwaarlijvigheid hem belette, in een rijtuig derwaarts tè reizen. In het Gasthuis werdt hem een groot werk befteld dat half afgedaan is blijven Heken, doordien hem de dood overviel, bezig zijnde daar aan te fchilderen, in het jaar r592 f in den ouderdom van 58 jaren. Men heeft een afbeeldzel van hem in plaat DE P„.ES) Ah.egé de fa ^ ^ ^ tres. K. v, Mander, Leven der Schilders. I. p. bl. 317--320, BARENDZOON (HERMAN), bankbezoeker te Amfteldam, werdt in het jaar 1610, door den Kerkenraad buiten kennis van Burgemeesteren, afgezet van zijn ambt, om dat zo als getuigd wordt, in 't ftuk der Predestinatie verfchilde van zyne medebroeders. G. Brandt, Hifi. der Reform. IL D. bl. 148, 149. BARKEY (NIKLAAS), te Bremm geboren in 't jaar i7or is geweest S. S. Th. Doktor, Profesfor en Predikant in dp Hoogduitfe Kerk bij de gereformeerde gemeente in 's Hage. Hij wierdt op den 9 junij te Amfteldam Proponent, op den 6 november 1732 als Predikant te Kleverskerk op het eiland Walcheren in Zeeland beroepen, alwaar hij na ruim 10 jaren lang het woord des Heren met allen ijver te hebben verkondigd, op den 12 julij 1744 te Hidst in den dienst werdt bevestigd,' daar hij vertoefde tot op den 4 februarij 1751, dat de ge-' meente van Middelburg hem tot haren Leraar aanftelde, wel. ke kudde hij drie jaren geleid hebbende, den 4 julij 1754 in zijn vaderftad Bremen tot Predikant en Hoogleraar in da godgeleertheid wierdt beroepen, daar hij zig egter eerst op het einde van genoemde jaar na toe begaf, en intusfen den 20 december aan het Hogefchool te Groningen de eeretrap Van Doctor Theologice bekwam; eindelijk wierdt deze geleerde man, tot Herder en Leraar in de Hoogduitfe Kerk in 's Graienhage beroepen, daar vervolgens het Hoogleraarfchap wierdt bij-  BARLAEUS. (KASPER of GASPAR) BJ fegevoegd. Hij ftierf den 18 junij 1788, in den ouderdom van 79 jaren; zijnde vervolgens het lijk bij Scheveuingen, in de open lugt, op het kerkhof Ter Navolging begraven. Bar;{Ey is een geleerd man geweest, en heeft zig niet weinig 'roems, in het gemenebest der letteren, gedurende het tijdvak van zijn langdurig en arbeidzaam leven verworven, door zijne uitgebreide kundigheden in de godgeleerdheid, kerkelijke gefchiedenisfen, als andere takken van wetenfchappen 5 waar van tot levendige bewijzen ftrekken, zijne veelvuldige uitgegevene werken', wordende inzonderheid onder dezen geroemd: de Bibliotlieca Bmnenfis en Hagana, Mujaum Haganum en Sijm- bolce Hagana. Hambergeri, Erudita Germania. p. 33. C. Saxi, Cmom. literar. Pars VII. p. 102. Boekz. 1732. a. bl. 744- 1733- a- I2U i?45- «• 234- 175Ü a- 233- I7S4' b. 198. I7SS- «• 1765- b. 541- Kcnst- en Letter-Bode. 1. D. bl. 4- BARLAEUS (KASPER of GASPAR), is Profesfor in de Philofophie te Amfteldam geweest, en geboren te Antwerpen. den rtt februarij 1584, in welke ftad zijn vader die den zelvden naam voerde, Griffier was; doel; zijn ambt verliet, en naar Holland toog,*na dat den Hertog van Parma, die ftad veroverd hadt. De jonge Kasfer oeffende zig in de Godgeleerdheid te Leijden, en werdt in 1608 tot Predikant beroepen in de Nieuwe Tonge, op 't eiland Overftakkéé, welke dienst bij tot in 'tjaar 1612 waarnam; wanneer hij op aanbeveling vanP. Bertius, in deszeivs plaatze, tot Onder-Regentin 't Staten-Collegie te Leijden werdt aangefteld, en van den predikdienst afftondt. Op't einde des jaars 1617, werdt hij door de Bezorgers der Hogefchool, verkoren tot Profesfor in de Logica of Redeneerkunde. Middelerwijl waren de gefchillen der Remonftranten en Contraremonftranten ontftaan. Barlaeus hieldt de zijde der eerften, welke hij van 't jaar 1615 af, piet zijne penne ten dienst ftondt. Ook woonde hij het Bordje Sijnode bij onder de aanfehouwers, zo lang die vergadering met open deuien gehouden werdt; makende aantekeningen van  $6 BARLAEUS. (KASPER of CASPAR) van 'tgene hij zag en hoorde, die federt in 't licht gegeven zijn. Hij hielp de gedaagde Remonjlranten enen geruimen tijd in het ftellen van enige fchriften en brieven, die gedurende het houden der Sijnode, ' ingefteld en afgevaardigd werden. Doch in februarij, keerde hij naar Leijden en tot de waarneming van zijn gewoon beroep te rug. De leer der RemonJlra&n vcroirdeeld zijnde op de Sijnode, werdt ook het Ho,gefchool, zo als men het noemde gezuiverd, en Barlaeus onder anderen verlaten van 't Onder-Regentfchap, omtrent het midden van junij, en in de volgende maand ook van 't profesforaat in de logica. Doch eer 't laatfte gebeurde, Jiadt hij die voorheen Predikant geweest was, de Acte van Stiljland getekend, en zig verbonden voortaan niet te prediken, fchoon hij ten zelvden tijde betuigde, der Remonftrantfe zaken nog toegedaan te blijven; welke betuiging hij in julij 1621, nog herhaalde. Middelerwijl hadt hij ontzet van zijn beroep, zig op de geneeskunde toegelegd, en was te Caën in Normandije, tot Doktor bevorderd. Hij heeft nogthans deze wetenfehap bijna niet ge-oeffend, en zig te Leijden- daar hg bleef wonen, bezig gehouden met het onderwijs van jongelingen in de philofophie en in andere wetenfehappen, tot dat hij in 1631, tot Profesfor der philofophie en der welfprekendheid, in het doorlugtig fchool te Amfleldam, beroepen werdt; daar hij van groot en klein geëerd en bemind, zijn beroep met allen ijver en vlijt waarnam; enige treffelijke latijnfe Gedigten en andere werken in 't licht gaf, waar van enigen worden'beoirdeelt in hetfehone artikel, dat den geleerden Bayle, Ons in zijn Biüionaire Hijlorique £P Critique, van Barlaeus heeft nagelaten, Met dit werkzanie leven hieldt hij aan, tot dat hij van ene zware ziekte aangetast, die hem den geest geweldig benauwde, en alleenlijk nu en dan enige tusfenpozingen gunde, 's daags na dat hij voor zijne Studenten nog gelezen hadt, op den, 1$ januarij 1648 overleedt; zie G. Brandt, Toezij, III. D. bl. 144. Over de natuur zijner ziekte, en de onmiddelijke oirzaak zijn's doods, is veifcheidelijk van gefproken en geoirdcelt. Dan tamelijk zeker is het, dat zijne ziek.    BARLAEUS. (KASPER of GASPAR) g? 1 kiekte ene verregaande zwaarmoedigheid is geweekt, waar van, hij reeds in 'tjaar 1623, kort na't ontdekken van den aanflag op het leven van Prins Maurits, aangetast geweest was, ter gelegenheid dat de zo vermaarde Schout Bont de onbefchofte ftoutheid hadt, te Leijden hem, op ftraat gaande , onverhoeds een papier, welk hem ten dele uit de zak Rak, te ontrukken; 't welk hem fchoon 'er niets kwaads in Rondt, dermate ontftelde, dat hij om te minder verdagt te zijn, tot driemalen toe in de openbare kerke ging; waar op fchrijfc G. Brandt, ene zware wroeging en droefgeestigheid volgde, die egter door den tijd wederom verdween. Doch na zijn beroep te Amfteldam, in 1632, trof hem nog groter zwaar- ] moedigheid. Hij zelv' fpreekt 'er in zekeren latijnfen brief, aan zijnen neve Cunaels, met deze woorden van: j, Ik el„ lendige, ben geftort in ene droefgeestigheid, veel zwaar„ der dan die mij voor negen jaren getroffen heeft. Eerst 0 heb ik mij door fterk ftuderen, afgemat; daar op is verftop„ ping gevolgd; vervolgens is mij 't gene te voren ligt fcheen, „ zwaar voorgekomen; eindelijk heb ik, door ik weet niet „ welk ene kleinmoedigheid, begonnen mij zeiven t'enemaal „ te mistrouwen, en te gevoelen, dat ik onbekwaam ben „ om dezen last te dragen. En ik ben mij zelv' nauwelijks, „ als mij het deerlijk lot van mijn huisgezin te binnen komt. „ Ik, die de gelukkigfte was, ben de ellendigfte in mijne „ ogen. De redenen door welken gij mij opbeurt, worden ,, mij door brave lieden dagelijks voorgehouden. Ach neef \ „ ik ben de man niet die gij meent dat ik ben. Ik heb dezen „ post, uit een ijdele en dwaze overtuiging aanvaard. Maar „ ik gevoel nu, dat het heel wat anders is in't bijzonder, „ heel wat anders is in 't openbaar te onderwijzen; ik heb „ die vrijmoedigheid niet, als ik in 't openbaar onderwijzen „ moet, die mij wanneer ik in 't bijzonder onderwees, plagt „ eigen te zijn. Ja, ik ben zo vervuld van fchroom , dat ik „ zelv' geen bijzonder onderwijs geven durf. Mijne gezond„ heid is ook minder, uit hoofde mijner droefgeestige verU. Deel. G „ beel-  # BARLAEUS. (KASPER of GASPAR) „ beeldingen, en der geneesmiddelen zeiven. Mijne flaap ö * zwaar en afgebroken; de huishouding des lighaams, geheel « ontf¥d- iWij fchiet geenehoop over, dan op de barmber„ tigheld en magt'des groten Scheppers, die mij eertijds van diergelijke kwaal, doch allengskens, verlost heeft; want „ gij weet, dat deze ziekten van langen duur zijn. Ik be., veel mij zeiven en mijn huisgezin, waaide neef, aan uwe „ gebeden. Ik heb geen lust om meer te fchrijven, en dit „ treurig en mij zeer lastig verhaal, te vervolgen. ' Uit mijn » ftijl, uit mijne uitfchrabbingen, zult gij ligteJjjk kunnen „ zien, hoe ik gefteld geweest ben, toen ik dit op't papier bragt. De vorige kragten van lighaam en geest zijn ge? j?"akt- Mijne l™isvrouw die bij mij Rondt terwijl ik dit „ fchreef, heeft mijne pen genoegzaam beftierd. God geve „ dat ik beter en Wijder fchrijven moge! Nu kan ik niet.'» Clam: Vim. Epist. e Mufeo ]. Brandt, p. ii3. Doch uit dezen naren toeftand, is Barlaeus ook gered zo dat hij in 't begin des jaars 1635, in ftaat was, om de openbiue redevoering van den wijzen Koopman te doen; en, uit de brieven van den Drosfaart FJooït, na dien tijd aan, en wegens hem gefchreven, fchijnt men te mogen afleiden, dat hij nu en dan, en bijzonderlijk omtrent den aanvang des jaars 1639, toevallen van onpasfelijkheid gehadt; maar verder, tot diep in 'tjaar 1646, ene redelijke gezondheid genoten heeft Epist. M. Z. Boxhornh e Mufeo j. g. Meelii/p. j66. Doch toen fchijnt hij van zijne oude kwale, op nieuws aangetast te zijn. Men heeft vertelt cn gelooft, dat hij meende van glas te wezen, en vreesde aan ftukken gefloten te zullen wordenof van boter of ftro, waarom bij zig ver van 't vuur hieldt' Sommige menen, dat hij in ene put gevallen ofgefprongen en zo verfmoordis; doch in de lijkrede, door Johannes Arnolbus Corvinus over hem uitgefproken , leest men, dat den Redenaar verhaalt was, hoe ene fchieiijke flauwte, die in' dien tijd velen trof, den overledenen de dood gedaan hadt. Hij is begraven in de Nieuwe Kerk nabij de grafkelder van. zij-  BARLAEUS.' (KASPER of GASPAR) •rf zijnen hartvriend P. C. Hooft, die hem flegts weinige maan■ den overleefd heeft; waar op Joost van Vondel dit grafiil fchrift maakte. Hier flüitner't Baarle neffens Iloorr, Geen zark hun glans noch vriendichap dooft. Barlaeus heeft zig, inzonderheid doDr zijne latijnfe verfea I en redevoeringen beroemd gemaakt. Over zijne begaaftheid i in de digtkonst, velt Jac. Phild?p. d'Orville, in Gratione in II natalem Athenaei Anftelaedamenfis, p. 14, 15. het volgende I oirdecl : A plurïbus eo. tempore inter Principes latinae Poèj'eos I habebaiur: muüi etiam Principatum in divina hac arte deferehant. I Ook zijn 'er brieven van hem in 't licht, die bij de kenners I weacht worden. Weinige maanden voor zijnen dood, heeft hij I een verhaal van de krijgsbedrijven van Prinfe Johan Maurits ;| van Nasfau in Brazil, in 't licht gegeven, en voorts door den I druk gemeen gemaakt : Poëmata pleraque prhnimi Jeparatim I fpdrfmque edita, in mum volumen contraEla, nimirum Heroicoruin [I 'libr. III. Elegiarum libri II. Lugd. Bat. 162,1. 12°. Triumphus '\ Fcderati Be'vii fuper debellatis ad Mafam urbibus &c. Amfi. 1632. folio. In Ducatum Limburgicum addltum Foederatorum Imperio. Amfi. 1633. fol. Tumulus Gustavi Adolphi &c. Panegyricus Armakdo Cardinali Riciielio &c. Amfi. 1655., ! in 12°. Disfertatio de bono Principe, &c. fol. 1633. Medicea Hospes, Jive defcriptio publicce gratulationis, qua Marmm de Medtcis &c. Amfi. 1639- fol. Zijnde hier van ook ene nederduitie uitgave, in 1642 gedrukt. Oratio panegyrica de vicla Hfpanorwn Clasfi, Amfi. fol. Oratio de Ente rationis,. Amfi. jol. Epijiolcc varite. Amfi. 1667- 12°. Orfttiones. varia, 1643. 120. Methodus Jludiorum &? mor urn. 12°. Objervationes aut experimenta 'Magnetis , cjf vis magnetica Terrce , (j'c. 1651. 120. Zijne fchriften ten voordele der Remonftrantcn in 't licht gegeven, vindt men aangewezen, in de Biblloiheca fcriptorwn Bernmfirantium, Authore Akt. CatTenburg. Alle deze werken hebben Barlaeus ongemeen veal achting verworven bij de geleerde wereld. Doch zijne fcherpe twistfehriften, ten behoeG 2 ve  tw BARLAEUS. (LAMBERTUS) ve der Rmmjtmten, hebben hem de ongunst niet alleen maar zelvs den bitterften haat van veieKèrkelijken op denhals geladen; welker hevige wederleggingen ook, zomen wil kt hebb?n tdegebragt, tot 's mans droefgeestigheid. Behalen de hier bijgevoegde afbeelding van den konstrij. ken VflMttUS . ontmoet men hem nog in prent door L. Virteu; dóór Matham, naar Sandrart; door Delpiiius, naar Bailly; en door meer anderen. , «oman, Bibl. vétut C? nova. Morhovii, Polyhijhr. Tom. I. p. I53. 207; 2g^ 977- '1064. J. A. Corvini, Ortt.funebr. Witte, in Dia'Hó biögraph. F, G. Freytag , AnaleOa litter. p. 57 68 Crenii, Animadv. Philolog. Part. XIII. p. 45-49 j0 Fabri cii, Hiftor. Bibl. Part. III. p. 2??. 305. FomafSj m ^ p. 165, 166. C. Saxi, 0«öm. fóff. Pars IV. p. 25r 252 Aaal. 588. P. Bayle, ZXSfo,,. Tom. I. P. 4S4. «fc de\n* David Clement, Bïblhthéque curieufe, Tom. LI. p 42p 4,Q 6. Brandt, Hifi. der Reform. II. D. bl. 243. 45I. 5^ ^ \ III. D. bl. 171. 4o4. 444. Wagen., Vai. Hifi. X. FJ bi' §88. XI. D. bl. 89. Wao., Befchr. van Amfi. XI. St.' b!" 297-303. A. Pars, Naamrol der Batav. en Heil. Schrijvers', W; 277> 305- 328. Soermans, Kerkelijk Register, bl nc' ^n&m. Register, bl. 63. 122. BARLAEUS (LAMBERTUS), Hoogleraar in de griekfe taal te Leijden, een broeder van Kasper, geboren te Bommel Ml 1598, wierdt na zijne letteroefFeningen met allen lof te \ hebben volvoerd, en met ruimte tot den dienst toegelaten te zijn, als Predikant van 't Gezantfchap met den Baron van i LAngerak, miandfen Ambasfadeur naar frankrijk benoemdvervolgens werdt hij Conrektor der latijnfe fcholen te AmfieU dam, en eindelijk Hoogleraar in de griekfe tale te Leijdenwelke bediening hij met een bpèntlfjke redevoering: de Grcecarum hterarum prceftantia £P Utükate, den 22 october 1641 aanvaardde. Voorts gafhij uit, Luciani Timonem, Lugd. Bat. 1652. 8vo. en Hesiod! Theogmiiam, Lugd. Bat. 1658. 8vo. H.j ftierf den 16 juni} X65Sl in den ouderdom van 60 ja- ren.  BARLAEUS. EARLAIMÖNT. BARLOTTE. joï^ |gn. KóNisn; Bibl: vet", &? nov'. CórviNus, in Orat- funebr. Casp. Barlaei. Catal. Bibl. Bunav. Tom. I. pag, io(to. C Saxi, Onom: liter. Pars IV. p. 374. P; Bayle, G.iclkih Tom. I. p. 456- de 1730. BARLAEUS (MELCHIOR), een volle neef van Kas?ek' èn Lambsrtus , te Antwerpen in de XVIde eeuw geboren, was een zoon van Lambertus Barlaeus , Bewaarder der ftads Ai> chiven te Antwerpen. Melchior was een geleerd man, en heeft verfcheidene werkjes, zo in digt als profa gefchreven. . , Corvinus in Orat.fun. C. Barlaei. Val. Andr., Bibl'. Belg. Foppens, Bibliotli. Belg. p. 886. Saxi, Onom. liteiw. Pars III. p. 403- BARLAIMONT (GILLIS van], Heer van Hier ge s} uit de Öostenrijkfe Nederlanden geboortig, is een groot Staatsman en tèffens moedig Krijgsman getveêst, in dienst dés Kónings van' Spanje) gedurende den aanvang der Nederlandse beroerten, hl welke hij dén aanhang des Prinfen van Oranje menig gevoè^ Bgcn neep hééft toegebragt: Hij hééft vele roemrijke krijgsbedrijven uitgevoerd, doch wierdt gefluit in de loopbaanzijner overwinningen, bij het beleg van Mastricht, door den Hertog van Parma in het jaar 1579 ondernomen; want bier trof hem een kogel, die hem tot groot hartzeer van den Veldheer , in een ogenblik hét leven benam. -—— Strada,' Neder!. Oorl. BARLANDUS, zie BAARLAND. BARLOTTE (CLAUDE la), is een wakker Krijgsheld geweest, in dienst van den Kardinaal Aartshertog Albertus * wien het aan moed noch beleid ontbrak, waar van hij de onlochenbaarfte blijken gaf in 1596, toen de Aartshertog voornemens was Hulst te belegeren. La Barlotte was met enige manfehap afgezonden, om Ware het mooglijk, den Graav yAN Solms, die door Prins Maurjts met een magtige bezetting, daar binnen gelaten was, te verrasfen. Onder begunftighig van de duisterheid des nagts, gelukte het hem, in het begin G 3 van  102 BARRES. (ANATOLIUS de) van julij, over de gragt te geraken, terwijl het Staatfe volk zeer onagtzaam de wagt hieldt. Door deze verrigting, maakte hij den aanvang van het beleg, voor den Aartshertog zeer voorfpoedig, waar van het vervolg niet min voordelig was. Toen in 1598 de Admirant van Arragon zijnen optogt langs den RJiijn wilde ondernemen, werdt la Barlotte vooruit gezonden, hij noodzaakte alle de fchippers die hij aantrof, hunne fchepen, tusfen Bon en Keulen, bijeen te brengen, met dezelven voerde hij zijn volk over den Rhijn, en maakte zig meester van de beide wederzijdfche oevers; na deze verrigting, joeg hij, met behulp van twee veldftukjes, de Staatfe uitleggers den ftroom af tot aan Rlnjnberk toe, en volvoerde dus den last die hem bevolen was. Niet minder nadeel deedt hij in het volgende jaar, mst den inval in de Bommekrwaard, waar door hij Prins Maurits veel werks verfchafte, om hem daar weder van daan te drijven. Onder alle de voordelen welke de vijand behaalde, was wel het voornaamfte, dat zij Maurits, zo voor Bommel als in de Tielenvaard en elders afmatteden, en Mendoza gelegenheid kreeg, tot het ftigten van de St. Andries fchans; ook fcheelde het weinig, of het zou aan Barlotte gelukt zijn, Woudrkhem te verrasfen; doch een weinig te lang toevende met zig te beraden, werdt hij in het lopen naar de poort, door een der burgers door den torenwagter gewekt, ontdekt, die fneller dan hij lopende, hem voorkwam , en de ftad in beweging bragt; la Barlotte hadt meer dan 500 man bij zig, die gedeeltelijk als boeren gekleed, van korte roers en cpftekers voorzien waren. Gedurende het beleg voor de Ifabella-Schans bij Oostende, werdt hij in het jaar 1600 doorfchotcn, en door zijnen dood de Staat van een moedig en wakker beftrijder verlost. H. de Groot , Jaarboeken, bl. 245. 369. Wag., Vod. Hifi. VIII. D. bl. 432. IX. D. bl. 25. 48. 51. 88. BARNEVELD, zie OLDENBARNEVELD. BARRES (ANATOLIUS de), geboren te Salins in het jaar 1524, was de zoon van Pietex Barres, Heer van Renet, Raads-  "BART. (JAN) ï?2 Raadsheer in 't Parlement van Dole, tot in 1530, wanneer hij tot Prefident van dat zelvde Geregtshof wierdt verkozen; zijn moeder was Guye d'Arbon genaamd'., AnatolIus werdt hog zeer jong zijnde naar Leuven gezonden \ alwaar hij de mathefis, én waarfchijnlijk ook, de wijsbegeerte en regtsgeleerdheid beoerlende; zedert kwain hij aan het Hof van Karel den V. als Kamerheer. Hij overleefde zijnen Keizerlijken meester; maar men weet niet, waar hij vervolgens is gebléven. Wij hebben van Anatolius: ï. AritUmetka p-aïïkx, lib. IV. Lov. r$4$I 4tó- De Schrijver Was hog geen ro jaren oud, toen hij deze verhandeling in 't licht gaf. 2i CAróLus Quntus ccelo domtus. Lovanii, 1559- in 120. Dit is ené lijkrede over dien Vorst. Val. Andr. , Bibl. Belg> p. 46. J. F. Foppens,. Bibl. Belg. p. 49. Dunod de Chjüenage, Mem. pour fervir a l'hiftoire du Comté de Bourgogne, p. 625. Paquot, Hijl. litterar. Tom XIL* p. 268, 269» BART (JAN), een Kaper ter zee, geboren in 't jaar 1650 te Duinkerken, van geringe ouders, heeft door zijnen meed \ "beleid en dapperheid, zijn naam vereuwigd, Zijn vader was een visfer, die reeds met een talrijk huisgezin beladen was} toen Jan ter wereld kwam, die vervolgens nog door een broeder Kasper genaamd gevolgd wierdt. De behoeftige ftaat van den ouden Bart, gedoogde niet, dat hij zijn' zonen iets anders liet leren dan visfen, ja zelvs werden zij in geen lezen noch fchrijven onderwezen. Jan van enë geaartheid zijnde, die tot verhevener bedrijven dan de behandeling van het viswant gefchikt was, verliet het huis en de plaats zijner geboorte, ging naar Holland, en verhuurde zig te Amfteldam voor fcheepsjonge. Onder het beftier van den vermaarden zeeheld M. de Ruiter, klom hij als jonge van trap tot trap op, en wierdt een bekwaam zeeman. Met den oorlog, welke Lo'dewtk de XIV, in 1672 dit Gemenebest aandeed, Was men 'er op uit, ten einde zulke twéé itiagtig verbondene!' Vijanden als Frankrijk en Engeland, ter zeé hét hoofd të kulitln bieden, naar mannen van kunde en ondervinding om ia Ö 4 zien>  W4 BART. (JAN) zien, en Bart was onder het getal der genen, aan wien men een aanzienlijke bediening aanbood. Dan deze jongeling pas 2i jaren oud, hier te eerlijk zijnde om tegens zijn vaderland en koning te willen vegten, weck hij uit Holland, keerde naar Duinkerken te rug, en aanvaardde de kostwinning van velen zijner ftadgenoten, om namelijk ter kaap te varen; enin dit nieuwe beroep kweet Jan zig zo dapper, dat hij wel dra boven zijne medemakkers uitmuntte; zeldzaam keerde het kaperfchip waar op hij zig bevondt, zonder prijzen in de haven; en zijn Kapitein moest volmondig belijden, dat hij. zijn geluk grotendeels aan Jan Bart hadt te danken, die zijne fchepelingen door zijn voorbeeld, moed en een voorzigtig beleid, wist in te boezemen; ja zijn roem verbreidde zig zo ver, dat die fpoedig ter oren van Lodewyk den XIV, kwam. Met het ter kaap varen, een ftuivertje overgewonnen hebbende, bevondt Bart zig in i675 in ftaat, om voor eigene rekening een galjoot uit te rusten, 't welk hij met twee ftukken kanon en 36 koppen wapende. Op zijn eerften togt met dit vaartuig, ontmoette hij op de Hollandje kust nabij Texel, een fregat van 18 ftnkken en met 60 koppen bemand; zonder zig lang te bedenken, klampte Bart het aan boord, veroverde het, en bragt het te Duinkerken op. Deze en meer andere gemaakte prijzen ftelden hem in ftaat, om deel in ene kaaprederij te nemen, welke een fregatfehip van tien ftukken uitgerust hebbende, het bevel daar van aan Bart toevertrouwden ;hij was daar mede nauwelijks buiten de haven van Duinkerk ken gekomen, of hij ontmoette een Hollands fregat, de Hoop genaamd, met 12 ftukken gemonteerd; Bart tastte het aan en overweldigde het, na een vrij hevig gevegt dat enige uren duurde. Vervolgens ondernam hij een kruistogt naar de Oostzee, alwaar hij op een aanzienlijke koopvaardij-vloot, befchermd door twee fregatten, het een van 12 en het ander van 18 ftukken kanon „aanviel; het zwaarfte fregat enterde hij terftond, veroverde het fpoedig, en joeg het twede op de vlugt, vernielde voorts een gedeelte der koopvaardij-vloot en overweldigde het oyerfchot. Deze laatfle togt ve.wekt: > even    BART. (JAN) . 105 Sven veel fchrik bij zijne vijanden, als zij meed aan zijne mederederen inboezemde, die daar te boven door de bekomene winften aangevuurd, het befluit namen vier of vijf fchej pen teffens uit te rusten; over het ene hier van ,• de Overwinning genaamd, voerde Bart het bevel, ook waren de vier anderen aan zijn gezag onderworpen. Met deze vloot op den 23 maart 1676 in zee gedoken zijnde, vermeesterde hij een Hollands fchip van 10 ftukken, dat 50000 kronen waardig gefchat wierdt, en zondt het op naar Duinkerken. Zijnen koers vervolgende, vielen enige dagen daar na onder zijn bereik agt koopvaardij-fchepen, die van Londen kwamen, door drie oor logs fchepen verzeld, het ene zijnde een Zeeuw van 18 , en de beide anderen Oostenrijkers, een van 24 en het andere van 28 ftukken. Hij hadt die zo dra niet in het gezigt, of hij gaf aan een zijner fregatten bevel, om de koopvaardijfchepen aan te tasten; dit was nauwelijks gefchiedt, of hij viel zonder zig lang te beraden, met zijn vier overige fchepen, op de drie oorlogsfchepen aan, enterde den Zeeuwenaar, ftak met eigen hand den Kapitein daar van dood, verwekte hier door zodanigen fchrik, dat het verbaasde fcheepsvolk om lijfsgenade bad en zig overgaf, waar na hij het Oostendife fchip van 28 ftukken noodzaakte zijn behoud in de vlugt te zoeken, zo als het andere ook reeds gedaan hadt; en Jan Bart keerde als zegepralend overwinnaar met zijn gemaakts buit, beftaande uit het Zeeuwfe oorlogsfchip en agt koopvaarders naar Duinkerken, daar hij juichende en met handgeklap in de haven wierdt verwelkomt. In meij 1677, ontmoette hij met zijn eskadertje, 16 fchepen met kostbare koopmansgoederen geladen, uit Holland naar Engeland ftevenende, en begeleid wordende door een oorlogsfregat van 24 ftukken. Volgens zijne aangencmene gewoonte, tastte hij het fregat 't eerfte aan, en geraakte daar mede in een hardnekkig gevegt; doch Bart gewoon te overwinnen, verdubbelde zijnen moed, vuurde dien van zijn volk aan, en maakte zig na een bloedigen ftrijd die drie uren aanhieldt, nieeiter van het fregat en dr ie der koopvaardij-fchepen. In de G 5 maand  KW SART. (JAN) maand feptember van dat zelvde jaar, geraakte hij flaa^s ms» een fregat van 36 ftukken, dat gefehikt was ter bevellfeJ van enige koopvaardij-fchepen; ook dit met zijne onderheb bende fchepen, onderging het zelvde lot, uitgezonderd da> hij dezen buit, m Frankrijk opbragt. Lodkwvk m XIV 00 ene roemrugtige wijze van dit voorval hebbende horen fpre ken, zondtter verdere aanmoediging, aan den gedagten zee man een gouden gedenkpenning, hangende aan een ke en van 't ze'vde metaal. In maart 1678, ftak hij met een nieuw fchip van 14 ftukken , de Dolplrjn genaamd, in zee. Weinige dagen hadt flegts zijn togt geduurd, of het fchip ScMedani, voerende 32 ftukken, dienende als kustbewaarder voor Texel, maakte jagt op hem, met oogmerk om hem aan te tasten. Bakt gaf terilond Wijken, dat hij noch dè meerderheid van het gefchut, noch die van dé manfchap fchroomde; want nauwelijks waren zij aan eikanderen, of hij gaf bevel om te enteren; hij was overal, dan voor; dan agter, gebood, vogt en bekwam verfcheidene wonden; doch ondanks dezelve, verfloeg hij aI wat hem voorkwam; viel op den Kapitein aan, doodde die, en maakte zig teen wel dra meester van het fchip. Nog in hét zelvde jaar, trad Bart "in dienst des Konings van Frankrijk; waar toe hij des te gemakkelijker befloot om dat 'er na 't fluiten van den vrede, wéinig met kaapvaren te verdienen viel. LÓbewyk M XIV, maakte hem Kapitein over een fchip van u ftukken, met be,el om jagt op de rovers van Salé te maken. Een van dezelve, voerende i om aan zijne Majefteit te betuigen, dat Bart ruim zo veel aanfpraak op de beloning hadt als hij; >t welk van die uitwerking was, dat men dezen ook een gelijk gefchénk toewees De Graav de Tourville in 1690 door den Koning tot ViceAdmiraal aangefteld zijnde, bekwam Bart onder zijn bevel een fchip van 40 ftukken met 240 man, benevens last om zig daar mede bij de vloot te Brest te voegen. Den - ju' tij üepen zij in Zee, en kwamen den 29 onder de EngeUè kust. Op den 4 julij befpiedde Jan Bart als een visfer gekleed, in een klein vaartuig de vloot, die uit 57 oorlogsfchepen er, 30 kleinere vaartuigen, zo fregatten als kotters beffend, leggende boven den wind in ene rij gefchaard', en flegts . een halve kabellengte van elkander: De. Hóllanden hadden de voorhoede, de Engeljen van de Me vlag de middentogt, en die van de blauwe vlag de agtèihoedé; op dit berigt maakte Tourville Zig bereid tot den flag, en viel met allé dapperheid, de gecombineerde vloot aan; doch de Hollanders die het grootfte aandeel in 't gevegt hadden, leden veel meer nadeel clan de Engeljen, die zig zo veel mooglijk buiten het gevegt hielden; zes van hunne voornaamite fchepen wierden reddeloos gefchoten, en verfcheiden anderen op het ftrand gejaagd. ' Na het gevegt, zeilden de twee verenigde vloten de Theems' op, ten einde zig van hare bekomene fchade te herftellen. De Staten berigt van het geledene nadeel bekomen hebbende ■ wapenden terftond 14 grote fchepen, die naar Engeland zeilden, en z.g bij de vloot voegden. Terwijl Tourville mede zijne fchepen herftelde, kruiste Bart in 1691 met tweo fchepen op de Hollandje kusten, en Overviel aldaar de haringbuizen , van welken 8 of 9 verbrand werden, na dat Forbin het oorlogsfchip dat tot derzei ver dekking verftrekte, genofcen hadt; gelukkig nog dat 200 andere buizen zig in Eny land  BART. (JAN) log lmd wisten te bergen.' Op dien togt met dit bedrijf niet vergenoegd, ontmoette hij op de te rug reize naar Duinkerken, twee Engelje fchepen, die 450 Deenfi foldaten naar Engeland voerden; hij viel dezelven onvenvagt aan, en overmeesterde 2e bijna zo fpoedig, als hij ze aangevallen hadt. Even gelukkig flaagde hij, in het afhalen van twee fchepen van de Elve, met buskruid , koper, lood, wapens, granen enz. gela-; den; terwijl hij op dezelve was wagtende, rantfoeneerde hij, om niet ledig te zijn, enige groenlandsvaarders voor icoo Franje kronen, met dit rantfeen benevens de twee gemelde fchepen, zeilde hij ongeftoord naar Brest. Lodewyk de XIV, ligt bevroedende, dat Holland en Engeland alle mooglijke magt zouden bijeen brengen, om het nadeel dat zij het vorige jaar geleden hadden, te hcrftellen;' gaf bevel aan Tourville , om zig mede ten fpOedigften gereed te maken. Bart kreeg onder die vloot, het bevel over een fchip van 66 ftukken en 400 man; doch in dat jaar niets aanmerkelijks tusfen de vijandelijke vloten voorvallende, begaf hij zig naar Duinkerken, welke ftad in 1694 door de Bondgenoten, geblokkeerd en hevig gebombardeerd werdt. Bart niet kunnende dulden dus opgefloten te zitten , ondernam alles om zig daar aan te onttrekken, openbaarde zijn ontwerp aan den Minister der zeezaken, de Heer de Powtchartrain, die 'er in den beginne genoegen in nam, en al wat 'er toe vereist werdt bezorgde; doch naderhand van gedagten veranderende, beval hij de uitvoering te ftaken; dan op nader berigt en opening door Bart gegeven , herhaalde hij zijne vorige bevelen. Bart de uitrusting ingevolge zijn plan voltooid hebbende , ging "s nagts onder zeil, en voer met de bij zig hebbende vaartuigen midden door de Engelje fchepen heen, gevende aan wederzijden de laag. Met kragt van zeilen, won hij de ruime .zee, zonder dat zij nog eens de tij! hadden gehadt in bedenking te nemen, om hem aan te tasten; mot het aanbreken van den dag, was hij reeds buiten hun gezigt. Tegen den avond ontdekte hij vier fchepen , die met hem een koers zeilden ; in 't eerst dagt hij dat ze tot de vloot be.  1141 BART. (JAN) behoorden die Duinkerken blokkeerde; doch bij nader onderzoek bleken het drie rijkgeiadene fchepen te zijn, die uit Engeland naar Rusland beftemd waren, en door een oorlogsfchipi gedekt wierden; den gantfchen nagt hieldt hij zig digt bij hen, en met het aanbreken van den dag, tastte hij het oorlogsfchipj aan, en overmeesterde het zo wel als de drie andere fchepen. Na de gemelde en meer heldendaden verrigt te hebben, keerde hij nevens den Ridder Forbin naar Duinkerken te rug' alwaar zij bevel bekwamen, om aan 't Hof te komen, ten einde zig te verantwoorden, op de klagten door Denemarken tegens hen ingebragt. Zij trokken dan naar Verfailles, daar Forbin niet zo dra aan 't Hof was verfchenen, of de Koning vroeg hem naar Jan Bart, zeggende dien zeldzamen man te willen zien. Op bekomen bevel, begaf Bart zig 's morgens ten Hove, en deedt zig aandienen om bij den Koning ingeleid te worden; doch te vroeg gekomen zijnde, vertoefde lij in een der vertrekken, haalde zijn pijp uit den zak, ketfte vuur en begon te roken. Alle die daar tegenwoordig waren, verwonderden zig over deze floutheid, en de wagt wilde hem noodzaken van daar te gaan, zeggende, dat het niet geoirloofd was, in de vertrekken van den Koning te roken; dan Bart bekreunde zig hier weinig over, en antwoordde: „ ik „ heb in den dienst van den Koning mijnen meester deze „ gewoonte aangenomen, zij is mij onontbeerlijk geworden; „ en ik geloof dat hij veel te regtvaardig is, om kwalijk te „ nemen dat ik daar aan voldoe;" en ging dus met roken voort. Dewijl hij zig nimmer aan 't Hof vertoond hadt, was hij 'er ook bij niemand bekend, dan bij den Ridder Forbin, die zig egter wel wagtte te zeggen, dat hij hem daar gebragt hadt. De Koning werdt hier op aangediend, dat 'er een man was, ftout genoeg om in zijne vertrekken te roken , en die weigerde heen te gaan. Lodewyk antwoordde daar op al lachgende: het zal zekerlijk Jan Bart zijn, laat hm maar begaan. Binnen komende, werdt hij van zijne Majeiteit vriendelijk ontvangen, die tegens hem zeide: Jan Bart,  BART. (JAN) uX Bart, hei is alietii aan u geoirlcofd in mijn Hof te roken. Op Jen naam van Jan Bart, en 's Vorflen vriendelijke bejegening, Ronden alle de Hovelingen als opgetogen,- in de, befchouwing van dien zeldzamen mensen. De Koning was nauwlijks vertrokken, of een ieder vraagde aan Bart, hoe hij bet tog gemaakt hadt, om door de b okkade van Duinkerken te komen? hij plaatfte hen hier op alle in een rij,, en dreef hen uit den weg, door floten met zijne ellebogen en vuisten; ging midden door hen heen, keerde weder, en zeide : zie daar Ine ik gedaan heb. Sommigen kwamen lachgende bij den Koning, en verhaalden hem wat'er voorgevallen was; zijn Majefleit zig met hem willende vermaken, deedt hem hier op roepen, cn hem in verlegenheid zoekende te brengen, vroeg hij hem: zeg mij tog eens Jan Bart , hoe zijt gij door de Engelfe vloot geraakt? Onze Jan beantwoordde de vraag des Konings met de taal van een zeeman, dat is, in ruwe bewoordingen. De Hovelingen verwonderden zig daar over; doch de Koning zeide: hij fpreskt wel wat onbefcliaafd, maar verdedigd egter dap' per mijne belangens; en vervolgens op zijne Hovelingen ziende, voegde hij 'er bij: is 'er onder ulieden wel iemand, die doen kan wat hij doet? waar op zij met ene buiging, die neen te kennen gaf, moesten antwoorden. De Koning befchonk hem met ene erkentenis van icoo kronen, te betalen uit de Kojiinglijke fchatkamcr; bij den ontvangst daarvan, fpeelde Bart geen minder belachgeiijke rol. Dan laten wij hem weder op zee verzeilen, waar voor hij geboren fcheen. Zonder alle zijne bedrijven aanëengefchakeid te vermelden, vergenoegen wij ons nog alleen te zeggen, dat agt Staatfe oorlogsfchcpen in 1694, een graanvloot, uit de Oostzee naar Frankrijk beflemd, veroverd hebbende, dezelve reeds op de hoogte van Texel gevoerd hadden, toen Bart die zes corlogsfchepen bij zig hadt, hun aantastte, drie van de gemelde agt fchepen overweldigde, de vijf overigen op de vlugt dreef, en de graanvloot behouden binnen de haven van Duinkerken bragt. Terftond na zijne aankomst aldaar, deedt hij door zijnen zoon, den Koning kennis geven van het b3- haa'«  H2. BART. (JAN) haalde voordeel; waar op de boodfchapper tot vergeldin"' een hoger trap in den zeedienst bekwam, en aan zijnen vader prieven van adeldom werden verleend. Hij au Ridder geworden, viel in i69G, op een Hollandje vloot aan, die met granen uit de Oostzee kwam; de fregatten die dezelve ter befcherming dienden, veroverde hij, en* nam. of vernielde een aanzienlijk getal koopvaardij-fchepen. In het volgende jaar werdt hij door Sobietsky, Koning van Polen, tot Bevelhebber van een eskader dat te Duinkerken lag, aan* gefield. De ontwerpen, die hij bij den ontftanen oorlog in het begin van de volgende eeuw^beraamd hadt, Werden dooiden dood verijdeld; hij overleed'op den 27 april 1702, in den ouderdom van 52 jaren. Zie daar lezer, de verkorte levenfchets van dit zonderlinge mencch, groot, ja verheven in zijn foort. Wij zullen dit artikel befluiten , met enige karaktertrekken van hem op te geven. Hij wordt befchreven als rijzig en wel gemaakt van geftalte, fors van leden, hebbende een ftout en onvertzaagt voorkomen; ja zijn gactfe maakzel fcheen gefchikt, om de moeilijkheden aan het zeeleven eigenaartig verknogt, te kunnen verduren. Alle zijne trekken waren regelmatig, hij hadt een vriendelijk uitzigt en aangenaam gelaat, een blozende kleur, grote levendige ogen eji blond hair; was matig, fprak weinig, bezat een gezond oirdeel, fchoon ruw en onbefchaafd, en was voor den omgang met de wereld geheel niet berekend; zijne geaartheid was die van een regtfchapen zeeman, zijnde altoos werkzaam, ijverig, en een vijand van rust en ledigheid. Hij onderfteunde zijne daden door éen moed en dapperheid die den toets konden doorfïaan, en beituurde die met een wel aangelegde voorzigtigheid. Des noods durfde hij de grootfto gevaren trotferen; doch ontweek die zorgvuldig , als 'er geen roem 'noch voordeel bij te halen was. De overwinning die hij in 1694 voor Texel behaalde, was voor Frankrijk onbetaalbaar, want hij bevrijdde door 't hernemen van de graanvloot, dat rijk van hongersnood, en maakte hier door zijnen roem onfterffelijk. De naam van Jan Bakt, ver- ftrek-  BARTELS. (GERARD) BARUETH. (JOHANNES) ti* Jtrekte tot een fchrik op den Oceaan. Hij was doorgaans gewoon, van de vijanden daar hij tegen ftreedt, de eerfte laag af te wagten, en niet' te fchieten dan onder het bereik van een piftoo!fchoot, en vervolgens terftond tot de entering ovet te gaan. Ik weet niet dat 'er een ander pourtrait van hem in druk uitgaat, dan het hier bij gevoegde van den Konftenaar R. Vinkeles. Levensbefchr. van Jan Bart. Rott. 1781. Wagen., Pad. Hift. XVI. D. bl. 153. 255. 265. 3*7- BARTEL ENTES, zie ENTES. BARTELS (GERARD), van A;H atque Heditji expugnatione, deque prtelic apud Rentiacum, tempore Caeow VCcejaris. Antv. apud Bellerum. 1555. 8)'c. «~— Foppens; Bibl. Belg. p. 501 i' BASINUS (THOMAS), Aartsbisfchop van Ccejare.a, wiercr door Paus Sixtus de IV, benevens twee andere Prelaten benoemd, om in 't jaar 1479, het Geding van den Bisfchop LV vid van Bourgondien, met de ftad Utrecht en dé Geestelijkheid te onderzoeken, en de twisten, op goedkeuring van hel Êausfelijkè Plof, ter nedèr tè leggeh; dan hij verfchoonde %\i Van dié commisfie, om dat te Utrecht wonende, wegens eenzijdigheid vérdagt konde gehouden worden, Basinvs was een geboren Fransman, eertijds grote gunfteling van Karel Den VII, Koning van Frankrijk, doch naderhand door zijnen op-, volger Lödewyk van alle zijne ëeramb'teh afgezet, en éci.vs gebannen, hadt de ftad Utrecht tot zijne woonplaats gekorcji. in weike ftad hij overleden is, in het jaar 1491. Ziet breder van heni bij Heda , in Davide Episcopo, p. 304. en de Aantekening van Buchel, als mede Matth^üs, Frajat. Tom. U. Analecl: vet. cevi. — K. Burjjan, Utr. Jaarl, III. D. bi, 396. en aant. (i). BASIUS (JOHANNES), geboren te Leeuwarden, gaf w 2ijne kindfe jaren af, doorftralende blijken van een geestigyernuR Te Leeuwarden en Haarlem, Icjde hij de nodige gron. H 3 Üen  Ïi3 BASNAGE. (JAKOBUS) den tot de befchavende wetenfchappen; waar na hij Leuven verkoor, om zijne ftudien verder voort te zetten, en van daar ■ naar Frankrijk reisde, alwaar hij het meesterfchap in de regten erlangde, en dus met groten roem naar zijn vaderiand keerde, en zig in zijne geboorteftad enigen tijd met de praktijk geneerde; onderwijlen tot vermeerdering van zijnen roem, fchrijvende: Paradoxarum Disputationum Jwïs civilis, Lib. IV. quibus dubix Jurisconfultorum traditienes & refponfa examinantur ac reconciliantur. Bajil. i575. in folio.; waar benevens hij een aartig verhaal van de herfst vacantien, in latijnfe versfen gefchreven heeft. Zijne ervarene kundigheid in de regten, heeft hem aan Leeuwarden onttrokken, en op de nodiging der'Delffe Overigheid, het ambt van Secretaris van die ftad doen aannemen. Ook is hij in dienst- van Prins Willem den I. geweest, en wel in de hoedanigheid van Gemagtigde over de zeezaken; want ik vindt aangetekend, dat deze hem in 1569 bevel gaf, om op zijnen naam,' nieuwe beftellingen ter zee uit te geven, trekkende de lastbrieven te voren verleend, allen wederom in. Ook, dat hij in 1570 bevel van den Prin\fe ontving, zorg te dragen, dat de fchepen die de bruid van FiLirs naar Spanjen voerde, geen het minfte belet door de Staatfe fchepen wierdt aangedaan. F. Sweertii, Athen. $elg- P- 394- G. M. Konig, Bibl. vet. & nov. Val. Andr,, Bibl. Belg. p. 455. Süffr. Petri, de Scriptor. Frifice, uit. ed. P- 43o, 431. Paquot, Mem. litter. Tom. XII. p. 236-238. Wag., Vad. Hift. VI. D. bl. 312. 318. BASNAGE (JAKOBUS;, oudfte zoon van Hendrik BasNage, Heer van Frar.qv.enei, Advokaat voor het Parlement van Rouaan, werdt in die ftad geboren den 8 augustus 1653. De eerfte gronden zijner ftudien leide bij te Saumur, onder den vermaarden Tanaquillus Faber , die hem om zijn vlug begrip grotelijks achtte en lief hadt. Faber weet men, hadt niet veel op met de Kerkelijken, en ziende dat Basnage genegen was die orden te omhelzen, raadde hij zulks aan zijnen kwekeling ten fterkfien af;, doch des jongelings ne:girg be-  BASNAGE. (JAKOBUS) fcehicld de overhand boven des Hoogleraars raad. Basnage voldoende in de talen onderwezen en kundig, begaf zig naar Geneve, en beoeffende aldaar onder Chovet de wijsbegeerte-; onder MestresatenFranciscusTurrettin de godgeleerdheid, welke laatfte wetenfchap hij verder voortzette onder Jurieu te Sedan'. Jurieu was een man van een vlug en goed veriïand, maar zeer driftig en gants en al niet toegeeflijk; BasnAge hoorde wel vlijtig zijne lesfen, doch drcokte beter met de geiaartheid van Beaulieu, die veel gematigder was. DÉ ftak Jurieu geweldig, en om zig hier over te wreken, gaf hij hem toen hij zig als Proponent aandiende, de zwaarfte proeftexteri die-hij uit kon denken ; niet té min voldeed Basnage zo wel, en behandelde die zo oirdeelkundig, dat zijn meester niet kon nalaten om hem daar ovér te prijzen, li 'c jaar 1676, wierdt hij Predikant te R.ouaan in plaats van le Moyne, die als Hoogleraar naar Leijden beroepen was. Basnage begaf zig aldaar ook in huwelijk met Susanna du Moulin, de dogter van Cyrus du Moulin; Predikant te Chatenadun, en kleindogter van den alom bekenden Pieter du Moulin. In 't jaar ic~8_; werdt de Kerk te Qidvellij, welke door de Gereformeerden van Roman gebruikt wierdt, gefloten, onder voorwendzel, dat de Gemeente de bevelen des Konings overtreden hadt. Basnage verzogt verlof, zig met zijn huisgezin naar Holland te mogen begeven, het welk hem niet zonder moeite na lang aanhouden, door een brevet eigenhandig van den Koning getekend, werdt toegedaan. In 1691 werdt hij te Rotterdam, op een behoorlijk jaarlijks penfioen, tot Leraar in de Franfë Gemeente aangedeld. Aldaar geraakte bij in twist, met den Predi>kant Jurieu, die zijn vrouws zuster getrouwd hadt; doch hij wagtte zig wel, om daar iets van door den druk gemeen te maken ; houdende hij zig liever aan zijne letterbezigheden , en in de gemeenzame verkering met geleerde Mannen. Dit maakte hem zijn Verblijf te Rotterdam zo aangenaam ,■ dat hij, wat moeite zijn zwager hem ook veroirzaakte, egter niet kon befluiten, die flad te verlaten, om de beroeping die te Leijden op hem gevallen was, te aanvaarden. H 4 tn  f2ê ' BASNAGÈ. (JAKÓBÜS) In het volgende jaar, geraakte hij in kennis met den broeder van den Marquis de Torcy , die den naam voerde van dea Ridder Croissy, welke als krijgsgevangen in den flag bij Hochfted, over Rotterdam naar Engeland gevoerd werdt. De be» lieftheid, welke hij- aan dien' Heer en deszelvs gezeifchap bewezen hadt, bragt hem in kennis met den gezegden Marquis de Torcy, die enige jaren later als Franje Gezant in den Haag kwam, om voorilagen van vrede te doen. De achting 'die d» Raadpenfionaris Heinsius , Basnage toedroeg, was oirzaak, dat hij in het jaar 1704, als Frans Predikant in die hofplaats beroepen werdt. De grote reden die hem bewoog dat beroep aan te nemen, was, dat hij dagt aldaar beter gelegenheid te zullen hebben, om de Franje vlug telingen van dienst.te zijn. Heinsius fchatte hem niet alleen hoog als Predikant, maar gaf ook blijken, dat hij in ftaatszaken veel vertrouwen in hem en zijne bekwaamheid ftelde; hij zondt hem met den Franjen Ambasfadeur d'Uxelles naar het Congres te Utrecht, ter behandeling van zaken- van het grootite gewigt. Ook was zijne bekwaamheid buiten lands bekend. De Kardinaal Boullion, als vlugteling in Holland zijnde, vertrouwde hem alle zijne belangens. De Abt Willem du Bois, naderhand Kardinaal, in 1716 als buitengewoon Gezant van Frankrijk in 'jHage, hadt bevel van den Hertoge van Orleans , zig bij Basnage te vervoegen, en van zijnen raad gebruik te maken. De Abt gaf hem niet ..alleen van alles kennis, maar werkte ook gemeenfchappelijk met hem, om de alliantie tusfen Frankrijk en Engeland tot ftand te brengen. Ene menigte brieven , door den Abt aan hem gefchreven, bewijst de verpligting, die Frankrijk erkende, hem dienaangaande verfchuldigd te zijn; de Regent liet het ook niet bij blote complimenten berusten, maar toonde zijne dankbaarheid met 'er daad, door hem niet alleen alle zijne goederen die hij in Frankrijk hadt moeten agterlaten. te doen toekomen , maar bezorgde hem daarenboven nog een vast jaargeld. ^ Basnage bezat bij ene grote geleerdheid, een gezonden fierk Jighaam; zijn geheugen- was uitmuntend; weinig van ziekte « we-  •EASNAGË. (JAKOBUS) jüi- wetende, trof dezelve hem, daar mede bezogt wordende, 20 veel te flerker. In 1722 kwijnde hij aan ene maagziekte, daar na werdt bij door geelzugt aangetast, zijnde toen in het 7ifte jaar zijn's ouderdoms, en voornemens zijne Kerkelijke HiJlorie, in de franfe taal te doen herdrukken, waar van het eerfte Deel met de negende eeuw begint. Men hadt langen tijd bij hem aangehouden, om dit werk met een vroeger tijdvak te doen beginnen; doch de arbeid die daar aan moest te koste gelegd wordenen zijne hoge jaren, veroirzaakten, dat do Doktoren reeds voor enigen tijd hem het ftuderen hadden verboden. Op den 3 december 1723, verklaarden zij, dat 'er geene herftelling zijner gezondheid te hopen was, en hij overleed zeer christelijk op den 22 van dezclvde maand. Hij heelt maar ene dogter nagelaten, getrouwd aan den Heer de la Sarraz, geheimen Oorlogsraad van den Koning van Polen. 's Mans geaartheid was ongeveinsd, gelijk uit zijne fchrifterc kenbaar is; hij eerbiedigde de waarheid tot in de geringfte Zaken, en hem was ene befchaaftheid eigen, die men zeldzaam bij geleerde■ lieden ontmoet; voorts was hij minzaam, voorkomende, een volksvriend, gedienftig; hij kende geen groter vermaak, dan om iemand van nut te zijn, en zijn credit te gebruiken ten voordele van ongelukkigen; hij ivas een getrouw vriend, en van ene braafheid, die de fterkile toets kost doorftaan; en fchoon hij de dwalingen met veel levendigheid en vuur wederleide, behandelde hij nogthans de perfonen zelve, met de bedaardfte ingetogenheid, ja veeltijds met achting. Bayle , die volmaakt de konst verlamd, om iemand naar de waarde zijn's arbeids te fchatten, noemde hem toen hij ilegts 19 jaren oud was, ent levende Bibliotheek. Het is, zegt hij, „ een Man, in de gedaante van enen jongeling, niet alleen ,, wegens zijne grote geleerdheid, maar cok om zijne opregt„ heid en edelmoedigheid." Om van alle de gefchriften dezes geleerden en arbeidzamen Mans een verflag te geven, zou ene letterkundige gefchiedenis op zig zei ven vereisten; dus zullen wij alleen verflag geven van die, welke tot onze vader-, landfe gefchiedenisfen betrekking hebben. Deze zijn: Annales II 5 des  125 BASNAGE. (JAKOBUS) des Provinces mies depüis les Negotiations peur la paix de Munfterj avec la Defcription hijlorique de leur Gouvernement &c. Dit werk fchreef hij op last der Staten van Holland, die heiri tót hunren Hiftorie-fchrijver hadden aangefleld; doch hij ondernam: dien arbeid niet, voor dat hij de vergunning hadt bekomen, om de Registers van Staat te kunnen raadplegen, én de belofte , dat hij onbefpierd de waarheid zou mogen fchrijven. Hier op zette hij zig aan den arbeid, en het eerfte Deel kwam in 1717 in folio gedrukt in 't licht, dat gretig gekogt werdt en meer'goedkeuring dan berispers vondt; ten aanzien van de befchrijving der regeringswijze van de zeven provintien in dit deel geplaatst, hadt hij in enige opzigten misgetast; doch hij hadt de edelmoedigheid zulks hem aangetoond zijnde, te erkennen , en zulks geredelijk te verbeteren, Jt welk in een uitvoerig berigt gefchiedde; waar bij hij ene nrhandeling over de Batavieren voegde, die met vrugt kan gelezen worden, en veie merkwaardige zaken bevat. Dit ftuk werdt voor het twede Deel van zijn werk geplaatst; dat in 1719 uitgegeven wierdt; en, welk Deel een Verhaal bevat, van het gebeurde in 1646-1648; een tijdvak waar in veelvuldige belangrijke en gewigtige gebeurtenisfen zijn voorgevallen. Op 'tjaar 1648, ontmeet men daar in de Mimfterje vredehandeling, waar bij Neerlands vrijheid voor dien tijd is bevestigd geworden; en gedurende welke onderhandelingen, de Prinfen van Condó en Fredrik Hsndrik van Oranje ftierven. Over den laatften , drukt de Schrijver zig in deze bewoordingen uit: dat 'er de Staat niet veel bij verloor, doordien hij ziekelijk was; en fchrijft 's Prinfen ongemakken en dood toe, aan naijver, dien hij tegens zijnen zoon, naderhand Willem de II, zoude opgevat hebben. Het jaar 1649 was vermaard door den geweldigen dood van Karel denI, Koning van Engeland, zijnde Frankrijk in dien tijdkring ook beroerd door inwendige onenigheden, die als een verterend vuur, haren weiftand verflonden; en het fcheen, of in dezen tijd alles in onmin moeste leven, want dit Gemenebest hadt teffens ook een groot verfchil te beiiisfen met den Keurvorst van Keulen, over de vesting Rhljnberk. Niet  BASSEE. (ADAM de la) èi§ Niet min berugt daagde het jaar 1650 op, want hier viel onder anderen in voor de onbezonnen' toeleg van Willem den II. op Amfteldam; ene daad die bij Basnage wel uitvaelig, doch bij anderen gefchikter en meer met de' waarheid overeenkomende geboekt is. Dan 's mans karakter raadplegende, ben ik overtuigd dat hij door verkeerde berigten hier omtrent gedoold heeft. Verder vindt men in 1651 de grote nationale vergadering in 's Hage gehouden; in 1653 en 1654 den oorlog, en daar op gevolgde vrede met Kromwel ; en vervolgens de komst van Karel den II, in 's Hage; zijnde alles doormengd, met vele zaken die vreemde Hoven en Landen betreffen. Onze taak zoude nu nog misfchien eisfen , dat Wij de tijtels opgaven van de overige werken, die door den noesten arbeid van den vlijtigen Basnage aan zijne medeburgers zijn gefchonken, doch zo als wij aanmerkten, zijn die zo menigvuldig , dat zulks ons te ver van ons voorgenomen beftek zoude doen afdwalen ; wij verwijzen daarom onze lezers, die belang ftellen om hier van onderrigt te zijn , tot de Memoires pour fervir a l'Hiftoire des Hommes ülustres par Niceron , en zulks te meer, dewijl men daar teffens ene korte beoirdeling van die onderfcheidene werken zal aantreffen. De Afbeelding van Basnage is eerlijk in 't koper gebragt door van Gunst. ——- Joh. Alb. Faeïicius, Bibl. Crcec. L. VI. c. X. n. XXXV. p. 759-780. Catal» Bibl. Bunav. p. 1065. Stolle ad Heumannum, p. 976 & 1022. C. Saxi, Onomast. liter. Pars V. p. 300. & Anal. 632. J. G. de CHAUFErié, Diiïim... Töm. I. p. 108 occ. Niceron, Memoires des Hommes illuft. Tom. IV. p. 294-311. Tom. X. Part. L P- h7-i5i- BASSEE (ADAM de la) , Kanunnik van St. Pieter te Rijsfeï, welke naar alle waarfchijnlijkheid in de XlVde of XVde eeuw heeft geleefd, was van het klein fledeke la Pu fee, in het Artoifche daar hij zijnen naam van voert, afkomftig. Men heeft van hem: Ludus Aam de Basfeya, Canonici Pnfulenfis, fuper Anti-Claudianum Magistn Alani de Infida, rhjthmsè eoxpojitus. ■ Foppens, Bibl. Be g. p. 4. Paotot, Memcdr. litta. Tom. X. p. 59. j'AS-  S*4 BASSEE. BASSELIERS. BASSEN. BASSEE (BONAVENTURE de la), Licentiaat in de Go*, geleerdheid en Kapucijner'Monnik, is mede genoemd na zijne geboorteplaats het ftedeken Ia Basfóe, alwaar hij in 't begin van de XVIde enw ter wereld kwam. Hij Rierf in het Klooster te Boignies in Henegouwen , den n feptember 1650 , en heeft nagelaten: Tlieophilus Pqrochialis, feu de quadruplki debü» in propria Parochia perfolvendo ; Concionls, Mlsfce, Confesjionis Pa, fchalis, Pafchalisque communionis. Per Bonav. Basseanumï Capucinum Pradicatorem. Ant. 1635. 120. Romce. 1638. 120. ■ Foppens, Bibl. Belg. p. 141. Paquot, Memoir. litten Tom. I. p, 311. BASSEE (ELOY de la), wierdt in 1585, ook al in meergemelde ftedeke geboren, hij heeft mede tot de orden deiKapucijnen behoord, leide een zèer ftigtelijk leven, en is in den ouderdom van 85 jaren op den 25 november 1670 in zijnklooster .te Rijsfel geftorvèn. Die Geestelijke was zeer belezen; wij hebben van hem: Flens totius Theologie praüicce,• turn Sacramentalis, turn Moralis. Duaci 1639. fol. Edit. emendi Arav. 10-43. fol. - Maai, BibHoth. Ecclef. p. 331. Val; Andr., Bibl. Belg. p. 2oi.- Foppens, Bibl. Belg. p. 258. Pa<2uot, Memoir. litter. Tom. X. p. 181, 182. BASSELIERS (BALTHASAR), omtrent het jaar 1670 te Antwerpen geboren, begaf zig tot de orden der Recolletten, en wierdt door zijnen Oppcrften tot den predikdienst beftemd,d-e hij gedurende de tijdkring van 32 jaren uitoeffende, dat is tot aan zijnen dood toe, welke voorviel in 1C38. VW zijne lettervrtigt is door den druk gemeen gemaakt: cécM •nes Morales, omni tempen prcedkabiles . . , . fuph Euangcliuitt Johannis, de Lazaro qwstridua.no redivivo. Ant». 1638. in gr: 8ro: Val. Andr., Bibl. Belg. p. 103. Foppens, Bibl. Belg. p. 122. Paouot, Memoires litter., Tom. IX. p. 267', 268. ' _ BASSEN (DIRK REINIER van), Burgemeester te Arnhem in het begin dezer eeuw, was moeders vader van den beroemden Edelman, Jan Derk van der Capellen, tot den Poll. Met zijnen ambtgenoot Willem Adeïaan Bouweksch, is hij ge*  BASSON. BASSOT. BASTINGIUS. BASTONIER, 12* gedurende de beroertens in Gelderland in het jaar 1707, uit; Arnhm, aan het hoofd van enige vrijwillige Burgers, met drie of vier ftukken gefchut, naar JVageningen gezonden, en heeft die ftad ingenomen; is daar na deswege gevonnist, en heeft tot hogen ouderdom te Tiel gewoond, en zig in de ge, leerde wereld bekend gemaakt, zo door ene uitgegevene Verdediging van zijn gedrag, ais door ene verhandeling de Jurejurando vetenCm, inprimis Romanorum^ gedrukt te Utrecht 1728. in 8vo. Struvii, Biblioth. Jur. p. 212. Wag., Vad. Hift. XVII. £>. bl. 302. BASSON (ADRIAAN), Regtsgeleerde, een' neef van den ' Gondfen Pastoor Jan Fransz Basson ; is insgelijks te Gouda geboren, en gaf in 1665 in 't licht: Conjilia. ——— J. Walvis^ jBcfchr. van Gouda, I. D. bl. 314. BASSOT (JAN), Konstfchüder, woonde omtrent het jaar 1583 te Parijs, zijnde een der eerfte Meesters geweest; welke den Nederlandfen Schilder Abr. Bloemaart in die konst onderwezen heeft. K. v. Mander, Leven der Schilders, II. D. bi. 194- BASTINGIUS (JEREMIAS), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Leijden, is in 1554 te Iperen in Flaanderen geboren. Zijne ouders wegens de belijdenis van den Gereformeerden Godsdienst uit Gent verdreven zijnde, namen de wijk naar Leijden. De jonge Bastingius ftudeerde te Breinen, Geneve en Jpeidelberg, en maakte grote vordering in de kennis der ta'en, bijzonder der griekfe en hebreuwfe. Hij wierdt tot de Hervormde gemeente te Antwerpen als Predikant beroepen; doch deze ftad in 1585 door den Hertog van Parma verovert zijnde , trok onze Bastingius naar Dordrecht. Naderhand tot Hoogleraar in de Godgeleerdheid op de nieuwe Leijdfe Akademie aangefteld zijnde, overleed hij kort daar na, op den 26 october 1598; nalatende een Cathechismus met verklaringen. • Meursius, Athence Batav. BASTONIER (JAN), werdt geboten. omtrent 't jaar 148© S te  ti$ BATELIER. (JAKOBUS) . tff Braine-k-Comte in Henegouwen; hij verkoor den Monniken ftand in de Abtdij van St. Manen te Doornik, en wierdt vervolgens tot Priester gefchoren. Zijne kundigheid, weike het tijdvak in agt genomen waar in hij leefde, groot was, gevoegd bij zijn onberispelijk levensgedrag, maakte dat hij tot Prior van het klooster te GemMours wierdt aangefteld. Dit verliet hij omtrent 't jaar 1590, reeds bejaard zijnde, om Karthdzer te worden in het klooster St. Andri bij Doornik. Hier gaf hij zig ten enemalen aan het gebed, en andere oeffeningen van het befpiegelende leven over. Tot devijs voerde hij deze fpreuk: Nifi in Deo gaudium; en hij fchreef die in al zijn boeken en gefehriften , benevens deze betuiging: „ Ik zal „ niet geloven een Karthuizer te zijn, ja zelvs geen Geeste„ lijke, zo-lang mij de minde begeerte zal bijblijven om mijn „ geest en hart, met iets anders werkzaam te houden, dan „ met God mijnen Schepper, en mijn hoogde goed." Men heeft van Bastokier : Libellus de ceremoniis ac confuetudinibus Reformationis Burfkldenjts. — Val. Andr., Bibl. Belg. p. 455, 456. Foppens, Bibl. Belg. p. 576. Paquot, Memoires, Tom. XVII. p. 234, 235. BATELIER (JAKOBUS), is geweest Remondrants Predi. kant in 's Hage, en wel in dien tijdkring, dat de kerkverfchillen op het hevigde aan 'f woeden waren. Hij hadt zijne dudien volbragt in 't Walfe Kollegie te Leijden, en was in 1617 Predikant te Kralir.gen geworden. Na de onenigheid en fcheuring die te Amfteldam, na het afzetten van den franfen Predikant S. Goulart ontdaan was,, heeft hij volgens Brandt, enigen tijd voor hen, die de Remondranten waren toegedaan, gepredikt, ten huize van zekeren Willem Sweersen. Hij werdt in 1619 in een latijns fchrift betigt, dat hij uit zijnen dienst als Predikant zou gevlugt zijn, om de draf te ontwijken wegens het vertalen van zeker frans boekje, doch hij heeft de valsheid van deze aantijging middagklaar betoogd. Ik vindt egter, dat hij van zijnen dienst is ontzet; waar na hij zig nog enigen tijd te Leijden moet hebben Opgehouden, want  BATEN. BATENBURG. ï27 want >an daar begaf hij zig naar Rhijnsburg, om zig in de Kerkelijke vergadering aldaar, te doen horen over r Cor. IX. vs. 4 en 14, met oogmerk, om, ware 't mooglijk, de Rhijns', burgers, ten aanzien van het Leraars-ambt tot andere 'gedag* ten te brengen. In 't vervolg, heeft hij enige jaren de Remonftranto-n in 's Hage, als Leraar bediend. Ook'heeft hij enige fchriften nagelaten, die gants en al niet mals zijn,1 tegens de leer der Gereformeerden. In hoe grote achting hij bij de zijnen geweest is, kan men opmaken, uit het bijfchrift door G. Brandt onder zijn Afbeeldzel geitcld, van dezen inhoud : De grijfe wijsheid leeft en ghnftert in dit licht. Het hooggeleerdt verftand fchiet ftraalen door 't geficht; Maar klaarder op 't papier. Aenfchouw dat, daar zijn boeken De fpreuk van Jacob en van Esau onderzoeken. Hij leerdt wat Godt met recht verwierp, uit gunst verkoor Het misverftand verdwijnt, fijn helder licht breekt door,, BATEN (HENDRIK), geboortig van Mechelen, heeft omtrent het einde der XHIde euwe geleefd. Hij was Doktor in de Godgeleerdheid en Kan.'elier van het Hogefchool te Parijs • ook Kanunnik en Zanger van de Hoofdkerk- te Luik; hij heeft zig enigen tijd te Fez aan de Barbarife kust opgehouden. Het fchijnt dat de mathematife wetenfehappen en wijsgerige onderwerpen, zijne voorname beoeffeningen uitmaakten. Hij heeft gefchreven: Specidum Divinorum fc? Naturalium quorumdam £fr. en Liber introduQorius ad judicia Astrologie a M. Henrico de Malino in urbe Fez. B. de Monteaucon, Bibl. Bïbliotheear, V. Sweertii, Athen. Belg. