IE IK HART, o r NATUXJRen GOJ} SDIEKS T. EERSTE D E E E . MET FLAATEE. tk AMSTERDAM, uij JOHANNES AILAB T, MD CC XCI.  r KAATSCH. ^> IfEDEBL. LETT1ML  AAN MIJNEN BROEDER, H. H. POS T. Dit Boek is toevallig zijn aanwezen aan U verfchuldigd, fchoon het noch uw lot, noch uwen perfoon, noch bepaald uw verblijf aftekent; maar waarfchijnelijk had mijn genie mij nooit zoo ver van mijn vaderland verwij* derd,  derd, zoo niet de zusterliefde mijn hart en mijne verbeelding dikwijls hadden doen zweeven, en met vermaak vertoeven, in het afgelegen werelddeel, waar zig een geliefde broeder onthoudt: wat is des natuurlijker, dan dat ik de vrucht van deeze zielsreize aan U toewije? Gij, mijn broeder! weet wat het zegt vaderland en vrienden vaarwel te zeggen; op den ruimen oceaan te zwerven; met ftorm en baaren te worftelen ; in een vreemd Land het geluk te zoeken , dat U in uw vaderland ontvlugtte ; aldaar eene Echtvriendin naar uw hart te vinden; en ook aldaar uwe verafgefcheidene vrienden niet te ver geeten : gij kent de kracht van den Godsdienst , in de aandoenlijkfte gevallen des levens, bij ervaring , en kunt des best beoor-  beoordeèlen of ik mijnen Reinhart natuurlijk doe fpreeken; of mijne verbeelding levendig genoeg was, om zig zoo te verplaatfen, dat zij mijn hart gelukkig deedt werken. Intusfchen vind ik een ftreelend genoegen, in U dit openlijk bewijs mijner dankbaarheid voor alle de blijken uwer broederliefde, aan mij, en ons allen betoond, te kunnen geeven ; God vergelde die door eenen milden zegen weere onvrucht¬ baarheid en misdragt van uwe akkers , en beloone uwien edelen vlijt met eenen milden voorfpoed ! fmaak tot eenen grijzen ouderdom het zoet des huwelijks, met de vrouwe die gij lief hebt, dat mijn onge2 * luk-  lukkige held maar zoo kort genoot; en keer eens, vrolijker en gelukkiger dan hij, weder, in de armen van uwe vrienden , van uwe moeder, die deezen aandoenlijken ftond met traanen van verlangen verbeiden! Het  tiet Boek , mijne geëerde Landgenooten ! dat ik, door uw welgevallen in de vruchten van mijne Jlille uuren aangemoedigd, U thans aanbiede , is van eenen geheel anderen aart, dan de voorigen; maar zou het U daarom minder bevallen? dit zou mij fpijten, en zoo wel mijne hoop ah mijne poging verijdelen; doch ik moét dit afwachten. Dit alleen moet ik evenwel tot voorbericht zeggen: welligt zullen fommigen , die een paar Jlukjens in VoorEenzaamen, lazen, of', bij eene of andere gelegenheid hoorden dat ik eenen uitlandigen Broeder heb, ook dit werk als een familie-geval aanzien; dit had ik liever niet, dewijl het geene waarheid is, zoo als elk , dit mijne omjiandig* 3 he-  heden van nabij kent, bij de mi„fie hng van deeze met mijn tafreel aanfionds zal Z !/°g Va"eM\ "«*> *» «in als ik in de Emiha van het Land mij ze/ve hedoeId (ik zou dan waarlijk,eenige trekken uit Euphrozijne's brieven in aanmerking genomen , ellendig met ij-elen waan moeten bezocht zijn,) maar alleen een meisjen tekende, z.00 als ik weezen wilde ,n dat in gevoelens en denkbeelden met mij overeenflemde; zoo min kan mijn broeder voor Reinhart doorgaan ;offchoon ik in beide Jiukken eenige gevallen, die ons zeiven ontmoet zijn, aan die verdichte wezens doe ervaaren . en we!k fchrijver doet dit niet? Maar welk een wezen is Reinhart dan? is het een Historie of een Roman? het eer/Ie zeker niet, dan in zoo verre als het eenige waare natuurlijke tafereelen afmaalt die willekeurig geplaatst zijn — en een Roman, daar voor durf ik het U ook niet leveren , daar het de voornaame ver ei scheen van een Roman mist; en, in plaats van eene vindingrijke aaneenfchakhing van raadfelachtige gebeurtenis/en, die in eene wonderlijke ontknooping eindigen , niet dan een eenvoudig , natuurlijk afloopend geval vertoont dat niets raars heeft , dan misfehien den fmaak van den perfoon die hier voorkomt. Befchouwt het dan even gelijk het Land, als een  een fchepfel mijner verbeeldinge, die zig meestal door de waarheid liet leiden; ziet de perfoonen welke hier voorkomen als verdicht aan , fchoon ze noch zoo groot, noch engelachtig zijn, dat zij alleen in 't rijk der mogelijkheid hejlaan; maat wel zeker, hier en daar, hoewel fchaars, onder edele menfehen hunne origineelen hebben zullen. Noemt het, zoo gij wilt, het onaanmerkelijk leven van eenen braaven jongeling , die, meer door zijne jlille deugd, door zijn edelwerkend gevoel, in de dagelijkfche omjlandigheden des levens , dan door het vreemde zijner lotgevallen interes/eert. En wanneer dan deeze goede jongeling, doofde eenvoudige tafireelen van zijn hart , en van de Natuur ineen ander werelddeel ,fommigen mij* ner lezeren eene aangenaame uitfpanning na moejelijke bezigheden verfchaft; wanneer hij van eer, gefcheidene boezemvrienden, eenige troostende gedachten, en aan zijne geheele fexe een voorbeeld van jongelingsdeugd en waare grootmoedige gevoeligheidgeeft; wanneer hij daarbij alle zijne lezers een fpreekend bewijs oplevert, dat alleen de Godsdienst des Euangeliums, aan V geluk het waare zoet; in de rampen , waarmede het pad des menschlijken levens, bezaaid is, den eenigen genoegzaamen troost, en in de meestdreigende gevaaren de zachtfle rust km inftorten, behoef ik dan  dan wel te vreezen, dat dit werk de meestbevooroordeelde mijner godsdienfiige Lezers misvallen zal, om dat het 'er zoo romanachtig uitziet? — fieen; het ruime denkbeeld dat ik heb van gezond menfchen-verfland verdrijft deeze zwari*. heid geheel bij mij: en ook bij deeze, zoo wel als bij mijne andere Lezers , hoop ik op die ftilk goedkeuring, die de beste belooning, &n de Jlerk. fie aanmoediging voor mij zijn zal. ELISABETH MARIA POST. Arnhem, den Julij 1791, D E  EERSTE BOEK. DE ZE E.' L jEen ftevige Oostenwind , die zedert gisteren blijft aanhouden, doet onzen kapitein be« fluiten , om zee te kiezen. . Alles is op ons fchip in eene rustlooze beweeging. Met de zoo aanftonds vertrekkende boot kan ik alleenlijk eene k°rte •> a9n ' eene Jaatfte sroet aan L) medegeven. Als gij dezen haastig gefchreeveix brief leest , ben ik misfchien reeds veele mijlen van een ftrand verwijderd., waar mijn leven begon , dat mijn eerfte kindergefchrei hoor* de , en dat ik met jongelingstraanen verliet: dan heeft de naam van Vaderland reeds eeneij t fiiïi. A haré»  * I. BOEK. hartbreekenden klank voor mij; en ach dit had hij reeds eenige dagen: de twee weeken die wij in Texel doorbragten , waren mij zeer treurig ; hoe veel duizendmalen vloog mijn ziel nog naar mijne achtergelatene vrienden terug , en toch vermogt ik niet tot hen wedertekeeren ; het vaderland was mij als een vreemd gewest; ik mogt niet eenmaal op dien dierbaaren grond meer overnachten : mijne oogen Haarden zig dikwerf moede op de verwarde verfchieten die duin en bosch op eenen verren afftand opleverden ; angftig zocht ik het plekjen daar mijne moederftad op verrees: maar de lieve torenfpits was, door de afgelegenheid, voor mij onzichtbaar. Weeker geworden door 't gevoel der fcheiding , fcheen mijn hart al zijne zaligheid in dat plekjen gronds befloten te zien, dat ik gereed ftond te verlaten ; en toch liever wilde ik dit , dan langer door een hoopeloos gezicht gepijnigd te worden. Mcnigwerf zag ik uit naar de wolken , of de wind niet van (treek veranderde; toen hij eindelijk naar het oosten draaide, klopte mijn hart van gemengde aandoeningen; en nu — nu verlaat ik mijn vaderland geheel , om op eenen anderen hoek des aardbodems een verblijf, meer voor mijn lot berekend, te zoeken. O mogten de rampen, die hier mijne ouders zoo gevoelig troffen niet met mij reizen ! bid dit van den Hemel v.or m;j af, lieve Karei! en dan  I. BOEK. % dart vaarwel 1 Het geraas en getier van het fcheepsvolk neemt toe ; het anker is reeds geligt; men is bezig met de zeilen optehaalen ; ik kan niets meer dan u nog eenmaal teder groeten, misfchien is het voor eeuwig. Goeden nacht onvergelijkelijke vriend, vriend van mijn hart! troost mijne moeder, geef haar dezen brief. Kusch uwe Charlotte vaarwel voor mij , en — al hoordet gij ook nimmer weêr van mij , vergeet den jongen reiziger j vergeet uwen Reinhart nooit. II. Nu ben ik onherroepelijk van mijne vrienden gefcheiden ; het wederkeeren is mij zelfs onmogelijk; geen oogenblik meer, ach geen enkel oogenblik om hen nog maar ééns met een fta* melende tong een: „ vaart eeuwig wel!" toeteroepen. Neen, dit vaartwel moet ik in mijrt hart fmooren, en het verliest zich in een benaauwde zucht. O mijn Karei! hoe zal, hoe kan, ik u het plegtige, het verpletterend plegtige , van dien dag van gisteren mededeelen ? De langverlangde wind vulde de zeilen , alles juichte ; maar mijne ziel kromp in mij weg. Het kraakend geraas van zeilen en touwen, de bulderende kanonfchooten, waarmede wij A % af-  4 I. BOEK. affcheid van de reede naamen , de akelige nagalm dier dreunende fchooten, die over het water fcheenen te rollen , en zig tot zoo veel affcheidïgroeten in mijne ooren verdubbelden t overmeesterden alle de krachten van mijnen geest. Ach! van dit oogenblik af, heeft het voordfnellend fchip niet opgehouden mij geduurig van den woonoord mijner vrienden , van mijn vaderland te verwijderen; alreeds zijn wij door onze lootfen verhaten, en de tonnen veilig doorgekomen. Met een treurig ledig hart zwerve ik thans op de ruime Noordzee , waar enkel water en lucht mijn horizon bepaalt; waar ons, mijlen in het rond, geen land omringt. Ik zie nu geen enkel ftipjen van mijnen vaderlijken grond meer , en mijn oog is Hechts roereloos naar dien hemelflreek toegekeerd daar ik zijn laatlten heuveltop zag ondergaan. Nu is daar niets meer als lucht!— Treurige ledigheid J Lang, en met droevige oogen, Haarde ik op het allengs verflaauwend tooneel , dat bosfchen en duinen, die ik door geen' verrekijker meer onderkennen kon , opleverden. Het werd mij meer dierbaar, naarmaate ik mij meer daarvan verwijderde ; drijvende traanen vielen in zwaare druppelen uit mijne oogen, en ik drukte het nieuw, maar het levendig, en diep ge* voel van mijne ziel in deze woorden uit: Vaar  I. BOE K. 5 Vaart eeuwig wel mijn teêrgeliefde vrinden, En gij, vaar eeuwig wel, mijn dierbaar Vaderland! Hoe vreeslijk voelt mijn hart de banden die mij binden Aan uw gezegend flrandl O woeste zee! waar 't hart geen vriend bejegent, Voer mijn geheugen op uw vlotte baaren meê, Maar bruisch mij eeuwig toe: „ DeGod die de aarde zegent, Beveelt ook aan de zee." Komt (helle winden! fchraagt mijn ijdel poogen; Blaast 't lieve Vaderland Hechts weg uit mijn gezicht. Mijn ziel, geheel mijn ziel zit in mijn ftarende oogen , E.n 't fcheiden is nu pligt. Neen brengt, ei brengt, ach! waar zij eenzaam dwaalen , Be vrienden van mijn hart, mijn jongst, mijn teér vaartwel, En dat al de echo's van het deinzend duinherhaalen: „Vaartwel! vaart eeuwig wel!-' Terwijl ik op een zeer treurigen toon , met een ftem , waarin het diep gevoel mijner ziele een zeer aandoenlijk tremblant maakte , dit lied zong , verdween ook dit verward verfchict , en niets , niets dan de akelige nagedachte bleef mij overig. Zoo mijn Karei ging het mij ook naa dat wij de tederlte affcheidsgroeten hadden uitgeA 3 fla-  6 I. BOEK. ftameld, of liever naa dat wij lang fpraakloos in Likanüers armen geweend haüdea , en ik toen van u ging; toen ik, telkens omziende, mij meer en meer van u verwijderde , en naauwlijks vermogen genoeg op mijn'geest had, om niet terug te keeren, en van nieuws in uwe armen te ijlen ; toen uw oog mij nog lang nazag , toen al de tederheid der heiligde vriendfehap, in elk onzer blikken, zoo roerend fprak, dat alle mijne, zoo lang op gekweekte bedaarde kloekmoedigheid , als een daauwdropjen voor de zon wegdroogde. Eindelijk verloor ik u, en gij mij uit het oog, en wij ftaarden beiden nog op eene iedele fchim, waarin onze misleide verbeelding het wezen nog waande dat ons hart zogt: — zedert — zedert zag ik u niet weer. En voor hoe lang? voor hoe veele jaarén ? wijze, allesbefluurende Voorzienigheid ! die liet pad des worms op zijn blad , en de lotgevallen der menfejien in den kleinen cirkel van hun iedel leven aftekent, voor hoe lang zal ik, van mijnen vriend gefcheiden, eenzaam buiten mijn vaderland omzwerven ? — docli neen , eenzaam zwerven zal ik niet ; als gij mij leidt, ben ik veiliger dan in de armen van den besten vriend. Sombere herinnering ! hoe dikwijls hebt gij dc weinige , maar voor mijn gevoel reeds talloze d&gen o.tzer fcheiding met een zwarten nacht  I. BOE KJ 7 nacht omhuld. En nog, Karei ! nog dank ik uwe Charlotte , die u te rug hield van mij aan boord te brengen: ware op dit fchip het j roerend tooneel van onze laatfte omarming vertoond, dan zeker zou ik 'er geen vrolijk ogenblik ooit op kennen; de kajuit, door de afïcheidstraanen van mijnen Karei bevogtigd , zou voor mij een kerker weezen ; en geen ftraal van genoegen zou 'er voor mijne ziel meer in glanzen kunnen. Dit ééne denkbeeld: „ daar ftond , daaï weende hij , en ging toen „ voor eeuwig weg," zou den toegang aan de kleinfte vergenoegde gedachte voor altijd van mij geweerd hebben. Nu ten minfte is mij dit fchip en mijn vertrek in hetzelve, een vreedzaam kluis, waarin ik, geheel aan mij zeiven overgelaaten, eenzaam en Uil, de veranderlijkheid der wereldl'che genoegens, de onzekerheid des levens, en zoo veel ernftige voorwerpen , als mijne omftandigheden, en mijn lot mij zullen inboezemen, overdenken kan. Eenzaamheid op een wélbevolkt fchip ! dit moge raadzelagtig voorkomen aan een'vreemdeling van mijn hart, mijn Karei verftaat mij; hij weet dat ik overal waar ik mijn hart niet kan mededeelen, waar ik geen vriend om mij heen heb , eenzaam ben. Hier ben ik dit in nadruk; niemand kent mij , niemand neemt belang in mij; de traanen die mijne oogen hier A 4 tel-  * !• BOEK. telkens ontvlugten, rollen ongemerkt langs mijne wangen ; niemand voelt, niemand ziet ze rollen. Alles wat mij dierbaar is liet ik achter; en geen enkele zusterlijke ziel vervult mij hier voor één oogenblik dit verlies ; mijne eenzaamheid gelijkt dus in alles naar die des doods. Akelige gedachte ! geen omgang, geen werkende betrekking met mijne dierbaarlte vrienden meer ! er is eene naare en gapende ledigheid rondom mij. Toen het diep ingedrukt denkbeeld van fcheiding al het gevoel had opgewekt, en mij meer dan ooit hunne waarde had doen befeffen , toen moest ik alles verlaaten. Hoe veele tedere banden moest ik op den zelfden Hond verfcheuren; banden in wier zagte knelling mijne aardfche zaligheid beltönd! O-mijn! Karel! hoe gewen ik aan deze eenzaamheid? hoe gewen ik aan die. gapende , alle mijne gedachten en gewaarwordingen vcrflindende eenzaam, heid , die mij van rondsom tot in het verfte verfchiet omgeeft ? , Als door een geheime aantrckkingskragt beftuurd, (hart nog mijn 00g geftadig op den hemel die mijn vaderland overdekt ; elk dun wolkjen dat daarheen drijft, belaad ik met mijnen zegen ,. met mijne groeten, maar ach l bet wolkjen moge de kusten naderen , het moge den  I. BOE KI 9 den vaderlijken grond befproejen; ja al ruischten deszelfs regendroppelen op de Acacia , die voor het tuinvenfter van mijne lieve moeder bloeit, neder , toch zal de dierbaare vrouw in die vallende droppen den groet van haaren Reinhart niet hooren , niet weeten dat het eigen wolkjen nog korts zijn fchip overfchaduwde; zij weet niet waar ik 'ben, en hoe het mij is; mijn lot is van haar lot gefcheiden ! O mijn vriend wat heb ik gedaan-! mijn hart krimpt in elkander! cn dat ik deed is onherroepelijk! I I I. „ Wat heb ik gedaan 1" fchreef ik gisteren in de vervoering eener redenbedwelmcnde hartstogt ; doch wat deed ik anders dan eene daad, den lederen zoon eener dierbaare moeder waardig ? Zij kost mij veel, zeer veel; maar zy is te edel om haar door naberouw te verkleinen; dat ik begon , wil ik dan poogen blijmoedig te volbrengen. Nooit, mijn Vriend! heb ik meer de kracht des gebeds ondervonden ; verlaaten van mijne vrienden, verftoken van hunnen raad en troost, nam ik mijnen toevlugt tot dat wezen dat het vertrouwen aller einden der aarde, en der vergelegenen aan de zee is; bij wien 't infect niet klein , en de aanbidA 5 dende  IO I. BOEK. dende aardsengel niet groot is ; dat het zandjen der woeftijne als den wereldbol in wezen houdt: in Hem zag ik de rijke volheid, de aanbiddelijke wijsheid, de zagtê goedheid, en de vaderlijke trouw ; ik zag de vooruittredende voetflappen zijner voorzienigheid getekend op de woeste baaren der zee; haare verdere leiding en bewaaring fcheeri mij genoegzaam , en de grond om die te verwagten zeker; daaraan gaf ik mij gerust over, en was zedert minder mismoedig. 't Is die voorzienigheid die de goederen des geluks met wijsheid onder de menfehen verdeelt — al febijnt dit dikwijls anders, al kunnen wij de oogmerken niet nagaan waarom die verdeeling zoo ongelijk, en niet wél geplaatst voorkomt: dezen vloeit alles toe, hij kan zonder moeite flechts inzamelen, ach ! ligt tot zijn ongeluk : een ander zucht den dag tegen, dien hij vreest dat zijne behoefte ontdekken zal; en tog word hij verzadigd : deze wordt van een geringen (land ten top van eere \vrhcvcn ; een ander ziet zijn voorig aanzien in vergetelheid wegzinken. Gij weet het lot van mijn gefhcht, mijn vriend ' gij weet hoe agtereenvolgende ongelukken den ftand van mijn ouderlijk huis veranderden , waarom zou ik door noodlooze herhaaling van dezelve de wonden oprijten? Mijn vader bezweek reeds voor vecle  I. BOEK. ii veele jaaren onder den last van zijn noodlot; mijn moeder, fchoon van alle kanten gedrukt, beweent nog dagelijks haar grootfte ongeluk in het verlies van den edelmoedigen lotgenoot haars lijdens ; zij is behoeftig, moet, in een kommerlijk leven, haar ongeluk dubbel gevoelen ; offchoon zii haar lijden voor mij verbergen wilde, toch vroegen haare roodgefchreide oogen mij, den jongeling haarer liefde , befcherming af; en die zou ik haar weigeren! zou ik dan voor haar, die alle haare vermogens en krachten aan mijne opvoeding wijdde; voor haar, die voor mij alles was, wat een moeder weezen kan, zou ik voor haar ook niet alles worden wat zij van een teder kind, van eenen zoo duur verpligten zoon , wagten kan ? zou ik langer zulk een brave, achtingwaardige vrouw door kommer zien verkwijnen? of—-door gedwongene barmhartigheid van onedelmoedige bloedverwanten brood der traanen zien eeten? Daar deze arm kracht, daar dit ligchaam gezondheid heeft om voor haar te werken , zou ik tot haar geluk niet alle pogingen aanwenden! — In mijn Vaderiand was mij dit onmogelijk; gij weet hoe dikwijls ik, vol ijver en moed, daar omtrent ijdele ontwerpen fmeedde, en vrugtlooze middelen beproefde ; het ongeluk volgde mij, even als mijnen vader, na : en dit liet in mij zoo veel kracht, moed, en leven, in eene naare Werkeloosheid verkwijnen: bleef 'er dan nog iets  li BOE K. iets anders voor mij over dan mijn lot in een vreemd gewest te beproeven ? Misfchien zal de wispelturige fortuin, die mij hier zoo nors bejegende, mij daar minzaamer behandelen. . Mijn zaak ten miufte js —- dit te beproeven. Maar zeker het kost mij veel; de bloedende wonden , van een hart, afgcfcheurd van zijn vaderland , van zijne moeder, van zijnen vriend, getuigen hoe veel het mij kost; doch het is mijn pligt , en in het denkbeeld van dien te betrachten is een zoete belooning, al valt hij moejelijk; daar boven zij wordt onderfteund door een vleiende hoop op liet aangcnaamfte gevolg; wierd dit eens bereikt , had mijn doel eens een gelukkigen uitflag! verbeeld u eens Karei ! dat mijne zorg en tederheid mijne waardige moeder, wanneer zij de yrugten daarvan plukt, een aangenaamen, een zorgeloozeri traan , een' traan van moederlijken wellust, langs lagchende wangen zal doen vloeien , terwijl zij haaren Reinhard zegent; verbeeld u dat zij mij zegt dat ik in de kwijnende , en door zorgen uitgeteerde lamp haars levens olie giet ; dat zij mij haaren Jofef" noemt! O wat zal mijn hart dan gevoelen ? hoe veel leed zal dan verzoet , hoe veel gemis daardoor vervuld worden! En ware ook daar het lot mij eens ongunftig, zullen ook daar de  I. BOE K. is de rampen mij volgen , en ik de troost van mijne moeder niet kunnen zijn, dan toch zal ik die aangenaame bewustheid hebben , dat ik mijn beste poogifig deed, en mijn genoegen aan haaren welftand opofferde; dan zal zij den troost genieten , dat (haar zoon zig haarer waardig gedroeg. O waar is fierelijker kroon op 't hoofd van eenen jongeling , dan eene tedere en godvrugtige moeder! Karei! gij kent de mijne. Zeker ware ik alleen, hadde ik flechts voor mij zeiven te zorgen, ik zou om een ruimer deel in de wereld , niet zoo veel verzaaken : want wat is een hand vol gouds , f tegen de goederen van het hart, — vriendfchap en te vredenheid ? De eerde vond ik in volle kracht bij u, en uwe echtvriendin; al ware ik buiten u ook aan elk wezen onverfchillig geweest , dan ook zoude ik mij rijk in vrienden ichatten. Wat de zalige te vredenheid betreft, zou ik die minder bij fchaarfer inkomften, en bij een eenvoudiger levenswijs in mijn vaderland gevonden hebben ? hoe veel aanleg is 'er in mijn karakter tot vergenoegdheid in het kleine ; hoe ligt valt het een ftillen jongeling, die wijsgeerig over aanzien, geboorte, en veele voordeden des rijkdoms denkt, die het onvoldoende van dezelven , ook door vorige ondervinding kent, die zijn geluk in zijn hart, en zijn grootheid in  I. BOEK. in de deugd zoekt , hoe ligt valt het zulk eenen arm te zijn! Hoe luttel hindernis brengt een ligtbereid maal, en een nederige rok, aan de verkrijging dier verhevener goederen der ziel aan , welke tot het waar geluk voorbereiden ; die ons hier reeds eene wezenlijke waarde in het oog onzer medemenfchen geven , en zelfs dierbaar in dat der engelen maaken! Voor mij zeiven zoude ik dit verre verkiezen. Maar eene moeder, Karei! die weleer onder aanzienlijke vrouwen een gelijken rang bekleedde , nu tot een laager peil te zien nederzinken, dan de geboorte haar plaatlte; haar in een* kring, daar zij fchitteren moest, ook te midden van haare armoede , vernederd te zien , ach ! enkel om die armoede ! en van al die kleine genoegens des levens, daar zij eenmaal aan gewoon was , en die nu haaren ouderdom nog zoo menige verligting zouden toebrengen , beroofd , haar dagelijks aan de verachtende blikken der lage trotschheid blootgefleld te vinden — neen dit kan, dit kan ik niet dulden. O mijn vriend! als ik dit zoo geheel levendig, kinderlijk, tot in het binnenfte mijner ziele gevoel , en ik mij dan in Haat denke om al die onverdiende minachting van haar aftewenden , om haar duizende kleine verkwikkingen , duizende kleine verligcingen aantebrengen , m één woord, om den avond van haar leven na zoo veele voorafgegaane ftormen , tot een kal-  I. BOE K. 15 kalmen en lieflijken avond te maaken; o dan verliest de holle zee alle haai» akeligheid voor mij, en de geringlte fcheepskost word ambrozijn op mijne lippen. Ach I waarom ontrooft eene wreede onzekerheid , aan eene verbeelding, die mijn hart zoo graag voedde, haare beste vreugde ? Intusfchen ben ik zeker dat mijn afzijn haar lyden verdubbelen , en haalverder van 't geluk verwijderen zal. Geluk! lieve dierbaare moeder ! zedert jaaren was u de klank van dit woord zelfs vreemd, en echter toen bezat gij eenen zoon , in wien gij het beeld van uwe verboren wederhelft bemindet, wiens gelaats-, en karakter-trekken de zijnen geleeken ; die het zaligheid rekende u het verlies van uwe lieve Conltance te kunnen vergoeden. Och mijn Karei! zal die tedere moeder , kan zij het geluk kennen ? Nu die zoon haar verliet , om verre van den oord , waar zij moederlijke' traancn lchreit, in duizende gevaaren , en misfehien ongelukkig, om te zwerven? zal zij gelukkig zijn, als haar beklemd hart, den eenigen vertrouwden mist? als zij, door een harfenfehimmige hoop misleid , fomtijds mijne thuiskomst verwagt, mij wil doen deelen in haar lijden , en m\] toch niet ziet, eenzaam blijft, en voor haaren gvoeienden ouderdom geen onderileunenden ftaf vindt. Och zal zij nu 't geluk kennen ? Mijn hart barst op die herinnering. Waarom floeg de edelmoedige vrouw uwe gulhartige aan-  ié h BOE KJ aanbieding af,... . Ach ! was haare lieve Üagtaartigé Conftance haar niet zoo ontijdig, in den bloei van haare jeugd ontnomen ! o hoe gerust zou ik haar aan de tedere zorg Van dat goedhartig meisjen overlaaten, en voor beider geluk willen arbeiden. Maar ach ! zij is niet meer! of liever zij is den kommer te hoven , waarin mijne moeder nog agter bleef ^ en kon ik nu die lieve moeder, niet volkomen veilig gelo< Ven in de hand van haaren hemel1'chen Vader , die zijne cenzaame kinderen vertroost, en de treurigen oprigt? ach Karei! dan zoude ik beeven voor haar lot , dan had ik haar niet konnen verhaten» O mijn vriend! ik heb haar zien wcenen .3, haare traanen hebben mij alles gezegd , wat zij' gevoelde; zij drupten op mijn hart, en maakten daar onuitwischbaare vooren in; heilige , aan de Natuur, en aan den godsdienst heilige traanen ! zweeft gij eeuwig voor mijn gezicht tot dat mijne gelukkige hand ze voor altijd kan afdroogeri, — en louter vreugdetraanen haar vervangen! 0 mijn Moeder! wacht dit geluk uwen zoon nog ? zal hij u aan deze zijde des grafs wederzien ? God weet het ! Echter uwe traanen zullen niet verboren gaan. Zij hebben mij voor eeuwig aan de deugd verbonden ; maar hier, hier u niet wedertezien, niet eenmaal wedertezien , 0 ! dit denkbeeld is  I. BOEK. 17 is grievend 1... Vaarwel, Karei ! ik kan niet meer fchrijven. I V. Ik kan niet meer fchrijven, was het flot van tóp voorigen brief; ik wierp de pen neêr , en ging toen, met de hand onder 't hoofd, in eene houding, zoo droefgeestig als mijn hart , mijn lot overpeinzen ; evenwel eeuwig in mij zeiven ingekeerd te blijven, van de Natuur als afgezonderd , ook dan nog mij zeiven op den duur die ffille verligting te ontzeggen, die het hart ondervindt zoo dikwerf het zig in eenen vertrouwelijken brief ontlast, dit was mij geheel onmogelijk; dan wierd het leven mij een last , en van zelfverveeling zou ik derven; het oogmerk van mijne reis zou verijdeld worden , en mijne jeugd in bange klagten wegvlieden : neen, de reden moet over mijne hartstogten heerfchen; zij heeft derzelver ongeregelde werking eenigzins in mij hcrdeld Ik zal mij mijne afwezigheid van u, zoo draagelijk maaken als mogelijk is ; ja ik zal u veel fchrijven, alles fchrijven wat in mijn hart omgaat : dit beloofde ik u, dit zal ik volbrengen ; zoo zullen wij niet geheel voor elkander ver- l. DEEL. B lOO-  i8 I. BOE K. boren zijn ; zo zal mijn gevoel zig uitltorten, en lucht krijgen: o dat dan vrij alles, wat mij hier omringt , geheel onverfchillig voor mijn lot zij; gij mijn vriend, aangenaame bewustheid! gij, onkundig van mijn lot, en hoe verre van mij afgefcheiden, vraagt u zeiven duizendmaal: „ Waar is hij ? hoe leeft hij nu? reist hij vrolijk of weent hij ? " Dit vraagt gij u zeiven ; uwe Charlotte leest die gedachten in de nevelen die uw peinzend gelaat bedekken; ook in haar oog beeft een traan, en gij kuscht de kwellende bekommernis, door de tederfte liefde , van elkanders gelaat weg Zo mijn Karei! zo gevoel ik dat alle betrekking tusfehen ons niet ophoudt; zo vermaakt mijn ziel zig met uw , in haar wezen ingedrukt beeld, en alle vreugde is niet geheel voor mij verboren; ik leef op nieuw op; mijne eenzaamheid wordt minder akelig voor mij; ook hier kan ik mij met u bezig houden, uwe vraagen beantwoorden; uwe gedachten voorkomen ; alle mijne kleine of onaanmerkelijke lotgevallen, zelfs de wendingen mijner ziele, aan u mededeelcn ; mij voordellen dat dit bericht ééns in uwe handen komen , ééns uw hart treilen zal, dit zal mij nog vecle waarc genoegens der vriendfehap doen kennen, die liet weêrlïreevig lot mij fcheen te misgunnen; en ik  I. BOEK. 1-4 ik gevoel, dat ik in weêrvvil van dat lot, ook aan verfchillende wereldpoolen , tog nimmer geheel van u zal gefcheiden zijn. Onder alle de ftervelin'gen, die mijne dankbaar, heid wel zou wenfchen te vergooden , heeft zeker dat wezen, dat de' fchrijfkufist uitvond, thans de minde plaats in mijn hart niet : o dat zijne asfche zachtlijk, ruste ! dat de zegeningen van alle gevoelige zielen zijne fchim eeuwig verkwikken ! Wat deeden toch wei de gedachten der voorwereld ? Wat deeden aan elkaer verbonden menfchen toen woedijnen en zeeën hen van den anderen fcheidden? was de vriendfehap toen minder behoeftig, de liefde toen minder teder? of moesten gelijkgevormde zielen door de Natuur tot de eigen toonen gedemd, eenmaal van elkander gefcheiden , in eene eeuwige dilzwijgendheid wegkwijnen ? of waren vriendfehap en liefde toen niet de zegen maar de vloek van gevoelige harten? Konde ik u, mijn Karei! op dit blad de gedachten niet mededeelen die ik voorheen aan uwen deelneemenden boezem uitdortte, konde mijne pen u de traanen van mijn hart niet tekenen , die het in dilte weent; konde zij u niet zeggen, uw Reinhart leeft, leeft nog voor u, fchoon honderden van mijlen ons fcheiden,hoe ongelukkig ware ik dan! Ba dan  I. BOEK. dan zeker zou het noodlot mij geen wreeder ftraf hebben kunnen opleggen , dan mij tot dit fchip , tot deezen zeetogt te doemen : op ééns ware dan al 't geluk van mijn leven verbloeid! op ééns ware onze fcheiding die des doods! Scheiding! — God weet hoe lange! Heen gaan! ■ welligt om niet weêrtekeeren! Vaarwel — mogelijk voor de eeuwigheid! Alle die woorden, zoo vol van eene droevige betekenis, zweeven als zoo veele zwarte fchimmen, mij geftadig voor den geest, en houden mijne hartstogten in geduurige beweeging; de naklank van deeze woorden, is voor mijne verbeelding wat het fteenen eener weeklaagende echo den verliefden herder is, die haar in het eenzaam bosch zijn hart ontlast ; beurtelings treft en Itreelt hij mijn ziel door eene fombere harmonie; hij is mij als lijkmuzijk bij eenen geliefden dooden ; op ééns zweeven dan de mcestroerende tooneelen van mijn leven voor mijnen geest; ik bevind mij dan op nieuw in de laatfte weemoedvolle dagen, welken ik op uw Kommerrust doorbragt: hoe dikwijls ging ik daar eenzaam in het woeste pijnbosch, dat aan het nadenken fcheen toegewijd , wandelen! hoe veele benaauwde zuchten vloogen daar onze naderende fcheiding tegen! de wilde eikenftruik die in hetzelve was opgefchooten, die zonder verplanting , we'.ig in zijnen moederlijken grond • • op-  I. BOE K; s.i opgroeide;de arme distel die op het plekjen dat haar baarde verdorde , fcheenen mij gelukkiger dan ik. In gedachten verzonken plukte mijne onbeftuurde hand, hier en daar de fchorfen der boomen, of het mos van de fchorfen af: oogen-, blikken ontvloogen mij in deeze wezenloosheid, bij oogenblikken: eindelijk bij eenen hoogenDen, aan wiens voet eenige klim-op en kleefkruidplanten groeiden, die van daar zig om den Ham en takken gemeenfchaplijk flingerden , vond ik mij weder : dit zinnebeeld der vriendfchap trof mij, ik Haarde daar op j en al mijmerend maakte ik eenen ftruik van dees klim op los, wond het van den pijnftam af, en ging weêr heen; krachtloos viel het ter aarde; en toen ik den volgenden dag daar wederkwam, lag het verflenst; geheel beroofd van zijne bevallige gedaante werd het een prooi der vergankelijkheid: ik zag jjt _ ftond , en dacht met een geroerde ziel: „ zal dit dan ook het lot van den gevoeligen „ Reinhartzijn, als hij, van zijnen Karei afge„ rukt, zonder vricndfchaplijke onderHcuning , aan zig zeiven overgelaaten is f" en ik weende. Dikwijls beefde ik tegen de tofte omarming, en telde, al mijmerend, de uuren, die, helaas! met arends-vlugheid voordfnelden, en mij dat laatfte uur , dat mij een voorproef van de fcheiding des doods gaf, aanbragtcn — onvergeetelijk zal mij die avond blijven ; hij was de laatHe, toen wij in het donker kastanjcB 3 bosch  sa I. È O E K. bosch,aan de Vertrouwde vriendfchap geheiligd, bij den vijver, waar die twee treurwilgen hunne lange bladeren zo moedeloos en verdrieti°lieten hangen, op het water, waarin zij zig fpiegelden ; toen wij op een zooden-bank daar neder zaten, en de nachtegaal uit een nabuurig kreupclboschjen, met een meer dan gewoone zielvolle treurigheid in zijnen toon 9 een lied des affcheids fcheen te' zingen j en u, en mij, de traanen uit de oogen lokte •. Gharlotte , die lieve zachte vrouw, met haar kleinen Jacob, kwam daar bij ons; wij hadden elkander veel te1 zeggen , doch konden niet , en zweegen : het lieve kind ■ deed alles om die plcgtige ftÖté door eene onbezorgde kinder-vreugde door aartige invallen te ftoorön , doch alleen, deczen keer gelukte dit hem niet. Nog, dunkt mij, zie ik dien cngclachtigen jongen op mijne kniën klimmen; nog hoor ik' hem, en met zijne armtjens om mijnen hals geflingerd , vraagen ,, Wanneer komt gij weêr bij vader ? " zijne kinderlijke onnozelheid, deed hem in die vraag geen'dolk vermoeden die mij het hart doorboorde. Antwoorden kon ik het goedhartige knaapjen niet; maar ik wendde mijn aangezicht weg, en wisch-f te een' traan af, dien ik om uwenwil niet wilde dat mijne zwakheid verraaden zon: mijne oogen ontmoetten eenen blik van Charlotte die mij zeide : „ Ook ik gevoel onze fcheiding." zij drukte mij de hand, en beloofde mij  „ Ook ik ffevoel onze fcheiding." zij drukte mij de hand, I.B.Bladz.j^.   