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 542, 543- Foppens, Bibl. Belg. p. 434. Paquot, Memoires litt. P- 4*i 43- BATENBURG (GYSBERT en DIDERIK van), vindt men gemeld onder de tekenaars van het vermaarde VaborA da Edelen. In 1567 waren beide broeders, als Kapiteins in dienst van den Heer van Brederode; in welke waardigheid, zij ook enig volk naar Amfteldam aanvoerden; zij kwamen aldaar daags na  Ut BATENBURG. na dat Bredekode vertrokken was. Veel moeite fpilden zij; doch tc vergeefs, om binnen gelaten te worden; want zelvs de Onroomfen hadden befloten, hen buiten te houden. Van daar voerden zij hun volk over't Y, naar Waterland; en te Hoorn komende, namen de Batenburgen het befluit hunne manfchap te verlaten, en naar Friesland over te Heken; doch zij werden tót hun ongeluk door den Schipper verraden, en aan Ernst Mulart Schout te Hasfelt en Kapitein van den Graav van Aremberg, overgeievert. Behalven de Batenburgen, werden veel andere aanzienlijke mannen, wel ten getale van 100 gevangen genomen, en te Harlingen opgebragt; onder dezelvenbevonden zig Sjoerd Beyma, Willem Buma en Herman Galama, di.e nevens hun de voornaamfte waren. Van deze gevangenen werden 'er 24 op de galeijen gebannen, en zeven te Harlingen opgehangen, waar onder ook drie Edelen waren • de overigen werden naar Vilvoorden en voorts naar Brusfel gezonden , om ten offer van Alva's wreedheid te verdrekken • (He ook op den 1 junij 1565, na een fchavot op de markt te' Brusfel te hebben doen oprigten, deze twee edele jongelingen, benevens vele andere mannen van verdienden, volgens zijne vloekvonnisfen deed onthalfen, als Pieter de Andelot, Philips van Wingelen en Maxtmiliaan Kok; hunne ligharaen werden-des nademiddags, ongekist, buiten Brusfel, voor de St. Lazarus Kapel, in ongewijde aarde gedoken. Ook anderen, namelijk Sjoerd Beyma, Herman Galama, Treslong, Brouxelles, Pelletier, Baudechau en Ilpendam, ondergingen het zelvde lot. De hoofden van nog zeven anderen, werden op daken en hunne lighamen op raderen gezet. De regerende Heer Willem van Batenburg, hadt als Leenman van ■JVlAxrmiliaan den II, denzei ven om voorfpraak gebeden, en da Keizer ook niet nagelaten, op alle wijze, vergiffenis voorliet edel broederpaar van den Hertog te verzoeken; doch deze tijran was doof voor alles, wat flegts naar menfchelijkheid zweemde ; waar door Heer Willem zo verdoord op Alva werdt, dat hij de zijde van Prins Willem omhelsde. x Wagen., Vod. Hifi. VI. D. bh 211. 231. 277. BAT.  BATTfNGIUS. BATTUS* u£ BATTINGIUS (RUDOLPH) , een Fries van geboorte, Medicus en Mathematicus, heeft gefchreven: MetJiodum Astrolabii. Parif. 1557. • Foppens, Bibl. Belg. p. 1080. BATTUS (BARTEL), is omtrent 't jaar 1515 te Aalst in Flaanderen geboren, en wierdt in de Lutherfe Godsdienst opgevoed, waar van hij ook vervolgens belijdenis deedt; doch zulks ter oren van enen Inquifiteur gekomen zijnde, liet deze hem in een nauwe gevangenis opfluiten; negen maanden lang in deze kerker doorgebragt hebbende, wierdt hij op voorfpraak van enige Regeringsleden der ftad Gent op vrije voeten gefield,, en ging zig in die plaats nederzetten; hij bragt'er omtrent tien jaren in rust door; maar verfchrikt door nieuwe bedreigingen die hem in 1556 door den Inquifiteur gedaan ■werden, nam hij het befluit, om met zijn huisgezin naar Duitsland te wijken, en koos zijn verblijf te Bostock, alwaar hij den 24 januarij 1559 overleedt. Battus was getrouwd met Martina Bissot, ene jnoeije van Hendrik Smetius, uit welk huwelijk bij negen kinderen verwekte. Hij heeft gefchreven: De Qeconomia Christiana, lib. II. ex facris (ƒ prophanis Scripioribus diligenti cura labóre colletli, Bartholomso Batto, Alostenji authore: prior, de officia cura parentum erga liberos traclat: posterior, qua cum obedientia parentes a liberis honorandi fint, ostendit. Aiitv. 1558,. 12°. ——— F. Sweertius, Atlien. Belg. p. 154. Mercklini, Linden, renovat. p. 206. 748. Foppens, Bibl. Belg. p. 124. Paquot, Man. litter. Tom. XII. p. 436-439. BATTUS (JAKOBUS), een Zeeuw van geboorte, was do vader van Kornelis die hier volgt, en is in 't jaar 1500 geweest Secretaris van Bergenopzoom. Erasmus heeft vele brieven aan hem gefchreven, waar van 16 in druk zijn; de eerfte van 1498, en de laatfte van 1500. Men kan hier uit afnemen, in welke grote achting hij is geweest; en de geleerdheid waar in hij uitgemunt heeft, zou uit zijne nagelatene fchriften blijken, waar van ik egter nergens ene lijst van vin- 11. Deel. I de  ï$© BATTUS, (KAREL) (KÓRNELIS) (LIvINUS) de opgetekend. W. v. Goudhoeven, Kronijk, bl. iS. M. Z. y. Boxhorn, Kronijk van Zeeland, I. D. bl. 457. p, m la P-ue, Ge/ef{. Zeeland, bl. 330. BATTUS (KAREL), een Nederlander, die in de XVIde eirw geleeft heeft, en in 1503-1598 Rads Med. Doktor te Dordrecht geweest is. Hij heeft zeer vele boeken, inzonderheid medicinale, uit het frans en hoogduits in 't nederduits vertaald, endoor den druk gemeen gemaakt; als onder anderen: de Chirurgie van Amb. Pa Ré; het Medicijnboek van C. Wurts. Süng; de Mammie operatien van Guillemeau enz. —. pAquot, Memoir. litter. Tom. XII. p. 442. BATTUS (KORNELIS), geboren te Fiere in Zeeland, om. trent het jaar 1470, een zoon van Jakobus, was een geleerd man en Rads Doktor in zijn vaderftad; hij heeft ook veelvuldige briefwisfeling met Erasmus gehouden. In 1498 woonde hij op 't flot Zandenbwg, bij vrouwe Anna van Borsselen , weduwe van wijlen Here Filips van Beveren, om haren zoon Jr, Adolf van Bourgonje, Heer van Beveren, in de wetenfchappen en konRen te onderwijzen. Hij heeft verfcheidene boeken gefchreven; en onder anderen, is van hem'in 1512 ene Wereldbefchjving gedrukt, waar in hij vele zonderlinge dingen verhaalt, betrekkelijk de Zeeu-wfe eilanden, waar van Jan Reygersbergh in zijne Kronijk ook gebruik heeft gemaakt, en welke ten tijde van Boxhorn, reeds zeer fchaars te bekomen was. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 41. Foppens, ' Bibl. Belg. p. 194. Paquot, Mem. litter. Tom. XII. p. 434. 436. J. Reygersbergh, Kronijk van Zeeland, p. 343. Goudhoeven, Kronijk, p. 18. Boxhorn, Kronijk van Zeeland, I. D. bl. 457. VanRhyn, Oudh. enCeJligten van Zeeland, bl. 52. De la Rue, Gelett. Zeeland, bl. 141. BATTUS (LIVINUS) , een zoon van Bartel Battus, is geboren te Gent, in december 1645. Zo dra hij tot jaren van pnderfcheid was gekomen, plaatRe zijn vader hem in genoemde ftad onder opzigt van den zo beroemden Hoogleraar Jan  BAUDART. (WILLEM) 13* Jan Ottiio, die den jongen Battus door zijn onderwijs, volkomen kundig maakte in de griekfe en iatijnfc talen; waar na hij naar Antwerpen werdt gezonden, daar Jan Stadiüs hem in de beginzelen der matheus onderwees. Twee jaren later, volgde hij zijnen vader naar Rostock, daar hij ijverig zijne letteroefeningen voortzettede. Voorts begaf hij zig naar Witten* lerg, om van Melanchton zijne onderwijzingen gebruik te maken, en wierdt in 1559, aan die Hogefchool tot Meester in de vrije konften bevorderd. Te Rostock te rug gekomen, gaf hij Iesfen in de mathefis, die zodanig voldeden, dat de Regering hem ene Leraarsplaats opdroeg, om dis wetenfehap jn 't openbaar te onderwijzen; hij vervulde die taak met veel lof gedurende het tijdvak van zes jaren, namelijk tot in 1565, wanneer oorhg en pest, hem noodzaakten Rostock te verlaten. Als toen reisde hij naar Italien, en wierdt te Venetien gepro-. moveert tot Doktor in de medicijnen; waar na hij tot Rostock te rug keerde, en aldaar tot Hoogleraar in die wetenfehap 'werdt bevorderd ; welke bediening hij gedurende 25 jaren waarnam, teffens 'er de praktijk bij uitoefTenende, en hij ftierf in die zelvde ftad, in april 1591. Battus is tweemalen getrouwd geweest, zijn eerfte vrouw was een meisje van aanzien , Anna van Pegelt genaamd, wier vader Koenraad van' Pegelt, 60 jaren aanëengefchakelt, eerfte Opziender is geweest der Hogefchool te Rostock; hier teelde hij twee zoons bij ; vervolgens hertrouwde hij, met Magdalena Tonckiern, die hem geene kinderen baarde: Hij heeft gefchreven : Epijiola aliqnot, Medica tra&antes, die gevoegd zijn in de Mijcellanea van zijnen neef Hendrik Smetius, en gedrukt te Frankfort, bij Jonas Riiodius, 161 r. 8vo. Melch. Adam, Vita Germ. Medic, edit. 1706. p. 141. 177, 178, Paquot, Mem. litter. Tom. XII. p. 439-442. BAUDART (WILLEM), Predikant te Zutplicn, is geboren te Deinze, een kiein ftedeke in Flaanderen, uit ouders die om dat zij den Gereformeerden Godsdienst toegedaan waren, *erst hunne woonplaats en naderhand gants Nederland verpligt I 2 v wa-  -i BAUDIU3. (DOMINIKUS) waren vaarwel te zeggen. Zij begaven zig eerst naar Keuleii en vervolgens naar Embden. Hier gezeten zijnde, beijverde W41.lem zig met vlijt in het leren der latijnfe, hebreeuwfe eii'griekfe talen, waarin hij ongemene vorderingen maakte, ra zelvs bijna den trap van volkomentheid beklom; vervolgttlS ftudeerde hij in de godgeleerdheid, en verdere wetenfthappen die daar toe betrekking hebben; wierdt met lof Proponent, en eerst tot Predikant te Sneek en van daar te Ziitphsn beroepen. Door het Nationale Sijnode te Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden, wierdt Baudartius benevens Booerman én Bucerus, de commisfie opgedragen, om een nieuwe vertaling van het Oude Testament te bezorgen; met welken hij on Bogerman, zijnde Bucerus inmiddels overleden, ruim zes jaren toegebragt hebben. Hij overleed in rö4o, in den ouderdom van 76 jaren te Zatphen, na de Gereformeerde gemeente aldaar gedurende 36 jaar als Predikant'bediend te hebben. Hij daalde ten grave met den lof van Triglakd , doch Uitekbogaard, heeft zo gunftïg niet over hem gedag'f en geen wonder ook, doordien 'hij altoos de partij van den eerften op het fterkfte is toegedaan geweest. Zijne werken nagaande zal men moeten inftemmen, dat hij zijne gekozene fpreuki hhor mihi quies, dat is in den arbeid vind ik mijne rust, zeerwel betragt heeft. Zie hier de lijst van het gene hij' heeft uitgegeven: Gedenkwaardige Gefchicdènisfen, zo kerkelijke als wereldlijke , van den jare 1603 tot 1624. II Delen in folio. Amhem '1624. Apophhegmata Christimia of. Gedenkwaardige Spreuken, Amfi. 1657. in 4». Nasfaufe Oorlogen, Amfi. 1616. 4/0'. Polemographia Belgica, in 299 platen, verbeeldende de Spaanfi en Nederlandje oorlogen, met vier latijnfe versjes onder ieder prent in langwerpig 4to. Amfi. i6zï. Foppens, Bibl. Belg. p. 391. J. Lomejeri, 'Dies Genial. Tom. II. Disf. 1'. C. Saxi, Onom. liter. Pars IV. p. 317. A. Pars, Naamrol der Batav. en Holl. Schrijvers, bl. 265, 266. BAUDIUS (DOMINIKUS), Hoogleraar in de Welfbrekendheid en Regten te Leijden, is geboren te Rijsfil, den 8 april  MüDIÜS; (DOMINIKUS) tftj üpril 1561. Zijn vader hadt zig om de geweldenarijen van Alva te ontwijkén, naar Aken met 'er Woon begeven, daar hij in 1576 overleed. Het was ook m deze ftad, dat Dominikls zijne eerfte letteroefeningen verrigtte , en inzonderheid gig op 'tgrieks toèleide. Kort hier na ging hij naar .Leijden, ten éindé aldaar zijne ftudien te vervolgen, alwaar hij zig flegts agt maanden ophield: van hier ging hij met zijne moeder eerst naar Gent, en vervolgens naar Geneve, daar hij in de theologie ftudeerde, en zelvs Proponent wierdt. Hij kwam ts Gent m 1583 te rug, vervolgde 'er zijne theologife ftudien onder Lam* bert DaneAu ; dan het fchijnt dat hij tegen het beoefenen der Godgeleerdheid een afkeer kreeg, want hij ging toen voor dq twedemaal naar Leijden, alwaar hij zig gedurende 15 maanden vlijtig beijverde in de regtkunde, en in 1585 tot Doktor in dit; wetenfehap wierdt bevorderd; in dat Zelvde jaar, deedt hij niet de Gezanten der Nederlandse Staten, een reis naar Enge. land, en geraakte aldaar in kennis met vele lieden van aan' zien; onder anderen, mét den beroemden Filip Sidney. In 1587 werdt hij Advokaat voor 't Hof van Holland, doch geen finaak in ft pleiten vindende, gaf hij dit beroep fchielijk den zak; en deedt een reis door Frankrijk, daar hij zig 10 jaren ophieldt, hij verwierf'er zig goede vrienden, en vondt 'eiaanzienlijke begunftigers; onder welk laatfte getal, Achilles de Harlai, eérfte Prefident van/t Parlement te Parijs behoorde, die hem in 1592 tot Advokaat voordat Geregtshaf deedt bevorderen. In 1602 deedt Baudius, als Secretaris van den Gezant wegens Koning Hendrik de IV, Christ. Harlai, Koon van den Prefident, weder een reis naar Engeland, en yan daar te rug komende, bepaalde bij-zijne woonplaats te Leijden, alwaar hij in meij van dat zelvde jaar, Hoogleraar in de welfprekendheid wierdt. Na den dood van Merula leraarde bij ook de Hiftorien, en bekwam teffens verlof, om kollegie. over de regten te houden; en in 161 r, werdt hij benevens Meursius,- tot Hiftorie-fchrijver van 's Lands Staten aangefteld; bij welke gelegenheid, hij de Gefchiedenis van ,het twaalf, jarig Beftand heeft uigegeven; welk werk bijzonder wel er; \ ; • l 2 hl  J34 EAUDIÜS. (DOMINIKUS) in enen aangenamen vlceijenden ffijl is gefchreven, ook in het nederduits -vertaald, is gedrukt; te voren hadt hij reeds twee redevoeringen over dat onderwerp egter met verbloemde namen in 't licht gegeven; ook een lofdigt op de komst van Spinola in Holland; het een en ander verwekte hem onaangenaamheden, en het fcheelde maar weinig, of hij zou om het laatftg gebannen zijn geworden. Baudius is tweemalen getrouwd geweest, ik weet niet dat hij andere kinderen heeft nagelaten, dan ene dogter, waar •van zijn tweede vrouw na zijnen dood beviel; zijn huwelijken zijn niet van de gelukkigflen geweest, waar over hij zig meer dan eens in zijne uitgegevene brieven beklaagt. Hij was buitengemeen aan de drift voor vrouwen en wijn overgegeven, en hij koos doorgaans zodanige onderwerpen tot boeting van zijn eerstgemelde drift, die weinig tot ere van zijne kiesheid verftrekten, want de afkerigfle ilctten en kiöngels, dienden hem veelmalen om zijn lust te voldoen. Het een en ander maakte ook, dat hij grotelijks wierdt veracht, ja fomtijds tot een fpeelbal van fpotternij verilrekte; ook hebben zijne vrienden zelve, hem opentlijk daar over gegispt en ten toon gefield. Verders was hij een flordig huishouder, waar door hij veel fchulden maakte, Jt welk ten gevolge hadt, dat hij onder curatele geraakte, en naderhand zijne goederen ten bate van zijne fchuldëisfers wierden verkogt. Met zijn tweede vrouw dat een boos wijf moet geweest zijn, en hem deerlijk kwelde, wordende hier in zeer gedienftig door haren vader geholpen, betrouwde hij geld,, waar door zijn finantïe-wezen in een gunftiger omftandigheid geraakte ; doch deze herftelde orde van zaken, overleefde hij niet lang, doordien hij negen maanden na het aangaan van zijn laatlte egt, met ijlende koortzen wierdt bezogt, die hem op den 22 augustus 1613 in 't graf ileepten. Daar is een Afbeeldzel van hein in plaat gebragt, waar onder men deze woorden leest: Vane pitler, are credis posfe reddi Baudium: Baudium referte nemo quiverit, quam Baudius. Pjuseveranti laukea JS'atus 1561. Denams 1613. Nu.  BAUDIUS. (DOMINIKUS) 135 Nü nog iets van dezes zonderlingen Mans wérken en karakter. Baudius is onbetwistbaar de grootfte latijnfe Digter van zijnen tijd geweest; een lieflijke zoetvloeijénde ftijl, gevoegd bij aangename fchilderingen, waar in, om figuurlijk te fpreken, de diepzels en hoogzels op hunne eigenaartigê plaatzen , zeer kónfiig gefpreid lagen, maakten zijné verfen bekoorlijk; Ook hadt hij zig alle de beval lighenen van de griekfe en latijnfe talen eigen gemaakt, en wonderlijk treffende dé finaak der ouden gevolgd, zonder egter op te houden; zeiven eèn origineel te blijven, In al 't gene hij gefchreven heeft, en wel voornamelijk uit zijne menigvuldige uitgegeven brieven, ftraalt inzonderheid het verhevene, bèfchaafde', na'ive en tedere door; en 't gene men 't meest in hem bewonderd, is, dat hij zig van de zo verrukkende eïgenfchap heeft meester weten te maken, om te kunnen behagen en zig met finaak te doen lezen, tertvijl hij zelvs niéts belangrijks; of daar enige lering in bevat is, voortbrengt. Om kort te gaan, . hij was een der uitgelezenfte vernuften van den tijdkring waar in hij leefde; en hebben hem grove ondeugden aangekleefd, bezat hij in tegenoverfielüng ook beminnelijke hoedanigheden: hij was gul van aart, openhartig en rondborftig, èn van ene bnkreukbare trouwe voor zijne vrienden, vrolijk in gezelfchap, en de aanwezenden niet zelden door zijné geestige, zetten, hartig doende lachgen: Men vindt ene optelling vari zijne werken bij Paquot, Memoir. litter. Tom. VIII. p. 395-4Ö.4., Ook, doch zo volledig niet in Foppens; BibliotJl. Belg. pag. 247. F. Sweertii, Athen. Belg. p. 228. MorhóV., ï. Polyh. liter, c. XXIV. J. 86-89. P- 303. L. VI. c. III. J. 4; p. 977. & L. VII. c. III. §. 12. p. 1068. Tom. h Th. Ebekti, Eulogta Jurisconf. &c. n. LXXVI. p. 79, 80. CkëMi, Animadv. Philolog. Part. V. c. II. p. 71. 97-101. 141. Catah B'.ll. Bunav. Tom. I. vol. 2.'p. 1067; Freheri, Theatfum, Part. IV. p. 1507, 1508. Saxi,: Ohbm. liter. Pars IV. p. 39; 40. Amlecla, p. 569. Baillet; jugemens. Toni; IV. p, ió*2, n. 1385. Dav. Clement, BiMioth. turieuféj Tom. II, p. 495, /.95. P. Bayle, Ditïïon. edit. dé 1730. Tom. II; p, 471-477. I 4 A.  Ï3* BAUDRY.- A. Pars, Naamrol van Batav. en Holl. Schrijvers, bl. 321 «g. Levensbefchr. van voorname Mannen en Vrouwen. IV. D. bl. 241-.250. BAUDRY, Zanger van de Hoofdkerk te Terouanne, wierdt geboren te Kamerik, omtrent het jaar 1015. Hij werdt in de fchool van die ftad opgevoed, en het geestelijk klèed aangetogen hebbende, wierdt hij Kanunnik van de Hoofdkerk, nog. bij het leven van Bisfchop Gerard van Florennes, of Gebard I, of wel op zijn langst omtrent 't jaar 1040. Het fchijnt dat hij zeer gemeenzaam met die doorlogtige Prelaat heeft verkeerd , en het is niet onwaarfcbijnlijk, dat hij de functien van Secretaris en Kapellaan bij hem waarnam. Zeker is het ten minften, dat hij Secretaris van zijn opvolger S. Lietbert is geweest, die de Bisfchopszetel van Kamerik in 1081 beklom. Deze laatfte ftondt hem in februarij 1082 af, op de fterke aanzoeken van Hubert, Bisfchop van Terouanne, die hem gretig verlangde bij zig te hebben. . Gerard de II, hem Baudry zendende, gaf van hem een allerloffelijkst getuigenis, en verhief zeer hoog zijne geleerdheid en uitmuntende verdienften, waar van hij betuigde lange jaren getuige te zijn geweest. Zedert werdt Baudry tot Zanger der Hoofdkerk van Terouanne aangefteld; dit wordt men ontwaar door enen brief, die Renaud, Aartsbisfchop van Rheims den 15 januaiij 1095. aan hem fchreef; ook is men vair gedagten, dat hij niet lang na het ontvangen van dien brief geleefd heeft. Hij hoeft het getuigenis van een geleerd man te zijn geweest,, en dit gevoelen was gegiond, nicttegenftaande zijne kundigheid zig fiegts tot weinige takken bepaalde. Men heeft van hem in 't licht: 1. Vita S. Gaugerici Episcopi Cameracenfis... uitgegeven door de Bollandisten (Augusti Tom. II. pp. 676-690.) ex vetustisfimo manufcripto D. Prudhomme, Canonici Cameracenfis, usque ad librum tertium: inde ex aliis non inferioris nota; codhibus Mff. De Bollandisten hebben hier bijgevoegd pp. 691-693- Appendix, ex ejusdem Auüoris Chronico Cameracenfi £? Atrebatenfi, in antiquis vitce hujus exemplaribus pos-  BAUDRY, 137 pMtsnus adjunSa. Dit aanhangzel wordt gefloten door een zeer verkort naamregister der Bisfchoppen van Kamerik. 2. Chonican Cameraccnfe cjf Atrebatenje, Jive Hijtoria utriusque Ecclejice, tribus libris ab Mnc DC. jeré annis conjcripta a Balderico, JVoriomenji .£? Tornacenji Episcopo; mme prhnum. in iticem edita, £? Notis illujlrata, per Georgium Colvenerium, 5. Theol. Dactorem, £ƒ in academia Duacena Regium £f ordinarium Projesjoremi Duaci, Joan. Bogardus, 1615. in 120. . , AEla. SS. Torn. II. Aug. pag. 668-693. Gailia Christ., III. pag. 27-32, Rivet, Hiftl litteraire de la Frame, Tom. VIII. pag. 404-407. Ceillier, Hijloire generale des Autheurs Jacrés ecclefxastiquesi Tom. XXI. pag. 73-76. Paquot , Memoires pour Jervir & l'Hijloire litter. des Pais-Bas. Tom. XVIII. pag. 305-312. BAUDRY, Bisfchop van Noijon, is waarfchijnclijk in de ftad van dien naam geboren, uit een oud adelijk geflagt. Van zijne tederfte jeugd af aan, wierdt hij in de hoofdkerk van zijn vaderftad opgevoed, en bekwam 'er opvolgelijk, de waardigheden van Klerk , Kanunnik en Aartsdiaken. Bisfchop Radeoud de II, in liet begin van 1098 geftorvèn zijnde, werden de Kerkdijken van dat Bisdom, waar onder ook dat van Doornik bevat was, niet alleen met huisfelijke, maar daar te boven met van buiten veroirzaakte kwellingen, lastig gevallen. Om hier een einde van te maken, begreep men den, Aartsdiaken Baudry, even zeer van de Geestelijken als Wereldlijken geacht en geliefd, in de plaats van den overledenen te moeten aanftellen, en men gaf hier van kennis aan den Meirppolitaan, welker waardigheid als toen bekleed wierdt, door MANAssé de II, Aartsbisfchop van Rheims. Deze Prelaat bepaalde de eerfte zondag na pinxteren, tot de ordening van den nieuw verkorenen: maar een toeval deed dezelve uitftellen tot op het begin van 't volgende jaar, want die van Dfiomik namen deze ■ gelegenheid te baat, om een ontwerp ter uitvoer té brengen, waar mede zij langen tijd hadden zwanger gegaan, van zig namentlijk een eigen Bisfchop te verfchaffen, 'er geene zedert het begin van de zesde euwe gehadt hebbende, te weten zeI 5 , dcit  13$ BAUDRY; d:rt dat S. MedaAd, de Bisdommen van1 Noijoh en Doornik bij malkander verenigd, hadt beftierd. Oneindig veel moeite gaven zij zig, om tot hun doelwit te geraken; eh zulks was öirzaak, dat Manassó uitftelde, om Baüdky in te wijden, eri . hem eindelijk naar Romen zondt, om 'er zijne zaak zèlven te bepleiten. Hij gedroeg zig hier met zo veel omzigtigheid ■ dat hij de onderneming van de Doornikers ten enenmalën verijdelde, en een bevelfchriftvanUkbanus den II terug bragt waar in deze aan den Metropolitan last gaf, om hem zonder en,g u.tfel te wijden; 'twelk ook ten uitvoer wierdt gebragt op zondag na Epiphania van h jaar 1C99. Dus werdt Baudry effens Bisfchop van Doornik en. van Nojon, en nam beurteIings de een of andere van die tijtels aan. In 't midden van juhj iioo, was hij te St. ömer tegenwoordig bij een Sijnode, alwaar z.g insgelijks de Aartsbisfchop van Rheims, met Lam! bert, Bisfchop van Terras, Manassó van Kamerik, en Tan Van Terouanne bevondt. Den 3 maart noi hieldt Baudry zeiven een Sijnode in zijn Bisdom. In het jaar 1103, fligtte hy in het Bisdom van Noijori, de Priorie van SuAmand, welke hij onderwierp aan de Abtdije van St. Martin te Doornik, en waar van men een Klooster oprigtte, dat enigen tijd zeer beroemd was. In rro4 was hij tegenswoordig bij een Concilie dat te Parijs wierdt gehouden, om Koning FiliP' Augustus uit den ban te ontdaan. In iïö8, plaatfte hij regulier* Kanunniken te Ham, een Klooster onder zijn Bisdom behorende, en begaf de Kerk van Vermandouillé aan Dkagon, Prior van Lihons. Het gelukte aan dezen Prelaat, om een verregaande tweefpalt, welke 'er te No jon tusfen de Geestelijkheid, den Adel en de Burgerij plaats vondt, te beviedigen en hij het van deze fchikking ene ade opfeilen, dien hij door de belanghebbenden deedt tekenen, en vervo'gens door Konmglijk gezag bevestigen. Hij nam zo veel moeite met, om regt te doen verfchafen aan de Geestelijken van St. Martm te Doornik, die vreesfelijk over hoop lagen met de Kanunniken van Notre-Dame; ook verweet hem Paus P.schal be II, zijne nalatigheid ten dien opzigte, en volmagtigde de lis-  BAUDRY. (PIETER) 139 Bisfchoppen Lambert van Ar ras en Jan van Terouanne, cm dii gebrek te vervullen. Hij bragt ook veel toe, tot de vergroting en herllelling van de katedrale of hoofdkerk te Doornik in me. Blaar eindelijk knorrig en te onvfeden over de inwoonders van deze ftad, die met alle geweld een eigen Bisfchop wilden hebben, liet hij een algemeen interdikt of vei bod om kerkdienst te doen, tegens hen afkondigen, en zulks zonder de vereiste formalia daar bij in acht genomen te hebben. De Kanunniken getergd door dezen ftap, en daar bij nog aangevuurt door ha-' ren Deken Gontiiier, verkozen ten einde hunne Onderneming te doen gelukken, twee zendelingen uit hun midden, die zij naar Romen zonden. Paschal de II, keurde het ontwero van de Doomikers goed, en zond twee brieven, de ere aan het Kapittel van de Geestelijkheid, zo regulieren als feculieren, van het oude Bisdom van Doornik, waar bij hij hun gelaste, om voor zig enen bijzonderen Bisfchop te kiezen; de andere aan Raoll le Verd, Aartsbisfchop van Rheims, waar bij hij bevel kreeg, om die keuze te bellieren, en den verkorenen zonder uitftel te wijden. Baudry hadt het verdriet niet om die vermindering van zijn gezag, te beleven, want hij ftierf in 1113, voor dat de afgezanten waren te rug gekeerd. Men heeft van hem in 't licht : \. vier latijnfe Brieven, ingerigt aan Lambert van Guines, Bisfchop van Arras, welke ingelijfd zijn , tusfen die van dezen Prelaat, apud Balusium , Miscellaneor. T. V. pag. 329, 330. 343. 363. 2. Een menigte van Charters, ten voordele van de Kerken en Kloosters, waar van hij de weldoener was. Dachery, Spicileg. Tom. VIII. p. 169-171. & XII. 450-465. Cellier, Hifk Getier, des Autheurs facrés & ecclef. Tom. XXI. pag. 390, 391. Rivet, Hift. litt. de la France, Tom. IX. p. 578-583. Gallia Christ., Tom. III. p. 248. èc IX. 998-1000. Paouot , Memoir. litter. Tom. XVIII. p. 312-320. BAUDRY (PIETER), wierdt te Mons in Henegouwen geboren, den 5 augustus 1710. Zijnen klaslieken loop voleinde hij in het kollegie van Hondain in genoemde ftad, en dien der wijs-  jjf EAÜHUIS. (BERNARD) Wijsbegeerte aan het Hogefchool te Leuven. Hiér fla -gig tot do omhelzing van den geestelijken Rand bepaald hebbende i ontving hij een Benediktijner monniksrok uit handen van den Abt Joseph Hekvine, en deedt de pïegtige beloften daar toe vereist, den 25 julij 1723. Zig verder in dè theologie geoefend hebbende, wierdt hij tot Priester gefchoren, den 20 maart r727. Zedert beklom hij de leerRoel als Profesfor in de theologie, en nam die verfcheidene jaren waar; vervolgens die van Mr. der Noviciaten, en die van Treforier. Eindelijk werdt Pieter door Niklaas Brouwet, welke door Keizer Karel den VI, op den 3 februarij 1740, tot Abt van dat klooster wierdt verheven, tot zijnen Prior aangefteld; de laatstgenoemde hadt reeds zedert drie jaren gewerkt, aan ene volledige gefch.edenis der Abtdije van St. Guüain; hij vervolgde dezen arbeid terwijl hij Prior was, en om niets te verwaarlozen, van 't gene tot zijn ontwerp dienstbaar- koste zijn, doorfmmelde hij alle de archiven Van dit huis, zelvs de oude rekeningen niet uitgezonderd, voorts raadpleegde hij alle de Nederlandft Schrijvers die/er iets van te boek hadden, en verfcheidene geleerde Mannen uit de zelvde provintien, die in Raat waren, om 'er hem enig licht over bij te zetten, inzonderheid 'de vaders Bollandisten; Het werk fpoedde ten einde, teen de dood hem op den 1 meij 1752, in het 5ofie jaar van zijn leven, bij verrasfing de pen uit de hand rukte. Deze Geestelijke was nauwkeurig gehegt in 't waarnemen der pligten aan zijn beroep verknogt, en .hij vervulde met veel ijver en den besten uitkomst, de verfchillende bedieningen, welke hem toevertrouwd wierden. Men heeft van hem: 1. Enige latijnfe en franfe losfe digtjlukjes. 2. Annales de Vancienne Abbaye de St. Ghifiain-en-Celle, ordre de St. Benbit, au diocéfe de Cambrai. Mf. in fol. en 2 vol; 1- pAQuoT, Memoires litter. Tom, JX. p. 81-85. BAUHUIS (BERNARD), een Jefuit, van herpen ge ' boortig, is een man geweest, van een zeer geregeld en voorbeeldig levensgedrag. De lage fenolen doorgelopen zijnde, wierdt  BAULDRI. (PAULUS) 14* wierdt hij bij de Jefuiten tot verder onderwijs geplaatst, en hij gaf reeds blijken in die jeugdige loopkring, dat hij een fcherpzinnig vernuft en buitengemeen fijn oirdeel bezat; inzonderheid bepaalde zig zijne werkzaamheid, in het beoeffenen der theologie, waar door zijne ouders door zijn eigen aanzoek, onderfteund door dat der Jefuiten , bewogen wierden, om hem voort te laten ftuderen, daar hij treffelijk in Haagde, en eindelijk befioot, zig in gemelde orden der Sociëteit van Jesus te begeven, waar in hij door die vaders met opene armen wierdt ontvangen, en ook wet dra door zijne geleerde en ftigtelijke predikatiën , de Sociëteit overtuigde, dat zij een weerdig lid verkregen hadden. Hij was een gemeenzamen vriend van Franciscus Sweerttus, Schrijver van de Athenm Belgicce; en niet alleen een groot kennar en beminnaar der digtkonst, maar zelvs een uitnemend latijns digter; hebbende in druk uitgegeven: i. Epigmmmata fikSta. Antv. apud Plantinum, 1615. 1619 en 1620. in 120. 2. Protheus Parthenius, unius libri verfus, untus veifus liber Stelarum numero Jive formis MXXII variatus. Hij overlèedt den 17 november 1619, in zijne vaderftad in het profesfiehuis der Jefuiten, tot grote droefheid van zijne orden en bekenden. Bernard heeft een broeder gehadt,-Gysisert Bauhuis, die de profesfie der Karthuizers heeft omhelst, en het werkje vaii den Jefuit Lucas Pinellus, de perfe-clime Religiofa, in het nederduits heeft vertaald, te Antwerpen in 1605 in 8vo. gedrukt. F. Sweertii, Atlien. Belg. J. F. Fopfens, Bibl. Belg. pag. 134., 135. L. Moreri, Dittion. Hifi. £?<:. Tom. II. p. 124. ed. de 1740. BAULDRI (PAULUS) d'Iberville, Hoogleraar in de Kerkelijke gefchiedenis te Utrecht, wierdt te Rouaan geboren in 1639, van Paulus Baui.dri en Anna Mazuró; zijn vader die zeer rijk was, bezorgde hem ene deftige opvoeding; hij doorliep «ijn eerften letterkundigen kring te Ouevillij, een dorp nabij Rouaan gelegen, daar de Gereformeerden van die ftad, hun kerk en opvoedings-kollegie hadden; van daar wierdt hij naar Saumur gezonden, alwaar hij het grieks en krijn' onder Tan- ne-  BAULDRI, (PAULUS) Neguy le Fevre, daar hij bijzonder aan gchcgt was, beoeffende; het hebreeuws onder Lodewyk en Jakobus Cap'pellus en de dieolpgie onder Moses Amyraldus en Josua de la Place- Zijne ftudien onder deze geleerde Mannen voltrokken hebbende, ftak hij naar Engeland over,'en woonde enige jaren te Oxford, alwaar hij de menigvuldige handfchriftcn van de Akademie dooifnuffelde, en 'er zijne aantekeningen uit vervaardigde; hij gaf in dat rijk een bezoek aan den Marquis de Ruvigny, Ambasfadeur van het Franje Hof, die grote genegenheid voor hem opvatte, zo wel als Hendrik Justel , Koningliike Bibliothekaris, en Jan Fell, Bisfchop van Oxford. Na twee reistogtjes door de binnenftreken van Engeland gedaan te hebben, keerde hij naar zijn vaderland te rug, gaf zig ten enemalcn aan de letteroeffeningen over, en verzamelde ene kostbare en teffens uitgelezene bibliotheek. Hij-hadt een Arabier uit Engeland medegenomen, dien hij een jaar lang onderhieldt en rijkelijk beloonde, ten einde hem in de taal van zijn land te onderwijzen. Ook onderhieldt hij een bijzondere vriendfehap met den beroemden Emmerik Bigot , en briefwisfeling met een groot aantal andere geleerde Mannen. In 1682, begaf zig Bauldri in 't huwelijk met Magdalena Basnage, ene dogter van Hendrik BasnAge de Frar.kenau, beroemd Regtsgeleerde en Advokaat, vader van Hendrik en Jakobus Basnage. Intusfcn gingen de zaken der Gereformeerden, door de gruwelijke vervolgingen op bevel van Lodewyk den XIV, door de Jefuiten en-'dweepzieke Monniken aangehitst, deerlijk den kreeftengang; zo dat Bauldri befloot, ten einde de vervolging te ontwijken, een veilige fchuilplaats in Engeland te zoeken; dan de vrienden die hij in Holland hadt, kwamen zulks voor, met te bewerken, dat de Regering van Utrecht, hem den 4 meij 1685 tot extraordinaris Profesfor in de Kerkelijke Gefchiedenisfen aan hunne Hogefchool beriepen, 't welk hij inzonderheid hadt te danken, aan de medewerking van Everhard van Weede , Heer van Dijkveld. Het inzigt van zrjne beroepers, was juist niet, om hem den arbeid aan dien post verknogt, te doen uitoeftenen, maar enkel om hem een ge-  BAULDRI. (PAULUS) . r43 gepast middel te verfcbaffen, ten einde op ene veilige wijze iiiet zijne goederen uit Frankrijk te kunnen geraken; dan men kreeg 'er aldaar de lugt van, en Harley, Aartsbisfchop van Parijs, die hem kende, en vrugteloos getragt hadt hem zijn geloof te doen verzaken , en in den fchoot van de roomfe kerk over te brengen; verkreeg van den Koning een bevel, 'twelk hem verbood 't rijk uit te gaan. De intrekking van het Nantife Eilikt, op den 18 october van het zelvde jaar voorgevallen, bewoog Bauldri, als een knegt verkleed, in dienst van een Kapitein, aan wien hij 500 guldens fchonk om zijne vlugt te bevorderen , naar Holland te wijken ; dit gelukte naar wensen, en zijne vrouw, met zijnen zoon en dogter nog jonge kinderen, volgden hem in die zelvde maand; ook bekwam hij zijne kostbaic bibliotheek te rug, die door enen der Easnagen, benevens zijn eigene, was medegenomen. Te Utrecht gekomen, voerde hij negen jaren lang den tijtel van extraordinaris Profesfor in de Kerkelijke Gefchiedenisfen , toen die pp den 11 maart 1695, in dien van ordinaris werdt verwisfeld. Vier jaren later, fielden de Staten van Utrecht alles wat mooglijk was te werk, om hem door middel van het vrede-verbond te Rijswijk gefloten, zijne aanzienlijke goederen te rug te doen bekomen, doch alle hunne pogingen daaromtrent, liepen vrugteloos af. Bauldri, na gedurende enigen tijd een kwijnend leven geile ten te hebben, ftierf den 16 februarij 1706, in den ouderdom van ruim 66 jaren. Deze geleerde Man, heeft door den druk gemeen gemaakt: 1. Lucn CaiCIL. Firm. Lactantii, de mortibus Perfecutonm. Cum notis Steph. Baluzii , Tutelenfts, qtii primus ex veten Codlce Mf. bibliotheek Colbertlnce vulgavit. Edit. Jecunda. Accesferunt Gisb. Cuperi, Joh. Columbi, Thomas Spark, Nic. Tohvardi, Jo. Georg. Grjevii, Th. Gale , Ellk Boherelli, aliorum. tue animadverfiones, tam haftenus editie, quam ineditce. Recenjuit,fuis auxit, cum verjionibus'contulit Paulus Bauldri. Addita FIenr. Dodwelli, Disfert. de Ripa Striga, &f Theodorici Ruinarti Prafatio ad Afta Mariyrum; cum Indicibus necesfariis. Traj. ad Rhenum, Fr. Halma, 1692. in II. vol. Zv celebri ad Auclorem Bibliotheca hujus mis/a, ut eam pubKcijuris facéret. In de Bibliotheca novorum librorum van Neocorus of Koster, 1697. 403-419. 3. Oratio, de antiquo more convlrtendi Hcereticos, multum disjimili ei, qui nunc viget m Gallüs. 4. Reflexims critiquesjur le Chap. XXXIII. vs. 3. du livre de Job, de la ver/ton de Geneve; geplaatst^, in de Hijloire des ouvrages des Scavans por Basnage de Baüval, Jout, 1696. art. 6. Lettre fiir le meme fujet. Ibid Juillet 1697. art. 5. 5. Nouvelle allegorique, ou Hijloire des demieres troubles arrivés au royaume d'Eloquence. Derniere edition, augmentée £? plus correSle que les precedentes. Utr. 1703». in i2mo. Dit is de zesde druk van een der geestigfte. lettervrugten van den Abt Furetiere; de eerfte druk daar van, kwam te Parijs uit in 1658. Bauldri heeft het met ene voorrede, en enige wonderlijk fchone aantekeningen vermeerderd. 6. Syntagma Kalendariorum, comprehendens, otlo & viginti Tabulis, totidem annos Periodi Juliana, in ujus Chronologorum. Traj. ad Rhen. 1706. in jolio. Al het gene de vcrfchillende' Almanachen bevat, is hier in tot tafels gebragt, door middel van dewelke men gemakkelijk kan vinden, op welk enen dag de gebeurtenisfen zijn voorgevallen, waar van in de gefchiedenis gefproken werdt. J. G. Gr^vius in Prccfatione ad Tomum IV. Thejaur. Ant. Rom. p. 330. Pref. .£? Epist. Fabric., getuigd allerhoffelijkst van onzen Bauldri, en noemt hem: Virum doUisJitnum, £? propter multa ingenii ei? animi Jingularia ornamenta Jibi carisjimum, qui cum eo Elle Bobereli.i vbjervationes in Nardinum pro Jumma necesfitté- dine, qute vnter ipjos interecdebat, communicaverat. Adk. Relandi, Oratio funebris in obitum clar. P. Bauldri. Ultr. 1706. 4to. Drakeneorch, Jeries Projesjor. qui TrajeÜi, &c. n. 47. G. Burmanni, TrajeSum eruditum. p. 18-20. C. Saxi, Onom. liter. Pars V. p. 339. 3'4o> Paquot, Mem. litter. Tom. IV. JJ. 104-110. BAU-  BAUSELE. BAUX. (GASPAR) 145 _ BAUSELE, een zeer aanzienlijk Brabands geflagt, waar van men vindt opgetekend: dat Hendrik van Bausele , Ridder, in het jaar 1340 huwde met Maria van Duffle, dogter van Gekard, Heer van Rheti, en van Maria van Berthoxjt Dame van Eerlaar, Heverle en Oplintre, en klcindogtcr van Jan, Heer van Berlaer, en van Makgaretiia van Heverle; uit welk huwelijk zijn gefproten, 3 kinderen; zijnde de oud* Jïe zoon Gerard van Bausele, getrouwd in 1404 met Heeuige van Weyre, dogter van Arnold, Ridder, Keer van Holede. De twede, zoon, Hendrik van Bausele, is gehuwd geweest met Alida de Wilre, dogter van Arnold en van Alida van Bisdom, zijnde begraven in de Augustijner kerk te Leuven. Gerard van Bausele zoon van Gerakd, trouwde met Katiiarina Smachts , gezegd Uten-Limminghen, ene dogter van Hendrik, \velke drie kinderen hebben geteeld. De oudfte Rase van Bausele, huwde aan Doeothea van Meerbergen. De twede RoMnouT van Bausele, verbondt zig in den egt met Margaretha de Pape, gezegd Volkens, dogter van Heer Jan; de derde eindelijk, Gerard van Bausele, is Secretaris geweest van Leuven in 1449, en werdt krijgsgevangen in den oorlog van Maxtmiliaan van Oostenkyk en Maria van Bourgondien in 1468. Hij Rierf den 10 november 1500, en is getrouwt gexveest met Margaretha van derHecke, die den 4 november 1509 ftierf, in den ouderdom van 80 jaren, zijnde ene dogter van Michiel Schepen te Brusfel, en van Maria of Katiiarina Menzf.nzeele. Nog ten huidigen dage worden affiammelingen van dit geflagt, in Braband en Flaanderen gevonden. ■ Abr. Ferwerda Geneal. Wapenboek, LD. 1785. BAUX (GASPAR), in Frankrijk geboren, uit een aanzienlijk geflagt, ftudeerde enigen tijd te Sedan , begaf zig vervolgens in den militairen dienst, en wierdt Luitenant onder de kavallerij van 's Konings huistroepen. Door de vervolging die de Gereformeerden in Frankrijk moesten ondergaan, verliet hij dat rijk, nam benevens een menigte andere geil. D eel. K l0Cfs-  H$ BAVJNCOURT. (GASPAR de) leesgenoten de wijk naar Holland, en zette zig te Leijden nader, aldaar genegenheid voor de dogter van Profesfor GailtASR opgevat hebbende, verzegt hij die van haren vader ten huwelijk, doch kreeg een weigerend antwoord van den ouden man, die betuigde zijne dogter, aan geen anderen dan aan een theologant te zullen uithuwelijken; zulks fchrikte B&ifk niét af, maar hij begaf zig met ijver tot die ftudie, en dewijl hij reeds in Frankrijk goede letterkundige gronden gelegd hadt, beoeffende hij de godgeleerdheid, met zulk een gevensten uitflag, dat Lij binnen korten tijd na een loffelijk examen, tot Proponent wierdt aangefteld, cn tot prijs van zijne naarftigheid, Susanna Gaillard tot zijne egtgenote verkreeg, benevens het beroep van Predikant in dc Walfe gemeente te Leeuwarden, alwaar hij van 1681 af tot op 1733, ön dns een tijdvak van ruim 50 jaren, als een waardig Euangeliedienaar, zijne Leuwarder kudde heeft geleid en beftierd, zijnde bijzonder door zijne gemeente geacht en geliefd geweest. Gastar Ba; ;x was de grootvader, van den om 'Zijne geleerdheid zo beroemden Hoogleraar Ludov. Gasp. Valckenaer, en de moederlijke overgrootvader, van den fchrijver dezer Biographie. Ruim een jaar voor zijn dood hadt de oude man het genoegen, zijn agtqrkleinzoon Gaspar Amelius de Chalmot, mijnen oudflen broeder, den Doop toe te dienen; zijnde deze jongeling gedurende het beleg van Bergenopzoom in 174.7, daar hij als Faandrik onder de koinpagnie van zijnen vader diende, zodanig door een musketkogel getroffen, dat hij ■mar Rotterdam gevoerd zijnde, weinig tijds daar na aldaar iu den ouderdom van nog geen 17 jaren overleed, en dus zijn leven in het prilfle zijner jeugd, len dienfte van het vaderland heeft opgeofferd. ■ BAVINCOURT (GASPAR de) , Ridder van Jmifalem, eerst Abt van het Bcncdiktijner klooster \ an Oudenburg nabij Brugge, deedt afftand van deze waardigheid in 1569; en Wierdt kort daar op wegens de Staten van Flaanderen, naar Sfahjin tct Ronirg Fiwps de II, in gezantschap gezonden. - . Üj  BAX. BAXIUSi 147 fïij ftierf den u februarij 1576, in het 48fte jaar zijnes levens, en heeft gefchreven; 1. Iter Jerofolymitanum, .£? ad Montem Sinai. 2. De fid cognitione, libr. II. — De Arithmetica, lib. I, J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 327. BAX (PAULUS en MARCELIS), is een broederpaar van Helden geweest, wiens gelijken men weinig onder alle de voorftanders der Nederlandfe vrijheid zal aantreffen, en nog minder die dezelven daar in voorbij geftreeft hebben. Ongemene dienften hebben zij van 1576 tot 1610, aan dm vaderlande bewezen; en hunne namen zullen altoos bij be- ■fchermers van ware vrijheid, in zegening blijven. Zie een omfiandig verhaal van hunne veelvuldige heldendaden, in J. Kok, Faderlandseh Woo'rderiboeli, V. D. bl. 232-245. Wag. Vod. Hift. VIII. D. bl. 128. IX. D. bl. 191. BAXIUS (NIKLAAS), op den 1 november 15S1 te Antwerpen, uit een aanzienlijk gcilagt geboren, was de zoon van Jan Baxius Schepen van genoemde ftad, en van Maria Matthyssen. Hij verkreeg de klasfieke kundigheden in zijne geboorteplaats, onder opzigt van Gaugericus Rivius, en het grieks werdt hem door den Jefuit Andreas Sciiott onderwezen. Zijn 16de jaar bereikt hebbende, begaf hij zig in dc orden der Heremiten van St. Augustijn, en trok daar van het Monnikekleed aan op den 9 julij 1598. Hij leraarde gedurende verfcheidene jaren als Rector te Brusfel en Antwerpen, was vervolgens 19 jaren Onderprior van zijne orden, en'-feu laatftcn Vikaris in zijne vaderftad. Het is ook hier, dat hij na pen langdurige ziekte, op den 22 october 1640, in den ouderdom van 59 jaren en bijna 6 maanden, het tijdelijke met het eeuwige .verwisfelde. Men vindt bij fommige Schrijvers gemald , dat hij door een Porlugeefen Jood, met vergif wierdt van kant geholpen, welke zou beieden hebben, deze misdaad uit haat tegens den Christen - godsdienst te hebben gepleegd, doordien hij voorzag dat Baxius, die met 'er tijd grotelijks zou bevorderen; maar dit verhaal komt alleronwaarfchijneUjkst voor, en wordt do.«r geen fchijn van bewijs geftaafd. • K 2 Orv-  %i\ SAYLE. (PIETER; pnvermoeid W*S deze man in zijne ftudien, een zeer bekwaanf ïed*eüaar , welfprekend prediker, vlug ter penne, en een g?ööt*godgeleerde; daar bij onberispelijk van wandel, nëdrig, zedig, en van een alleraangëna'amfte verkering. Zijne Rijten ftrekken tot getuigen van zijne vlijtige naarftigheid, ja feftens bedrevenheid in de griekfe en latijnfe talen. Ds yooruaamften daar van zijn: i.Panegyricus GymmfiiAugustiniaVi'&c- I6ït. 4f»- 2. Poëmata. 1614. izmo. 3. Cornelii ^alcrii, Rhetorka, verfibus fjf exemplis illujirata. 16*15.' i?mo. 4, 'Jljefaurus Elegantiarum, feu latinee Phrafes ex Aldo Manl"CriO, aliisque optimis Phrafiologis eleElce &c. cum Indkibus ïatim fynonymo, gallico et teutonico. 1617. 1623 et 1642. inno. '£« Elegantia RJietorica ; ejusdem Orationes aliquoi,, et Logidia pathetha. 1613. ï2mo. 6. Amplificandi. formulat Oratoria, et fgura aliquot Rhetorica, ex M. T. Cicerone concimiata. 1619. 15«W, 7. Carmen de deviiïo 'Palatino ante Pragam. 1620. 8. pr'cmvmatica, Syntaxis, et Profoma graca, e diverfis 'concimiata Mi, — F. Sweertii, Athen. Belg. p. 570. Val. Andr.', ÏÏibl. Belg. p. 677, 678. 'J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 898. ^Anderi, Brabantla, 'edit. ÏL p. 203, 204. Tomisëls, Chrohol Augustin. 170. Elssii, Encomiaft. Augustin. p'. 500, 501. Pachjot, Mem. litterair. Tom. VI, pag. 242-248. ' ' BAYLE (PIETER), was een man, welke door zijne zonderlinge geleerdheid, fijn oirdeel en fcherpzinnigheid van vernuft, onder het getal van die wezens behoort, waar van 5er m iedere eeuw maar een zeer gering getal te voorfchijn komt. Ook befpeurde men in hem, van der jeugd af, een doorichranderen geest f een treffelijk vernuft, en ene ongemene Weetgierigheid en oplettendheid op alles, waar in .men hem Onderwees. ' Hij is geboren te Carla, een ftedeke in het graavfchap Foix in Langüedok, den 18 november 1647; zijn vader Jan'Bayi.h, van' Mdntauban afkomftig, was aldaar Leraar van de Hervormde 'gemeente, en'zijne'móeder Jeanne Bruguiere, Van een oud en 'aanzienlijk geflagt in die gewesten, bragt bel-.-d-ci Pieter nog'twee andere zoons ter wereld, waar van de  BAYLE, (PIETER) *45 de oudfie Jakób zijnen vader ais Predikant.is. toegevoegd ga. veest, en de jongfte Joseph genaamd? ook in de theologe heeft geifudeerd, doch als Proponent vroegtijdig is gfftorven» Doordien de Gereformeerden in de landgn daat zij onder d§ Roomsgezinden vermengd zijn, doorgaans de gewoonte hebben de kinderen vroeger dan in andere Janden, tot ledematen aan, te nemen, zo werdt.ook Bayle toen hij flegts den ouderdom van 15 jaren hadt bereikt, op den 25 december its'öi tcc lidmaat aangenomen, en tot Let Avondmaal toegelaten. - fjjj bleef tot in 't jaar 1666 in zijn ouders huis4 tot welkqn tijd zijn vader niets verzuimde-, om de ongemene talenten waar mede zijn zoon begaafd was, op te wekken en aan te kweken. In dit zelvde jaar ging hij naar Puijlaurens, alwaar tog/) ter tijd een Hogefchool der Gereformeerden was; hier beoeffende hij verder de griekfe en latijnfe talen, als mede de wijsbegeerte. Van hier vertrok hij den 29 meij 1668 naar Saverdun, een klein ftedeken in het graavfchap Foix, daar hij geen hrA verblijf hieldt, maar reeds in feptember naar Carla te rug keerde, en . voorts weder, naar Puijlaurens, alwaar hij tot den ffl februarij 1669 verbleef, en in die tijd met alle naarftigheid de gefchiedenisfen, weifprekendheid en oudheden beoeffende, teffens de wijsbegeerte niet verwaarlozende; welkers beftudering ja hem de nieuwsgierigheid opwekte, om dé gefchrifteij der Roomsgezinden over de gefchillen met de Gereformemkn i Wat nader te Ieren kennen, ter, einde volgens de grondbeginzelen der Protestanten, een nauwkeuriger onderzoek te doen naar de waarheid van die godsdienftige begrippen, welke hij met de melk hadt ingezogen; en dat hem de tegenwerpingen • tegen het leerfluk van de Protestanten, dat men op aarde geen zigtbarei) en fprekenden regter, aan wiens beiluiten men zigj in verfchillen over den godsdienst, hadde te onderwerpen 3 moest erkennen, zo waarfchljnlijk voorkwamen, dat hij zi;$ zelve daar op niet wetende te,voldoen, aan't weiffelen raakte* De Roomfe Pastoor van Puijlaurens zulks vermerkende, tekende-het van zijnen pligt te moeten voltoijen 't gene dooi' W- lezen van controverfs boeken begonnen was, hij wist rffc S 2 TA  - 15* ÜATLË. (PJETKlt) 20 wel in Bayle zijnen gunst te dringen, dat hij hem ojs zijne wijze van de dolingen der godsdienst waar in hij ~eboren en opgevoed was, in zoverre overtuigd hadt, dat wanneer hij den 29 februarij 1669 te Touloufe kwam, hij zig ais' een verdoold fchaap begost aan te merken, 't gene wel haast tot overtuiging overfloeg , toen hij in deze Had, tegens enige fchrandere beftrijders zintwistende., niet in ftaat was zijne' grondbeginzelen te verdedigen; hij bezweek hier op, en deedt opentlijke belijdenis van den Reomfen godsdienst; deze ftap-gedaan zijnde, zette hij zijne ftudie in de wijsbegeerte onder de Jefuiten voort, zonder egter bij hen in te wonen, veel min dat zijn voornemen zoude geweest zijn, zig in hunne orden te begeven. Zijne verandering maakte veel gerugts, want fchoon hij flegts maar eenvoudig Student was; die nóg nimmer in de theologie hadt geftudeerd, was hij egter de zoon van een allergeachtst Predikant, en daarenboven reeds bekend voor enen vluggen geest, en een jongeling van grote verwagtmg. Welk een grievende fmerte deze ftap van hem, ook aan zijne ouders en familie veroirzaakte, kan men beter bezetten dan uitdrukken; inzonderheid nam zijn vader die hem tederlijk beminde, zulks ongemeen ter harten, en hij wierdt teffens zodanig over hem verontweerdigd, dat hij weigerde om hem in "t toekomende te onderhouden; maar Bayle ontmoette een edelmoedigen bezorger in Bertieb Bisfchop van Rieux , die hem alles verzorgde wat hij tot zijn onderhoud nodig hadt. Hij verbleef egter niet lang in de gemeenfchap ' der Roomfe Kerk, naardien hij ontdekkende dat men in die belijdenis, te veel eer en dienst aan menfchen bewees, en behalven dat, dat de leer der transfubftaritiatie geheel en al met de gezonde wijsbegeerte niet overeen was te brengen, begreep hij al te voorbarig te hebben gehandeld, met van godsdienst te veranderen; hij verbleef ook maar 18 maanden te Touloufe, en ging den 19 augustus 1670 die ftad uit, zig naar een buitengoed van den Heer du Vivié begevende, dat drie men van Cark af gelegen was; 's anderendaags kwam hier zijn oudfte broeder, Jakob Baylk, benevens enige Predikanten  BAYLE. (PIETER} j5k ten uil Ja omliggende flreken, en den volgenden dag zwoer bij in hunne tegenswoordigheid opentlijk den Roomfeh godsdienst af, en vertrok terftond naar Geneve, om 'er zijne fttfdipil voort te zetten; hier geraakte hij in kennis en vriendfehap met de Geleerden van die ftad, inzonderheid mét den Hoogleraar in de gefchiedenisfen Minutoli, welkers vriendfehap hij tot zijnen dood toe, door ene gemeenzame briefwisfeling heeft onderhou. den. Hij hadt bij de Jefuiten de Peripdtetifche wijsbegeerte geleerd, en doordien hij 'er grondig in gëoeffehd was, verdedigde hij die met warmte; hij begreep jiogthans1 ook dé wijsbegeerte van Cartesius, die te Geneve gevolgd werdt 3 té moeten onde; zoeken, en het duurde niet lang, of hij gaf de voörkeuzp aan de beredeneerde grondbeginzelen dier nieuwe wijsbegeerte; boven de onvrugtbare fpitsvinnigheien der aanhangers van Aristöteles. De uitnemende talenten waar mede Bayle begaafd was , verfpreiden wel dra zijnen roem wijd en zijd, 't welk de Heer Normandie Sijndicus van 't gemenebest uitlokte , hem te verzoeken, offi de zorg der Opvoeding zijner kinderen op zig te nemen; Bayle bewilligde hier in, en ging het huis van dien Heer betrekken, daar hij kennis met den Heer Basnage maakte, die daar mede gelogeerd was, en zij gingen ene vriendfehapsverbindtenis aan, die tot aan de dood toe Leeft ftand gehouden. Hij was nauwelijks twee jaren te Geneve geweest, of hij werdt op aanbeveling van den Heer Basnage, bij den Graav van Diiona geplaatst, die zig op zijn landgoed Copet, niet verre van de ftad gelegen, onthield; om tot Gouverneur voor zijne zonen te verftrekken; dan die eenzame levenswijs hem fpoedig vervelende, verliet hij Copet, en begaf zig naar Rouaan, alwaar de Heer Basnage hem bij een voornaam Koopman hadt aanbevolen, om onderwijs aan denze! vs zoon te verlenen; maar Bayle bleef hier niet lang, .zijn gantfe verlangen ftrekte naar Parijs; ook begaf hij zig i'rj maart 1675 naar die ftad, én op aanbeveling van den Marquis de Ruvigny, maakte mén hem Gouverneur Van de Heien de Beringhen, broeders van enen Raadsheer in 't Paviet; ent van Parijs en van de Hertogin te £a Force; Enige K 4 ti»tèi-  . BAYLE. (PIETER) maanden hier na, vertrok hij naar Sedan, om ware het moo»lijk eenHoogleraarsftoel in de wijsbegeerte, welke aldaar door het overlijden van den Hoogleraar Pithois ledig Rond, te bekomen; Pieter Jurieu die aldaar Profesfor in de theologie was, en Jakob Basnage die even zijne godgeleerde ftudien hadt volvoert, ftelden alles te werk wat in hun vermogen was om zijn doelwit te begunftigen, dan hij ontmoette magtige tegenftrevers, die te berde bragten, dat hij een vreemdeling ' zijnde, niet boven drie inboorlingen, welke na de zelvde plaats ftonden, behoorde voorgetrokken te worden ; om dit gefchil te beflisfen, wierdt 'er ten laatften met goedkeuring van de vier Sollicitanten befloten, om ban afzonderlijk in eue . daar toe beftemde plaats cp te fluiten, ten einde binnen den tijd van 24 uren, zonder enige voorbereiding, en zonder boeken of hulp van vrienden, ene verhandeling te vervaardigen de Tijd tot onderwerp hebbende; den 28 feptember 1675 gingen de vier mededingers aan 't werk, en Bayle verdedigde-de zijne opentlijk den-2 en 3 oétober, 't welk hij'zo uitftekend wel uitvoerde, dat hij 'er een ongemenen lof mede behaalde, den prijs won, en dus hem het Profesforaat wierdt opgedragen, in welke bediening hij door het afleggen van den gewonen eed den 4 november werdt bevestigd, en den 11 daar aan volgende enen aanvang met zijne openbare Iesfen maakte De beginzelen vielen hem zwaar, want het famenftellen zijner wijsgerige Iesfen koste hem een onbefchrijvelijken arbeid en moeite, en verflond daar bij veel van zijnen tijd; dan na verloop van twee of driejaren, wierdt zijn taak gemakkelijker, zo darbij het genoegen kost fmaken om nieuwe uitgekomen* boeken te lezen, en zelve aan 't opftellen te gaan. Dc geleerde Ancillon Predikant te Mets, zondt hem in 1679 een boek van P. Poiret, geüjteldCogitatiónes ratiohales de Deo, de Anima et de Mak, en verzegt hem aanmerkingen over dit werk te vervaardigen; Bayle deedt zulks, en zendt die aan den Heer Ancillon, die bezorgde dat ze aan Poiret werden ter hand gefteld, welke dezelve met zijne tegenbedenkmgen, die volgens het zerken vau Bayle en andere CTe-' Jeer»  BAYLE. (PIETER) ;g leerden niets met al afdeden, in den tweden druk van dac lijvige boek te Amfteldam in 16$5 uitgegeven, heeft geplaatst? daar nog een twede tegenwerping bijgevoegd is, over de onfterf* lijkhèïd der Ziele. Omtrent dezen tijd, gebeurde een voorval met den Marfchalk van Luxemburg,- dat veel gerugt maakte" hij was opendijk, bij de Vierfchaar, aangefteld om de vergiftigingen te onderzoeken, die toen ter tijd zo menigvuldig M Frankrijk in zwang gingen, aangeklaagd als fchuldig aan godslastering, toverijen vergiftiging; hier op hadt hij zig vrijwillig in gevangenis begeven, ten einde zijne daden toogten worden onderzogt; het gevolg was, dat hij onfchuldig wierdt verklaart, en de ftukken van het pleitgeding vernietigd. Bayle die enige bijzonderheden van deze vreemde procedure te Parijs was ontwaar geworden, in welke ftad hij de najaarSvacantien hadt doorgebragt, vermaakte zig om ene redevoering op te ftellén, waar in die Marfchalk zijne zaak voor de Regters bepleitte, en zig verontfchuldigde van een verbondmet den Duivel aangegaan te hebben; de redénen die Bayle den Marfchalk deed te berde brengen, om zodanig buitengemeen verbond te regtveerdigen, bèrtonden, dat hij zulks gedaan hadt. 1. Om alle de vrouwen daar hij lust toe hadt, op hem te doen verlieven. 2. Om volftandig gelukkig in den oorlog te zijn. 3. Alle zijne procesfen te winnen. 4. Duurzaam's Konings gunst te genieten. Deze vier punten maakten de verdeling van de redevoering uit, welke een vrij flekelig hekelfchrift, tegens den Marfchalk, en verfcheidene andere perfonen bevatte. Vervolgens maakte Bayle onder een verbloemden naam, ene berispende wederlegging van deze redevoering,die nog hekelzugtiger was dan de redevoering zelve. Hij zondt deze beide ftukken aan den Heer Minutoli, met verzoek om 'er zijn gevoelen over te zeggen; doch het is mij niet gebleken, welk een antwoord hij hier op van dien Heer ontving. Enigen tijd hier na, ftelde hij iets ernftiger in 't werk; de Jefuit Valois van Caën, namentlijk, gaf onder den verfierden naam van Louis de la Ville, te Parijs een boek in 't licht, gerijtelt: Sentiment de Mr. Descartes touclmvt l'esfence et les K 5- o*  S5* ÊAYLE.-(FIETER) propriet-s du Carps, oppofés a la Doürine 'de VEgliJe, et confor)r.è> aux erreurs de Calvin,/ar le fujet de l'Eucharistie. De Schrijver vergenoegde zig niet alleen, om het gezag van het Concilie van Trente aan de Caiisfianen tegen te werpen; maai- hij weerftreéfde hen ook door de redenering, met zo veel in zijn vermogen was, de gronden waar op Clercelier, Roiiault, én Malleeranche gebouwd hadden, om te bewijzen, dat de nitgeftréktheid het wezen aan de floffe verleend, te verzwakken , en ware 't moogiijk om ver te werpen. Bayle las dit werk, dat hij bondig gefchreven vondt; hij was van oirdeel dat de Schrijver daar van onbetwistbaar bewezen hadt, dat de grondbeginzelen van Carteuus regtflreeks Orijdig waren met het geloof der Roomfe Kérk, cn ovcreenkomit ig met de lecrffellingen van Calvyn, 't welk in de grond, zegt Bayle in enen brief aan den Heer Mimutolt, niet bezwaarlijk viel om te bewijzen. Dit bewoog Bayle om ene verhandeling te fchrijven aan zijne leerlingen toegewijd, waar in hij het gtondbeginzel van Cartesius verdedigd, en aüe de uitzondering;n en listig uitgedagte draijingen, door welke de Jefuit Valois dit grondbeginzel hadt zoeken te ontzenuwen, ten enemalen kragteloos maakt; inzonderheid bepaalde hij zig, om qnwederftaanbaar te bewijzen, dat de doordringbaarheid der Jlofe onmooglijk is. In de maanden november en december van het jaar iögo, verfcheen een der grootfte Kometen , die immer gezien waren , en bijna het gantfe wereldrond, was over dit verfchijnzel met verwondering en fchrik bevangen. Bayle, zo ais bij het ons zei ven betuigd in zijne IVaarJchmnving aan het hóoÜ-vau zijne Penfées. diverfesfur la Comité, zag zig onophoudelijk blootgefceld aan de vragen van verfcheidene menfehen die door de verfchijn'ing van deze' Komeet verbazend verfchrikt waren. Hij ftèlde hen gerust zo veel' in zijn vermogen was. maar hij vorderde bedroefd weinig met zijne wijsgerige redeneringen ; men gaf hem altoos tot antwoord, dat God deze grote verfchijnzelen vertoonde, ten einde aan de zondaren tijd te gunnen om door boete en bekering, de rampen die-hen over ,1 hoofd hingen, af te weren. j„.  