I. BOE K. 23 mij nimmer te vergeeten ; en gij, zwijgende ftaankt gij op den beevenden treurwilg , die een onzekere fchaduw op den ftillen vijver vormde: gij fcheent de cirkels nateoogen die het zwemmend infecïjen , of een fpringende visch daarop maakte : gij volgdet die al verdelen verder in hunne volle uitbreiding na, tot zij zig eindelijk verlooren in den ftroom , ik Haarde met u ; dezelfde gevoelens bezielden ons; wij zagen elkander aan; onze oogen fpraken,, en onze lippen waren gefloten : doch dit zwijgen deed mij het harte berften ; ik ftond op, ging alleen, en gaf een oogenblik lucht aan mijn gevoel, keerde toen met eene fchijnbaare bedaardheid, die u mogelijk koelzinnigheid fcheen, weder tot u; wij onderhielden elkander van veele dingen; in den toon van uw gefprek was de edele vriend kenbaar , wiens, warme vriendfehap, tijd en afweezen verduuren kon , en in mijn geluk zijn eigen heil vinden zou; ook ik gevoelde de onmogelijkheid der verkoeJing van onze vriendfehap ; en met een cenigzins ruimer , doch diep getroffen hart zongen \ wij het roerend aficheidslied van Miller , dat S mij reeds voorlang, eer ik ooit gisfen kon, dat het eens op mijn geval zoo juist pasfen zou, dikwijls in eene mismoedige luim gebragt had; de naklank van, en de uitdrukkende toon, waar op, wij het zongen , dringt nog in mijn hart en vernieuwt zijn lijden; ik heb het voor B 4 Char-  «4 1. BOEK. Charlotte vertaald, en het blad waarop ik het fchreef, nog befproeid met mijne traanen: AFSCHEIDSLIED. Treurig zien we elkandren aan, Ieder lijdt in 't harte, Slaat zijn oog gevoelvol neder, 't Lied der vreugde zwijgt; en teder Voelen we affcheidsfmarte. Laat dan nu voor onzen vriend, 't Somber treurlied fchallen; Drink vaarwel — en laat bij 't fcheien, Van de traanen die wij fchreien, In den beeker vallen. Trek in verren lande, en denk Daar ook ?an onze eeden! De eeuwigheid, o zalig hoopen ! Zal dien band nog vaster knoopenj Leef terwijl in vreden. Edel waart gij fteeds en trouw, Vroom en duitsch van harte, Blijf dat fteeds! een ziel van waarde, Derft nooit blijdfchap op deeze aarde ; Eu vergeet de fmarte! Hei-  I. BOE KJ is- > Heilig was ons meeng' een dag, Meeng' een avond heilig-; Vriendfehap gaf ons moed in 't ftrijden, Vriendfehap kon ons hart verblijden En « verdween zoo eilig. Nu nog eens voor 't laatst ter eer Onzes vriends gefchonken: 't Uur dat nu ons mag vereenen, Doet ons morgen traanen weenen, Diep in fmart verzonken. Dit zongen wij en zwoeren elkander eene eeuwige vriendfehap; een vriendfehap die in verren lande zou voordduuren , en eens , boven zon en maan, vaster , en zonder traanen zou bevestigd worden ; wij beloofden elkander ons voor den anderen waardiger te maaken, ten einde ons niet eenmaal voor onze hemelfche broederen te fchaamen ; God heeft dezen eed gehoord; de Engelen, die ons geleiden, zagen ons met welgevallen ; en ik, Karei! ik zal hem nooit anders dan met eerbied herdenken,, met trouwe poogen te vervullen —■ dit was bijna ons laatfte gefprek ; een llaaplooze nacht volgde dit op ; de vuurig verlangde dageraad brak eindelijk droevig aan de deizende mor- genftar was getuige van ons laatst vaarwel, en — jk ging weg. B 5 Nu  *6 E BOE K. Nu eilde ik onder eene geftadige afwisfeling van droevtge gedachten, of fomwijl onder een gedachtenlooze naarheid na de wooning van mijne moeder: ook daar bragt ik een paar droevige dagen door; ik wenschte die een fneller dan gewoone vlugt, doch zij duurden maanden, en kwijnden door droefgeestigheid ongenoten voorbij. Wat mijn hart leed, toen ik den laatften avond aldaar, zijne, voor mij toen fchrikverwekkende fchaduw, zag verfpreiden , vermag ik niet uittedrukken : ik ging in den bloemtuin , waar ik zoo dikwijls aan de hand van mijne lieve moeder, of aan de zijde van mijne fpeclmakkertjens kindervreugde genoten had, en nu zag ik daar voor het laatst de zon in de westerkimmen wegzinken, even als dat alles voor mij weggezonken was 1 m het kleine donkere priëeltjen, waar ik zoo dikwils in herfenfehimmige beelden van toekomffig geluk, in de mijmerende oogenblikken der avondfehemering , van jongelings zaligheid gedroomd had ; zat ik nu voor het laatst neder, en zag over de bloemen die onontlooken , of alreeds verwelkt voor mij Honden , evin als over alle mijne voorbijgegaane , en nog gehoopte vreugde, de fchaduw van den nacht allengskens voordrollen ; elk plekjen op 't welk mijn haft immer eenige betrekking gekreegen had, bleef ik een poos met ftaarende oogen , waarin de angst der fcheiding getekend was, aanzien : fpreeken * kon  I. BOEL 27 kon ik niet — maar mijn gantfche ziel gilde het „ vaarwel" toe : elke kamer van onze wooning ging ik met eenen half wilden, half ftatelijkcn tred langs, opende de deur, zag 'er in, trok die dan weêr met een half bevende hand toe, en luisterde naar 't geknars zijner hengfelen , en het knappen der floten , dat mij fcheen toe te roepen : „ Gij zult mij niet meer ontfluiten :" maar toen ik in die kamer kwam , waarin ik mijnen onvergeetelijken vader zag fterven; waarin hij mij bij zijne tedere liefde bezwoer, mijne moeder te beminnen en voor haar te zorgen — toen vond ik, bij alle mijne verdubbelde aandoening, mijnen moed weder, en de fchaduw van naberouw , die het gevoel eener naderende fcheiding over mijn bcfluit deed zweeven , verdween geheel: dit plekjen waarop mijn vader lag, waarop ikltond en hem met hcete traanen beloofde zijnen wil te zullen volbrengen, was mij altijd heilig; doch nu meer dan immer; nu knielde ik nog eens daar op neder, als of de ftervende 'er nog lage, en herhaalde plechtig mijne gelofte, voor het oog van den God dien hij diende, en die mij hoorde : ik weende heilige traanen van waare kinderliefde, verblijdde mij in 't lot van den zaligen, die, boven alle de wisfelingen van het ondermaanfche verheven , de bittere aandoeningen, die mijne ziel thans verfcheurden, voor eeuwig vergeeten was , en ging toen weg. Eindelijk kwam ik in dat vertrek  I. B O E K. trek waarin ik dagelijks met mijne moeder zat dat zoo dikwijls onze gefprekken, haaren moederlijken raad , haare wijze lesfen , en mijne vertrouwelijke openhartigheid gehoord had • ik zag de fomber behangen muuren aan , en het was even of elk daarop gefchilderd tafereel , alles op nieuw voor mijne oogen bragt; alles' wierd mij daar op nieuw dierbaar, het grof. fte meubel, de eenvoudige pendule, de tabaksdoos zelfs die ik altijd gebruikte, met één woord, op alles wat mijn gezicht trof, voelde ik een zekere betrekking , en mijne verbeeldingskracht toefde eenige oogenblikken bij het zelve, mijn hart wilde 'er zig nog zoo gcerne aan boejen, maar het werd geduurig door de fombere' woorden die op alles met doodfehc letters voor mij gefchreeven Honden - „ 't is voorbij ui zijn volle ledigheid terug gedreeven : „ 't Is voorbij," riep elke tik van het onrustig uurwerk, en ik hoorde de weinige oogenblikken, die ik Hechts meer overig had, eilings wegvlugtcn , en beefde voor ^ het laatfte.i diep trof mij toen elk huisdier dat ik op mijnen weg vond: het fcheen mij meer dan naar gewoonte aantezien , en als met kwijnende oogen te vraagen: „ Verlaat gij mij?" — de kanarie zong een deuntjen , maar hij was mij die vrolijken zanger niet meer die hij voorheen was ; zijn toon was die van een affcheidslied: Cheri mijn goede hond doch * van  I. BOE KL 29 van hem hierna dit alles roerde mij toen hevig, maar ik zag noch gevoelde mets meer daarvan, toen ik naderhand alleen bij mijne moeder zat ; toen ik haare tedere weemoedige, en toch gelaatene wezenstrekken aanltaarde ; toen wij ik achter eene met moeite aangenomen wel te vredenheid, en zij achter eene fchijnbaarc gelaatenheid, de grievende gewaarwordingen van ons hart poogden te verbergen ; toen wij fpreeken wilden, elkander aanzagen, en niet fpreeken konden, maar nu en dan in de ftilte eenen heimelijken traan afwischten ; toen mijne moeder mij, in afgebrokene fnikken, nu en dan een moederlijke vermaaning, die haar op het harte lag , met een gelaat vol liefde , vol hoop en vertrouwen op mijn karakter, uitte ; mijne hand drukte , en met een blik, de tederfte blik die een moederlijk oog immer kan geeven, mij eenen brief overgaf , waarin zij gefchreeven had , al wat zij _ nu 'niet zeggen kon , en tog zeggen wilde; een' brief waarin ik haar edel godvruchtig hart vinden zal — dien ik nog niet heb durven leezen; en tog voor geen wereldfchatten zou willen ruilen: toen zij mij, na dat wij tot diep in den nacht bij elkander waren gebleevm, voor het laatst aan dat hart drukte, daar ik eenmaal onder gerust had , en dat tot zijnen laatlten flag voor mij kloppen zal, mij haaren Rein- hart noemde maar ach ! hier moet ik op-  3ö i. boe kl ophouden, of ik word overftelpt van droefheid j voor dit tooneel is mijn ziel nog te zwak, maar hooit, neen nooit, zo lang mijne verbeeldinghelder is , zal ik den akehgen klank van die nachtlijke klok, die het uur. der fcheiding aankondigde, vergeeten. Mijn vriend! zulk eene fcheiding van zulk eene moeder , oud en eenzaam, dit valt hard, zeer hard nu, genoeg ; ik heb die dierbaare vrouw verhaten , en zie haar misfchien aan deeze zijde des grafs nimmer weêr: mijn God ! Gij weet, dat het de liefde alleen was , die mij bcweegcn kou haar immer te verhaten. Ach! waarom ben ik door den eigen dierbaaren vader, en dezelfde tedere moeder, Vuordgebragt -want andere ouders kon mijn Hart nimmer gekozen hebben waarom ben ik geen landman geboren ? ik zou rusiig voor u, mijne moeder, mijnen vaderlijken grond beploegen , en het zweet dat van mijn gloeiend aangezicht afdroop, zou mij niet onteeren : daar behoefde ik om geen' rang, of vooroordeelen, banden te fcheuren die de Natuur zo vast en teder knoopte — dan zou ik bij een fchotel melk en moeskruiden vriendfehap en vrede genieten; en niet als een balling van 't geluk mijn voorfpoed op een vreemden grond behoeven te zoeken ; doch vruchtlooze wensch • ik blijf de ongelukkige Reinhart! v,  I. BOE K. 3* V. Öf ik ooit aan het fcheepslevea gewennen zal, weet ik niet ; men woelt , men vloekt, men raast; het geruis van een golvende zee, mengt zig hier onder, en dit alles te zamen, maakt zulk een benaauwend rumoer, dat ik menigmaal na de zalige ftilte van uw eenzaam eikenboschjen angffig {macht. Vergeefsch verlangen ! mogt ik het eiken dag , elke week maar één oogenblik genieten! o! dit oogenblik zou mij zeer dierbaar weezen , en weêr dagen vol gewoels vergoeden — dan, waarom mij te kwellen? — mogelijk legt eindelijk de gewoonheid , haare heelende • hand aan mijn hart ten koste; en zegt men niet dat zij het is, die allengskens het verdrietige aan de grootfte lasten ontneemt? de zee zal ook niet altijd mijn verblijf zijn, en, de hemel zij dank! ik ben ontheven van die lastige , akelige ziekte , die zo dikwiljs den zeevaarenden doodelyke benaauwdheid doet lijden, en onvatbaar maakt voor de eenigfte gevoelens, die het fcheepsleven hun overlaat; dit is ten minften eene weldaad, die ik met een dankbaar hart kan opmerken a]s nu Hechts de benaauwde woelingen der, hartstogten in mijnen .boezem allengs kalmer mog-  32 I. BOE K. mogten worden, dan zou ik mogelijk nog eens met vermaak kunnen reizen , den aanblik der grootfche ontzettende Natuur kunnen bewonderen, Gods almagt op de groote wateren, en in de diepte met een leergierig en volgzaam hart kun"nen opmerken; en in dit geval zou het mij op de woeste golven, aan geene fpooren tot Rille deugd en zalig vertrouwen ontbreeken. Vergenoegdheid in ons lot, is tog waarlijk zoo gelukkig, als betamelijk , voor Christenen die gelooven dat geen blind toeval, maar eene wijze goedheid, ja een vader dit, beftuurt. Ach! waarom moet de beminnelijkfte, de beste pligt bij de kleinfte hinderpaalen, die wij ontmoeten, de moejelijkfte voor ons worden? —— 'God zal mij , hoop ik , dit alles duidelijker leeren ik, van mijne zijde, zal alle die 'denkbeelden in mij pogen levendig te houden , die bronnen van zielsrust en te vredenheid voor mijn hart kunnen worden ; en daar, waar ik mijne reden, mijn geloof voel bezwijken, wil ik mijnen toevlugt neemen tot een' fterker' arm,die mij leeren kan, hem te kennen in alle mijne wegen, en die mijne paden kan recht maaken — is dit niet het veiligst mijn vriend? V I.  L BOE K. 33 V I. Wij zijn thans in 't Canaal, dat Engeland van Vrankrijk fcheidt. Zoo ftraks lieten wij Galais ter linkerhand; ter rechterzijde vertoont zig thans het fchoongelegen Douvres aan mijne oogen, en met verwondering denk ik dat twee Rijken, die de Natuur zoo naauw aan elkander grenzen deed, genoegzaam onder dezelfde hemelftreek plaatfte, flegts door de ruimte van eenige mijlen van elkander fcheidde , terwijl zij aan beiden, fchoon op een verfchillende wijs, de zee tot de bron van hunnen rijkdom, en de band van hunne vereeniging gaf, des niet te min door een ingewortelden haat , elkanders voorrechten altoos benijden, elkanders magt poogen te betoomen, en hunnen wederzijdfehen voorfpoed tegenwerken. Nog meer bevreemt het mij, dat twee zoo nabuurige volken, zulk een verbazend onderfcheid van karakter , denkwijs , en zeeden vertoonen : de diepdenkende , de ernftige, de trotfebe Engelschman, en de altijd wél te vredene , de vcrpligtende , maar ligtzinnige Franschman , Hechts door een kleine ftreek waters van elkauderen gefcheiden , welk een wonderlijk contrast! niet minder treffend zeker dan die contrasten , welke de Natuur fomwijl in haar Rijk vertoont; die verfcheidenheid I. deel. C van  34 1. J5ÜE K. van menfchlijke wezens is tog ook fchoon , op eene wereld, daar alles, in alle rangen en foorten van fchepfelen , door menigvuldigheid en eenvoudigheid , door verfchil en harmonie behaagt. Jammer is liet dat hier , en elders , over de geheele wereld , de menfchlijke verkeerdheid het fchoonc , dat Natuur, of haar Schepper, alom bedoelde , verdooit, en door ondraagclijke disfonanten het juichende de* algemcene fnnphoniën verdomt. Schoon ik in de Noordzee nog maar zeer kort van 't gezicht van land beroofd ware, is mij tog de vaste grond , waar menfehen woo«en al weder hartlijk welkom. Hoe lacht vooral dc bergachtige kust van Douvres, welke wij digt langs zeilen, mij aan! De lucht is helder; geen nevel verhindert mij op dit aangenaam verfchiet te daaren , en de teloscoop brengt mij deszclfs bevallige gedaante, vrij onderfcheiden voor mijn oog. Hoe vrolijk ligt die kleine dad tusfclien twee reien van bergen , in een vruchtbaar dal verfcholen; van zijne ruifchende korenakkers , digte boschjens, en vee-rijke weiden omringd ; terwijl de wollige kudden aan verdrooide troepen op de grazige heuvelen , langs welke kronkelende bcekjens afvloeien, bij den voet hunner herderen weiden. O! hoe fchoon liggen hier en ginds de laage hutten der landlieden , in den lommer van een breeden boom, fom- mi-  LBO E K. 35 mige misfchien langs een klaaterenden waterval, in een bevallige onorde verftrooid! Gelukkige jongeling! die in doezen vrecdzaaraen oord, in eene kommerlooze armoede , en onvernederende laagheid, onvervalgd van 't lot , arbeidzaame dagen flijt ! ■ die de kudde van uwe moeder hier weiden; of haaren akker ploegen moogt, en, om den fteun van haare grijsheid te worden, den grond niet behoeft te verhaten , waarop gij geboren wierdt, noch u los te fcheuren uit de armen van den vriend uwer jongheid ; die in gezellige trouw met hem, den grond met uw zweet befproeit, en aan uwen haart, of onder eenen boom naast hem nederzit, eu rust geniet. Gelukkige jongeling! al is uw arbeid zwoegend , uw verblijf eene arme hut, en uw disch fobere moeskruiden , hoe benijde ik uw lot! O Karei! bij deeze gedachten zou ik bijna weder ïnftorten in mijne fombere luim , en dit moet ik niet. Liever ftaar ik op een voorwerp dat andere denkbeelden , meer voor mijne omllandigheden berekend , in mij opwekt, 't Is het over-oud kaflcel van Douvres , dat ginds op een fleilen rotfigen berghoek , zoo trotsch, zoo ftatig, en als met de majefteit der eeuwen, die over zijne torens heenrolden , overfchaduwd, voor. mij ligt; dat op zijne graauwe bemoste muu-ren de gefchiedenisfen der. vooxw-ereld. als leezen C 2 doet,  36 I. B O E K. doet, en mij met een heiligen eerbied bezielt —Ik weet zelf de juiste oorzaak niet, waarom zulk een oud gevaarte mijn geheele ziel altoos met ernst vervult: hier, bij de duurzaamheid van zijn werk, gevoel ik de broosheid van den fierveling; en alle zijne angftige bekommeringen, al zijn Hovende arbeid , zonder hoogere bedoeling, wordt geheel nietig in mijn oog. Eeuwen, zwanger van noodlottige gebeurtenisfen, zwanger van verwoesting en ellenden; eeuwen die vergankelijkheid en dood , die verandering en verderf baarden, gingen voorbij, en dit werk van menfehenhanden Haat nog. Zijn vorstlijkc (lichter is met alle zijne nazaten , met het gantfehc volk waarover hij heerschte, reeds lange tot asch verteerd, misfehien wel verürooid in de elementen , en bijna vergeeten of ongekend, van het geflacht dat zijn werk bewondert. O hoe kort is eens menfehen leven op aarde ! flechts een ïtofjen op 't groote vak des tijds; de wind ftuift het weg, en 't is niets meer! .