BAYLE. (PIETER) :55 Intusfen bevonden zig de Gereformeerden van Frankrijk in ene akeligen toeftand; ten Hove was hunne uitroeijing befloten, men beroofde hen van alle hunne voorregten, en men befloot eindelijk hunne Hogefcholen af te fchaffen. Daar was grond van reden om te denken, dat die van Sedan gefpaart zoude worden; doordien dit Prinsdom tot in het jaar 1642 een fouvé* reine Staat geweest zijnde, de Hertog van Bouillon dezelve aan Lodewyk den XIII. hadt afgeftaan, onder voorwaarde dat hij 'er alle dingen in die toeftand zou laten als Mj ze 'er vondt. Lodewyk de XIV, bevestigde dit verdrag, en beloofde op nieuw, dat de Gereformeerde godsdienst zou gehandhaaft worden, benevens alle de regten en privilegiën die zij in bezit hadt. Maar dit alles kost de Akademie niet behouden. Wat ftoren vele Vorften en Groten zig aan hun gegeven woord, wanneer zulks niet langer met hunne inzigten of belangens ftrookt? zij tragten door een fchoonfehijnenden glimp de menigte te misleiden; zo deedt Lodewyk de XIV. in dit geval ook, hij beweerde namentlijk, dat hij gedwaalt hadt met deze vergunning te bekragtigen, dat hij daar toe geen magt hadt gehadt, dewijl het bevorderen der zuivere godsdienst hier mede vermengd was; hoe 't ook zij, Sedan was de eerfte Hogefchool, die op zijn bevel wierdt vernietigd; het beflyit daar toe tekende hij den 9 julij 1681 , en het zelve wierdt reeds den 14 daar aan volgende afgekondigd. Bayle zag zig dus genoodzaakt, Sedan te verlaten; doch weinig tijd daar na wierdt hij tot Profesfor in de wijsbegeerte en gefehiedenisfen op ene bezolding van 500 guldens te Rotterdam beroepen. Gelegenheid tot dit beroep gaf, dat toen Bayle nog te Sedan was, 'er zig mede een jongen heer , van Zoelen genaamd, uit Rotterdam bevondt, die in het zelvde huis met hem logeerde ; deze hadt zo veeé nut getrokken uit de dageljjkfe verke-. ring van onzen Profesfor, dat hij ene warme vriendfehap voor hem hadt opgevat, 't welk ten gevolge hadt, dat op de dag zei ven dat het arrest wierdt afgekondigd, waar bij de Hogefchool vernietigd werdt, hij een affchrift daarvan zondt aan zijnen naastbelkanden, de Heer Paets Vroedfchap van Rotterdam, een  *5* BAYLE. (PlETElt) een tiegnnftigér del- wetenfchappen, en die zélve een • géi Jêérd Man zijnde, gaarne lieden van vérdienften voorftondr. De Heer van Zoelen fchréef hém, dat Bayle buiten bediening was, teffens naar waarde zijné vérdienften vermeldende; Zeer fpoedig ontving hij eengunftjg antwoord. Hier op fchreef Bayle aan den Heer Paets , om hem dank té zeggen voor de gnnftige gevoelens die hij voor hem hadt opgevat, teffens verzoetende, dat hij in zijne goedwillighèid voor hem mogt werkzaam blijven. De Heer Paeïs Voegde bij veel verftand enè warme liefde voor" de wetenfehappen, én inzonderheid voor het vak dér wijsbegeerte; zijne uitmuntende vérdienften hadden hem een gróót aanzien en gezag verleend, dat nog gróter zou geweest zijn, indien de verdeeltheden die opdat tijdftip het gemenebest flingerden , geen plaats hadden gevonden; men befchouwde hem als het hoofd der partij tegens het Or«?j. js-Imis, en hier uit ontftond enige zwarigheid voor hem out weder in de Regering te geraken, toen hij als buitengewoon Gezant uit Spanje té rug keerde. Nogthans zegepraalde hij óver zijne tegenftrevers, en het gehoor dat de Regering van Rotterdam aan zijne raadgevingen gaf, hadt zo veel invloed,' dat het genoegzaam alle hare betluiten beftierde ; dezë nu bewerkte dat de Heer Bayle tot Profesfor in de wijsbegeerte en gefchiedenisfen te Rotterdam wiérdt beroepen, en dat teffens ené Jeerftoel ais Hoogleraar in de theologie, aan de Heer Jurieu werdt vergund. Hij kwam den 30 october ió8i in die ftad; en wierdt 'er zeer minzaam door de familie van den Heer vak Zoelen en van den Heer Paets ontvangen. Den 5 december deedt hij zijne intrec-redevoering, die algemeen teegejuigd werdt; en den 8ften gaf hij zijne eerfte les van wijsbegeerte,aan een groot aantal ftuderende jeugd. Bayle was nog niet lang te Rotterdam geweest, toen Mevrouw Paets, de huisvrouw van zijnen weldoener ftierf, eh een blijk gaf van de' achting die zij hem toedroeg , met aan hem een legaat van' 2000 guldens te fchenken. Maimeurg, gaf ter dezer tijd in 't licht, zijn Hijloire dn Calvinisme; dit werk hadt zeer belangrijke ftoffen tot onder- '  BAYLE. (PIETER) ,57 HS'erp; het kwam 'er cp aan, om over de geest en het gedrag der Gereformeerds:! in Frankrijk, vgn de tijd af aan, dat zij ■haar van de Roomfe Kerk afgezonderd hadden, eep vonnis te yellen; Maimburg hadt alle de listige draijingen zijner pen te werk gefteld, om de verachting en haat der Rnomsgezin.den, op hen tc laden. Bayle, verontwaardigd over de kwade trouw en het zo heilloze en verdeiflelijk inzigt van dien Schrijver , beftoot om deszelvs gefchiedenis te wederleggen ; hij deedt ■zulks, in het werkje tot tijtel voerende; Critique Génerale de V Hijloire du Calvinisme de Mr. Maimbourg. Villefranche, chez Pierre le Blanc. Dit werkje, dat met zeer veel geest, en op een aangename trant in een verlokkende ftijl is gefchreven, droeg niet alleen de goedkeuring der Gereformeerden weg, maar zelvs die der oirdeelkundige en gematigde Roomsgezinden; doch zpdanigen invloed maakte het op den Jefuit niet, integendeel werdt hij zo brutaal, dat hij een fchrftelijk bevej. van den Koning wist te verkrijgen, waar bij de Minister Reinie gelast wierdt, om het door beuls handen te doen verbranden , en pp ftraffe des doods verboden werdt, het werk te drukken of te verkopen. Reinie , die het boek met veel genoegen hadt gelezen, en Maimburg niét best mogt kigtcn , gehoorzaamde egter zonder dralen, en liet al 't gene deze Jefuit maar verlangde, in het vonnis vloeijen, waar in men gemakkeliik de ftijj van een gallig vergramden Schrijver ontdekt. Doch Reinie die een pots aan Maimburg fchuldig was, liet meer als 3000 exemplaren van dat vonnis drukken, en het door gants Parijs heen aanplakken; dit wekte zodanig de nieuwsgierigheid van het gemeen op, dat ieder een de Critique de Mr. de Maimbourg wilde hebben, ook waren 'er wel haast verfcheidene drukken van uitverkogt. De Heer Jurieu, zer dert kort tot Profesfor in de godgeleerdheid te Rotterdam aanrcrield, vervaardigde ook een antwoord aan Maimüurg, maar dal op lange na de achting niet verwierf, welke men aan dat van Bavi.e hadt gegeven; want fchoon dit werk wel was gefchreven, en vollediger dan dat van Bayle, de Schrijver ook Maimburg krggtig en met bondige redenen wedcrleide; ontbrak  £5$ BAYLE. (PIETER) brak 'er egter dat geestige zout aan, het welk een aangename en natuurlijke draai aan de ftijl bijzet, dat uitlokkende, 't welk de leeslust opwekt, die levendige en zinrijke invallen die wel ingerigte wijze, om zonder bitterheid, de gebreken van zijnen tegenftrever ten toon te Hellen, en zonder boos te worden, noch zig door drift te laten vervoeren, geloofsverfchillen weet te behandelen, 't welk tot kenfchetzende trekken van Bayle zijne Critique generale verftrekte. Het verfchillende oirdeel dat 'er over de werkjes van Jurieu en Bayle geveld wierdt, ftak den eeistgemelden en maakte hem knorrig; hij befchouwde den laatften als zijnen medeftrever, en kost hem nimmer vergeven, alle de ftemmen van goedkeuring weggedragen te hebben, zonder dat 'er enige lof voor hem zèjven overfchoot; ongelukkig wierp dit toeval in zijn hart, die zaden van haat en wangunst, welke vervolgens zulke wrange vrugten hebben voortgebragt. Op het einde van 't jaar 1682, hieldt men fterk bij Bayle aan, om zig in *t huwelijk te begeven; maar hoe verleidende en lieffelijk de lokftemme daar ook toe was, fcheen hij 'er geene roeping voor te hebben; de partij die men hem vcorftelde, was zeer voordelig; het was een jonge, fchone, bevallige, zagte, lieve juffer, die meesteiesfe van zig zeiven was, en daar bij het zoete ftuivertje van 15000 rijksdaalders bezat. Juffer du Moulin, kleindogter van den beroemden Pieter du Moulin, en zuster van Jurieu's. vrouw, en die vervolgens zelve in den egt trad met den Heer Basnage, hadt deze huwelijksfuik gefpannen , en de baan in zo verre klaar gemaakt, dat 'er niets aan ontbrak dan de toeflemming van Bayle; maar deze fcheen geheel geen geneigtheid voor het huwelijk te hebben; de zorgen en omflag van een huisgezin , fchenen hem toe, niet te ftroken met de levenswijze van een Letteroeffenaar, noch met die van een Wijsgeer, welke al zijn geluk tot de ftudie en daar uit voortvloeiende kundigheden bepaalt; behalven dat met het noodzakelijke te vreden, fchenen hem de rijkdommen toe, eerder ene last te zijn, dan vergenoeging op te leveren; jvMouw du Moulin ilel-  BAYLE. (PIETER) \f9 ftelde alle hare pogingen te werk, om hem van die denkbeelden af te trekken, en hem over te halen, om de gelegenheiï die zig nis van zeiven aanbood, niet ta laten ontglippen, doch alles even vrugteloos, en zij meest het ten laatlien opgeven. ' In 1684, gaf Bayle fa 't licht: Rsceuil de quelqus Pieces 'pttHeüfès concernant la Ttelofephie de Mr. Descartes. De roem die deze geleerde Man hadt verworven door zijnen Brief over de Kometen, hadt da Staten van Friesland, die hem niet anders dan door dit Rukje kenden, bewogen, om hem tot Profesfor in de wijsbegeerte op de Hogefchool te Franeker te beroepen , met een jaarlijks inkomen van 900 guldens; na enige dagen beraad, bedankte Bayle 'er zeer beleefdelijk voor. In het zelvde jaar maakte hij nog een aanvang niet de uitgave van zijne Nouvelles de la Republkipie des Lettres. Dit werk pndei'fchraagde niet alleen , maar vermeerderde zelvs den roem, fiie Bayle reeds verworven hadt. De Hear Paets in 1685 'in Engeland zijnde, in de tijd dat 'er het gefchil voor en tegen de verdraagzaamheid zeer hevig wierdt bepleit, fchreef deze een latijnfe brief aan Bayle over dat onderwerp; zij wierdt in 410. gedrukt, voerende tot tijtel: Hadriani van Paets ad BiELiUM, de nuperis Anglia: moub'us Epistola; in qua de diverforum a piiblica Religione circa Divina fentientium disferituf, Tolerantia; Bayle vertaalde deze brief in 't fians, cok is dièj naderhand in 't hollands gedrukt. De gruwzame vervolging die men de Gereformeerden in Frank^ rijk aandeedt, troffen Bayle allergevoeligst, maar hij wierdt van fmerte doordrongen, toen hij vernam dat men in october 1685, hot Edikc van Nantes hadt ingetrokken,'en dat 'er gecfle geweldenarijen van welk enen aart ook waren, die men, Ztg niet verqirloofde, ten einde de Gereformeerden te noodzaken, hare geloofsbelijdenis af te zweien. Intusfen bleven de Rutnrgesinde Schrijvers niet in gebreke, om met Rijve kake'a te ontkennen, dat 'er enig geweld plaats vondt, niettegeaRaande die ten aanfehouwen van de ganti'e wereld gepleegd wierden, en een wolke van getuigen zulks bevestigde. Bay- je  *& BAYLE. (PIETER) lts gaf over dit onderwerp een klein boekje uit, getijteldCe que c'est que la Frame teute Catlwlique; en enigen tijd daar na gaf hij in 't licht: Commentaire Philofophique fur ces paroles contrmn les d'entrer; maar hij plaatRe 'er zijn naam niet Tm, deedt zelvs al wat in zijn vermogen was, om bedekt te blijven, en heeft nimmer erkend dat hij 'er de fchrijvcr van was; de ijver en Rerke ingefpannentheid waar mede hij aan .deze verhandeling werkte, veroirzaakte hem de koorts, die door ene ziekte gevolgd wierdt, welke hem noodzaakte dc uitgave van de Nouvelle* de la Republique des Lettres te Raken. Hij,herRelde egter eerlang, en deze herReliing veroirzaakte een zodanige vreugde aan den Heer du Tot de Ferrare, Raadsheer in 't Parlement van Rouaan, dat hij de volgende'in' fcriptie, a's ingcrigt om tot een duurzaam gedenkteken in Reen uitgebeiteld te worden, ter zijner eer opflelde. In doclisfimi Basi.ii Jankatem refiitutam Soteria. Quce te mort vetat Gloria agrotare prohibet. Omnibus carus fc? utüis, feriptores critica face clucidaüi, cenforia nota emendasti. Qucefitor urnam movens magnum in nomen ituros ceternitati pronubq mam dicasti. Laboribus mis alicnos abfumis, deliciis nostris nunquam abfumendus. In hoeve, réndus, quod nsminem formidasti. ' Dignus qui Verkatis anno] exa:ques, qui labantem fuftentes cognatmn Veritati libertatem. Non ad unius utiliiatem Regionis nafus, ita exilium toleras, ut videaris cptasfe; ita cunBos eminus continus reficis, ut vix credaris ^ nbesfe. Theatrum eruditionis circumduMe faBus es Orbi. Subfellia, quce dkendo fatigare non potes, te ftlentem ferre, te quiefcen tem quiefcere , ne fpera. Vale, vive, fcribe. Enccenia renovatasfacwuha fauftis LAteratorian acclamationibus ceiebrantur. Omtrent deze zelvde tijd, was Bayle bedagt om Rotterdam .te verlaten; de dood van den Heer Paets, en vooral het oplopend en gramfiorig karakter van Jurieu, maakte hem de inwoning daar van onaangenaam; hij verzogt aan den beroemden Abbadie, die toen ter tijd te Berlijn was, om hem ene bediening in die Rad te bezorgen; dit zoude ook gelukt zijn ware de Keurvorst van Brandenburg op dit pas niet geRorven* dus wierdt Bayle genoodzaakt om te Rotterdam te blijven. In 1688  BAYLE. (PIETER) a(jf 4688 gaf hij het vierde deeltje van zijne Commentak'es PMhfophu ques in 't licht, waar in hij de grondbeginzelen die Jueisu in twee van zijne werken beweerd hadt, met veel oirdeel wederlegt. In het zelvde jaar nog, maakte Bayle een uitnemende •voorrede voor de Dictionaire van Furetiere , den fchriiver geftorvèn zijnde , terwijl het werk op de pers was. Het berugteyMr auv Refugiez in 't begin van 1690 te voorfchijn gekomen zijnde, geraakte Bayle daar door in een heftig en onaangenaam gefchil met Jurieu, die hem niet alleen befchuldigde fchrijver van dat boek te zijn, maar hem ook verweet tot ene gevaarlijke kabaal te behoren, die tegens den Staat hadt aangefpannen. Bayle wierdt niet zo dra van die befchuldiging verwittigd, of hij vervoegde zig bij den Hoofdofficier van Rotterdam, met aanbod om in de gevangenis te gaan, mids zijn befchuldiger zulks insgelijks deedt, en zig de ftraf onderwicro die hij verdiende, indien, hij Bayle onfchuldig wierdt bevonden. Ook. gaf hij kennis aan twee der voornaamfte regenten van Rotterdam , en aan twee of drie andere perfonen in den Haag, even aanzienlijk door hunne vérdienften als bedieningen, van de befchuldigingen die hem door Jurieu aangetijgd waren, en dat hij niets anders van den Staat verzogt, ais het regtom niet onverhoord veroirdeeid te worden. Misfchien hadt Bayle wel gedaan, van het hier bij te laten. Jurieu hadt nimmer tegens hem in de vierfchaar durven verfchijnen, hij hadt geen het minfte gegrond bewijs tegens hein, men zou den fpot gedreven hebben met zijne vermetelheid, en hij was voor een lasteraar verklaard geworden. Maar opentlijk Bayle aangeklaagd hebbende, als het hoofd ener kabale, die ene zamenzwering tegens den Staat hadt aangegaan, dagt Bayle zig door de zelvde middelen te moeten regtvaardigen. Dewijl het hier niet te doen was met zodanige twisten, die veeltijds onder Geleerden ontftaan , over het een of ander punt van ftudie of wetenfehap, maar de eer en zelvs liet leven hier mede gemoeid waren, indien de ftaatsmisdaad bewezen was geworden ; dagt dus Bayle zijnen aanklager niet te moeten fparen; maar hij ontmaskerde hem zo dugtig, dat y»jn hoogmoed en vervaantbeid LI, Deel. L niet  :oM 0A.YIX (PIETER) niet heiland waren, tegens een zo feilen floot; hij nam terftond zijn toevlugt tot de regering van Rotterdam, aan wien hij een der zonderlingfte fmeekfchriften aanbood, dat men immer gezien heeft, bewerende het regt te hebben, om te befdmldigen wien hij wilde, zonder dat de befchuldigden vrijheid hadden van zig te verdedigen. De regering van Rotterdam vondt niet goed, om hem zodanig onregtvaardig verzoek IJl te willigen; dan zij vermaanden met aandrang, zowel BatIe als Jurieu, om zig hoe fpoediger hoe beter te verzoenen, en verboden hen iets den een tegen den anderen in 't licht te je ven, voor en al eer het door den heer Beyer, Penfionaris van de ftad zoude onderzogt zijn. Niettegenftaande dit verbod, randde Jurieu op nieuw Bayle met zo veel geweld aan, dat hij dezen tot een nieuwe verdediging tegens zijne verregaande lasteringen, noodzaakte. Bayle dagt nu, dat hij zig ook niet inoest bepalen, om verdedigender wijze zijnen tegenflrever te keer te gaan, maar dat hij op zijn beurt ook aanvaller inoest worden; hij volvoerde zulks in 't latijn, ten einde het ftuk ruimer mogt verfpreid worden; hetzelve voerde tot opfchrift; f (trut/I Ccelorum referata ctmbtis Religionibus, a cekberrimo admodum vin Domino Petro Jurieu, Roterodami verbi Divini Pastore, 8" Thèokgix Profes/ore. Povta patens esto, nulli claudatur honesio. Jmflelodami excudebat Petrus Chayer. 1692. Intusfen Werkte hij ook met zo veel ijver en vlijt aan zijn Diüionaire Eijloïique, dat het-drukken daar van een aanvang nam in feptember 1693, niettegenftaande de afleidingen en moeijelijkheden die hem Jurieu geltadig berokkende; aan wien het ook ten laatften gelukte, om aan Bayle zijn ambt als Profesfor te doen verliezen, waar van hij op den 2 november 1693 wierdt beroofd. „ Hij droeg dit ongeval met de ftandvastigbeid ., van enen wijsgeer," zegt de Heer de Beauval in zijn Etage de Mr. Bayle, pag. XXX. „ en zelvs met al te grote •ma„ te van onverfchilligheid; inzonderheid zonder enig verdriet „ te doen blijken, ten aanzien van zijn fortuin; hij was ten „ enemalen onverfchillig om goederen te verzamelen, door„ dien hij 'er in de daad geene nodig hadt; zijne matigheid 5. en  BAYLE. (PIETER) ïr ,7 en weltevredenheid maakten, dat met weinig zijne behoef„ tens vervuld waren, zo dat hij. met geringe middelen aan „ nieüs gebrek leed; hij was met dat al in geen beboeftigen „ toeitand, verre van daar; ook deedt hij geen de minfte „ moeite om zig een andere bediening te verfchaffen; hij be„ vondt zig in een vrijer toeftand, en tot een meerder genot „ van zig zeiven, ontheven van de vervelende bezigheid, om „ onderwijs te geven en Iesfen op te ftellen." Dit zijn de gevoelens die hij zelve in enen brief aan den Heer Minutioli betuigd, dat hem bezielden. Dan hoe weinig gevoel hij ook hadt over het verlies van zijne bediening, vergat hij egter Jurieu niet; want hij gaf niet alleen ene verhandeling tegens hem uit, ter gelegenheid van twee preken die deze onverdraagzame man ha.it gedaan, ten einde te betogen: dat het geoirlooft is Gods vijanden te haten. Beftaande deze verhandeling van Bayle in een vliegend blaadje, getijteld: Nouvelle Herejie dans la Morale touchant la haine du Prochain, prechée par Monfieur Jurieu dans l'Eglife Wallonne de Rotterdam, les di~ manches 24 de janvier & 21 de fevrier 1694, denoncte a toutes les Eglifes Reformées, £? nommement aux Eglifes Franfofes receullies dans les -differens emlroits de leurs disperjïon; maar hij liet ook nog dat zelvde jaar drukken: Additions a fes penfées divey fes fur les Comités, waar in hij ene brochure van Jurieu tegens hem in 1690 uitgegeven, meesterlijk beantwoord, en teffens reden geeft waarom zulks niet eerder is gefchiedt. De drie of vier dagen die hij bezig was met dit antwoord te vervaardigen , hinderden hem niet om al zijn vlijt en zorgen aan zijn Woordenboek dat men bezig was te drukken, te belleden. Weinig met zig zeiven ingenomen, vreesde Bayle voor den goeden uitflag van dit werk, dan het algemeen voedde 'er een gunftiger gevoelen over, en verlangde 'er met ongeduld na. Het eerfte deel kwam in augustus 1695 te voorfchijn, en de beide andere delen, werden in eens uitgegeven in 11597. Een ieder weet, dat dit uitmuntend werk met ongemene gretigheid wierdt ontvangen, maar het bragt op nieuw de gistende gal van Jurieu weder aan 't zieden, en veroirzaakte een nieuw L 2 ge.  ïöj, bayle. (pietek.) géfchfl tusfen Bayle en hem; ook ontmoette hij een ander wek mg bezadigder tegenilrever van zijn Dictionaire, namelijk Jah Vk' Clerc , Hoogleraar op het kweekfchool der Rmonftranten tg Amjleidafr, en wel inzonderheid, over het artikel Manichéens; bewerende Bayle, dat deze Secle grond hadt, om aan de Gillisten Godgeleerden zwarigheden te opperen, ten aanzien van het zedelijke en natuurlijke kwaad; le Clekc, om dit gevoelen te wederleggen, gaf een werkje uit, getijteid: 1'arrhafcncu ou penjées diverfes fur des matieres de Critique, d'Hijloire, dé Monde de Politique. Bayle kwam hier weer tegens op; dit gefchil liep hoog, en zij lieten zig aan weerskanten uitdrukkingen ontvallen, die de vérdienften hunner geleerdheid niet weinig bezwalkte. Le Clerc beftempekie Bayle, met de'haatlijkè namen van Godverzaker en Spinófist; en Bayle be. fthuldigde le Clerc, dat hij, zo geen Sociriiean, op zijn best genomen een Ariaan was, daar bij een groot fnorker, die in èlle zijne fchriften werk maakte, om de Godüjke openbaring Op los'fs fchroeven teftellen. De gefchillen die Bayle met Berxard, Hoogleraar en Franfe Predikant te Leijden, en Jaqueiot, Predikant in 's Hage, over fommige uitdrukkingen in zijn woordenboek, betrekkelijk den Godsdienst voerde; wierden van weerskanten, op ene heusfer wijze behandeld. Dan hoe gretig de nijd ook gereed was, om met haar vergiftend fpog de letterarbeid van dezen wijsgeer te bezwadderen, wierdt egter dit woordenboek door alle Geleerden van fmaak' erkend, voor het nuttigde, leerzaamfte en tevens den leeslust uitlokkendften arbeid, waar mede het gemenebest der letteren in lange verrijkt was; geen wonder ook, want men vindt daar in ene uitgebreide verfcbetdenheid van onderwerpen, met geleerdheid, gezond oirdeel, vlugheid van vernuft, ên met dat al op een aangenamen trant verhandeld; de doorïugttgfteen aanzienlijke perfonaadjen van alierieijen godsdienst en landaart, worden daar in treffende naar 't leven afgefchilderd; hunne voornaamfte bedrijven en lotgevallen, met een vrije pen voorgedragen en onpartijdig beoirdeeld;' om kort te 'gaan, het is een werk, dat te regt voor een magazijn van ■ SS:  BAYLE. (PIETER) ifjj geleerdheid kan .gehouden worden. Onderwerpen over den godsdienst, zedekunde ; wijsbegeerte, welfprekendhsjd» g. Bayle wierdt in meij 1706 van zware zinkingen op de borst, hoest en binnenkoorts aangetast, hier kwam ene vermagering bij, die dagelijks meer en meer toenam; hij wilde' egter volftrekt geene geneesmiddelen gebruiken; en was van begrip, doordien zijné moeder en enige anderen van zijne familie aan ene gelijkfoortige kwaal overleden waren, dat 'er geen hoop voor hem overbleef, maar hij daar aan insgelijks zou moeten fterven. In deze ziekelijke toeftand was hij egter niet bedrijveloos, maar hij vervaardigde een werk waar aan hij den tijtel gaf, van Entretiens de Maxime & de Ti:emiste, (trekkende tot verdediging van 't gene zijne vijanden tegens zijne godsdienftige gevoelens aangevoerd hadden. Dit werk is kort na zijn overlijden in 't licht gekomen. In tusfen nam de ziekte van Bayle in augustus van dit zelvde jaar zeer aanmerkelijk toe, zonder dat hij was te bewegen, om en.ge geneesmiddelen te gebruiken. ,, Een kwijnend leven komt ,, mij erger voor dan den dood; en, het is beter de natuur ,, haren gang te laten gaan, dan haar door geneesmiddelen ,, zoeken te dwarsbomen;" zegt bij in een van zijne brieven, daar hij verders bijvoegd: ,, zij zal vaardiger in hare verrig„ tingen zijn; geneesmiddelen zouden flegts dienen om dit f, zukkelen, enen korten tijd te verlengen; mijn enig middel ,, is, zo weinig te fpreken als mooglijk, want het minfte „ fpreken valt mij lastig; derhal ven geef nog ontvang ik van „ niemand bezoek; mijne beste vrienden hebben zulks inge„ willigd; zo het al mooglijk ware, dat ik mij in déze eenzaamheid ten enemalen van werken koste onthouden, is het niet gezegd, dat mij zujks beter zou bekomen, dan de tijd- „ kor-  *?J MTLËi (fiETER) * ^ f lk "* DU terfchaf> om enige zetrvmig, h fehriften die men goedgevonden heeft tegens mij uit te gT ƒ, ven, te wederleggen; het is hier toe, dat ik de kragten be„ fteue die mij nog ziin bijgebleven " Intusfen verfpreidde zig de tijding van den gevaarlijken toe. ftand waar m z,g Bayle bevondt, onder de Geleerden in aiie gorden van Europa. La Röq«e; zijn boeiemvriend, ver kreeg van den beroemden Fagon, eerften liifartz van Lom? tvyk ioen XIV, een treffelijk medicinaal voorfchrift, waar van het begm dus luidde: „ Men kan niet zonder fmerte ontwaar i, werden , dat de onvérfchilligheid voor het leven den h r°einiijken BAYLE hc:ft bc^gen, den voortgang ener ziekte „ te verwaarlozen, waar van dc minfte beginzels gevaarlijk ,-, zijn. Hier op fchreef bij hem een mtftekend heilzame levensregel voor, zonder het gebruik van enige geneesmiddelen; en befluit zijn voorfchrift met deze Woorden: „ Van harten „ wenste ik, dat men al dezen bedwang koste befparen, en „ dat het mogelijk ware, een hulpmiddel uit te vinden, zo „ voortreffelijk als de vérdienften van den genen, voor tóen „ het gevraagd wórdt." Dan nauwelijks was dit voorfchrift met oen post van Parijs naar Rotterdam argevaardigd , of de mare verbreidde zig reeds, dat Bayle overleden wat Schoon deez wijsgeer zijnen dood lang voorzien hadt, zonder daarna te verlangen of te vrezen, overviel hem egter dezelve enrgermaten onverwagt, want na den gantfen vorigen dag gewerkt te hebben, gaf hij >s avonds het aflehrift van zijne Eittretiens de Maxime g> ThemLte, ftrekkende ter wederlegging van Taquelot en le Clerc, aan den correcter van zijnen drukke, Lm»; hier op •« anderendaags morgens korten tijd gefproken hebbende met de vrouw bij wien hij huisveste, klaagde hij over koude, en verzogt haar een weinig vuur te brengen; doch eer deze te rug kwam, was hij reeds overleden; want het gezwel in de borst of long opengebroken zijnde , flikte bij m het bloed en den etter, en wierdt geheel gekleed op zijn bed dood gevonden, op den 2£ december 1706, hebbende hij den ouderdom bereikt van 59 jaren, 1 maand en 10 dagen. De Heer  BAYLE. (PIETER) 173 Heer Jakob Basnage, die hij tot uitvoerder van zijn laatfle wil hadt aangefteld, nam terftond alle zijne papieren in veraefcering, en liet hem meteen aanzienlijken ftoet in de walfe kerk te Rotterdam begraven, aan welkers armen hij 100 guldens hadt gelegateerd. Verders befprak hij bij uiterfte wille, loooo guldens in geld aan den Heer BRüfeuiBRE zijnen neet van 's moeders zijde, benevens alle zijne Handfchriften, uitgezonderd alleen de artikels die hij voor het aanhangzel van zijn woordenboek hadt famengefteld, welke hij aan den Boekverkoper Leers legateerde. Alle zijne theologife boeken en die tot de kerkelijke gefchiedenis behoorden, fchonk hij aan den Heer Jakob Basnage, en de overigen aan den Heer Paets, Ontvanger van de Admiraliteit te Rotterdam, tot een blijk van erkentenis, voor de weldaden dien hij van deze aanzienlijke familie hadt genoten; voorts gaf hij aan de juffer Paets een gouden medailje, die hem door den Graav van Douna waS gefehonken. Zijn testament gaf gelegenheid tot een proces, 't welk voor *t Parlement van Touloufe is bepleit. Zijne erfgenamen ab intestato, zijnde zijne naaste bloedverwanten, beweerden namelijk, dat ter zake van godsdienst voortvlugtig, en in een protestants land geftorvèn zijnde, hij niet over zijne goederen hadt kunnen befchikken, en diens vo'gens' zijn testament nul en van geener waarde was; men kan niet ontkennen , dat de aanleggers, de edikten, verklaringen en gewijs* dons op hunne zijde hadden, die voor hen pleitten; dan het Hoge Ceregtshof begreep egter, dat 3-er uitzondering moest plaats vinden ten aanzien van zulk_ een verdienftelijk groot man, en zij bckragtigden zijne laatfte wil. Wij zullen dit artikel eindigen, met ene karakterfchets van dezen groten wijsgeer aan onze lezers mede te delen, benevens ene optelling der Handfchriften welke na zijnen dood zijn gevonden. Bayle was tenger van geftalte, en van een ongezond geftel, en zodanig onverfchillig voor een lang leven,» dat hij voor 't behoud daar van weinig zorg droeg; buitengemeen nugter en matig, was hij in het gebruik van fpijs en drank; haakte naar aanzien noch fclutten, en wist zig 00» ge-  'H BAYLE. (PIETER) gemeen wel naar de omftandigheden te fchikken en zuinig te behelpen. Van aart goedhartig, zeer gezellig i„ het best van zijn leven, en aangenaam in de verkering, die t zij men boerte of ernftig fprak, altoos leerzaam was; voorts was fa» beleefd en vriendelijk tegens een ieder, tederhartig en gedienRig ten aanzien van zijne vrienden, ongemeen liefdadig voor den armen, en teder na zijne vermogens zorgende voor huisgezinnen, die hij wist dat in kommer zaten; ook was hij zeer kuis en ingetogen bij vrouwen; om kort te gaan, Bayle was ^berispelijk in zeden, en onopfprakelijk in wandel. Een grootfe ziel huisveste in zijn zwakke lighaam; zijn geest was fchrander en doordringend, hij hadt een fijn gevoel en- levendige verbeeldingskragt, vlug en vrugtbaar in voortbrengzelen van nieuwe gedagten; hij bezat een Aaien geheugen, en wist zig lang voorledene zaken met derzei ver geringde omRand:gheden, te herinneren. In de gefchied- en letterkunde was hij boven alle roem ervaren; en dat hij een goed wijsgeer was, inzonderheid wat de bovennatuurkunde betreft, zullen zelvs zijne ergfte vijanden niet betwisten. In zijn fchrijven. was hij vrij, en durfde zijne gedagten over allerlei onderwerpen, zelvs den godsdienst, onbewimpeld voordragen; dan in zijn fpreken, was hij zo rondelijk niet, en bovenmate omzigtig; want het is ene bekende zaak, dat verfcheidene vermaarde mannen van onderfcheidene gewesten, uitgelokt door zijn vrijmoedig fchrijven, hem voor enen vrijgeest houdende, zig bij hem vervoegden, om nader onderrigtingen, doch hij wees . hen telkens van de hand, betuigende, dat hij zeer te onregt jan vrijgeesterij verdagt werdt gehouden; dat zijn vrijmoedig fchrijven alleen was ingerigt, ten einde de geopperde zwarigheden door anderen, die in meerdere geleerdheid dan hij uitblonken, mogten uit den weg geruimd worden; en tellens ook, om de noodzaaklijkheid van het erkennen en aannemen der Christelijke openbaringe, op het gemoed te drukken en aan te dringen. Voorts wordt 'er van hem getuigd, dat hij zeer nieuwsgierig van aart was, en gaarne alles wist, zelvs. tot het geringfte toe, wat 'er in de wereld, inzonderheid ten aan-  BAYLE. (PIETER) ,j7? ganzier} van de geleerdheid omging; en dat een vrefflndeling. die hem iets wist te berigten, wegens de ftaat der geleerdheid aan uitlandfe Hogefcholen, bijzonder welkom was, en op da vriendelijkfte wijze werdt ontvangen. Zeer arbeidzaam e;i onvermoeid was hij in 't fhideren; tot op den ouderdom vair 40 jaren, heeft hij 14 uren daags gewerkt; en hij'fchreef op zekeren dag aan den Heer des Maizeaux, dut het hem niet heugde, zedert den ouderdom van 20 jaren, enigen ledigen tijd gehad te hebben Zijn fchrijftrant was levendig, ftotit, natuurlijk, vloeijende en tamelijk regelmatig, maar zijn fterk geheugen ca ongemene geleerdheid, deden hem niet zeiden in lange en leerzame tusfenredencn uitweiden , weike hij egter als een vrugtbare bron, altoos weer tot de gevolgen wist te leiden, dien hij daar uit wiide doen voortvloeijen. Dusdanig mensch is Bayle geweest lezer! flegts flauwe trekken van ons onkunftig penfeel, hebben hem gefchetst; maar om een regtfehapen denkbeeld van dezen wijsgeer te bekomen, moet men zijne werken,lezen; daar ontmoet men een onuitputbare fchat van geleerdheid, wijsheid, vlug vernuft, en fijn oirdeel, die zijn ware afbeeidzel fchilderen. En dezen letterheld , dezen waren menfehenvriend, moest om dat hii '■Hellingen leraarde, die tegens de dweperij en het bijgeloof ingerigt waren, de gevoelens van kirrciige Geleerden weerleide, die geen tegenfpreken kosten verdragen, zig door fommige menfehen aangevallen zien, die zig als zijne tegenflrevers opwierpen, en waar van de vijandigfte was, den onverdraagzamen P- Jurieu, een man zo befaamt wegens zijne dromerijen, over de prophetien, en zijne verbijsterde misrekening ten aanzien van derzei ver vervulling; deze zig noemende een gezant der vredevorst, van den liefderijken Jesu£, deze zeg ik, niet te vrede van door zijne onchristelijke kuiperijen te hebben bewerkt, dat aan Bayle zijn Hoogleraars-ambt en dus een voornaam gedeelte van zijne kostwinning wierdt benomen, hem daar te boven nog voor een landverrader en een atheïst zogt te deen doorgaan; dan onze wijsgeer mogt te regt met Cato , tot zijnen troost zeggen: _ Esto  373 BAYLE. (PiETER) Esto animo forti, quumfis damnatus inique; Nemo diu gaudet, qui Judice vincit iniquo. Nu nog iets volgens belofte, betrekkelijk de handichriften welke 'er na Bayle's dood, van hem zijn gevonden; die waren, i. Disfertationis fuper Virgilü fc? Homeri Poem'atis. mpet a quodam Gallo compofita refutatio: inchoata 9 decembris 1671 Dit gefchrift is tegen P. Ra pin ingerigt. 2. Amico fuo carisfimó ac plurimum colendo Jacobo Abbadie Epijiola, fuper qucestione, an Deus posjit japientiori perfeUiorive modo fe gerere, quam de facie fe gesfit? Dit is een brief van den lieer Abtadie, over de vraag; of God een wijzer en volmaakter ontwerp van gedrag heeft kunnen volgen, dan hij gedaan heeft? 3. Bcelius Fetifmi; vel Responfte Bmlii ad Obfervationes Fetifonis fuper Epijiola pro;ditïa. Antwoord op de waarnemingen van den Heer Fetison, over den voorgemelden brief. 4. Colleclanea qucedam, ad Chronologiam, Geographiam & Hifloriam peninentia. Verzameling over de tijdrekenkunde, aardrijkskunde en de gefchiedenis. 5. Leetiones Hiftoricce. _ Deze Iesfen maken een lighaam van geichiedenisfen uit, beginnende met de fchepping der wereld5tot op de roomfe Keizers; de tijdrekenkundige gebreken der fcbrijvers worden 'er in aangewezen, en de allerzwaarfte tijdftippen der gefchiedenis, erlangen 'er opheldering door. 6. Lee tiones Philojophica. Deze wijsgerige Iesfen zijn vermengd met verfcheidene geleerde aanmerkingen, en Spinosa werdt 'er op ene bondige wijze in wederlegd. 7. Curfus Philofophicus. Dit ftelzel van wijsbegeerte, is in vieren afgedeeld, de hgica, de zedeleer, de natuurkunde en de bovennatuurkunde. In de logica, geeft Bayle de redenen op, welke 'er aanwezig zijn, om ons' aan vele zaken te doen twijffelen en in het onzekere te houden, en ter zeiver tijd doet hij zien, dat 'er verfcheidene kundigheden beftaan, die alle de eigenfehappen bezitten, welke de wetenfehap vereist, zo als men gewoon is zig in de fchoolfe geleerdheid uit te drukken. In de natuurkunde, doet hij onderzoek na de oirzaken der verf hijnzelen, en lost die-op met ongemene klaarheid eji nauwkeurigheid. 8. Abregt des vies  BAYLE. (PIETER) 177 mes des Hommes illujlres de Plutarque , fur la traduiïion d'A*rroT, avec des receuils ou extraits de V'Hijloire Romaine, qui jetvent d lier les vies des illujlres Romains. In dezen verKorten Plutarchus , die allerfchoonst is behandeld, vult Bayle de ledige vakken aan, door andere Gefchiedfchrijvers, zo dat het nu een gants volledig lighaam ople< ert van de Romeinfe gefchiedenis. 9. Indice Hijtorique. Dit register beftaat uit ene verzameling van alle het gene Bayle als zondeiling en wetenswaardig, uit de door hem gelezene Gefchiedfchrijvers heeft opgetekend. Hij maakte 'er reeds een aanvang mede in 1672. De onderwerpen zijn 'er in een alphabetife orde gerangfchikt; bij voorbeeld onder letter A, handelt hij van de Oudheid (Avtiquité) van Afkomst, waar over de Egijptenaren en andere volken zig beroemen; onder letter B, befchrijft hij enige gedenkwaardige Batailjes, en den eerdienst aan de Beesten of Dieren bewezen, enz. Ook zijn 'er in dit deel, enige afgezonderde verzamelingen, die betrekking hebben tot de tijdrekenkunde en de gefchiedenisfen. .10. Jugemens ou Journal de Litterature. Deze verzameling bevat oirdeelkundige aanmerkingen , over de boeken die hij gelezen heeft, of die men hem door brieven als anderzins heeft leren kennen, ir. Brieven over het gefchil van Girac en van Costar, en enige andere brieven over verfcheidene onderwerpen. 12. Redevoering van den Marfchalk van Luxemburg aan zijn Regters, en een brief ter gelegenheid van die Redevoering. 13. Brief over de gefchiedkundige Twiiffelmg (Pijrrhonismus). 14. Brief ten einde de Gereformeerden te regtvaardigen over het eerfte opvatten van wapenen. 15. Gefchied- en oirdeelkundige Brief over de bijeenkomst te Pnisftj. Deze drie Brieven waren voorbeftemd, om te dienen tot een vervolg op de Nouvelles Lettres fur ï'Hijloire du Calvinisme de Mr. Maimbourg. 16.*Discours hiftorique fut la vie de GustAVe Adolpiie, Roi de Snede. "Van dit werk zijn flegts de beide eerfte Hoofdftukken voor handen , maar deze zijn zeer uitgebreid. Bayle heeft die ongetwijffeld na het jaar 1683 opgefteld, want 'er wordt van het laatfte beleg van Wenen door de Tinken in gefproken. Het eerfte Hoofd- 11. D e e l. M . doel,  S.73F BAYLE, (PIETER} deel, bevat de daden van Augustus tot het Befhnd met Polei* in-TÖ2p gefloten, enigen tijd voor dat hij in Duitsland kwam-,-" óm Keizer Ferdinand den II, te beoorlogen. Het twede handelt'over'den oirfprong van het Oostenrijkfe Huis, en der verfrhilleride gefleldheden waar in het zig beeft bevonden. 'Men geeft *'er de karakterfchets op van'de laatfte Keizers, en men dcèt'blljken dat Ferdinand de II, zig alle zijne ongevalicn op denhals'haaide, en de magt van het Oostenrijkfe Huis vernield?door'het oor aan de raadgevingen 'der Spanjaarden te hebben geleend, en door de Protestanten op zulk ene wrede wijz'e'te hebben vervolgd. -Hit Hoofdftuk bevat teffens, het gene''er'in Duitsland en Bohemen tot op het jaar 1620, is gebeurd." Jammer is het dat Bayle dit werk niet voltooid heeft; maai- zo onvolkomen als het ook mag zijn, en fchoon 'er de ftijl yan verwaarloosd is, wordt men egter ontwaar, dat het uit'een'meesterlijke hand voortvloeit; men ontmoet 'er genoegzaam''''op elke bladzijde oirdeelkundige en geestige aanmerkingen, benevens levendige en ftoute trekken in, zo wel ten' 'aanzien van 't gene betrekking tot de zaken als perfonen heeft; ja men kan Iet met ruimte als een model, den Hiftoriefchrijvers aanpiijzen. Alle deze ftukken zijn geplaatst in het IV. Deel van zijne Oeuvres diverfes in folio, in 1727 gedrukt Van de 'DiBionaire Hiftorique, zijn alleen in Holland vijf bijzondere drukken, in 't licht gekomen, als de eerfte te Ratterdamin'~i697; de tweede genoegzaam de helft vermeerdeid mede'te Rotterdam, in 3 Delen in folio, in 1703;'de derde druk, boor Prosper Marchand bezorgd, en met de Artikels welke Bayle bij zijn overlijden aan den Drukker Leers hadt gelegateerd, vermeerderd, kwam in 1720 ook te Rotterdam in 4 Dilen in folio te voorfebijn; voorts heeft men de ongemene fraaije drukken van dit werk in 1730 en in 1740'door ^en KOinpagniefchap van Amfteldamfe en Lcijdfe Boekverkopen bezorgd, mede in 4 Delen in folio; wordende deze twee la'ariTeh voorde beste drukken gehouden; nog heeft men een druk Van dit werk in" 1734 te Parijs of Trevoux 'vervaardigd, voor een Hollav.dfe willen doen doorgaan. Ook is het te Ge- neve  BEATRIX, .. m imve in 171? nagedrukt, en te Bazel in 1731. Insgelijks heeft Hieii 'er een gedrukte vertaling van in het Hoogduits, en ook in het Engels, welke laatstgemelde aanzienlijk door Geleerden van die natie is vermeerderd, en 't welk ook aanleiding heeft gegeven, tot den arbeid van den Heer Jaq. George de CnAUFErié, wiens Nouveau DiBionaire Hiftorique fjf Critique pour Jervir de Jupplement ou de confimiation au DiBionaire Hiftorique Critique de Mr. Pierre Bayle, gedeeltelijk is famengefteld, uit de vermeerdering den Engeljen druk toegevoegd; en die, in 1750, in 4 Delen in folio te Amfteldam gedrukt, is uitgekomen. —— Morhoviüs I. Polyh. Liter. c. XVI. g. 47. p. 178. Tom. I. Jo. Faericii, Hiftor. Biblioth. Part. III. p. 174. Jo. Franc. Buddeus, in Hift. EccleJ. V. T. p. 66. Dan. Frid. Pönmanni, Vitte. Wttteb. 1714. 8vo. p, 101-115. J. B;ujckeri, Hift. Crit. PUI. Tom. IV. p. 574-603. £f in Apend. J. Vol. VI. p. 775-778. C. II. Heumanni, Via ad Hift. liter, p. 406. J. M. Gesnerus, ad JJagogen. g. 782. p. 87. C. Saxi, Onomast. liter. Pars V. p. 318, 319. Niceron, Mem. pour Jervir a l'Hift. des Hommes illujlres. Tom. VI. p. 251300. Vie de Mr. Bayle par des Maizeaux : h la tite des édii tions de 1730 &? 1740 du DiBionaire. Nouveau DiBionaire &C. par J. G. de CiiAUFEPié, Tom. I. let. B. pag. 131-156. Levensbejehr. van enige voorname Mannen en Vrouwen, IV. D. bl. I--47- BAIJUS, zie BAJUS. BEATRIX, 't welk de Gelukkige betekend, is de naam welke aan een klein wigt wierdt gegeven, 't welk op ene zonderlinge wijze door de Goddelijke Voorzienigheid bewaard wierdt, ten tijde van den geweldigen watervloed in 1421, die bovenal de Zuidhollandje Waard trof, en een verbazende menigte van Parochiën en Kerken verflond, te Dordrecht in zijn wieg en van ene kat verzeld, na lange op de golven gedobberd te • hebben , behouden kwam aandrijven. Daar wordt bij verhaalt, dat aan de kat menfchelijker wijze de behoudenis van het kind moet worden toegefchreven, doordien die, wanneer M 2 «te  m BEAUMONT. BEAUMONT. (DIRK vak) wieg door het water, aan de ene zijde door het fiingere!i Overhelde, de kat aan de andere zijde fprong, en daar door de wieg In evenwigt wist te houden, 's Meisjes doopnaam, onbekend zijnde, gaf men haar den naam van Beatrix. Tot 3 wbaarheid gekomen zijnde, trad zij in den egt met enen JAkpr; Roerom, uit wiens Ram en huwelijk vele aanzienlijke geilagten zo omftreeks als buiten Dordrecht, hunnen oirfprong tffleiden, als die van Roerom, van den Havert, van der Hulk, van Kaftel, Boufkens, van Houvelingen, Pieter van Wyngaarden, en meer anderen. Iets dergelijks is gebeurd té S;ae'-:} in 1570. Schotan., Friesfe Hift. bi. 757. Ter zeiver tijd kwam, op de hanebalk van een omgefpoeld huis, aan';\en, Pieter Dirksz., benevens zijne huisvrouw, zijnen ijóoil Pieter Dirksz. , en twee dogters Beeltje en Matte, uit wciken Dirksz., mede vele familien in Dordrecht hunne afkomst fekélien. M. Balen, Befchr. var. Dordreclit, bl. 770. BEAUMONT, is de naam van een aanzienlijk Hollands geflagt, waar van zedert het jaar 1421, de afftammelingen «iet alleen, de aanzienlijkfte. waardigheden binnen de ftad Dordrecht, maar ook veelvuldige Raatsambten ten dienfte van het gemenebest hebben bekleed, en zig zo wel in de mannelijke als vrouwelijke linie, met de. eerfte en aanzjeniijkfte familien hebben vermaagfchapL Men vindt hier van uitvoerige geflagtlijsten bij . M. Balen, Befchrijving van Dordrecht. bh 029-937, en Abr. Ferwerda, GeneaL Wapenboek, 1785, I. Deel, BEAUMONT (DIRK van), een afftammeling van het bovengemelde geflagt, was in het jaar 1481 Burgemeester te Dordrecht^ en deHoelfe factie toegedaan, alwaar die partij thans meester was; doch die ftad werdt door de Kaieljawwfen, op den 5 april van genoemde jaar, onder bevel van Here Jan van Egmond verrast; hij hadt tot dien einde, enig gewapend volk verfteken in het fchip van Jan Matthyszoon , en nog een ander; Wélken, boven met rijst geladen, bij klaren dag, Jë ÖüdÖ haven invoeren; 't volk fpoedig ontfehcept zijnde, pveh  , BEAUMONT, (DIRK van) ,§-5 'overviel de Hoslfen onverhoeds. Dé Burgemeester Gii-'us. Adriaanszoon , wierdt zodanig bedremmeld door deze. onverwagte overrompeling, dat hij een 'koperen pot in plaats vgn een ftormmuts op het hoofd gezet hadt; hij benevens den Onderfchout, wierden vegtenderhand dood geflagen; véle anderen , en onder dezen, de Schout Westpaling , en de Burgemeester Dirk van Beaumont, gevangen genomen, en naar \ Hage gevoerd. De verdreven' Dordfe Kabeljauw/en, vonnis ten Hove in hun voordeel bekomen hebbende, kwamen wedeiom binnen, en maakten zig meester van 't bewind der fta'j. Hertog Maximiliaan, hadt zig reeds in de vasten j naar Breda begeven, ten einde op enige bewegingen in Gelderland een wakend oog te houden; doch hier het bemagtigen van Dordrecht verftaan hebbende, begaf hij zig omtrent den 8 aprii naar Rotterdam; hier reisden de Dordfe Gemagtigden naar toej en hielden hem voor: „ dat de ftad laatftelijk, alleenlijk in„ genomen was, om 's Hertogen vonnis ter uitvoeringe tz ,, flellen; dat men dezelve verder ten zijnen dienfte bewaren „ wilde, en dat men hem flegts zijne toeftemming tot de ge „ maakte verandering vetzogt." Voorts boden zij den Her; toge de fleutels der ftad aan, en fielden hem hunne gevangenen in handen; de Hertog, geheel op de Êabeljauwfe zijde} ftondt hun geredelijk 't verzogte toe; en, omtrent drie weken later, kwam hij in die ftad, brrnicttmciiue albaar/ dus luidt de oude aantekening, utat frjncc jf>JincelijHe niogentijcib / bij nmbtfie en $cmccr pjcjuöictc ban be Dnbifeajen en ïïccljtcu ber frab / Dat «JrVraht en bic iBet. Van hier, trok hij naar Gouda en Schoonhoven, alwaar hij insgelijks, de verandering door de Kabeljauw/en gemaakt, bekragtigde. Leijden, welk nog belegerd gehouden werdt, lei eerlang, geen aniëre uitkomst ziende, het hoofd in den fchoot; de Overfte Broek? jil'izen, bedugt voor de magt van Maximiliaan, ruimde met zijn onder hebbende volk, de ftad. De Hertog vertrok, op den 17 april, te fchepe van Gouda naar Leijden; te Leijderdorp aan land geflapt, werdt hij ontmoet door de vootnaaiiiftc l-eijdfe burgers, i» rouwgewa-d, die hem de fleutels dei' ftid.  iZz BEAUMONT. (DIRK van) aanboden, en op de knieën om genade fmeekten; zij verwierven dezelve, op agttien mannen na, met welken de Hertc zijnen wil wilde doen; ook werden 'er kort daar na, zes te Leijden geregt; en onder dezen, Disk Potter van der Loo die Hopman geweest was onder de Gelder/én. Maximiliaan' begaf zig van hier naar den Hage, om het vonnis van dê Hoekje gevangenen uit verfcheideh' Reden te doen opmaken. De goederen van Jan, Bnrggraav van Montfeon, van Reye'r van Broekhuizen, en van.verfcheiden' andere gewekenen werden verbeurd verklaard, en zij voor altoos gebannen. De* Heerhjkbeid van Purmcrende, bij koop aan den huizè van Montfoon gekomen zijnde, was ook onder deze verbeurdverklaarde goederen. Maximiliaan fchonk dezelve, ten dezen bjde, aan zijnen neve, Balthazar, Here van Valkejiein, die ze m 1484 aan Jan, Here van Egmond, verkogt. De meeste Hoekje gevangenen werden zedert, op voorbede der Hertoginne weduwe, Margareet van Jork, geflaakt, doch zij wierden ten lande uitgebannen. Dan Adriaan Janszoon Westfaling, Schout, en Dirk van Beaumont, Burgemeester van Dordrecht, daar men inzonderheid op gebeten was, kosten geene genade verwerven, zij waren de enigften die in den aanvang van augustus 1491, in 's Hage onthalsd wierden. Uit het vonnis van Beaumont, welk nog voor handen is, en in zijn geheel wordt gevonden, bij Beverwyk, BeJchrijving van Dordrecht, bl. 320, kan men afnemen, wat'bem te last gelegd wierdt. Beaumont hadt ingevolge hier van, beleden: „ 1. Dat hij in januarij des jaars 1478, Burgemees„ ter zijnde, de Gemagtigden van onzen genadigen Here en „ Vrouwe van Oostenrijk," die toen waren Adolf van Ravestein, Lodewyk van Gruithuizen, en Mr. Jan Karondolet , „ gedrongen hadt buitens tijds de Regering van „ Dordrecht te veranderen. 2. Dat hij, in februarij daar aan, „ mede bewilligd hadt in een befluit, om Gemagtigden naar „ 's Hage te zenden, en aldaar te bewerken, dat liet Hof „ geene Mandamenten meer naar Dordrecht zondt, om de uit„ gewekenen wederom te doen innemen;'maar dat men de „ ftad  , 'éEAÜMOISÏ. (DIRK van) z~H fi ftad met hare zaken, liete begaan; en dat hij, ten zely,j den einde, ock hadt geftemd, in het afvaardigen "Van deri „ Burgemeester Grxis Adriaanszoon, aan den Stadhouder „ Lalaing, wien men belet hadt, met de uitgewekenen, „ wederom naar.de ftad te komen. 3. Dat hij. buiten ,ken« „ nis van den Kertoge, een verbond tusfen enigé H Utm „ en andere fteden bewerkt; en met de oproerig? Gelderje „ fteden , vriendelijke briefwisfelmg hadt helpen hoiiden. „ 4. Dat hij, Schepen zijnde , twee mannen hadt heipen ver„ oirdelen, en een' vrij fpreken; welke beide vonnisfert, het „ Hof hieldt 'onregrvaardig. te zijn. S Dat hij j nevens anj, deren, den Stadhouder hulp hadt gewéi0erd, om de ftad „ Leijden, door Broekhuizen ingenomen, wederom té be» „ magtigèn; ja dat hij daar in insgelijks nevens anderen,,den „ Leij'denaren, verlof gegeven hadt, om lijftogt te Dordrecht tè „ komen kopen, daar zulks door 't Hof verboden was. ó~. „ Dat hij eindelijk hadt geoirdeeld, dat men de vreemde kneg„ ten des Hertogs, met weiken men Leijden bedwingen wil5, de, met geweld den lande uit moest zoeken te jagen, onder „ dexel van Privilegiën; ten welken einde hij mede geftemd „ hadt, tot het befchrijven ener algemene dagvaart der Hel„ landje fteden te Dordrecht" Om alle welke misdadengelijk men ze noemde, Beaumont door Stadhouder en Raden, geoirdeeld wierdt den dood verdiend te hebben. Onpart'jdigen zien ondertusfen, dat de meeste punten, die zo hoog genomen werden, beftonden, in het verdedigen en behartigen der oude gewoonten en voorregten, grotendeels onlangs door 't Groot Privilegie van Maria bevestigd; hier .toe behoorde gewisfelijk het weren van Mandementen van 't Hof, die met der fteden voorregten ftreden; het houden van Dagvaarten en het fluiten van Verbonden, zonder den Hertog te kennen; hoewel fommigen, naderhand in hét begrip zijn gevallen, dat de vrijheid om Dagvaarten te ho iden, bepaald was bij een handvest van Hertoge Jan van Beyesen, in junij 1418 verleend, vorderende, dat ze niet tegen den Grave 0? deszelvs Heerlijkheid mce-:tcn dragen,-gelijk de Dagvaart,, dia' M 4 jSjiAV*  134 BEAUMONT. (Mr. SIMON £&) Beaumoxt dieef, fchesn te zullen doen; zie C. v. Bymrershoek, Quast. Jurit Publ. Libr. II. Gap. I. p. 191. Het vonnisten tegen regt, indien hier van al duidelijk blijk ware, behoorde enen Regter, die anders gewoon was naar zijn geweten te oirdelen, nimmer tot ere misdaad gerekend te worden; ook moest het ondcrfteimen der Le Ij denaren, in zulke verwarde tijden, in welken nu de ene, dan de andere partij boven dreef, zo zwaar niet gewogen worden. De vriendelijke brief, wisfeling met de Gelderfen, kon misdadig zijn; doch men weet niet regt, waar in ze beftaan, of hoe veel fchuld er Beau. mont toe gehadt hebbe. Wij beiluiten dan, zegt de Heer Wagenaar, dat 'er weinig of geene reden is, om hem en den Schout Westfaling, anders dan als Martelaars van Staat aan te merken. De Hertog en het Hof hadden nu befloten de Kabeljmtwfm, die zwarer beden inwilligden, alleen-in't bewind te ftellen; waarom de Hoekfen in 'tonderfpit gebragt gebannen, of van 't leven beroofd moesten worden. De toeleg gelukte; de voornaamfte Hoelfen raakten het land uit; de anderen durfden zig reppen noch roeren; ook deedt de Hertog alomme een bevel afkondigen, waar bij de twistende gemeente tot rust en eendragt vermaand werdt. Matth Balen, Befchrijv. van Dordrecht, bl. 793--796". Wagen., Vod. Hift. IV. D. bl. 195-201. BEAUMONT (Mr. SIMON van), twede zoon van Herbert van Beaumont en Kornelia van Slingeland, werdt te Dordrech geboren in 1574; hij leide zig reeds in zijn jeugd toe op het beoeffenen der wetenfehappen , inzonderheid der regtsgeleerdheid, en bragt genoegzaam zijn gantfe leven door in het waarnemen van ftaatsambten. In i6o(5 of 1607 was' hij Penfionaris der ftad Middelburg; in l625 wegens Zeeland Gecommitteerde in de vergadering van de Staten Generaal; in 1627 en 1628, ais buitengewoon Gezant in Polen, Sweden en Denmarken; eindelijk bekleedde hij in 1634 het ambt van Penfionaris te Rotterdam, dat hij waargenomen heeft tot aan ' dood toe,, welke voorviel den 20 jumj. 1654, op een fa-  BEAUMONT. (Mr. SIMON van) fgjj faturdag, in den ouderdom van 80 jaren. Hij is tweemalen getrouwd geweest; zijn eerfte vrouw was Arnaudina van Roseneurg, bij wie hij zes kinderen verwekte, onder anderen Kornelia, welke aan Pieter van Roosbeek, Burgemeester van Middelburg en Raadsheer in 't Hof van Flaanderen huwde; en Simon van Beaumont, lid van den Westindifen Raad in Brajilien, en zedert Secretaris van de ftad Middelburg. Voor de twedemaal trad hij in egt, met Katharina Brandtj die hem geen kroost gaf. Hij heeft enige digtftukken uitgegeven, onder den tijtel van: Hora fubcifivx. - Paquot, Memoir. litterair. Tom. III. p. 407. M. Balen, Befchrijving van Dordrecht, bl. 221. 934. Wagen., Vad. Hifi. Xi. bl. 65. 179- BEAUMONT (Mr. SIM(^ van) , Secretaris der Staten van Holland, zoon van Her3F.rt van Beaumont, Penfionaris der ftad Dordrecht, handelde in het jaar 1673 als Gcz. it wegens dit gemenebest aan 't Hof van Koppenhagen, terwijl Willem vAn Haren, Grietman van het Bilt, in die' zelvde hoedanigheid naar Zweden werdt gezonden. Het oogmerk van deze bezendingen was, om de beide Noordfe Kronen le bewegen, tot het fluiten van een verbond, welk Engeland inzonderheid, tot vreedzame gedagten brengen moest; doch Sweden was te diep met Frankrijk ingewikkeld, om naar de voorfiagen der Staten te luisteren, alleenlijk hadt men den tweden meij van dit jaar, in den Hage een verbond getroffen met dit Rijk, waar bij enige punten van koophandel geregeld werden; maar met Denemarken, floten de Staten een verbond van onderlinge befcherming, welk op den 20 meij, te Koppenhagen, getekend werdt. In 't jaar 1G86, was hij als Secretaris van Staat, benevens Franco van der Goes , en Adriaan Baart, die Burgemeester van Delft, deez' Penfionaris van Alkmaar, tot het berugte bezegelen der papieren van de ftad Amfteldam, benevens die van derzei ver Penfionaris Hor, gemagtigd; 't welk op aanklagte van den Stadhouder Willem dsn III \ welke beweerde dat door een onderfchepten brief M 5 van  185 EEAUSARDUS. BEAÜVAIS. LEBBER. BEBIUS. van den Franfen Gezant d'Avaux zoude gebleken zijn dat zij ongeoirloofde briefwisfeling met dien Minister onderhielden.' gefcbiedde. Beaumont is getrouwd gèweest, met Kornelia van Stryen, dogter van Mr. Adriaan van Stkyen, Pe.jfionaris van Haarlem, bij wie hij drie zoons en twee dogiers heeft verwekt.' M. Balen, Befchr. van Dord¬ recht, bl. 935. Wagen.', Vad. Hift. XIV. D. bi. XV. D. bl. 185. BEAUSARDUS (PETRUS), geboortig van Leuven, was Med. Doktor en Hoogleraar in de Mathefis in zijn vaderfta'd; een geleerd man, en niet onervaren in de griekfe letterkunde; hij ftierf té Leuven in augustus 1577. Daar is van hem in druk \ 1. Arithmetices Praxis, Lovan. 1573. Svo. 2. De Annulo Aftro- nomico liber. Ibid. 8vc. J.jF Foppens, Bibl. Belg. pag. S53- '. BEAÜVAIS (REMIGIUS), een Kapucijner Monnik, geboortig te Doornik omtrent het jaar 1580, was een zeer geacht Prediker, die zijne talenten veelvuldig heeft uïtgeoeffent te Mons, Doornik en elders; hij heeft een digtftuk in de franfd taal in 't licht gegeven, getijtelt: La Magdekine, llumaij 1617. in 12°:, wélk digtftuk befchouwt kan worden,' als' een meesterftuk van den bedorven finaak, welke 'er ten aanzien van de franfe digtkonst in 't begin van deXVilde eeuw, plaats vondt. Paquot, Memoir. litter. Tom. XI. pag. 3 70-3 76. BEBBER (IZAAK), geboren te Dordrecht den 8 augustus 3636, oeffende zig in de wetenfehappen te Utrech, en wierdt 20 jaren oud zijnde, tot Doktor in de medicijnen gepromovéert. Hij beoefende de praktijk in zijn geboorteftad, tot aan zijnen dood toe, welke voorviel op den 3 feptember 1668. Hij was een geleerd man, en heeft uitgegeven: J©arC cn ba.e'ce Sronöen ban De Hfecfljonjl «Zèojtar. bi) Simon van eér Linde,' 1668. 12°. Paquot, Mém. litter. Tom. X.' p. 49. M.' Balen, Befchr. van Dordrecht, bl. 228. BEBIUS (PHILÏPPUS), een Jefuit, geboren in Braband in het  BECANUS. (JOHANNES GOROPIUS) ïS? het Jaar 1569, heeft het meeste van zijnen leeftijd" te Keulen doorgebragt, en ftierf aldaar den 26 februarij 1637 i 'n ^en ouderdom van 68 jaren. Dat Beeius een geleerd man is geweest, eh een liefhebber der digtkunde; getuigen zijne uitgegevene werken die menigvuldig zijn, en waar van wij flegts de drie volgenden als de voornaamflen, zullen opgeven. 1. Pcrta Cazli et fcala Jacob, Jive tejera Jalutis, pradestinationis ac mortis Jelicis, cultus Virg. Deipara, 1616. 2. Commentarium in III partes Carminum Jelettiorum latinorum, ex diverfis Scholiastis concinnatum; Typis Herm. Mylii. in 4to. 3. Commentarium in Lyrica Horaiii expurgata, ex veterihus recentioribus Jcholiastis. Ibid. in Jolio. J. F. ForPENS, Bibl: Belg. p. 1022. BECANUS (JOHANNES GOROPIUS;, wierdt uit brave ouders geboren te Hilvarenbeek , een fraai) vlek in Brabandt Kempen, den 23 junij 1518. Na zijn klasfieken loop voleindigd te hebben, ftudeerde hij te Leuven in de wijsbegeerte en medicijnen met zeer veel ijver, onder Reinier Gemma, teffens ook van dezes Hoogleraars mathematife Iesfen, gebruik makende ; vervolgens reisde hij door Italien, Spanjen en Frankrijk; en bragt het zo verre, dat hij tot Geneesheer van Koningin Leonora , huisvrouw van Franctscus den I, en van Maria, Koninginne van Hongarijen, beide zusters van Karel den V, wierdt benoemd. In Spanje nam bij dezen post waar, dien bij zowel naar genoegen uitoeffende, dat ene dier vorftinnen hem bij haar uiterften wil een jaarlijkfe lijfrente befprak. In de Nederlanden te rug gekeerd, zette hij zig met Jer woon te Antwerpen neder, daar hij veel prakt'jk kreeg, en in vriendfehap geraakte met Benediktus Ahias Montanus, die Filips de II, zo fterk voor hem innam, dat die hem de bediening van lijfartz aanbood met een aanzienlijke jaarwedde, en hem ■ bij voorraad met een deftig gefchenk begunftigde; doch Becanus verdriet in het hofleven krijgende, en vervolgens een tegenzin in de praktijk der medicijnen, die hij langen tijd te Antwerpen hadt.uitgeoeffend, nam het befluit die te laten varen, ten einde zig met de rantfe borst op het beoeffenen. der  X&8 BECANUS, (JOHANNES GOROPIUS-) der fiaije letteren en der oudheid toe te leggen; oek zoit men oppervlakkig zeggen, dat hij hier naar wens zou in geftaagd zijn, want hij bezat ene bijzondere doordringende vatbaarheid, en verflond,de latijnfe, griekfe en hebreeuwfe talen zeer grondig, daar bij was hij ongemeen ervaien in de oude en nieuwe teutonife of duitje fpraakj maar het was een hoofdig man, zeer verflaafd aan zijn eigen zonderlinge begrippen , en in wiens geest een zeker verwarrend entbufiasmus plaats vondt, welk hem vreemde doolpaden deedt bewandelen ; onder meer andere ongerijmdheden beweerde bij , dat Adam de cimbrije of duitje taal heeft gefproken; en fchoon Francisc. Sweertius, hem een iiitftekend en bijna hemels ver» Rand toefchrijft; heeft Gek. Jon. Vossius het beter getroffen j wanneer hij van hem getuigd, dat hij wel naarftig, geleerd en doorlezen was, maar een gemeen begrip, meteen middelmatig oirdeel bezat. In den avondftond van zijn leven, zette hij zig te Luik neer, daar hij met den Antwerpfen Bisfchop Levinus Torrentius die reeds gemeenzaam in die ftad met hem hadt omgegaan, veelvuldige famenfprekingen hieldt, en hem in kennis bragt met den Prins Gerhard van Groesbeek ; de Graav van Medina hem naar Mastrick ontboden hebbende, wierdt hij aldaar krank, en ftierf aan die ziekte den 28 junij 2572, in den ouderdom van 54 jaren. Zijnde Jer ene misrekening van een jaar in zijn graffchrift, en van twee jaren bij Valerius Andreas. Zijn lighaam wierdt ter ruste geplaatst bij de Recolletten van die ftad, alwaar men het volgende graffchrift ontmoet, op een marmeren tombe gebeiteld: D. O. M. JoANNi Gosório Becano divinar. atque liumanar. rerum bonarumque artium peritisj. Catharina de Cordes uxor & fdiolcc duce conjugi ac parenti dukisfimó f cum lacrymis pofuere. Procürantïb. La-vind Torrentio £? Gaspare Pürciiio, quilus ille res Juas mariens commendavit. Vixit mm. Lilt Obiit IV. Éal. Jul. Arno' M.D.LXXIL Katiiarina des Cordes, zijne huisvrouwe, was de dogter V3IJ  / BECANUS. (JOHANNES GOROPIUS) 189 Van Jakobus des Cordes, en van Isabella de Bernuy, wiens eigentlijke naam Bernouille was; zij was rijk, en was te veren gehuwd geweest, met Jeronimus Helman, van wien zij kinderen hadt; aan Becanus verfchafte zij twee dogters, Isab'ella en Katryn, welke iaatüe gehuwd is geweest, aan An- TlIONY van ZuRCK. Zijn Afbecldzel dat vrij wel gefneden is, vindt men aan 't begin van zijne Opera postmma, in zijn regterhand houd hij een hemelkring, terwijl de flinker op een doodshoofd rust, liggende op een pedefial. In den rand leest men: II. J. W, .1580. De werken van'Becanus zijn: I. Cngines Antverpianei ftve Ci-mmeriorum Beccsfelena novem libros complexa. Atvatica, 1. Glgantomachia, 2. Neioscopium. 3. Cronia, 4. Indofchytica, 5. Saxonica, 6. Goiodanica. 7. Amazonka. 8. Venetica, es Hyperborea, 9. Typographus Leüorl S. Haleshic, candide Le&or y Gentmm origines, longe alher, quam a quoquani haBenus fcriptce. junt, explicatas, et Mfinkos er mes ex'Hiftoria fcriptoribus, turn vetutis, turn recentioribus fuuiatos: totam denique llijlcriam et ïoejim ad Mofem , et Orpheum rerocatam. Vale. et fruere. Ahtv, ap. Ciiristoph. Plantiïïum, 1569. fol. pp. 1058. — II. Opera Joan. GoroPii Becaki, ha&enus in lucem non edita: nempe, Hermathena, Hieroglyphka, Verf.mnus, Gallica, Francica, Hispanka. Antv. ap. Christ. Plantin. 1580. fol. pp. 237. 270. 114. 159. 107 & 118, zonder ene voorreden te rekenen van Lm,vinls Torrêntïüs aan Arias Montanus, gedagtekend Luik den 1 julij 1578. Torrentius zegt, dat Becanus heeft zoeken te betogen door enen nieuwen drai, dat de oude wijsbegeerte, welke door Linus, Orpiieus en Thamyras in Thracien wierdt geleraart, voor dat die tot de Fhrijgiers en de Grieken oveiv ging, van Noach en zijne kinderen, inzonderheid van Japhetarkomflig is, die dezelve aan de verfchillende volkeren medegedeeld hebben; en dat deze wijsbegeerte nauwkeurig de zelvde is, welke in de gewijdde Boeken wordt gevonden. Hij voegt 'er bij, dat het zeer waarfcbijnlijk is, dat Noach de cimbrife of brabandfe taal fprak, en dat zijne nakomelingen, 'er geene andere, inzonderheid tot de piegtigheden van den gods-  ipcr BECANUS. (MARTINUS) godsdienst, bezigden, in de verfcMlende landftreken daar zij verfpreid wierden. . F. Sweert. , Annal. Belg. pag. 431, 432. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 508, 509. Konig., Bibliotlt. vet. et nova. C. Saxi, Onom. liter. Pars III. p. 391. Paquot Memoir. litter. Tom. III. p. 27-36. Carpentier, Hift. dg Cambraj, Tom. II. p. 427. Richard Simon, Bibliotk Choifie, Tom. II. p. 35-59- BECANUS (MARTINUS), een beroemd Jefuit, geborente Hilvarenbeek, omtrent het jaar 1561. Hij beoeffendc de wijsbegeerte te Keulen, en wierdt den 4 maart 1583, met de waardigheid van Meester in de vrije konftcn bekieed; het zelvde jaar begaf hij zig in het genootfchap der Jefuiten, daar hij zedert in bevestigd wierdt, door de aanneming der ver geloften. Vier jaren als Rector het Jefuiten fchooi beftierd hebbende, onderwees hij de wijsbegeerte in het kollegie der drie Kronen te Keulen, van 1590 tot 1593; vervolgens wierdt hij Doktor in de theologie, en beocffende die wetenfehap gedurende het tijdvak van 22 jaren, eerst te Wirtzburg, vervolgens te Mentz, en laatftelijk te Wenen in Oostenrijk, alwaar hij omtrent het jaar 1613 wierdt beroepen door Keizer Matthias. Ferdinand de II, koos hem vervolgens tot zijnen Biegtvader, en gedurende drie jaren lang, nam Becanus dat beroep waar tot genoegen van het gantfe Hof, alwaar men met verwondering zag, dat die Jefuit zig tegens de gewoonte van die van zijne orden, met geenerlei flaatszaken bemoeide, maai- zig enkel met ftuderen en het waarnemen van zijne pligten bezig hieldt; met zijne klimmende jaren, begaf bij zig tot ene ftrenge levenswijze, nam al het huishoudelijke in eigen perfoon waar,' maakte zijn bed op enz. Na enige dagen hevige fmerten van kolijkpijn verduurt te hebben, ftierf hij in het kollegie van Wenen, den 24 januarij 1624, in zijn 63fte jaar. Met reden hebben hem de Roomsgezinden aangemerkt, als een der voornaamfte verdedigers van hunne geloofsbelijdenis, want hij was buitengemeen ijverig in het wederleggen der Protestanten. Voorts bezat hij een gelukkig geheugen, was begaaft met veel gezond oirdeel; hij fprak en fchreef met ene ongemene vaar-  BECANUS. (PIETER) BECANUS. (SIWERT) 59i twrdigheid; zijne zeden waren eenvoudig en geregeld, z"rr voorkomen innemende, en zijn omgang vriendelijk en befchaafd in zijne uitdrukkingen. Deze hoedanigheden verwierven hem de achting van velen, zelvs die van fommige Protestanten. 'Hij heeft zeer vele latijnfe fchriften over de theologie handelende, waar onder een aantal tot de wederleggen-» de Godgeleerdheid behoren, in druk uitgegeven; waar van men de optelling vindt bij Paquot. Fe. Sweertii, Am- nales Belgica, pag. 526-528. J. F. Forens, Bibl. Belg. pag. 849-851. Paquot, Memoir. litter. Tom. VIII. p. 343-369. BECANUS (PIETER), is geweest Kanunnik te Aken; hij was een geleerd man, inzonderheid in 't vak der gefchiedenimfen. Men heeft van hem in druk: Aquisgranum, Jive Histericam narratioitem de Civitatis Aquisgranenfis origine et prozresf.i, de rebus Divi Caroli Magni preeclare gestis, de ritu Coronandi Reges. Roman. etc. Aquisgrani, apud Henr. Hultingium, 1622. 4«. Edit. jee. Col. 1642. —1— J. F. Foppens , Bibl. Belg. pag. 953- BECANUS (SIWERT), is omtrent "t jaar 1270, waarfchijnlijk te Beekbergen een dorp in Gelderland, geboren. Den behoorlijken ouderdom bereikt hebbende, wierdt hij Karmeliter Monnik in het grote klooster te Keulen, en vervolgens tot Priester geordent; ook verkreeg hij tie waardigheid van Doktor in de theologie; in 1312 was hij lid van het algemeen Concilie te Vienne in Frankrijk; ook vindt men hem ais Profesfor in de Godgeleerdheid genoemd. In 1324, was hij Proyintiaal van Neder-Duitsland; en, in 1327 en 1330, van Hoog- en Neder-Duitsland beide. Deze Monnik Rierf in zijn klooster te 'Keulen in 1333, en wierdt aldaar in het koor van de kerk voor het groot autaar begraven. Siwert Becanus is jn zijn' tijd gehouden voor een fc'erpzinnig Wijsgeer, een fchrander Prediker, ervaren in de kerkelijke gefchiedenis, en pen geleerd Theologant; ook was zijn roem niet minder ten aanzien van deugdzame hoedanigheden, en volgens fommigen Rierf hij in een reuk van heiligheid. Hij' heeft verfcheidene wer.  19* BECANUS. BECARDUS. BECIUS. werken, meest zijne orden betreffende , gefchreven. Tmthemiüs, de Scriptorib, Ecclef. n. 557. edit. Fabrkianae, pag. J35, 136- Idem, de laudibus Ord. Camel. pag. 38, 39. Geienius, de adnu magnkudine Colonia, pag. 48. F. Sweertii Athen. Belg. p. 673. Val. Akdr., Bibl. Belg. p. 808. J. F* Foppens, Bibl. Belg. p, J094. Paquot, Mem. litterair. Tom'. XVII. pag. 433-436. BECANUS (WILLEM), geboren te Iperen in Flaanderen, is een geleerd Jefuit geweest, daar bij een uitmuntend Digter en Redenaar, die zo wel in ondigt als rijm met een welbefneden pen heeft gefchreven; 't welk blijkt uit zijne in druk gegevene werken, welke zijn: 1. Introitum Triumphalem ferenisf Ferdinandi Auftmci, S. R. E. Card. in Flandrice Metropolim Gandavum , anno M.D.C.XXX1V. Antv. 1636. fol. apud Jon. Meursium. 2. Idyllia ö» Elegias, quce cxtant cum Poëmatibus P. Hossciiii. Foppens, Bibl. Belg. pag. 391. BECARDUS (JOHANNES), is geboren te Furne in Flaanderen, in het laatst der XVIde eeuwe; wierdt Monnik in het klooster der Premonftratenfer orden vap die ftad, en naderhand Kanunnik, vervolgens Profesfor in de Godgeleerdheid, en naderhand Pastoor en Deken. Zijne uitgegevene boeken, ftrekken ten bewijze, dat hij werkzaam was; zij lopen meest over theologife gefchilpunten, en over de regten van zijne orden F. Sweertii, Annal. Belgk. pag. 389. Paquot, Mem] litter. pag. 189-193; ^ BECIUS (JOHANNES), geboren te Middelburg, omtrent 't jaar 1622, alwaar hij naderhand Leraar en Profesfor is geweest, en verders Predikant onder 't kruis,'of van den zogenaamden Olijfberg; hadt zig in 1664 eerst in een bijzondere lamenfpraak met iemand , en naderhand voor afgezonde- en van den Kerkenraad, verklaard ten aanzien van de leerftukken der Drieeenheid en Goddelijkheid van Christus met de Socinianen overeen te ftemmen, en betrekkelijk de vijf bekende pointen, daar even als de Remonftranten over te gevoelen; bier döor haalde hij zig veel onaangenaamheden en verdrietig» ont*  BECIUS. (JOHANNES) J03 ontmoetingen op den hals, welke van dat gevolg waren, datna men gedurende een tijdvak van vier jaren vrugteloos getragt hadt, hem van zijne dwalingen te overtuigen; hij bij zijn opgevatte gevoelens verbleef, en goedvond naar Heiland te vertrekken, na alvorens zijne kerkelijke attestatie, zoal niet aangaande zijne leerftcilingen, ten minften betrekkelijk zijne ze* den en gedrag, welke ook onbefprol.en waren verzogt te hebben; doch hem telkens zulks geweigerd zijnde, wierdt hij hierover zo knorrig en te onvreden, dat hij zig grotelijks beledigd achtende, ene Apohgia modesta in druk ititgaf, die egter wel verre van ene gunflige uitwerking voor hem te hebben, niet anders te wege bragt, dan dat de regering van Middelburg den 2 julij 1678, voor het ftadshui's liet afkondigen: „ Dat het „ Boeksken van J. Becius, verklaard werdt vooreen godslasterlijk, „ verdoemelijk, ziekerderfelijk, fondamentlijk dwalend fchrift, en „ op zware penen verboden enigzins het zelve te divulgerén, en be„ last dat de genen die het hadden, moesten aan de A. Magiftraat „ overbrengen;" na hem alvorens een bevel te huis gezonden te hebben, om de ftad en provintie te ruimen; hier gehoorzaamde hij terftond aan, begaf zig eerst naar Dordrecht, voor-i's naar Rotterdam, en ten laatflen naar Amfteldam, daar hij nanr alle waarfcbijnlijkbeid zig tot zijnen dood toe heeft onthouden, en in een booggevorderden ouderdom is geftorvèn. Voorts wierdt op dcir 11 augustus van het semelde jaar 1678, in de Middelburger Kerkenraad befloten, om agtervolgens de refolutie van het Collegium Qualijkatum, des morgens daar aan, zijnde zondag, in alie de kerken bij openbare aflezing aan de, gemeente, zijne fchadelijke gevoelens bekend te maken, haar te waarfchuwen voor zijne verkeerde lere en mondelinge en fchrifteiijke gemeenfehap enz. Ook fchreven tegens zijne Apologie David Laccher, Petrus Appeldoorn, en wel inzonderheid Niklaas van Hoorn, toen Emeritus Predikant van St. Aagtekerkc; waar tegen Becius weder in 't licht gaf: Jiaütr 23e* pJCCbingc &c,, doch 't welk door de regering van Middelburg zo gramftorig wierdt opgenomen, dat dit papiere kind op haar bevel, door beuls handen wierdt verbrand. Veel heeft II. Deel. N Be-  S9"4 BECK. (DAVID) BeciüJ gefchreven tot verdediging van zijne aangenomens gevoelens, doch uit geene zijner fchriften kan men die beter leren kennen, dan uit het volgende, waar door hij zig ook 't meest heeft berugt gemaakt, doch 't gene zeldzaam is te bekomen ; Inftitutio Chistiana of €tyj$Klnk «Dnbtrtorj.é / loact in fclacr e» bondig ge&anoctt mott ban bccl boomame ï>ooft!ïtm-licn / fect nobig gemeten ter fabgljeijt/ tot onöejrichtinrj ban alfe bolenöe 5 De liefje tot de Konst luikt op met groter hope Van eer en prijs, nu Becks de Vorften van Europe, Uit last der Koningin, door zijne konst herteelt, En hun Cörisïïn ver Gert, in haar onflerflijk beelt. Zoo wordt Gustavüs bioed van Hof tot Hof geboren. Wie klaagt dan aan dees verf en wisfel wordt verloren. Dit bedrijf van Chbjstina leide aan onzen Beck geene windeijers, maar gaf hem veel voordeel; want zijne vrienden ftrekken ten getuige, dat hij door deze gelegenheid negen gouden ketenen en medailjen van Koningen en Vorften ten gefchenke bekwam. Hij was zegt men , zo ongemeen vaardip in het fchilderen, dat de Koning van Engeland op zekere tikl tot hem zeide: „ Beck, ik geloof dat gij te paard zittende zond kunnen „fchilderen." In den jare 1653 te Romen zijnde, wierdt hem door de Bentvogels aldaar, veel eer bewezen, en zij gaven hem de bentnaam van Culde Scepter, ftaande onder zijn diploma meer dan 60 namen getekend, die ook op het imulmaal, ten kosten van den nieuwen Bentvogel, zijnen lof in verfen verkondigden. De verbindtenis waar in hij met Christina ftondt, eindelijk moede wordende en naar vrijheid hakende, nam hij voor in de tijd dat zij een fpeelreis naar Frankrijk zoude deen, om enigen tijd te Parijs te vertoeven, zijne Hcllandfe vrienden te gaan opzoeken. Hij verzogt haar hier toe om verlof, dat zij hem bezwaarlijk inwilligde, doordien zij het vermoeden hadt opgevat, dat hij zogt heen te gaan om nimmer weder te keren; gelijk ook gebeurt is, want hij overdeed in 's Hage op den 20 december 1656, niet zonder vermoeden van door vergif van kant geholpen te zijn. Men verhaalt van dezen'Schilder, dat hij in Duitsland reizende, door een onvoorziene ziekte werdt aangevallen, en daar door in zulk een vetregaande flauwte verviel, dat hij zig ten enemalen gevoelloos bevondt, geen het minfle teken van leven gaf, en men hem volftrekt voor dood hieldt; naar gewoonte, werdt hij hier op uitgekleed, en uitgeftreJtt op zijn N a ledi-  ÏCS BEEK, (GEERTRUYD HENDRIKS vak) ledikant gelegd; zittende zijn beide knegts in het zelvde vertrek , dis bezig waren, om met een bottel wijn de droefheid te ienigen, die Beck's dood bij hun hadt verwekt. Onder hst famenkouf.cn en drinken, zegt een van deze knapen, denkelijk bJgïig en kortswijlig van aart, dat wij 't onzen Heer ook een; {cebragtens hij heeft het in zijn ieven zo gaarne gelust, en met een ftaat hij op, en duwt David den roemer met wijn aa,n de lippen; naar aiie waarfchijnlijkheid, werkte de reuk van het geestrijk vogt zodanig op zijne zenuwen, dat hij min of meer bekwam, den mond opende, en een weinig van den wijn influrpte; de knegt zonder vervaard te worden; zeide hier op tegens zijnen makker, eij kijk Jak, ons Heer lust nog wijn na zijn dood, en met een zette hij hem het glas andermaal aan den mond, waar uit hij een frisfe teug nam,'van dat ogenblik af aan hcrftclde, en nog jaren na dien tijd geleefd heeft. Befchrip. der ftad Delft, i:i folio. 1729, bl. 783, Ï84> J- Ho.uerakeji, Schow.yb. der Schilders. \l. D. bj. 83-87. BEEK (GEERTRUYD HENDRIKS van), ene weduwe, Wonende te Utrecht op 't zand, oud 72 jaren, ze! erlijk zo bij kare buren ais bij anderen, onder de dwaze verdenking van toverij liggende, befloot naar Ondewater te reizen, ten einda Zig aldaar op de ftads wage te doen wegen, en aldus door een verkregen getuigfehrift, zig van de blaam haar aangewreven te kunnen zuiveren. Zij deedt zulks, wierdt volgens gewoon ftads gebruik, in haar hembd, enkel met een falij of fluijer bedekt, gewogen, en ingevolge certificaat van Schepenen dier ftad, in dato 20 maart 1711, bevonden, dat haar gewigte met de natuurlijke proportie van haar lighaam wel was overeenko7 mende, en zij gevolgelijk geene tover-s was. Wij brengen dit geval niét alleen bij, om te dben zien, in hoe "erre het geloof aan fpoken en hekfen, nog in den aanvang van zufe een verligte eeuwe als deze, onder het gemeen plaats vondt, maar teffens ook om onze verwondering te kennen te geven, hoe 't mooglijk is, dat de regering van ene Nederiandfe ftad, aan het bijgeloof zodanig voedzel heeft kunnen verfchafFen,  BËËKi 'JöIiANNES vai*} £}} feét het gemeen in den waan fe hóuden, dat door middel Vafl de waag, koste beflist worden, of iemand aan zulk een herfenfchimirtige misdaad fchuldig ware dan niet. Na het jgay 1729 weten Wij niet dat deze vreemde proef weder is te Werk gefield, als toen is die nog uitgeoeffend aan Klaas AriéIvsü Van den Dool, en Neeltje Keersbêrgen, man fcn vro.-Wj, wooragtig óp den Dool onder Meerkerk. G, &. VAÏT Kinschot, Befchrijv. van Oudewater, bl. 160, iöïi BEEK (JOHANNES van) , meestal bekend onder dan naam Van Beka, was een Edelman, gefproten uit het geflagt der StoutenbuÜ rEN, welke uit Amersfoort afkomftig waren. Beka is Kanunnik geweekt te Utrecht, en heeft zo als bekend Is;, gefchreven : Chro .icon Epis opo'rum Uitrajettenfium et Cotniiuvi Hollandice, 'ad J'oannem ab Arkèl, Episcopum, ét GuiLiELinjJÖ Holldndicè Comitem. De.ce zijn arbeid was door hem opgedragen , aan Bbfehnp Jan van Arkel en aan Willem, Grave van Holland; hebbende hij met de vervaardiging daai' vair, zig geduiende den tijd van zeven jaren beziggehouden, ingevolge zijn eigen getuigenis, in gemelde opdiagt, aangevoerd* Deze kionijk, is door B. Furmerius, met heit vervolg vafi Suffe. Petri en zijne bijgevoegde aantekeningen, te Franeke.% in 1612 in 't licht gegeven; doch naderhand door Arn. Buciielius, in Corpore Hijiorice UltrajeQince veel verbeterd, in 1643 in folio, ^qor den druk gemeen gemaakt. Ene nederduitfg vertaling van dit werk, op vele plaatzen vermeerderd en vervolgd, kwam door de bezorging van enen ongenoemden in ifèi in 'i licht , en is ingelijfd in de Analetla veteris 'JEvi, Van den Hoog'eraar Ant.' Matthjéus , Tom. V. van den dniK in 8vo. en ih Tom. III. van dien in 4t\ Voorts wordt de lof van onzen van Beek Vermeld, in het werk van Philippus de Leydis, de fitte Principantis. Cafu LXj daar hij fchrijft: Quid laudis, qua memoria, q'uis honot Cbmitifcis Hollandiat fuperesfet, nifi felix ccendbium St. Adalberti in Ëgmoni da £? monaftica vüa pro tempore Ulorum facla, £? deinde Lrevi tompendio Joannes de Beka, Prasbikf vigiliis ctternasfet? ïMt N 3 K  Ï08 BEEK. (KORNELIS vak) BEEK. (PIETER van) is waar, dat dit getuigenis veel verdonkerd wordt, door het gene Gerh. Geldenhauer , in Prafatione ad Gemanicarum rerum üluftrationem, ten zijnen aanziene zegt: „ dat hij namentlijk „ als een onervaren timmerman, die zijn handwerk niet ver„ ftaat, de bouwftoffen die hij van elders gehaald heeft, niet „ naar behoren weet te plaatzen;" dan dit vernederend getuigenis vervalt ten dele, wanneer men in aanmerking neemt, dat Petr. Scriversjs in zijne Kronijk der Hollandje Graven , hem grotendeels gevolgd heeft. Beka's kronijk loopt tot aan het jaar 1393? en niet zo als Vossius zegt, tot 1245; ook niet, zo als Goudhoeven fchrijft, tot 1345; want zij eindigd met den dood van Floris van Wevelinkhóven , en die weet men dat in 1393 overleden is. —— Vossius, de Hiji. Lat. c. LIX. p. 446. Henr. Wharton. ad Guil. Cave. Vol. II. p. 11. Fabricii, Bibl. Lat. Med. Tom. IV. p. 153, 154. J. F. Foppens, Bibl. Belg. pag. 576. G. Burmanni, Trajecttm eruditum, p. 21-23. C. Saxi, Ononiast. litterar. Pars II. P- 366, 367- BEEK (KORNELIS van) , leefde in de XVde eeuw, en is geweest Kanunnik en Prior, van het Klooster divifio Aposto'.orum genaamd, te Utrecht. Hij heeft den roem nagelaten, een man geweest te zijn van een gezond oirdeel, fchrander vernuft en diepe geleerdheid. Zijne nagelatene werken zijn: I. Chronicon fut Monasierii. 2. Orationem contra Proprietarios. 3. Trattatmn de viftationibus Monastericrum. J. F. Fop- tens, Bibl. Belg. pag. 194. BEEK (PIETER van), is ftigter geweest in 1724 van een Hofje te Amfteldam, in de Schidjermakers-gang in de Angeliersftraat; beftaande uit tien woningen. De bewoonfters genieten, behalven vrije woning, ieder 31 manden turf, in 'tjaar, en vijf guldens om vlees te kopen. De beftiering van dit Hofje ftaat aan twee Regenten, uit de maagfchap van den ftigter, die zig in 't begeven der plaatzen, aan geene bijzondei e gezindheid bepalen. Wag., Befchrijv. van Amfi. VIII. St. bl. 613, 614. BEEK  BEEK. (ROBBERT visi) BEEKiL (jóil. van Der) it? BEEK (ROBBERT van) , is geweest Koningüjke Raad m de provintie van Overijsjel, en heeft gefchieven: Vaticinhm Fauni pré Inviiïïsf. Philippo, Rege Anglice, Francice, Neapolis, Archiduce Aujtrice £fc. Swolla per Jo. Ruremondanum , 1553. p\ jp-, _ J. F. Foppens, Bibl. Belg. pag. 1074. BEEKE (JOH. van der) , Burgemeester van Deventer, werdt benevens RakoHerman Scheele én Bernard Bentinck; uit de Edelen van Zalland en 7we»ite, in het jaar 16555 gedurende den fveefpalt die 'er toen ter tijd, tusfen de Staatsleden van Gverijfel plaats vondt, wegens de verkiezing van een» DrosfaSrd in Twente , door de regering van Deventer en de Eoelen die het mee haar hielden, op enen geloofsbrief, die op name der Staten getekend was, naar 's Hage gezonden, cm ter vergadering van Holland, te klagen, over de ongeregelde verkiezing van enen Stadhouder in den perfoon van den jonger. Prins van Oranje , aan wien Willem Frederik van Nassau , Stadhouder van Friesland, als Luitenant was toegevoegd, welke verkiezing onlangs tegen de privilegiën en tegen een be» fluit der Staten van den 19 feptember 1653, ondernomen was; welk befluit bepaalde, dat zulks niet dan met eenparigheid van Remmen mogt gefchieden. Voorts verzogten zij der Staten bijftand, tegens de verdrukking voor welke zij vreesden. De Staten van Holland hen gehoord hebbende, waren de Edelen, Dordrecht en Haarlem van begrip, dat men hen behoorde bij te flaan , indien de andere partij hen wilde noodzaken, tot liet erkennen van den Stadhouder, hier voegden zig nog zeven andere fleden bij. Nogthans, befloot de vergadering alleenlijk de bevelen te vernieuwen, die zij te voren aan 't krijgsvolk, ter harer betalinge ftaande, hadt later, afgaan , van zig namentlijk niet te fteken in den twist, die tusfen de Staten van Overijsjel öntftaah was, en der ene noch der andere partije de hand te bieden. In meij, kwam 'er ene bezending van de andere partij, die zig ook de Staten van Overijsjel noemden, aan de Staten van Holland. De gemagtigden waren Adriaan Jurrlun van Haapsolte, tot den P/«fcy# N 4 h»  2co EEEEE. (JOH. van der) Lort, Rudolf van Langen, Burgemeester van Kampen, en Henrik Wolfsen, Burgemeester van Zwolle. Zij vertoonden den Staten breedvoeriglijk.- „ dat de Edelen en de drie fteden, „ Deventer, Kampen en Zwolle, de opperfte magt van Overijsjel „ uitmaakten; dat 'er tegenwoordig 59 Edelen waren, die zit„ ting hadden ten landdage, a!waar alles, uitgenomen zaken •„ van belastinge, metmeerdeiheid van ftemmen befloten werdt; „ dat deze meerderheid werdt. uitgemaakt, door een' Edelman» gevoegd bij de drie.fteden; of door 24 Edelen, gevoegd „ bij twee fteden; of door 47 Edelen, gevoegd bij ene en„ keie ftad,; dat 'er tegenwoordig maar 17 of 18 Edelen, ne„ vens de ftad Deventer, waren, die zig kanteden, tegen het „ Drosfaardfchap van den Here van Haarsoi.te; dat hier uit „ de fchetiring van den landdag en velerlei opfchuddingen en „ verwarringen gevolgd waren, om welken weg te nemen, „ en de enigheid te herftellen, zij geenen beteren raad gewe^„ ten hadden, dan den Prins van Oranje, tot Stadhouder, „ en Willem Feedrik, vorst van Nasfau, tot deszelvs Lui„ tenant te verkiezen. Dat de laatstgemelde Prins hun den „ weg tot bemiddeling aangeraden hadt, om de gefchillen bij „. te leggen; doch dat die van Deventer zig hier tegen, en te„ gen de aanftelling van enen Stadhouder hadden 'gekant. „ Dat zij dit alles, den Staten van Holland wel hadden willen „ vertonen', tot hunne eigene verdediging, en nu, ten beflui. „. te verzogten, dat hunne Ed. Gr. Mog. hun het regt wilden „ doen, van te verklaren, dat zij, en niet de ftad Deventer, » en de weinige Edelen, die zig bij dezelve gevoegd hadden, „ 's lands opperfte magt vertoonden, ter tijd toe, dat de ver„ deelde leden allen wederom verenigd zouden zijn; en dat „ zij hen wilden helpen herftellen in het regtsgebied over „ Twente, welk die van Deventer zig aangematigd hadden, be„ vel gevende, dat men daar niet Haarsolte, maar Bever„ voorde, als Drosfaard erkennen zou." Zij voegden 'er bij: „ dat dit zou kunnen gefchieden, door ter Generaliteit „ te bewerken, het intrekken van den last, aan 't krijgsvolk » vaa den Staat gegeven, om noch de ene noch dc andere „ par-  BEliKE» (JOH. van eer) zoi „ partij te helpen." De Staten 't vertoog van die van Zwolle,' welken zig middelerwijl, ook bij de Staten S»n Zeeland vervoegd hadden, overwogen hebbende, verftonden daar na, dat men den twist in der minne moest zoeken bij te leggen; wanneer de zaken eerst herfteld waren in den ftaat, v/aar in zij geweest waren, voor het ontdaan der fcheuringe; oirdeelden zij, dat, ten minften in 't ftuk der aanftellingö van enen Stadhouder, geene overftemming vallen kon. Men gaf van ditbefluit kennis ter Generaliteit, doch de algemene Staten oirdeelden in feptember, dat men, zonder zulk ene heiftelling te vorderen, gemagtigden afzenden kon, om de gefchillen te bemiddelen; maar de afgevaardigden van Holland, wel bevroedende, dat zulke gemagtigden, uit en door de algemene Staten gekoren wordende, niet zouden kunnen nalaten, de verkiezing des Stadhouders te bevestigen, kanteden zig hier tegen; ook verklaarden die van Deventer, dat zij zulk ene bezending niet zouden ontvangen, noch in onderhandeling treden , met iemand, die van wegen da algemene Staten afgezonden werdt. De tweedtagt bleef derhalve, voortduren; terwijl men het ondertasten onder de hand zo verre wist te brengen, dat de algemene Staten , in den aanvang des jaars 1656 ,. die van' Overijfel bewogen, gemagtigden naar Js Hage te zenden , met welken zij of hunne afgevaardigden zouden kunnen handelen. Beide die van Zwolle en van Deventer kwamen toen overeen, om, tot beflisfing der gefchillen, te benoemen Prins Willem van Nassau en den Raadpcnfionaris de Witt, die eerlang eens werden: „ dat de voorgewende verkiezing van „ enen Stadhouder, zo wel ten opzigte van den prinfe van „ Oranje, als ten opzigte van den vorst van Nassau, zou „ gehouden woiden voor vernietigd; dat Haarsolte ook af., ftand zou doen van het Drostambt van Twente, waar toe men „ hem hieldt te zijn aaugeileld, en dat dit ambt, bij voor„ raad, zou gelaten worden aan den Here van Bevervoor„ de," die 't na 't overlijden van den jongften Drosfaard, reeds als Verwalter bekleed hadt. De vorst van Nassau hadt fe voren reeds verklaard, dat hij om vredes wille, afftand Nj wil-  £02 BEEKE. (JOH. van eer' wilde doen van de aan hem opgedragene wairdighéid; De beide partijen aangenomen hebbende, verflag te doen van deze uitfpraak, vonden de leden van welke zij gemagtigd waren, met name die van Zwolle, ongezind, om zig aan dezelve te onderwerpen. De fcheuring fleepte middelerwijl ,■ velerlei nadelige gevogen met zig; Hasfelt zelv' werdt, door die van. Zwolle in meij of junij des volgenden jaars 1657 belegerd, en fchreef aan Amfteldam, om bijftand. Doch toen het vuur'van twedragt op 't vinnigst aan 't branden was, werden het beide de partijen moede. Zij kwamen eindelijk oveieen, om de gefchiilon volfbektc'ijk, te verblijven aan de uitfpraak der Staten van Holland, die Koknelis de Graaf,' Heer van Zuidpolsbroek, en den Raadpenfionaris de Witt, benoemden, cm, uit hunnen naam, de zaak af te doen; dezen arbeidden 'er enige dagen niet zo veel vlijt aan, dat zij eerlang, op den Sflen augustus, ene wijdlugtige uitfpraak deden, die niet alleen de beflisfing der gefchillen inhieldt, maar zelvs gehele fcMkkingèn" op het beleid der regeringe, in de vergadering© der Staten van 't gewest, en in de mindere kollegien en ambten. De vöoirnaamfte punten kwamen hier op uit: „ dat dé „ aanflelling van Rütger van Haarsolte tot Drost van Twén„ te, zou gèrèkèod worden, als niet gefchièd; ook de aan„ ftelling van den Prinfe Willem van Nassau , tot Luitenant „ Stadhouder; dat het gefchil over de verkiezing van denPrin„ fe van Oranje, zou gekten worden in zijne waarde én on- * v'"aarde> e" Mn hetoirdéeï der genen, die in de regeringe „ zouden zijn, wanneer zijne Hoogheid bekwame Jaren be„ reikt zou hebben , om de waardigheid van Stadhouder te „ bekleden. Dat die van Deventer vrijheid zouden hebben, „ om de tegenwoordig openitaande ambten,'binnen den tijd „ van agt dagen, te verdelen in twee gelijke delen, cn dat de ,-, andere partij de keuze hebben zou van een dezer delen, * ten dnde aan de ambten, in hetzelve gebragt, te bege„ ven voor de vereniging der twee partijen; doch indien zij » hier toe nie£ kon verflaan, zouden aile de ambten, vijf ., jaren lang, onbegeven blijven, en het Drostambt van Twen-  BEEKMAN. (IZAAK) 203 j,, te, middelerwijl bediend wo;den, d^or den Feer van Be„ vervoorde. Dat Hasjelt en Steenwijk, voortaan op zaken ,, van vrede en oorlog, verandering van ia'idregten, verkie„ zing van Stadliouderen en opftellinge van nieuwe lasten. „ ten Landdage befcbreven zouden worden, en helpen raad„ plegen. Dat 'er een algemene vergiffenis van al 't voorge„ vallene zou afgekondigd worden, waar van egter de ma„ kers van fchimpfchriften zouden uitgefloten zijn." De gemagtigden van beide partijen onderwierpen zig aan deze uitfpraak , omhelsden eikanderen vriendelijk, ten teken van volkomen' verzoening, bedankten de Graaf en de Witt, cn werden door de Gecommitteerde Raden, uit name der Staten van Holland, op de Doele ter maaltijd onthaald; waar na de rust in Overjjsfel,, eindelijk voor enen tijd herReld werdt. ——— TnuRLoés, Papers. Vol. III. p. 115. Vol. IV. p. 60, 61. 460. 470. 490. 514. 516. Vol. VI. p. 333. 335. 459. Wicquefort, Hijloire des Provinces wües, Livr. IX. p. 495. Livr. X. p. 547, 548. De Witt, Brieven. I. D. bl. 258. III. D. 'bi. 33. 47. 178. 397- 404- 408. 412-415. De Witt, Rejolntien van Conjtderatie. bl. 241. L. van Aitzema, Zaken vanStaat enOorlog. IV. D. bl.i68--i78. 180--195. Wag., Vod. Hijl. XII. D. bl. 406-412. BEEKMAN (IZAAK), geboren omtrent het jaar 1570, na alle waarschijnlijkheid in den omtrek van Dordrecht, ieide zig ijverig toe op het beoeffenen der mathematife wetenfehappen, zo dat hij daar in grotelijks uitgemunt heeft, in zo verre dat de reizende vreemdelingen hem onder het getal van die vermaarde mannen rekenden, bij wien zij een bezoek moesten afleggen; maar doordien deze wetenfehap zeldzaam een ruim beftaan aan derzelver beoeffenaars verfchaft, nam hij de Rectorsplaats der latijnfe fenolen aan, die hem door de regering van Dordrecht op den 2 junij 1627 wierdt aangeboden, waarbij nadeihand gevoegd wier.it, de waardigheid van Hoogleraar in de-redeneerkunde. Dezen post nam hij met alle vlijt waar, zijne hoofdiiefhebberij, de mathematife wetenfehappen teffens niet  2C-4 BEEKMAN. (IZAAK) Biet verwaarlozende, tot op zijn dood toe, welke Voorviel den 20 meij 1637. Hij is gehuwd geweest, en heeft ene dogter nagelaten , getrouwd met de Heer A. van der Perre Burgemefester te Vlisfingen. Twee zijner bl oeders, mede lief! hebbers der wetenfehappen, zijn Rectoren te Rotterdam en Pits ngen geweest. Beekman was een der warmde vrienden vah Cartesicsmet wien hij door een zonderiing toeval in kennis geraakte! Castesiüs namelijk was in Hollandfen krijgsdienst, en zig te' Breda in guarnifoen bevindende, zag hij op zekeren morgen wand lende, dat de voorbijgangers hunne aandagt vestigden op een mat ematisch voorRel, 't welk ih het nederdui s op den hoek van ene Rraat aangeplakt was, htj deze taal niet verftaande, verzogt aan Beekman een der omftandérs, dien hl egter .niet ken Je, cm het hem in *t iatijn of frans te wille 1 uitleggen;-deze verwonderd over die vraag, beloofde den jongen krijgsman aan zijn verzoek te zullen voldoen, onder voorwaarde, dat hij hem de oplos mg van het vraagftuk zoude brengen; Castesiüs beloofde zulks, en hieldt woord; ter ze'.vei tijd redeneerde hij met zo veel grond en juist oirdeel over verfcheidene wetenfehappen, dat de géoeffehde Mathematicus 'er over verftei-J RonJ, en belijden moest,, dat dé officier hem zaken leerde die hij niet wist; van dit ogenblik- af aan floten zij ook ene weerkerige vriendfehap, die 17 jaien heeft Rand gehouden, namentlijk tot op den dood vari Beekman ; ook onderhielden zij ene onafgebr kene briefwisfehng. Het was op aanhouden van dezen vriend, dat Carte- *■ sïus reeds in 1618 zijn Compendium Muftcts vervaardigde, dat ec:st 30 jaren daar na is in 't licht gekomen. Beekman wilde* 'er zig in de afwezigheid van den fchrijver de eer van toeeigenen; doch in >t vervolg beieed hij dat het 't werk van dien beroemden wijsgeer was, maar teffens gaf hij voor, 'er *t beftier over gehadt te hebben; hoe 't ook mag zijn,' dit voorval veroirzaakte in den beginne enige verkoeling in hunne ' vriendfehap, doch die vuurde ivel dra weder aan, en heeft gelijk gezegd is, tot het einde van Beekma-ns leven Rand  BEEKMAN. .(MARTINUS) BEELDEMAKER. 205 . gehouden. Deez' geleerde man, heeft in druk nagel&ten: Mathematico-Phyfcarum Meditationum Centuria. Traje&i ad Rhenum, 1644. in 4£c Baillet, Vic de Descartes , en di¬ vers endroits du Tom. I. & Tom. II. pag. 547. PAquOT, Memoires litter. Tom. XVII. p. 401-403. M. Balen, Befchr. van Dordrecht, bl.' 674- 677. BEEKMAN (MARTINUS) , Drosfaard en Dijkgraav van de Baronn e van Asperen, heeft in het jaar 1745, onder'onze Vaderlandfe Historiefchrijvers, ene plaats verworven, door het in' 't licht geven, van zijne 23efch$bhig ban be £tat> en 23a* l'OlintjC ban St^ncrcn; waar in befchreven wordt dcrzelver oudheid, gebouwen, hoge en lage regering enz. De Drosfaard heeft zijne befchrijving in XXII hoofdftukken afgedeeld, behelzende alies wat tot ene volledige plaats-befchrijving vereist wordt; het is te Utrecht in gemelden jare in 8vo. gedrukt , en met enige frarje konstprentcn verliert, BEELDEMAKER (FRANS), Konstfchüder, een zoon van Johakkes, wieidt geboren in 'f,Gravenltage in het jaar 1669, en leerde de beginzelen der fchilderkonst bij zijnen vader, maar tot rijpere jaren gekomen zijnde, kwam zijn lust niet overeen, met zijn vaders konstverkiezing, in het fchilderen van jagten, dieren en andere voorwerpen meer van dien aart, maar zijne neiging helde over tot verhevener onderwerpen; om dan aan zijne geneigtheid te voldoen, weidt hij bedeld bij den beroemden Historiefchildcr Willem Doedyns , bij wien hij het ocflenen van zijn' konst met vlijt voortzette; ter tijd toe, dat hij zig bekwaam oirdeelde en belust werdt om Romen dat vermaard Palladium der fchilderkonst, te gaan bezoeken; hier enigen tijd geweest zijnde, geraakte hij wel dra in kennis met de Bentbroeders, die hem om zijn nors en grijnzend humeur, den toenaam van Aap. gaven; Beeldemake* wierdt hier hoopgaande knorrig over en fpeelde den beest, dan de op zijne kosten fmullende broeders beduiden hem ras met gevoelige reden, dat fchoon hij traktant was, hij niets te zeggen hadt en vooral zoet moest zijn; 'iet manneke niet anders kunnen-  ?9fi BEELDEMAKER. (JOHANNES) nende, bedaarde, en moest zig den bentnaam van Aap latei? welgevallen; verders bragt men den overigen tijd van de bijeenkomst', die tamelijk werdt uitgerekt, in flempen, drinken en gulle vrolijkheid dopr. Dit voorval egter kropte hem geweldig, en hij bleef ook niet lang daar na te Romen, maar kwam fpoedig naar Holland te rug, en zette zig met 'er woon op zijne geboorteplaats neder, daar hij in den beginne veel te doen hadt, met het fchilderen van zolder-, deur- en fcboorfteenftukken; inzonderheid in de tusfentijd, dat Mattiieus Terwesten naar Romen was, doordien men daar op dat pas weinig keur hadt, vermits de oude Meesters meest dood waren; maar toen Terwesten van zijne driejarige reize te rug was gekomen, hadt hij weinig meer te doen, alzo deze hem verreweg in bekwaamheid overtrof. Frans was ook lid der Haagje brpederfchap, maar hij gedroeg zig zo nors en grillig ten aanzien van zijne medebroeders, dat men ras begreep, dat hij te regt in Romen met den bentnaam van Aap gedoopt was. In 1717 ging hij buiten Rotterdam wonen ter plaatze daar zijne vrouw geboren was, en ftierf aldaar in een hogen ouderdom. J. C. Weyerman, Leven der Schilders, IV. D. b!. 61. J. v. Gool, Nieuwe Schouwburg &c. I. D. bl. 289-292. . - BEELDEMAKER (JOHANNES), Konstfchilder, de vader van Frans, is in het jaar 1630 in 's Hage geboren. Dezes konftenaars voorname liefhebberij beftond, in het fchilderen van harten- en zwijne-jagten, en al wat tot deze vorftelijke tijdkorting behoort, ook hazen, konijnen, honden; en mede de vereiste menfelijke beelden, ais heren, vrouwen, jagers, jongens en boeren; en doorgaans ftoffeerde hij de voorgronden' van zijtï ftukken, met klisfen, planten, distels, inlandfe kruiden, en meer andere dingen van dien aart. Ook fchilderde hij fomtijds wel een ilapend boerinnetje, verzelt van melkkoeijen, fchapen, lammeren, huppelende bokken en geiten, die bij haar ontwaken de melkemmers door de jagers honden uitgeilurpt vondt. Daar is nog een ftuk van hem voor handen, dat zeer fchoon en wclgefchilderd is, verbeeldende een fla-  BEELS. (LEONARD) BEELS,. (MART. ADRIAAN) 2o7 flapende Nijmf, opgewagt bij een veldftoet van huppelende bokken en geiten; het is gejaartekend 1652. Jan Beeloemaker hadt in zijn tijd veel leerlingen en ook vele kinderen; hij moet in een zeer hogen ouderdom geftorvèn zijn, want hij leefde nog in 1710. J. C. Weyerman, Leven der Schil, ders, IV. D- bl. 407, 40S. J. v. Gool, Nieuwe Schouwburg ^ J. D. bi. 63, 64. BEELS (LEONARD), Predikant te Amfteldam, is geboren den 13 feptember 1674, wierdt in 1708 beroepen te Breukelen, alwaar hij het Euangelie tot in 1722 heeft verkondigdwanneer naar Amfteldam is vei plaatst, daar hij op den 5 november 1756 in den ouderdom van 82 jaren en omtrent twee maanden is overleden. Zijn Eerwaarde heeft zeer vele zijner lettervrugten door den druk gemeen gemaakt; waar van de yoornaamften zijn: 1. 93ü£t-/ 23eöc- c!l i£«m3?t#offen/ 1747. Stnfï. in 4to. 2. SSijbeloeftningtn. 1.744.3ïmfi4to. sextet». fcljcn uiterftcn. 1748. 3ïmft 4to. 4. iöcsbonrê fontw en fitaffe, 1730. Stuift. 8bo. ; Beekz., 173-1. a. bl. 490. 1756. b. bl. 654. Abcoude, Naamregister, druk van 1772. bl. 37, 38. 9lm (SttU (Europa/ III. SN f. 654. en XI. 2$. f. 76S. BEELS (MARTEN ADRIAAN), een zoon van Leonamj, was Burgemeester te Amfteldam in 1787; een tijdvak, waar in de gemoederen in ons gemenebest zodanig aan 't gesten waren en in denkbeelden verfebjlden, dat men aan de ene zijde he: toen plaats vindend boftier voor goedkeurende, van geene verandering noch verbetering der in zwang gaande misbruiken en gebreken, die voorzeker vele waren, wilde horen, en zig met hand en tand daar tegen kantte; terwijl de andere partij die der vrijheid namelijk , geene middelen te i^eijeiijk vond om die htm tegen waren te overwinnen, en het zo nodig herftel in 's lands en ftedelijk bellier met kragt door te zetten, en ware 't mooglijk uit-te werken. Burgemeester Beels behoorde tot de eerstgenoemde partij, en geen wonder dan ook, dat hij zig den haat van dat gedeelte des volks op den hals hadt geladen, die voor de vrijheid ijverden , en herftel van haie bezwaren vorderden. De eerfte uitwerkingen van de-  'zot BEELS. (MARTEN ADRIAAN) dezen haat en afkeer tegens hem, ondervondt hij, toen hij benevens agt zijner Mederaden, den 21 april 1787, op aandrang der Burgerij als lid van de Vroedfchap wierdt afgezet; het twede was noodlottiger, want op den 24 meij van dat zelvde jaar, fleurde ene hollende bende meest uit het flimfte gefpuis ieftaande, naar zijn huis, en plunderde hetzelve deerlijk uit. De Burgemeester door het voeteuvel aan huis en kamer gebonden, hadt nauwelijks tijd, om het naderend geweld vernemende, zig openen ftoel door zijne knegts naar het agterhuis, en voorts in den Hal te laten dragen. Een zijner zonen en dogters , bezig met enige papieren van aangelegenheid te bergen, werden daar in door het aanvangen der plunderinge geftoord; zij weken, en een der dogteren bragt, in een hoekje van den tuin vei fcholen, een akeligen nagt door. Bij het opdagen der 1 gewapende Burgerije, verdween de fchendzieke bende, om haren moedwil aan nog twee andere huizen te gaan koelen. De aanleider.de oirzaak, tot deze en meer geïijkfoortige fchendaden was zegt men, het ter tekening leggen van een request, behelzende hoofdzaaklijk een verzoek: „ om de herftelling „ van den Stadhouder in alle waardigheden en vooiregten; „ de afzetting der onlangs nieuw aangeftelde B.aden en Kollo„ nellen; de herftelling der afgezetten; de handhaving van de „Burgers, in- en opgezetenen bij derzelvcr voorregten; het „ weren der inbreuken omtrent dit alles-gefchied; de beteu„ geling van de losbandigheid der drukpersfe; de vernietiging „ van alle vrijcorpfen en genootfehappen van wapenhandel; „ voorziening tegen het oproepen der fchutterijen, buiten „ kennis en overleg der wethouderen; en eindelijk, het be„ letten van gcldverzamelingen, ter betaling van vreemde en „ ongeregelde troepes." Ook verzekert men, dat deze ebloze feiten nimmer zouden gebeurd zijn, indien de toenmalige Hoofdofficier, de aanvangelijke ftorenisfen tegengegaan en geweerd hadt. Hoe het 'er ook mede gelegen mag geweest zijn, verre was 't zelve van voorfpraak of verdediging te vinden, ware Patriotten beklaagden zig over dit bedrijf, waar door men poogde ene zaak, die oneindig betere middelen ter ver-  BEELS. (MARTEN ADRIAAN) Bc>£ verdediging hadt, en te werk fte'de, met onbehoorlijk en ai. toos laai;baar geweld te bevorderen. Later kwam een comïiiisrie uit den ILuij;e / iets te veranderen viel, hij zig daar na fchikken zoude ; deze aanbieding gaf aan velen geen gering genoegen ; doch wanneer hij een antwoord op zeker berigt der Franeker Hoogleraren ter drukpersfe hadt gegeven, wierdt het verder drukt Hen daar van, door hogerhand verboden. Kort daar na boodt hij aan, tegen zijne befchuldigers voor de Sijnode gehooid te worden; dit wierdt toegedaan; maar in de plaatze van vojdoenende reden van bezwaarnisfen, vernam hij hier alleen, dat men zijn boek, fchoon een geleerd gefchrift noemende, 'cr nogthans verfcheiden vreemde uitdrukkingen, oujehriftmatig: JlcU'.ngen en gevaarlijke gevoelens, in ontdekt hadt. Bekker gaf : , zijne hoogde verwondering over deze uitfpraak te kennen; te meer, daar het, ingevolge dc eigen bekentenis van den voorzitter van het Sijnode bleek, dat deze vergadering flegts de advijfen, en geenzins de aanmerkingen der Klasfen, hadt nagezien, en daar uit dit befluit opgemaakt; ook werdt het herdrukken der Baste ^uu;e van nieuws, op ene boete van 50 rijders, verboden. Dit fcheen nog niet voldoende, maar de Klasfis van Franeker, zogt daar te boven een fchrifteiijke belofte van hem af te persfen, om geene der dingen, welke zij cis aandotclijk in zijn boek hadt aangemerkt, bij monde of go  822' BEKKER. (BALTHASAR) gefchrifte, openlijk of heimelijk te leren; doch van dit Vonnii beriep Bekker zig op de_ volgende Sijnode, welke in junij des jaars 1672, fe Franeker zou vergaderen; hier wierdt hij daar van vrij gefproken, en de Klasfis gelast, het geftreken vonnis in haar boek te rojeren. Met dit al, namen de kwellingen, Bekker over zijn boek de ©agte J>pij$c aan edaan, in 't geheel nog geen pinde. Hoe zeer bij ook fommige uitdrukkingen, over welke men 't meest gevallen was, verfchikte; met behoudenis egter zijner oude gevoelens; hoe zeer hij de onbegaanbaarheid en tegenflrijdigheid der advijfen van fommige Klasfen aantoonde, 't was vergeefs; men wist gefladig nieuwe •Zwarigheden aan te voeren, en hem dus onophoudelijk werk te verfchaffen, Intusfen was het zeer vreemd, dat, terwijl Bekker's boek in Friesland genoegzaam ene algemene afkeuring onderging, nogthans verfcheidene beroemde en om hunne regtzinnigheid zeer vermaarde Godgeleerden het hooglijk prezen , en betuigden, daar in niets, dat met reden kon gewraakt worden, te hebben kunnen vinden; onder dezen munteden inzonderheid uit, de Heren Franc. Burman, Christ. Perizonius en Jakos Axting; die als uit enen mond betuigden, dat zij het beek van Bekker , <Öc;onöe „i>ön;c genaamd, voor geleerd, regtzinnig, en met de formulieren van enigheid overeenkomende , venden. Onder zo veel gewoel en verdrietelijkheden, was het geen wonder, dat Bekker hijgend verlangde ene provintie te verlaten , daar men zijne braaffte pogingen en beste inzigten vergalde; hier toe kreeg hij in 1675 ge.egenheid, wanneer hem het beroep in het vermakelijke dorp Loenen in Holland aan de Vegt gelegen, werdt opgedragen. Men begrijpt dat hij niet aarzelde om het aan te nemen; en hier was het dat de aangename rust dien hij genoot, hem gelegenheid verfchafte, zig op wezenlijker en nutter oeffeningen, dan het zwaardrukkend werk om gefchilftukken famen te ftellen, onledig te houden. Dan hij verbleef egter niet lang op deze ftandp'aats, maar wierdt in 't volgende jaar naar Weesp beroepen, nam in 1677, als Predikant den legerdienst waar, en- vertrók twee jaren later, na--  BEKKER. (BALTHASAR) namelijk in 1679 naar Amfteldam, alwaar hij den 4 december bevestigd weidt. Op het einde des jaars 1680, vertoonde zig bijna door geheel Europa , een Komeet, welker Haart fomtijds omtrent 70 graden bejoeg. - Zij wierdt hier te lande gezien, tot in februarij des volgenden jaars, en in 't algemeen gehouden I als een voorbode yan velerleije rampen en onheilen. Bekker een geflagen vijand en waakzame beftrijder, yan alle voorbcduidzels, nam deze gelegenheid te berde, om ware Jt doenlijk,' de bijgelovige menigte van dezen waan te ontheffen. In 1683 gaf hij zijn werk over de Kometen in 't licht, getijteld: ©nöcrjorft ban De betefcxntnrj Der öometen / bij getegenfjeiö ban De gene/ Die in Deiaren 1680/ iöSi en 1682/ gcfcbcncn hebben/ in 4to.; in welk gefchrift hij inzonderheid bedoelde pm te bewijzen, dat deze verfchijnzels voor geene voorboden van goed of kwaad moesten gehouden worden, maar onder de hemelfe lighamen gerangfehikt, en gelijk de andere fterren, welke op gezette tijden verdwijnen en te rug keren aan vaste en beiïendige wetten, door den Schepper van het Gants-al zeiven gefield, zijn ondergefchikt. Voorts betoogd deez' kundige Leraar, dat het met de ftijl der H. Bladen ftrfjdt, dat men de verfchijningen van fterren ten kwaden duide; verder, dat alle voorzeggingen buiten Gods woord uit- ■ drukkeüjk zijn verboden, en wel inzonderheid, die welke uit den loop des hemels en der fterren worden afgeleid; op deze en meer aangevoerde gronden, bewezen hebbende, dat het gevoelen van de voorbeduiding der Kometen vals is, betoogd hij, dat dus die genen welke dat gevoelen voorftaan i tegens- het Opperwezen zondigen. Tot dus verre alleen van de doling gelproken hebbende dien hij verfoeit, ten einde die te wederleggen, poogt hij verder als een Christen leraar te betogen, dat de mens daar des te groter affchrik van behoort te hebben, als hij bemerkt, dat deze fchadelijke doling uit zijn ; eigen onachtzaamheid omtrent Gods allerheerlijkfte werken voortfpruit: „ Het is bij ons welervare Hollands volk," (dit zijn de eigene woorden van Bekker,) ,, niets groots het zee-  *H BEKKER. (BALTHASAR) „ watej- eiken etmaal te zien twemaal ebben en vloeijen? „ maar duurteen van beiden wat langer, zonder dat men de „ oirzaak ziet, dan is 't wat wonders. Vraagt iemand na „ d'oirzaak van een werk, dat de natuur gewoonlijk doet, „ hij krijgt ligteüjk een fchamper befcheidt; gelijk een boer bij „ Leijden gaf: vraagt gij, zeide hij tot een Geleerden, /20e „ dat komt? dat weet ik wel. Hoe komt 't dan? Dat is altijd „ zo, fprak de goede man. Zie daar 't geheim, 't was altijd „ 20, en daarom geen wonder,' noch waardig om te onder„ zoeken. Maar verneemt men vis of vogel die men hier te „ lande niet gewoon is, men wil weten, niet zo zeer waar 5, dat van daan komt, maar wat het beduid: In 't jaar 1577, „ zegt Hooft, desnagts voor den inval te Amfteldam, quamen te „ ter Heijde, een zeedorp in Zuidholland, 139/14. Walvisjeheit „ zo digt onder't land gezwommen, dat 'er een aan Jlrand klemde; „ d'anderen, om hem te veriosfen, bliezen kragt van water ter jnuit „ uit, en twee der voorbarigJien bekoften hunne trouwhartigheid „ met ge'ijk ongeluk. De grootjle was lang luttel min dan 50, „ hoog bj de 14, breed 10 voeten ruim. Van dezeljjle zoort „ ongedierte was den 2 van Hooijmaand, in de Scheide tot Sastin„ ge, een aangekomen, lang 58, dik in de rondte 43, breed van „ Jlaart over de 13 voeten. Deze zeldzaamheden, als beduidzcls „ van genakende ontfteltenisjen , Jlonden den volke dro.flijk voor. „ Maar uit wat ïeden ? Hadden onze Hollanders nooit meer „ dan 13 of 14 walvisfehen om de Noord vernomen ? ja, maar „ zo digt onder ors land niet. Dit was de zeldzaamheid, en „ die alleen Jtond den volke droeflijk voor. De natuurlijke fchrik„ achtigheid des menfehen helpt hier niet weinig toe, en „ 't wan- en waan-geloof moeten bijzonderlijk in dezen vei> „ dacht zijn. D'onwetenheid, fchrik, en vreze zijn de on„ vaste gronden, daar het bijgeloof op rust, zijnde dit een „ gebrek, Rrijdig met de godsdienftigheid, door overmaat." Met dit werk, en nog een ander, niet lang daar na in 't licht gekomen, zijnde ene ©erfstaring ober be bocijjcgfjingcn ban Daniël, verwierf hij veel roems, bij alle hoogfehatters van gezond verftand en wezenlijke geleerdheid. Dan  BEKKER. (BALTHASAR) **$ Dan het gene den naam van Bekker wel het meest betoemd gemaakt, Ja vereeuwigd heeft; is zijn werk, tot tijtel voerende: SSetober&e Wmdis/ jijnbe'eeu grcnöig cmocr* joeh ban 't gemene geboelen / aangaande be <öee£tcn / oer$dbcr aart / bennogcn/ hetemö en beb$f/ ook hetgeen be Mm* fcbcn boen Derjelbcc bragt of ccineeiifefjau boen. Dit boek, dat eerst te Franeker in 8vo. in 't licht kwam, en vervolgens verfcheidene malen te Amfteldam, en laatftelijk te Deventer in 1737 in 4to. is gedrukt, veroirzaakte reeds vroegtijdig grote opfchudding; doordien de Schrijver daar in tragtte te bewijzen, dat geen goede of kwade Engelen iets op 's menfcben lighaam of geest vermogen, daar verders uit afleidende, dat alles wat van een verbond met den Duivel, toverij, bezetenheid, voor* gefpens, fpookgeesten cf wat verder onder die kiasfe kan gerangfchikt worden, verhaald of gefchreven is, als loutere beuzeltaal moest gehouden worden. Ja dit boek baarde zo veal te meer opziens, dooruien het zonder kerkelijke goedkeuring in 't licht verfcheen, waar toe Bekker als Theologis Doiïor oirdeelde geregtigd te zijn; het mangelde ook niet bij dcrzelver verfchijning, aan klagten tegens den Schrijver, die van alle kanten kwamen opdagen , zo in kerkenraden, klasfen als frjnoden; een gantfe drom van tegenfehrijvers zo met als zonder naam, waar van de ene heviger dan de andere, tegens het boek en deszelvs maker uitvoeren; en fommigen hem ais een ongelovigen, ja ongodist uitfcholden, voorfpelden den Doktor , dat hij een hevigen kampftrijd zou moeten doorworftelen. De voornaamfte Schrijvers die met naam tegens hem opkwamen, waren de Hoogleraars Melchtor Leydekker en vajï der Waayen, benevens de Predikanten Verryn, Groenkwegen, van der Hoogt, Hamer, Brink en J. Leydekker; alle welken hij, zo wel ernftig als fchertzende, naar mate hij dagt dat hun gefchrijf verdiende, beantwoord heeft. De eerfte aanleiding die Bekker tot de behandeling van dit enderweip hadt bepaald, was ene leerrede, die hij op zijn eerfte ftandplaats te Oosterlittens deedt, over Daniël II. vs. 11, daar de Toveraars genooddrongen zijn te belijden, dat zij geeII. Deel. P  zzS, BEKKER. (BALTHASAR) pq bekwaamheid hadden, om 's Konings droom te verklaren • de woorden zijn: Want de fake die de Koningh begeert, is te f\t'a;f * ende daar en is niemant, die dezelve y.or den Koningh te 'kennen, kan geven, dan de Goden, wekker wooninge bij 't vieesch ■liet eti is. Hij onderzogt daar in het vermogen, welk den Duivel doorgaans wordt toegefchieven, en deedt, ten zei ven einde, hog ene leerreden over Exod. VUL vs. 18. Hij verhandeld hier in de vraag, welke tog de reden zijn mogt, Waarom de Toveraars aldaar vermeld, zo wel geene luizen als varfthen en flangen konden voortbrengen? Nog tweemalen naderhand predikte hij over gelijkfoortige onderwerpen, als eens pver de Toveresfe van Endor of Sauls Waarzegfter, i Samuel XXVIII. vs. 7-25, en eens over Jobs Duivel. In de beider laatfte predikatiën, die hij te Amfteldam deedt drukken, beweerde hij inzonderheid, dat de zogenaamde Toverijen en Spoken , eer voor bedrog van menfchen , dan voor werkingen Van den Duivel moesten gehouden worden, tevens te keimes gevende, voornemens te zijn, iets wegens de Toverijen es Spoken in 't licht te geven. Intusfen dat hij bezig was, met "x gene hij op den predikftoel hadt geleraart, in gefchrift te. {tellen en te befchaven, kwam. uit Engeland een verhaal wegens, een zeer zonderlinge toverij. Bekker bepaalde zig terftond om dit boek met enige aanmerkingen in 't nederduits uit te. geven; belovende tevens, zijn'werk over de Toverijen eerlang te doen drukken; en, uit dit een en ander, wierdt ten, laatiten zijn zonderling boek, de Betoverde Wereld genaamd, geboren, In dit zo be'rugte werk, fpreekt hij van de werkingen der geesten op de lighimen, zodanig, dat hij in dezelve genoegzaam ene volkomene onmooglijkheid fchijnt te Hellen, en verder alle zodanige plaatzen, in welke van Engelen zo goede als kwade wordt gefproken, en waar uit men derzelver beftaan en werking gewoon is te betogen, geheel anders verklaart; hierom is hij ook verdagt gehouden , het gevoelen der Sadduteuwen aan te kleven, die aan het beilaan yan Geesten noch Engelen, geloof floegen; hij heeft zig nogthans van deze * * . blaam  'BEKKER. (PjALTTIASAK) 22? blaam gezuiverd, en getoond, dat hij het aanwezen van Geesten en Engelen buiten God, erkende. Tot beter verftand, oirdelen wij niet ondienftig, 's ir.ans gevoelen hier omtrent voor te dragen, zodanig hij het zelve betoogd heeft in ene ^cftjiftcln'he fatfêfactfe/ aan dc Klasfis van Amfteldam ingele' verd: „ Hij erkende daar in namelijk, i. dat 'er Geesten zijn „ van God gefchapen, denkende wezens, geheel wat anders „, in hunne natuur en werking, dan de Iighamen en hunne „ werkingen kunnen zijn. 2. Dat deze Geesten zijn, ofmen„ fchelijke, dat is onssjrrenfehen door de fchepping gegeven , „ en voortgebragt tot een lighaam, om met het zelve verenigd „ zijnde, te werken. 3. Of ook andere, die tot geen lighaam „ zijn gefchapen, om in vereniging daarvan, gelijk de men„ fchelijke ziel te werken. 4. De Geesten die tot geene ver„ eniging met bijzoirdere Iighamen gefchapen zijn, worden in „ de H. Schrift, Engelen genaamd, die dan gefchift worden, „ in goede en kwade; het hoofd der goede Engelen, is Mi„ chaöl, gelijk hij, die genoemd wordt Duivel en Satan, het „ hoofd is van de kwade. 5. Dat de goede Engelen, in de „ volmaaktheid hunner fcheppinge volhardende, Gods Engelen .„ genaamd worden; en dat hij dezelve gebruikt naar zijn be-' „ lieven in het uitwerken zijner oirdelen, tot dienst zijner „ uitverkorenen en tot ftraffe der godlozen; maar dat de boze „ Engelen, van God afgevallen, en daarom, naar hun hoofd, „ des Duivels Engelen genoemd, in de helfche verdoemenis „ verftoten, en vijanden van de gelovigen zijn." Ook bekend Bekker te geloven, „ dat 'er een Duivel is, nogthahs niet „ meer dan een, doch die vele Engelen heeft." Dus kwam het op de werkingen van den Duivel omtrent de menfehen aan, die hij duidelijk ontkende; doordien hij beweerd, dat de Duivel met ketens in de helle geboeid en hem alle magt benomen is. Doch doordien dit ronduit ftaande te houden, te veel zou aanlopen tegens Gods woord en tegen de formulieren van enigheid, welke hij ondertekend hadt, die de verleiding van den eerften mensen tot de zonde, aan den Duivel toefchrijven, erkent Bekker hierom, dat de Duivel wel de P 2 oir-  £1$ BEKKER. (BALTHASAR) pïrfprorjg van het kwaad is, maar op welk ene wijze, bepaald hij nergens; bewerende tevens., dat de Duivel hier om verdoemd en m de, helle verftoten is, en noch door zig zei ven, noch door zijne Engejen werkt. Het verhaal van 's menfehen eerfte verleidinge, erkent hij wel ene befchrijving van net Werk des Duivels te zijn; doch hij gelooft niet dat die gefchiedenis alzo gebeurd is, gelijk zij verhaald wordt, maar verklaart dezelve in enen. leenfpreukigen zin. Qp de zelvde wijze handelt hij met de. verzoeking van Christus in de woestijnej welke, hij opvat als ene inbeelding des. Zaligmakers, die zig den Duivel, in eenzaamheid zijnde, dus fpiekende verbeeldde, en a'zo beftreedt. De, werkingen des Duivels, zijn bijj hem werkingen van de menfehen zelve, dcch aan den Duivel tqegefchreven, als die in den eerften me.nsch de boze begeerlijkheid die uit de zonde over alle menfehen gekomen is, ontfteken beeft. Eveneens verklaart hij alle plaatzen, in weike van het u.itdrijyen van boze geesten wordt gefproken, van zekere krankheden, en beweert, dat de H. Schrift, in opzigt van de werkingen der Geesten, zo goede als kwade,, (preekt naar het gevoelen der Heidenen, door de Joden overgenomen, die.alle werkingen, van welke zij geene rede konden geven,'aan zekeren Geest toefchreven. Voorts handelt Bekker van de bijzondere gemeenfehap met den Duivel, tot een uitgedrukt"verbond; en na zulks aan de gezonde reden getoetst te hebben , gaat hij met dit onderzoek voort, ten aanzien van dat gene, 't welk de H. Schrift daar van aan de hand geeft, en dan bevindt hij al mede niets dat naar een verbond met de.n Duivej. gelijkt, maar wel in tegendeel, dat het gevoelen van zulk een verbond der menfehen met den Duivel, door kragt yan welken alle toverijen zouden gefchieden, niet ftrookt met de leVt, noch met de beftieringe van Gods verbond, zo voor als onder de wet; en allerminst onder 't euangclie, Dus vqrre dan naa.r zijn inzigt bewezen hebbende., dat het gemeen gevoelen yap de toverij, en 't gene daar aan verbonden is, geb^J gn, al is buiten, en, wat mqer is, tegen den Bijbel, befchouwt hij verder, wa,t dan datgene zij, da_t ons de Schriff van  LEKKER. (BALTHASAR) ïz£ Vén zulke menfehen zegt, en wat zij van huh doén getuigd; Één dien einde brengt hij de perfonen die zulks betreft eers? te vouifciijn, om te doén vatten, wat van zulke liedera te verwagfefi was, wat oogmerk zij baddert, ten welkëri einde Zij hij gr tên en k'eihen zijn gevraagd èn te werk gefieldJ daar ha ziet hij Bun hunne handelingen en kunften af j eh vertoond daar bij de redenen, die 't volk, en zonderling de Koningen,' zelv in Israël, bewogen, om zig aan deze menfehen te vérgapen. Dit leidt hém nu als van zelve om na të géafl, Wat hu eigehtlijk naar de Schrift van al dat Volk te houden 2ij, en hij toont aan, dat h m doen van geen vermogen was', dat zij niet wisten t gene zij voorzeiden 'of als een bijzondere geheimenis openbaarden; dat ze waarlijk niets met al dedeh vffl *t gene zij zig onderwonden, maar alleenlijk zulkön enkelen fchijn wisten té makfen, en dat daar in hunne gehele konst beftond. D >'ch nademflal de Bijbel op ettelijke plaatzen ?.ó fchijnt te fpreken, dat ze in de bezweringen der Toveraars zelve geen kleine kragt ftelt, zb 'onderzoekt Bekker , Wat eigentlijk daar mede te kennen Wordt gegeven; èn befhu't, dat de H. Schrift niet zegt; 't gene zij daar fchijnt te zeggen. .Hier cp verklaart hij, Waar in dan èigentlijk dit kwaad beftaat, en hoe 't bijkomt, dat die menfehen met hunne könftenarijen, en wel met name die van Israël; die hen agter na liepen, in den Bijbel zo flegt te boek ftaah, ên t'zedert bij 't eerfte Chris» tendóm- nog zo gehaat en geftraft zijn ; midsgaders welke de reden was, van die wetten, waar bij dezelve onder 't Oude en Nieuwe Testamënt verboden zijn. Tot hier toe nög maar gefproken hebbende van de genen, die gemeenfehap zouden hebben met deh Duivel, gaat hij verder over, om van eb zulken te fpreken, die mén acht dat den Duivel meest tegen hebben, en, naar den geest met hem in zwaren ftrijd, of aan den lijve zwaarlijk gekweid, dat is, bezeten zijn. Na Zulks korteüjk veihandeld te hebben; gaat hij voort, met aan ts wijzen, wat hier ons oirdéel over behoord te zijn, en hoed^ hig een Christen zig daar omtrent behoort te gedragen. En s doordien hem door fommigen zijner tégenftrevers zijn vcorge» P 3 wor.'  230 BEKKER. (BALTHASAR) worpen, de zogenaamde ■formuUt^a; poogt hij te betogen, op hoe zwakke gronden de voornaamfte Leraars bouwen, van welker meiningen bij Grsrj. Voetius is te vinden ; en dat de ' Schrift, niet grondig onderzogt, alleenlijk op den klank der woorden, naar gewoonte, en op blote aanwijzinge, tot bewijs wordt bijgebragt. Daar tegen wijst hij aan, hoe de formulieren, naar inhoud der verhandelde Schriftuurplaatzen moeten verftaan werden, In alles wat dezelve van aanvegtïnge of verleidinge des Duivels, geestelijken ftrijdt, toverij, waarzeggingen , en belezingen vermelden; en dat derzelver welgevoegde ftijl dat ook medebrengt. Dat meer is, hij betoogd nog verder, dat deze gemene doling, omtrent de voorzeide werken des Duivels en zijn volk, met onze formulieren ftrijdig is, en dat geene andere, dan die in zijn gevoelen ftaan, bekwaam zijn d'ondertekening, die alle Leraars der Gereformeerde Kerken voor 't aanvaarden hunner dienften doen, in dezen dele goed te maken; teffens toont hij aan, dat 'er de godzaligheid des levens merkelijk door gebroken, Gods eere grotelijks verkort, 't geloof en de liefde zeer gekrenkt, het Christendom voor d'ongelovige ten toon gefteld, en ons gebed ontheiligd en belemmerd wordt. Llier nu over maakt hij het beiluit op, wat ons van die dingen te geloven en te betragten ftaat; vooreerst van fpoken in 't gemeen, en dan bijzonderlijk van voorfpook en voorfpelling; hoe verre die mooglijk is of niet, en aan welke oirzaak toe te fchrijven. Volgens zijn betoog, is ze aldaar natuurlijk , maar niet van den Duivel; 't zelve geeft hij ook te verftaan van de zogenaamde hexenfpoken, en wichelingen; insgelijks ook van bezetenheid, die van den menfehen door verbond des Duivels zij gewrogt, en voorts, hoedanig een toverij in de wereld is, of niet; vervolgens leert hij, hoe wij ons in dit alles naar behoren moeten gedragen, met veel cerbieds en godvrugtigheids tot God, met liefde en befcheidenheid tot onzen naasten, en voor ons zelv tot oeffening van godzaligheid. Het verhandelde zou ons reden geven ts denken, dat de zaak hier mede voldongen ware; maar de ondervindiuge> de beste leermeester der dingen, op een menig.  