— en wat is dit geheele tijdvak, wat alle de eeuwen der wcrcldduuring bij de eeuwigheid, voor welke menfehen beftemd zijn ? O Karei ! hoe onaanmerkelijk wordt bij deeze gedachte mijn ongeluk ! hoe eng de grenzen van mijn lijden! ■ hoe ruim de uitzichten van mijne hoop! en hoe mildlijk vloeien de bronnen van mijnen troost! ook den gelukkigften mensch benijde ik dan niet meer. VII.  I. BOEK. 37 V I I. Een aanhoudende voordenwind bragt ons fpoedig door het Canaal in de Spaanfcbe Ze:, en wij zwerven thans op eenen ontzaglijken voor ons oeverloozen waterplas , ver van de moederlijke aarde , ver van een herbergzaam eiland, op den grenzenloozen oceaan. Geen enkelde boom , zelfs geen groen takjen is thans zichtbaar voor mijn oog. Doodfche eenvormigheid is rondom mij verfpreid , doch zij is treffend en grootscri. Doordrongen van een verheven gevoel, van een diep ontzach , als (tonde ik voor den troon der Godheid , (laar ik de zee aan. Eene rilling vliegt door alle mijne leden , en tog ben ik wél te vreden, ik verblijde mij in mijn aanzijn , om dat ik die grootheid gevoelen , en bij dezelve in mijn niet verzinken ; om dat ik bij deeze ontzaglijke grootheid de mijne afmeeten kan, en grooter word dan de geheele redenlooze fchepping: deeze gedachte: „ dit geducht element, deeze groo„ te Oceaan en — ik nietig broos fchepfeltjcn, „ wien één golfflag dooden kan , zijn beide „ fchepfelen van dezelfde Almagt, die tot de zee „ zeide: „ „ Word," " en deeze golven tuhnel„ den in hunne aangeweezene bedding , al C 3 „ brui-  3« 1. BOE K. „ bruifcheud door elkander ; die den mensch „ beval : „ „ Bewonder mijn werk," " „ en hij ftond getroffen daar." Deeze gedachte doet mij iets gevoelen dat ik niet kan uitdrukken, iets dat mijn hart doet zwellen, en Hem aanbidden, die thans niet minder over deeze .golvende zee zweeft , dan Hij bij de wording der dingen over den wocsten chaos zweefde, Gevoelens van oneindigheid doorftroomen mij ' bij deeze grenzenloozc watervlakte j en tog zie ik mijn beilaan nog grooter, nog oneindiger dan dit tooneel ; daar zelfs de eeuwigheid geenc grenzen aan hetzelve zet. Eén gollïlag, ja , kan mij doen verdwijnen van deeze wereld, maar liet verëenigd geweld van duizend golven , kan mij niet vernietigen. Neen ik duur dan voord, in een leven dat niet, gelijk dit aardfche leven, naar eene wisfelvallige zee zweemt; maar dat zoo beftendig zijn zal, als de ften-en, ja als de hemel zelf: en wanneer aarde en zee misfehien eens tot haare eerfte woestheid wederkeeren , om in vernieuwde jeugd en fchoonheid te herrijzen, dan ben ik reeds eeuwen lang een bewooner van dat zalig Rijk geweest, welks heil en duurzaamheid even onveranderlijk zijn. Ik fchrijf om dat ik poogen wil n mijne gewaarwording medetedeelen, doch ik kan niet; i*t is wartaal; 't is flaauw, al wat uit mijne pen  I. BOE K. 39 pen vloeit ; het zegt u niets van 't geen ik gevoel: liever wil ik zwijgen, bewonderen en — aanbidden. VIII. Evenwel altijd met een volle ziel dil te zwijgen , dit valt ook moejelijk. Zoo maar enkel verwonderd te Haaren op een tooneel dat Hechts treft door eenvormigheid; en geheel, in mij zeiven ingekeerd , ftil te luisteren naar het eenpaarig gedommel der rustloos-woelende golven , en u niet eens te zeggen wat ik zie , en wat ik hoor, neen dit kan ik ook niet. Door mijne eerde aandoeningen nog overrompeld, was ik ónverfchiffig voor alles, behalven voor mijn gemis. Geene voorwerpen maakten indruk op mij; ik befefte naauwlijks waar ik mij bevond; en zelfs het vreemde, het grootfche,van dit ontzachlijk tooneel, had geene werking op mijne ziel. Nu eenigfmts redelijker, gevoel ik al deszelfs vermogen, en da getroffen daar. Nu, verblind door deeze grootheid, nu zie ik , nu hoor ik , niets als zéé; nu treft mij de majedeit van elke golf, die zig met reuzenmoed verheft, en tog ftraks voor eene volgende weêr onder doet,en verdwijnt; en hoe veel C 4 nieer  4u I. BOE K. meer zie ik in die onafzienbaare reien van golven, die mijlen langte, zoo lang geene toevallen haaren effenbaaren loop verhinderen, naast elkander , met eene ftatige gelijkheid, en achter elkander, met eene afgemectcne eenzelvigheid, komen aanrollen , als met een ftemmc des donders. Deeze tuimelende baaren fchijnen mij een heirleger van God, dat, met zijnen zegen en vloek gewapend , hier heil , daar verwoesting aanbrengt; dat zig door zijn ontembaar vermogen alom geducht en ontzaglijk maakt; en meer, dan het angftig gedruis van ecu aannaderend leger, meer, dan 't gcklank van deszelfs doodlijke wapenen; meer, dan 't gebrom zijner krijgstrompetten, den belegerden ontzettend is, meer ben ik thans getroffen door dit centoonig , dit dommelig gebrul der fchuimende baaren , die mij aan alle zijden omringen, en mijne vlottende woning doen waggelen, Herinnerde mij dit geftadig gefchommel, het onvast element niet waar op ik vertoef, welligt zou ik mij dan met geflootene oogen verbeelden kunnen, op een wijde vlakte te flaan , en in den ruimen hemel boven mij, de flatig rollende donders onafgebroken te hooren brommen , en uit twee hcmclftrecken eikanderen beantwoorden. Meermaal luisterde ik met een angftig vermaak naar dit ontzaglijk natuurverlliiijnfel; en even zoo aangenaam, en te gelijk zo<*  I. B O E K. -fJ zoo ontzaglijk geroerd, (la ik thans op dit fchip j en hoor in het bruifchen der woeste golven, een eerlied voor den Alraagtigen ; voor Hem die deeze diepe volle zee, eene plaats op onzen kloot aanwees ; haar bed bepaalde waar in zij moest woelen en werken; en een keten van rijzende bergen om haar floot, die als een onvcrwinbaare muur , haar woedend geweld bctoomen, op dat zij geene verwoesting zou aanrichten buiten haare grenzen. Ik luister verrukt naar dit flatig lied; mijn hart vat deszelfs toon, en flemt 'er mede in; het eerbiedigt den God die hier zijnen fchepter zwaait , het vindt in zijne almagt een toevlugt tegen de menigte gevaaren die mij omringen, en het vreest niet. Zou de ftille gelukkige landbewooner, alleen aan fladderende koeltjens van den zacht zuifenden Sephir gewoon , op het gekabbel van zijn morrend beekjen verliefd, wel kunnen gelooven, dat de majefteit van een goh/enden Oceaan, aan een gevoeliger jongeling, weleer, even als hij, op de zachte Natuur verliefd zoo treffend kon behaagen ? echter zij doet het; zij roert, zij behaagt mij zoo zeer , dat ik bij de eerde gewaarwording, toen ik, minder in mij zeiven ingekeerd , al het grootfche van mijn verblijf bemerkte , 'er door werd opgeruimd , en mij in deeze woorden lucht gaf: C 5 Onëin.  4- I. B O E K. Oneindigheid van water, lucht en wolken, Ik (laar bedwelmd u aan; waar 's nu mijn Vaderland? Dat's hier, en overal, daar ik bij 's aacdrijks volken Geleid word door Gods hand. Waar God mij hoedt, kan geen gevaar mij treffen, Op wien mijn aanzijn drijft, op Hem drijft ook mijn lot: Hoe fel de golven (laan , hoe hoog zij zig verheffen, Zij roepen: „ Hier is God." De zon, wier gloed zig fchijnt in zee te dooven, De vaale fchemering in zachte majeflcit, De fchoon geriemde nacht doen mij verrukt gelooven Aan Gods almogendheid. Dan reis ik blij, zeifs op de ontrouwe baaren, Omringd van bank, en klip, en duizend duizend doun; Zijn wenk alleen kan mij vernielen of bewaarcn: Op zee is ook zijn troon. Wanneer ik zoo ftaarend op het half dek wandel , of door het venfter der cajuit fta te muren, op de baaren, die he,t fchip voorgaan; als ik elke baar, in haare grootfche verheffing, en ongemerkte verdwijning, als ik de geduurige afwisfclende plaatsvervanging van allen, gadefla ; dan zie ik een levendig tafereel van menfchenlevens , van jaaren en eeuwen die verfcheencn, en wegzonken, vóór mij; die weg-  I. BOE K. 43 wegzonken in den grondeloozen kolk der eeuwigheid, waar eens het onftervelijk oog die allen, maar beladen met duurzaam geluk, of ciudeloozc ellende zal wedervinden ; dan , mijn vriend! dan word ik ernftjg, en gevoel de beflemming des menfehen. En fomtijds ook vergeet ik den Wijsgeer, en befchouw dit tooneel enkel als een gevoelig jongeling: dan zie ik in het zelve een beeld van dejaaren mijner jongheid, die even zoo voorbij rolden en niet meer zijn; en, helaas ! hoe veel onbekommerd kindergeluk, hoe veele onfchuldige blijdfchap, hoe veele onbehoeftige voldaanheid , hoe veele fchoone vooruitziehten en verwagtingen, die ten deele harfenfehimmig, ten deele gegrond waren zijn met dezelve voorbij gegaan, zijn voor altoos voor mij verdweenen, en weggezonken in de gruwzaame diepte der afgeloopenc gebeurtenisfen, bij alle de lotgevallen der voorige gedachten, die ook, geluk en fisarte zagen worden en vergaan! O hoe gevoel ik dan het lot van al het ondermaanfche! Ik zie vergankelijkheid door 't ruim heelal verfprcid , en de vleugelen mijner ziele breiden zig uit , naar die wereld, waar geene wisfelende jaaren het geluk meeten ; waar geene droevige gebeurtenisfen de tijdvakken van ons bedaan kenmerken ; daar, en daar alleen , vindt mijne verbeelding rust , cn mijn hart troost , daar, mijjj  44 I. BOEK. mijn Karei ! daar zal men nimmer tedere banden behoeven te fcheuren; daar zal 't geluk, dan niet meer afhangelijk van zoo veele kleine toevallen, nooit geftoord worden. O hoe veel moeds geeft dit aan uwen vriend, wanneer hij gevoelt dat al het wisfelvallige, al het lijden, alleen voor deeze wereld beftemd is. I X. Hoe zeer ik de waarde der menschheid gevoele, en den engel boven het dier verëere , evenwel is 'er onder alle mijne rcisgenootcn , geen fchepfel, dat mij zoo veel genoegen verfchaft , waarop ik die foort van betrekking gevoel, dan — kunt gij het raaden? Karei! — dan mijn goede Cheri. Bevreemdt u dit ? geef dan ten minde deeze grilligheid geen verkeerden naam , en zet niet op de rekening van kleingeestige eigenliefde, iets, dat eigenlijk op die der dankbaarheid, en der tcderhartigheid t'huis hoort. Hoe veele redenen zijn 'er, welken mij dien hond zeer lief maaken ! — Gij weet immers nog hoe hij de mijne werd ? Dit goede beest , herinnert mij altijd aan een der liefde avonden van mijn leven , toen Natuur, godsdienst, en vriendfehap, zamenwerkten, Offl ons op den fèhoóneti heuvel van Kommerrust, * een  t. BOE K. 45 een genoegen te doen finaaWeri, dat flechts vlugtig , maar zeer fchaars , op deeze wereld vérfchijnt ; en de vreugde der engelen, aan menfehen , in 't verfchiet, doet kennen. Op het einde van dien avond, werd deeze hond de mijne ; weet gij 't niet meer , Karei ? bij het zachte maanlicht wandelden, of liever ftonden wij, op de eenzaame heuvelige heivlakte, die uw Landgoed van achteren begrenst; wij Haarden op den oneindigen ftarrenhemel, op het ruime heirveld , en op alle de fchaduwachtige ftreeken , welke de nu en dan bewolkte maan, op hetzelve vormde, en op de zwijgende gedaante die de eenzaame boomen, en de in 't wilde opgefchootene ftruiken , der heide, door den zachten glans van dit ftatige nachtlicht befcheenen, vertoonden. Geheel met deeze voorwerpen ingenomen, peinsden wij, en zweegen. Op ééns hooren wij een angftig gefnuif — dat ons nadert ; en het was de hijgende adem van Cheri, die van zijnen meester, welken hij, met de hem eigene trouw , zeker uuren lang vruchtloos zal gezocht hebben, was afgedoold; die nu, door behoefte en matheid, gedrongen werd , eenen anderen befchermer , waaraan zijn trouw zig hechten , en die zijne behoeften vervullen zou, te zoeken; hij trof dien in mij aan; vriendelijk nam ik hem tot mij, en zedert was hij mijn dankbaare gunfteling: ook mijn lieve moeder had het goede beest lief; haare zachte  46 1. BOE K. zachte handen hebben hem zoo dikwijls geHreciri en voedfel toegereikt _ dit geeft hem voor mij eene nieuwe waarde. In weerwil nogthans van mijne gehechtheid aan den trouwen Cheri, had ik reeds belloten, hem tot gezelfchap bij mijne moeder achtertelaaten, om haar niet te berooven van iets, 't welk ik dacht dat haar mogelijk de denkbeelden van de afwezigheid van haaren Reinhart verzwakken zou. Doch Cheri wilde niet dat ik zonder hem zoude reizen. Den laatHen avond , Haarden zijne droevige oogen mij geduurig aan, zijne houding was kwijnend , zijn Haart kwispelde moedeloos; 't was of hij mij vroeg: „ Zult gij uwen ouden Cheri verlaaten?" met een meedogend hart gaf ik het arme fchepfel ongemeende norfche bejegeningen , om het van mij te verwijderen, en vertrok zonder hem ; doch het getrouwe dier volgde mij op het fpoor , en, veele uuren van mijne woning verwijderd , vond ik mijnen Cheri, in de houding van een boetedoenden fchuldigen aan mijne voeten weder. Ik fprak hem vriendlijk aan , vergaf hem zijn misdadige trouw , en nam hem tot mijn' reisgenoot aan; en denk van achteren, dat het fchrandere beest beter gekozen heeft , dan ik met het beste oogmerk had gedaan. Het is beter dat hij mijne eenzaamheid verzachte, dan dat hij, in de door mij verlaatenewooning, achter gebleven, al fnuifelende het voetpad van zij-  I. BOE K. 4? zijnen meester opgefpoord , en huilende zijn weggaan beklaagd, of roerloos op zijne plaats geketend, zijne ontrouw bezucht had ; en dan door zijne kwijnende houding, het denkbeeld van verlaating en weggaan, in mijne lieve , treurige moeder gevoed had. En, hoe veel meer is dit goede dier mij nu waardig, na dat hij mij zulk een blijk van trouw gegeeven heeft! reeds vijf jaaren was hij mijn gezelfchap ; in de bosfchen joeg hij het wild voor mij op ik zag het vrolijk hup¬ pelen , en fchade deed hij het niet : op de vlakke velden fuelde hij als een pijl voor mij heenen, en den toon van geblaf ademde geluk: lag ik ergens in het gras , hij plaatfte zig naast mij , en hield de wacht over mij , en nu waagt hij zig met mij in honderd gevaaren , en rekent zig veilig bij mij; wil met mij leven en vergaan : en zou ik nu zijne waarde niet gevoelen? waarlijk zijn redenloos gezelfchap is mij lief: met zijne oogen fpreekt hij, en ik verfta hem, en mijnen wil verllaat hij uit mijne wenken; mijne onvergenoegde luimen berooven hem van vreugde; mijne goede verrukken hem: met één woord, als ik moede ben van leezen, denken , tekenen, of andere bezigheden , dan fpeel ik met Cheri , en deeze kleine verandering veraangenaamt mijne eenvormige levenswijs. Lie-  48 I. BOE K. Lieve Karei! ftel u geheel in de plaats van den eenzaamen behoeftigen reiziger , en vergeef dan uwen Reinhart, dat hij u zoo lang bezig houdt over eenen hond. X. Hoe lang kan ik dikwijls half gedachtenloos en mijmerend Haaren op het onmeetelijk waterveld waarop ik dobber! in alle de hcmelftreeken zoekt mijn ttiurend oog naar land; en den flip aan den horizon, die de misleide verbeelding fomwijlcn voor land aanftaart, veroorzaakt een