BEKKER. (BALTHASAR) |}| j sigte voorbeelden fieunende, fchijnt hier in den weg te zijn j doordien men zig daar op beroept, en dat met zulk een kragta dat de óren doof flaan voor de redenen, tot hier toe bijge-, bragt. Om dan die ondervinding ten gronde toe te onderzee* ken; en op dat niemand zegge, dat hij met zijne nieuwe lere wil tegenfpreken de gantfe wereld, vol klaarblijkelijke proe-. ven zulker werkingen des Duivels, als hij ontkent, dat 'etzijn; onderfcheidt hij die in een ondervindinge, die hij zijii er. gene noemt, en die van andere wordt Voorgegeven; éigeri gaat voor al; maar ten einde niet mis te tasten, toont hij eerst, hoe een inenscb op eigën ondervinding mag betrouwen, en dan hoe verre hij anderen daar in mag geloven, fot on« derrigting, geeft hij dan vooreerst te kennen, dat weinige van ons bekwaam zijn, om behoorlijk oirdeel van die dingen öp te maken; of ook wel, dat ons de gelegenheid ontbreekt; oiri alles, wat tot volle kennis vereist wordt, te vernemen, Het eerfte ftelt hij in 't vooroirdeel, daar wij medé ingenomen5 zijn, als ook de vreze en fchrik, dié ons op zulk ene ontmoeting overvalt; als mede, in gebrek van kennis; wat de kregten der natuur vermogen; het zij om iets te werken, hst zi] . om iets alleenlijk te doen fchijnen, dat zo niet is; het zij ook; om 't bedrog te merken van de menfehen, en de kragt der konst en oeffeningen, die ons zulke dingen, welke zij maar i natuurlijk doen, voor toverij doen aanzien en geloven; hier Van geeft hij verfcheidene proeven op ; en dan belangende' de gelegenheid; die dikmaals ontbreekt, om agter 't geheim1 der Natuur te komen. Dit afgehandeld, brengt hij te berde dé voorbeelden van fpokerij, van bezetenen en betoverden \ die hem zelv bejegend zijn; hij oirdeelt daar uit van den Papé-* gaaij, in de GedenkfchYiften van den Ridder Temn-e' vernield, i die men geloofde dat betoverd was, en vergelijkt dat voorval met een andere ondervinding; hem zelv bekend. Van die betovettheid des lighaams gaat hij over tot de zie!, en meld zijn eigen ondervinding aan meer dan een perfoon, en op verfcheidene plaatzen, in 't bijzonder te Franeker; voorts brengi' : hij vele voorbeelden Y" van fookerijen s.n bszïtenhedsn, die f'4 ' m  tl 2 BEKKER.. (BALTHASAR) na nauwkeurig onderzoek, bevonden wierden van alle waarheid ontbloot te zijn, en na men die met alle zorgvuldigheid ontleed hadt, niet anders dan de fchim overlieten. Verder reist de Schrijver met zijn boek de wereld rond, en brengt allerlei} voorbeelden bij, die meest beroemd en ook de kragtigfle gerekend zijn, om 't gemeen gevoelen te bewijzen. Eerst van Spokerij en toverij, die voor gewoon te boek ftaat; gelijk de vitte wijven, van welke men in ons land fpreekt, de witte vrouw van Rozenburg, en meer dingen van dien zelvden aart. Voorts, handelt hij yan de zulken, die men zegt, fchoot-en fteekvrij te zijn; bewijzende dat alles vals is, wat daar van verteld wordt. Vervolgens begeeft hij zig tot 't onderzoek van vele bijzondere vertellingen; en in de eerfte plaats, van zulke die men geen zekeren naam kan geven, of 't fpokerij, of wichelarij of toverij, of bezetenheid voor 't merendeel te noemen zij, om dat in een verhaal verfcheidene fooiten te zaaien komen; vervolgens wordt van wichelarij of toverij, ieder in 't bijzonder gehandelt; van alle deze onderfcheidene onderwerpen een menigte verhalen bijbrengende, van gebeurtenisfen die 't meeste gerugt in 't vak van Jpokerijen, betoveringen enz. gemaakt hebben, en teffens daar van de tastbaarfte valsheid aantonende. Voorts betuigd Bekker , dat indien hij meer voorbeelden, die tot bewijs van des Duivels werkea worden aangevoerd, wilde onderzoeken, hij nimmer eén einde zou vinden ; en dat hij derhalven de verhandelde voldoende befchouwt, alzo die boven anderen bekend, onlangs geleden, en nabij, of een van beiden zijnde, gewisfer onderzogt, en op de plaats, en bij de levende bevraagd, tot des te klaarder overtuiginge des lezers moeten dienen. Van 't werk eindelijk fcheidende, fluit hij met een t'zamenftel van al 't bewijs tot een , dat in alle' de vier boeken van zijn werk ergens t'zijner plaatze is aangewezen; 't welk zo veel uitbrengt, als dat er geen reden is in de Natuur, noch bewijs in de H. Schrift, noch blijk uit de bevinding, om aan de boze geesten toe te fchrijven de werkingen, die doorgaans gelooft worden voort (©komen van den Duivel, of van zulke mes-  BEKKER. (BALTHASAR) 23$ toenfchen, die met hem in bondgenootfchap zouden ftaan. Uit dit alles toont onze Doktor dan ten flotte, hoe kwalijk zij doen, die in plaats van de bijgelovigheid uit te tugtigen, dezelve voeden; een fchuld die veel meer Kerkelijken en Schoolgeleerden, dan Overheden en Regters betreft, gevoigelijk dan ook verpligt, om op genezinge van 't ingekankerd kwaad bedagt te zijn. Doch vermits dit langzamelijk te hopen is, wil Doktor Bekker zijnen lezer, en hem zei ven te nutte maken de lesfe van den groten Kruisgezant Paulus; verwerp d'ongoddelijke en oudwijffclie fabelen, u zeiven oeffenende tot godzaligheids 1 Tim. IV. vs. 7. En dit, betuigd de Schrijver, het gehele werk door in acht genomen te hebben. Het kon niet misfen, of de Kerkenraad van Amfteldam „■ Bioest van een boek 't welk zo veel gerugt maakte, en zo veelvuldige klagten en opfchuddingen verwekte, kennis nemen. Dit begon op den 31 meij 1691 met ene commisfie, om de wetten, aangaande het vifiteren der boeken na te zien; vervolgens kwam de zaak zelve te berde; een ieder wierdt vermaant het boek te lezen; men benoemde gelastigden om uittrekzels te maken, als mede om met Bekker , die zig daar toe aanbood in onderhandeling te treden; het herdrukken zijner boeken wierdt middelerwijl verboden. Inmiddels deedt Bekker een reisje door Friesland, Groningen en Overijsfel. Te Amfteldam te rug gekomen zijnde, vondt bij zijn boek algemeen verfoeid, en orde gefteld om met hem te handelen over de vereiste voldoening wegens de ergernis, door hem aan de Kerk gegeven; 't welk Bekker zig liet welgevallen. Men tradt dan met hem in onderhandeling; doch hij bleef volftandig weigeren, enige andere voldoening te geven, dan in algemene bewoordingen behoudens namelijk zijn gevoelen, en alleen met betuiging van leedwezen , dat de Kerk uit zijn boek zulk een ergernis hadt genomen, daar bij met het fchrijven van 't zelve een rein en zuiver oogmerk heeft gehadt, te weten, om God alleen de eere te geven, en de overblijfzels Van deze ongelovigheid des Pausdoms, uit veler harten weg te r.sraen. Deze betuiging voldeed egter gants en al denKerkenP 5 raad  Ü* REKKER. (BALTHASAR) raad niet, maar zij eiste ene uitdrukkelijke herroépin» zijne* gevoelens, waar toe hij evenwel niet konde befluiten kwam de zaak voor de Klasfis; dezelve oirdee'de d* he* boek behoorde gevifiteerd te worden, 't welk Bekker ontkende z.g ten dien einde beroeper.de op zijne waardigheid van Dokter ij de Godgeleerdheid. Vermits hij de zaak met deze vergadering niet eens konde worden, beriep Bekker 2iV ou een hoger regtbank, de Sijnode, niet'om dezelve als Regter te eikennen, maar gelijk fommigen verhalen, om'tijd te winnen en het overige nog niet gedrukte gedeelte van zijn werk de Betoverde Wereld, in 't licht tp n-P™„ .... „, . ' m c llcm te geven, gehjk gefchieddë. Dé Sijnode trok de zaak tot zig; doch vernomen hebbende, wat er in oen Kerkenraad en Klasfis van Amfteldam was voorgevallen, en hoe deze de zaak naar behoren hadt behandeld, wijst zij na Bekker gehoord te hebben, de zaak aan de Amfiel damfe Klasfis te rug; betuigende niet voldaan te zijn over des Doktors antwoorden, pr^endë de ernffige handelingen des Kerkenraads en tevens last gevende aan de Klasfis van A,nfieldm en de Deputaten van de Sijnode, om verder over de zaak te handelen. Na dat de Kerkenraad de zaak weder in handen hadt genomen, wierden 'er ettelijke artikelen ontworpen, om Bekker voor te houden, hij beantwoordde die fchrif. bragt hie, op de zaak voor Burgemeester, en doordien hij den Kerkenraad geene voldoening gaf, vondt deze andermaa goed zig aan de Klasfis te vervoegen. Na veel over en we- t 6n ^:l:VCn ' M het ho^ *» verfcheiden fa- menkomften ook met de regering der Rad, onderschreef Bekker ten iaatften enige artikelen van voldoening; bij verklaarde >n dezelve te geloven: „ dat 'er goede en kwade geesten » -P; dat de Duivel, de begeerlijkheid in des menfehen » -u-ten ontftoken hebbende, den mensch verleidt, doch ook , daarom.m de helie geworpen is, en hem nu voortaan gee>, ne werkingen omtrent de menfehen kunnen toegefchioven „ worden; dat hij dit niet hieldt voor een ter zaligheid noodzmiijk leerflak, maar het enkel aanmerkte als een pnMma h of  ' BEKKER. (BALTHASAR) 235 of voorftel dat te onderzoeken was; 't welk hij verzogt dat in hem geduld mogt worden; dat 't hem leed deedt, dat hij „ zig in geene onderfchcidener bewoordingen hadt uitgedrukt „ ten aanzien van de leer der Hervormde Kerk, even als of „ deze niet zuiver ware van de gevoelens der Mankhéen, en „ dat het gene in 't algemeen gezegd was, alleen op de bij„ gelovige leden der Kerke moest worden toegepast; dat hij „ zig aan de formulieren van enigheid hieldt, en beloofde „ zijne gevoelens niet verder te zullen verfpreiden." Na deze verklaring, wierdt de zaak bij de Klasfis in omvrage gebragt, en nam de vergadering genoegen in dezelve; voorts fchorste zij Bekker, om de gegevene ergernis, voor den tijd van twee maanden in zijnen dienst. De cenfure wierdt van hem aangenomen, en van dezelve kennis gegeven aan Burgemeesteren van Amfteldam, die zig dit lieten welgevallen, en bevel gaven, dat de artikelen van fadsfaüie gedrukt wierden. Dus dagt men dezen oorlog geëindigd, en den weg tot alle verdere onderhandelingen over de zaak van Bekker te hebben afgefneden. Doch verre van daar, men rekende buiten den waard; want zo dra wierdt het befluit van de Klasfis niet rugtbaar, of de opfchuddingen vermeerderden; 'er kwamen brieven van den Kerkenraad van Rotterdam, en remonilrantien van de leden der Gemeente aan den Amfteldamfen Kerkenraad , klagende over het afdoen dezer zaak met zo weinig vergenoegen, en over de geringheid der cenfure, in evenredigheid van de grootte der misdaad. Alle Klasfen en Sijnoden van geheel Nederland, raakten in iep en roer. Elks ogen waren na gevestigd op de naastvoigende Sijnode, welke in Notrdholland moest gehouden worden, en men verlangde met ongeduld, naar 't gene men daar in zoude befhuten. Dc Klasjis van Hoorn fchreef een gravamen over deze zaak uit; dc Kerkenraad van Amfteldam bragt ccn confifioriaal advijs in de Klasfrs, dat Bekker , voor dat de Sijnode was gehouden, van zijne cenfure niet mogt ontflagen worden. Eindelijk vergaderde de Noordhllar.dfe Sijnode in 't begin van augustus 1692, binnen Alkmaar. H;cr vierden hem de ingekomer.c grieven voor-  *3$ '■ BEKKER; (BALTHASAR) Voorgehörderi. De Sijnode ham inzonderheid kwalijk, dat Bekker, voorgevende voor de magt van God alleen te'pief ten, de Kerk befchuldigde, dat zij die ontkende. Ook dat hii her. Profetisch ambt van Christus benadeelde, indien hij fleü de, dat het gemeen gevoc'en van de werkingen dés Duivels ten tijde van Jesus verkering op aar.ie, reeds bekend was geweest, zonder dat Christus zulk een wangevoelen hadt tegengefprokëri. De Doktor bekende voor de Sijnode, dat Je* sus zekerlijk dat gevoelen zou hebben moeten tègenfpieken ingevalie het ten Z'inèn tijde onder de Joden was bekend geweest ; doch hij ontkende, dat zulks met 'er daad plaats hadt. Men hieldt hem dan zijne eigene woorden voor, in welke hij zegt: „ dat dit wangevoelen reeds onder de Jodèn was „ en dat de zulkén, die bij Jesus over bezetenheid klaagden', * niet naar naarheid fprakën , maar naar dat wangevoelen, welk „ de Joden, na dat zij meer verkering met de Heidenfe Wïjs" geren Sèhadt haddeil> «dd-t de Babijlonife gevangenis, had,,, den overgenomen." Bekker zogt zig hier over te verdédigen , doch het Sijnode nam geen genoegen in zijn antwoord. Na lang óver en weder handelen, kwam mén tot een befluit ' dat ieder Predikant in NooydkUand zijne gedagten over Bekker's boek, fchrifterijk zoude inleveren, en hij zelv' alle* waaromtrent de Kfasfo zoude overeenkomen , zou wegnemen, veranderen, herroepen, ja zelvs wederleggen. Doch Bekker vondt hier m geen genoegen, maar leverde een Remonftrantiè m, waar m hij weigerde het Sijnode voor zijnen regter te erkennen , onder anderen voor reden gevende, dat hij reeds een cenfure hebbende uitgeïlaan, mét geene twede kon bezwaard worden, waar van de Sijnode het tegendeel beweerde. Na dan enigen tijd met Bekker gehandeld te hebben, om te vernemen, of hij nadere voldoening zoude willen geven, en lm, by 'tgene te Amfteldam gefchied was, bleef volharden, wierden de advijfen ingenomen. Dezelve kwamen hier op uit, dat Bekker geene'genoegzame voldoening hadt gegeven, en, zo lij hier omtrent weigeragtig bleef, in dè Kerk niet lanter konde geduld worden, cn daarom van ztjnen dienst wierdt af  BEKKER. (BALTHASAR) 237 afgezet. Dan Bekker onverzettelijk op zijn ftuk ftaande blijVenJe, wierdt na hem nogmaais te vergeefs vermaand te hebben, van zijne gevoelgos af te flappen en meerder voldoening te geven, met eenparigheid van Hemmen, het volgen ie befluit genomen. „ De Christelijke Sijnode alle zagtmoedigv heid en befchqidenheid gebruikt hebbende, om Dr. Bal„ thasar Bekker, tot ene genoegzame retraciatie te induce„ ren, en zijn Eerw. blijvende weigeren de Sijnode voor zii,, nen competenten regter te erkennen, en de artikelen van ,, fatisfa&ie, bij de Christelijke Sijnodüs opgefteld; heeft op da „ incebragte advijfen van de Klasfen, met eenparigheid van J? ftemmen, denzei ven Dr, Bekker verklaart, intolerabel als ?, leraar ijl de Gereformeerde kerk, en vervolgens hem van ,, zijnen predikdienst geremoveerd , gelijk ze denzelven re„ moveerd mids dezen, en zal aan de Eerw. Klasfis en den „ Eerw. Kerkenraad van Amfteldam, ene copije van deze re„ folutie en conclufie toegezonden worden, om haar zeiven „ daar naar te reguleren." Zodanigen vonnis geveld zijnde, wilde men Bekker daar yan kennis geven; doch hij hadt Alkmaar reeds verlaten, agterlatemde een fchriftelijk protest, waar in hij verklaarde, niet te kunnen berusten in ene Sententim c.ondemnatoria a non Judice, een vonnis van veroirdelinge geveld door iemand, welke hij voor geenen regter erkende. Het yonnis door de Sijnode ge/Treken, wierdt kort daarna, door de wethouderfchap van Amfteldam bekragtigd, egter vondt zij tevens goed, om Bekker zijne gewone jaarwedde tot aan zijnen dood te laten behouden. Dit vonnis bekend geworden zijnde, regende het eerlang boekjes en gefchriften, waar van fommigen waren ingerigt, om het gedrag van de Noordhollandje Sijnode en andere Kerkelijke handelingen omtrent Bekker gehouden, hemelhoog te prijzen; terwijl anderen , het ten hoogften verfoeiden en als onregtvaardig uitkreten. Wij zullen flegts van een der laatflc foort melding maken, om deszei vs zonderlingen inhoud; het is getijteld; ©en trinmp&tïcnocn ©uibel/ j'pofenDc omtrent öett bera. j^aniayfuG"; de ongenoemde Schrijver, vangt dus aan ; „ De  *3# B'EKKER. (BALTHASAR) „ De Duivel is zeer gelukkigen in vci'igheid, zegt Merkü-. „ rius , doordien de Grote Raad der Theologanten zig met „ zo veel ijver voor hém in de bresfe Reld. Maar hij kosto „ niet begrijpen, hoe dat menfehen, wier beroep vordert „ om den Duivel afbreuk te doen, en hare kudden de middc„ len aan de hand te geven, ten einde hem te weerRreven, „ zijne belangens met zo veel ijver kunnen' omhelzen, eri „ voor hem en zijn rijk de wapenen aangorden. Zij hoor„ den het evenwel, en zagen het: de ene zeide, Bekker „ heeft geen eerbied genoeg voor de Duivel: de andere, hij „ fpot met den Duivel: een derde, bij fpreekt op een al te „ lugtigen trant van Satan, hij moest hem met meerder be* „ fchaaftheid behandelen, dewijl het een fchepzel van God is : „ nog anderen zeiden, de Duivel is noodzaaklijk, hij komt in „ onze kraam te pas, wij kunnen hem niet misferj; het volk „ zou ons niet geloven, en onze Jeerdienst zou te gronde „ gaan, indien dc Duivel niet in Jt fpei kwam en ons vaarwel „ zeide: wie zou de moeite willen nemen om God te vrezen „ indien het niet was uit oirzaak van den Duivel ? De men„ fchen zouden nimmer naar den hemel willen gaan, indien ,, de Duivel hen 'er niet naar toe joeg." Uit dit enkelde Raaitje kan men afleiden, op welk een' trant fommigen der apologisten van Bekker , hem verdedigen. Ook wierdt 'er in dien tijd een allerkwaadaartigfte fpotpenning gemunt, verbeeldende een Duivel in een Predikants gewaad met mantel en bef uitgedost, zittende op een ezel , en houdende een banier of vaandel in zijn hand, om aan te duiden, dat het een zegepraal , was door den Duivel bevogten. De Kerkenraad van Amfteldam was nog niet ten vollen vergenoegd, met de afzetting van Doktor Bekker bewerkt te hebben, het geluste haar een Rap verder te gaan, met hem de kerkelijke gemeenfehap te ontzeggen, en hem van 't avondmaal te weren. Deez' brave man, hij mag dan zo ketters over den Satan en zijne Engelen gedagt hebben als men wil, bekreunde zig daar luttel over, en vervoegde zig bij de Walfe Gemeente, daar men geen zwarigheid maakte, om hem aan  BEKKER. (BALTHASAR) ffi) de tafel ces Heren als medebroeder en disgenoot te ontvangen. Dus van de vervolging der Geestelijkheid bevrijd Heet hij het overige zijner dagen in rust te Amfteldam, en overleed aldaar aan de pleuris op den 11 julij 1698, in den ouderdom van bijna 64 jaren Zijn Hoffelijk overblijfzel wierdt naar Friesland gevoerd, en te Jelfwn, een dorp nabij Leeuwarden gelegen, in zijn vrouws familiegraf, begraven. Die van b mans godvrugtig en in de daad christelijk affierven, als ook zijn gantfe gedrag, op zijn ziek- en fierfbed, daar hij ruim drie maanden met veie fmertcn worflelde, onderrigt wil zijn, raadplege het verhaal daar van door zijnen zoon, onder den tijtel van: JbtCtfütöiJC ban ©ent. Bekker in 't licht gegeven; een verhaal dat door ieder, die enig gevoel van ware godsvrugt heeft, niet-zonder innerlijke zielsaandoening kan gelezen worden; voorts voihaidde hij tot aan zijn dood toe, bij zijne gevoelens ten aanzien van den Duivel en de werkingen der Geesten, met betuiging, dat hij voor 't overige de aangenomen^ leert ftellingen der Hervormde Kerk yastlijk geloofde. Bekker is getrouwd geweest, met Fkquk Fuluobus, dogter van Bernaedus Fuxlenius, in leven Profesfor te Fmieker, eerst in de hebreeuwfe taal, naderhand in de mathefis, en Hf,. üelia Hinkma ab Hinkexboro, uit een adelijk geflagt, wiens zuster Alethaja , de moeder was van den wijdberoemden generaal en veldbouwkundigen Menno van Coehoorn. Bij deze vrouw heeft hij een zoon verwekt, met name Johankeï Hendrik Bekker, die in 1737 als Predikant te Jclfv.m is overleden; benevens twee dogters, "waar van de jongfte Anna Maria Bekker, is getrouwd geweest met Ds. Jeremias Hendrik Brüining, Predikant te Beetgum. Ten aanzien van de geftalte zijn's lighaams en houding, was Bekker geenzins gunftig door de natuur begaaft; zijne tronie inzonderheid was. allerongelukkigst, een lange neus die genoegzaam op zijn vooruitfiekencle kin ruste, met ingevallc; a konen, vormden een gants onbevallige tronie; 't weik i.a Mosnaye zijn pourtrait ziende, voor den franfendruk van zijn- 50?*  a4*» BEKKER. (BALTHASAR) S&ctoucrbc Wmlo/ niet onaartig op derzelvet lelijkheid zu* Spelende, deedt zeggen ; Oui, par toi de Satan la puisfance est brifée, Mais tu n'as cependant pas encore asfez fait i Pour nous oter du Diable entierement l'idée, Bekker fupprime ton portrait. Doch zo min gunftig hem de natuur, ten aanzien van zijne lighaamsgeftalte en tronie geweest was, zo veel te meer bezat hij van hare gaven, ten opzigte van zijne zielsvermogens en verftandige hoedanigheden. Onzijdigen getuigen, dat de naam van fchrander, geleerd, weetgierig en arbeidzaam, hem niet kan onthouden worden; bij bezat een vrijen geest, en wild© zig aan niemands gedagten flaafs verbinden, maar onderzogt alles ingevolge de geftrengfte regelen der reden, of 't gene hem zulks toe fcheen; voorts was hij vurig en vlug van vernuft, en wanneer hij eenmaal een gevoelen hadt omhelst, was hij 'er niet gemakkelijk af te brengen, ja fomtijds betrouwde hij te veel op zijn eigen oirdeel; hij hadt met veel andere grote mannen die diep denken gemeen, dat hij fchranderder was, om twijffelingen en zwarigheden te opperen, dan die op te losfen; ongemeen moedig in gevaren te zijn toonde hij bij meer dan ene gelegenheid, als onder anderen ook, toen zijn borstbeen aangeftoken zijnde, men hem ene grote opening in de borst moest maken, en een ftuk vlees 'er uitfnijden'; deze pijnlijke bewerking, ftondt Bekker met ene wonderbare'ftandvastigheid door. Ook was hij zeer goedhartig en vriendelijk, en wist zig door zijne dienstvaardigheid, bij zijne ambtgenoten aangenaam en bemind te maken; van welken enigen ook alles hebben aangewend wat in hun vermogen was, om hem, ware 't mogelijk te behouden. Hij hadt geen uitwendige gaven voor den kanfel ; en fchoon hij kundig was in de mathefis, de beste van alle de logica's, waren zijne leerredenen niet regelmatig, maar egter zodanig ingerigt, dat die voor ieder verftaanbaar waren; ook was hij door zijn ongemene vlugheid, bij-  BEKKER. (BALTHASAR) 241 Bijkans altoos in ftaat tot het waarnemen van een predikbeurt. Van aart boertig en fcheitzend zijnde, ftak zulks fomtijds ook in zijne predikatiën gelijk in zijne fchriften, door. Dus verkoos hij wel eens texten, die op zekere voorvallen floeren, welke hij in 't oog hadt; zie 'er hier een paar voorbeelden van: een zijner ambtgenoten osfen hebbende te bezorgen, en onzen Bekker verzogt hebbende om voor hem te prediken, nam hij tot text de woorden: 1 Korint. IX. j*. 9. Zorgt ook God voor de Osfen? Toen hij van Weesp naar Amfteldam verroepen wassen de drie afgevaardigden, ter zijner losmakinge, zig in de eerstgenoemde ftad bevonden, predikte hij over de woorden: Hand. X. vs. 19. Ziet drie Mannen zieken «.'. Zeer vaardig teffens was bij in zijne antwoorden, en, door zijne grote geoeffendheid in den bijbel, bekwaam, om bij alierleije gelegendheden een gepasten fchriftuurtext bij te brengen ; ten voorbedde hier van ftrekke, dat een zijner ambtgenoten van een lage afkomst, hem een grieks vers, door zijnen zoon die nog zeer jong was, vervaardigd, en tegen hem irgerigt, in handen deedt floppen; hij las het vers, eiste pen en inkt, en fchreef terftond 'er onder; zie Job, XXX. «r. 1., alwaar men deze woorden leest: Maar nu lagchen over mij mindere dan ik van dagen, welker vader ik verfmaad zou hebben, om lij de honden mijner kudden te ftellen. Bekker , is zes of zevenmalen op verfchillende wijzen, in plaat afgebeeld; onder dat, 't welk aan 't hoofd der laatfte druk van zijne 25ctoberöc JBacrclö is geplaatst, en door P. van Gonst gefneden, leest men de volgende digtregels : Dit 's Bekker, hier voor 't oog natuurlijk afgemaalt; Die 't fnode bijgeloof, het Christendom bekropen, En diep verpest, beftond ten gronde toe te flopen; De Duivel, idwaas gevreest, aan ketens heeft bepaalt. Schoon fmaad geworpen op zijn godgewijde veder, Hij gaf aan God zijn eer, te ftout gefchonden weder, tandem bona causa tricmphat, Ter eeuwiger gedagtenis van dien diepdenkenden TheoloII. Deel. Q gant,  fff BEKKER. (BALTHASAR) gantj zijn 'er vijf penningen gemunt, die alle op de voorzijde Vmans beelJtenis vertonen , en waar van de eerfte, vierde en viifae tot randfchnft hebbe. : Balthasak Bekker. S.S.T.D. £T V. p. M. A.M3T., te;wijl het randfchrift van den tweden en derden yan dezen'inhoud is': B. Bekker. S. T. D. V. D. M Amst. natus Metslav. Fris. MD C XXXIV. Óp de tegenzijde van den eerften, leest men onder ei.e doorbieke.de zonne dit vienegeüg gedigt: Nu weid het wangeloof befli eên, De Duivel met de voet getieên, Van die op 't pad der waarheid gaan, • En Bekker in zijn grond vei flaan. MDCXCII. De twede, waar op 's rra's beei enis met de flinkere; wang naar buiten is gekeerd, daar die op de ve andeien met de regterzijde voorkomt; heeft op de tegenzijde, die geene verbeelding heeft, dit zesregelig gedigt: Dit is dien fchriftdoorleerde Bekker, Dien heil en toverij ontdekker, Die hoe getapt, getergd, noch ftil Zig onderwerpt zijn's Heien wil. Een man gezond in leer en lever, : Hoe meer verdrukt, hoe meer verheven. MDCXCII. De tegenzijde van den derden, heeft in 't verfchiet, het Apfïeldamfe Raadhuis'en de Nieuwe Kerk, verzeld van deze fpreuk : f-rocul esto profani ; Ver van hier de mheiligen. Voorwaarts ftaat de beftraffende waarheid, tusfen een rondgekrónkelde Hang, door twee zegetakken doorregen, en enen vuurfpuwenden leeuw, en die allen weder nevens deze gewijde-fpreuk: Matth. VI. vs. 13. libera nos a malo; Verlos ons yan den 'bozen. Te weten van het te groot opgevatte denkbeeld der toegefchreven magt des Duivels, waarom men tot God met deze fpre.,k verzugt, die op den voet des pen-  BEKKER. (BALTHASAR) 243 pennmgs gelezen wordt: serva deus ecclesiam; God bewaar de Kerk. Op de tegenzijde van den vierden, bevegt deez' Godgeleerde, tot geene kleine fpijt van de nevensgezeten nijd, in de gedaante van Herkules, den twehoofdigen helhond Cerberus, wiens ene hoofd met een zotskap, en wiens ander met een kruinmutsje of kallot je gedekt is, en welk laatile omtrent dezen tijd veeltijds door zeer eerwaardige en geestelijke mannen gedragen wierdt. Op den voet des pennings ftaat: opus virtutis veritatisque triumphat ; Het werk van de deugd en waarheid zegepraalt. Eindelijk ziet men in 't verfchiet der tegenzijde van den vijfden, enigen van 't gemeen zig tegens twee verfchijnende Duivelen verbazen; terwijl de waarheid, welke in de {linkerhand twee fleutelen houdt, met haar 1 egter rust op een verzegeld boek, 't gene cp enen autaar, behangen met het AmfleUamfe wapenfehild, ligt. Het randfchnft ontleend uit Horat. Carm. Lib. III. Od. 1. vs. 1. luidt aldus: odi profanum vulgus ex arceo; Ik haat Let ongeletterde volk en weer het van mij af. Morhof., Polyh. Philof. Tom. II. p. 255. C. A. Heumanni, Via. ad Hifi. literar. p. 185. Jac. Bruckeri, Hiftor. Crit. Philofoph. Tom. V. p. 712-721. Tom. VI. p. 926, 927. Moshemii, Infiitut. Hifi. Ecclef. Stee. XVII. Secl. 2. part. II, c 2. §. XXXV. Fkeytag, 'Analecla literaria, pag. 79. E. L. Vriemoet, Athen. Frif. pag. 256. C. Saxi, pnomast. literar. Pars. V. pag. 173, 174. Anale&a, pag. 612. Mufeum Mazzuchellianwn. Tom. II. pag. 176. Tab. CXL1V. Mufeum Hinderfteinianum, p. 279. n. 96Ö, 967. Mmxagïana, editiun de Amfi. 1716. Tom. III. p. 486. J. G. de ChaufePié , Nouveau Dictionaire, Tom. I. lettre B. pag. 192. &c. David Clement , B:blioth. curievfe, Tom. III. pag. 43-49. ö5cr/tM0» Europife Merkurius, Q 2  44 tfefchrijver FroIssaet betmgd; veel gebruik te hébben gé* maakt in het fame'.iTellen van zijné gefchiedenis. '- ftirT Val. Andr., Bibl. Telg. p 457. J. F. Foppens, Xibl. Belg. p. 5775 Paquot, Memoir. litteraire, Tom. VIII. pag. 293; 294, BELL (THEODORUS van debp) , geboren in 't jaar 1720, wierdt na yolbragte letteroefeningen en akademife ftud'en, bp den 5 januarij 1744 te Rakagne als Predikant beroepen; alwaar na 8 jaren vei blijf, hij naar Rhijmburg wierdt verplaatst, daar hij tot zijn dood toe is verbleven, die voorviel op den 30 maart 1794, in den ouderdom van 73 jaren en ruim S maanden, tot grote droefheid van zijne drie dogters en twea zonen, beide ook Pred kanten , de oudfie, Johannes Gvms Van der Bell, te Venbuizen, de andere, Anthony Joh. van der Bell, te Schermerhorn. Bell heeft den lof wegged.agen, dat hij met ijver en ene voorbeeldige getrouwheid, in 't werk zijn's Heren, het ruime tijdvak van meer dan 50 jaren , onophoudelijk is bezig geweest , waar door hij ook de achting van allen die hem ken-5 den, heeft verworven. Dat hij ook van een arbeioVamen aart was, blijkt onder anderen, door het in 't licht gegeten vtri. van hem, getijteld: ©e^ Hfcren tacnuertoeg in het ber&eget» ban het ©oIk ban <0eberlanb/ ban het begin Der ïtcfajmatie/ tot aan bet fluiten ban ben JiEhmfïcrfcn breöe/ beneben^ &et berbalg na bet fluiten ban Den JlfëunHerfén breöe tot ben Süüwju fen breöe/ 111 1748. ïïenb. enlmjï. 1771, h.4ec Boeh., 1794. a. bh 459. Abkoude en Arrenberg, Naamreg, druk fin 1773. bl 39, 9. 3 * mir  H<5 BELLAMY. (JAKOB) BELL AM Y (JAKOB), geboren te Vlisfingen den 12 november 1757, was, van der jeugd aan, begaafd meteen zeer fijn gevoel voor het fchone, en vooral maakten de Schoonheden der Natuur, enen diepen indruk op hem; hier bij paarde zig, ene levendige, alle ruimtens vervullende, al het voorledene tegenwoordig. Hellende vei beelding. Niets trof deze meer, dan de lezing der gefchiedenisfen van de oude Helden en hunne kloeke daden; na deze Helde hij zig in hunne plaats, en (peelde menigmaal met al te veel viers de rol, van dezen of genen beroemden krijgsman. Zig aan het hoofd ener bende zijner makkers te Hellen , met hun tegen anderen op te trekken, of hen in ftoute ondernemingen voor te'gaan, maakte zijn grootst genoegen uit. Men zag in Bellamy, de waarheid des gezegde, van den Heer Feith, in zijne Brieven over verfcheidene onderwerpen, ft D. bh 3 enz.: „ De eerfle kenmerken der Genie, ontdekken „ zig in de tederfle jeugd, aan de levendigheid en fierkte der „ (kiften, en de hoogfie floutheid ,der ondernemingen;*' en bijna allés wat die beroemde konstrigter verder, over de Geniën fchrijft, is zo verwonderlijk toepasfelijk op onzen Digter, dat elk die dezen gekend heeft, daar in deszelvs afbeelding ziet. Die zugt voor oorlogsbedrijven, gepaard met ene, voor zijne jaren, meer dan gewone lighaamsfterkte en gefpierdheid maakte hem, onder zijne medegezellen, zo gedugt, als de edelmoedigheid, welke hij in zijn doen liet blijken, en de hulp die hij den zwakkeren boodt, hem bemind maakten. Een jonge, van zodanig ene ziels- en iighaamsgefieidheid, fcheen door de natuur zelve tot een krijgsman gevormd, en het opvolgen van deze zijne oirfprongehjke befiemming, zou hem geenzins belet hebben, een Digter te worden, het flagveld of de oorlogskiel zou zijn zangberg geweest zijn. Hij verlangde ook naaf niets meer, dan naar dien Haat: voor het Vaderland te vegten, was het toppunt zijner wenfchen. De bede zijner moeder, dewijl hij vroeg na zijn derde jaar, vaderloos was, en ene leerrede over het vijfde gebod, hieldt hem, en wie re- kent  BELLAMY". (JAKOB) itf ként dit niet tot eer- van zijn hart? daar van te rug, zeiv na dat hij ïceds éénmad, daar toe het \ast befluit Lade gSnorrien. Dewijl het hem ook niet m gt gebeuren één Fijn* ïchilder te worden , waar toe zijn aangeboren fmaak voor alle fchone konften, hem genegenheid hadt ingeboezemd ,*koor hij, meer door ar.deien, dar, dooi zig zei ven geleid; èen beroep, voor het welk hij allerminst was berekend, en leetds bakken, Zijne dienstbaarheid en arbeid kon den onverzadèlijkén leesen weetlust, de hem eigen was niet verdo'en; doch van zijn digtvermogen, ontdek.e zig niets, voor dat tijdftip'; het genè juist het géfcbiktfté was, om het digtvuür van enen dapperen krijgzugtigen jongen t'ontvonken, namelijk in hét jaar 1772 , wanreer men het twede eeuwfeest der vrijheid, binnert Vlisfingen vierde; toen den lof der dappere Zeeuwen, van aller lippen horende rollen, toen getuige zijnde, der eer welke men hunne nagedagtenis aandeedt, toen zelve, bij de inkomst van den Eifftadhouder, met ae jeugd zijner geboorteilad, voor énige dagen in het gewaad enes kiijgsmans gedost zijnde, bntfprong zijn digt-ader. Zijn vers, ter dier gelegenheid gemaakt, en onder het oog van anderen gekomen, ontving niet weinig lof; die lof vuurde hem aan, om het bij dien eerfteling niet te laten. Hij digtte voort, tot digten befteedde hij alle de ogenblikken, welke hem van zijne toenmalige bezigheden overfchoten, ja zelv wel andere, het geen voor hem, meermalen onaangename gevolgen, van dé zijde zijn's meesters hadt. Dan hem ontbraken, een leidsman, goede voorbeelden, en kennis onzer taal; de Digters die hem in handen vielen, waren veelal fiegte modellen. Hij ging egter zijnen gang „ op ,', hun fpoor," fchrijft hij zelve, „ begon ik ook huwelijks„ en verjaardigten te maken, in plaats van wezenlijke gedag„ ten, fchaarde ik alle Goden en Godinnen, Nijmphen en ^ Naijaden, in rijmende gelederen, ik vergat niet Pheecs , „ als hoofd van dit corps, heerlijkst te doen urtkomen." Eik frïtusfen bewonderde hem, hij begon opzien te verwekken-k 4 dtti  249 BELLAMY. (JAKOB) daar hij trager voortgangen in het ambagt, waar toe hij werdt opgeleid, dan in de digtki.nde maakte, en de uitmuntende Digter een fiegt Bakker zou geworden zijn, deedt dit bij fommigen die hem kenden, de gedagten opkomen, om hem tot de ftudie te brengen, en de toenmalige Vlisfingje Refter, gaf hem enig afzonderlijk orderwijs in de latijnfe taal. Bellamy verliet den baktrog en de dienstbaarheid, en met die verheffing, verhief zig ook zijne ziel. Hij, die reeds he' ongerijmde hadt gevoeld, dier Goden-volle verfén-, naar den ouden finaak, maar zig van die kluisters niet geheel omflaan, de inblazingen der natuur niet volkomen volgen durfde, verbrak gene, en liet zig door deze onbedwongen ieiden. Beteie lectuur-, de omgang met lieden uit befchaafder kring, bragtea niet weinig, ter verfijning van zijnen fmaak toe. Zijn goed gerugt werdt meer en meer verbreid, dooi- enige zijner voortbrengzels in de VaderlandjeLetteroefeningen, en in de Poëtijche Mengeljloffen van bet Haags Konstgenootfchap geplaatst- dit Genootfchap nam hem, gelijk daar na meer andere, van dien aart, tot medelid aan, doch op deze eer ftelde hij in het vervolg, weinig prijs; de aanmerkingen, welke men in dezelve, op de digtftukken maakte, kwamen hem over het geheel, te niets betekenend voor; bij gevoelde te zeer zijne waarde, om de zijne, aan dé droge kritieke* van menigmaal koele rijmers bloot te Rellen ; al lachgende noemde hij de digtkundige Genootfchappen, Rijmkollegies, Zijn toenemen intusfen in de latijnfe taal, was min aanmerkelijk, dan het zoude geweest zijn, indien hij in vroeger jaren,, daar aan begonnen, met weiniger viers bezield en minder aan het zelvdenken en opflellen gewoon geweest ware. Hij bragt het egter daar in zo ver, dat men hem voor het akademisch onderrigt, bekwaam keurde. En dewijl het h»m aan middelen ontbrak, veréénden zig enige Heren faam om jaarlijks tot zijne ftudien, iet toe te brengen, waar bij in h°t vervolg, nog meer uit andere bronnen kwam; en hij vertrok naar de Utrechtfe Hogefchool om zig tot den predikdienst voor te bereiden; niet, omdat men oirdeelde dat de-  BELLAMY. (JAKOB) 24$ fce kring best voor hem gefchikt ware,- maar om dat in ons gemenebest, alwaar men niet, gelijk in koningrijken, jaargelden geeft aan fraije vernuften, die hun de vrijheid laten, om naar hunnen fmaak te weiken, dit bijna het enige middel is, om zulken als Bellamy te verheffen, en ten eerlijken beftaa-n te brengen, hoewel egter hier door, menig Genie verongelukt, en der Kerke weinig voordeels wordt aangebragt. Op het Hogefchool onderfcheide men hem ïas, zijn goed gerugt was hem vooruit gelopen; daar geraakte hij in gezelfchap, daar kreeg hij kennis aan boeken, waar door zijn verHand verlicht en zijn fmaak nog meer gezuiverd weidt. De tijd, in welken hij zig op dat toneel vertoonde, was ook bij uitftek gefchikt, voor ene Mvfe, als die van Bellamy; oorlo van buiten, aangording der wapenen van binnen, konden niet anders, dan het digtvuur enes krijgszugtigen Digtersy fieeds meer doen ontvlammen. Dra ook zag men dit in zijne Vaderlandje Gezangen, welke hij onder den naam van Zelandus, eerst bij (hikjes uitgaf. Deze zijn het, welke den grondilag tot zijnen onvergangelijken roem gelegd hebben; men ontving die, als met een foort van enthufiasme, waar van de tijdsomlTandigheid niet alleen, maar vooral hare innerlijke waardij, de oirzaak was. Steeds (preekt daar in de held, of de vriend des vaderlands, en dat niet ene gekunftelde opgefmukte taal, maar de fchone, edele taal der natuur, de taal des mannelijken gevoels; geene flikkeringen van vals vernuft maar het ware, heerst in dezelve; zij ftrelen door hunne harmonie, het gehoor; doen de ziel des lezers aan, en boezemen naar mate der onderwerpen, grootheid,- fchrik, eerbied, of weemoed in; de blodaardt gevoelt voor het ogenblik dat hij ze leest, moed in zijnen boezem ontbranden. Voor Bel» lamy, hadt Nederland maar weinig gedigten van dien aart, en hij liet zijne navolgers ver agter zig. Alle de vrienden der digtkunde en des vaderlands, juichten hem tce. De regering van Vlisfingen toonde, dat zij zijne vérdienften wist te fchatten, en verwakkerde den ijver van haren Burger, door hem voor de toewijmg dier bijeen verzamelde gezangen, aan Q 5 Viis-  250 BELLAMY. (JAKOB) Vlisfingen, te begiftigen, met een aanzienlijk boek-gefchetiK" óp e:,e wijze,- die en haar., en hem, eer aandeedt. Dit gefche k berustte in het jaar 1792, en denkelijk nog, bij mejiuüouw' Francjna Baane te Vlisfingen, aan welken de Digter, onder den naam van Fillis, het giootfte gedeelte zijner jeugdige gezangen gewijd hadt. De liefde zig van zijn jeugdig hart meester gemaakt hebbende, hadt niet flegts enen verzagtenden invloed, op zijn' fors karakter, maar vormde mede onzen Krijgszanger, tot een Uitmuntend Minnezanger. De Gezangen mijner jeugd, door hem in zijnen akademie-tijd uitgegeven, ftrekken hier van ten bewijze. In deze bedingt hij de liefde; niet die liefde, welke het ge aat der eerbaarheid van fchaamte dopt gloeijen,' deze veifoeijde zijn edel hart, maar die kuisfe liefde, welke van hemel fe afkomst zijnde, door de Engelen zelv met welgevallen aanfchóüwd wordt, die de ziel verheft-, en het hart de zuiverfte genoegens finaken doet. Hij volgde ook daar in de natuur en zijn mannelijk gevoel; hij zong het geen hij ondervondt, aan den fchoot ener kuisfe minnares, voor weike zijne liefde te fterker was, naar mate zij enen geruimen tijd, geweldiger werdt gedwarsboomd.' Deze Zangen zijn nogthans min algemeen bekend, en hebben hem, zo veel lofs niet verworven , als hij door dezelve wel hadt verdiend. De fmaak onzer Natie, fchijnt over het geheel, dien weg niet heen te willen; men hegt aan het woord van Min en Minnezang maar al te onbepaald, het denkbeeld van onkuisheid, dit deedt zijne vrienden vrezen, dat Bellamy, hoe onfchuldig, zig desniettegenftaande, door deze uitgaaf zou benadelen. Men vindt van hem meer dan een ftukje, zo in digt als in ondigt, in de Proeven van het verfland, den fmaak en het hart, welke hij, in vereniging met enige Konstvrienden uitgaf, onder welke, de vertelling, Roosje betijteld, bijzonder uitfteekt. Zeide de zo evengenoemd waardige fchrijver Feith, dat hij geene enkelde Romanze bij ons wist, die aan de vereisten van dit foort van digtftukken voldeed, is het niet te ver- moe-  BELLAMY. (JAKOB) 25j rnoeden, dat hij na de lezing van dit ftukje zulks zeggen zou; is toch, volgens Moncrif, ene Rmnanze „ het naïve verhaal „ van ene aandoenlijke daad," wie kan dan ontkennen, dat Roosje waarlijk ene Romanze zij ? Bij zijne digtftukken moet men niet vergeten zijne Gezangen te tellen, het zijn alle ftukken van enen fomberen en ernftigen trant; fterren en zien ftcrven, zijn de gedurig daar in heerfende denkbeelden. In het daar voor geplaatst Fragment, van enen Brief, aan zijnen vriend Kleyn, geeft hij enig verfla!*, van de ontwikkeling zijner Genie, en op den tijtel vindt men zijne vrij wel gelijkende Afbeelding. Deze bundel, het laatfte gefcbenk, aan zijne vrienden en de nakomelingfchap, fchijnt faamgelteld, onder dat tot nog toe onverklaarde voorgevoel des doods, het geen men, in zo. veel levenden, kort voor hun fterven bemerkt, en waar van Bellamy zo vele blijken gaf. In het eerfte dier Gezangen, verzoekt hij reeds aan zijne vrienden, dat wanneer de dood zijne ogen zal geloken, en zij hem begraven zullen hebben, zij dezelve zullen lezen: „ En als gij mijn lieve vrienden, „ Dan uw weg weer rustig wandelt, ,, Wilt mij dan niet gants vergeten: ,, Leest, om aan uw vriend te denken, „ Somtijds eens in deze zangen. Konstrigters menen, dat zij minder goedkeuring, bij de meesten, dan zijne Vaderlandfe Gezangen wegdragen zullen, om dat zijne Genie het kragtigfte werkte , in het grote en heldhaftige. Het blijft nogthans zeker, dat men in dezelve, verfcheidene in der daad, zo In vinding, als in uitvoering, zeer fchone ftukken ontmoet, en dat zij alle het merk dragen, van zijn uitnemend digtvermogen. Hij was Digter in den na- ■ druk des woords; zijn digten beftond niet, in, mefenige verandering van woorden, gedurig wederom dezelve beelden te herhalen, welke zo velen voor hem, reeds duizende malen, hadden gebruikt en misbruikt, hij fchiep nieuwe. Dit blijkt treffend, uit de overeenkomst, tusfen zijne gedagten, en die van  2?* BELLAMY. (JAKOB) van andere fcheppe^de vernuften, zonder dat hij oöit een' hunner voortbrengzeis, hadt onder 't oog gekregen; verbaast Hond hij toen men hem eenma.ft de overeenkomst toonde, tusfen een lied van ANacreon, en een ander, 't geen hij'voorlas, en dooi hem was gedigt, wanneer hij nauwlijks den naam van Anacreon kende, dit is hem naderhand meermaal, omtrent'andere grote Digters, vooral omtrent Glfim gebeurd. Zijne digtftukken hebben alle ere rollende vloeibaarheid, en dragen de blijken der gemakkelijkheid, waar mede hij die'opfteide. De harmonie welke hij aan zijne rijmloze verfeu wist te geven, heeft niet weinig toegebragt, om den fmaak, daar voor, algemener te maken. Door zijn voorbeeld, lost bij,met enige weinige anderen onzer beste Digters, de bedenking op: of niet, met het rijm, ook de weiklank in onze poëzij, verloren ga? Bij enen hal ven Digter mag dit zo zijn, en wat fchade? dan na menig vers van Beixamy gelezen te' hebben, zal men, indien men 'er opzettelijk acht op flaat niet eens gemerkt hebben, dat het rijmloos ware, duideiük bewijs, voor de harmonie zijner ftukken, en voor de niet volftrekte onontbeerlijkheid des rijms, tot den weiklank. Bewust, dat met de beoeffening, de befchouwirg moet gépaard gaan, en dat onze Digters het verder zouden gebragt bebben, hadden zij deze niet te veel .verzuimd, lei hij, zo dra hem daar toe de gelegenheid verfchaft werdt, zig met ernst op de theorie der digtkunde toe, en maakte in dezehe géén geringe vorderingen. Zijn Brief aan Mr. van Alphes, be«evens.cen en ander ftukje van den POUfchm Spektor, die hij bei'e, zonder zijnen naam in het licht gaf, leveren daar van de bewijzen uit. Hadt het hem mogen gebeuren in dit vak verder voort te werken, hij zou door zijne gegronde kritiekes, de Nedertandfe Digtkunde niet weinig voordeels aangebragt en jonge Digters vee! geleerd hebben; hoewel het te vrezen is, dat hij zig daardoor tevens, het misnoegen van velen zijner medebroeders, en van het geheel heirieger der Rijmers, welker fnerpende geesfel hij was, zou op den hals gehaald hebben, vooral door den toon, op welken hij recenfeerde. Edel-  BELLAMY. (JAKOB) a53: Edelmoedighei 1 en menfchenliefde, blonken in alle zijne bedrijven uit; daar hij leedt, wan* eer hij ande.en zag lijden., was hij, hoe fpaarzaam zeb'e .beueeid, altoos beicid, om anderen in het geen hij bezat, te doen delen; alleen in die ogenblikken, ih welke hij onder vondt, hoe magteloos zonder hetzelve , het medelijden was, kreeg het geld in zijn oog enige wvaarde, in elk ander geval, was hij 'er misfeh en al te onver.chi'lig omtrent. Van niets hadt hij meer afkoers, dan van vleijen en kruipen, een afkeer die zo ver ging, dat zij, door fommige aanzienelijken onder zijne weldoeners, die zijn karakter niet genoeg kenden, cn meenden dat hij, om het geen zij ten zijnen voordele toebragten, met lof- en dankdigten in de hand, voor hun behoorde te buigen, als trotshe;d en ondankbaarheid , aangemerkt werdt. Zijne openhartigheid, zijne getrouwheid, zijne grootheid van ziel, die hem in ftaat' ftelde, om niemand te vei achten, noch te beledigen, om dat hij van hem, of in godsdienftige of in ftaatkundige begrippen verfchilde, won hem ene algemene hcogac'-.ting, bij alle braven. Hij beminde zijn vadeiland vurig, hij haatte desze'vs vijand, wie en onder welke partij die ook was. Hij hadt elk lief, die het vaderland lief hadt, en liet tevens élk zijne bijzondere gedagten geheel vrij; onder lieden, van hem veifchillende denkwijzen, haJt hij, in de holgaande tijden dooi hem beleefd, zijne vei trouwde vrienden, hij was niet klein genoeg, om paitijdig te kunnen zijn. Schoon ene fterke neiging tot: het fombeie en ernftige hebbende, hadt hij ene bijzondere, hem alleen eigen luim, die, in fommige zijner ftukken, en vooral in zijne gemeenzame gefprekken en brieven, zig vertoonde; een luim, die zijn gezelfchap allerbehaaglijkst maakte, en de rimpels der dioefgeestigheid, van het gefronzeldftc ge'aat wijken deedt. Zijn fchertzen, met zekere door min.kundigen uit onverftand, geliefkoosde godsdieniti; e meningen, gaf aan menfehen van bekrompen doorzigt, en aan de nijd, die beftendige gezellin van grote verdierften, gelegenheid, om niet gunftig omtrent zijne godsdienftige gevoelens te denken; met giond wordt  2S4. BELLAMY. (JAKOB) WOid£ nogthans verzekerd, dat hij, dcor de lezing van gegronde fchrift:n ten voordele der openbaring, volkomen overtuigd was , van 'de waarheid van onzen fchonen Godsdienst, en genezen} van die twijfelingen, welke bij hem waren opgekomen, door zekere liegt beredeneerde, fchoon welgemeende godvrugtige boeken en gefpiekken, die hij in zijne jonkheid veslvuldigmalen hoorde en las. Of hij egter als Leraar, groten opgang zou gemaakt hebben, mag men twijffelen. Uit zijne in druk gegevene leerredenen blijkt het, dat hij ver afweek van die wijs van voordragt, welke in de voorheen publieke Kerk, tot heden toe, nog allermeest behaagt, en hij hadt te veel vastheid van geest, om zig blindelings naar den heerfenden fmaak te rigten. En, daar men in ons land, door enen Leraar niet wil gefchreven hebben, Jt geen men aan elk anderen niet kwalijk duidt, is het te vrezen, dat dewijl het hem onmoogüjk was, zijn Genie aan zijn fortuin op te offeren, hj ene .aanzienlijke plaats onder de digterlijke martelaars zou beflagen hebben. Dan van dit alles, zou de tijd alleen de zekeiheid of onzekerheid hebben kunnen leren, doch dit is, gelijk alle de grote vooruitzigten, die men zig van hem met reden vormde, verijdeld; dewijl de levende, de werkzame, de zig tot een waarlijk groot Genie vormende, en zijne aanvangeajke grootheid reeds gevoelende Bellamy, op den n maart 1786, aan de gevolgen ener verzuimde verkoudheid overleedt, tot gioot verlies der vaderlandfe digtkunde; tot grievende fmert voor zijne vrienden; en in het bijzonder voor zijne moeder, die haar enig kind, en zijner minnares, die enen minnaar zonder wederga, in hem verloor. ' Het fpreken viel hem in zijne ziekte, te zwaar, dan dat men iet van zijne laatfte redenen zou kunnen melden. Sommigen zijner vrienden namen de bezorging zijns lijks op zig; meer dan één Burger dong naar de eer, om het in zijn graf geplaatst te zien; en het werdt, onder het algemeen beklag der hem hoogfehattende Burgerij, in de St. Niklaas Kerk, dcor enige zijner, meest Zeemfe medefludenten , bijgezet. Zeeland,  BELLE. BELLECHERE. BELLEGAMEE. 2SS land, heeft in Bellamy, eren Digter voortgebragt, wens naam het vrij naast dien van deszeivs twee grootften, Cats en Antonides, mag plaatzen. Vlisfingen, het geen we! op ene beroemde Digteres, namelijk de door hare vlugge geest en fche.p vernuft zo beroemde Eltza;eth Bekker, maar op geen groot Digter roemen mogt, heeft de eer door hem verkregen. En Nederland zal altoos op hem bogen en zijn vroeg verlies betreuren. G. KuirEi.s, -Levensvei h. van Jakos Bellamy, -voor zijne twee nagel. Leerredenen. Nieuwe Ned. Jaarb. 1784. bl. 1524 en 1938. Vad. Hifi. XXXIL D. bl. 37.. BELLE (JAN van), een man uit den burgsrftaat te Haarlem, omtrent het midden van deXVIIIde eeuw geleefd hebbende, was een gioot kender en vöorftander der nederduitfe taaien d:gtkunde. Men' heeft van hem in druk: <25abit^ fifah toen met mujïjffc ü?aari. 1733- 4to. ïto-teildeato jjer ter^pel-/ Jwnaafc- en ©igtlumüe. ï^aari. 1743. 4W. S-inrijise ^p-eefe toijscn fc. 3£mfïi 1750". 8b0. Abkoude en Arreneerc, Naamreg. druk van 1773. bl. 39. BELLECHERE (JAKOB), een Elaamje Waal, werdt door Leicester in het jaar 1586, tegens de privilegiën van den lande, tot Prefident van den Hove Provintiaal van Utree]» aangefteld. Wag., Vad. Hifi. VIII. D. bl. 168. BELLEGAMBE (FRANCOIS), wiedt geboren te Douai, in het jaar 1628, en volbragt zijn gehelen letterkundigen loop, bij de Jefuiten van die ftad; 16 jaren oud zijnde, werdt hij lid van dat genootfchap; vervolgens gewijd, w'erdt hem de beftiering van ene der Congregatiën der H. Maagd toevertrouwd, en het blijkt, dat hij die bediening 15 jaren, zo te Rijt/el als te Douai heeft waargenomen; hij ftierf in de eeistgenremde ftad, den 12 junij 1700, in het 72fte jaar zijn's ouderdoms. Verfcheiden boeken heeft hij gefchreven, die door den druk zijn gemeen gemaakt, waar van de meesten van weinig waarde zijn, als enkel aanhalingen uit Oudvadeis letterlijk overgefchreven, bevattende. Het enige daar men nog enige waarde in ftelt, is: Enchiridion TLeoleg. pra&icum, tripartitum, de  «5* BELLEGARDE. (GABRIEL du PARC de) Jubilceo Ecclefiastico. Infutts. ïógg. in nm. Paquot, Memoir. litter. Tom. XIII. p. 213, 214. BELLEGARDE (GABRIEL du PARC de), is geboren uit een aaglijk geflagt in Languedok, op het flot Bedegarde, den 18 october 1717. Zijne beoeffeningen der wetenfehappen, in het ouderlijk huis, ondereen afzonderlijken leeimeester, begonnen hebbende, vervolgde hij die,nadeihand in een kostfchool van'geleerde Geestelijken, welke geen minder zorg droegen, om zijn hart tot de deugd, als zijn verftand voor de wetenfehappen, te vormen. Van daar ging hij naar Touloufe, om aan het Hogefchool van die Rad, Iesfen in het kerkelijk regt te nemen, en verkreeg aldaar den graad van Licentiaat in de regten. Thans begaf hij zig naar Parijs, alwaar hij zijn vast verblijf nam, met oogmerk om zig geheel en al aan de beoeffening van de godgeleerdheid en de kerkelijke wetenfehappen, over te geven. Hier gelukte het hem, in nauwe kennis te geraken, met de kundigfte Godgeleerden dier Rad, inzonderheid met den vermaarden Boursier, leraar der Sorbonne, gelijk mede met den Abt d'Eltemare ; welke laatffe hem bovenal dierbaar wierdt, en die hij Reeds als meester en vader befchouwde; zijnde dermate aan hem gehegt, dat, toen deze naar Holland ging, om aldaar het overfchot zijner dagen door te brengen, Bellegarde zig mede derwaarts begaf, endezen zijnen vriend bijbleef, tot op zijnen dood, die in het jaar 1770 op Rijnwijk, een landhuis in de nabuurfchap van Zeijst, in de provintie Utrecht, voorviel. _ Twee jaar later, begaf zig Bellegarde met 'er woon naar de ftad Utrecht, in gezelfchap van enige vrienden, die zig nevens hem , met gelijken arbeid bezig hieiden. Het was daar, dat hij de laatfte hand Ieide, aan de Cclletcion generale des Oeuvres d'Antoine Arnauld, Dotreur de Sorbonne, die te Laufanne, bij intekening, zedert 1772 tot 1782, gedrukt wierden, en in 49 Delen in 4to. het licht zagen, daar onder begrepen de VI. Delen over la perpetultè de la Foi, benevens I. Deel, bevattende het leven van Arnauld, en het register op het werk, weike ftukken afzonderlijk zijn uitgegeven; hebbende tevens de  BELLEGARDE (GADRIEL pg PARC de) 257 ;de uitgever; deze grote verzameling verrijkt, roet gefchiedJcundige voorredenen, welke vervuld zijn met de nauwkeurigfte en belangrijkfie nafporingen. Deze arbeid, die I em gedurende den tijd van 20 jaien , bezig bieldt, verhinderde hem egter geenzins, om in den jare 1765, te Utrecht ene andere aanzienlijke verzameling uit te geven, onderden tijtel van? Supplementum ad varias colleüknes Qt erum Zegeki Beenardi van Espen, in gr. folio, makende een 5de deel uit der werken van dezen groten Ranonist. In dit Ruk vindt men een omRandig levensverhaal van denautheyr, met ophelderingen omtrent zijne fchriften. Het zelve is ook afzonderlijk in groot Jlvo. gedrukt. In den zelvden tusfentijd, gaf ook Eellegarde ene korte gefchiedenis van de RoomsKathoiijke Kerk te Utrecht in'tlicht, onder den tijtel van: Hifeire abregée de l'Eglife Metropolitaint d'Utrecht, ftrekkendp zedert haar opkomst tot aan de kerkvergadering van Utrecht in 1763, beflaande een deel in klein gvo. De belangrijke voorreden voor zijn Receuil des temoignages, rendus a l'Eglife d'Utrecht; waar in de oirfprong en voortgang der fchetiringe, tusfen de Katholijken dier Kerk ontRaan, aangewezen en opgehelderd worden, is insgelijks uit zijne pen gevloeid. Nog heeft men van Bellegarde, buiten verfcheiden andere fchriften van minder aanbelang: Memoires Hifleri, ques fur l'affaire de la Rulle Unigenitus dans les Pais-Bas, bevattende een aanëenge.chakeld verhaal, van de gebeurtenisfen in de Nederlanden, ter gelegenheid van die Bulle veroirzaakt, zedert 1713 tot 1730, 4 delen in i2mo., zijnde dit het eerde werk dat door hem gemeen gemaakt is, IMen befpeurd in alle zijne fchriften, dat hij, Ithoon de leeiHellingen der Roomsgezinde kerk onveranderlijk toegedaan blijvende, en geenzins aarzelende, om het hoofd dier kerke in den perfoon van den Paus te erkennen, nogthans verre af ware van alles te ondei fchrijven , wat de overige Roomsgezinden , ten aanzien van 's Pausfen onfeilbaarheid en volftrekte oppermagt over alle de kerken, voorwenden. Het was hierom, dat hij, hoe zeer zijne geboorte, zijne braaf- II Deel. R heid  £SS BELLEGARDE. (GABRIEL du PARC de} heid en de dienften, welken hij aan die kerk bewees, hem boven zo veel anderen regt tot het bekleden van kerkelijke Waardigheden gaven, de deur daar toe fteeds voor zig gefloten vondt, aangezien men tot dezelve niet konde geraken zonder z:g aan de Roomfe Bullen tegen Lvnsenius en Quesnel te onderwerpen. Ondertusfen vondt hij zig omtrent 25 jaren geleden, tot Kanunnik benoemd, bij de hoofd-en primaat-kerk van Lijon, alwaar zig een broeder van hem bevondt en waar van de Kanunniken, die bewijzen van hun oud adeldom moeten geven, het teken van 't kruis dragen, en den tijtel van Graven, plegen te voeren. Dan, daar de arbeid waar aan hij zig hadde overgegeven, zijn vast verblijf aldaar niet geheugde, verzogt hij wel dra zijn ontflag, en verwierf van 't kapittel den tijtel vaa Oud-Graav. Hij is geftorvèn te Utrecht, den 13 december 1780, in den ouderdom van ruim 72 jaren. Óp de zark, die zijne Hoffelijke overblijfzelen bedekt, ftaat hét volgende graffchrift gebeiteld • hic JiCET WóbiHs D. GABRIEL du PARC de BELLEGARDEf Diacefis Narbonenfis in Gallia Clericus, Nee non infignis Ecclefice Lugdunenjis Antiquus Canonicus & Comes: ÏTir pietati ac veritati ah adolescentia deditus : Scriptis diverfis, ac magnd potisfimum Arnaldi operum colleüione De Ecclejia beni meritus: Ecclefia Batavce, cujus fe caufae totum Mancipaverat, Cuique plurimos undiquaque Amices Conciliaverat, Nee non adiis longe lateque Ecclefiis t Multiplici Epifiolarum commercio, Multd Librorum communicaticne, Et coniinuis officiis utilisfimus: Qmnium denique fance doürince amkorii»} Amicus fidelis fjf fervidus, f$»  BELLr.MANS. (DANIËL) «5$ ïpfe, in paucerum manen, quibus Idsce temporlbus Carafides & ventas potter fuit, mus è prcecipuis; Qui, d%m fusceptis in Ecclef.cs commodum Laboribus Ardens atque indefesfus incumbit, Viribus tandem exhaustis, Obiit in Domino Ultrajetli, in domo dicla Clarenburg, Die XIII Decembrit MDCCLXXXIX, Annos natus LXXII ac peni duos menfes. Directeuren van het Utrechts Provintiaal Genootfchap van konden en wetenfehappen, dezen waardigen Man in derzelver vergadering van 4 meij 1789, tot lid des Genootfchaps verkoren hebbende, wilde hij dit lidmaatfchap niet aannemen, dan in hoedanigheid van contribuerend lid. ———• Alg. Konsten Letter-Bode, IV. D. bl. 50, 51. BELLEMANS (DANIËL), is in 1641 te Antwerpen geboren. In den ouderdom van 18 jaren, kwam hij bij de reguliere Kanunniken van Grimbergen van de Premonjlraterfer orden, en zijn proeftijd doorgedaan hebbende, ieide hij 'er de gewijdde belofte van afin 1661. Vier jaren later, wierdt hij tot Priester-geordent, en vervolgens van ene parochie voorzien in de heerlijkheid van Horsfen, tusfen Waal en Maas; maar hij behield dien post niet lang, doordien hij den 21 februarij 1671 in den ouderdom van 32 jaren gedorven is. Bellemaks heeft twee verzamelingen van digtdukken of liedekens nagelaten, onder deze zonderlinge tijtels: 1. ïget Cijtljerftert ban Jesus/ fpcelenöe je^tigh nicutoe %ki}dim$ op bet grootsSpubihé ban bet ï|. Sacrament ban Mirakel tot 23jugfeï, <5eD«iiEit te SSmjifcï in 1670 en 1679 in 161110. 2. 3Ê>en beffo lijchen patabijp'-^orjel / tot Godt om ïtoogh bliegbenöe / be* beïfenbe bcrfeljeijöe gïjee^tcltjbc 5Hicöeben«S ban be <0obberpe 3Ueföe enöe Dei" bctlanghen ban bet üfemefêch, ©abctlanb/ •ahecornponcert boo? ben ' BEL-  BELLOCASSIÜS. EEMMEL, 24* BELLOCASSIÜS (STEVEN), is geboren teCasfel in Fttenderen, nabij het dorp Belle, waar van hij ook zijnen naam heeft ontleend. Hij leide zig inzonderheid op.de latijnfe digtkunde toe, daar hij ook vrij wel in.Haagde; zijn beroep was Secretaris van het Kapittel van St. Donatus te Brugge, welken post hij tot aan zijnen dood toe heeft waargenomen, welkecn> trent het midden der XVIde eeuw is voorgevallen. Kort voor zijirdqöd maakte hij op zig zeiven, het volgende graffchrift; Hoe jaceo in tumulo: prins at quam munert vitte . Exuor, in voto hoe promere carmen erat. Huc vent, Mc vixi, peregrinte fabula vit» Nunc aüa est, redeo vita uli perpes eiït, Cygneo jïc more mei fum funeris ipfe Cantator. Longum, qui legis ista, vale. Ook hadt hij een foort van testament gemaakt, in déze be- ivóordingen! Calo animam, do corpus humo, do catera mundo, Ut capiat partem quilibet inde fuam. . BellöcAssius heeft in druk uitgegeven: Sylvida Cartidnunu 5? Sanüologión Flandrice. Brugis 1544. 8vo. Item, Legatio. Hem Flandria- ad Carolum V. Imp., 't welk geplaatst is in de Rerum Cermanicarum feriptores van Freherus, Tom, III. pag, 364-173, en in een gelijkfoortige verzameling van STRUvrusj Tom. lil. p. 196--204. F. Sweert., Athen. Belg. p. 680. Val. Andr., Éibl. Belg. p. 817. J. F. Foppens, Bibl, Mig. p. 1107. Paquot, Mem. liter'.'Tom. I. p. 383-385. EEMMEL (ABRAHAM van), bekleed ene plaats onder de klasfe der Gefchiedfchrijvers van' ons land, door zijne uitgave van ene 'Befcfeijbing bet gtab 3imcr?"fco?t/ 2 in 8bo. ïltrctljt 1760. met fraijè platen vóorzie'n. Dat van Bemmel niet tot dé Rudien was opgevoed, en in zijne jeugd Klerk ter Secretarije van Amersfcmt is geweest, leert Ons <4e voorreden aan het hoofd van zijn boek geplaatst, R 3 EEM-  i&®s BEMMEL. BEMPDE. ' BEMPDEN, BEMMEL (GABRIEL van), een Jefuit te Leuven, welke in 1612 in die orden werdt ingelijft; is geweest Secretaris te Brusfel, en een man, die door zijne geleerdheid heeft uitgemunt. Hij heeft gefchreven: Triumphos SS. Ignatii de Lojola ci? Franc. Xaverii, Societat. Jefu, in Divos relatorum. Brur.el. 1628. 8vo. J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 325. BEMMEL (WILLEM van), een Konstfchilder, is geboren te Utrecht, en wordt gehouden voor een der beste discipels van Zagtleven. Toen hij zo ver in de konst gevorderd was, van op eigen wieken te kunnen drijven, trok hij naar Romen, om door de beoeffening van keurige modellen geholpen, de konst verder voort te zetten, teffens ook om zijne neiging te voldoen, welke overhelde, om Italiaanfe gezigten of landfchappen te verbeelden. Ten einde dan dezen lust te boeten, tekende hij met ijver en grote vlijt te Tivoli, en bragt de aftekeningen daar na op paneel, zo geestig en natuurlijk, dat hij groten roem daar door te Romen verwierf. Van daar trok hij naar Duitsland, daar zijne meeste werken gevonden worden , inzonderheid te Neurenberg. Hij heeft alzins in zijne ftukken, de wijking , licht en fchaduw, ongemeen konftig ' weten in acht te nemen; en met dat al wordt 'er getwist, of wer-zijn vernuft en zinrijke geest, of zijn penfeel 't meest verdiend geroemd te worden. A, Houbraken, Schouwburg I- D. bl. 343. BEMPDE (JORDAAN of GERARD van den), is omtrent 't jaar 1634 te Doornik geboren; wierdt, na zijne eerfte letterocffeningen volvoert te hebben, Monnik in het Domikaner klooster te Brugge in 1652. Na 16 jaren hier doorgabragt te hebben, ftierf hij den 11 maart 1671. Hij heeft ia 't licht gegeven, een digtftuk over 't lijden van den Zaligmaker, getijteld: ©en bfoeötafjen ©•ijbaclj. %mbm 1670. in 12°'• Paquot, Mem. litter. Tom. IX. p. 370". More- *.y, Ditlion. ed. de 1740. Tom. II. p. 200. BEMPDEN (GILLIS van dën), Heer van Kastricum, ver- maag-  BEN ELBÉRTSZ. BENDIXIUS» 2ó.', inaagfchapt met de aanzienlijkfte geflagten, is zo wel als zijn vader Egidius van den Bempden, Burgemeester te Amfteldam geweest. In 1720 werdt hij Kommisfaris van kleine zaken, en in 1723 tot Raad in de Vroedfchap verkoren; in het jaar daar aan volgende tot Schepen, en eindelijk in 1738 beklom hij den eerenap van-Burgemeester; welke hoog aanzienlijke waardigheid hij insgelijks in 1741 en 1747 heeft bekleed; in welk laatfte jaar Willem de IV, na dat hij tot Stadhouder Van Holland was aangefreld, bij zijne komst te Amfteldam, door hem en Burgemeester Corver, verzeld van den Penfionaris Staal , begroet werdt. Men getuigd van vaï( den Bempden, dat hij een kundig Regent was; doch doordien hij het met de anti-ftadhouderiaanfe partij hield, heeft hij veio onaangenaamheden van de toen misnoegde gemeente moeten ondergaan. Hij ftierf den 20 januarij 1748. —— Wagen., Vad. Hifi. XX. D. bl. 95. BEN ELBÉRTSZ (YSBRAND) , was een der 36 Raderi in de Vroedfchap der ftad Amfteldam, waar toe hij in 1593' verkoren was, zijnde hij liet jaar te voren tot Schépen van db ftad aangefteld. Het achtbaar ambt van Raad bekleedde hij tot in het berugte jaar van 1618, wordende toen met méér anderen, op den 3 november door Prins Maurits, doordien het hem niet geviel de geweldadige maatregelen van dien vorst goed te keuren, van eed .en dienst ontflagen. ——. Wag., Vad, Hift. X.'D. bl. 280. Wag., Befchrijv. van Amfi. IV. St. bl. 304. BENDIXIUS (DOMINIKUS), wierdt uit éérlijke ouders geboren te Sneek in 1523. Hij verloor zijn vader in zijn tederfte jeugd, en volvoerde zijne letteroeffeningen aan de plaats zijner geboorte, onder opzigt van Jan Rodius een Drentenaar; en vervolgens onder Gerson of Gerard van LeuwAKden, welke naderhand zijn fchoonvader werdt, deze hadt te veren de latijnfe en griekfé talen, in de ftad waar van hij den naam droeg, onderwezen. Den ouderdom van 13 jaren bereikt hebbende, wierdt Bekdixius met zijnen makker joach. Hem^us R 4' nam-  354 BENDIXIUS. (DOMINIKUS) naar Haarlem gezonden, benevens enige andere fchoÜeïe'n van Sneek, om'er zijne letteroefFeningen te vervolgen onder den geieerden Kornelis Scïionjeus, als toen Rector der fcholen van die ftad. Na hier vier jaren onderwijs genoten te hebben, gfng hij naar Leuren, om in de regten te ftuderen; .doch nauwlijks hadt hij een jaar op die Hogefchool geweest, of ene ziekte van zijn fchoohvader, noodzaakte hem naar zijn vaderland te rug te keren. Hij wierdt hier op te Leeuwarden aangefteid tot Preceptor van de latijnfe fcholen; dan hij verliet die ftad cp raad of bevel van zijnen fchoonvader, en vertrok naar Zwolle, als Conreétor van de fcholen aldaar, onder Jan de Nuys,' die te voren Re£tor te Sneek en ook te Leeuwarden geweest was. Enigen tijd daar na, kwam hij te Leuven te r.-g, cp fterk aanftaan van Hopperus; doch daar gekomen zijnde" verftond hij , dat deze naar Frankrijk was vertrokken ; zig, dus verftoken ziende van de hulpmiddelen, die hij zig van dezen triend beloofde, keerde hij naar Leeuwarden te rug. Na hier verfcheidene wisfelvatligheden van het wankelbare fortuin ondergaan te hebben, belloot hij zig tot den geestelijken ftaat te begeven, en tot Priester geordend zijnde, wierdt hij opvolgelijk Vikaris, en naderhand Pastoor van verfcheidene dorpen in Friesland; de uitmuntende predikgaven die hij bezat, bezorgden hem een beroep te Sneek, en vervolgens te Leeuwarden. Cunerus Petp.i, eerfte Bisfchop van die ftad, getroffen dcor zijne bekwaamheid, maakte hem in 1570 Aartsdiaken van de kathedrale kerk. Ten einde dezen post met zo veel te meerder luister te bekleden, ging hij naar Leuven, em aldaar met de waardigheid vair Licentiaat in het kerküjfc regt bekleed te worden. Te Leeuwarden wedergekeerd, hadt hij het verdriet te vernemen, dat de- Gereformeerden de overhand hadden gekregen, en hij door die genen werdt gebannen, tegens wien hij met zo veel ijver in zijne predikatiën als anderzins hadt uitgevaren, en hen als ketters vervolgd.- Hij moest dus wijken, en begaf zig naar Keulen, vervolgens naar Ratingen een klein ftadje in het hertogdom van Bergen, waar Van hij Pastwr werdt. Na drie jaren verblijf aan deze plaats, ver-  EENINGA. (EG GERUIT) 255 vertrok hij naar Dusfeldorp, alwaar hij van een Kanunnikaat werdt voorzien, doch van welke waardigheid hij weinig genot hadt, doordien hij den 14 januarij 1586 in den ouderdom van 62 jaren, overieedt. Schoon Bendixius Jange jaren onderwijs in de fraije letteren hadt gegeven, was hij egter onbefchaafd in zijne uitdrukkingen ; 't welk deels meet toegefchreven worden aan zijne verkleeftheid aan de wijsbegeerte van dien tijd, en deels aan de leerwijze van Raymond Lullius, die hij ijverig volgde. Noch de vriendelijke vermaningen van Dominikus Broersma, Secretaris van Sneek, en van den GefchiedRhrijver Suffkidus Petri, noch de raadgevingen van Doktor Steven Sylvius die Pastoer van Si. Steven te Groningen was, die hem voor een Lidlist en Eerbaar uitmaakte, waren toereikende, om hem van dit tweledig gebrek te verbeteren. Benev joixius heeft de volgende werken nagelaten, waar aan getwijffeld wordt of gedrukt zijn: 1. Sermones de vita>:da peccati cccafione. 2. Disfert. de Humilitate. 3. De Ira, de Inyidia, de Continentia, contra luxum £f crapulam. 4. De 'piir'a Castitcte £fc. Suffrid. Petri, de Scriptor. Frif. ed'.t. 2. pag. 4:7-421. J. F. Foppens, Bibl. Belg. pag. 247, 248. PïqtoÖT, Memoir. litter. Tom. V. pag. 279 -282. BENINGA (ECGERIK), is gefpro'en uit een adelijk ftamhuis in Oostfriesland, 't welk reeds ingevolge het getuigenis van Ubbo Emmius, in de XlVde eeuw bloeide; en, waar van men Luvardus Benikga als den eeiften bekenden ftamvader kan aanmerken. Luvardus hadt een zoon Gerold Beninga genaamd, die in 't jaar 1378 leefde, en voor dat 'er nog Graven in Oostfriesland waren, het gebied als Heer voerde, over de vier vlekken Grimarfum, Wirdum, Jindelt en Kempen of Kampen. Deze Gerold liet twee kinderen na, een zoon en ene dogter; de zoon Ajold genaamd, ftierf kinderloos, doch de dogter Heba of Heurig, die als erfdogter de vaderlijke goederen in bezit kreeg, huwde aan Imelo Allena van Oosterhuizm, zoon van Folkmar Allena , en Adda dogter van Imelo Kenesma, die in 't jaar 1372 ftieif, en een ioon was van R 5 Kfr  $6$ BENINGA. (EGGERlK) Keno den jongen, die in 'tjaar 1375 overleed; hebbende cVC ze Keno een broeder Okko , en twéé zusters Elburg en Dodo genaamd , welke Iaatfte in 't jaar r4I4 trouv/de aan Edzard Sircsena, fprr.itende uit dit huwelijk voort Eknó Hoveling van Grietzijl, vader van Ulrich, die in 1454 tot eerften Graav van Gbnfrieslmd wierdt verkoren, en Éh 146, openthjk daar voor erkend. Gemelde Folkmar Allena trouwde dan Ffeba of Hebrig Beninga, erfdogter van Grimarfum, en plantte dit adeüjk geflagt verder voort, door in den naam en 'tftamhuis der Beninoa's zijne nazaten te doen overgaan verwekkende uit deze Heba twee zonen, Folkmar en Aiold Beninga, welke laatstgenoemde Hoveling was te GrmaHm tn1 Proost te Hinte, zijnde geftorvèn in x483, en hebbende Noorddorp, ingevolge dit Cï'i^^hare beeIdtenis 015 enen **s Anno dom. MO.CCCC.LXXXIIÏ Obiit Aild Benig. Petr. I. Hit. Capital, in Grim., anno LXXIII Obiit Hyma uxor. Eques. r. i. p. dat is' S'n 't jaar bt$ f eren MCCCCLXXXIII m oberfeoen Aild Beninga/ p?0o?r in ^üite/ JJoKrfnm te ^iniarfiun. srn 't jaar LXxm %i oberieben ö?£elb{5 fttu^outoe Hyma/ nijtoite fu bjcöc. Deze Ajold of Aild Beninga, verwekte twee zonen bij Fol™ TC HYMA' F°L™ M* e» Gerold Folkmar teelde ook enen Gerold, en deze weder twee zonen Eggerik en Folkmar. Gerold de jongfte zoon van gemelden Ajold, verwekte vier kinderen, ene dogter Hyma genaamd, welke aan Ulric„ van Doornom, Heer van Ollrfum trouwde, onder welkers opzigt in 't jaar w, het gefpiek over den godsdienst te Olderfm wierdt gehouden, tusfen Aportanos, eerften Gereformeerden Predikant te Snibden en'  BENINGA. (EGGERIK) i6f 5en Roomsgezinden Doktor Laurentius; voorts drie zonen Snelliger , Homerus , en Eggerig genaamd. Homerus was Abt van 't Tedinger klooster, en Rierf in 1557 den 8 februarij. Dit Tedinger klooster was bij Nutttrmoer in Oostfriesland in 't jaar 1283 gebouwd door den Abt Theda ter eere van St. Benediktus, en brande af in 1398. Eggerik Beninga de jongfte broeder van Homerus, was Proost te Wener enz. en fchreef ene ïHronhh ban (0Ouétfric^ianb / welke door den Hoogleraar Ant. MATTHffius in het VIII. Deel van zijne Veteris cevi AnaleÜa in 8vo., is uitgegeven, doch niet volledig en ten énemaien verminkt, naderhand na een der beste affchriften te Embden berustende, in 1723 aldaar herdrukt, en met aantekeningen en bijgevoegde andere oude Rukken veimeerderd, is uitgegeven door den Harlinger Predikant Eilardus F. Harxenroth in Ato.; makende ook een geheel deel uit van den tweden druk in 4to. der Analeüa van Mattimeus. Deze adelijke kronijkfchrijver is overleden in 1562, als uit dit volgende ' graffchrift blijkt, te zien in 't koor van de kerk te Grimarfum egter deszelvs beeldtenis, op een groten blauwen Reen uitgehouwen. 5Ino bni. 1562. ben 19 €>ct. tferf •jMntbcfïe un «Crbare Eggerick Beninga tc Onmarfiun / 23ojfiisn/ Sïerfiun/ 3BiböeIstueei-. ï^obr^ linflft, ^otoejï to l&tnet, fïn.ö oïöer.a"/ im 72. daarna bc erbare/ imöe Dogetfame Gela ban 23o2|mn SCnberé 'Beninga. to €nim. 230^ $[etf, aBiöti, 3©cbme/ fine bucpfrutoe. 2Enno 1574 bm 4 Jfcbj. creg olöerf. mi 85. Eggerik Beninga heeft bij zijn huisvrouw Gela, verwekt twee zoons, Gerald of Garrald en Snellinger, welke Iaatfte in zijn vaders plaatze in 1562 Proost te Wener en Hakfiim wierdt, deze is in 1580 overleden. De Iaatfte van dit oud «n beroemd adelijk Hamhuis, was enen Folkmar Beninga, Heer  £ nam hij de partij van Jurieu, in de gefchillen, welke deze twistzieke Roiterdamje Leraar, voor de Sijnode tegens Elias Saurin en andere Predikanten hadt uitftaan. Hij zelve kreeg ook ruiie met Izaak Jaquelot, Jan le Clerc, en Taco Hayo van hen Honert, toen ter tijd Predikant te Amfteldam. Na 51 jaren het predikambt, als een waardig en getrouw Euangeliedienaar uitgeoeffend te hebben, verkreeg hij van deDelffe regering den tijtel van Emeritus. In den avondftond van zijn leven verzwakte zijn gezigt zodanig, dat hij verpligt wierdt het ene oog te fluiten, om met het andere te kunnen zien. Zijn Iaatfte levensuur genaakte den 15 november 1728, en hij ftierf in zijn 89fte jaar. Bij zijne Xantippe hadt hij drie kinderen verwekt, een zoon, die 17 jaren oud zijnde, ftierf, en twee dogters, waar van de jongfte nog in 1750 leefde, en te Delft woonde; de oudfte was getrouwd met Karel Ancillon, Predikant te Berlijn, doch dit huwelijk was niet gelukkig, zo dat Benoist in 1703 genoodzaakt wierdt, ene reize naar Berl'jn te ondernemen, om zijne dogter te halen, welke in Holland benevens twee kinderen, die zij bij haar man hadt be- ko-  BENOIST. (ELIAS) 27$ I ftomen, ftierf. Benoist is een geleerd man geweest, die vee! ■ ftnaak en gezond oirdeel bezat, daarbij buitengemeen werk- II zaam was; de gave was hem eigen om zig zo wei op den 1 leerftoel als in de gemeenzame verkering, met een ongemene 1 kragt en minzaamheid uit te kunnen drukken, lieffelijkefpreekI wijzen en welbckookte, aaneengefchakelde redeneringen rol4 den als 't ware van zijne tong; daar bij hadt hij een zeer ij vluggen en gemakkelijken fchrijfftijl. De gefchrevene papieren i\ welke men na zijnen dood heeft gevonden, ftrekken tot waarJ borge, dat hij vrij dagt, de waarheid langs allerleije wegen ,j zogt, doch dat hij zig fomtijds in een kronkelend doolhof van a Zonderlinge en vreemde gevoelens begaf. Veel, ja zeer veel, heeft deze geleerde man gefchreven, j waar onder verfcheidene twistfchriften. Wij zullen ons ver1 genoegen met.het voornaamfte zijner werken aan onze lezers te doen kennen, en dit is: 1. Hifioire de l'Edit de Nantes, contenant les chcjes les plus remarquahlcs, qui Je Jont pasjées eu France avant fj? cipres Ja piiblication, a l'occajïon de la dlyerjité des Religions, principalement les contraventions, inexecutions, chicanes, artifices, violences, £? autres injujiices, que les Rejor. més ont Jouffert jusques a l'Edit de revocation en otlobre 1685, avec ce qui a fuivi ce nouvel Edit j'usques d prejent. Imprimé a ' Delft 1695. en V. Vol. in gr. Lte. 2. Ene vertaling van bc~ : venftaande werk in het nederduits, onder den tijtel van: ïfido* rie öcr <£erefc:mcer&e fecrhcu ban jfranfcnjR/ berbattcnöe fjet begin en oen booggang öcr Skfomiatie begonnen niet fjet jaar 1527/ en bi]3ouöerlnb öe ïf ï-Torie febert bet berlenen ban 't <ê> bikt ban tantes*/ opgcregt in öen jare 1599/ öoo? ücning Hendrik de IV, en Ö002 «jiie najatcn ou hunne ftom^'t tot öe ïttoon / bejtoorm 4©iö.sgaöer^ een nautobeittig bethaal bon alle De berfocbingen / troulrjloogfjeöcn / gcmelöcnai'hcn en bet* bolgingcn/ toeïfcen öe «SerefonnccrDcn / fo boo? alp" na't bet* > niett'rjen ban 't gemtföc Cbibt/ öoo| ï!oning Lodewyk de XIV öclcöcn hebben. 4,löet bnboeging ban alle öe gcönihruaar&tgfle «Sömten/ ©rclatatien/ en anöere atitbcnti)bc (iubben Daartoe behorenöe. %lh$ cc ene Mare en onjijDige mrjje uit De beroemt» S 2 ffe  S7S BENOYT. (LEONARD) BENSCOOP. (ARENT vak) fk ^ttftiijnn^ fe. famcnnefïcfö en tot op bc;c ttjbcn se&?agfc ln II Delen in folio., te Amfteldam in 1696 bij Jan ten Hoorn, zeer frai gedrukt en met konstplaten verfiert. . j. g. de GHAUFEPié, Nouv. Dictionaire, Tom. I. Iett. R. pag. 228--242, Paquot, Mem, litter. Tom. XIV. pag. 217-248. BENOYT (LEONARD), gebijnaamd de Waal, was een der ondertekenaren van 't vermaarde Verbond der Edelen, en tevens een ijverig voorftander van de hervorming in den godsdienst. In de fententien van Alva wordt hij ook befchuldigd, geld voor den Heer van Brederode ontvangen te hebben. De geleerde te Water vertrouwd, zonder egter zulks te durven verzekeren, dat deze Benoyt tot het adelijke geflagt van dien naam behoord heeft, en berigt ons, dat hij den 2 junij 1568 , te Brusfel op last van Alva is onthoofd. . Te Water, Verbond der Edelen, II. Stuk, bl. 190. Marcus, Sententiën, bl. 162, BENSCOOP (ARENT van), was een der Edelen, die tegens Graav Floris den V famenfpanden, en bij 't gevangennemen van dien vorst, na dat Wolfert van Borsselen 's Graven paard bij den toom gevat hadt, hem den fperwer uit de hand rukte. Na den beganen moord, bevondt zich deze Benscoor, benevens Kostyn van Boternisse, Alewyn en Willem van Teylingen, Willem van Saanden en anderen, op het Rot Kronenburg, toen het zelve door Guy van Henegouwen hemagtigd werdt; deze, na Gerard van Velzen, van Saanden en nog enige anderen, aan het volk tot Rilling van der■ zei ver woede overgegeven te hebben , deedt BENscoor, Teylingen, en nog twee anderen, op het Rot KervenMm in Kleefsland voeren. In 1304, bevondt Arent VAn Benscoop zig, met anderen onder den aanhang van Jan van Renesse; met dezen, als ook met Jan van der Leede, nam hij, na de nederlaag der Flamingen voor Zierikzee, de vlugt uit Utrecht, en begaf zig naar de Lek, tegen over Beuzighem, voornemens zijnde met een fchouw den ftroom over te varen. De meeste Edelen wier floten hier gelegen waren, hadden mede de zijde van  BENSIUS. (JOHANNES) BENT. (JOH. van rófi) 2j? van Renesse gekozen, tiitgönomen Jan van Beüzicöem, Héér van Kidlembwg, en nog een, wiens naam niet genoemd wordt. Deze beiden, die op de zijde der Henegouwers waren, Vah gemelde vlugt kennis gekregen hebbende, bragten enig volk in de wapenen, en troffen de vlugtenden, tegen over Kuikiiu lurg, aan. Op den 16 augustus des gemelden jaars, werdt Renesse nevens de zijnen geflagen, én, ingevolge het verhaal van Willem Procurator, in een fchouw gejaagd, dié omflaande, hen in 't water deedt fmoren. Behalven REHEssi fneuvelden hier Arent van Benscoop, Jan en Pelgrim va2s der leede , huieert van E verdingen; hendrik en ber- ■thold van SciiALKWYK, Heer Arent van Buuren en velé anderen, welker getal, op meer dah joo begroot wordt. ■ ■ ' ■ Will. Procurat. , adannum 1304. p. 536. Meyerus, ad unnum J304. ZüEDER. de CULENBÖRCH, Orig. Cltkmb. p. 593. W^. gen., Vad. Hift. HL D. bi. 78. 90. 179, i8öt BENSIUS (JOHANNES), geboren te Brusfel, leefde in de XVIde eeuw, en leraarde de fraije ietteren te Straatsburg. Hij onderhield een gemeenzame vriendfehap met Joh. Sturmius en heeft uitgegeven: 1. Tliefaurum elocutionis Oratoria! greeco^ latinum. Bafil. 1581. fol. 2. Locos communes comparandx Rerum £f Exemplorum copim accommodatos. Ar gent. 1581. ivo. 3. Eratemata in libros Cicer. de Officiis, Amicitia £f Seneüute. Ib. 1589 1601. 120. BENT (JOHANNES van der), Konstfchüder, is geboren te Amfteldam, omtrent het jaar 1650. Hij was een leerling van Adriaan van den Velde en Wouwerman, naar wien zijn penfeelwerk wel meest zweemde, zo in verkiezing als behandeling van fchilderen. Hij bleef ongetrouwd, en woonde bij vreemde menfehen in, daar hij een vrije kamér hadt. Op zekere tijd hadt hij omtrent 4000 guldens op zijn kamer liggen, wel gefloten in ene kist; deze aanzienlijke fom werdc hem ontvreemd, terwijl hij enige dagen van huis was; dit verlies trof hem geweldig, en zo veel te meer, doordien hij niemand met dien diefftal dorst befchuMigsn; en offchoon hij S ? een  278 BENTHEM. (ERNST WILLEM Graav van) een waarfchijnlijk vermoeden op zijnen huiswaard hadt, mangelde het hem egter aan bewijs; zo dat hij in de droevige noodzaak was geduld te nemen, en zijn leed te verkroppen; de goudvink was hem ontvlogen, en 't was niet waarfchijnlijk dat die tot haar koij te rug zou keren. Kort hier aan wierdt hij mistroostig, verviel in ene teringziekte, en, na enigen tijd gekwijnd te hebben, ftierf hij in 't jaar 1690. - A. Hou- braken, Schouwburg, III. D. bl. 288, 289. J. C. Weyerman, Leven der Schilders, III. D. bl. 133, I34. Wagen. Befchrijv. van Amfteldam, XI. St. bl. 428. BENTHEM (ERNST WILLEM Graav van), verliet het Protestants geloof, en' nam in 't jaar 1668 den Roomfen godsdienst aan. Zijne gemalin, den Hervormden godsdienst aanklevende, zondt toen zijne en hare kinderen, vijf in getal, naar 's Hage, onder de befcherming der Staten. De Gravin volgde die eerlang zelve, en ftierf in die Hofplaats, den 29 maart 3679- Zij hadt de algemene Staten en den Prins van Oranje tot voogden over hare vier zonen aangefteid, en werdt in de kloosterkerk, in 't graf der Prinfen van Bohème, bijgezet. De Graav haar gemaal, trouwde, in junij daar na, met ene weduwe van Saxen, geboren Landgravinne van Hessen; waar na hij zijne kinderen die zig nog hier te lande onthielden, onterfde. De Staten, zulks ongaarne vernemende, zonden irl 1685, den oudften zoon, met ernftige brieven van voorfchrijving, af, naar Benthem, op dat hij zig met zijnen vader verzoenen, en verandering in den gemaakten uiterften wil te wege brengen mogt. Doch de Graav bleef onverzettelijk, en de zoon keerde ohverrigter zake te rug in den Hage. Hij en zijne drie broeders, vervoegden zig in 't volgende jaar, aan de rijksvergadering te Regensburg, met een \vijdluftig vertoog, waar in zij hun goed regt op het Graavfchap verdedigden, en aanwezen, dat zij alleenlijk uit haat van godsdienst, ont* e;fd geworden waren; doch met dit al, vondt het vertoog weinig ingang. Zo men aan het zeggen van d'Avaux geloof mag liaan, zo zou de Prins van Oranje, voor zig zei ven, het  BEN TINK. i7p ïjet oog op het Graa"fchap Ber.tïiem gehadt hebben, en dat hij hiej om hadt te wege gebi agt, dat de Staten zig de zaak det jonge G.aven hadden aangetrokken. Negtciai. 'du 'Cow&e fc'AvAux, Tom. V. pag. 230. L> v. Aitzema; Zaken van St. en Oorl. VI. D. bl. 593-595. 603. 892, 893- 901, 502. Wagen, j Vad. Hift. XV. D. bl. 39. 295. BENTINK* of gelijk anderen fchrijven, BENTifïfck, dolt Benting, is een oud en vermaard geflagt, in 't hertogdom Celder en het landfchap Overijsjel, en waar van zig ook csn tak heeft gevestigd in de provintie Van Holland. In de XlVde eeuw was dit geflagt reeds in groot aanzien; want men lees? bij Pontanus, Hift. Gelr. dat reeds op het jaar 1368, Goos6en en Jöhan Bentink, beide tegenswoorcn'g waren bij het fluiten dèr huwelijks-voorwaarden van Hertog Eduard van Gelrè. Op het jaar 1377 wordt gemeld van Gerrit Bentink, lid van de Gelderje Ridderfchap, en in 1392 van JOÜAitf Bentink, geërfde tot Ölst. Zij waren reeds toen ter tijd, als mede in 't vervolg, en nog tegenwoordig, beleend met aanzienlijke goederen en heerlijkheden; onder anderen, met die van Berrinklmizen, Aller, Ane, 't Loo, IVesterhoj, tVerketen, DiepenJieim, Schoonheten, Witter.ftein, ten Velde, de Tienden in Engeland, enz. Onder dit geflagt hebben van 'vroeg af Mannen uitgemunt, die onder de eerfte voorftanders der edele Vrijheid een aanzienlijke plaats verdienen; Mannens die de voortreffelijkfte ambten en waardigheden, zo in ftaats- als hadsregering, met luister bekleed, en niet rmVider in krijgsbedieningen hebben uitgemunt; ja het mangelt aan geen Mannen uit dit geflagt, die hun leven voor het vaderland hebben opgeofferd; tot ene nog vers in geheugen getuige, verftrekt hier van, de dapperen Schout-bij-nagt Wolter Jan Geiwit Bentink, die op den 5 augustus 1781, in den voor de Nederlanders zo roemrijken zeeflag op Doggersbank, na de Engeljen veelvuldige afbreuk met zijn fchip de Batavier toegebragt te hebben, zijne geplukte laurieren in cijpresfen moest verwisfelen, door ene dodelijke wonde, welke hem in het best van S 4 zijo  260 BENTINK. (ADOLF) (ALARD) (ALEXANDER) zijn leven deedfneven, en zijn vaderland van eer en dappere* Held beroofde. Onze taak eist, dat wij van enige der Manoen u.t dit geflagt, ene befchrijving aan onze lezers mede^eleu, wij zullen'dit op ene alphabetife wijze doen, en onder anderen gebruik maken van de geflagttafelen, te vinden in het Genealogisch Wapenboek van Abr. FerWerda, ï. Deel, druk van I785; het gebrekkige hiervan, zal ik verbeteren en aanvullen Uit bengten door ene kundige hand tot die familie behorende op een verpligtende wijze aan'mij medegedeeld. Het gene men ten dezen aanziene in de Diclmaire van Moreri, ed. de 1740, en in het Woordenboek van Hoogstraten vermeld vindt is gants niet nauwkeurig. ' BENTINK (ADOLF) « Loo, zoon van Jan of Joha* Bentink en Janne, dogter van den Heer van Appelmi; is geweest Erfjagermeester van de Veluwe, werdt in 1543 be. Ieend met Berrinkhuizen, Wenerhof, de Timden in Engeland: voorts in iS47, met de Heerlijkheid '» Loo. Hij is gehuwd geweest met Margareta van Varick, en overleed zonder kinderen na te laten in 1548, en wierdt begraven te Apeldoorn. * BENTINK (ALARD;, Raad en Hofmeester der Koningmne MArgriet, weduwe van den Hertog van Savoijen, Gou. Vernante der Nederlanden ■ was een medeondertekenaar van haar testament in iS3o. Hij is getrouwd geweest met JohanNa Estor , dogter van Hendrik van Bongaarden en Anna VAN DER SPONt. BENTINK (ALEXANDER), twede zoon van Hendr* en van Margreta Huls, werdt in 1501 bij overdragt van Gysbert Aller, Heer van de Heerlijkheid Aller op de Veluw% In 1509 droeg Alexander zijn kasteel Schoonderhoek op aan Karel Hertog van Gelder, en na dode van zijnen heef Adole Bentink, hier boven vermeld, werdt hij be'eend met Berrinkhuizen. Hij teelde bij Janna van Zuilen, vijf zonen en twee dogters. 1. Karel, waar van in 't vervolg. 2 AöOLr, Jong geftorvèn. 3. Willem, volgt, 4. Hendrik, ddor  BENTINK. (ALEXANDER) 28i tloor huwelijk verenigd, met ene dogter uit den huize van Kidemburg, waar van hij Drost werdt; hij ft erf zonder'kinderen. 5. Willem van Zuilen Bentink, volgt. 6. Margreta, gehuwd met Kornelis Lahey. 7. Eusebia, gehuwd met Kornelis van Weese. BENTINK (ALEXANDER) , weidt in 1555 Heer van Aller, in 1564 van Berrinkhuizen, voorts Raad van 't Hof van Gelderland en Burgemeester van Arnhem. Het was deze, die nevens Gillis Piek en Joachim Lierie, als gemagtigden van de provintie Gelderland, de Unie van Utrecht aannamen en 011» dertekenden; zie Pieter Paulus, Hifi. der Unie. I. D. bl. 23. P. Bor, XIII. Boek, fol. 90. Deze Alexanoer Bentink , komt ook Voor, als ondertekenaar van het Ren-et-faal der nadere Unie; zie v. d. Spiegel, Bundel van onuitgegevene Jlukken, bl. 295. Alexander huwde met Alida van Bukkorst, bij wie hij vijf kinderen verwekte. 1. Karel, waar van wij in 't vervolg zullen fpreken. 2. Willem, ongehuwd overleden , den 20 december 1640. 3. Janne, in julij 1610 ge. trouwd met Jakob Schimmelpenning, fleer van Engelenburg en Keil, geftorvèn in 1652. 4. Kristina, trouwde in 1615, met Willem van Haersolte tot Trst, ftierf in 1638. 5. Ai/EXANDRiNA, aan ene befmettelijke ziekte ongehuwd overleden. • BENTINK (ALEXANDER), wierdt na den dood van zijnen Vader Karel, in 1646, Heer van Aller en Berrinkhuizen, vervolgens Burgemeester en Hoogfchout van Arnhem, in welke hoedanigheid, hij het voorftel in 1675 aan de regering van die ftad deedt: „ om den Prinfe van Oranje, en deszelvs „ mannelijke nakomelingen, uit erkentenis zijner uitftekende „ dienften, de hoge regering des Furftendoms Gelte en des . „ Graavfchaps Zutphen aan te bieden, onder den tijtel van „ Hertoge van Gelder en Grave van Ztitfen;" en fchoon dit voorftel, door een eenparig befluit op den 29 jahiiarij des genoemden jaars, door de Staten van Gehierland, wierdt goedgekeurd en in ene refohitie veranderd, kwam hier egter gelijk S s men  é82 EENTINK. (ANDRIES) (BERENT HENDRIK) men weet geen vervolg op, doordien zijne Hoogheid-, den 20 februarij in de Staatsve. gadering te Arnhem gehouden daar voor bedankte, met betuiging van zijne hartelijke deelneming voor het blijk van achting en vertrouwen. Wag., Vad. Hift. XIV. D. bl. 345-558, alwaar men een omftandig verhaal aantreft, van 'tjgene verder over- deze zaak is voorgevallen; en de waarfchijnlijke redenen, waarom de Prins 'er voor bedankte. Alexander huwde met Anna Peinse van der Aa en verwekte bij haar verfcheidene kinderen ; zijne huisvrouwe ftierf den 1 junij 1678, en hij volgde haar omtrent driejaren later, op den 19 junij i68r. BENTINK (ANDRIES) , de twede zoon van Willem Bentink en N. N. de Croef van Erkelens , heeft nagelaten twee kinderen. 1. Elizabeth, die Prioiesfe van het klooster Marienhoom, bij Kanten, is geweest. 2. Willem Bentink, Drost van Emden, die bij zijne eerfte vrouw N. N. van Diefenbroek, ene dogter verwekte, genaamd Bindelief, die de vrouw was van Rutger van Haersolte, tot IVeste'rveld en Wolfshagen; zij overleed zonder kinderen, den 4 febr. 1659. Uit het twede huwelijk met N. N. Grawert, kwam ene dogter, Hadriana genaamd, die in 1651 trouwde, met den Ritmeester Simon van Haersolte, tot Bredenhorst en Zwaluwen* lurg. BENTINK (BERENT HENDRIK), zoon van Eusebiüs Borchard en Anna Agnes Bentink, is geboren den 2 feptember 1703, en was Heer van Schoonheien en Diepenheim, Dingwaarder van de Hoge Bank van Juflitie, en Lt. Stadhouder der Lenen van Overijsfel, Ridder van den Duitfen Orden, Kommandeur van Dieren, en Coadjutor der Balie binnen Utrecte, overleed in 1772. Hij trouwde den 12 december 1732 met Bonne Elizabeth Jurriana du Tertre, welke den 1 julij 1795 is overleden, en enige dogter was van AmBrosius du Tertre de Ecosse , die om de vervolging in Frankrijk ontftaan, door de herroeping van 't Edikt van Nantes in 1585, met zijne twee broeders de wijk herwaarts genomen,- en  BENTINK. (BEKENT HENDRIK) afiy 1 , hij  BENTINK. (JAN WILLEM) $£| y, Mj gehouden werdt voor éen befchreven lid der Ridderfthao }, van Kleve. Dat dié van Holland nog in den jare föo'a „ pogingen hadden gedaan, om de algeméne Staten tè doen l, befluitën, dat niemand, in vreemden eed of dienst simde „ zou toegelaten worden', in derzei ver vergadering; dat hier„ om, de Graav van Portland, ais zijnde in diénst en eed „ ener uitheemfe Mogendheid, en hebbende 't regt van in* „ boorlingfchap en zitting in 't Parlement iri Engeland vei„ kregen, onbevoegd was, om zitting te nemen tér vergade,, ring van Hol/and" Doch de Ridderfchap en ande'ré. leden toonden zig ten. hoogden te verwonderen, óver deze verklaring der ftad Amfteldam. Zij merkten aan: „ dat de Graav „ van Portland zijne Majefteit van Grbot-BHtannien verzeld „ hadt, in enen togt, die met kennis en volkomen' toefterg„ ming van den Staat, ondernomen was, en waar van de „ goede uitflag geoirdeeld werdt te moeten ftrekken, tot qe„ veiliging van den Staat, den godsdienst en" de vrijheid. „ Dat zij hierom verwa'gt hadden, dat de genoemde Graav „ van zulk een' togt te rug kerende, met alle beleefdheid en „ dankbaarheid, zou zijn ontvangen geworden in der Staten „ vergaderinge; doch dat zij daarentegen, met de uiterfte be;, vreemding hadden vernomen, dat men hem uit de vergadet, ring weren wilde, om dat hij door zijne Majefteit tot de' „ Gravelijke waardigheid bevorderd was. Dat van ouds, on„ der den adel en krijgslieden dezer landen, zeer gebruikelijk „ geweest was, zig in vreemden krijgsdienst te begeven; maar * nimma- was verftaan, dat de waardigheden van Hertoge, „ Grave, Pvidder, of enige anderen, ,welken zij, door üeffelijke daden mogten verkregen hebben, hen onbevoegd „ maakte, om de voorregten te bezitten, welke zij voor hun „ vertrek uit deze landen, bezeten hadden. Dat zulks, in 't ft tegenwoordig geval, te minder behoorde plaats te hebben, ,', om dat de togt naar Engeland, voor gcenen vreemden, maar „ voor enen togt der Staten zeiven te houden ware;, en dat ;, zijne Majefteit van Groot-Britanje, als Kapitein-en Admhaal „ der verenigde gewesten, en als Stadhouder van Holland, T 3 „ en;  2$4 BENTINK. (JAN WILLEM) „ ene zeer nauwkeurige betrekking hadt tot dezen Staf*- kon* „ nende ook zulke waardigheden, als de Graav va» Port „ land verworven hadt, zeer ftrekken, om het onder'in„ goed verftand, tusfen andere Mogendheden en dezen Staaf0 „ aan te kweken. Wijders, was de refolntie der Staten van' „ Holland van den jare 1586 niet in gebruik gebragt, ten op. „ zigte van hun, die gewoonlijk ter dagvaart verfc enen; „ zijnde, onder dezelven, dikwils zulken geweest, die in eed „ en dienst van anderen waren, of aan anderen', zelvs aan „ uithe'emfen, hulde en manfchap gedaan hadden ; waarom „ men moest oirdelen, dat deze refolutie zag op tijden, zeer „ veel verfchillende van de tegenwoordigen; of, gelijk n'en in „ 't jaar 1558 , fcheen begrepen te hebben , afeen gepast „ moest worden op Staatsdienaars, niet op afgezondenen ter „ dagvaart, in welken zin alleen, zij nog in gebruik was; „ behalve dat zij ook niet toepasfelijk was op de Edelen, die „ uit eigen hoofde ter dagvaart kwamen; daar de refolutie al„ leen fprak van zulken, die door iemand ter dagvaart waren „ gezonden. Nog moest men onderfcheid maken, tusfen uit„ heemfen, die in vreemden dienst zijnde, ter vergaderinge „ zouden willen verfchijnen; en zulken, die reeds gewoon ., aldaar te komen, zig in eed en dienst van anderen bega„ ven. De verdere refolutien welke die van Amfteldam aan„ haalden, betroffen de vergadering der algemene Staten, „ tusfen welken en die der Staten van Holland, groot onder' „ fcheid was. 't Voorbeeld van de Heer Hendrik Kapelle „ toe Ryssel kwam te minder te pas, om dat die Heer, nog „ lang na dat Holland gezogt hadt hem te weren, ter algemene „ Staatsvergadering verfchenen was. Ook hadt men de Heren „ van Deesen,- van Twikkelo en van Preustingen, we„ gens Overijsjel, ter algemene Staatsvergaderinge en in de „ Admiraliteit toegelaten, fchoon de eerfte onder de Stenden „ van Keulen, de twede onder die van Benihem, en de Iaatfte „ onder die van Munjier behoorde. De Heren van Kreitin„ gen en van Palsterkamp waren in Zutfen en Gelderland be„ fchreven geweest, fchoon de eerfte ook ouder de Stenden „ van {!  fcÉNTINR (JAN WILLEM) Üp| 1, van Munfter, de andere onder die van Kleve behóórde. Ds „ Heer van Salk, hoewel twintig jaren onder de Stendeu „ van Munfter befchreven zijnde geweest, was èeh lid der j, Ridderfchap van Overijsjel geworden. In Friesland èn in ,, Stad en Lande, werden vërfcheide Heren, die ook ondér dè '„ Stenden van Oostjriesland behoorden, tot dé regeringe toe„ gelaten, in Holland zelv', ftondt het elk, gevolgelijk bok „ die van de regeringe, vrij, Lenen van verfcheiden' Mo„ gendheden te bezitten, en desaangaande èed en' huldë te doen. Ook zou mén bevinden, dat verfcheiden' Edeleh al„ hier, deel aan vreemde regeringen gèhad hadden. De tej, genwoordige Heer van Obdam waj) verfcheiden'jaren ag„ tereen, onder de Stenden van Benthem, befchreven én ver'„ fchenen. Men zag dan geene reden, waarom den Grave „ van Portland zitting en ftem ter dagvaart geweigerd zou l, worden, en verzogt Amfteldam, zig hier in té voegen me: „ de andere leden." Doch dit verzoek hadt zo xveinig ingang, dat de Afgevaardigden dézer ftad, ziende dat Portland met der daad zitting nam ter vergadering', zig gelast verklaarden, om daar tegen op 't ernftigst te protesteren, gelijk zij deden. In de aantekening, die hier van gemaakt werdt, merkten zij deze zitting aan: „ als iniluiterde ene volilrekte verandering „ dér regerin e, en ene omkering van derzelver grondflagen, „ waaromtrent geene overftemming geleden kon worden. Ook ,j hielden zij voor nietig en van onwaarde alles, wat in 't bij„ zijn van den Grave van Portland , in de vergadering der „ Staten, gehandeld èn beftoteh zou worden; en om bij de „ na: omelingfchap, den naam niet te hébben, dat zij, in de „ toelating dés Graavs bewilligd hadden, zeiden zij, uitdruk„ kelijken last te hebben, om uit de vergadering té vertrek» M ken, zo lang de Graav van Portland dezélve zou bijwo„ nen, latende daar alleenlijk den Penfionaris der ftad; om té „ horen en te zien." De Ede'en en alle de andere fteden, behielden zig het regt, om tegen dit protest en deze aantekening , zulk een protest en aantekening te doen, als zij zouden te rade worden. En, terftond hier op, verlieten de AlgévaarT 4 dig-  •4o5 mmm om willeb digden van Amfteldam de vergadering; hunnen Penfionaris Wr' Kornelis Bors van Waveren alleen in dezelve latende bl&ven. De Koning van Engeland, midlerwijl kennis bekomen hebbende van de zwarigheid, welke die van Amfteldam maakten, betde om den Graav van Portlano ter dagvaart toe te laten en om de nominatie van Schepenen over te zenden naar Engeland, toonde 'er zig niet weinig verftoord over Hü hadt den Grave van Portland last gegeven om 't verfehü over de nominatie te vereffenen, door 't voorflaan van zekeren middelweg, waar van hij niet gezind was af te gaan. Doch dit nam zijn misnoegen niet weg op die van Amfteldam, 't welk ten duidelijkflen blijkt uit een brief met 's Konings eigen hand aan Portland, op den 20 januarij 1690 uit Kenfington gefchreven, waar in zijne Majefteit, onder anderen van deze woorden gebruik maakt: „ Tot hier toe gefchreven hebbende ko„ men de brieven uit Holland aan. De kwelling, die de He„ ren van Amfteldam u willen aandoen ontftaat alleen uit het „ kwaad hart, welk zij mij toedragen, en valt mij ten hoog„ ften verdrietig. Ik hoop, dat gij ze te boven zult komen „ en dat de andere fteden u de hand zullen bieden. Zo de „ zaak van de verkiezing der Schepenen afgedaan wordt vol„ gens den middelweg, dien ik u bekend gemaakt heb, en „ die de enigfte is, welke ik gedogen wil, begeer ik, dat gij „ 'er in begrepen zult zijn; op geenen anderen voet, wil ik ,, mij verdragen." Ook werdt federt, te gelijk over de zaak des Graven van Portland, en over die der verkiezinge van Schepenen, gehandeld; welke beide na veelvuldige debatten, bij fchrkkrng gevonden werden. Kort hier na keerde Bentink mar Engeland terug; en fchoon deze Heer een even dapper Krijgsman als ervaren Staatsman was, werdt hij door het belang dat Koning William in zijne raadgevingen ftelde, meest ' m de laatstgenoemde hoedanigheid gebruikt. De Engelfe gefch.edfchrijver Burnet weidt breed uit in den lof dien Portland, door zijne getrouwheid aan zijnen vorst, verworven heeft, gaande dezelve zo verre, dat de Koning die nauwelijks wrst te vergelden. Die zelvde fchrijver geeft ook niet duis-  BENTINK. (JAN WILLEM}' «9y duister té kennen, dat Bentink de man was, die, door ene ftem aanbevolene briefwisfeling met den Marfchalk de Boltfleks, den grond tot den Rijswijkfm vrede gelegd hadt; en, ns 't Buiten van dien vrede, werdt hij als Ambasfadeur, naar 't Hof van Frankrijk gezonden, alwaar hij met al dien luister en pragt verfcheen, waar mede zig immer een Afgezant vertoond hadt; belopende de kosten daar van, in den tijd van vijf maanden 800000Hollandje guldens; doch voor deze fomme werdt de achting voor Koning Jacobus , aan het Franje Hof, genoegzaam geheel vernietigd, en die voor Koning William bij velen gevestigd. Bentink hadt in 't jaar 1700, grotelijks zijn aandeel in 't fluiten van.'t Traktaat van partage, wegens "de Spaanje Monarchie; waar uit de Nijd in Jt voigende jaar, enige gronden van befchuldiging meende te kunnen tiekken, doch de verheven Staatsman wist de opregthe'd zijner handelingen zo duidelijk aan den dag te leggen, dat dezelve fpoedig verftomde. Koning William in 1702 overleden zijnde, verliet Bentink kort daar op het Hof, en begaf zig naar zijn landgoed Euljtrode in Burkshire, alwaar hij is overleden. Bentink is twemalen gehuwd geweest; zijn eerfte vrouw was Anna, dogter van den Ridder Eduard Villers, zuster van Eduard, Grave vmjerjij, Staatjuffer van Koninginne Maria, en voor de twedemaal tradt hij in egt met Sara Maria Temple; bij welke twee vrouwen hij de 14 volgende kinderen verwekte. 1. Maria, getrouwd met Algeroon, Lord-Capel van Hudham, Bürggraav van Malden, Lt. Generaal van de Engelje troepes. Haar twede man was de Graav van Darig. 2. Anna Margreta, getrouwd met Arent van Wassenaar, Heer van Duivenvoorden. 3. Hendrik, Hertog van Portland. 4. Fransina Willemina, gehuwd met Willem Biron, Lord Baron van Rochdale. 5. Eleonora, ongehuwd overleden. 6. Isaeelia, getrouwd met Everlyn Pierpont, Hertog en Graav van Kinjïon. 7 en 8. Twee zonen, Willem genaamd, beide jong in Holland geftorvèn. 9. Elizabeth. 10. Hadriana. 11. Willem, waar van hier beneden. 12. Henrieth. T 5 ( 13.  ' «pè BENTINK. (JOHAN) (KAREL) Ï3. Karel Jöhan. 14. Barbara. Wagen., Vad. Hij? XIV. D. bl. 370. XV. D. bl. 302. 428. 435- XVI. D. bl. 27.' 45- 53- 59- BENTINK (JOHAN), zoon van Hendrik Jansz. , werdt bij Slichtenhorst, Geld. Gefchied. bl. 229. gebijnaamd, de Önbefchei3enel Hij en zijn broeder ondertekenden, nevens' andere Edelen; als leden van den landdag, die in 1435 '^Nijmegen gehouden werdt, ene overeenkomst, gemaakt tusfen Hertog Arnold van Gelder en de Edelen en Steden, teri voordele van den lande. Doch in den Zoenbrief ter vereffening der gefchillen tusfen den Hertog van Kleef en gemslden Graav Arnoud, vindt men dezen Joiian, met den gezegden bijnaam, als den vierden in rang der ondertekenaars. Hij hadt tot vrouw N. N. dogter uit den huize van Heukelcm, en verwekte daar bij twee kinderen. 1. Jan. 2. Gerrard, die Heer was van een kasteel, genaamt Bentink, te Garfden, gelegen tusfen Deventer en Zutfen, 'i welk hij en zijne vróuw, als zonder kinderen zijnde, opdroeg aan Dirk Stakebrand. BENTINK (JOHAN), bijgenaamd de Beste, twede zoon van Hendrik, trouwde in 1533 met Henerika van Avïreul; hij was Rentemeester van de Velmve, en heeftin 1593, 'thuis Leeuwenburg gebouwd. Hij ftierf in 1600, nalatende'de vier volgende kinderen. 1. Hendrik, hier voor befchreven. 2. Clementia, eerst getrouwd met Kracht van Kamphuizen, tot Glinthorst; daar na met N. N. van Harte veld. 3. Willem, getrouwd met Hendrika van Anxtel. 4. Gerberich getrouwd met Jan van ScheRpenzeel, Regter te Doesburg', daar na met Ernst Mom; en is in 1595 geftorvèn. BENTINK (JOHAN) , een zoon van Hendrik en ErMcaart van Anxtel; had ter vrouwe Margreta van Voorst, tot Hagen; waar bij hij verwekt heeft een zoon, HendrikFrederik, hier boven vermeid. BENTINK (KAREL), Landrentmeester van de Velmve, wierdt in 1550 Heer van Berrinkhuizen; bij Katrina van Hak-  BENTINK. (KAREL) (LAMBERT) (LEONARD) 259 Hakvoord, zijne huisvrouw, teelde hij de volgende drie zonen en ene dogter. 1. Alexander. 2. Fair, Gouvenreur van Stralen, hier voor. 3. Adolf, gehuwd in Italien, en aldaar overleden. 4. Kristina , ongehuwd overleden. BENTINK (KAREL) , oudfte zoon van Alexander en Alida van Bukhorst; was Raad in 't Hof van GelderlandBurgemeester te Arnhem, en werdt in 1607, Heer van Aller en Berrinkhuizen; hij trouwde in 1616, met Sophia van der Lauwik, en won daar bij. 1. Alexander, die zijnen vader opvolgde. 2. Willem, Faandr'k in dienst van de Republijk, die ongehuwd ftierf. 3. Janne Sophia. 4. Katrina. 5. Geertruid. BENTINK (KAREL), een zoon van Willem Bentink en Lamme Schimmelpenning:; was Heer tot Berenkamp, en huwde met Antonetta van Deelen, bij welke hij verwekte. 1. Steven, die tot vrouw hadt Judith van Steenhergen , welke hem baarde N. N., Here tot den Berenkamp, gehuwd aan de freule van Deelen, en N. N. Heer tot der Aa, gehuwd met de freule Schimmelpenning. 2. Lambert- 3. Willem, Heer tot der Aa, in 1652 ongehuwd overleden. 4. Geertruid , gehuwd met Floris van Braxel , Drost van Leede. 5. Janne, getrouwd met Gerrarp van Galen, Burgemeester te Hattem. BENTINK (LAMBERT), zoon van Willem Bentink en Sophia N., is geweest Rentemeester van de kloostergoederen van Monnikhuizen, buiten Arnhem; deze verwekte bij ziïne vrouwe Geertruid van Hakvort, die de Heerlijkheid Bijier geërft hadt. 1. Willem, Heer van den Bieler. 2. Bakent, die te Utrecht ftuderende, door een Poch Edelman doorftokeu werdt. 3. Janne. BENTINK (LEONARD), de derde zoon van Willem Bentink en N. N. de Croef van Erkelens, is geweest Gouverneur van Alfen; en heeft bij zijn derde vrouw Ursula van Elderen verwekt. 1. Anna, getrouwd inetN. N. Fopping,  300 BENTIN K. (MAARTEN) (STEVEN; (WILLEM)' ping, Kapitein. 2. MargarETa, getrouwd met JoosY Stukke. 3. Geertruid, getrouwd met Art Jago, en daar na met N. N. de Vera. 4. Willem, hier van beneden. 5. Tohan Kapitein. 6. Ursula; deze beide laatften ongehuwd" overleden. BENTINK (MAARTEN), wiens vader is geweest Henbrik Bentink , en moeder Elizabeth van Scherpenzeel; was Kollonel in dienst van den Koning van Spanje*f hij trouwde aan Petronella, vrij vrouwe van Batenburg en Brenkhrst, bij wie hij drie kinderen verwekte. 1. Filip Hendrik Havenmeester van den Furst van Nieuburg. 2. Herman, Kapitein in d.enst van den Spaanfen Koning. 3. Anna Charlotte, ongehuwd geftorvèn. BENTINK (STEVEN), de vierde zoon van Hendrik Bentink en van Gerberich Lerink, was Burgemeester te Zutfen. Hij huwde met Anna Schimmelpenning, en verwekte bij haar zes kinderen. 1. Andmes, ongehuwd aan de pest overleden. 2. Gerberich, Geestelijke in 't Spiraal te Zutfen. 3. Jütte in 162S ongehuwd geftorvèn. 4. Hendrik, mede ongehuwd op den 6 october 1624 geftorvèn. 5. Willem, insgelijks ongehuwd aan de pest overleden. 6. Jutte.' BENTINK (WILLEM), de derde zoon van Alexander Bentink en Janne van Zuilen, is tweemalen getrouwd geweest; zijn eerfte vrouw was Lamme Schimmelpenning, bij wie hij drie kinderen verwekte; en bij de twede Sophia' N. nog drie anderen, r. Judith, eerst juffer in 't Spiraal te Zutfen; welke vervolgens trouwde met G. Centeler, die in 1601 als Ritmeester in den flag van Flaanderen fneuvelde; waar na zij hertrouwde met Thomas van der Capelle. 2. Andries, die zonder kinderen in 1584 overleed. 3. Karel, Heer tot de Berenkamp, waar van hier boven. Bij de twede vrouwe, 4. Lambert, waar van hier boven. 5. Alexander of Sander, in 1614 ongehuwd overleden. 6. Janna, in dat zelvde jaar als jonge dogtér geftorvèn. ' BEN-  BENTINK. (WILLEM van ZUILEN) .Qr; BENTINK (WILLEM van ZUILEN), bijgenaamd * Lange, de vijfde zoon van Alexander Bentink en Janne van Zuilen ; was Rigter van 't Oldebroek op de Velime, Hij beeft twee vrouwen gehadt; bij de eerfte Judith van Zuilen van Nyvelt, verwekte hij drie kinderen, en bij de tweede, nog; drie anderen, i. Jakob, die ter vrouwe hadt N. N. dogter. van N. N. van Holtwyk, bij Boel-holt, waar bij hij ene dogter verwekte, Anna genaamd, die erfvrouwe was van Holt* wijk, en ten man hadt Geurt van Rheenen. 2. Apnold, jong overleden. 3. Judith, gehuwd met N. N. van Ruitenberg, te Utrecht. 4. Judith, ongehuwd overleden. 5. Johanna, getrouwd met N. N. van Palland, en Karel jn zijn jeugd overleden. BENTINK (WILLEM), een zoon van Hendrik Bentink en Margareta Huls, verwekte bij zijne huisvrouwe, N. N. de Groef van Erkelens , vijf kinderen. 1. Eusebius. 2. Aneries. 3. Leonard. 4. Hendrik, die ongehuwd ftierf. 5. Geertruid, gehuwd met Pieter Mulert. BENTINK (WILLEM), een zoon van Wulp Bentink en Anna van Haarsolte; 's Lt. KoIIonel geweest, en getrouwd aan Margaseta van Laar, tot Hoherloo, vrouwe van Langeveldslog, bij wie hij twee kinderen verwekte. 1. Wolf, getrouwd met Agnes Florentina Hadewich van Welvelde en Diepenbroek, 2. Anna, gehuwd met N. ter Brucce, Kol. koncl, BENTINK (WILLEM), zoon van Andries Bentink, is Drost geweest van Emden, Hij is tweemalen getrouwd ge- • weest; bij zijn eerfte vrouw N. N. van Diepenbroek, teelde hij ene dogter, genaamd Bindelief, die de vrouw was van Putoer van Haarsolte , tot Westerveld en Wolfslagen; zij overleed zonder kinderen na te laten , den 4 februarij 1659. Willem huwde voor de twedemaal met N. N. Grawert, die hem ene dogter gaf, Hadriana genaamd, welke in 1651. trouwde met Simon van Haarsolte, tot Bredenhcrst en Zw»< tmmburg, Ritmeester. BEN-  8»2 BENTINK. (WILLEM) ' BENTINK (WILLEM), zoon van Leqnard Bentink en Ursüla van Elderen, was Kapitein; en trouwde eerst met Klara Stekke, en na aflgvighqjd van deze, in 1597 met Theodora yan Buirse , tot Horsïwljk, bij Grol. Uit het eerfte bed kwam voort Willem ; en Anna , in 1619 met de halve EJcheder. tiende beleend; getrouwd eerst met George van de Feltz, Kapitein, en daar na met Reinold Huinga, Kapitein, dien zij baarde Margareta, die ten man hadt Albert van der Hel, Burgemeester te Campen. BENTINK (WILLEM), een zoon van Jan Willem Bentink en Sara Maria Temple, was Heer van Rhoon en Pendrecht, en befchreven in de orden van de Ridderfchap in Holland, is een Staatsman geweest, die buitengemeen was verkleefd aan Willem den IV. Hij was de eerfte, welke aan dien vorst in het jaar 1747, door- een renbode kennis gaf, van deszei vs aanftelling tot Stadhouder, Kapitein- en AdmiraalGeneraal over Holland; aanmerkelijk was in het antwoord van zijn Hoogheid aan Bentink, dat hij verklaarde: „ zig zeiven „ eerst over zijne bevordering te zullen geluk wenfen, als „ dezelve bleeke te toetten ter eere van God , en tot wet zijn van het lieve vaderland." Ook 't gene hier bij gevoegd werdt: „ dat het grootfte vermaak, welke de Prins, fe„ dert de eerfte tijdingen dezer omwentelinge gevoeld hadt, „ ontftaan was uit het berigt, dat alles zonder ongeluk was „ afgelopen; zullende hij den Hemel bidden, dat een werk, „ zo open baarlijk door deszelvs zegel bekragtigd, in't vervolg „ ook, door geene de minfle bloedftorting bezoedeld zou. „ worden." Ter gelegenheid van 's Prinfen inleiding in den Raad van State, deedt Bentink ene aanfpraak, die zeer opmerkelijk geoirdeeld werdt. Hj verklaarde te hopen: „ dat „ de herftelling der oude wijze van Regeringe, ook de cen„ dragt in den Staat zou herftellen; dat de raadplegingen, „ daar door bij tijds, tot rijpheid gebragt, en met den ver„ eisten fpoed uitgevoerd zouden worden, en dat de ftraffèn „ en beloningen, daar door, wijsfelijk zouden worden uitge- „ deeld.  BENTJNK. (.WILLEM) ^ deeld. Door deze middelen, en onder 't beftier der Prin„ fen van Oranje, was," vervolgde hij, „ de Staat gerezen „ tot dien top van geluk, van waar men dien, onlangs, hadt „ zien nederftorten, tot zo verre, dat dezelve een fpot voor „ de vijanden, en een onnutte last voor de vrienden gewor* den was. Plij betuigde, wijders, niet te twijffelen, of de j, Prins zou de voetftappen zijner voorvaderen navolgen, en „ medewerken, om den Staat, die reeds ten dele overrom„ peld was, te bevrijden voor het juk van enen heerszugtigea „ en trouwlozen nabuur, die met de goede trouw en met de „ plegtigst bezworen verdragen, openlijk den fpot dreef. Hij „ hieldt zig ook verzekerd, dat de algemene geneigdheid der ,, ingezetenen tot den Prinfe, die door geen' tijd noch kon„ ftenarij hadt konnen uitgewist worden, bij de uitkomst blij„ ken zou, regtmatig te zijn geweest; waarom, hij ten be„ fluite, verzogt, dat de Raad den Prins de eer beweze, „ welke men aan zijnen rang en waardigheden verfchuldigd „ was." De Franfen hielden zig gebelgd over deze aanfpraak, waar door hun Hof, ten onregte, zo zij waanden, gehoond werdt. Ook hebben fommigen hunner fchrijveren aangetekend, dat Bentink, wegens de onvoeghjkheid van enigen zijner uitdrukkingen, vermaand door zijne vrienden, geantwoord zou hebben: „ dat hij geoirdeeld hadt, bij zulk ene „ plegtige gelegenheid, dus te moeten fpreken, om 't volk ,, te overtuigen , dat hij geen aanhangeling van Frankrijk ware." Een hoon, die vele brave Regenten in dien tijd werdt aangewreven. Nog dit zelvde jaar werdt Bentink als buitengewoon Gezant naar Engeland gezonden, alwaar hij ene overeenkomst floot, betrekkelijk de verrigtingen van den aanftaanden veldtogt. Ook was hij in 1748 een der Afgevaardigden, Wegens dit Gemenebest, tot den vredehandel van Aken. Den 29 augustus van dit zelvde jaar, kwam Bentink te Amfteldam, om, uit naam van zijne Hoogheid, der Regeringe en Burgerij af te vragen, of zij hare belangen goedvonden te (lellen in handen van den Prinfe; doch een der Burgemeesteren kwam' hem aandienen, dat men 't beiluit der Regeringe hier  33$ BENTINK. (WOLF) hier omtrent reeds hadt bekend gemaakt aan den Prinfe. Van wege de Gemeente, kwam enen Hendek van Gimnig een Pa.troonmaker van Haarlem met hem fpreken; waar na', uit zijnen naam, der vergaderinge in de Kloveniers Doele 'afgevraagd werdt: „ of zij niet begeerde, dat zijne Hoogheid in „ de ftad kwame? of zij hare belangen niet aan den Prinfe „ verblijven wilde; gelijk de Wethouderfehap aan haren kant ,> gedaan hadt? en of zij zig, midlerwijl, niet ftil en vreed. „ zaam wilde gediagen?» Alle welke vragen met ja beantwoord werden ; waar op Bentink na verflag van dit ant> woord bekomen te hebben, naar SHage te rug keerde. Verdere bedrijven van dezen Staatsman vindt men niet opgete- ^ rrr' ÏÜ ^ 22 d£Cembei' Wag. HlfC- XX' D' b!" 94. 97, 93. i74. 179- 284. Memoires pour IHifu de l'Eurape. Tom. III. part. 2. p. 47. BENTINK (WOLF), oudffe zoon van Hendrik Bentin, en Elizabeth van Ittersum, wierdt in 1622 Heer van Werneren; m 163S Landdrost van Ttfehmdden, en in 1638 Landdrost van Vollenhove, ftervende nog in dit zelvde jaar Den 9 november 1623 trouwde hij met Tekla Beringa, die zonder kinderen overleed; waar na hij hertrouwde met Anna van Haarsolte, bij wie bij verwekte, i. Hendrik, hier voor. 2. Elizabeth, getrouwd met Rudolf van Hoevel Heer van Nijenhuis en Hcvelham, Lt. KoIIonei, 3. Willem' Lt. KoIIonei, hier voor. ' BENTINK (WOLF) tot Langevelslo, geboren in 1680 trouwde aan Agnes Floeentina Hedwich van Welvelde' Hij ftierf den 16, april i726, en zij den 16 april I732 na zeven kinderen bij'malkanderen te hebben verwekt; waar'van ' gaan, dan afdeinzen! het gevegt op den Batavier tegen de Bienfaifant zo dapper voort, dat het Engels fchip, na omtrent anderhalf uur flaags geweest te zijn, afdeinsde tot op den afftand van een zesponder fchot, blijvende op dien afftand geftadig vuren. Een vier-en-zeventiger kwam de Batavier dwars op zijde, en gaf hem driemalen de volle laag, waar door de kruisfteng benevens de vlag van het agterfchip nederftorte, en de verfchanfing bij het grote wand in brand vloog; deze geblust Zijnde, Het Kapitein Bosch terftond een Geus opheisfen. Ge^ melde vier-en-zeventiger den Batavier verlatende, tastte Parker , al dien tijd tegen Zoutman geflagen hebbende, nu met nog twee andere fchepen het fchip van Bentink, met een onuitfprekelijke woede aan, doch deze beantwoordde dit fchrikkelijk vuur, en deedt Kapitein Bosch zijne nog bruikbare ftukken met dubbel fcherp laden. Het ijslijk vuur van vier fchepen, die een hagelbui van gloeiende kogels braakten, vernielde al het ftaand en lopend wand, en de zeilen hingen aanflenteren, raa bij raa viel neder, de roerpen brak, en het deerlijk ge* havend fchip, was een wrak gelijk en op generlei wijze te befturen. Middelerwijl fchenen vijf Engelfe fchepen lust tc krijgen om den onbeweeglijk liggenden Batavier, die reeds zo veel geleden hadt, aan te tasten en te nemen, en hielden 'er voor den wind af na toe. De moedige Kapitein Bosch , 's vijand? bewegingen bemerkende, liet terftond het fein van onvermogen om te kunnen volgen neder, en de vlag weder ophalen; V 2 dff  $08 BENTINK. (ZENO AREND) dit d;edt de vijanden wederom bij den wind opfteken. HÏet "óp raakte dé Batavier om en weder bij de vloot, daar het bevel ontving om naar de'eerfte haven de beste te'zeilen. 'Onze gékwétftè Held kreeg, zo dia de vloot op de rede ^nTexel was'gekomen, den Ch'irurgij.i van de Admiraliteit van Hussuk aan boord, die de wond allergevaarlijkst oirdeelde; hier op' werdt Bentink naar Amfteldam gevoerd, en ten liiiize van den Fiskaal j. Boreel gebragt; alwaar de bekwaamöé Artzeh én dé kimdigfte Heelmeesters, alles te werk ftelden wat dé konst vermag, om ware 't doenlijk den zo zeer geliefden Bentink té behouden. Maar noch" hunne konst, ïióch 'alle onafgebrokene zorgen en oppasfingen die hij aan 't huis van zijnen hartvriend' genoot, noch alle de voorbiddingen , hadden kragts genoeg hem te redden, en deze jeugdige Held overleed tusfen den 23 en ziften, nog geen 36 jaren bereikt'hebbende, en werdt in de Nieuwe Kerk, met ene zeef aanzienlijke lijkftatie begraven; een gedenkpenning, die j de Admiraliteit liet vérvaardigen te zijner eere, en een opgehangen gedenkteken in het koor dier Kerke, hebben zijnen naam der" vergetelnisfe ontrukt. Een onzer Nederlandfe Dïg3. BERG (Graven van den) , ook van 's Herenberg, genoemdty zijn hunnen oirfprong verfchuldigd aan het aloude en vermaarde geflagt der Wassenaaren : vermits Johannes de tweede van Wassenaar, Heer van Polanen, van der Lek en Breda, bij zijne gemalinne Margreta van der Lippè, in ds. XlVde eeuw, teelde Otto, den ftamvader der Keren of Graven yan den Berg. Deze Otto, ontving met Sophia, erfdogter van Fredrik, en Heer van 's Herenberg, de Heerlijkheid van de". Berg, in 't graavfchap Zutfen; niet verre van,  32» BERG. (Graven va» een} de ftad Emmerik gelegen. In 1428 overleden "zijnde, liet hij het graavfchap na aan zijnen enigen zoon Willem, die, oni de veelheid zijner goederen, den toenaam van de Rijke bekwam. Zijne gemalin was Lokke, dogter van Everwyn", Graav van Bentheim. Na zijn overlijden, in 1464, volgde hem zijn zoon Oswald, die, in 1468, of, gelijk anderen willen, in 1473, dcor Keizer Fredrik den III, tot Rijksgraav verheven werdt. In het jaar 1456 was hij in den egt getreden met Elizabeth, dogter des Graven van Meurs; hij ilierf in 1506, en werd gevolgd door zijnen zoon Willem, die door den enen de II, en door den anderen de III, genoemd wordt. Deze Willem, dien wij den II noemen, was in 1503, getrouwd met Anna, ene dogter van Here Jan vak Boksmeer; welke Anna dezen haren man ten huwelijk aanbragt de Heerlijkheden Boksmeer, Haps, Stevenswaard en Spalbeek; waar van hij egter niet lang bezitter was; want hij overleed in 1511, nalatende Oswald den II, die in 1545 overleed, en drie zonen, benevens ene dogter, naliet. Willem de III, zijnde de oudfte zoon, volgde zijnen vader op; hij hadt ter vrouwe Maria van Nassau, dogter van Willem, Grave van Nasfau, Vianden, Dietz, Dillenburg, zuster van Prinfe Willem den L Hij teelde bij haar agt zoneh, en even zo vele dogters, en werdt opgevolgd van Herman, den oudften zoon; deze overleed in den dienst des Konings van Spanje, in iöri, en liet na ene dogter, Maria Elizabeth genaamd, over welke de twee broeders vah Herman, Fredrik en Hendrik, de voogdij aannamen. Tot huwbare jaren gekomen zijnde, trouwde zij met haren neef Albert, zoon van Fredrik , dien zij Bergen-op-zoom ten huwelijk aanbragt. *t Is bekend dat Hendrik lang de Spaanfe zijde aankleefde, en den Nederlanden groot nadeel tcebragt. Plet leger der Spanjaarden gebiedende, nam hij het Stadhouderfcbap van Gelderland op zig; doch, in het jaar 1632, de Spaanfe trotsheid niet langer kunnende dulden, verklaarde hij zig voor de Staten, en gaf daar van, in enen openen brief, aan de Gouvernante der Nederlanden kennis. Zijne eerfte vrouw was Margaretha vaU Wit-  BERG. (Graven van den) 321 Witthem; in 1630 hertrouwde hij met Hierokyma Katrina, dogter van Georg Fredrik, Grave van Spaar, waar bij hij vijf dogters verwekte. Hij Rierf in 't jaar 1638, nalatende, beha'ven gemelde dogters, nog een onegten zoon, Herman genaamd, die, door den Koning van Spwje, genaturalifeerd en met vele voorregten befchonken werdt. Oswald, mede een broeder van Hendrik, werd in den flag bij Amerongen, in 1586, doorfchoten. Fredrik, die vóór Hendrik, Gouverneur van Gelderland geweest was, was mede in dienst des Konings, werd Ridder van 't Gulde Vlies, en overleed in 1618, nalatende bij Franciska Ravanel, dogter van Eustachius van Ratigny , een zoon, als mede ene dogter, genaamd Eleonora Katrina Fereonia. Deze trouwde in 1634, met Fredrik Mauritius de la Tour d'Auvergne, Hertog van Bouillon, en ftierf den 14 junij 1657. Zijn zoon Albert was de eerfte, die tot den Gravenftand verheven werdt; hebbende in den jaie 1653, een memorie op den Rijksdag te Regenslurg ingeleverd, waar in aangetoond werdt, dat het graavfchap Berg, voor meer dan 400 jaren, voor ene afzonderlijke Heerfchuppij erkend was; waar op dan ook aan zijn verzoek voldaan werdt. In een twede huwelrjk verwekte hij een' zoon, Oswald genaamd, die zijnen broeder Albert opvolgde. Deze in 1710, zonder kinderen komende te overlijden, hadt tot erfgenaam verklaard Franciscus Willem, Graav van HohenZolre, een kleinzoon zijner zuster Maria Klaea, die gehuwd geweest was met Maximiliaan, Graav van Hohenzolre. Franciscus Willem, geboren in 1705, verwekte, bij zijne gemalin Maria Katrina, dogter van Grave Johan Kristoffel Truchzes Inzell , in 't jaar 1724 , een zoon , die Johan Baptist Joseph Osw.'.