aangenaam bedrog. Nu zie ik volnrckt niets dan water ; de hemel , die zig daarover uitbreidt , fchijnt rondom op hetzelve te rusten , en vertoont zig aan mijn oog als een ondoorboorelijke fcheidsmuur , tusfehen mijne broederen die het vaste land bewooncn, en mij. Op deeze groote wijde vlakte die mijn oog niet kan afzien , doet zig thans geene ééne drijvende menfehenwooning aan mijne zoekende oogen op. Onmaatfchaplijk verblijf ! hoe ledig zijt gij voor mijn hart! hoe welkom zou mij nu een ander fchip zijn, dat ook' zijn vaderlandfche kust verlaaten had , om naar een vreemd gewest te ftevenen; dat misfehien naar hetzelfde werelddeel beftemd was , als het on-  L BOEK. 49 onze: geen Hollandfche vlag behoefde van zijnen mast te wapperen, om mij eene broederlijke genegenheid voor deszelfs bewooners te doen gevoelen; het denkbeeld van medemensen, van lotgenoot, heeft al veel zoets in mijnen ftand: maar zeker, nog fterker zou dat van vaderlander mij het hart doen kloppen , en honderden van aangenaame denkbeelden met zig brengen. De trek tot gezelligheid is tog ieder mensch, ook mij, ingefchapen ; ook mij, die altijd de eenzaamheid zoek, en haar dagen lang met het zachtst genoegen genieten kon : docli hoe duidelijk bemerk ik dat de eenzaamheid, zal zij op den duur behaagen , en ons geeven wat wij bij haar zoeken, door geen' dwang, geene eenzelvigheid of — benevelende droefgeestigheid, moet beroofd worden van die vrolijkheid, welke de waare Wijze zeker in haar vinden kan. In mijne meest gezellige luimen, worden mij mijne fcheepsgenooten dierbaarer : Capitein en Stuurman behandel ik minder koel, en eiken matroos bejegen ik vriendelijk : in zijn nors of ruw zeemans gelaat, lees ik dan ook de verbindende trekken van broederlijkheid ; en het gevoel der menschheid fpreekt ook in zijne oogen. Het ongeluk, of 't gemis van dierbaare voorwerpen, doet de natuurlijke zachtaartigheid van I. deel. D onze  5o I. BOEK. onze ziel tog toeneemen ; en ons meer in het lot van anderen deelen : hoe duidelijk leert mij dit de gewaarwording met welke ik den ruwen, meestal Hompen bootsgezel aanzie: wanneer ik zijn lot, zijne gefteldheid als mensch, en vooral dan , wanneer ik die als een Christen nadenk , drijft 'er dikwijls , eer ik het zelf weet, een medelijdende traan in mijne oogen, en het gevoel van mijn eigen ongeluk verdwijnt, bij dat van zijne beftemming : veroordeeld om voor jaaren achter den anderen, of ten minfte om telkens bij vernieuwing, zijn vaderlandfche kust te verhaten, moet hij als buiten betrekking op zijne naaste vrienden , en op al wat hem lief is , omzwerven ; zijne echtgenoote en zijne kinderen achterhalen; altijd aan de ongenade van zee cn onweêren , van duizende gevaaren en angften, aan alle de lasten en behoeften van het fcheepsleven , blootftaan, zonder in haar, op wie hij de naauwfte betrekking heeft, een lotgenoote te vinden, die zijne onheilen verzacht — terwijl de ruwheid van zijne levenswijs, van 't element waarop hij verkeert, geheel op zijne gefteldheid invloeit, en hem allengs van de bron der edelife genoegens deezcs levens, van een gevoelig hart, berooft; terwijl zij in zijne ziel, even als op zijn gelaat, hardvoch.ige woestheid doet heerfchen. Denk ik daarbij hoe veelen deezer arme fchep-  I. BOE K. 5? fehepfds door misleiding, door overijling, door armoede, bedwelming, of een ongelukkig toeval, en tegen hunnen zin, werden wat zij nu zijn ; hoe veelen 'er onder deezen zijn, wier. hart edel genoeg is om grooter rol op het tooneel der wereld te fpeelen, hoe groeit dan mijn' medelijden nog aan! En aan den anderen kant befchouwd , hoe gunftig is die beftuuring des Alregeerders , die de onderfchehiene neigingen den ftervelingen inftort, dat 'er ook zulke menfehen zijn, wier hart niet te klein, noch te week is, om de gevaaren van dit woest element te tarten, enzig aan alle deszelfs anglten, en behoeftigheden te onderwerpen ; hoe onbegrijpelijk veel voordeden en genoegens van. dit leven, hoe veele kundigheden van onzen geest zouden voor ons verboren zijn, waren 'er zederd vroege eeuwen niet reeds zulke geniën onder de menfehen verfcheenen! en is 'er — dit is ook waar,is 'er één verblijf gefchikt om edele, godsdienftige, grootmoedige menfehen te vormen i het is de woeste zee. Hoe vorfchend neem ik in mijne ledige oogenblikken dikwijls het gelaat van den matroos , dien ik hier en daar, rustend of werkzaam ontmoet , waar ; en zoek in zijne trekken naar edele menschheid, naar ftule deugd of waaren godsdienst; en vind ik hier en daar D 2 een  5& I. BOEK. een gelaat dat mij aantrekt, dat mij zegt: „Hier fchuilt verborgene grootheid;"o hoe broederlijk klopt mijn hart hem tegen ; hoe gaarne wilde ik , ware dit binnen mijn bereik , die edele beginfels aankweeken, en dien mensch laaten worden, dat hij kan worden! Och Karei ! konde ik onder alle mijne fcheepsgenooten , maar ééne ziel vinden die de taal van mijne ziel verftond, die gevoelde wat ik meende , wanneer ik zeide : Ik ben gefcheiden van eenen boezemvriend ," o hoe vast zou ik mij aan hem hechten ! hoe vrolijk zou ik voordreizen! maar deezen vind ik niet. X L Enkel dit rustloos en als onbegrensd waterveld , in zijne verbazende uitgeltrektbeid , als twee derde deelen van onzen aardkloot bedekkende, zig voorteftellen, dit is ontzettend en ik verlies mij bij deeze berekening ! maar op het geleide van ervaarene navorfchers, met de verbeelding de diepten des oceaans te doorwandelen, daar zijne voordbrengfels, zijne gedaante te befchouwen, in zijnen oneffenen boezem eene andere overltroomde aarde te vinden in zijne hoogere en laagere rotfen , bergen; in zij-  I. B O E K. 53 zijne moejelijk te peilene dieptens , laage valeien ; in zijne grondlooze kolken , holen te zien, door welken ver van den ander verwijderde zeeën gemeenfchap met elkander hebben ; welke tevens de geheime oorzaaken van zoo veele ontzachlijke verfchijnfels , van zoo veele ontroerende gebeurtenisfen zijn , en door eeuwigduurende maalftroomen veele vakken in den oceaan ontoegankelijk maaken; welke, den kundigften zeeman aangrimmen, en met killen fchrik doen terug deinzen, terwijl zij den onervarenen misleiden zwerver een verflindend graf worden; en helaas! welligt reeds aan duizende geworden zijn, — zóó deezen oceaan te befchouwen, dit is verdommend ; dit geeft een indruk van de grootheid der fchepping die mij doet huiveren, en mij aangenaam ontzet; die mij tevens de oneindigheid van den Schepper, zoo verbrijzelend doet gevoelen — dat ik mijnen afftand van den wemelenden worm niet meer bemerk, en, geheel ootmoed, voor Hem kniel — die de zee en haare volheid het aanzijn gaf. Hoe aangenaam is mij die voorftelling: ,, Het. „ is geen bodemlooze afgrond boven welken ik „ zweef; diep onder mij gaat de moederlijke „ aarde, welke ik fchijnbaar verliet, altijd „ voord: ook die aarde onder mij , is bezield „ met groejend en gevoelig leven ; zij is vol „ wording en werking; ook daar zijn gelukkige D 3 „ fchep-  54 I. BOEK „ fchepfels die in hun aanzijn zig verheugen; ,, en elk hunner vindt 'er een verblijf, een „ voorraad , naar zijnen aart en behoefte gefchikt:" met deeze voorftelling drijf ik over dit doodlijk gevaarvol element, als over eene levenkweekende ruimte heen. Wonder denkbeeld ! hoe gaarne volg ik dit na, en ontwikkel het geheel voor mij ! ook hier zijn dan bergen, die even als de bergen der aarde zwanger zijn van edele en nuttige voordbrengfels; fommige deezer bergen fteeken hunne rijzende toppen uit de golven op , vrolijk groen overdekt hunnen vruchtbaaren grond, en het zijn bewoonde eilanden — weder anderen , geheel harde onvruchtbaare fteen — werden ftatig rijzende rotfen — die zig' eenzaam , hier, en ginds, of aan geheele reien, met eene dreigende gedaante, ver boven de golven verheffen,of,door dezelven overdekt,blinde klippen zijn, die, met eene geheimvolle akeligheid, gevaar en dood aan den verdoolden, of onvoorzichtigen zeeman dreigen, en eer hij nog vreest, zijne brooze kiel in een oogenblik kunnen verbrijzelen; die rotlige bergen, zoo fchijnbaar met eene eeuwige onvruchtbaarheid overdekt, zijn nogthans bezaaid met leven ; zijn met eene menigte kunftig geweevene, fchoongevormde, doch wortellooze planten begroeid; met geheele heiren van dieren die zig op dezelven vasthechten ,  I. BOEK. 55 ten, en levensvreugde naar hunnen aart zoeken , bedekt : en wel verre af van nutlooze verfchijnfels in het gebied des oceaans te weezen , zijn zij de verblijfplaatfen, de toevlugtoorden van levendige fchepfelen, die zonder deezen niet zouden beftaan, en die welligt den ervarenften Natuurkenner nog voor de helft niet bekend werden. Hier zijn diepe valeien, en effene vlakten, vruchtbaar in fchoone en nuttige gewasfen , met welken de bevolkers der zee hun voordeel doen : hier zijn grazige velden, waar welligt de zeekalven, zeekoejen, zeepaarden , en meer dieren die hun gelijken, weiden vinden — mogelijk zijn 'er ook woeste bosfchen , waar de zeeleeuwen , en andere wezens van hunnen aart , hunnen prooi bejaagen; ook wel dorre onvruchtbaare oorden waar geen gevoelig leven ademt , daar geen plantjen groeit; welligt ook akelige fpelonken, waar eene menigte vervolgde dieren, de verflindende vraatzucht hunner vijanden ontvlugten. 'Er is ten minfte , dit is zeker , ook hier , waar geene vruchtbaare aarde de voordbrengfelen ontwikkelt, en rijpt , verfcheidenheid van planten; wier vezelen , kliertjens , bladen en zaadjens, die van onze aardplanten eenigzins gelijken, fchoon zij , door haar bijD 4 zon-  56 £ BOE K. zonder eigene werktuigen gefchikt werden , om haare groeiftof uit het ziltig, en andere dingen doodend zeenat inteflurpen: hoe veele verfclnllende foorten van fchoone mofchen , van zee kampernoellies, zeegrasfen, vijgen, druiven, en andere gewasfen , vermenigvuldigen zig hier in deeze diepte! - en hebben fommigen deezer planten, bloemen, bladen, zaadjens, hoe menigvuldig wordt dan de ftof tot ftille verbazing! — welke wonderlijke verfcheidenheid in de fchoone ovcreenftemming! de zee moet juist zoo zijn als zij is, om de fchepfclen die zij bevat te voeden — en weêr deeze werden zoo gevormd, als zij zijn, om in deeze zee voordteduurcn, en zig uittebreiden. En denk ik daar bij: wie weet of ook op deeze zeebloemen geene zecïnfeclen , even als de beien op onze aardbloemen aazen, en honig iil verborgene hutjens verzamelen, welke no* geen menschlijk oog befpeurde , of die de ichranderfle navorfcher tot nog toe miskende : ten mmflen de wonderlijke, de fchoone , de geduurig nieuwe verfchijmelen , wele de zee oplevert, maaken dit , misfehien wel harsfenfchimmig denkbeeld, tog niet geheel overdrecven: en is het u wat dichterlijk? ai laat mij dan dit vermaak, het doet niemand fchade. Onnafpeurelijk zijn tog overal de werken van. God, maar zeker in de zee wel het allermeeste." Wie  I. BOEK. 5? Wie telt ons de millioenen zeeïnfeclen , die op verfchillende wijzen in deeze ruimte verblijven, waar deezen , een vlug dieren-, anderen een log plantcn-levcn leiden, op? hoe oneindig veel valt hier te vraagen! — hoe weinig, ook voor den fchranderften, te befluiten! hoe veel echter uit herhaalde proeven , en uit de overeenftemming van de geheele fchepping ten minften te gisfen ! de vogels onzer wouden, bouwen nestjens m de bladerrijke boomen, de boschdieren hooien zig fchuilplaatfen in de aarde — de aardïnfeften weeven zig van een toegerold blad, of alleenlijk van hunne draaden, de wonderlijkfte cellen ; en hoe veele zeegewasfen zullen dan misfchien wel verordend zijn, om de fchuilplaatfen van domme , evenwel fijn bewerktuigde zeedieren te worden!in hoe veele fchoone verfchijnfelen,welke de wijsgecrcn van vroegere dagen, niet anders dan als wonderlijke gewasfen befchouwden, Wordt nu' de bouwkunde der Polypen bewonderd! hoe veele fchoongetakte coraalen,madrcporen , fpons- en ftecn-gewasfen, zijn na nieuwe waarnemingen niet anders, dan de paleizen of .volkplantingen van deeze kleine dieren , in welke zij zig vermenigvuldigen , en een gerust en werkzaam leven leiden ! hoe fchemert het mij voor de oogen , waanneer ik mij zoo veel werkkracht, aan zulk een nietig, naauw merkbaar diertjen gefchonken , voorftel! — Of zou, denk ik wel eens, zou het ook mogeD 5 üjk  5S I. BOE K. lijk zijn, dat de bezielende verbeelding, die de bloemtjcns der coraalen vormde , welke MarfiUie met zoo veel vermaak ontdekte — ook de fchepfter van de diertjens was, welke- zoo veele hedendaaglche waarnemers bewonderen? — doch neen, herhaalde proeven bevestigen immers hun aanzijn — en hoe aangenaam is liet, hoe ligt valt het, aan de wonderen der fcheppinge te geloven, daar de Schepper zoo oneindig in vermogen als in wijsheid is — hoe veele ontdekkingen zullen dit welligt verder bewijzen! — hoe veel gelegenheid daartoe is nog voorhanden in de overige bewooners van dit geducht clement! Hoe oneindig veel kleine hutten, welke met haaren bewooner, die een kluizenaars leven in dezelve leidt, opgroeien — zijn hier op onderfcheidene vakken in deeze waterwereld verftrooid! — de bodem der zee is met dezelve bedekt , zij omringen de rotfen , en liggen op de zandplaaten verfpreid: hoe onderfcheiden is derzelver gedaante, kleur, vorm en fchoonheid ! hoe veifchillend in hunnen aart , levenswijs, voordplanting, en hoedanigheid'zijn haare bewooners ! alles is hier oneindig¬ heid ! alles verbaazing ! En hoe onberekenbaar is het getal , hoe verbazend onderfcheiden de gedaante der fchepfeien , welke hier door elkander wriemelen ! hier is  ï, BOE K. 59 is het ontzettend monfter, dat de fchepen door zijne beweeging, mijlen in het ronde, fchudden doet; dat, bij het opfteeken van zijnen rug uit de golven, een eiland gelijkt;en ginds is dezeekwal zelfs van dieren-gedaante ontbloot: de zeeleeuw wandelt hier met eene ontzettende majelteit voord, en de zeeft* drijft op de golven: de logge zeekoe verzadigt zig met ligte planten, en de listige zeehond beloert, tusfchen de rotfen die hem verbergen , zijnen voorbijzwervenden roof: de vraatzuchtige haai vervolgt met fnelheid zijnen prooi, en legt, in weinig tijds , zeer groote ftreeken af; en de logge mosfe'l hecht zig bijna onbeweegelijk op eenen klip , of fchuift 'er langzaam op voord, opent Hechts zijnen fchulp voor de fpijs die hem tegenkomt en ook hij wordt verzadigd. Welk eene menigte van fchepfelen fpeelt hier in de diepte, wier vorming, wier beftemming en wording, voor den fchranderften navorfcher een onnafpeurelijk geheim blijven, en telkens zijne nieuwsgierigheid levendig houden! dan, wat ook reeds bekend, wat nog verborgen zij, dit is zeker, duizenden van monden vinden hier hunnen maaltijd toebereid , en elk fchepfeltjen , klein of groot, voor ons al of niet aanwezig, is een voorwerp van de zorg dier goedheid , die elk hunner tot gelük in het aanzijn riep: zoo wel in 't naamloos fchulpdiertjen, als in den fterk-  <5o I. BOEK. fterk-gepeesden walvisch, bereikt zij, fa, onbe. merkte ffilheid , haar, voor menfchenverftand te groot, te onnavorfchelijk, te diep, doeleinde; en doet elk diertjen alles worden, alles genieten , wat het worden en genieten kan; doet het zoo veel vreugde zaajen, en inoogften, als het naar zijne krachten en begeerten kan doen: geen zwervend ondeeltjen beweegt zig m deeze onmeetbaare ruimte , of God beltuurt deszelfs richting, en einde: geen fchoone gewaterde parel groeit in de onaanzienlijke fchulp of God beval haar te worden: geen onmerkbaar zenuwloos diertjen wordt een prooi van zijnen vervolger, of deeze heeft bevel van den algemecncn Weldoener en Vader zijner fchepfelen, en volgt dit gehoorzaam op; en die algemeene Vader , die zoo magtig , zoo wijs, zoo goed is , die is in nog meerder nadruk mijn Vader, in den Verlosfer — 0! hoe veel kan ik dan van Hem wachten Karei! en dit zalig gevoel vernietigt alle vreeze! ■In het weinige dat menschlijke vernuften van de gewrochten der oneindige Almagt kunnen nafpooren, is zoo onbegrijpelijk veel grootheid majefteit, en goedheid te ontdekken, dat het een zeer koel, onverfchillig wezen zijn moet, 'twelk niet verlangde om dieper in de geheimen der Natuur doortedringen ; dit evenwel is den leergierigften waarneemer aan deeze zijde des grafs  I. BOE K. 61 grafs niet mogelijk: maar zal hij die daarom nooit zien? zou de mensch dan uitgeflooten zijn uit die reien van wezens , welke God in alle zijne werken zullen eeren? is dan die geheele Natuur, met alle haare fchoonheid, orde, majefteit en pracht, ook voor hem niet gefchapen ? of, zou eerst de toekomftige wereld beftemd zijn om onzen, naar kennis dorftenden geest te verzadigen ? dit gelooft gij immers met mij Karei! in die hoop zing ik met mijn geliefden dichter: Dan daal ik Iaager neêr, Op de aarde, door het vuur gelouterd en herboren, Om aan den Schepper daar te geeven fchuldige eer, Waartoe 't vermogen door de zonde was verlooren: Dan meet ik welk een fnoer God trok om 't aardrijk héén, Den afitand van de poolen, Met welke lijnen Hij de bergen heeft befneên; En wat al wonderen 'er in dien afgrond fcholen; 'k Zal met den behemot, Den leeuw, den tijger, en den leviathan fpeelen, Rivieren, bronnen, zeên, en mjiren, zullen tot Gods lof, haar fchepflen ter befchouwing mededeelen: Wij zullen wandlen door de digtfle bosfchen heên, En dorfte zandwoeftijnen; Maar 't zij we in dalen, 't zij we op fteile bergen treên, Alöm zal God ons in de fchepfelen verfchijnen. Karei! welk eene hoop! zij verrukt mij. XII.  62 I. BOEK. X I I. Had ik ooit kunnen denken dat dit woest eenvormig verblijf, op 't welk ik zoo vriendenloos, zoo eenzaam,den eenen dag na den anderen zie voordkwijnen, nog zulke waare, voor mijn hart gevormde genoegens zou kunnen opleveren ! De zachte aandoeningen, welke zig,bij 't aanzien der fchoone Natuur op het land , bij het inademen der lieve balfemgeuren, die kruiden, en bloemen uitwafemden, aan de zijde van mijnen Karei , in de uuren der vriendfehap, dagelijks meer en meer in mij ontwikkelden; deeze aandoeningen moeten, zonder voorwerpen waarop zij kunnen werken, hier in zig zeiven verdwijnen ; maar het grootfche, het verbazende, werkt hier op mij zoo veel te fterker dit doet mij dikwijls diep getroffen verftommen. Een flille blecke maan, die een veld of bosch bèfchijnt , die zig fpiegelt in een zachtmurmelend beekjen, op eenen zoelen lenteavond te befchouwen haar, in een loofhut van jas- mein en camperfoelie gezeten , vóór ons aan den helder blaauwen hemel te zien wandelen , haare zilveren ftraalen te zien trillen in de daauw- drop-  I. BOEK. 63 dropjens, welke op de blaadjens der vioolen en madeliefjens , die voor onze voeten bloeiden , glinfterden, dit was verkwikkend; dit was een der zachtfte genoegens , welke mij, 0 zoete herinnering ! zoo dikwijls in de vrolijke fchaduw van uw Kommerrust te beurt vielen, en eene rustige kalmte in mijn hart Hortten : reeds in de jaarcn der kindsheid was dit vermaak mij zoeter, dan dat, 't welk weelde of dartelheid mij geeven konden. Maar eene volle maan op zee, zoo als ik nu voor de eerfte keer, volkomen helder en onbewolkt gezien heb , dit is een tooneel dat zig niet laat befchrijven, dat geheel eenvoudig is, en tog vol ftatige majefteit dat niet zoo zacht , als wel grootsch en eerbiedwekkend is voor Hem, die zijn' troon in de oneindigheid vestigt. 't Was in den voornacht; de Capitein vergat al flapende de zorgen voor zijn fchip, en liet die aan eenen anderen over; de, van hunnen post ontflagene matroozen, lagen, vermoeid van 't woelig fcheepswerk, gerust in hunne koojen; de Stuurman zat mogelijk half mijmerend , ten minfte met een nachtlijke fchaduw omneveld, te ftaaren op 't geflikker van 't fchemerachtig lampjen dat het Compas verlichtte in de Campagne was alles in rust, en het pluimgedierte  64 I. BOE K. dierte fliep in zijne enge hokken zoo wel de logge, in zeelen hangende koe, als het onnozel fchaap, vergaten in hun. fomber verblijf het gemis van hunnen ftal, weide en vrijheid, en verkwikten zig in den lieven, alle leed vergoedenden flaap; doch ik waakte: geheel dooide fchoonheid van het weder, en door het plechtige van 'het tooneel',' dat zulk een nacht opleverde, .uitgelokt, ging„ ik;op het halfdek: geen onftuimige wind beroerde de. zee.,-'maar. een ftijve koelte deed het wand zwellen, dat nu en dan door.een zachtkraakend gewapper het gedruis der baaren.verzelde: ftatige golven rolden rondom mij heenen, en; klctften tegen het fnelr .lende fchip met 'een bruiichende kracht, aan:, een enkelde groote zeevogel,. zweefde-met,wijd uitgefp'reide .vlerken.over dezelve,,en.verraschte al duikende zijnen, prooi,, die ,nu ■om geenen vervolger dacht: het azuur des hemels was dpor geen enkel wolkjen befchaduwd, maar geheel bezaaid met flikkerende 'ftarren ,:die hier op het fchitterende water; met . een ongewoonen. luisteifcheenen .te branden: in. een donker.roode. gedaante, geheel zonder glanzen , klom. de maan uit de golven op, fcheen. een ftraallo.oze vuurklomp, en verfpreidde eene na.chtlijke fchoonheid op dit ernftig tooneel , tot dat zij, al hooger, eh hooger klimmende, in'eenen meer zuiveren en. ohbenevelden.luister verfcheen; en 'zilveren.ftraalen' vcrfpreidde:die. in bleeke blikfemglanzen-op-de rus-  ,-Wat is de feliepjing heerlijk!" IJ).Bla«lz.6i;.   i. BOE KJ 6S rustelooze baaren flikkerden : lang en onvermoeid ftaarde ik op dit tooneel, zoo vol eenvoudige grootheid, en ftille vreugde; en ik gevoelde dat mijn verwonderd , mijn toen vrolijk oog, zeide: „Wat is de fchepping heerjijk!" De alom verlichte zee was fchoon; de vliegende fchaduw, welke ons fchip aan de andere zijde tekende, hoogde die fchoonheid op : een» zaam en peinzende, gevoelde ik die ; en op dit feestlijk nachtuur , had ik eenige gelukkige oogenblikken. Door geene redelijke wezens, bei halven mijne reisgenooten , binnen den omtrek van, wie weet hoe veele mijlen, omgeeven, ten minften uitgeflooten van de maatfchaplijke zamenwooningen der menfehen ; alleen op eene onafzienbaare watervlakte, met een kleine gefchokte wooning dobberende; afgefcheiden van mijne vrienden — welligt al vergeeten bij mijne bekenden; en misfehien in mijn geheel vaderland, door niemand als door mijne moeder, en mijnen vriend met de zijnen gedacht; gevoelde ik op dit oogenblik dat 'er thans op deeze aarde voor mij eigentlijk, maar zeer weinig wezens beftonden: en de verhevener, de, jaaren en eeuwen van mij verwijderde, lichtklooten , die, boven mij, in de oneindigheid voordrolden, en die, in weêrwil van hunnen verren afftand, hunnen vriendlijken invloed aan onze aarde mededeelden , op wier geleide wij nu, zelfs dewoeste, ongebaande paden der zee opfuoorden, J. deel. E dee-  p deeze wijze, volk -en volk in aile oorden van zijne wereld vereenigen wil , en zijne wijsheid en grootheid, met de fchoonheid van zijne werken tot in de afgelegenfte gewesten , zelfs tot au  I. BOEK. 107 aan de grenzen der aarde , aan daarvoor vatb'aare zielen wil doen kamen? bij dit denkbeeld, klopt mij het hart van genoegelijke nieuwsgierigheid ; en ik acht den zeevaarder die wijsheid zoekt, bij alle zijne opofferingen, navolging waardig, en edel. In hoe veel nachtlijke donkerheid , zou een groot vak der aardrijksen der natuur-kunde, nog beneveld liggen, had de zeevaart ons de gedaante, den vorm, en de voortbrengzelen der geheele aarde , en der hemelflreeken die haar beiiekken , niet duidelijk opgehelderd 1 en hoe veel nieuw licht zal zij mogelijk voor den vlijtigen nafpoorder der Natuure }n het vervolg nog verfpreiden! X X ïs Goede morgen, lieve Karei ! nooit begin ik den dag, zonder te denken aan mijne moeder en mijnen vriend , en hoe veel meer deed ik dit deezen.morgen,daar mijne geheele ziel inde bedwelming des flaaps, den gantfchen nacht bij u tegenwoordig was, .vertrouwelijk met u fprak,en van geene fcheiding wist! en geen wonder! mijn aangenaame droom,was hechts een uitbreiding, of liever eene wending deezer denkbeelden , met welken ik gisteren-nacht influimerde • de kleinile, de onaanmerkelijkfte omitan- tlig  lof I. BOEK. djgheden,* doen dikwijls de fterkfte Werking op ons hart; dit ondervond ik duidelijk, toen ik deezen nacht, door veele bedenkingen ontrust nog eenigen 'tijd flaapeloos op mijn leger nederlag: de zee was vrij ftil, en het gedruis van wind én golven, was niet afmattend ; ten mihften ik hoorde het gekraai der haanen, die hier, even als op den vasten grond, door hun luid geroep, het voordfnellen van de uuren des nachts aankondigen , door hetzelve heen ; eii den doordringenden toon van dien vogel des nachts, wérd een lied van herinnering voor mijne nadenkende'ziel: een zweemfel van het landelijk vermaak dat ik bij dit geluid zoo dikwijls op Kommerrust genoten had, herleefde in mij: eenige bijzondere tooneélcn , bij welke het vooral zijne werking deed, kwamen mij voor den geest — ik dacht aan die nachten, in welken ik, luisterende naar het fomber klaaglied der uilen, in ërnftige ^gedachten , als een voor vreugde ongevoelig 'wijsgeer, eenzaam onder het oud geboomte ronddwaalde ,' en tog een zeer ftatig,voor mijn hart berekend, vermaak genoot; of aan die fchoone vrolijke of ftreelende nachten , in welken wij , naar het klaagend , het teder en kwijnend lied van den verliefden vogel der lente, in gezellig vermaak, luisterende, opbedaauwde graspaadjens omdoolden, en bij dit verrukkend nachtconfert, de rusttijd vergaten -dan verkondigde ons dit getrouwe dier den ver- dwii-  L BOE K. 109 dwijnenden nacht aan, en lokte ons naar het gebied van den krachtherftellenden flaap : hoe dikwijls riep, op eenen anderen tijd, zijne luide morgengroet, die hij al klapwiekende aan de ontwaakte Natuur toezwaaide , en die een menigte zijner broederen, op de omgelegene landhutten al kraajende beantwoordde, mij van het logge nachtleger af, en lokte mij , om den fchoon verrijzenden dag, met alle de chooren der gevoelige wezens , toetejuichen ! 0! hoe zegende ik dan, bij deszelfs ftreelend genot, den goeden haan , die mij aan de bedwelming des flaaps ontvoerd , en tot een genietend wezen gemaakt had! en Karei! herinnering aan alle die fchoone nachten , aan alle die lieve morgens, hoorde ik in het gekraai van deeze fcheepshaanen; maar tevens gevoelde ik geheel dat zij voorbij waren , en mijne vrolijkheid ftierf met de toonen van deeze dieren ; zoo viel ik eindelijk in flaap; en een weldaadige droom deed mij in een der priëelen van Kommerrust vertoeven, tot ik deezen morgen mijne oogen in de enge flaapkoets der eajuit opende, en bemerkte dat al mijn geluk een harfenfchim, en niets meer was. XXII,  IIO I. BOE & XXII. " Rasfcher verandering van tooneel , dan ik deezen morgen gewaar werd , zag ik mijn leven niet. Ik Hond op het verdek ; Haarde met een oog vol bewonderend welgevallen , op de rustige vlakte der ftille zee , die zig met de effenbaarheid van een fchoone rivier , in eene aangenaame gedaante vertoonde, en zoo wel het helder blaauw van den onbewolkten hemel,als de witte zeilen van het langzaam drijvende fchip , met gebrokene beelden terug kaatfte: geen golfjen danste, en de logge zeehond dreef in een gerusten flaap op den onbevvoogen Oceaan voord; het wand hong flap, geen kocltjen blies 'er in; het topzeil alleen rilde zachtjens door het golven der lucht, die wij onmerkbaar kliefden; geen windjen luisde door de lucht, de witte meeuwen die, met wijd ontplooide vlerken, gins en weder zweefden, zonken, door geenen voorddrijvenden wind bcftuurd , met een matte logheid op het ftille water, dat hunne loome vlugt afbeeldde, krachtloos neder; de vaardige matroos greep na dezelven, en zonder tegenweer kreeg hij zijne verfche fpijs in handen — dit rustig tooneel ftortte een kalme rust in mijn hart; dan zag ik de ftille zee, dan den fchoonen hemel aan , en de gedachte: „ Hoe onzeker • ' is  L BOE K. in is deeze rust!" kwam niet eens in mij op. Op eenmaal verfchijnt 'er een klein wit wolkjen aan den westlijken zichteinder ; zelfs dit wolkjen geviel mij, en op den aangroei van hetzelve te ftaaren , zou mij , die geen voorteken van eenen orcaan daarin kende, zelfs genoegelijk geweest zijn; doch eene geheel andere uitwerking had het gezicht van dit wolkjen op den Stuurman en Capitein , deezen gaven oogenbliklijk hevel om de meeste zeilen te ftrijken, ten einde het naderend gevaar zoo veel mogelijk te ontwijken: de fchielijke beweging der matroozen — het geraas der kabels en touwen — de onrustige trek op 't gelaat der fcheepshoofden, bragten mij in eene geheel andere zielstemming, dan een oogenblik te vooren, en bereidden mij zeer fchielijk, voor een plechtige tooneelsverandering , die oogenbliklijk volgde. Nog naauwlijks waren de zeilen gevallen, of op eens laat zig een hard gefuis hooren ; een felle wind fteekt op hij wordt ftraks een woedende orcaan, die al gierend en- loejend op het fchip aanvalt, het dan ginds , dan herwaards heen dringt, die het bezaanszijl met een ijsfelijk geweld 'verfcheurde, den hoogen mast kraaken deed , en door de onzekerheid van zijne duurzaamheid, het hart meer drukt dan de elkander aanperfende winden, de gefchokte wooning kon- den doen de zee bleef intusfchen even ftil als te vooren; en terwijl de dampkring ge-  "2 h BOEK. geheel.beroerd was, in.de ftreek.waar.wij ons bevonden —— was het vrede en rust in haar gebied , en het contrast, dat zij maakte, was zoo zeldzaam als verbazend: doch niet lang duurde het, of ook de winden vlooden in hunne fchuilplaatzen te rug —- de voorige ftilte keerde weder, en de vrolijke hemel verdreef den kommer die het oogenbliklijk verfchijnzel veroorzaakt had; en ik, met alle mijnefcheepsgenooten uit dit gevaar gered, dankte dien God, dien ik zoo majestueus op de vleugelen des winds had zien wandelen, voor zijne veilige bewaak ring. XXII L Zoo dikwijls als ik den Capitein waarneem,-' wanneer hij met graadboog en pasfer in de hand de poolshoogten meet, de breedten berekent,, de afftanden van bekende oorden gist , en den voordgang van zijn fchip, op eenen ongekenmerktén weg, met juiste naauwkeurigheid bepaalt zoo dikwijls moet ik mij ver¬ wonderen, over de vinding van het menschlijk vernuft , dat zoo veele middelen om zijne kundigheid uittebreiden, en zijne veiligheid op een akelig woest doolpad te bevorderen , daar ftelde — ik moet mij verwonderen over de almagt van'  I. BOE K. ïis van den Heere der fchepping, die, terwijl hij den onnadenkenden zeevogel, welke zonder berekening , zonder plan, alleen door zijn inftincr. gedreeven, door den ruimen dampkring heenfnelt, over wijde zeeën, zelfs naar de plaats zijner be» {temming j heenleidt, den geest des menfehen. zoo grootsch, zoo wonderlijk vormde, dat hij kan denken, vooruitzien, en de wijsheidwelke in de fchepping voor hem verborgen is, kan navorfchen en opfpooren tot zijne eigene volmaaking. Zoo dikwijls als ik den Stuurman het compas gebruiken zie , of als ik zelf zijne richting gadefla, mij door oplettendheid en onderzoek in deszelfs geheimen laat onderrichten., en de yerfchillende afwijkingen, naar de meerdere nabijheid der zeilfteenige gronden befpeur, zoo dikwijls ;.moet ik- mij over de nuttige werking van den zeilfteen verwonderen, en mij met bevreemding herinneren, dat dit, voor de zeevaart zoo onontbeerelijk verfchijnfel, meer dan 500 eeuwen nutloos voor dezelve bleef; zijn grootlte, zijn nuttigde kracht was een geheim voer den natuurkenner , en. lag onder de donkerheid der . onwetendheid verfchoolen ! zoo veel eeuwen bleef veel meer dan de helft der aarde en des oceaans voor den nieuwsgierigften onbekend; en de geniè der wereldontdekking, werd gebonden door onverwinnelijken t deel, K te.-  ÏJ4 L BOE K. tegen/tand! Wie zou zig zonder wegwijzer op deeze waterwoeflijn , vol gevaarlijke en doodelijke doolpaden hebben durven vertrouwen?—en de veilige gids, dien de goedheid des Scheppers in het harte der aarde verborgen had, was onbekend ; doch de tijd , die zoo wel fchept als vernietigt, ontdekte dit belang-vol geheim, en het werd een milde bron van eene menigte kundigheden , die de wereld verrijkte, en den geest van den vriend der wijsheid verbaasde, en verhefte. Nu behoefde de reiziger naar vreemde gewesten , niet in angftige fchuwheid , deezen vloejenden doolbpf te bezeilen, en roet zijne gebrekkig toegeruste kiel altijd in het gezicht der kusten heen te fchuiven; zonder fchroom kon hij thans de diepten der zee bevaaren , en, mijlen ver van den moederlijken grond verwijderd, over afgronden, die het dieploot niet kan peilen, en tusfchen klippen, die zig gevaarlijk verheffen, heenfnellen — zijn zeilfleenig compas, wees hem de ftreek, en op deszelfs veilig geleide , verliet hij zig: wanneer de noordflar achter dikke wolken verborgen was; zoo rende hij het fpoor der wetenfchap op ; Columbus werd geboren, en de nieuwe wereld ontdekt— in welke ik mijn geluk ga zoeken. Den voordgang van de wijsheid in den mensch- lijken  ï. BOEK. iï$ lijken geest, en de langzaame ontwikkeling van zijne krachten natedenken, dit is mij altijd zoo lief, Karei! ik zie in deeze beginzelen wat de mensch eens worden kan , en ik ftaar vro* lijk op dat ruime vak van zijn aanwezen, waar hij uit een aantal bronnen van wijsheid zig laa. ven 5 en volmaaking fcheppen zal. Hoe vrolijk en gezellig is het thans op zeel Verfcheidene zeevogels vliegen van tijd tot tijd rondom ons fchip , zweeven met hunne breede wieken over de golven, terwijl hun fcherpZiend oog hunnen prooi opfpeurt; zij duiken onder, rusten op dezelven, en daalen, en rijzen, met de Wordende en zinkende golven , en worden tog door dezelven niet verzwolgen ; zij fpreiden hunne wieken weder uit , de lucht draagt hen zoo als het water , zij doorfnellen het ruim verblijf dat de Natuur hun aanwees , zij zijn wél te vreden in hun lot , en hunne beweegingen verfchaffen een levendig genoegen aan mijn ftaarend oog. Hoe groot moeten wel de moed3 de vaardigheid en krachten, hoe bijzonder de gefchiktheid zijn, welke de Natuur aan deeze vogelen gaf. H 2 om  116 L BOEK. om hun onderhoud,bij zoo veele gevaaren, zoo wél te vreden te zoeken!'— hier zweeven zij in een veel talrijker menigte rondom ons, dan elders; en fchoon ik zeer wel Weet, dat deeze dieren ook honderden van mijlen zig van het land verwijderen, kan ik het zoete denkbeeld van een naderend eiland , waarop zij herbergen, van hunne talrijke verfchijning niet affcheiden : de matroos evenwel wordt in zijn vérzienden mast, niets dat naar land zweemt, gewaar — ik nogthans, kan het zoo gezellig, zoo ftreelend denkbeeld , van een nabij gelegen eiland niet wel verlaaten , en plaats het, een paar dagreizen onbepaald, niet zeer verre van mij verwijderd; ik geef het een vrolijke vruchtbaare gedaante; bevolk het met goedhartige, vriendlijke, behulpzaame menfehen; met verfchillende foortcn van gelukkige dieren ; ik maak deszelfs ligging en voordbrengzels zoo aangenaam, als het mij meest behaagen kan : voor het oog van mijne fcheppende verbeelding, rijst het met groene oevers , door kokos- en andere fchoone hoornen beplant; 'er zijn bosfehen vol vrolijke vogels, en andere trotfche en fchoone gedierten wier bijzonderheid mij gevalt ; de| wilde] geiten klouteren op deszelfs rotzige heuvelen; en in de grasrijke dalen, graazen de gelukkige kudden , welke de zegen der volken zijn; en 't is als of hun geloei, met het vrolijk gezang der vogelen , die hier orgelen, in mijne ooreü klinkt — ik  E BOE K. 117 ik zie het aan ééne zijde met rotzen omringd, in wier klooven mijne vogelen nestelen, op wier bemoste punten zij rusten en zweeven , terwijl de zon hunne eieren uitbroeit — of terwijl de menfehen, tot welker voedzel zij mede beltemd werden , die wegneemen: ik zie hier de geheele huishouding en levenswijs , de ouder- en kinder-liefde van deeze fchepzeien; met één woord , ik zie hen geheel gelukkig in dé fchuilplaatzen , welke de Natuur voor dezelven toerichtte. Hoe veel tog vermag niet de verbeelding ( kunt gij u niet voordellen, Karei! dat zij mij thans eenen wezenlijken dienst bewijst?— daar zij de doodfche eenvormigheid van mijn tegenwoordig verblijf verdrijft, en mij het vlakke waterveld, met bevolkte, en met fchoone groeiende natuur afwisfelt*— en tog is mijne verbeelding de eigenlijke 'fchepfter van dit eiland niet; of hier omtrent, of elders, beftaat het; zij plaatst het alleenlijk daar, waar het de meeste werking op mijne vergenoeging doen kan : en zou ik dan voor dit vermogen der menschlijke ziele, als voor een groot gefchenk, de godlijke goedheid niet danken? Deeze goede vogelen dank ik zelfs , voor 't genoegen, dat hunne verfchijning mij veroorzaakte, door zoo veele vrolijke denkbeelden in pijn hart te zaajen, fchoon de onnozele dieren H 3 niets  X. BOEK. niets bedoelden, dan zig zeiven — zy kwamen zeker mij niet zoeken; de fchuwheid, waaiv mede zy mijne lokkende hand, die hun voedfel toereikte, en het op de golven voor hen nederwierp, ontvlugtteu, toont zeer duidelijk dat zy' mijne zorg niet behoeven. Doch hoe bevreemdend is die ftoutmoedigheid van deeze gevederde zeezwervers! zoo wijd zig van hunne (handen, van hunne rotfen, en nesten te verwijderen, en, honderden van mijlen ver, zig te waagen , boven een woelige wegzinkende vlakte , waar zij nergens eene rustplaats voor hun zwaar ligchaam, of op welke hunne moêgefkgen wieken zig herftellen zouden , dan een bevolkt fchip, of een puntige klip, of een tuimelende haar, vinden kunnen ; waar zij bijna altijd in een rustelooze bcweeging zwerven, en arbeiden, of fterven moeten — zij gaan zeker, zonder eenig nadenken over alle de «-evaaren van hunnen togt, geheel zorgeloos opreis; gaen vrees voor overrompelende golven, voor eenen fchielijk opkomenden ftorm , die hunne Vlugt zoude kunnen wederftreeven, beteugelt hunnen moed; met eene rcdenlooze vogeldrift veiv laatcn zij hunne nesten, hunne gaden, en jongen, om te zorgen voor hun onderhoud, en keeren, niet voorraad belaaden, Weder tot hunne rotfige wooning, Eö  ï. BOEK. En denk ik op die gantfche heiren vogelen, welke, door een hooger magt aangedreeven, in «en geregelde orde over wijde zeeën , naar verre landen heentrekken, dan hier, dan ginds, in verfchillende ftreeken des aardbodems zig onthouden; en welligt dezelfde plaatfen bezoeken , dezelfde nesten bewoonen , die hunne gedachten in voorige jaaren bouwden; die zonder plan, zonder oogmerk, zonder befluit, en zonder overdenking, den oord verlaaten , waar hunne behoeften vervuld werden, om eene andere dreek optezoeken, daar hen geen beter lot te beurt zal vallen; die zig eene altijdduurende vreemdelingfchap getroosten, om de onwederdaanelijke aandrift der Natuur gehoorzaam optevolgen, dan vraag ik: wie gaf deeze vogelen die aandrift ? — wie gaf hun dien moed en die krachten? — wie beduurt hunne vlugt, en bedemt den oord van hunne rust? — wie anders, dan de algemeene Vader zijner fchepfelen ; de liefdevolle Verzorger der menfehen , welke juist op die dranden, op die eilanden, veele fchaaren van hongerige menfehen, op dit jaarlijks voedfel, dat hun het vleesch, en de eieren van deeze vogelen verfchaft, ziet wachten; en die eenen godlijken wellust vindt in hunne nooden te voldoen? — hoe veele bewooners van onvruchtbaare oorden, daar geen boom vruchten, en geen planden voedzel geeft, zouden , zonder deezen toevoer , van gebrek vergaan, H 4 en  J2<» i I. BOE K. en hun noodlot vervloeken! - Aanbiddelijke -Voorzienigheid! die overal de behoeften van uwe fchepfelen gadeflaat; en, terwijl Gij men* fchenheiren verzadigt, het eenzaam fchulpvischjen, op den bodem der zee, niet vergeet; hoe eer ik uw alvermogen! hoe dank ik uwe goedheid! en hoe gaarne kniel ik ootmoedig voor uwe' hoogheid neder! voorzeker uwe magt is eindeloos, en uwen zegen wagten de eilanden. Met zulke gedachten ftond ik op het verdek; het zweeven, draajen, en duiken Van deeze vo* gels aanteftaareu; en dit gevleugeld gezelfchap was mij welkom: Cheri zelfs fcheen bij dit gezicht een herinnering van zijne landelijke genoegens te ontvangen — hij ftak zijn' kop in de lucht, zijne oogen brandden, en zijn ftaart kwispelde, van eenen hevigen aandrift, om na zijne voorige gewoonte deeze vogelen te achterhaaien ; doch hij bemerkte de bepaaldheid van zijn verblijf - blafte vuurig, en zag mij aans als of hij zeide : „ Meer kan ik niet." X X V. „ Die met fchepen ter zêe vaaren , zien Góds wonderen "en zijne almagt in de diepte:» zong,  I. BOE lv. 'Ï2Ï song, reeds voor meer'dan twintig eeuwen, een heilig Dichter : Was dit toen reeds waar, toen die wonderen, in vergelijking van deezen tijd', zeer weinig bekend" waren, daar de menschlijke vinding en moed nog niet rijp genoeg waren, om zig een' weg tot haare diepfte geheimen te baahén; mèt hoe veel te meer nadruks , kan men dit nu hem nazingen, na dat de toeneemende wetenfchap de verfchiliende wereldbewooners in ftaat Helde, om wijde oeverlooze zeeën te bezeilen-, om de gantfche aarde , van den noordtot den zuid-pool rondtezwerven ; en om in nooit bevaarene ftreeken, onder eenen anderen hemel, op een nieuwe wereld, die wonderen in'grooter menigte, in een majestueufer fchoonheid optefpooren , die mij nu reeds zoo gevoelig treffen, in het eenvoudig, maar akelig tooneel dat thans voor mij ligt. En wat denkt mijn vriend dat dit is ? — waarlijk niets anders, dan een geheele keten van dorre rotzen of klippen, welke uit de diepte des Oceaans oprijzen, eri hunne graauwe toppen met eene dooddreigende grimmigheid, uit de golven opfleeken; doch welke mij, door eene oogenbliklijke nagedachte , over het ontzettend gevaar dat zij dreigen , doen huiveren , en van ontroering wegkrimpen. Wij, op de rechte ftreek , door een goeden wind en heldere lucht geleid, laaten hun thans op een veilig pad H 5 ter  Ï2.1 r. BOE K. ter zijde liggen , en zien dezelven zonder vreezt: maar welke ontzachlijke verfchijnfels moeten zij voor eenen zeeman zijn, die dooreenen ondoorzienlijken nevel, of door een donkeren nacht misleid, of door een woedenden ftorm geilingerd , zig eensklaps voor dezelven ziet, en het gevaar dan eerst ontdekt, wanneer hij'het niet dan met doods benaauwdheid ontkomen kan l — en hoe veel akeliger nog voor hem, die door een' ftorm tegen dezelven aangedreven] zijn kiel te barsten ftoot, en met dezelve verzinkt in die ontzettende diepte, daar verderf en dood heerfchen. En hoe menig fchip, werd op deze, en andere klippen, door een' ftorm neêrgefmeeten, en rampzalig verbrijzeld ! hoe veele menfehen ftnoorden hier in de golven, of reddeden hun Ieven op een wrak 1 — welligt om nog duizend dooden te fterven , en jaaren in ellenden wegtekwijnenl Welke onnoemelijke fchatten, wat al kostbaai-e goederen, met moeite en arbeidzaam zweet verzameld, of door onrecht en roverijmet zielsbenaauwdheid verkregen, zonken hier neder, om nooit door hunnen eigenaar bezeten te worden! wat al wonderen der Natuur, hoe veele fchoonheden der kunst, aan wier voordtonging mepfchenvermogens, en menfehen- lcef.  I. BOE K. 123 leeftijden verfpild waren , gingen hier verboren , en werden een prooi des verderfs! hoe veele bezittingen , op welke de hoop des eigenaars rustte, naar welke de onverzadelijke gelddorst fmachtend uitzag, naar welke welligt ook de verfchoolen behoefte — in ftilheid verlangde— vcrdweenen hier in de diepte der vergetelheid, en riepen den te leur geftelden verwachter toe: „ Zet uw vertrouwen niet op het goed ! " Proeven genoeg zeker , dat deeze klippen tot de wonderen der Almagt in de diepte behooren. „ Almagt " leest elk op dezelven die denkt; en zijn hart klopt,vol eerbied,voor den God der Natuur: hoe veele duizenden kunnen ook, in deeze geduchte verfchijnfels, de gedenktekenen eener reddende goedheid vinden, terwijl een traan van dankbaarheid in hunne oogen zwelt! of zou hij, die gelukkig deeze klippen ontkwam , het alleen aan toevallige oorzaaken , en niet aan die bewaarende goedheid toekennen , dat zij hem niet dodelijk wierden ? wie tog befluurt de toevallige oorzaaken ? ftorm, nevel, en de voorzichtigheid des ftuurmans , alles immers is in de hand , en werkt naar het plan, van dien God, in wien wij leeven, ons bewegen en zijn. Zeker, ook op het land, ook in een eenzaam boschjen, aan een effen vijver , in de ftille  124 I. B O E K. ftille kamer, waar wij, van niets dat ons vreezen doet, omgeeven zijn; overal wordt ons broos en nietig leven met gevaaren gedreigd: het treffend gezegde van den zielvolften Dichter: „ Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur," wordt dagelijks bevestigd; en wanneer eene goediglijk waakende Voorzienigheid , die altijd dreigende gevaaren niet telkens afweerde , dan zouden wij wel rasch in ons niet weder wegzinken; evenwel dit is ook zeker, nergens hebben wij die befcherming méér noodig, dan op de woeste zee, waar de dood ons, met duizenden van pijlen gewapend, roofgierig beloert, en Gods bewaarende hand alleen, elke pijl, die ons leven niet vernielen zal, telkens met zorgvuldige goedheid moet afwenden. De zeeman, zou men dan natuurlijk zeggen, de zeeman kan niet anders dan godsdienftig zijn; hij, die in zoo veele gevaaren leeft , ; en een veilige fchuilplaats tegen dezelven, bij de Goedheid, bij de -Almagt zeiven vinden kan — zou die ze niet zoeken? en dan rustig zijn onzeker lot, wel bewust, dat, hoe het uitvalle, het altijd goed weezen zal , van zijne beftuuring afwachten ? dit kan de godsdienftige zeeman; en welk een gelukkig mensch is hij dan! maar hoe fchaars is hij te vinden I waar ontdekt zig meer ruwheid, meer losheid, en onïndrukbaarheid voor de luidfpreekende , en ernftige waar-  i. BOEK. 123. waarheden, die de bijbel leert , en die hunne eigene ervaring zoo duidelijk bevestigt ! bij wten vindt men minder aandacht op de ftem van 't geweeten, dan bij den zeeman, die haare getrouwe waarfchuwingen, door alle de ontzettende Hemmen der Natuur , door lucht en afgronden, door ftorm en onweders , dagelijks hoort aandringen? terwijl de dood hem in verfchillende geftalten aangrimt, bereidt hij zig geheel niet tegen den dood, en denkt 'er niet aan, voor dat zij hem aangrijpt: tegen de roerendfte tooneelen,die hij geduurig ziet,verhardt hij zig, en vermoordt tevens zijn geluk met zijn gevoel; een nieuw bewijs, dat de mensch, een wonder geheimzinnig wezen, en dat de deugd zeer moejelijk is! XXVI. 'Er is een ongewoone branding op zee, de golven donderen en fchuimen fterker, zij rijzen trotfche r , daalen dieper, en flaan met onftuimig geWeld tegen elkander aan ; wij moeten of digt bij 'land,of omringd zijn van verborgene klippen, op wier fteenigen rug de golven zig breeken,en daar door deeze beweeging veroorzaaken— dit laatfte denkbeeld maakt mij eenigzins akelig. Een onzeker en verborgen gevaar, is meer benaauwend dan dat , waartegen men zig door vooruitzien wapenen kan — doch welligt  120 ï- BOE K. ligt is ook het eerlte waar; en waartoe dan de onrustige vrees? Sedert wij de Canarifche Eilanden voorbij zeüden, hadden wij - een paar dagen windftüte uitgefloten - geftadig goeden wind , en maakten goeden fpoed; maar zelden behoefden de matroozen de zeilen te veranderen; de Huurman leidde meestal het fchip met het enkelde roer de effene zee door, en zachtjens aan, zeilden wij de nieuwe wereld binnen: 'er zwerven dikwijls Zeehonden rondom ons heen , en ik zie ze gaarne,om dat zij goed weder verkondigen; de fcheepslieden vangen 'er fomwijl, doch meer visfchen zij naar andere groote, en in mijn vaderland geheel onbekende, water-dieren; dit werk geeft de matroozen eene nuttige bezigheid, en fomwijl eene aangenaame ververfching tusfchen de drooge fcheepskost , diemaar wad* , ik hoor een vreemd geroep , en ga even naar buiten. Goede tijding, lieve Karei! wij zijn in 't geacht der Kaapverdifche Eilanden; de matroos die inden mast klom, bericht ons derzelver 1'gging : voor ons oog , hier beneden op het fchip , is nog niets zichtbaar; en den fcheepsjongen naateklimmen , valt niet recht in mijn' fmaak;  ■ti BOE K. 137 fmaak; zonder eene angftige huivering zie ik hem nooit, langs zijn kabelladder,met de vlugheid van een eekhoorn in onze bostenen, den fteilen mast beklimmen, en met de gerustheid van eenen vogel op den beweegenden tak van eenen trotfehen Den, in zijn top zitten, terwijl de golven, onder hem , fchuimen en brullen, en zijn tuimelend verblijf doen fchommelen o! hoe goed is het ook dat Natuur andere geniën, andere harten fchiep dan het mijne, Karei! Intusfchen verheugt mij dit mastbericht ,,fchoon ik niet geloof dat de ftreek , welke ons fchip neemen zal, zoo digt langs deeze fchoone vruchtbaare, en gematigde Eilanden ligt, dat mijn oog zig in hunne fchoonheid verkwikken zal. Ik weet nu de oorzaak der ongewoone branding; ik weet dat wij voorderen op onzen weg; en wiste ik dit ook niet, dan zou eene enkelde blik op den ftarrenhemel, bij eenen