> Franciscus genaamd werdt. Deze volgde zijn vader, na ziin dood, in 1737; en, volgens den laatften wil deszelven . rnoest de Bisfchop van Roemende in der tijd hem ten voogd verftrekken. Deze voogdijfchap werdt, na den dood van des Graven moeder , door deszelvs grootmoeder, Johanna Victoria van Montfoort, Douarieie van Hohenzolre, den Bisfchop betwist. Het proces, daar over II. Deel. X ont-  gal BERG, (Graav HENDRIK van den) ©ntftaan, is, naar men zegt, aan den fpijker blijven hangen.. Na dus een algemene fchets van dit geflagt gegeven te hebben, zullen wij nog van enige bijzondere Mannen die het beroemd gemaakt hebben,-verflag doen. BERG {Graav HENDRIK van den), een der zonen van Willem, hadt zig, gelijk zijn vader, in dienst des Konings van Spanje begeven, In het jaar 1607 werdt Erkekns, door Prins Fkedesik Hendrik, bij verrasfing ingenomen, en bij die gelegenheid, deze Graav Hendrik zijn neefs gevangene. Zijn broeder Fredrik, die mede in'dienst van Spanje was, nam, ter wrake hier over, een aanflag op Aardenburg voor; doch het verraad tijdig ontdekt zijnde, liep zijn aanflag te fliet, en de verraders ontvingen hunne verdiende ftraffe. Na dat hij uit zijne gevangenis ontflagen was, fcheen het geluk hem meer gunftig te zijn. Om van alle zijne verrigtingen niet te gewagen, zeggen wij alleenlijk, dat hij in 'tjaar 1621, naar het huis te Reide ingenomen te hebben, het beleg voor Gulik floeg, 't welk hij bij verdrag innam, za als hij ook, in 't vol. gende jaar, de fchans Papemuts bemagtigde. In 't jaar 1624, zig van de ftrenge vorst bedienende, deedt hij een invaj in de Velmve. Het vlugten der dorpelingen, die niet onder brandfchatting zaten, werdt algemeen; doch de ftrenge koude bragt den vijand ook veel nadeels toe. Den 21 februarij veranderde het weder fpoedig: dus hij zig genoodzaakt vond, hals over hoofd de Velmve te verlaten, 't welk men toen den Spaanfen Vasten-avond noemde, bij welken naam nog heden een' der Hiftorieprenten van dien tijd bekend is. Om den voorttogt Van Graav Hendrik naar Holland te beletten, had Prins Maurits zig in perfoon naar Utrecht begeven, en orde gefield tot het openbijten der rivieren , tot aan den zeekant toe. De vijand vertoonde zig wel voor Arnhem, doch ondernam geene belegering. Van meer voordeel voor hem was zijn aanflag op der Staten leger, in 1626, tusfen Emmerik en Reesj doch zo dra hetzelve op de been was, vond hij zig gedwongen, na enig voordeel behaalt te hebben, te rug te keren. Toen    BERG. (Graav HENDRIK van den) 353 ToCn Prins Fredrik Hendrik, in het jaar 1629, 't beleg Voor 's Hertogenbosch geflagen hadt, begaf Graav Hendrik van Een Berg zig, in de maand meij, aan het hoofd van het Spaanfe leger, op weg, met oogmerk om.de ftad te ontzetten; ftaande hij zig te Turnhout neder. Zijne magt belfond uit 30,000 Knegten, en zeventig Kornetten paarden. Kort,daar na legerde hij zig te Sprang; doch hoe meer de Graav nader» de, hoe meer de Prins op zijne hoede was. Vrugtloos deed van den Berg verfcheidene aanvallen op het Staatfe leger, en zag dus alle zijne pogingen verijdeld. Den Bosch moest zig eindelijk aan den Prinfe overgeven. Gelukkiger Haagde de Graav in zijnen togt over den Tsjel, en deed daar op een tweden inval in de Velmve, bemagtigde Amersfoort, en andere fterkten; doch het innemen van IVefel deed hem de Velum wederom verlaten. Graav Hendrik van den Berg, in het jaar 1634., ^en Koning van Spanje een veertigjarigen dienst bewezen hebbende, begon, uit misnoegdheid over het gezag, dat den Spanjaarden in de Nederlanden gegeven werdt, een afkeer van dien dienst te krijgen, en werdt te rade van partij te veranderen. Door den Giaav van WARFUsé hadt hij reeds in het voorjaar, in het geheim, met den Prins van Oranje doen handelen. Na het overgaan van Venlo en Roermonde, begaf hij zig naar Luik* van waar hij, van dit zijn voornemen en befluit, bij bijzondere en openbare brieven, aan de Infante en aan het gemeen kennis gaf; nodigende al het krijgsvolk, dat onder hem, of onder de Spaanfe Veldoverften gediend had, tot voorftand van den Roomfen godsdienst, zig bij hem te voegen, om de Spanjaarden te verjagen; dan 'er vielen hem minder toe dan hij gedagt hadt. De algemene Staten befloten ook, op 's Prinfen raad, op zijnen naam enig volk te werven. Te Brusfel begreep men, dat de Leuvenaars, door hem te ontvangen, de onzijdighe'd gefchonden hadden; doch de Graav erkende openlijk, dat zij van zijn voornemen geen kennis gehadt hadden. Hij werdt te Brusjel voor een landverrader en muiter verklaard, en ene beloning beloofd aan elk, die hem in handen X 2 wist  324 BERG. (Graav WILLEM van den) wist te krijgen. In het volgende jaar werd hij, benevens heï volk dat hij verzameld hadt, bij voorraad, in eed en dienst van de Verenigde Gewesten aangenomen. Op deze xvijze was bet, dat de zoon wederkeerde tot hun, die door den vader verlaten waren. Wagen., Vad. Hift. IX. D. bl. 226, X. D. bl. 422. 445. 486. XI. D. bl. 36. 93-95. 97. 160. . BERG (Graav WILLEM van den), was de oudite zoon yan Oswald den II, en door huwelijk vermaagfehapt aan Prinfe Willem den I. van Oranje; door welke geboorte ea huwelijksvermaagfchapping hij onder de eerften van den lande geteld werdt; welke eer hij egter, door zijne onftandvastige bedrijven, niet weinig ontluisterd heeft. In den aanvang der beroerten had men reden te vermoeden, dat hij een even getrouw voorftander der vaderlandfe vrijheid zou geweest zijn, als zijn behuwd broeder; want hij verzette zig niet alleen tegen Granvelle, maar omhelsde ook de leer der Hervormden, fchoon het niet zeker is dat hij hunne belijdenis ondertekend heeft, hoewel velen dit uitdrukkelijk melden. Hij was één van de 400 Edelen, die het Verbond onderteken-, den, en keurde de verrigting der Bondgenoten, ten aanzien van het overgeven van 't fmeekfehrift, 'goed. Hij vervoeg* de zig, den volgenden dag, met hun ten Hove, om hulpmiddelen, ter bereiking van hun doelwit, te beramen. De Penfionaris Wesembeek vermeld: „ Den vierden april heb„ benfe hare zaken gereed gemaakt, maar fijn nog niet ten ,, Hove gegaan, alfo zij feiden nog te verwachten de Gra„ ven van den Berg ende Cuilemborg, die noch niet geko„ men waren; den vijfden ten Hove gegaan zijnde, kwamen „ den zesden weder, in de order als daags te voren, de leste „ zijnde met die genen, die boven genoemd fijn, de Graven ,, van den Berg en Cuilemburg, die middelertijd gekomen waren en goetgevonden hadden het gene gedaan was." In deze gedagte bleef hij volharden, tot op de vergadering der Edelen te St. Truijen , en deedt, gelijk meer anderen, zijn üot 'Hee! of Hcdel verfterken, en in ftaat van te-  BERG» (Graav WILLEM van den) §2$ tegenweer fteileri. Dan hoe mannelijk hij zig in 't eerst fcheen te gedragen, toonde hij egter, wel haast zijne lafhartigheid; want hij was een der eerften, die zegt, zo dra Jer fcheu' ring onder de Edelen ontftond, en 'er zig ene vrees Voor dé Landvoogdesfe , opdeedt, met den Koning te verzoenen; biddende zelvs -Viglius, met de vleijendfte woorden, zijn voorfpraak te willen zijn, met belofte van een getrouw dienaar des Konings te zullen zijn en blijven. Hier door geraakte zijne achting bij de Edelen in 't voetzand. Bij Alva, wiens voornaamfte oogmerk was, den Adel uit te roeijen, vond hij geen heul, voor dat hij vernederd was; want de'trouwloze Hertog, in plaats van aan zijne beloften gehoor te geven, deed hem openlijk indagen; bij niet verfchijning, bannen, en zijne goederen verbeurd verklaren. Zig dus door zijne'oriftandvastigheid in enen wanhopenden ftaat gebragt ziende keerde hij zig weder tot Oranje, die hem den last tot het werven van krijgsvolk aanbetrouwde, ja zelvs ene geheime briefwisfeling met hem waagde. Men moet tot zijhen lof zeggen, dat hij van dien tijd af tot in 1572, den lande vele dienften deedt, door het innemen van vele fteden en fterk ten in Gelderland, Friesland, Overijsjel en 't Stlgt. Dan te ras wordt men ontwaar, dat zijne onftandvastigheid weder den meester over hem fpeelde; verlatende hij, op eenmaal* niettegenftaande zijn aanbod om den vijand het hoofd te bieden, alle de ingenomene fteden en fterkten, en met vrouw en kinderen, en met alle zijne roerende goederen, de vlugt nemende naar Westphalen. Men kan ligtlijk vermoeden, dat de vijand 'er zig zo fpoedig meester van maakte, dat die van Friesland daar door in den grootften angst geraakten, en die van Zutfen en Naarden duizend redenen hadden, om wraak over van den Berg te roepen; In den aanvang fchreef men zijn gedrag toe aan lafhartigheid en kwaad beleid * waar door bij zo zeer in den haat van 't gemeen verviel, dat Oranje, die geen kans zag, de Noordhollanders tot de aanneming van Sokoy te doen beWilligen, hun, geveinsdelijk, dën Graav van den Berg, als Gouverneur, voorfloeg; doch zij verklaarden hier op, nog X 3 lie-  326 BERG. (Graav WILLEM van den) liever den weerbarftigen Sonoy , dan den lafhartigen van den Berg te willen aannemen; waar mede Oranje zijn oogmerk bereikte. Engeland werd hem ontzegd; in Nederland achtte hij zig niet veilig; dus vondt hij, in 't jaar 1577, zig genoodzaakt, den geveinsden te ipelen. Door twee Afgezanten gaf bij den algemene Staten kennis van enige geheime pogingen der vijanden; doende tevens zijnen dienst, lijf en goed, ten beste van het vaderland, aanbieden. Weinig had het gefaalt, of hij zou het vertrouwen der Staten weder gewonnen hebben, en, benevens de Graven van Hoheklo, tot's Prinfen Luitenant aangefteld zijn; doch een kwade pas, dien de Gelder/en deden, gaf hem gelegenheid, zijn verraderlijk karakter, ten nadele der Nederlanden, in vollen dag te Rellen. Graav Jan van Nassau, over wiens aanftelling tot Stadhouder van Gelderland hij zig zeer gebelgd toonde, ontfloeg zig in 't jaar 1581, ter oirzake van den handel met Anjou, van dien post; waar op de Graav van den Berg in deszelvs plaats werd gekozen. Te meer verwonderde men zig daar over, om dat die van Arnhem verklaard hadden, Graav Willem Lodewyk zijnen vader te zullen doen opvolgen. Men kan niet ontkennen; dat Oranje hem, op zijn verzoek, brieven van voorfchrijving verleend hadt; doch hadden de Staten van Gelderland die brieven wel ingezien, zij zouden begrepen hebben dat Oranje die verkiezing eerder berispte, dan goedkeurde. „ Mijn zwager (fchreef de Prins) biddende om aanbeveelin„ ge tot het Stadhouderfchap, heeft mij verklaart zijne grote „ lust en begeerte, tot den dienst der gerechtige zaak des va„ derlands. Ik mogte wenfchen dat hij die wat eerder bewe„ zen hadde. Doch beter fpade, dan nimmer." Hoe weinig aandrang dit fchrijven ook in zig bevatte, werden 'er, egter, eigen belangs halven, gevonden, die zijne verkiezing doordrongen. Met den avond kwam hij binnen Arnhem, en aanvaardde zijn ambt. Het leed niet lang, of zijn verraderlijke handel met Parma werd door Barneveld en Aldegonde, ontdekt, en hij, op as Prinfen last, gevangen gezet, doch jjonder ftrarfc ondergaan te hebben, weder losgelaten; dus / 060  BERG. (JAN of JOHAN va:j &S») »i7 men zig verwonderen lnoet, hoe hij den doorzigtigften vorst heeft kunnen misleiden, of men moet den Prins Van te grote toegevendheid omtrent hem verdagt houden-. Graav van den Berg fchroomde niet* de allerplegtigfte belofte te doen, den Staat getrouw te zullen zijn; nogthans deêd hij kort daar na blijken dat bij een' verrader een eed van weinig belang is; hij verklaarde zig openlijk voor de partij des Konings, in wiens dienst hij en zijne drie zonen zig begaven, en daar in ook Volhardden, uitgelomen Graav Hendrik, die zig weder tot der Stateh zijde begaf. Het hier ter nedergeftelde zal voldoen om Graav Willem als een trouwloozen Bondgenoot, lafhartig Krijgsbevelhebber, onwaardig Stadhouder, en voor een Man, die van Willem den I, zo veel als het licht van de duisternis verfchilde, te doen kennen* ■■ Wagen. » Pad. Hifi. VI. D; bl. 368, 369. 402. VII. D. bl. 504, 505= j- W. te Water, Verbondfchrift der Edelen, II. D- bl. 195-. Marcus, Sententien van Alva, bl. 170; BERG (JAN of JOHAN van den), was een der GevoU tnagtigden, die in 't jaar 1709 en vervolgens, door de Koiiinginne van Engeland en de Staten der Verenigde Nederlanden Waren aangefteld om de Spaanfe Nederlanden, in zo venë ze huh in handen gévallen waren, fchoon op naam Van Koijiing Karel te doen beftiëren, zij vergaderden te Brusfel, en Vertoonden gëzamentlijk de opperfte magt dier landen; ja zij maakten fomtijds zelvs verandering in de Regering, herftellehs de onder anderen, in 't begin des jaars 1709, den geheimen Raad, die te voren afgefchaft was. Ook WaS 'er in october des jaars 1711 een nieuw reglement gemaakt op de Regering, getekend door den Gravë van Orrery en onzen JOhan van Jden Berg als Gevolmagtigden, 't welk door den Raad van Staten der Spaanfe Nederlanden, aangenomen waSj zo verre het met hunnen godsdienst en der landen Voorregten overeenkwam. Van den Berg nam dezen post van Gevolmagtigde waar tot op het fluiten Van Jt Barrière traktaat in 1715; In 't jaar 1717 werdt hij Burgemeester te Leijdm-, en in X 4 1725*  32S BERG. (JAN van den) BERG. (IZAAK van den) 1725, Dijkgraav van Rliijnlami. In 1748 bekleedde bij nog de Burgemeesterlijke waardigheid, en doordien hij tot de antiftadhouderiaanfe partij behoorde, wierdt zijn huis door 'tgrauw aangevallen, en met moeite door de fchutterije befchermd; hij zelve'van 't ftadshuis komende, wierdt door 'tkanaiije onheusfelijk bejegend en bedreigd; en onderging eerlang het lot met zo vele andere brave Regenten, van door den Stadhouder van zijnen post verlaten te worden, fchoon hij reeds te voren ontflag hadt verzogt van zijne bediening. Wag. , Vad. Hift. XVII. D. bl. 436. XVIII. D. bl. 74. XX. D. bl. 302. BERG (JAN van den), Konstfchüder, geboren te Alkmaar, was van der jeugd af aan tot de konst geneigd, en werdt bij Hendr. Goltzius , om daar in op vaste gronden onderwezen te worden, befteld; maar GoLTzrus zijn vader een fchoolraeester zijnde, die met 'er woon naar Braband vertrokken was, moest Jan als onderkoning, met de plak het rijk der lerende jeugd een tijd lang helpen beftieren, en het penfeel voor de pen venvisfelen; egter nam hij in zijn tusfenüjd de penfeeloeffening naarftig waar, te meer doordien hij gelegenheid vondt, om bij P. P. Rubbens te verkeren,'die den ijver tot de konst hoe langs hoe meer in hem aanvuurde. Jan wist zig pok zodanig in de gunst van dezen roemrijken Konftenaar te dringen, dat .hem die tot Rentemeester en opzigter over zijne landgoederen Relde, uit welken hoofde hij zig meest te Yperen moest onthouden, daar hij ook overleden is. • A, Houeraken, Schouwburg, II. D. bl. 15. BERG (IZAAK van den) , heeft geleefd in het Iaatfte gedeelte der XVIIde eeuw. Het blijkt dat hij in de Regten heeft geftudeerd en tot Meester in die wetenfehap is bevorderd; ook dat hij enige jaren als Kapitein zijn vaderland, de Nederlandse Republijk, heeft gediend; doch met een toeval aan de voeten bezogt zijnde, geraakte hij buiten ftaat om langer dienst te kunnen doen; en gaf zig in zo verre weder aan de bsoeffening der regtsgeleerdheid over, dat hij een groot aantal Con>  BERG. (MATHYS van den) 31p Confultatien en Advijfen van voorname Nederlandse Regtsgeteerden bijeen verzamelde, en die in 1602 door den druk onder den tijtel van Nederlands Adviisboek gemeen maakte, in 4. delen in 4to., daar hij nog een vijfde bijvoegde, onder den naam van Kort Begrip. Dit weik 't welk om deszelvs nut ongemeen getrokken wierdt, was egter om zo te fpreken bezaaid met drukfeilen, die genoegzaam hetzelve op elke bladzijde ontcïerden. In 1782, gaf de fchrijver dezes, een tweden druk daar van in 't licht, die geheel verbeterd, van de veelvuldigs drukveilen gezuiverd, en met notabele Advijfen is vermeerderd ; en waar bij nog daar te boven, agter ieder der 4 delen een uitvoerig register is geplaatst, teffens tot Kort Begrip van dit werk verRrekkende. . Opdragt geplaatst voor liet I. Deel. BERG (MATHYS van den) , Konstfchüder, een zoon van Jan, is in het jaar 1615 te Mechelen geboren; in 't eerst leerde hij de konst bij zijnen vader, die gelegenheid vondt om hem het onderwijs van Rubbens te bezorgen, waar van bij geen der geringde leerlingen werdt. Matiiys hadt een vaste hand van tekenen, en was onophoudelijk bez!g, zeiv tot in zijn ouderdom, met naar 't leven en de beste fchilderijen, die hem voorkwamen , te tekenen. Doch zijn vernuft door 't geftadig naarvolgen van anderen, als 't ware Romp geworden, verftrekte tot een beletzei, om iets van eigen vinding te vervaardigen ; immers men vindt wel van hem een overvloed van konftige namaakzels, maar zelden een Ruk van eigen ordinantie. Veelmalen tekende hij het afbeeldzel van zijnen vader, in allerhande ftand en kleding, waar van fommige tekeningen onder de konstminnenden berusten. Hij wierdt den 1 augustus 1646 broeder van het St. Lukas-gllde te Alkmaar, en overleed aldaar in 1687. ■■ Houbraken, Schouwburg., II. D. bl. 15. BERG (THEODOOR KORNELIS van den), is geweest Rector der latijnfe fcholen te Utrecht, en heeft door zijne geleerdheid, tot eer van zijne vaderftad verftrekt; men heeft van hem in druk: Profopopejam adfliüi cjf corrupti Belgii. Traj. X S Ö-  §33 BÈRGÈ. (RUTGER ten) typis Heem. Borculoii. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 827. J. F- Foppens, Bibl. Belg. p. 1121. C. Bürmanni, Tr» jecl. eruditum, p. 27. BERGE (RUTGER ten), heeft zijn naam en die van ziji «e makkers beroemd gemaakt in 's Jands gefchiedenisfen, doordien hij benevens 150 jongelingen, die gedurende het beleg van Groningen zig aan het Hogefchool aldaar als Studenten bevonden» hunne boeken daar latende, naar 't voorbeeld van die van Leijden, het geweer in de hand grepen, en aldus uit deze dappere jeugd een bijzonder corps wierdt opgerigt; die uit hun midden tot Kapitein kozen Wicher Wicrers^ onzen Rutger ten Berge ais Luitenant, en Scato Gokkinga tot Faandrik. Van dezelve kwam dagelijks een derde gedeelte, gedurende het gantfe beleg, in de wapenen, aan wier kloekmoedigheid de befcherming, van dat gedeelte des onderwals 't welk in de konst Fausfs braie wordt genoemd , en dat 't meest voor de vijandelijke aanvallen bloot lag, was toevertrouwd, en met ene onvertzaagde dapperheid wierdt verdedigd; zulks men dezelve des nagts, veelmalen op de bortstwering brandende fakkels heeft zien planten, om te beter uit21'gt op de vijandelijke werken te hebben; waar op zij fomtijds gehele lagen gaven. Waarom Curateuren der Hogefchool, na dat het beleg opgebroken was, den betoonden heldenmoed der in de wapenen gekomen jeugd willende vereeuwigen, den Hoogleraar Mensinga geboden, van al het voorgevallene ene aanfpraak op te Hellen, welke den 8 november dezes jaars in "tkoor der Akademie-kerke gedaan wierdt; wordende ook na 't eindigen derzelve, de lijst der in de wapenen gekomene Studenten opgelezen, en in de tegenwoordigheid van den Magi. ftraat, de Hoogleraars en van andere genodigden, ieder Student in dankbare erkentenis, zijner voor de ftad betoonde trouwe, met een zilveren gedenkpenning befchonken; waar van pp het voorftuk, en boven het wapenfchild der Hogefchole, zijnde een opengeflagen Boek, op *t welke hetfchild van Groningen en de Ommelanden gehegt isj Pallas de Be- fsherm-  BERGEN. (DIRK va») 33i ichermgodin der Wijsheid ftaat, tusfen verfcheidene oorlog* vWapenen, en ter wederzijde : unita virtus. De vereende dapperheid. Het ruggeftuk heeft geene verbeelding, maar in het midden dit opfchrift: in memoriam obsidionis, et lieeratignis GRONINGjE, civibus academiaï ab ordinibus os benemerita dono datum. Gefchenk „tot gedagtenis van het beleg ende verlosfing van Groningen, door de Staten aan de leden der Hogefihole , wegens hunne vérdienften gegeven. Rondom welk opfchrift op deze, en de befchrevene verbeelding der andere zijde, in de randen tot omfchrift ftaat: curatores academie groning.se et ommelandm, cum deo, ad utrumque parati anno 1672. De Beftierders der Hogefchole van Groningen en de Ommelanden met Gods hulpe, tot beide gereed. In 't jaar 1672. «—— Valkenier, Verward Europa, bl. 783. Ontroerd Nederland, I. D. bl. 352. 363. 376. G. v. Loon, Nederl. Gedenkp., III. D. bl. 101. BERGEN (ADRIAAN JANSZ. van) , zie ADRIAAN JANSZ. BERGEN (DIRK van) , Konstfchilder , een Haarlemmer van geboorte, kwam ter wereld omtrent 't jaar 1670. Hij behoorde onder het getal der brave leerlingen welke Adrtaan van de Velde door zijne konstlesfen geteeld, nagelaten heeft. Zijn gewone werk was het fchilderen van osjes, koeitjes, fchaapjes, beeldjes en landfehappen, gloeijend en helder gekleurd als die van zijnen konstrijken meester, doch zo uitvoerig niet, ook de bomen en 't landfehap wat zwaarmoediger getrost; maar met dat al, vindt men beesjes in fommige zijner ftukken, die ongemeen fraai en natuurlijk getekend zijn. Onze Dirk deedt een togtje naar Engeland, doch de fortuin hem daar niet gunftig zijnde, kwam hij fpoedig in zijne geboorteftad te rug, daar hij redelijk wel voor zijn konst betaald wierdt. Hij was een zeer wel gemaakt man, daar bij buitengemeen goed befpraakt, vriendelijk en gul, vol grappen , en altijd lustig en vrolijk, waar door hij bij elk een bemind, en in alle gezelfchappsn met vermaak gezieu wierdt: ïnasr  332 BERGEN. (GERARDUS van) (LÖDEWYK van) inaar zijn gezellige aart maakte dat hij veeltijds gelde» loos was, en het fpreekwoord volkomen op hem paste, ze gewonnen zo verteerd; want rils hij geld ontvangen hadt voor een ftukje fchilderij, kost hij meteen opgeruimd hartej hetzelve op ene reis met zijne makkers verteren; zijnde dan doorgaans zijn zeggen: men moet niet zorgen voer den morgen. . Dit maakte ook, dat toen hij ftierf 'er zo veel niet-over was om hem behoorlijk ter aarde te beftellen, waarom zijne goede vrienden in alle herbergen daar hij gewoon was te verkeren, daar toe opzamelingen van penningen deden. - A. Hou- braken, Schouwburg, III. D. bl. 91, 92. J. C. WeYermanj Leven der Schilders, III. D. bl. 258. BERGEN (GERARDUS van), is geweest ftads medicijne Doktor te Antwerpen; hij ftierf den 15 feptember 1583, en heeft gefchreven: 1. Continent, de Herba Panicea. 2. De Prcefervatione £? Curatione morbi mticularis, & Calculi, typis Plantini, 1563. ivo. 3. De Pestis pnejervatione. Ibid. 1565. ivo. apud Bellerum, 1587. i6mo. 4. De confultationibus Medicorum: £f methodicce Febrium curatiovis, commentariolum. Ibidi 1586". ivo. J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 345. BERGEN (LODEWYK Van), was in het jaar 1569, doof Prins Willem den I, aangefteld tot Onuer-Admiiaal der vloot. Meer andere Mannen van dezen naam ontmoet men in de Vaderlandje Gejchiedenisjen; onder anderen, twee gebroeders, Jan en Kornelis van Bergen, die zig in het.jaar 1483 in dienst van Maximiliaan, Rooffisch Koning, bevonden, en door wien zij, tegen Filip van Kleef, ter bewaringe van Mechelen, waar in zijn zoon Filips zig bevond, afgevaardigd werden. Zij volvoerden niet alleen den last, maar namen ook Vilvoorden in, en verfterkten het tegen die van Brusjel, dat in de magt van den Klevenaar was. Doch ai hun bedrijf was niet in ftaat om Maximiliaan uit zijne moeijelijkheden te redden. In het jaar 1491 vindt men Kornelis gemeld onder die genen, welke de ftad Sluis aan de landzijde bezetteden, en in het land van Kadzant een fterk bolwerk oprigtten; dat  EERGII. QFRANCK van den) 333 dat egter niet toereikende was, om de magt van den Klevenaar te fnuiken. In het jaar 1500 bevond Heer Jan van Bergen zig tegenwoordig bij den doop van Karel, naderhand Keizer, en bekend als de Vijfde van dien naam. Heer Jan van Bergen bekleedde toen de waardigheid van Afgezant des Hofs van Braband. Onder alle de gefchenken, die de vorst ontving, ivas geen van de minften het Gouden Zwaard, dat hem door dezen Heer van Bergen verëerd werd. Bij de huldiging van Margreta, laatst weduwe van den Hertog van Savoije, als Landvoogdesfe, in 't jaar 1507, bevond hij zig onder de E* delen te Dordrecht: zo als ook een van dezo broeders, in het volgende jaar, tot een der medeuitvoerderen van den laatften wil der Landvoogdesfe aangefteld werdt, die, naar alle waarfchijnlijkheid, Heer Jan zal geweest zijn, vermits hij, benevens anderen, als Raad en Kamerling der Voogdesfe, naar Engeland werdt afgevaardigd, om de dogter des Konings van dat Rijk, voor haren neef Karel , ten huwelijk te verzoeken. In 1513 was hij een van die, welke het verbond tusfen Maximiliaan en den Hertog van Gelder, uit naam van den eerst* gemelden, ondertekenden. In 1525 werdt hij genoemd Ridder van't Gulde Vlies, waar toe Kornelis mede, in 1501, vcrhe-, ven was, bij de ondertekening van 't verdrag, gefloten tusfen de Koninginne moeder van Frankrijk en de Landvoogdesfe der Nederlanden , dat te Breda tot ftand gebragt was. Waar uit men ziet dat hij tot de gewigtigfte zaken van het land gebruikt is geworden. Har^eus, Annales Brabant., Tom. I. fol. 520. De Excellente Kronijk van Flaanderen, fol. 208. Meerbeek, Kronijk, fol. 3. Groot Flakaatboek, IV. D. fol. 16. EERGH (FRANCK van den), geboortig van Delft, is eerst Raadsheer geweest in het Hof van Holland, en naderhand in den groten Raad te Mechelen, in welke ftad hij in 1559 is overleden. Hij was een zoon van Klaas Frankensz. van den Bergh, die in den jare 1511 en enige volgenden, Schepen te Delft is geweest. Franck wordt onder de klasfe der geleerde lieden gerangfchikt. ——— Befchr. derflad Delft, in fvlio, bl. 669. BER"  334 EERGHE. BERGHEN'. BERGHE (ELIGIUS van den), naar den tijd waar in hij leefde, voor een geleerd man gehouden, is geweest Kanunnik prebendaat op 't Hof in den Hage. Hij Relde zig bij acte van den 23 junij 1557, borge voor Heer Joiian Bleeckert, ook Kanunnik prebendaat in de domestike Kapelie van de Co. Majt. Grave van Holland. J. de Riemer, Befchr. van 's Gravenliage, I. D.' bl. 260. BERGHEN (ANTONY van), is geweest Abt van St. Ber. tinus. Men leest in de Kerk van die Abtdije dit graffchrift het welk hem genoegzaam zal doen kennen: Hic jacet bonct memorie Rever. in Christ. Pater., Dominus Antonius de Bergis primo Montis S. Maria in Burgundia, deinde S. Trudonis Leidienfs, ty tandem hujus S. Bertini, Monafteriorum Abbas, qui obiit anno 1531, 22 januarii, poftquam huk JEdi prcefuit annis 33, menfibtts 5, diebus 26, cetatis fuce anno 76. Hij heeft gefchreven: Hijioridm Ordinis Equitum Aurei Velleris, a PniLirro Bono, DttCiC Burgundie jjjpe. anno 14.29, infiituti. —— J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 70. BERGHEN (MAXIMILIAAN van) , uit een doorlugtig geflagt gefproten, is eerst geweest Deken van St. Gummarus, vervolgens Kanunnik te Mechelen, Brusfel enz., voorts Aartsbisfchop van Kamerijk. Het volgend graffchrift in de Hoofdkerk te Kamerijk geplaatst, zal hem voldoende aan onze lezers bekend maken: D. O. M. S. Maximieiano a Bergis, primo Archicpiscopo, Duci Cameracenfi, Comiti Cameralejii, Sacri Imperii Principi, qui anno M.D.LXV. Synodo Provinciali habita, Concilii Tridentini Decreta pmmts in Belgia promulgavit, deinde a Comitiis hnperii Auguftce Vindelicorum reverfus, alteram SynodumDiocafanam habuit, Fidem Catholicam adverfus nafcentes ha-refes non minus feliciter quam firenuè tutatus eft, feditioforum hominum motibus, fumma prudentia in limine compresfis. Tandon cum ex celebri comitatu Annce Auftriaca Philippi II, futura conjugis in Ilifpaniam proficiscentis, ipfe Bergis ad Zomam fecesfisfet, apoplexia correptus IK, Kalendas feptembris Anno M.D.LXXX. Archiepiscepatusjui XIV, fabito occubuit,t relato huc defuntli corpore. Ludo-  BERGHEN. BERGHEYCK, 33* -jovicus de Barlaimont ejus fuccesfor F. C. Tu anima, i lector, bene precare. —— J. F. Fctfens, Bibl. Belg. p. 88ï. BERGHEN (PAULUS van) , is te Nijmegen geboren, xvas Priester van de orden der Jefuiten, en is lange ja;en Zendeling in Holland geweest, het laatst te Leeuwarden in Friesland, alwaar hij is geftorvèn. Men heeft van hem: ÏBcocrlcggcnoe ï!atcchip*inu?7 geöniht te ïïoemion&e in 1666, J. F. ForrENS, Bibl. Belg, p. 939. BERGHEYCK (ARNOLD van), bij enigen bekend onder den naam van het griekfe koppelwoord Orydriut, het welk berg en eijck betekend; heeft zijn naam ontleend, van het kleine gehugt Bergheijck, in Braband, vier uren ten zuidwesten van Eindhoven gelegen, alwaar hij op 't einde van de XVde'of in het begin van de XVIde eeuw ter wereld kwam. Hem bezielde van der jeugd af aan een fterke drift voor het bcoeffenen der fraaije ietteren; en nog maar een kind zijnde, lei hij zig'met ijver toe op de griekfe taal, waar in hij het onderwijs genoot van Jakob Marin, Rector in 's Hertogenbosch, en vervolgens van Rutger Rescius , Profesfor in het kollegie van de drie Talen aan het Hogefchool te Leuven. Tas, in die taal zo wel als in de latijnfe bekwaam gemaakt hebbende, ftudeerde hij in de Philofophie, en maakte 'er naar de eeuw waar in hij leefde, goede vorderingen in; vervolgens wierdt hij een tamelijk ervaren Theologant, ingevolge het getuigenis van zijnen vriend Dominikus Sylvius, die omtrent het jaar 1514 en vervolgens , gemeenzaam met hem verkeerde. Bergheyck woonde enigen tijd te Gent bij een Abt van St. Pieter of van MontBlondin, waarfchijnlijk om hem voor Schrijver of Secretaris te dienen. Hij verliet dit huis in 1530, en opende te Anguien ene fchool tot onderwijs in de fraaije letteren, waar in hij een groot aantal aanzienlijke jongelingen tot leerlingen bekwam. Zijne onophoudelijke werkzaamheid, matte zijn lighaam zodanig af dat zijn leeftijd 'er door verkort wierdt, en hij in 1533 in den bloei van zijne jaren ten grave daalde. Wij hebben van hem: Summa linguee Grceece, utilisfima Grammaticam Grcecam au-  33<5 BERINGHEN. (RUDOLF van) Jpicantibus; per Arnoldum Orydrium. Parif. Christian. Wechelus, 1538. Ato. De uitgave van dit werkje wierdt bezorgd door Dominikus Sylvius, die aan deszelvs hoofd ene waarfchouwing heeft geplaatst, gedagtekend uit het kollegie van Beauvais te Parijs den 4 meij 1601, waar in hij beloofd meer werken van Orydkius in 't licht te zullen geven, welke, zegt bij, ten bewijze zullen flrekken van zijne diepe geleerdheid en bijna Goddelijk verftand. Orydrius wijdt het zijne toe, aan Gerard Culsbroyck, Abt van Mont-Blondin, door enen brief, gedagtekend: è ludo nostro Angiano-, 1531; waar in hij van enige Geleerden van Gent fpreekt, die hij noemt: eruditisfimos vi- ros Joannem Gauterum, I.udovicum Misdachum, cf Blaserium, primarios Senatares; Joannem Cortium, pnrnaritm Advocatum; Audomarum Edingum , Senatus doQisfimum Scribam; Guilielmum Valum; GerarduïJ Rymium, Juvenem latiné, gracè, hebraicc do&isjimum, benevens nog een groot aantal anderen. Aan het flot van dezen Brief, zijn drie griekfe graffchriften geplaatst , voor Niklaas Uiteniioven, het eerfte is van Desid. Erasmus, het twede van Orydrius, het derde van Livinus Ammonius ; hier is nog bijgevoegd, de latijnfe vertaling van Jan Consard. F, Sweertii, Ath^ Belg. p. 144. Val. Andr., Bibl. Belg., p. 85. Paquot, Mem,, litter. Tom. VIL p. 131. BERINGHEN (RUDOLF van), ontleende zijn naam van het kleine ftadje Beringen in Luikerland, alwaar hij in *t laatst der XlVde eeuw geboren wierdt. Na zijne eerfte letteroeffeningen volvoerd te hebben, leide hij zig toe op de wijsbegeerte , en wierdt Meester in de vrije konften; vervolgens op. de Theologie en het kerkelijk regt. De doctorale waardigheid in die Iaatfte wetenfehap bekomen hebbende, verkreeg hij de pastorije van Erps, een dorp anderhalf uur ten oosten van Leuven gelegen. In 1428 vertrouwde hem de Regering van die ftad, een leerftoel in het kerkelijk regt, aan de Hogefchool ruim een jaar te Voren aldaar opgerigt, op ene jaarwedde van 50 muntftukken, Plecken genaamd, die hem bij vie-  BERK. BERK. (DIRK) 337 .Vieretdeels jaren moesten betaald werden; het eerfie termijn verfcheen den 8 feptember, en het Iaatfte op St. Jan van het volgende jaar, waar na het fchijnt, dat Rudolf naar zijne Pastorie is te rug gekeerd. Den 8 januarij 1441 , maakte de zelvde Regering een nieuw accoord met hem, waar bij zij aannam om hem in 't vervolg 100 guldens jaarlijks te geven. Paii9 Eugenius de IV. in 1443 fommige prebenden van St. Pieter te Leuven bepaald hebbende, om enige leerRoelen in de Theologie en liet Kerkelijk-regt te onderhouden, verkreeg onze Doktor 'er ene van, en verbond zig, om jaarlijks die wetenfehap te doorlopen, zijne Iesfen op zon- en feestdagen verrigtende, ofwel op zodanige tijden, dat 'er geen andere Iesfen gegeven wierden. Beringhen nam dezen taak waar tot op zijn dood, welke te Leuven voorviel den 4 october 1459. Men heeft van hem. 1. Confesjicnale, fuper cap. Omnis utriusque, extra ia Pandt. £f Remisf. 2. De celebratione Misfarum. 3. De Baptistno £f ëjüs effettu. 4. De Mnifiro Baptismi. 5. Reportata ad Clementinas. Deze verhandelingen worden in gefchrifte bewaard bij de reguliere Kanunnikken van St. Martijn, te Leuven. Val. Andr., Bibl. Belg. p. 735. J. F. Foppens, BW. Belg. p. 1051. Paquot, Memoir. litterair. Tom. XI. p. 113-115- . LERK, is de naam van een oud aanzienlijk geflagt, oirfpronkelijk uit Kleefsland, dat zig te Dordrecht heeft gevestigd, en waar van wij aangetekend vinden: dat Jan Berk- is getrouwd geweest, met Agneta van Dusseldorp, wonende beide tot Emmerik, en lieten na twee zoons, Hendrik en Mathys Berk. Hendrik trouwde met Lucretia van Jeukeren , dogter van Dirk van Jeukeren en van Geesjen Fedders, beide van Wezel; zij verwekten vier kinderen: Wouter, Dirk, Anna en Arend Berk. —,— M. Balen, Bt-1 fchrijving van Dordrecht, bl. 939, BERK (DIRK), de tweede zoon van Hendrik Berk en Lucretia van Jeukeren, heeft ter vrouwe gehadt, Erkenraad van Berkenrode, dogter van Jan van Berkenrode, oirfpron.II. Deel. Y ke.  338 BERK, (DIRK) BERK. (GERRIT) kelijk van Haarlem en van Emerentia Bisschops, van Rotter■dam, bij wien hij zeven kindei en teelde; Judith, Lucretia, Hendrik, Johan, Gerot, Matthys , en Emerentia Berk. < jvï. Balen, Ibid. BERK (DIRK), oudfte zoon van Johan Berk en Johanna van Diemen , is geweest Secretaris van de Weeikamcr in 1635, wierdt Griflier der Munte in 1636, Raad in 163S, in 1643 Schepen, en in 1653 Burgemeester van 's Heren wegen te Dordrecht. Hij trouwde den 6 november 1635, met Johanna de Roovere, dogter van Pompejus de Roovere, Schout van Dordrecht, en van Margareta Muy? van Holy, waar bij hij de volgende agt kinderen verwekte: 1. Een dogter geboren den 4 december 1636, ftieif kort na de geboorte. 2.. Mar, Careta Berk, geboren den 16 januarij 1638; overleden den 6 meij daar op volgende. 3. Johanna Berk, geboren den 10 april 1659; trouwde in 1658 met Mr. Éngelisef.t Kettler, Raad van Georg. Kristiaan, vorst van Oostfriesla: d; welke den 11 meij 1676 overleed, na tien kinderen bij haar verwekt te hebben. 4. Pompejus Berk. 5. Johan Berk, vroegtijdig geflorv-n. 6. Johan Berk, die volgt. 7. Margareta Berk, geboren den 7 meij 1646; trouwde in feptember 1677 met Pieter Liens, Bailjuw en Dijkgraav van Oud- en Nieuw Vosmaar, die bij haar een zoon mét name Adriaan verwekte. 8. Dirk Berk, jong overleden. M. Balen, m fupra, bl. 942. '1 BERK (GERRIT), derde zoon van Dirk Berk en Erken-. raad van Berkenrode , is Secretaris geweest van de Admiraliteit te Rotterdam; hij huwde met Lidia van Diemen, dogter van Pieter van Diemen ent van Margareta van Beaumont, bij wie hij_negen kinderen verwekte: 1. Margareta Berk, getrouwd met Pieter Baseliers,' te Middelburg. 2. Dirk Berk, in 1640 Raad in de Vroedfchap te Dordrecht, ongehuwd .overleden: 3.. Emerentia Berk. 4. Emerentia Berk.,; 5. Jakob Berk. 6. Johanna Berk. 7. Lucretia Berk ,• getrouwd geweest met Mr. Waltherus van der PoorKuS te,  BERK. (HÜYBERT) BERK. (JOHAN) 33g «■e, welke drie kinderen bij haar verwekte. 8. Jakos Berk, p. Erkenraad Eerk. M. Balen, ut fupra, h\. 94.4. BERK (HUYBERT), de twede zoon van Matthys Berk en Wilhelmjna Tak, trouwde te Middelburg in Zeeland, aan Jakomina Schoonenboom , en verwekte bij haar agt ktudejen: Jakomina, Wilhelma, Maria, Anna, Jakob, Huy- .bert, Matthys en Johan Berk. . M. Balen, ut fupra, bl. 950. BERK (JOHAN), de twede zoon van Dirk Berk en van Erkenraad van Berkenrode; wierdt in 1607 fubftimit Secretaris, in 16T3 Griffier der Munte in Holland, en in 1622 Schepen'en effectief Secretaris van de Weeskamer , in 1633 Thefaurier , en in 1650 Burgemeester der Rad Dordrecht. Den 15 meij 1607 , trouwde hij met Johanna van Diemen, dogter Van Jan van Diemen en 'van Margareta van Beaumont, bij wien hij agt kinderen verwekte: 1. Mr. Dirk Berk. 2. Jakob Berk. 3. Emerentia Berk, welke den 29 feptember 1638 huwde met 'Kristiaan Snellen, Heer van Werkendam. 4. Margareta Berk, trouwde.den 12 oclober 1640 met Johan Hallincq, die eerst Raad, vervolgens Schepen, en in 1664 en 1668 geweest is Burgemeester der ftad Dordrecht. 5. Lucretia Berk, jong overleden. 6.' Lydia Berk, insgelijks. 7. Nog ene Lucretia , mede zeer jong geftorvèn. 8. Erkenraad Berk, den 27 februarij 1646 getrouwd met Mr. Joiian Repelaar. M. Balen, ut fupra, bl. 941. BERK (JOHAN), zoon van Dirk Berk en Johanna de Roovere, geboren den 28 augustus 1643, is geweest ContraTolleur van de convoijen en licenten te Hoorn; is tweemalen getrouwd geweest; voor 'teerst, op den 15 meij 1668 met zijne nigte Johanna Snellen, dogter,van Jan Snellen en Emepentia Berk, bij wie hij twee dogters heeft verwekt, Johanna en Emerentia Berk; zijne twede vrouwe was Margareta Masier , bij wien hij geene kinderen heeft verwekt. ——— M. Balen, ut fupra, bl. 944, Y 2 BERK  340 BERK. (JOHAN) BERK (JOHAN), eerfte zoon van Matthys Berk en van Wilfjelmina Tak, is te Dordrecht geboren in 1635. Hij bekleedde in zijne vaderftad van de jaren 1591 af tot in 1622 ïngefloten, de aanzienelijke waardigheden van Secretaris', Schepen, Penfionaris enz. In 1607 Penfionaris zijnde, werdt hij benevens Jakob van Malderen, bekledende de plaats van den eerfte Edele in Zeeland, als buitengewoone Gezanten naar Engeland, gezonden; zij deden aan Koning Jakob, die van den Staat der Verenigde Gewesten nader berigt verlangde, brede opening beide van de" magt en inkomften, die thans omtrent tien millioenen in 't jaar beliepen, en van de lasten van den Staat; vertonende tevens, hoe veel 'er naar 't oirdeel van Willem den I, Prinfe van Oranje, en van den Raad van Staten, te kort fchoot, om den oorlog met hoop van enen goeden uitflag, te konnen voortzetten. De Koning gaf hun met algemene bewoordingen te verftaan, dat hij de zaak zij,ner Bondgenoten ter harte zou nemen; dan gaarne zou hij gezien hebben, dat zij geen verdrag begerende te fluiten naar zijnen zin, nog enigen tijd in oorlog gebleven waren. Hij bevroedde ligfelijk, dat hier van zijn eigen veiligheid en de behoudenis van Ierland, grotendeels afhing, zo lang hij zig niet nader verbonden hadt met Spanje; doch hij begreep tevens, dat het den Staten meest ontbrak aan geld, welk hij hun tot nog toe, nimmer verftrekt hadt, en ook tegenwoordig niet wist te bekomen; hij zag derhal ven wel, dat het hem kwalijk voegen moest, te raden tot den oorlog. Naderhand bekleedde de Dordfe Penfionaris nog andere gezantfehappen, als naar Denemarken, Engeland en de republijk van Venetien. Hij is tweemalen getrouwd geweest, het eerst met Erkenraad van Berkenrode, weduwe van zijnen neef Dirk Berk; de twede was Maria Botsen, dogter van Dr. Kornelis Buyv sen, Schepen te Breda en Lijfmedicus van Prinfe Maurits van Oranje, en Maria Manekops. Bij de eerfte vrouw heeft hij vier kinderen verwekt, als: 1. Matthys Berk. 2. Dosothea Berk, getrouwd met Josef Koeimans. 3. Huybert Berk, Ridder van St, Markus en Kapitein te Venetièn, naderhand  BERK. (JOHAN) BERK. (MATTHYS) 341 band Schepen te Dordrecht, is den 26 meij 1645, ongehuwd overleden. 4. AgnietBerk, is getrouwd geweest met Pietek. van der Burg, Schepen en Secretaris te Middelburg in Zeeland. Hij ftierf den 17 augustus 1627, oud zijnde 62 jaren en ruim 3 maanden; zijnde in de piaats zijner geboorte in het familiegraf van Berk begraven. Onder zijne afbeelding, uit wit Italiaans marmer gehouwen, leest men dit onderfchrift: Ouod es fut, futn quod eris. En op een zwarte Dinantfche voetftenen tafel, in vergulden letteren. Hicjitus eft, Vir genen nobiiis, fed animo virtuteque nobilior, Joannes Berkius, J. C. in Urbe hac natali Ann. XXIII. Primus a Conjiliis, Syndicus &? o Secretis. Dumque Munia hcec obiit Pnepuentkm Feederatx Belgkat Ordinum ter ad Reges legatus; bis ad ferenisfimum Magms Britannia Regem Jacoeum. A quo virtutis ergo, Eques autatus creatus eji. Atque iterum legatus ad Ciiristiernum IV. Dania Regem. Postea autetn in Hollandia Curia Senator def.gnatus. Et ad Serenisjimam Venetorum Rempub. legatus prcpe per quinquennium. Unde Patrice fuorum amore diu dejiderata, fcepiusque postulata redeundi accepta potestate vin Aug. An. M.DC.XXV1L Redux. Jucunda Liberorum amicorumque gratulatione, fummoque Civium applaufu, exceptus. (Heu breve gaudium) die xvm ejusdem Menfis Ingenti fuorum ac Civium moerore terras reliquit. Annos natus_ LXII. Menfes III. Dies XV. M. Balen, Be¬ fchrijv. van Dordrecht, bl. 134, 135. 945. Wagen., Vad. Hifi. IX. D. bl. 274, 275. BERK (JOHAN), zoon van Matthys Berk en Alida de Roovere, is opvolgelijk Schepen, Secretaris en Penfionaris gedurende de jaren 1650 tot 1655 ingefloten, van de ftad Dordreclit geweest; hij trouwde met Lucretia Ruisch, doch verwekte bij haai- geene kinderen. —— M. Balen, ut fupra, bl. 949. BERK (MATTHYS), oudfte zoon van Ridder Johan Berk en Erkenraad van Brederode , is ook Ridder geweest en Vrijheer van Gcdjchalk-Oird, voorts Schepen, daar na Secretaris en eindelijk in 1634, Penfionaris der ftad Dordrecht; hij Y 3 trouw-  3+2 BERK. (POMPEJUS) trouwde met Alida de Roovere , dogter van Pompejus dS Roovere, Schout van Dordrecht en Margareta Muys van Holy, bij wien hij negen kinderen heeft verwekt: i. Erkenraad Berk , vroeg overleden. 2. Margareta Berk, getrouwd met Mr. Johan van der Burch, Heer van Niemandsvriend , Burgemeester te Dordrecht.. 3. Mr. Johan Berk. 4. Erkenraad Berk, jong overleden. 5. Erkenraad, jong overleden. 6. Anna Berk , jong overleden. 7. Arend Berk, jong overleden. 8. Pompejus Berk. 9. Erkenraad Berk , trouwde voor de eerftemaal met Mr. Adriaan Snouk in 1667, Veertig der ftad Dordrecht, voorts Welgeboren of Mansman van den Hove en Hoge Vierfchaar van Zuidholland; en voor de twedemaal, met Hugo van Arkel , Burgemeester en Bailjuw van Schoonlioven. ——— M. Balen , ut fupra, bl. 948. BERK (POMPEJUS), jongfte zoon van Matthys Berk en Alida de Roovere, is opvolgelijk Agt, Schepen, Veertig en Burgemeester der ftad Dordreclit geweest; voorts Dijkgraav van Mijns-Heren Land van Moerkerken , Goudfclialkoird enz., Hoogheemraad van de Alblasferviaard, Gecommitteerde in de Admi aliteit te Rotterdam, en meermalen ter vergaderinge van de Staten van Holla-id. In de verfchillen tusfen de Regering der ftad Dordreclit en Prins Willem de III, hieldt Pompejus de zijde van den Stadhouder. Dit verfchil hadt zijne oirfprong over het maken van ene nominatie van Agten; om hier van enig begrip te geven, achten wij niet ondienftig onze lezers te berigten: dat voor de revolutie van het jaar 1795, de Vroedfchap of Oudraad te Dordrecht uit 40 perfonen beftond, bij welken nog agt wierden gevoegd, die door den Stadhouder, uit een driedubbel getal, welke door de Gildens plegen benoemd te worden, verkoren werden, of om op zig zeiven, of liever nevens de 40 Raden, de Gemeente te verbeelden; voorflagen te doen ter verbetering der ftad, en te ftemmen in de verkiezing van Burgemeesteren. Zij droegen den naam van Goede Luiden van Agten, en bragten famen twaalf ftemmen ■ . uit,  BERK. (POMPEJUS) ,34J uit, om dat zij in oude tijden uit twaalf "perfonen, plagten te beftaan. De Öud-Purgémééstérs, bij gefchrifte verwittigd zijnde van de ongeregeldheden* die hunnes oirdeels, in 't doen der nominatie begaan was, dagt dé Prins, als Stadhouder het regt te hebben, om tot onderzoek ene kommisile uit het Hof van Holland naar Dordrecht té zenden , dan de Regering van de ftad het vol houdende, moestert zij tot tweemalen toe onvérrigter zake naar 'f Hage te rug keren. Doch Prins Willem zo gemakkelijk zijne hèerszugtigé inzigten niet latende varen, wist na ingenomen advijs van het Hof, waar van de meeste leden van zijne hand vlogen, het zodanig te beleggen j dat niettegenftaande de zaak voor de Staten was gebragt, 'er ten derdenmalen ene Commisfie van drie Raadsheren en 's Hofs Griffier naar Dordrecht werdt gezonden; en tegens dé wille en het genoegen der Regering aan, het voorgenomen onderzoek deden, en het zodanig beleiden, dat de Stadhouder volkomen zijnen zin kreeg. Indien rnen het beloop der voorafgegane zaken, welke door 's lands Ge chiedfchrijvers van dié tijd më.ie^eJeeld wordénj met aandagt gadeflaat, zal men zonder vermetel te zijn, natuurlijk moeten befluiten, dat de voorgewende ongeregeldheden,- en het doen der nominatie tot de verkiezing der Goede Lidden van Agten te Dordrecht, enkel een opgeworpen balletje was; om het bepaalde ontwerp van Willem den III, ten einde zig van fommigé Regenten, die eed en pligt betragtehde, niet in alle zijne maatregelen wilden treden, uit den wég té ruimen; want kort geleden, hadt hij op ene willekéurige wijze liegen leden d é hem niet aangenaam waren, uit de Vroedfchap te Utrecht ontzet, en afhangelingen van hém daar voor in de plaats aangefteld; en zo als hij te Dordrecht gehandeld hadt, deedt hij omtrent gelijktijdig ook te Leijden, verkiezende vier perfonen tot Schepenen * buiten de noniinitie. Somï '4 -, mi  344 BERK. (NIKLAAS van) migen verhalen, dat de Raadpenfionaris Facel, geen genoegen fchepte in 't gene zijne Hoogheid te Dordrecht ondernomen hadt, en dat de Prins hier toe voornamelijk aangezèt geweest was, door den Here vak Halewyn, die op eigen bevordering bedagt, Burgemeester Arent Muys vakHoly, op wien zijne Hoogheid misnoegd was, om dat hij in gemoede, fterk voor 't Beftand geijverd hadt, zogt te doen ontzetten van de Regeringe; en die voor zig zei ven op 't Raadpenfionaïisfchap zou gevlamd hebben;- ook voegt men hier bij, dat Muys ftaat gemaakt hadt, dat hij door Willem vastgehouden, en naar Loeveftein gevoerd geworden zou zijn, en dat. hij zig des getroost zou hebben, indien 't gebeurd ware ; doch of men dit niet dorst wagen, is onzeker; doch vast gaat het egter, dat Muys, ter voldoening van wraak, het volgende jaar uit de Regering wierdt gezet. Wij keren na dezen uitftap te"rug, tot Pompejus Berk, om te berigten, dat hij is getrouwd geweest met zijne nigte, Margareta de Roovere, dogter van Pieter de Roovere, Here van Hardinxvelt, Bailjuw van Zuidholland, en van Sophia de Beverek, bij wien hij tien kinderen heeft verwekt. . Negociat. du Comte d'Avaux, Tom. IV. p. 115. 117. 121. 123. 248. 307. Tom. V. p. 232. Wagek., Vad. Hift. XV. D. bi. 2S9--27S). M. Balen, Befchrijving van Dordrecht, bl. 950. BERK (NIKLAAS van) , lid der Regering van de ftad Utrecht, was in 1608 een der Gemagtigden, om in 's Hage met Spinola en de vier andere Spaanfe Gezanten, over het fluiten van ene vrede of beftand te handelen; in 1611 werdt hij uit het lid der Gekorenen ontflagen, en zedert buiten bewind gehouden, tot in 1618, wanneer Prins Maurits hem na 't afdanken der Waardgclders de Utrechtfe Regering veranderende, hem in Rijzenherg tot Burgemeester aanftclde. In 't jaar i6i9 wierdt van Berk onder de befchuldigers geteld, die tegens Oldenbarnevelt en Uitenbogaard getuigden; dan deze Iaatfte heeft hem op de voldoenendfte wijze wederlegd, en middagklaar getoond, dat Berk zig zei ven heeft tegengefproken. In de  BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS vak) 3.-5 de Historie der Regtspleging van Oldenbap.nevelt , leest men, dat deze Beek ellendig is overleden, en dat zijn affterven, kort voor de uitdaging van Uitekbogaard , voor Christus regterftoel, dus jammerlijk zou gevolgd zijn. Leven van UrTENBOGAARD, bl. 253. Brandt, Hiftorië der Regtspleging bl. 322. Wagen:, Vad. Hifi. IX. D. bi. 321. X. D. bl. 234. 349- 352. BERKEL of BERCKEL (ENGELBERT FRANCOIS van), Broeder van Pieter Johak vak Berckel , Raad en Burgemees- 1 ter van Rotterdam, en eerfte Gezant van de Bataaffe rèpuBlijk bij de verenigde Staten van Noord-Amerika, is géboren te Amfteldam den 8 oclober 1726, uit een aanzienlijk Hollands geflagt. Hij hadt tot vader Engelbert van Berckel, die geweest is Burgemeester en Hoofdofficier van Amftels grote koopftad, en Bewindhebber der Oostindifche kompagnie aldaar; zijne moeder ene afftarrimèling van de aloude familie der Hogèndorfen, droeg de voornamen van Theodora Petrónella. Van Berckel ©effende zig in de grondbeginzclcn der letterkunde en talen • aan de latijnfe fcholen van zijn vaderftad, en maakte daar in fpoedig zodanige vorderingen, dat hij nog zeer jong naar het Hogefchool va^ Utrecht trok, om zig aldaar verder in het beoeffenen der fraaije letteren en wetenfehappen te bekwamen. Ook ftudeerde hij met zo veel ijver en noeste vlijt in de regtsgeleerdheid, dat hij met een üitftekenden roem, op den 15 augustus 1748 tot Doktor in beide de regten wierdt gepromoveerd. Hier op verkoos hij 's Hage tot zijn woonplaats, ten einde aldaar voor de Hoven van Juftitie de praktijk uit te oeffenen. Het duurde ook niet lang, of van Berckel maakte als Advokaat veel opgang, beijverende zig ongemeen om zijne Cliënten wel te dienen, en daar bij ene proefhoudende eerlijkheid in agt nemende. De fnipperuren, die hem van zijne praktijk overfeboten, befteedde hij met de uiterfte nauwgezetheid om zig verder niet alleen in de regtsgeleerdheid, maar ook in de ftaatkunde te bekwamen, in welke beide vakken, men getuigd vindt, dat hij zeer ervaren was en uitgemunt Y 5 heef.  346 BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) heeft. Ook wierdt zijn naam hier door beroemd, zo dat dé Regeerders van Amfteldam. hem in augustus 1762, tot haren Penfionaris aanftelden, in welken zwaarwigtigen post, diéniet zonder onaangenaamheden en hindernisfén voor hém is geweest, doch daar hij zig altoos met mannenmoed heeft doorgeworfteld, hij is verbleven tot in 't laatst van feptember 1787 als wanneer hij kort na de voorgevallene revolutie, daar voor heeft bedankt. Een ieder die geen vreemdeling in 's lands gefchiedenisfen is, weet, dat wanneer in 1778 de Noord-Amerikaanfe Staten door Frankrijk voor een onafhangelijk Gemenebest waren verklaard, en een verdrag met het zelve hadden gefloten, deze nieuwe Republikeinen ook zogten, onze Gewesten, door een verbond van vriendfehap en koophandel aan zig te verpligten. William Lee, werdt tot dien einde als hun Gezant herwaarts gezonden, om daaromtrent voorflagen te doen, welke daar van opening deedt aan den Amfteldamjen kooprnan Jan de Neufville, welke hier van kennis gaf aan Burgemeesteren van die ftad. Dezen begrepen, aan de ene zijde, dat het onmoogiijk was, dewijl de Noord-Amerikanen , door Engelandj niettegenftaande de toenmalige onderhandelingen tot ene verzoening, voor geen onafhangelijk volk erkend waren, enig voorftel ter vergadering van de Staten van Holland, tot het aanvangen van eigenlijke onderhandelingen over dit ftuk -te doen; doch zij hielden zig van de andere zijde, niet min overtuigd, dat het, uit overweging der dagelijks toenemende naijver, ten aanzien van den handel en zeevaart dezer landen, hun onvermijdelijke pligt was, van de openingen dooiden Amerikaan/en Kommfsfaris gegeven, zodanig een gebruik te maken, als de gefteldheid van zaken gehéngde en in hun vermogen ftondt. Overeenkomftig hier mede, gelastten Burgemeesters hunnen oudften Penfionaris, onzen van Berckel, om aan Lee te verklaren: „ dat bijaldien de aangevangene „ onderhandelingen tusfen Engeland en Noord- Amerika * geen „ uitfluitende bedingen ten nadele van de Republijk zouden' „ hebben, Burgemeesters als dan van hunne zijde, zo dra de „ ön-  BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) ,47 '„ onafhangelijkheid van Noord-Amerika, door Engehnd erkend „ zou zijn, alles zouden aanwenden, wat in bun vermogen „ was, om het ommercie-tractaat, zo ah het zelve dan ont„ worpen en goedgekeurd zoude zijn, bij de verdere Bondge„ noten tot vastheid te helpen bre gen." Ook was door van Br.RCit-.i- nrct kcnn!« van Burgemeesteren, Jan de Neufville te werk gefield, om cc handelingen met William Lee voor; tc zetten, ei ttfit fenzelven een ontwerp van een commercietrafiaat linten tc ilelUm, het welk zo dra de erkentenis van de oiunia'igelijkheid der Amenkoanfe Staten door Engeland, daar zou mopen zijr., tot een voorwerp van overweging der Staten van Htll&nd, dcor es Regering van Amfteldam zou kunnen woorden voorhield. Dan ene zeer onvoorziene gebeurtenis, deed dit geheim ten tweden jare aan den dag komen. Henry Lauküms namelijk, gewezene Voorzitter van het Amerikaaife Congres, uit Amerika herwaards overilekenJe, wierdt door een Engels fregat genomen, en fchoon hij een doos me: papie;en over boord hadt geworpen, wierdt dezelve door de Engelfen opgevist, doordien bij mangel van geen genoegzaam lood daar aan gehangen te hebben, de doos te ligt was om te kunnen zinken, en het was in deze doos dat men onder meer andere papieren, ook de onderhandelingen van Jan de Neufville met William Lee vondt. Bijster veel gerugt maakte deze zaak in' Engeland, en het martelde aan de zijde van deszelvs Staatsbefiier, aan geen zwue klngten en bittere verwijten tegens de Verenigde Gewesten cn derzelvex Bcftui;rdcrs; men wilde daar aan de gedaante der misdaad van gekwetfte Majefteit des Konings van Engetnd ..f.-un, en at« éne famenfpanning met de wederfpannelingen der Bri'fe krone doen voorkomen. Hadt Amfteldam van den aanving der onkwen af aan, zig minst naar de imzigten var, /Iij.-i'-nu wi len Ichikken, de Regeerders dier ftad kon aten DU brandmerke- als aan ene hoofdmisdaad fchuldig, cn dt ft '-Sajing eniger leden, onder bedieiging van enen oorlog vorderen. Van'Perceel hoepel hij klaarblijkelijk, flegf.als Minister de bevelen zijner principalen hadt volvoerd, ■,. ; ■. M; wieidt  34.8 BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) wierdt egter perfoneel het voorwerp, tegen 't welk de vergramde Stadhouder en het Engelfe Minifterie, hunnen vuiien zwadder uitfpuwden. Yorke de Engelfe Gezant, leverde op den 10 november 1780, een vertoog in ter vergadering van Hun Hoog Mogenden, waar in ene opftapeling van al wat nijd en tomeloze kwaadaartigheid kan verzinnen, was te vinden. Ook wierdt onder anderen, van wegen den Engeljen Koning niet minder geëist: ,, dan dat de Penfionaris „ van Berckel en deszelvs medepligtigen, openbaar zouden geftraft worden, als verftoorders van de algemene rust en „ fcheurers van het regt der volken." Men vondt 'er zelvs hier te lande, zo fel op den Penfionaris en die verder de hand in deze zaak gehad hadden, gebeten, dat zij beweerden: niets beters te kunnen uitdenken, dan die genen, welke „ deel hadden in het beramen van dit Rrafwaardig ontwerp, „ naar Engeland over te zenden, op dat de Koning naar wel- gevallen, met die fchuldigen mogt bandelen." Die inboezemingen , zulke, en foortgeüjke verregaande gezegdens, waren voorlopers van 't gene Yorke verder in de gemelde memorie aan Hun Hoog Mogenden inbragt; want naar gewoonte 's Konings vriendfehap jegens deze Gewesten, tot walgens toe opgevijzeld, en den natuurlijken vijand van beiden, gelijk hij Frankrijk noemde, op 't hatelijkst afgefchilderd hebbende, vaart hij op dezen heftigen en dreigenden toon, dus voort: „ Reeds een geruimen tijd geleden, hadt zijne Majefteit on„ telbare aanduidingen gehadt, yan de waarlijke oogmerken „ ener tomeloze Cabale. Maar de papieren van den Heer „ Laurens , zogenaamd Voorzitter van het voorgewend Cons, gres, hebben de ontdekking gedaan vaneen complot, waar „ van geen voorbeeld té vinden is in de jaarboeken van de „ Republijk. Het blijkt uit deze papieren , dat de Heren „ van Amfteldam reeds in de maand augustus des jaars 1778, „ ene heimlijke verftandhouding hebben aangevangen met de „ Amerikaanje Weerjpannelingen, dat 'er lastbrieven en volmag„ ten door hun zijn afgegeven, betrekkelijk tot het fluiten „ van een verbond van onverbrekelijke vriendfehap met die „ Weer-  BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) 349 Z Weerfpannigen , fchoon onderdanen van een Souverein, „ met wien de Republijk, door de dierbaarfte verbintenisfen „ op 't nauwst verbonden is. Dat de aanleg gers van dit com„ plot 't niet lochenen, maar integendeel erkennen, en het „ fchoon vrugteloos tragten te regtvaardigen. Het is in deze „ omftandigheid , dat zijne Majefteit, zig verlatende op de „ billijkheid van hun Hoog Mogenden, ene uitdrukkelijke af„ keuring vordert van een gedrag zo onregelmatig, en niet „ minder ftrijdig met hunne geheiligdfte verbintenisfen, dan met de grondwetten van de Republijk. Op gelijke wijze eist „ zijne Majefteit ene fpoedige voldoening, geëvenredigd aan „ de belediging, mitsgaders dat de Penfionaris van Berckel, en „ diens Medepligtigen, openbaar worden geftraft, als verjioorders van de algemene rust en /dienders van het regt der volken. Zijne „ Majefteit houdt zig verzekerd, dat 't antwoord van hun Hoog „ Mogenden fpoedig, en, in alle opzigten , voldoende zal „ zijn. Maar, zo het tegendeel mogt gebeuren, zo hun Hoog Mogenden weigerden te voldoen aan een zo regtmatig ver„ zoek, of 't zelve met ftilzwijgen tragten te leur te ftellen, „ 't geen als een weigering zal aangezien worden. In dat ge„ val, kan de Koning niet anders doen dan de Republijk aan„ zien als goedkeurende de aanflagen, die zij weigert af te „ keuren, en te Rraffen. Door dusdanig een gedrag zal de „ Koning zig gedrongen vinden tot het nemen van die maat„ regelen, welke de handhaving van zijne waardigheid, en „ der wezenlijke belangen zijn's volks, van hem vorderen." Met zuik een hoon en aantijginge bezwaard, Heet vak Berckel den volgenden winter, zijner onfchuld zig ten vollen bewust, oirdeelde hij het geleden ongelijk niet langer te moeten verkroppen. Op den 4 meij 1781, vervoegde hij zig met een uitvoerig vertoog, de kenmerken van zijne' kunde en braafheid dragende, bij de Staten van Holland, verzoekende om vrij gefproken te worden vart dien laster: „ Wel hadt hij, die. „ reeds omtrent negentien jaren, als Penfionaris van AmjieU „ dam, de vergadering van Hun Ed. Groot Mogenden bijgej, woond hadt, opgemerkt, dat de leden der Hoge Regeringe „ den  350 BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS vu;) „ don buitenfpcrigen Rap des Engeljen Ridders, met ftilzw-L „ gen en veragting, hadden beantwoord, en was hij ook ge„ negen geweest die zaak op de zelvde wijze te behandelen„ maar zig van alle perfonen, in Yorks vertoog voorkomen„de, aileen met name genoemd en bechreven vindende als „ boven- aiie fchuldig, en het hoofd van een complot, be» greep hij, na rijpen rade, zo verregaand ene kwetzing „ van zijne eer niet te kunnen gedogen, en verpligt te zijn, „ zig voor 't gemeen en de nakcmeiingfchap, bij welke hij be„ ledigd was geworden, van zodanig een laster, hoe eer hoe „ beter, te moeten" zuiveren; ene handhaving van zi'men „ naam te noodzaakiijker geworden, dewijl men' na de uitga„ ve van dat fchendend vertoog, niet hadt nagelaten, aileiiei „ nadelige gerugten , ten zijnen opzigte uit te firoijen, en ,, zelvs in de nieu «papieren te verfpreiden. Reeds voor „ lang zou hij zig ten. dien einde bij Hunne Ed. Groot Mog. „ vervoegd hebbben, dan hij hadt den uitflag hunner raad. « piegingen willen afwagten; in welken tusfentijd Yorke op „ nieuw ce fti afoeffening, onder zeer fterke en gants onge„ hoorde bedreigingen voiderde " Voorts betuigd den Penfionaris r „ dat hij na ene bedaarde overweging, het tot be„ reiking van zijn oogmerk het best hadt geoirdeeld, zig bij „ Hunne Ed. Groot Mog. te vervoegen, om aan de ene zijde „ op de overtuigendfte wijze te doen zien, dat hij zig geen„ zins aan het ftrengile onderzoek van zijne daden en gedrag „ poogde te onttrekken, indien tegen alle verwagting, door „ deze of gene befcheiden, van wegens den Engeljen Staats„ raad ingeleverd, Hun Ed. Groot Mog. in 't begrip mogten „ gevallen wezen, dat er zelvs maai- enige fchijn was voor „=de gegrondheid. der befchuldigtng door den Ridder Yorke „ .tegen hem a1 gegeven; of aan de andere zijde, bij ontftente„ tenisfe van dusdanige bezwarende befcheiden, van Hun Ed. .„ Groot Mog., zodanig ene verklaring van zijne onfchuld „ verwerven, als hem tegen a !e vermoedens kon dekken. Te „ meer hadt hij tot het doen van dezen ftap befloten, dewijl „ hij zig verzekerd hieldt, dat de bekende biihjkheid van Hun ., Ed.  BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) %\ „ Ed. Groot Mog. geenzins kon toelaten, de nodige ordres „ niet te Rellen, om een Min'ster van een der aanzienlijkfte „ fteden van Holland behoorlijk te regt te doen Rellen om „ ten voorbedde van andeien, geRraft te worden, indien hij „ daden gepleegd of vermoedens gewekt hadt, van zig zover„ re te buiten gegaan te hebben als hem wierdt. ten laste ge^ „ legd; of wel, in tegendeel, dat Hunne Ed. Gr. Mog. an,, derzins geen zwarigheid zouden maken, hem.ene verjaring *„ van onfchuld te verlenen, welke hij, in den bijzondei en za„ menloop van omftandigheden, waar in deze zaak zig be3, vondt, met des te meer regt fcheen te mogen vorderen om „ dat zijne befchuldigers buiten het bereik van de ordinaris „ JuRitie dezer landen gefield zijnde, hij in de onmooglijkheid „ was,.om, door dat middel, ene behoorlijke voldoening, „ wegens die belediging te kunnen verwerven.-' Het was dan op deze gronden, dat hij ten flotto verzogt: „ dat in 'tenRe „ geval, de befcheiden ten fpcedigften mogten overgezonden „ worden aan den Hoofdofficier der 'Rad Amfteldam, om het „- regt van de Hoge Overheid desaangaande tegen hem te kun„ ren waarnemen, en aan hem aldus de gelegenheid te ver„ fchaffen, om zijn gefchonde eer, voor "t oog der gantfe we„ reld, door middel van de ordinaris JuRitie te kunnen ver„ dedigèn; óf in het tegengeflelde geval, wanneer Hun Ed. „ Gr. Mog. geene befcheiden ten zijnen natiele ter hand ge„' Reld waren, noch ter hand gefield hadden kunnen werden „ hem daar van verklaring te verlenen; ten einde daar mede „ alle lasterende gefpreki-en , en invlegtincen in de -nieuws„'papieren, kragtdadig te kunnen tegengaan." . Het liep aan tot, in het laatst des jaars 1782 , eer aan deze verdrietige zaak-een einde werdt gemaakt. Amfteldamfe Kooplieden trokken zig dezelve, ten langen Iaatfte aan. In april des genoemden jaars, ene zamenkomst belegd hebbende, namen zij in dezelve in overweging, om aan de Regerin, hunner ftad een verzoekfehrift aan te b e:'en, dat de Heer vAn Berckel, in wien de Beurs van Hollands grootfte koopftad zulk'een wel gegrond vertrouwen ftelde, m de onderhandelingen met ft- i den  352 BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) den Here Adams mogt gebruikt worden; als mede, dat bi] ten dien einde, gelijk voorheen, de Staatsvergaderingen van Holland zou bijwonen; en dat, indien 'er zig onverhoopt zwarigheden hier tegen mogten opdoen, de Regering der Rad de volkomene regtvaardiging van den Penfionaris wilde bewerken. Dit oogmerk, zo vol blijks van hartlijke genegenheid der Kooplieden voor dien braven Staatsman, welken zij zo gaar ne in de waarneming van zijn post herfleld zagen, bleef onuitgevoerd; doordien men begreep, ene zaak van dien aart' aan het wijs beRuur der Regeringe te moeten overlaten, en dat het herflel van den Penfionaris, zonder de allerminfte tusfenkomst der Burgerije, veel luisterrijker zou wezen. Intusfen verwekte het lang verwijl dat van Berceel, in de vol la bekleding van zijn Penfionarisfchap tradt, met in 's Hage ter dagvaart te verfchijnen, niet weinig gemors; men dagt, dat Amfteldam hier aarzelende, in den eerst betoonden ijver verflapte ; ja de drift floeg over om te zeggen: „ wordt van „ Berckel t'huis gehouden, dan moet hij fchuldig zijn, en is „ hij fchuldig, hoe veel te meer dan die Regeerders, op wier „ uitdrukkelijkcn last hij alles verrigtte?" doch dit morrend misnoegen zweeg, en de wens der Kooplieden wierdt vervuld, toen dc Regering-van Amfteldam in november 1782 befloot, dien Penfionaris de Statenvergadering wederom als hunnen Gelastigden te doen bijwonen. Zedert dien tijd heeft van Berckel , fteeds getrouw aan zijne loffelijke Staatsbeginzelen, geen gering aandeel gehadt in de pogingen, die van tijd tot tijd wierden te werk gefteld, om het Stadhouderlijk gezag binnen de vereiste palen te rug te brengen, en andere wederregtelijkheden, die hij voor Staat en vaderland fcbadelijk oirdeelde, te beteugelen; het was dus ook geen wonder, dat men in 1787, na de revolutie door het inroepen der Pruisffche heierbenden te wege gebragt, zijnen naam gemeld vindt op de lijst der Staatsmannen, welke onder den naam van fatisfatïie aan den onbegrensden ftaatszugt en. wrede wraaklust van de Princes, huis vrouwe, van den gewezen Stadhouder , moesten werden opgeofferd. Met dit al, beeft  BERKEL. (ENGELBERT FRANCOIS van) 3sj heeft hij nog tijdig vrijwillig afftand van zijn post als Penfionaris gedaan. Men vindt 'er, die van oirdeel waren, dat ambtsontzetting niet het enig kwaad zoude zijn , welke men voor hadt hem te doen ondergaan, maar dat zelvs zijne perfooniijke veiligheid met enig gevaar gedreigd wierdt. Zeker is het immers, dat van Berckel vele aanmaningen, doch allen naamloos ontving, dat hij wel zou doen, om de ftad en het land te ruimen. Met dit al befloot hij te blijven, en hadt zedert moeds genoeg, om zijn gehouden gedrag, in ftads en ftaatszaken, openlijk te verdedigen, in een geichrift tot tijtel voerende: ^fctjSjlbe ban Mt. E. F. van Berckel, OUÖ penfionaris? öcr ito Jïmfeöam / aan ben ÏJcere Mt. NN. &ouöen&e amtoco:D op cent * gebgaagöe eforföarien/ raatai&e ben in&oub bet itóemqrien ban Den Jgterc Mt. Joachim Rendoep. kaarten 1793- in 84». Deze Amfteldamfe Burgemeester, met gants andere beginzels bezield dan onze Penllonaris, hadt hem in zijne bekende Memorie», op ene Wagen., Vad. Hijh X. D. bl. 88--P2. BERKMAN (HENDRIK) , Konstfchüder, was uit dei Klundert geboortig; hij was een Schilder van fchermutzelin^ gen en kleine battailjes, maar hadt moeite om daar mede di 01 de wereld ie geraken, waarom hem Joriaa^s, waar van hy een tijdgenoot was, en dus in de XVIde eeuw heeft geleefd ried, zig tot het gioot fchilderen te begeven; hij deedt zulks en 't gelukte; zig ten dien einde in Zeeland ne rzettendej daar hij ook geitorven is. — A. Houbr. , Sclmiwb. I. D. fci. 158. BERKUM (HENDRIK van), is geweest Putoor van de Roomsgezinde Gemeente te Schoonhoven, en is na zijnen dood van hem door den druk gemeen gemaakt: Öefcfejling öcr fiaö ^choonhoben / Seu magis ad Sophia. Jint exornanda vireta. AM Jpes, cum tanto quanta jepulta viro. Bern art heeft in 't licht gegeven i i. De utilitate legenda Bcpria, libr. IK Anlv. 1589 £f 1593- in 8vo, 2. Commentamokm de Lima eppidi ab Plollandis occupati liberatione^ Mecbk 1596- in 8w. 3. Schoüa in Stath Papinii Opera, ad vetera. €Mces recenf.ta. Antv. typis- Plantini , 1594.. 8vo.. 1607. £w. 4, Commentarium in Silvas ejusdem Poeta; typis- iisdeitu 1599» oro. 5. Commentarium Notas in BoêTHiüM de Confilaiime Philojophia. Ibid. 1607. 8 va.. 6. Vitam £f Martyrium Makix. Stüart* Regina- Scotia. Antv. 1588.. Svo.. 7. Oratioitem inftmere Jqannis Hauchini , II. Mechlinienjis Archiepiscopi, fattitam. Lovan. 1589^ 8vo. J. F. Foppens-, Bibl. Belg, p. 578. Paquot, Mem* litter. Torn. XV. p. 107-112. Saxi» Onom. liter. P. IV. p. 25. BERNIERS van. dess BUSSCIIE (LUBBERT), geboren ter Zwolle, omtrent het einde van de XlVde eeuwe, was de zoon van Bernier Janssen, Schepen van die Rad. Zijne «erfie letteroefeningen aldaar voleindigt hebbende, trok bijnaar Bohemen, om te Praag zijne ftudien te vervorderen „ daar hij binnen kort den trap van Baccalaureus verkreeg. Tot Zwol te rug gekeerd zijnde, wierdt hij getroffen, dóór de ftigtelijka levenswijs, welke 'er door de Klerken van 't Gemene leven, een genootfchap door Gerard de Groot ingefteld, wierdt geleid , en hij nam het befluit om zig bij hen te voegen; ten dien einde vertrok Iiij in ftilte naar Deventer, en begaf zig onder de beftiering van den godvrugtigen Florens Radewyns. Zijn vader zulks gewaar geworden zijnde, zond bode op bode om hem te rug te doen komen, en van befluit te veranderen; doch alle pogingen waren vrugteloos, want Lubbert bleef volftandig in zijn befluit volharden. Zijn vader kort hier op krank geworden zijnde, aan welke ziekte hij ook Rierf; ging Lubbert hem', bezoeken, en verzoende zig 20 hartgrondig met hem^ dat de ftervende man, hem alle de goederen ter handftelde, die bij na zijnen dood moeste erven; ' hij  BERNSAU. (HENDRIK WILLEM) 37^ hij gaf die aan zijn meester Florens, ten einde die tot behoef van het genootfchap te befteuen ; en deze maakte 'er gebruik van tot ftigting van het huis, dat tot de eerfte woning verft.ekte, welke de genoemde Klerken als hun eigendom bewoondei, en welk gebouw in 1391 voltooid wierdt. Het zelvde jaar wierdt Berniers tot Priester gefchoren, welke waardigheid hij flegts zeven jaren overleefde, ftervende den 26 j lij 139S, in den bloei van zijn leven, weggerukt door ene befmettelijke ziekte, welke in dezen tijd niet alleen Overifsjïl, maar vele andere landfehappen tot ene verwoestende piaag verftrekte. Thomas a Kempis, kwam Lubbert gedurende zijne ziekte bezoeken, en verftrekte hem tot geen geringen troost. Hij werdt begraven op het St. Lebuinus kerkhof. Men heeft van dezen godvrugtigen man: 1. Epijiola ad Dcminwn Fkrentium, weinig dagen voor zijnen dood ge'fchr even. 2. ColleEla qucedam.ex devotis exercitlis Domini Luber'ti. Deze ftukken worden gevonden in de werken van Tho•iiAS a Kempis; edit. Coln. 1660. Tom. III. p. 103, 104. & 208-112. J- F. Foppens, Bibl. Belg. p. 822. Paquot, Mem. 'litter. Tom. X. p. 315, 316. Thom. a Kempis, vita D. Lueberti Berneri, ubi mox, p. 94-108. Dumbar, Anal. T. I p. Ai.jeqq. • BERNSAU (HENDRIK WILLEM), Hoogleraar in de Godgeléértheid te Fra::eker, wierdt geboren te Linnepe in Bergsland, in het jaar 1717. Zijn vader Hendrik genaamd, is ai laar Predikant geweest van 1687 af tot 173r, in welk jaar hij is overleden. Hendrik Willem, heeft zijne akademlfe oefeningen volvoert aan de Hogefcholen van Duisburg en Marpurg'; in 1737 wierdt hij aangenomen als Kandi.laat, en bezogt vervolgens de meeste Duitje Akademien. In 1746 kwam hij van Leijden naar Franeker afzakken, daar hem de blinde fortuin was wagtende, want hij wierdt, dat vrij onbegrijpelijk is, op wiens aanbeveling ons ( nbekend, van Kandidaat tot Theologie Profesfor aan deze Hogefchool aangefteld; 'wordende vervolgens hem op den 13 april ingevolge het gebruik., zonder enig voorafgaand examen de waardigheid van Aa 2 J>ok-  BERNÜLF of BERNOLD, Doktor in de Theologie opgedragen; en in meij 1740, deed Kj zijn- inwijding? redevoering, de ratione Cetti in Theologie tonftituendL 1 Men kan niet zeggen, dat Bernsau in de ware betekenis van het woord, een geleerd Man is geweest; zeker is het egter, dat bij het Sijstema en de Loei communes van de Theologie vet Rond-; daar bij een Ral en geheugen hadt; ook wist hij zijne coïlegien te veraangenamen, door het verhaal van allerleie zonderlinge gebeurtenisfen en fprookjes:, waar van fommigen, hoe ongelooflijk ook voorkomende, egter waar moeten geweest zijn, doordien de Profesfor om zijne toehoorders geen twijfeling over te laten, die veeltijds met een helklinkend bevestigend woordje bekragtigde. Hij Rierf na ene ziekte van enige weken den 16 april 1763. Geene van zijne nageblevese Kollegaas in de Theologie, Herm. Venema, Petr, ConjtAM of Mgio. Gillissen, fchijnen lust gehadt te hebben, om ene loffpraak over hem te doen; doordien op verzoek van de weduwe, de lijkoratie is gefchiedt door den Hoogleraar in de franfe taal Jacobus Garcin. Onze Bermsaü heeft de volgende werken in 't licht gegeven'' t' Theologie Dogmaticce methode fcientifica pertraüatat, Pars L vol. ï. de Deo ejusque attrilmtis; cum Proefat. Christ. WöLFit Halae, 174$. ito. Vol. 2. II. de S. S. Trinitate ts De* tretis divinis'; Lugd. Bah 1747. Dit werk is door den Hoogleraar in 1755 eu i7'5°~> door enige hoofdflukken de Qreationt $§ Angelis,- bij wege van akademife dispuiten vervolgd, 3.1 Thefes felefta de vera Hcrmencuticae ratione. Fran.- 1751. Ato. 4. Compendium Theologise Dogmaticce, methodo fcientifica pertra&atae. Frarii 1755.' Ato. 5. Onomasticon facrum, 2. Tom. Fran. & I LtoVi 1762. ito. Hier in vindt men fommige artikels, die het! Waar lijk vreemd moet voorkomen, in het werk van enen f Profesfor in de Godgeleértheid te ontmoeten. —— Zie ook : Èv L; Vriemoet, Athen. Frif. pag. 859. Boekz., 1763. a. bh 616; BERNÜLF' of BERNÖLD i wierdt in 'tjaaf iaij, op ene j geer' Üflhdérh'ngê wijze,- de opvolger van Amelbold, en dus dc  •BERNÜLF of BERNOLQ. 373 «!e twffitigfte der Utrechte Bisfchoppen. Zo .'ra gemelde Adeljsold overleden was, ortftond 'er, onder de Kapittelheren, een hevige twist, over de verkiezing van enen opvolger. Staande die onenigheden, bevond Keizer Koenraad de III, «ïg nu te Nijmegen, dan te Aken, en ook wel te Keulen, en «irdeelde, om den twist te beflisfen, raadzaamst, zig, met zijne zwangere gemalinne Gisela, naar Utrecht te begeven. Da-,, wat gebeurt 'er? De Keizer in het dorp Oosterbeek, op de Velmve, zijnde gekomen, overviel der Keizerin de barensnood. Sommigen verhalen, dat zij op den weg verloste van haren zoon, naderhand Keizer Hendrik den III, en dat zij be, evens haar kind in het huis van den Pastoor Beehus.» gebiagt werdt. Anderen willen, dat zij in het huis diens mans, Ea dar de Keizer zig reeds te Utrecht bevond, van haren zoon zou verlost zijn. Hoe het ook mag' zijn, dit is ten minften ze-er, dat gemelde Pastoor aan den Keizer de tijding hier van bragt, kort na dat door de twistende Kanunnikken, voor die keer, aan den Keizer de volle magt was gegeven, om iemand die hem goeddagt, tot de Bisfchoplijke waardigheid te verbeffen. De Keizer, uitermate vrolijk over de tijding, hem door Bernulf gebragt, befcbonk den armen Priester met de Bisfchoppelijke waardigheid. Gelukkig,bij dat alles, dat hij een man was, die 'er toe gefchikt fcheen te zijn; -zijnde niet ontbloot van geleertheid, bezittende daar bij een gezond oirdeel , en die zig om te regeren, tamelijk wel wist te gedragen. Bernulf maakte fpoedig vrede met Graav Disk den Hl. van Holland, tegen wien Adelbold, gedurende zijn bsihiur, geoorloogd hadt. Graav Dirk overleden zijnde, verzogt hij den Keizer, de Kerk van St. Maarten aan derzefver recht te willen helpen, en den Hollander daar aan doen wedergeven 't huis te Merwede, Bodegraven en Zwammerdam, 20 als hij voorgaf, aan het Stigt te zijn ontnomen. Hij voegde Durand, ubi fupr. Paquot, Mem. litter.'Tom. X. p, 67--70. BERTHA (LODEWYK), wierdt in 1620 te Brugge geboren, toog het Dominikaner Monnikenkleed aan, ei^deedt zijne geloften den 19 oftober 1644. Vervolgens'bekleedde hij trapswijze de bedieningen van Onder-Prior, Zanger, Procureur en Sijndicus van zijn klooster.. Hij was algemene Prediker toen hij op den 12 augustus 1697 ftierf, in den ouderdom van 77 jaren. Echard zegt, dat zijne nagelatene werken, tot bewijzen van zijne geleertheid en godsvrugt verftrekken! Onder anderen heeft bij gefchreven; 1. Origópagarum Christianum orbem devastantkim, ab uno ex familia Pradicatorum Opus tdleStm. Brugis 1658. 120. 2. Medicus Christianus detegens fanguineis lacrymis deplorandam ferrei hujus fceculi ccecitatem, prefentium imminentium plagarum originem; prcefcribens remedia tam ex S. fcriptura quant ex SS. Patribus defumpta , ad omnem Chrisiiance Reipublka fiatum fanandum fcrV. ——- Paquot, Memoir. litier. Tom. \TL p. 361, 362, BERTHOLF (HILARIUS), is geboren te Gent, omtrent 't einde derXVde eeuw, en bevatte in een allermismaaktst en lelijk lighaam, een treffend fchoon verftand.' Hij beoeffende. vroeg-  I 384 BERTHOLF. (HILARIUS) vroegtijdig de geleerde talen en fraije wetenfehappen; was nog jong zijnde reeds een uitmuntend Digter, en verdiende daar door de achting van Erasaius. Bertholf, dien geleerden man niet kennende, verftond op zekeren dag dat hij zig te Gent bevond; hij wagtte hém bij den uitgang van een kerk op, en Bood hem een digtftuk van zijn maakzel aan. Erasmus wierdt door de fraiheid daar van, zodanig getroffen, dat hij tegens Karel Uitenhoven die hem verzelde, aan 't oor fluisterde; hoe is 't mooglijk dat zulke fchone. vaarfen, het voortbrengsel van een zodanig lelijk gevormd mensch kunnen zijn? het befluit viel, dat men den Digter aan tafel moest zien; Bertholf was een te groot liefhebber van de fmul om dit te weigeren, hij verfcheen derhalven op de eerfte nodiging, en Erasmus kost zig niet bedwingen om deszeivs neus met verbazing te begluren; het is ook waar, dat de Natuur 'er geene ftoffe toe hadt gefpaard, en dat de konst, ik verfta die welke door Bacchus aan zijne kwekelingen wordt onderwezen, 'er 't zijne hadt bijgevoegd, met die in derzei ver gantfe uitgeftrektheid, met purperverwige karbonkels te voorzien. Erasmus hem dan op zijn gemak bekeken hebbende, zeide: „ toe Bertholf „ gij moet ons een puntdigt maken, 't welk met de woorden; „ begint: Najus Bertulphi;" deze die gekfeheren verftond, en dadelijk de dampen van het druivenfap in zig voelde werken, voldeedt hem op 't oogenblik, en bewaarheide het gene 'er van een beroemd, Digter gezegd is: —— Satur eft, cum dieft Horatius: Ohe! Onze Bibliotheekfehrijvers houden plotzelijk bij deze plaats op, en berigten ons niets verders van het leven van Bertholf. Men vindt egter, dat hij zedert dien tijd in Frankrijk gereisd heeft, het Hof aldaar in 't voorjaar van 1526 bezogt, en dat hij ruim vier jaren daar na, namelijk den 30 november 1530 zig te Lijons bevond, alwaar hij zeer gemeenzaam met Rabelais verkeerde, welke onlangs in die ftad was gekomen. Deze vriendfehapsverbindtenis was ongemeen wel geforteerd, en kwam ten aanzien van den aart der belang- heb-  BERTIN. (OMER de Sr.) BERTIüS. (ABRAHAM) 385 hebbenden vrij wel bij malkanderen, want beide hadden veel ▼erfland, de een zo wel als de andere hadt een vrolijk humeur, en de loftuitingen die Ragelais aan de godheid van het druivenfap in zijn Pantagruel heeft gegeven, bewijzen ten overvloede, dat dien geestigen ligtmis, gants geen vijand van de vies is geweest. Sanderus zegt, dat Bertholf enige vrolijke digtftukjes te Keulen heeft uitgegeven Qudicros £? facetos yerfus), en Valer. Andreas , voegt 'er bij, dat die in 1530 gedrukt wierden. Nog verzekeren beide die Schrijvers, dat Bertholf verfcheidene geleerde brieven aan Erasmus heeft gefchreven, en dat hij inzonderheid door de brieven van den Rotterdammer Geleerde aan hem, is bekend geworden. Franc. Raejxais , epijt. ad Bern Salignacum , intcr dar. Viror. epift. 100., editas ah Joh. Brant. Amfi. 1702. in 8ro. p. 280. D. Erasmi, oper. Tom. III. uit. edit. p. 1. col. 937. Sanderus, de Gaudavenfib., p. 57, 58. J. F. Fori-eks, Bibl. Belg. p. 380. Paquot, Memoir. litter. Tam. IX. p. 102-104. EERTIN (OMER de St.), wierdt omtrent 't jaar 164$ te Oostende geboren, en gaf zig in de orden der ongefchoeide Karmeliten, toen hij 20 jaren oud was. Drie jaren later, wierdt hij tot Priester geordent, naderhand droeg men hem de bediening van Onder-prior op, en hij ftierf te Antwerpen den 28 februarij 1689, in het 45(1.0 jaar zijnes ouderdoms. Hij heeft door den druk gemaakt: 1. Thefaurus aureus divinarum Monitionwm S. Maria; Magdalence de Pazzis. Antv. 1687. 121110. 2. ©cn intomöioftcn Chipten/ fiaiiöefcnbc ban bchu toenöirjfje obcrtrnbonjfïc/ bic öc Cbjtótcnen met SFcfii €Mpta moeten fjebbcn. 2 ©den. 3£ntm. 1685. Paquot Me¬ moir. litter. Tom, X. p. 368. BERTIUS (ABRAHAM), geboren te Leijden, den 15 vaart róro, was de oudfte zoon van den beroemden Petrus Bertius. Hij is geweest een Geestelijke van de orden der ongefchoeide Karmeliten, en gedurende 30 jaren Misiionaris van die orden te Leijden. Hij was een braaf mensch en ftierf H- Dekl-. Bb zac  m O^j (PAULUS of WENCESLAUS) ?afr vakdagen te, 1683». Onder anderen heeft hij uitgegeven* Cognkio, mnoris Christi.. ito.. Parifiis.. 164.7. 2. Virtvtes Re. imjurenem decent Principem, o|>?« /fcgj Ca///a? infcripuim. 4§0.. PariJ, 1647. $ Mwfof. convenendi Ilceretiqos. 8vo. 5650, 4. Explicatie Symboli Apostolorum, Oraüoms Dominica & ISabttatienis Angelica. Rothom, 1653. *» iaaw., 5. O»*. WÜ? » Wte plurium Carmeliterutn êfcalccatortm ■pbme- illuftrium. ito.. Antv. 1670, 6. C/sr* demonjlratio Ank C/lorum. Religiom.s Catholicce,, omm |u« faculi fetlas. 8vo. Aiitv. 1671. en nog -enige, anderen. J. F. Foppens Bjbh. Belg., p. 991, 992. BERTIUS. (JAN), de jongfto zoon van Petrus Bertius* geboren te Leijden, den 6 maart 1615.. Hij is de Stigtec pweest van de Franfe Misfie der ongefchoeide Karmeliten ij *l-flagex en naderhand Prior van het Karmeiiten-Klooster op *t eiland Afetóe-, alwaar hij is geftorvèn den 27 ocToberig62; Zijnde een man geweest, van een bijzondere godvrugt en geleertheid. Hij heeft gefchreven :■ Traüat. de SS, Eucharistice S#eramnto :■ in qm è SS., Scripturis demonjlrat rcalem Corporis ChrLti prejentiam*, nomen & fignificatum Tranfubfiantiatwm windkat cf potejlatem Ecclefiae ad prohibenduum Laïcis ufwn Cali*. (is j ac probat in Misfa offerri verum ac proprium Sacrificium. Ita $e eo Ribliotheca Scriptorum Carmelitarum excalceatorum, P. Marttalis a S, Johanne, edita Rothomagi, anno 1730. f F, Foppens, BH Belg., p. 148, Niceron, Mem. Tom. XXX, p, 91, BERTIUS (PAULUS of WENCESLAUS) , de tweede •éÖB van Petrus Bertius, wierdt geboren te Leijden den 19 juli} 1612, Hij begaf zig onder de ongefchoeide Karmeliten, Cn deed openbare profesfie van die oiden, den 1 julij 1629. In 1642, volgde hij Pater P.. Rrunq de St, Yves naar Aleppo, en leerde het arahisch van den Pater Celestvn de 8, LmuyiN, G?n brogier van den vermaarden Gpuus; met dezen vertrok hij in junij paar d©ï berg Libanon, alwaar de Maranken hun hvt Klooster van St, Elteeys ga,yen, Maar nauw'jjks was hij dm-  BERTIUS. (PETRUS) 3S7 daar gekomen, of hij wierdt in augustus door de rodeloop sangetast, 't welk hem noodzaakte zig naar Tripoli te doen roeren, alwaar hij den 10 feptember 1643, overleed, 31 jaren oud zijnde. Niceron, Mem. Tom. XXXI. p. gi. BERTIUS (PETRUS), wierdt den 14 november 1565, te Beuren of Beveren, een dorp in Flaanderen, op de grenzen van. de bisdommen van Tperen en Brugge gelegen, geboren, alwaar zijn vader woonde, die de Roomfe Godsdienst hadt verzaakt, om de Protestantfe te omhelzen. Nauwlijks drie maanden oud zijnde, verzelde hij zijne ouders naar Engeland, doordien dezen, ten einde de vervolging te ontgaan, verpligt wierden uit Nederland te wijken. Toen hij zeven jaren oud was, wierdt hij in een der voordeden van Londen ter fchool befteld, bij Kristiaan RycK,^ie hem de grondbeginzelen der griekfe, latijnfe en franfe talen leerde; terwijl Ptkternklla Lansberg . een zeer geleerd meisje , hem in het fchrijven en de muzijk onderwees.. Twaalf jaren bereikt hebbende, liet zijn vader , die intusfen Predikant te Rotterdam was geworden, hem in Holland komen, en zondt hem naar de nieuw opgcrigte Hogefchool te Leijden; hier genoot hij het onderwijs in de hebreeuwfe taal van Herman Rennecker, in de fraije letteren van Justus Lipsius en Bonaventura Vulcanius, en in de theologie van Willem Feuquiere, Lambertus Daneau en anderen. Zijne letteroeffeningen hielden hem bezig tot in *t jaar 1582, toen hij een aanvang maakte fchoon nog maar 17 jaren oud, om zelve aan anderen onderwijs te geven. Hij deedt zulks eerst te Antwerpen, gedurende drie- maanden, vervolgens te Oostende agt maanden, ts Middelburg een gants jaar, en te Goes vijf jaren. Na verloop van dezen tijd vernomen hebbende, dat 'er een Onderregentsplaats in het fchool te Leijden open ftondt, vroeg hij 'er om, en verkreeg die, hij maakte vlijtig gebruik van liet verblijf in deze ftad, om zijne ftudien voort te zetten, en befteeddc de ledige tijd, die hem van 't waarnemen zijner fchool, overbleef, om de kolieken der Profesforen bij te wonen. Bb 2 Twee  $8( ïffiRTIUS. (PETRUS)' Twee jaren later, vergezelde hij Justus Lipsius naar Duhi* feid, met voornemen, om aan Teronimus Zanchtus, AntonV Qi vmrr en andere geleerde Protestanten, dié zig roem verworven hadden een bezoek te geven; doch te Frankfort ka* mende, vernam hij dat beide overleden waren; dit deedt hem beiluiten, om zfg te Heidclberg op te houden , zo ter oirzake van dc beioemde Bibliotheek, die 'er toen ter tijd aanwezfg yas,, als om nut te trekken uit de verkering met'de geleerde ■ Mannc-n, welke zfg in die ftad bevonden. Hij maakte hier • egter geen lang verblijf, want ondervindende, dat het klimaat niet gunftfg voor zijn lighaamsgeftel was, vertrok hij naar Strartslurg, alwaar hij enigen tijd zig bezig hieldt, om aan jongelingen in k bijzonder onderwijs te geven, na daar toe vrïjr beid van den Akademifen Senaat verkregen te hebben; en het is zeer waarfchijnlijk, dat hij in deze ftad zijne redevoering «leedt, cn ook liet drukken: met bc ScbigJjriö fel het naja* gCil ban bril lïöcm. GmSe % MoJtfti* m af.petmaa Gloria. Vervolgens wierdt hij door Curatoren van het Leijdfe Hogefchool beroepen, tot de Regentsplaats m het nieuw aangelegde Kollegie aldaar} hij nam het aan, doch deedt alvorens ene reis, nicttegenftaande'het in den winter was, door Bohémeti, 0éfiih, Men en Rusland. Zijne nieuwsgierigheid voldaan iijnde, nam hij bezit van zijne waardigheid te Leijden, dia M n-et lc,era e» algemene goedkeuring waarnam. Voorts wierdt hem het opzigt over de Akademife Bibliotheek toevertrouwd; hij bragt dëze've het eerfte in orde, en fchikte die in onderfékeidene klasfen; en, in 1595 deedt hij de cata? jógus daar van drukken, met ene voorafgaande brief of verh'andeüng, over de orde en het nuttige gebruik dat men van ene Bibliotheek kan maken; onder den tijtel van s Nomenclatar 'Rjblhtheca Academies Lugduno Bstarce cum Epijiola de erdine ejus ?;■)■',■: rjH. Lugd. Bat. 1595. i i>'M:,ii:n huwde hij met Anna Maria Kuchlin, dogter van Jan ■RupHi.iN, Opperregent van het Staten Kollegie te Leij-. é?H en deze in 1606 zijnde komen te fterven, wierdt BerTfys in (tezelys plaatze aangefteld, welke post hij egter met gro.    BERTIUS. (PETRUS) gïote weerzin aanvaardde, de moeiten en verdrietetëkhedea Voorziende, welke de uitceffening daar van-, hem •zoude wi'oirzaken; want hij was de .gevoelens van Armiwius toegedaan >, en zag zig daar door aan de haat dor Gomaristen bleofr gefield. Dit bleek 't eerst door de lijkreden die hij den 2'i 'october röoo over Arminius deedt. Gomarus viel hem aa"n> ïatcne ricrjibaarbigbcib/ ene toare öjgtbnarfcighaö rjcmccét i$\ Vraagftukken die hij bevestigende;- wijze befTis't. Konifig JX*ob de I, die verfcheidene brieven over de Godsdienst-gé-fchilien aan de Algemene Staten heeft gefchreven, 'zegt in 'ene daar van, waar in hij Arminius gulhartig met den maliën •naam van Godsvijand betijtelt, dat het enkel opfchrjft van-Bertius zijn boek, de fchrijver daar van weerdig maakte, om dë flrafr'e des vuurs te ondergaan. Dit vonnis is vrij geweldig..1 Bertius vervolgde met dit al, om zijne gevceièns aan den' dag te le?gen; onder anderen in enen bnef aan de Staten Vari Ütreclit, op naam der erfgenamen Van Armjnius> weike geVonden wordt aan het hoofd enes werks Van dezen 'geièeld^f Man, getijtelt: tdrnica collatie per JJurt: 'hm j&föfëi3c© :Jt>  393 BERTIUS. (PETRUS) Kio, de Prcedestinatione. Hij zegt op ene plaats van dezen brief: „ dat de Doktoren, welke zig niet gefcbaamd hebben , „ om te fchrijven, dat God de menfehen zodanig gefchapen „ heeft, dat zij kosten zondigen, maar ook op dat zij zouden „ zondigen, doordien hij door geen ander middel tot zijn „ doeleinde konde geraken, aan Keizer Tiberius geleken, „ die wanneer hij ene maagd wilde doen om hals brengen, „ 't welk tegens het gebruik der Romeinen ftreedt, hij haar „ alvorens door den beul liet onteren;" en hij haalt bij deze gelegenheid aan, Piscator advetfiïs Schatmann. Deze wierdt hier knorrig over, en doopte deze aanhaling met den naam van laster, en Bertius begreep verpligt te zijn, om zig te verdedigen, 't welk hij deedt, met 't uitgeven van 't volgende werk: Apologeticus ad Fratres Belgas, in quo Calumnix crimen ipfi a Joanko Piscatore, Theologo Herbornenjï, immerito impaüum dlluitur. Lugd. Bat. 1614. in kto. Bertius ban" delt in de voorreden, over de wijze van twisten, over de pligten, waar aan die genen welke twisten, zijn verbonden, als mede over het ware middel, om regtmatig theologife gefchillen te beoirdelen. De beroemde Grotius, dagt vrij gunftig over dit werk, fchoon hij 'er nogthans dingen in vondt, die beter waren gezwegen , of ten minften thans niet tijdig, waren: Ómnia qua; adverfus Piscatorem disputasti, veltementer mild probari (perfcripfi); fed interim esje qiupd&m, qua; mild vsdeantur intuta, certe ijntempestiva. Bertius'voegde bij dit werk, ene verhandeling over de gefchiedenis van Pelaoius; daar Grotius gants niet over in zijn fclrik was; hij fchrijft ten dien aanziene aan Uitengocaart : „ welke kwaadaartige gevolg„ trekkingen zal men niet maken, over de wijze, waar op „ den Schrijver, Pelagius zoekt te verdedigen, en hoe vele „ vernieuwde onlusten zal zulks niet te wege kunnen bren„ gen:" hij laakt 'Bertius , de rust van kerk en ftaat opgeoffert te hebben, aan de begeerte om zijne verdraagzaamheid en geleertheid in 't openbaar te doen blijken; en hij kan zig niet genoeg ver wondei en, dat Bertius zo fpoedig het verdriet hadt vergeten, die de enkele tijtel van zijn boek over de  feER'ïïÜS. '^PETRUS) §S? . Parifis. 1625. in folio. 4. Breviarium Orbis Terrarum. Bb 5 L'p-  m SËRTÏÜS. (PETRUS) lipfia. 1662. in iawfc en agter de Cluverii IntroduUh fe univrrfam Geographiam. 5. Imperium Caroii Magni £? ftül r« Dit is een Kaait, die ook in vièien is gttdeSllj en in den Atlas van Hondius. Amfi. 1654. gé* plaatst. 6. Varia Grlis univeifi & ejus parium, Tabulce XX-. Geographice, ex antiq:-is Geographis £f Hijlorieis confeilae per Petrlm Bertium, in Ato. oblong*. Bij deze geographilè wer* ken kan men nóg voegen, fclióon enigzints Van enen Vérfchib lenden aait, dat gene, het welk hij ter gelegenheid van den Dijk vervaardigde, die de Kardinaal Richelieu hadt doen ïn- kên om de haver van Rochlle tè fluiten; zijnde getijte't : De Aygeflus Pontibus hatleuus ad mare extruilis digestur» Hovum. PtiriJHt* 1629, In 8V». en ook geplaatst in het tweede Deel van de Nuvus Th-faurus Antiquitatum Romanarum van SaI.I.EIvCRÉ. Te Parijs gekomen zijnde , verzogt hij om de betaling Vari ften jaar tiaétoiuent als Geographus, dat men hem fchuldig'was; doch hij ontmoete daaromtrent zwarigheden. Den 11 juni) hieldt Bertius ene bijeenkomst met de Piedikanten van Ohxrenten-, en verzogt om het Avondmaal bij hun te mogen gérfcruiken, doch zij weigerden hem zulks. Dezé weigering deedt hem gevoelig aan; enige Leraars van de Sorbonne maakten gebruik van zijn harteleed, en dé behoeftigheid waar méde hij hadt te wo'rftelen'; zij overreedden hem ten laatfiren, om den Roomfen Godsdienst te omhelzen , en hij deedt openbare afzwering in handen van Hendrik de Condy, Kardinaal de Retz, Bisfchop van Parijs. De Heer Brandt vei haait-, dat hij op de zelvde dag van zijne afzwering een bezoek gaf aan den Holland/en Ambasfadeur Langerak, aan wien hij met een zeer treurig gelaat kennis gaf, van zijne Godsdienst-verandering. Hij gaf voor, hier zedert lang reeds het befluit toè te hebben genomen, niet alleen om de onenigheden ën gè> Mveldige twisten die 'er tusfen de Remonftranten en Gomaristeü plaats vonden, maar wel inzonderheid om dat het Sijrode van Leijden, hem van de tafel des Heren hadt Uïtgeflcteft5. eii hem zelvs met de excommunicatie en affnijding als ledemaat dier  ■BERTIUS. (PETRUS) ^ der Kerke' bedreigd* De Ainbasfadeur, benevens de beroemde Pieter du Moulin, fielden al wat in h..n vermogen was te werk, om Bertius van gedagten te doen veranderen; maar te vergeefs. „ Hij beklaagde zig bitter over de handelwijze die ,, men ten zijnen aanziene hadt gehouden. Wanneer hij van zij,, ne Godsdienst-verandering fprak, zeide hij, dat liet geene „ verwonderenswaardige zaak was; dat hij enkel tot de fchoot 5, van de oude Katholijke Kerk was te rug gekeerd, tot welke de Kerkvaders hadden behoord. Hij-klaagde over zijne a-nn}, moede, die hem buiten ftaat ftelde om aan zijn huisgezin s, het nodig onderhoud te verfchafien. Eindelijk beleed hij, „ ene plegtige belofte aan de Leraars van de Sorbonne te hcb„ ben gedaan, in de hoop van ene bediening te bekomen enz." Deze bijzonderheden worden gevonden, in ene brief, die de Heer Langerak naar Holland zondt. Bertius zelv' fchreef 'er ook ene aan Gecommitteerde Raden van Holland, waar in hij, na gezegd te hebben, dat hij tot de Roomfe belijdenis Was overgegaan, 'er bijvoegt: „ Ik verwagt hier enige bedió„ ning, door middel van welk ik mijne dagen gerust zal kun- nen Rijten, en mijn huisgezin doen beftaan, zijnde ik van ,, mijn beroep in Holland beroofd geworden, en onweerdig gere„ kend om enige bezigheid waar te nemen." Men ziet door dit alles, dat verdriet en nooddruft, de gróte drijfveren zijn geweest, die hem bewogen hebben, zodanig te handelen; h welk nog meer wordt bevestigd,, door 't gene Robbert Eustachius aan enen zijner vrienden fchrijft, hier in beftaande: „ dat Bertius hem op den i julij is komen bezoeken; „ dat hij hem verbazend ontroerd voorkwam; dat hij ftamel„ de, bleek was, van angst zweette, dat hij zugtte cn tranen ,, Hortte; en dat al wat hij fprak uitkwam, om zig over de „ flegte bebandeling tc beklagen, die de Comaristen hem „ hadden aangedaan: dat hij door enige weinige woorden die „ hem ontfnapten, moet oirdelen, dat hij niet of ten min„ ften zeer weinig van gevoelen is veranderd, en dat hij om geen andere reden is Rooms geworden, dan om aan een „ beftaan te geraken, daar hij zedert langen tijd, op zulk „ een 1  306 BERTIUS. (PETRUS) „ een miferabele wijze om bedelde." Hxfitabat mifer turbafuf. mimi, jam paliebat, jam Judabat, jam tïtubabat in iacesfu t jam. Jüspirabat, jam laclirymabatur, neqtie quicquam qtiod opponent fiay lebat praeter injurias iftorum Gomaristarum, quibus 'tam aterbi, imo tam Jceleraté exagitatus habtenus fuisfet. Mihi tarnen juspicio est, fermonïbus quibusdam illitis innixa, eum in Jententiis aut nihil , tui parum certè hatlenus mutasfe , nee alio fine in panes illai tranfivisfe, quam ut fiipendiurfi faum ex cerario regio obtvierèt, quod fcio quam miferé antea per tot dieram heb'domadas frufira. inendicaverit. Dient nog aangemerkt, dat Baillet in zijne Jugemens des Scavans, Tom. VI. Part. i. p. 83. geheel den bal misflaat, met te zeggen, „ dat Bertius reeds in Holland „ Van Godsdienst is verandert." Kort na dat Bertius het Roomfe geloof hadt omhelst, wierdi hij tot Profesfor in' de welfprekentheid in het Kollegie van Boncowt benoemd, alwaar hij bij het aanvaarden van zijne bediening, op den 2 october ene redevoering deedt over dé beweeggronden die hem tot de Roomfe belijdenis hadt deert oveigaan. Deze redevoering die gedrukt is, voert tot tijtel} Oratio, cur reliüa Leyda Parifios commigrarlt, (jf Haerefi repudidta Romino-Catholicam fidem amplexus fit. Zijne huisvrouwe en 6 kinderen, die hij bij haar hadt verwekt, en nog alle zeer jong, waren in Holland gebleven. Zij befloot egter met haar gezin naar Parijs te gaan, en Ber* ' tius liet haar volkomen vrijheid om in hare geioofsbelijdenisfe te volharden; dan zij volgde reeds het jaar daar aan* in 1621 :zijn voorbeeld, en gelijk men gemakkelijk kan begrijpen, Werden de kinderen in die zelvde ftroom weggerukt! Toert men in Holland zijne geloofsbelijdenis verftond, fchreven de hevigfte Contra-Remonftraiiten zulks als ene misdaad aan de Arminianm toe; waar uit men ziet, tot welke flappen de geest van partijfchap, en enen verkeerden ijver voor den godsdienst in ftaat is de mensch te geleiden, en aan hem niet alleen de iesfen van den zagtmoedigen en verdraagzamen Jesus de infteller van den Christelijken Godsdienst, ten enemalert uit het oog te doen verliezen, maar- zelvs de gemeenfte ftel^  BERTIUS. (PETRUS) 35/ ftgels van billijkheid met voeten te treden. De Zeloten onder de Gmnaristen, zeiden van de Arminianen: „ dat het pausdon* „ in hun hart verfcholen lag; dat hunne leer ingerigt was om. „ die in te voeren; dat Bertius het eerfte voorbeeld hado „ gegeven, en dat E^scopius, Uitenbogaard, GREvrNKHO„ vius en de anderen, wel fpoedig zijn voorbeeld zouden vol„ gen." Niklaas Vissciier , een Boekverkoper te Amftel* dam, die verfcheidene malen aldaar Diaken en Ouderling watf geweest, fchaamde zig niet om een fpotprint over deze gebeurtenis in 't licht te geven, die tot fchande van het menschdom verftrekt, en welke thans door de liefhebbers van prent" .fronst, als ene zeldzaamheid wordt bewaard. Bertius werdt zedert tot Hiflorlefchrijver van den Koning aangefteld, en in 1625 werd: hij met ene Ieerftoel voorzien als Koninglijke Profesfor extraordinaris in de mathefis- Hij ftierf den 13 oftober 1629, jn het 64H0 jaar zijnes ouderdoms, en wierdt in de Kerk der ongefchoeide Karmeliten begraven; zijne vrouw overleefde hem tot in 1647. Niemand kan ontkennen, of Bertius is een zeer geleerd en werkzaam mensch geweest, doch die, om het in 't beste licht te plaatzen, niet grondig fchijnt overtuigd te zijn geweest, van de leer, waar in hij is opgevoed, en die hij als Regent> van het Staten Kollegie te Leijden met zo veel ijver heeft verdedigd. Hij liet vier zoons na, van drie welke zig in de orden der ongefchoeide Karmeliten begaven, hebben wij boven gefproken. De vierde, ook Jan genaamd, die Benedictijner Monnik was, heeft men nog een latijns fmeekfehrift van voor handen, door den ouden Bertius gefteld, om voor hem do Priorij van St. Denijs te Varennes te bekomen: Pro Joanne Bertio ejus füio, Religiofo ordinis S. BenediÜi, in caufa Prkratus S. Bitmyfü de Varennis ad Parlamentum Parifienfe Jura Supplïcaüo. in 410. Uit al het aangevoerde fchijnt het te blijken, dat Bertius ten cnemalen aan den Proteftantfcn Godsdienst hadt vaarwel gezegd; en dat inzonderheid eigenbelang, dia hem dezelve hadt doen verlaten, hem noopte, om zijne kinderen met alle zorgvuldigheid in het Roomfe geloof op te voeden,  £| BERTIUS, (PETRUS) dan, doordien zij zelvs zo verre gingen van zig tot Misfionai ïisfen te doen gebruiken, - Quid non mortalia peEtora cogis, Auri facra fames. Behalveu,. de reeds door ons in den loop van dit Artikel, bijgebragte werken van dezen geleerden Man, zijn 'er nog enige anderen, die men alle opgeteld vindt, in de Memoires pour Jervir a VHijloire des Hommes illuftres^ par Niceron, Tom, XXXI. p. 93-100. Fabrkjii, Bibl. Grceca, Tom, III. p. 414. Vossius, de Sciéntüs Matliemat. p, 260. & Jcq, Fr, Sweertii, Athen. Belg. p. 602. Joh. Fabricii, Hift. Bibk Part. III p. 399. & Part. V. p. 28. Crenii, Animadv. Philoh Part, V. p. 250-255. Gottl. Krantztus ad Conringiüm. pv 218. P. Burmannus, major, ad Syllog. Epist. Tem, I. p. 578, die op ene zonderlinge wijze van hem fpreekt, P. Freheri% Theatrum. Part. IV. p. 1524. met zijn Afbeeldzel. J. F. Foppens, Bibl. Belg. p. 953-955- bij wien men insgelijks zijn» Afbeelding aantreft. Epijiola Ecclefiasticx & Theologie®. Amft.. 1684. in jolio. p. 88. 386, 387. 630. C. Saxi, Onom. liter. Pars IV. p. 4.9. fff -Anal. p. 569. J. G. de CiiAUFEpié, Nouv. Dictionaire, Tom. I. lett. B. p. 265-267. Dav. Clement, Bibl. curleuje, Tom. III. p. 239, 240. Paquot, Memok. litterair. Tom. XIV. p. 1-23. Orlep.s , Befchr. van Leijden. G. Brandt , Hift. der Reformatie, I. II. en IV.. D.eel» Baudart, Kerk. en Wereldl.. Gefchkd. L. D, bL $8» RECfty  E E Q ï S T E E VAN DE PERSONEN WAAR VAN ÏN DIT D E E £ GEHANDELD WORDT. Bladz, BladZj Baacx (joachim), Rooms Baart (Pieter), Doktor in de Priester te Utrecht. . I. Geneeskunde te Leeimar- Baan (Jan de), Konstjchil- ^en. . . .19. der. . . 1. Babuer (Theodoor), Konst- Baan (Jakob de), Konstjchil- Jchiluer. . . Ar, . . 5, Eaccareili, zie BakkereeJ. Baanst, tüqud adelijk Ge- Baccius (Martinus),Aarts* Jlagt. . . 7- priester te Iperen. . 11. Baarland , beroemd adelijk Bacherius (Andreas Eïi- Gejlagt. , . 8. gius), H ogieraar in - de Baarland (Adriaan van), Regten te Bourges.. 12, Hoogleraar in de■ Weljpre- Bacherius (Jodocius), Ka. kendheid. , 9. nw.nik te Erusjel. 12. Baarland (Hubert van), Bacherius (Johannes Au- Gmeesmeester te Namen. 9. gustinus), Prior van een Baarland (Michiel van), Augustjner Klooster. 12. 'Regtsgeleerde. . ' 9. Bacherius (Petrus), Hoog- Baarïand (Simon van), l^ar in de Godgeleerdheid Letteroefenaar. . 1 I0. U Lemen' '> *h Bacherius (Wolfert), Klerk gaarde (Kaspar van), zie wn den Raadpenjionaris Eaileus. Joh. de Witt. . 13. Baarsdorp (Kornelis van) , Bach (Jacobus), Med. DokGenees- en Karmerheer van tor. . • . 14. %eizer Karei den V. 10. Bachiene (Johan Hendiik), • Baarsdorp (Marinus), Rooms- Predikant te Utrecht. 14. Pastoor te Biezelingen. 10. Bachiene (Philip Jan) , r- r r. - un n Hoogleraar in de Godse- (Amold), Raadsheer \KrdheiA en Predikant"te ffl' t Hop van Mechelen. 10, Utrecfa. 16 ■ ; \ Ba-  4Q0 REGISTER. Eladz. Bachiene (Willem Albert),' Hoogleraar en Predikant te Mastidcht. . irj. Bacx (Ramhout), Kanunnik en Pastoor van de Kathedrale Kerk te Antwerpen. 18. Bacquere (Benedifhis de), Prior van het Cisterienfer Klooster tc Bsugge. 19. Baculeto (Michiel de) , Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Keulen. 19. Baden-'- Tranciscus), Konstfchüder. . . 19. Ba i S (Jodoeus), een geleerd Boekdrukker. 21. Baeex van Baerlandt (Adriaan), Deken vanSt. Pieter te Oirfchct. , 22. Baecks, zie Baacx. Baerle (Jan van) , Inquifiteur Generaal. . 23. Baers (Johannes), Predikant te Scherpenzeel, te Fijnaart &c. . . 24. Baersdorp, zie Baarsdorp. Baerfius (Hendrik)', Wiskonflenaar cn Boekdrukker te Leuven. , . 24. Bagelaar (Joan), aanzienlijk Burger te Amfteldam, . . 24. Baggaert (Johannes), Stads Med. Doktor te Middelburg. . . 24. Ballieul (ASgidluS of Gillis de), Kanunnik van St, Pieter te Leuven. . 25, Baillieur (Lodewijk Jofeph de), Jefuit, , 26. Bladz; Bailleu, verhonden Edele. 26, Baillij (Gesluin le), Ver-, trouwde van den Hertog van Rennenberg. . z6i Baii'ij_ (David), Konstfchüder. . . 28, Bajus (Jacobus), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Leuren. . . Bajus (Michiel), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Leuven. . . «o. Bajus (Petrus), Advokaat. 31, Bakc (Laurens) , beroemd nederlands Digter. . 31. Bakenesfe , voornaam Geflagt in Kennemerland. 33. Bakhuizen (Ludolf), Konstfchilder. . . Bakhuizen (Ludolf), Konstfchüder. . . 27. Bakker (Adriaan), Schout te Haarlem. . . 3^ Bakker (Adriaan), Konstfchüder. . . 4o, Bakker (Jakob) , Konstfchüder. . . 40. Bakker (Jan de), Priester te Woerden. / . . 41. Bakker (Kornelis Adriaanszoon) , Penfionaris te Zierikzee.. . , 42. Bakker (Meeuwis Meindertszoon), Uitvinder der Kameelen om Schepen te Vgten^ , . 42, Bakkereel (Guiliam en Gillis), Konstfchilders. 42.- Balcï  R £ G I BlaJz. Balck (Dominikus), Hoogleraar in de Regtsgeleerdheid te Franeker. . 43, Balck (Evei hard), Hoogleraar in de Regtsgeleerdheid te Harderwijk. 44. Balbian (Josfe), Med. Doktor te Gouda. . 46. Falbian (Kornelis), Med. Doktor. . . 46. Balderik, Bisfchop van Utrecht. . . 47. Eajdeus (Philippus), Predikant op Ceijlon. . 47. Ialhinus, Bisfchop van Utrecht. . . 47. Balduinus de II, Bisfchop van Utrecht. . 48. Balduinus (Benediktus) , een geleer: e Schoenmaker. 48. Balduinus (Franci-cus) , Hoo leraar in de Godgeleerdheid. . . 48. Balduinus (Pafcnaii'is) , Brio-- van het Klooster Pakittphin. . 60. Balen (Rendrik var) , Konstfchüder. . 60. Balen (Mathijs), Gefchiedfchrijver. . .61. Balen (Mathijs) , Konstfchüder. . . 62. Balen (Pieter Kristoffel van), Gefchiedfehrijver. 63. Balinghem (Antonij van), Jefuit. . . 63. Balinus (Johannes), Priester te Wezel. . 63. Baljuw (N.), Konstfchüder. . , $4. II, Deer STER, ioï Bladz-. Ballaert (Michiel;, Hoogleraar in de Godgeleerdheid. . . 64, Balling (Pieter), Priester te Haarlem. . 64. Balneavis (Henrij) , Lt. KoIIonei bij 't regiment van Stuart. . . 6$, Balten (Pieter) , Konstfchüder. . . 67. Baltensz. (Frans), Boekdrukker te Dordrecht. 67. Balthafar Gerards, Moordenaar van Prins Willem den I. . . 67- Baltin (Adriaan), Penfionaris der fiad Brugge. 70» Bamboots, zie Laar CPietcr van) Bameester (Hans), Konstfchüder. , . 70 Banelt (Johannes), Geestelijke van de orden der Kruisbroeders.- . 70; Banjaart (Albe;t), Tegenfirever van de Gravin Ada. 70. Banjaart (Dirk Jansfen), Schout van Hoorn. . 71, Bank (Laurens) , Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Franeker. . 74, Bankert (Adriaan), Lt. Admiraal van Zeeland. 74. Bankert (Johan), Kapiteinter zee. . . 78. Bankert (Joost van Trappen) , Kommandcur ter zee. , 79. Cc Bank-  R. E G I Bladz, Jïankhem (Jan van), Prefident van den Hogenraad in Holland.. < , 82, Bankhem (Jan van), Badjuw van \r Hage. , 83, Banning (Frans), zie Kok, Banning (Jan Bodecher), Hoogleraar in de Wijsbegeerte te Leijden. 84. Bamrius (Johannes Albertus). Priester en Mufikant te Haarlem. , , 84. Barbancon (Konftantijn) , Kloosterling van de orden da; Kapucijnen. . 84. Barbeijrac (Jan), Hoogleraar in de Regten te Gronhgen. , , 85. Barbieux (Anthonij), Domi- nikaner Monnik. . 80, Bard (Petrus), Vikaris generaal van de orden der Coenobiters. . 87. Bardes (Willem Dh'kszoon), Schout van Amfteldam. | . . 87. Bardes (Willem), Burge- wec tef te Amfteldam. go. Barends Parend), Geuze Vrijbuiter. . , 02. Barends (Willem), Kapitein ter zee. . 92. Barendzcn (Dirk), KmistJrhüdei;. , . pj, Barendzoon (Herman) , Krankbezoeker te Amfteldam, . , 94, Barken (Niklaas), Profesjor en predikant van. de hpog* duitje Gemekte hi's Hage. 94, g t e a, Blad* Bar'aeus (Kasper of Gaspar), Hoogleraar in de Wijsbegeerte te Amfteldam. , , ' pj* Barlaeus (Lambertus) , Hoogleraar in de Griekje taal te Leijden. , 100. Barlaeus (Melchior), een geleerd Man. . 101. Barlaimont (Gillis van), Krijgsbevelhebber . ior. Barlandus, zie Baarland. Barlotte (Claude la) , ■wakker Krijgsheld. . 101» Barneveld, zie Oldenbarneveld, Barres (Anatolius de), Kamerheer van Keizer Kar^l den V. , I02.' Bart (Jan), Kaper ter zee. 103» Bartel Entes, zie Entes. Bartels (Gerard), KonstJchilder. , . 115. Bartholomsi (Kornelis), Kanunnik van de orden der Augustijnen. . 113, Bartoiet, Kon.tfchilder. 113. Barueth (Johannes), Predikant te Dordrecht. 113, Barwell (Daniël Oftavius), Schipbreukeling. , 114, Barzauis (Gaspar) , Bekeerder der Heidenen. 115, Bas (Dirk), Burgemeester te Amfteldam. . 115» Bafelius (Jakob), Predikant: te Vlisfingen, • . 116, Bafelius (Jakob), Predikant te Kerhvcrven. . xi6\  r e e ï Bladz. Bafelius (Niklaas) , Med. Do tor en Chirurgijn tê St. Wijnoxbergen. i: 6. Bafelius (Pieter)j Dominikaner Monnï . . ï 17., jgailliéus Marchetus fja> kobus) , Gejchiedfhrijver. -. ■. tijs Bafinus (Thomas)-, Aartsbisfchop van C.cf rea. 117, Bafius ( Johan nes.) > Secretaris van Delft. . nS-, Basnage (Jakobus), Predikant in ae w.ilfe Gemeente te Rotterdam. -. 110. Basfée (Adam de la), Kanunnik van St. Pie er te Rijsfcl. . -. 123. Basfce (Bonaventure de la), Kapucijner Mvmük: 12 4-. Basfeliers (Bakhafar), Prediker behorende tot de orden der Recolletten. \ 12 4-. Basfen (Dirk Reinier van), Burgemeester te Arnhem. 124. Basfon (Adriaan), Regtsgeleerde te Gouda. 125. Bateliér (jakobus) , Remonftrants Predikant in 's Hage. . 12 (Si Baten (Hendrik), Kanunnik en Zanger van de Hoofdkerk te Luik. 127, Batenburg (Gijsbert en Diderik), edel Broederpiar, op bevel \>an AIVa onthoofd: : : I28> Battinyius (Rudolphus) * Med, Doktor en WiskonftenaaYi, : ; ii>ö\ S t Ë r> tfj Bladz, Battus (Partei), door dé hiqufitie vernlgd: -. tï$> Br.fL.s (Jakobus), Secretar's van Bergénopzoifn, <Ï2'5>> Battus (Karei), Stads Mïd. Dok'or 'te Dordreclit, I30. Battus (Livinu's), Hoogleraar in de Geneeskon t. ï 30. Baudait '(Willem), Prei' l'ant te Zutph'en. . t^ï: Baudius (Dominikus) , Hoogleraar in de Wilfpre'kendbeld en Regten te Leijden. % ■» t%% Baud ril > Zanger 'vafi 'dè Hoofdkerk 'te TeYouanne. ï Baidrij , Bi.fchop vim Noijon. : . Baudrij (P:ete>-)-5 Hoogleraar in i,e Godgeleerdheid. 139, Bauhuis (Berhaïd) ffifuit, 140-,- Eauldri \PauIus)* Hoogleraar in de Krtei jke Gefchiedenis te Uirechh i\'ï, Baufe'e, een zeer -aanzien* lijk Br bands Geflagt. i 4-f > Beaux (Gaspar) , Predikant in de walje C-etneente te -Le-wwarden, \ 1455 Bax (Pauius en Marcelis), een Broed-rpaar 'vrijheid* minnende NedenandjeHeb den. -. -. • ïï^ Baxius '(Niklaas)* Vikaris te Antwerpen: ■ 4 471 Saijle (Pieter)_:, Hoogleraar in dc Wijsbegeerte te Rotterdam. t Hè-. Paiju's i 'sh B'3ji& té i t>&-  +Q4 REGISTER. Bladz, Beatrix, zeer zonderling dooide Goddelijke Voorzienigheid bewaard. . 179. Beaumont, aanzienlijk Hollands Geflagt. . 18c. Beaumont (Dirk van) , Burgemeester te Dordrecht. 1S0. Beaumont (Simon van), Penfionaris der fifld Rotterdam. . . 184. Beaumont (Simon), Secretaris der Staten van Holland. . . . . 185. Beaufardus (Petrus), Med. , Doktor en Hoogleraar in de ' Mathefis te Leuven. 186. Bcauvais (Remigius), een Kapucijner Monnik en zeer geagt Prediker. . 186. Bebber (Izaak) , Doktor in de Medicijnen te Dordreclit. . . .186. Becanus (Johannes Goropius) , Med. Doktor te Antwerpen. . .187. .Becanus (Martinus) , beroemd jefuit, Biegtvader van Keizer Matthias. 190. Becanus (Pieter), Kanunnik te Aken. . 19?. Becanus (Siwert), Karme- liter Monnik. . 191. Becanus (Willem), uitmuntend Digter en Redenaar. 192. Becardus (Johannes), Hoogleraar in de Godgeleerdheid. . . .192. Becius (Johannes), Predikant onc.tr 't kruis en Hoogleraar te Middelburg. . „ .192. Bladz. Beck (David), Konstfchil- *r« * • -194. Beek (Geertruijd Hendriks van), ene gewaande Toveres te Utrecht. . 195. Beek (Johannes van), Kanunnik te Utrecht. 197. Beek (Kornelis), Kanunnik en Prior te Utrecht. 198. Beek (Pieter van), Stigter van een Hofje te Amfteldam. . . . igg. Beeke (Johan van der), Burgemeester te Deventer. J99. Beekman (Izaak), Rektor der latijnfe fcholen en voornaam Mathemst'cus te Dordrecht. . , . 203. Beekman (Martinus), Drosfaard en Dijkgraav van Asperen. . . 205. Beeldemaker (Frans), Konstfchüder. . . 205. Becldemaker (Johannes) , Konstfchüder. . 206. Beels (Leonard), Predikant te Amfteldam. . 207. Beels (Marten Adriaan), Burgemeester te Amfteldam. . . . 207. Beer (Aart de), Konstfchüder. . . 210. Beer (Boudewijn de), Pastoor der Hoofdkerk te Gent. 210, Beer (Jan de), Rektor van St. Servaas te Mastricht. '21a. Beer _ (Joost de) , Konstfchüder. . , 210Beerendrecht (Jan van), Schout te Leijden. 211. Bee-  r e e ï Bladz. Beeringg (Gregorius) , Konstfchüder. -. iïh Beerwoud , Bevelhebber te' Bergenopzoom. ■> aft» Bega (Kornelis),, KonstJchilder. - > 2II. Begijn (Abraham), Konstfchüder. ' -. ■• 2i2° Beirlinck, sie Beijerlinck. Beiling (Albert), Krijgsbe> velhebber. -. -213. Beima, zie Beijma. Beintema van Peima (Johannes Ignatius Worp), Med, Doktor, . 214. Beisfelaar (Martinus) , Predikant te Vlisfingen. 215. Beke (Rudolf van der) , 'Digter en Hijloriefdiri^ ver. ., - . 216. gekker (Balthafar)-, Predikant te Amfleldmn. 216. Bekker (Johannes Hendrik) , Predikant te Jelfum. -. 244. Bel (Johannes de) , Priester en Kanunfiik van St. i.Limberts Kerk te Luik. 245. Bell (f heodorus van der) , Predikant teRhijnsburg. 245. Bellamij (Jakob), Student in de Theologie. -. 246. Belle (Jan "van), een Man uit den bargerfiand -te .Haarlem. . . 255. ^ellecheie (Jakob), Prefident van het Hol' Provinciaal Van Utrecht. 255. Bellegambe (Francois) , Jejuiu , ■. 255. STER* f05 Blada, Bellegarde (Gabrïël duParc de)-, Kanumih . 25'5. Bellemans '(Daniel),-Pne> ter en Parochiaan in de Heerlijkheid van Horsfen. 255,. Bellerus (Johannes) , een geleerd Man en Boekdrukker te Antwerpen. 2U». -Bellighem (Perfevald van), een blindgeborene Letteroeffenaar. , 2;'öo. Bellocasfius (Steven), Secretaris van het Kapittel ■ St. Donatus te Brugge. 2öi5 Bemmel (Abraham van), Klerk ter Secretarije van ■Amersfoort. •. ■. 261* Bemmel \ Willem Tan) , Konstfchilder. . 262-. SBcmpdc ( ]01 daan of Gerard van den), Dominikaner Monnik te Brugge, 262, Ben E bertz. '(Ysbrand) , Vroedfchap der ftad Amfteldam. •. , 263. Benedixius (Dominikus) , Aaitsdiaken te Leeuwar•den. * t 263. Beninga '(Eggerik), Hoveling van Grimarfum &C, 265. Beninga (Sicko), Bouwmeester en Raadsheer te Groningen. ; -o 2'<5S« 'Benning ofBenriink (Dirk Simoi sz.), Schout te Am» .fteldam, •« «i 2C0. Benning (Hiflebrand) ■Burgemeester ie Amfteldam. : 25jJ» Benning (Jakob)-, 'Schepen cn Raad te AmJleldam. a?* L Benoijt (Leonard), Ondertekenaar van het 'Vertoond dn Edelen. . 276. Benscoop (Arent van), een der f amengefpannen Edelen tegens Graav Floris den V- . . 276. Benfius (Johannes), Leraar in de fraije letteren te Straatsburg. . 277. Bent (Johannes van der), Konstfchüder. . 277. Bentbem (Ernst Willem Gfaav van). . 278. Bentink, oud en vermaard Geflagt. , 270. Bentink (Adolf), Heer van Berrinkhuizen £fV. 280. Bentink (Alard) , Raad en Hofmeester van Koningimte Margriet. . . 280. Bentink (Alexander), Heer van Aller '&c. . 280. Bentink (Alexander), Raad to 't Hof van Gelderland en Burgemeester van Am- lm. . . 281. Bentink (Alexander), Burgmeester en Hoogfchout iitn, Arnhem. , _ 2$t. Bladz. Bentink (Andries). 2-82. ■ Bentink (Berent Hendrik), Dingwaardèr van de Hogebank van JufHtie, en Lt. StadJiouder aer Lenen van ■ Overijsfel. . - . 2&e, Bentink (Berent), Heer vanDiepenheim en Proost. te Deventer. . .284. Bentink (Eufebius), Heer van te-n Velde en Werkeren. . . 285.. Bentink (Eufebius Borchard), Heer van Sch onheten, Hoogfchout in Mas. tricht . 285, Bentink (Evert), Heer van Berkèlenkamp. . 285. Bentink (Filip), Gouverneur van Stralen. . 285. Bentink (Gerard Adolf), Heer van Berkèlenkamp. 286. Bentink (Godewijn en Jan), de bekende oudften van dit Geflagt. . . 286. Bentink (Hendrik), bijgenaamd de Beste. 287. Bentink (Hendrik), Landdrost van Zalland. 287» Bentink (Hendrik), Landdrost van Zalland. 287. Bentink (Hendrik), Koïlo'nel te paard, en Drost van Twente. . , 28f> Bentink (Hendrik), Heer tot Lettwenberg en Landdrost van de Veluwe. 288. ■ Bentink (Hendrik), Drosfaart van Woudrifhem en Kuilenburg. , 289. Bcrr  & E G I Bladz. Bertink (Hendrik), Grave van Portlanden Gouverneur van Jamaika. . 289- Bentink (Hendrik Adolph), Drost van Yfeimuiden, Hoofdfchout van Mastricht, Raad en Reutemeester generaal der Beden in Braband. . . 289- Bentink (Hendrik Frederik), Heer vanGenswaart en Barleham. . 290. Bentink . (Jan), Heer van Berrinkhuizen. . 290. Bentink (Jan of Johan), Stalmeester en Gunfteling van Karei , Hertog van Gelder. . . 290.' Bentink (Jan Willem) , Heer van Urummelen en Rhoon, Graav van Portland &c. . . 291. Bentink (Johan) , gebijnaamd de Onbefcheidene. 298. Bentink (Johan) , gebijnaamd de Beste. 258. Bentink (Karei), Landrente-meester van de Vei uwe. 289. Bentink (Karei), Heer tot Berenkamp. . 209. Bentink (Lambert), Rentemeester van de kloostergoederen van Monnikhuizen. 299. Bentink (Leonard) , Gouverneur van Alfen. 299. Bentink (Maarten), KoIIonei in dienst van den Koning van Spanjen. 300. Bentink (Steven), Burge meester te Zutfen. 3:0. Benrink (Willem). 300. STER. faf Bladz. Bentink (Willem). 301. Bentink (Willem van Zuilen) , Rigter van 't Oldebrock op dc Veluwe. 301. Bentink ' (Willem) , Lt. KoIIonei. . 30L Bentink (Willem), Drost van Emden. , 30L Bentink (Willem), Kapitein. . . 302. Bentink (Willem), Heer van Rhroon enPendrecht, befchreven in de orden van de Ridderfchap in Holland. . . 30Z. Bentink (Wolf), Heer van Werkeren, Landdrost van Vollenhove. . 304." Rentink (Wolf). totLangevelslo. . . . 304. Bentink (Wolter Jan Gerrit), extraordinair Schoutbij-nagt voor het Kollegie te Amfteldam, . 305;. Bentink (Zeno Arend), Gcneraal-Majoorvan de Infanterie , en Kommandeur van Mastricht. . 308. Bentivoglio (Guido), Gefchiedfckrijver. . 309, Bentzma (Pieter Eoetïus), Rooms-Pastcor teBoxum. 313.' Berchem (Lambertus van), Gijmnafiarch en Rektor der latijnfe fcholen in 's Hertogenbosch. , 313. Berchem (Niklaas van), Kon-tfclülder. , 313- Berchem (Willem van) , Kanunnik van de St. Stevens Kerk te Nijmegen. 315. Cc 4 Eer-  & E C I S • T IC R, Bladz. 'Berchem en Ranst, een oud adelijk Geflagt. 316. Bercht (Joannes van) , Kanunnik van St. Suipitius Kerk te Diest. . 317. Berckelaar (Joannes), een geleerd Man in 's Hertogenbosch. . 317. fierefteijn (Panwels van), Burgemeester te Delft. 317. Berg '(Graven van den), of's Herenberg. 319. Berg (Hendrik van den), eerst Bevelhebber in dienst van Spanjen, en naderhand in die der Nederlanden. .322. Berg (Willem van den), Bevelhebber in dienst van de Nederlander* , .324. Berg (Jan of Johan van den), Burgmeester te Leijden. . . 327. Berg (Jan van den) , Ko;:.'tfcldldcr. . .328. Berg (Izaak van den), Regtsgeleerde. . 328' Berg (Matthijs van den), KonstfcMlder. * 329. Berg '(Theodoor Kornelis van den), Rektor der latijnfe fcholen te Utrecht. 329. Berge (Rutger ten), Student te Groningen. . 330. Bergen (Adriaan Jansz. van) , zie Adriaan Jansz. Bergen (Dirk van), Konstfchüder. . . 331.. Bergen (Gerardus van) , Stads Med. Doktor te Antwerpen. . .332. Bergen (Lodewijk van), Onder-Admiraal der Nederlandfe vloot. . 33^ Bergh (Franck van den), Ranlsheer Ju 't Hof van Holland en naderhand te Mechelen. . 333, Berghen (Anthomj van), Abt van St. Battims, 334, Berghen (Maximiliaan van), Kanunnik te Mechelen. . . . 334. Berghen (Paulus), Jefuit, Zendeling te Leeuwarden. 335,, Bergheijck (Arnold van), Leraar in de fraije letteren te Anguien. , 335^ Beringhen (Rndoif van), Hoogleraar in het Kerkelijk regt te Leuven. 335, Berk, oud aanzienlijk Ge- * - .337, Berk (Diik). ; 33^ Berk (Diik), Burgemeester te Dordrecht. , 338, Berk (Ger rit) , Secretaris van de Admiraliteit te Rotterdam. , » 338, Berk (Huijbert). „ 339. Berk (johan), Burgemeester te Dordreclit. , 339, Berk (Johan), Contrarolleitr van de convoljen en licenten te Hoorn. .339»' Berk (Johan) , Secretaris en Penfionaris te Dordrecht. 340. Berk (Johan), Sxretaris en Penfionaris te Dordrecht. 341,' Berk (Matthijs), Penfionaris te Dordreclit. .341.  REGISTER, 4*9 Bladz. Berk (Pompejus), Burgemeester te Dordrecht. 34.2. Berk (Niklaas van) , Lid der Regering vanUtrecht. 344. Berkel of Berckel (Engelbert Francois van) , Penfionaris te Amfteldam. 345. Berkenrode, aloud adelijk Geflagt. . . 345- Berkheiden (Gerrit), Konstfchüder. . . 355- Berkheiden1 (Job) , Konstfchüder. . - 356. Berkhout (Adriaan Teding van), Raadsheer in het Hof van Holland. 359- Berkman (Hendrik), Konstfchüder. . . 361. Berkum (Hendrik van) , Booms-F'astoor te Sclioon- ■ hoven. . .361. Berlikom (Andreas van). 362. Berlikom (Boudewijn) , eerfte Griffier van het Hof van Braband in 'sHage. 362. Berlo of Bierloo, Ondertekenaar van 't Verbond der Edelen. . . 363. Bernard (Jacobus), Hoogleraar in de Wijsbegeerte en Predikant in de walfe Gemeente te Leijden. 363. Bernard (Johannes Stephanus), Med. Doktor. 367. Bernard (Willem), beroemd Gidgeleerde. . 368. Bladz- Bernards (Wilmar), Hoogleraar in het Kerkelijk regt te Leuven. 3<5g„ Bernart (Johannes), Advokaat voor den Hogen Raad te Mechelen. . 269. Berniers van den Eusfche (Lubbert), Klerk van 't Gemene leven. . 370, Bernfau (Hendrik Willem), Hoogleraar in de Godgeleerdheid te Franeker. 371. Bernulf, Bisfchop van Utrecht. .. 373. Beronicius (Petrus Johannides), geleerde Schoorfteenveger. . 375; Berotiüs (Jan) , Schrijver van de XVIde eeuwe. 381. Berfacques (Dionijs de) , Advokaat. . ^Bz. Bertha (Lodewijk), Domi- '■ nikauer Monnik. 383. Bertholf (Hilarius) , uitmuntend Digter. 384. Bertin (Omer de St.), Karmeliet. . -385. Bertius (Abraham), Karmeliet. . . 385. Berti' s (Jan), Prior van een Karmelieten Klooster. 386". Bertius (Paulus of Wenceslaus), Karmeliet. 386. Bertius (Petrus) , Opperregent van het Staten Kollegie te Leijden. . 387,  BERIGT voor den BINDER, De PLAATEN te plaatzen in 't II. Deel. I. Pourtrait van G BARLEUS. . Bladz. 96. II. van JAN BART. . , io4i III. van H. Graav v. d. BERGH. —■ - 322. IV. van PETRUS BERTIUS. —.- ««8.