helderen nacht, mij overtuigen , dat ik mij meer en meer van mijn Vaderland verwijder , en het zuidelijk halfrond nader ik zie thans geheel andere geftarnten, dan ik, in dit jaargetijde, daar immer zag; en fommige van die, welke ik daar kende, ontvluchten, mij hier. Gij weet, Karei! ik ben een volflagen vreemdeling in het gewest der ftarren: de naamen, het getal, van die duizenden van flippen, die in het blaauw azuur flonkeren, de bepaaling van der-  123 1. BOE K. derzelver grootte en afftanden, is mij een on= doorzoekelijk geheim; maar op den blaauwen^ met zonnen bezaaiden hemel, te Haaren, en in al dien gloed, in al den glans, de vonden.van het eeuwig licht te zien ftraalen ; bij deeze won-, deren van godlijk alvermogen de kleinheid van den ftervelijken worm, den mensch, te gevoelen, die, op deezen kloot geplaatsti bij alle de onbeantwoorde vraagen van zijn leergierig, verftand, niets doen kan, dan zig verwonderen en aan-, bidden; dit, weet gij, was bij fchoone nachten altijd mijne geliefde bezigheid; en, zonder den naam of grootte van fommige ftarren te weeten, leerde ik eenige derzelven kennen , en merkte ook in den hemel, de wisfeling der jaargetijden, of liever den voordgang van onzen kloot op haaren hemelkring, duidelijk op„ Nu zie ik op, en alles fchijnt verplaatst ~, ik zie eenen anderen hemel boven mij, die mij bevestigt in eene waarheid, welke mijn hart zoo diep gevoelt, dat ik een vreemdeling, een omzwerver op de aarde ben en mij al verder en verder van die wezens verwijder, waarin het eens al zijn geluk vond • bij deeze gedachten moet ik zuchten, Karei! en ik wil tog niet moedeloos zuchten; ik wil danken voor al het goede, dat mijn lot verzacht. Hoe voorfpoedig is tot nog toe onze reis! zou  1. BOEK. 129 zou ik in dien aauvangelijken voorfpoed geene voorfpelling voor de toekomst durven maaken? doch neen; dit ware geheel onvoorzichtig; dan zou een ftorm, die welligt eerstdaags op handen is, ook die hoop even rasch vernietigen kunnen : het gaat tog op de zee, even als in het menschlijk leven; kwaade dagen volgen de goeden op, en na regen komt ook weder zonnefchijn: en dit alles heeft verhand met elkander, als deelen van het fchoone geheel; als middelen tot het groote plan, 't welk de eeuwige Wijsheid in de vorming der menfehen bedoelt. XXVII. „ De fchoonfte morgenwolk braakt 's avonds blikfemvuur :" zong onze geliefde Dichter i op een oogenblik, waarin hij, ook uit de verfchillende natuurverfchijnfels , de onbeftendigheid van al het ondermaanfche wilde betoogen; maar hij zong dit op den bodem van zijn Vaderland ; had zijn opmerkend oog de fnel verrasfende zeeverfchijufels waargenomen , hij had den tijd der verandering niet van den avond tot den morgen, maar veel enger , van het eene uur tot het andere bepaald — het verfchijnfel dat ik zoo even waarnam, levert een voorbeeld daarvan op: geheel vrolijk rees de zon, deezen L deel. I mor-  130 I. BOEK. morgen, met fchitterende ftraalen gehuld, boven de ftatig tuimelende golven op, en naa den nevelachtigen dag van gisteren, was haare verfchijning mij zeer lief — de lucht was niet ongewoon drukkend, en de wind waaide eene frisfche koelte — ik ftaarde op mijn gewoon verfchiet, de bcweeging der golven, en zie op een oogenblik , een paar mijlen van ons verwijderd , een witte plek op de zee; ik hoorde intusfchen een dof dreunend geluid , even als van eenen in de verte rommelenden donder; doch het fcheen niet in den dampkring, maar onder de zee voordterollen ; het fchip werd gefchokt, even of het zig zachtjes tegen eene rots aanltiet; en op het zelfde oogenblik verfchijnt 'er een dikke wolk in het zuidwesten; eene foort van kolom daalde uit die wolk neder, en eene andere rees ten zelfden tijde uit deeze witte plek der zee op, die zig met elkander, en lucht en zee, te zamen vereenigden grootsch was de vertooning , van een zoo fchoone kolom , wier breede voet op de zee rustte, terwijl haar midden een dunne holle cijlinder fcheeft, in welken het op-en neder-vloejende water, een fchoone zichtbaare beweging maakte , terwijl rondom dezelve, de zee in eene hevige fchuddiug, woelde en dampte, en de zon deeze dampen prachtig vergulde — lang had ik na de verfchijning van een hoos begeerd , doch het trotsch gezicht van dezelve overtrof mijne verwachting ; evenwel ik dankte den Hemel, dat dit ver- fchijn-  i. BOE K. isi fchijnfel, flechts op eenen zoo verren afftand van ons fchip zichtbaar was; en was blijde,toen het allengs afzakte, wanneer deeze fchoone kolom barstte, en hiermede het gevaar verdween. Wie kan dit verbazend fnelle, dit ontzettende waterverfchijnfel zien, en zijne wonderlijke kracht , om boomen te ontwortelen, om zelfs paleizen omtewoelen , en op den Oceaan fchepen te vergruizen , gelooven , en geen eerbied gevoelen voor Hem, die de dampen doet opklimmen uit de zeel Ik bert zoo weinig Natuurkenner als Starrekundige ; de krachten der Natuur te weegen , is voor mij zoo wel een te groot werk, als den loop der draajende hemellichten naatefpooren , maar elke onderrichting in deeze verhevene wetenfchap is mij lief — en vindt mijne nieuwsgierigheid een gids , die haar op het aangenaam pad der Natuurkunde geleiden wil, hoe garen volg ik zijn fpoor; ik ga daar, bewust van mijne onervarenheid, gerust op voord; en de uuren die ik hierin hefteed, rolden mij altijd allergenoegelijkst voorbij. En geloof ik dan op het getuigenis van dieskundigen, dat deeze, en meer andere verfchijnfels, enkel de uitwerkfels zijn van een vuur, dat aan alle oorden der aarde, dat in haare I 2 diep-  13? L BOEK. diepte kolken fclmilt — dat onder de laagte zeebedding woelt en kookt, en flechts op toevallige, welligt zeer geringe oorzaaken, die het in eene terkcre beweeging brengen moeten, wacht, om verfchijnfels te vormen , die land- en zeereizigers verbaazen, en doen gevoelen , dat zij nietige menfehen zijn; een vuur, dat, daar het de ingewanden der aarde te eng voor zijne werking vindt, dikwijls lucht zoekt, en uit den gaapenden mond, der vvolkenboorende bergen geheele ftroomen gloejende Lava vloejen doet; dat geheele teden doet wegzinken , landftreeken vernielt, koningrijken doet beeven; datzeeën doet bruisfehen en fchuimen, en akelig loejen; dat in haare diepe afgronden hooien graaft, die draaikolken en maaldroomen vormen; dat in den dampkring beurtelings orkaanen en donders brullen, en blikfems en weêrlichten flikkeren doet; dat waterhoozen en nevelen fchept; dat zelfs hier en ginds uit den boezem der zee eilanden doet oprijzen, en die elders in dezelve doet wegzinken, terwijl hun lot, en zelfs hunne juiste plaats, onbekend is , en vergeeten wordt ! geloof ik dit, wandelt mijne verbeelding op de kronkelende paden des afgronds; ziet zij in het harte der aarde, dat gloejend vuur, alle de oorzaaken die het aanblaazen, alle de doffen die het voeden; dwaalt zij dan, met deeze beelden voor zig, den ruimen aardbol rond ; denkt zij de gebeurtenisfen der vroegere  L BOE K. 133 •gere en laatere eeuwen naa ; Haart zij op de wonderlijke verfchijningen welke daar op voorvielen — de ontzachlijke uitwerkingen , die zij hadden — de geduchte veranderingen, welke zig hier en ginds op kleine vakken vertoonden, en de gedaantewisfeling , welke de geheele aardkloot door dezelven onderging ; en de juiste orde waarin zij bij alle die verwisfelingen , gefcbraagd ■door een alvermogende kracht, blijft, en voordduurt ; hoe verbazend, hoe groot, hoe ontzachlijk wordt mij dan de Natuur ! hoe oneindig haar Schepper! en hoe ligt valt het mij dan te gelooven aan de waarheid die de Bijbel leert, dat de aarde eens door vuur zal gezuiverd, en in die gedaante herfchapen worden, welke de hoogfte wijsheid, en de tedcrlte goedheid voor haare toekomftige bewooners het allergefchiktlte keuren zal. Hoe oneindig groot moet dat Wezen zijn dat de aarde, dat de geheele Natuur zoo grootsch, zoo fchoon, en tevens zoo ontzachlijk daarfkTde ; die haar zulk een tweevoudig vermogen gaf, dat zij, terwijl zij ons aanlacht, koestert, en bij elke blik de vreugde in ons hart doet Aroomen, tevens eene menigte wapenen fmeedt tot vernietiging van haare eigene fchoonheid, en van de fchepfelen , welke die genieten! zeker voor dat Wezen moet elk aardbewooner, of Adderen als een blad, of vreezen als ee.i kind. I 3 Za-  J34 I. BOEK. Zalig denkbeeld: „ de geduchtfte zeeverfchij„ ning, het akeligst landtooneel, alle de verza„ melde krachten der geheele fchepping, kunnen „ ons niet vernietigen , zelfs niet fchaden , „ zonder de toelaating der eeuwige almagt: „ gekluisterd aan de ftaalen keten der Voor„ zienigheid, kan 'er geen ééne in werking ko„ men zonder haaren wil; en die wil kan nooit „ tot mijn wezendlijk ongeluk befluiten „ zelfs dan niet als Hij mijn ftof in de winden „ verftrooide:" zoo tog mag een christen denken , die, bij al de bewustheid van zijne onwaardigheid en nietigheid , in eene eindelooze barmhartigheid gelooft, en den Verlosfer welken zij fchonk, aannam — hoe vruchtbaar is deeze gedachte in zalig vertrouwen ! XXVIII. Al wiste ik niet, dat wij federt lang onder de verzengde luchtftreek zwerven, zoo zou de brandende hitte, in welke wij ademen mij dit leerrcn. De lucht drukt ons met een loodachtige zwaarte neder; het ademen is moejelijk; geen enkel windjen fchudt den zwaarbeladenen dampkring, noch koelt ons gloejend gelaat, en het wand hangt Hap als een verwelkt blad : wij liggen beweegenloos op een volmaakt gladde zee; doch de he-  I. BOEK. 135 hemel is, dank zij de Algoedheid! digt betrokken ; fchoot de zon thans haare ftraalen op ons neder, dan zouden wij door de hitte verfinopren; maar die weldaadige verzorger geeft ons de wolken tot gordijnen; en wij verfmacnten niet. O! hoe verkwikkend zou thans een koele regen zijn, voor zulken aamechtigen reiziger als thans uw matte naar versch water dorltige, en zelfs tot fchrijven lustlooze vriend is. XXIX. De benaauwde hitte veroorzaakt veele ziekten onder het bootsvolk: nu en dan fterft 'er een weg, terwijl anderen in de benaauwdheid van eene koortfige hitte, naar den laatften adem fchijnen te fmachten: zoo wel het lijden deezer menfehen, als de omftandigheden, welke hetzelve vergezellen, wekken mijn mededoogen op, en hunne laatfte uitvaart maakt mij droevig ; terwijl de gedachte : „ misfehien wordt dit ook mijn lot," een fomberer fchaduw over deeze treurige voorwerpen verfpreidt. Zoo even zag ik op fcheepswijze de laatfte eer aan het lijk van een der braaflte matroozen bewijzen: het was een jong mensch, wiens gelaat zeer weinige indrukken van de ruwheid van I 4 zijne  Ï3<5 I. BOEK. zijne levenswijs ontvangen had; de menschheid was 'er op getekend, natuur fprak in zijn hart, en hij was echtgenoot en vader — alle zijne gefprekken , zijn laatfte groet, welke hij den Capitcin voor zijne vrouw en kinderen achterliet, ademden tedere liefde, en bewezen duidelijk dat ftandvastige trouw zoo wel onder het ruw matroozenklecd, als onder de eenvoudige herderspij fchuilen kan — meer dan eens heb ik hem in zijne ziekte bezocht, en over de eenige wijze om wèl te fterven met hem gehandeld; doch, overwonnen door tegenwoordige fmerte, hechtte hij weinig op zijn toekomftigen (taat; en de naderende eeuwigheid had voor zijnen bedwelmden, door lijden afgemattcn geest , zoo min akeligheid als vreugde; in deeze fluimering verliet hij den tijd, en het ftof—en vol nagedachte, vol medelijden — ftaarde ik op zijn lot, en wijde hem een menschlievenden traan : hij beminde de zijnen , en moest, verre van hunne hulp, van hunne zorg en medelijden verwijderd, onder vreemde, ruwe reisgenooten fterven ; moest hen welligt in kommer en behoefte achteiiaaten, terwijl hij den troost miste van hun een laatst vaarwel zelf te kunnen gecven — en, dat meer is, geen Godsdienftige troost, geen blijde hoop van wederzien, verzachtte zijne fmerten toen — toen hij alles wat hem lief was, achterliet , en een onbekende weFeld inftapte: nu zonk hij daar weg: geen doodklok bromt bij zijn graf, geen fpade delft zijne rustplaats in, den  I. BOE K. 137 den boezem der aarde; neen, een plank is zijn doodkist, en de golven zijn zijn graf — hij zinkt in dezelve op den bodem der zee neder , en word een prooi van het verllindend gedrocht, dat om hem fchuifelt ■— geen bloedverwant, geen vriend geleidde hem naar zijne laatfte wooning, geen traan befproeide zijn lijk: een koel—„Het is jammer,' hij was een braaf karei" — is de loffpraak van zijne makkers: zij binden hem op eene plank ; werpen hem weg; een ander vervult zijne plaats ; en hij is rasch geheel vergeeten. Ondertusfchen reist hem welligt zijne verlaaten echtgenoote, van haar ongeval onbewust, met haare gedachten naa; fpreekt met haare kinderen van hunnen reizcnden vader; denkt aan hem, bezorgd voor zijn gevaar , bij eiken bulderenden ftorm; beeft bij kwaade fcheepstijdingen voor zijn lot; berekent met een pijnlijk verlangen , de waarfchijnelijke maanden van haare eenzaamheid, en fnakt naar zijne wederkomst: en met welke eene bezorgde nieuwsgierigheid, met welk een rusteloos verlangen, zal zij de eerfte tijding van het wedergekeerd fchip tegenijlen , vraagen naar haaren Nikolaas — en dan niets als zijnen laatften groet, met zijne geringe nalatenfchap wederkrijgen ; terwijl zij zijnen naam op de lijst der dooden leezen, en uit de dagtekening van zijn afflervcn I 5 zien  138 I. BOE K. zien zal, dat de man , aan wien zij nog als levend dacht — naar wiens wederkomst zij zoo hartelijk verlangde , reeds , maanden lang , een prooi der verrotting was. Hoe treurig maakt mij deeze befpiegeling bij eenen dooden, op welken Natuur, en lotgenootfchap mij te veel betrekking geeven, om hem niet een gevoelvolle zucht natezenden : welligt zink ik hem eerlang in deeze diepte naa, terwijl dan niemant over mij zucht! bij deeze herinnering gevoel ik geheel, dat ik een zinlijk mensch ben; en ik huiver op deeze gedachte! O Karei! hoe zou mijne arme moeder bij zulk een bericht te moede zijn! — en evenwel, deeze matroos en ik, zijn immers wezens van dezelfde ftof; en de kleine onderfcheiding , welke het lot of de geboorte tusfchen ons maakte, wordt door de dood niet erkend; doch ook bij deezen geltorvenen, gevoel ik het heil van den godsdienst , die alle fcheiding ligt maakt, en alle traanen droogt; en zonder welke het leven niet is — dan een geltadig fterven. XXX.  L BOEK. 539 XXX. Mijn wensch is vervuld, Karei! uw vriend en zijne matte fcheepsgenooten worden verkwikt door eenen milden regen: hoe aangenaam zijn deeze ruifchende droppelen! zou het verbeelding zijn, of hebben zij een landelijke geur bij zig? zouden de wolken, waaruit zij daalen, van vergelegene oevers komen aandrijven, en uit de wafem van boomen, planten, en een milden grond opgerezen zijn ? of.... maar wat lcheelt mij dit? zoo veel is zeker, hunne koelte is allerverkwikkendst; de lucht is zuiverder, de adem ruimer — ik voel mij levendiger en vrolijker, en een ondraagelijk pak fchijnt van mijn ziel ^ zoo wel als van haare wooning , afgewend ; een frisfche teug van dit verfche water fterkt dunkt mij het hart , wij verzamelen het door alle mogelijke middelen; de zeilen zijn tot gooien en regenbakken gefpannen , en onze vaten worden vol. Hoe zeer vertoont de waanwijze ontkenner eener allesregeerende Voorzienigheid zijne onkunde, wanneer hij dit gewoon natuurverfchijnzel, dat zig regenwolken in de zee ontlasten , een nutlooze verkwisting noemt; en door deeze onnozele Helling, voedzel zoekt voor zijn troostloos  Ho J. BOEK, loos ongeloof! hoe zwak is het wapen, waar. mede hij de fchoonfte waarheid beftormt.' — zeker de eenvoudigfte fchêepsjonge, die'zijn werk in den verkoelden dampkring minder loom en met meer gemaks verricht,kan hem zwijgend' wederleggen. De regen op zee, die de bennette lucht, in welke zoo veel duizend zielen ademen , zuivert; die de ledige watervaten van zoo veele dorftige zwervers vervult, die zou overtollig zijn! welk eene dwaaze (telling! zeker hij ontwikkelt hier geene zaaden, hij verkwikt geene kruiden; zijne milde droppelen glanzen op geen lagchende bloemen; maar hij voedt, hij onderhoudt , hij verfterkt menfchen-levens, en doet zielvolle traanen van waare dankbaarheid , er» vreugde in het oog van gevoelige wezens glimmen , die hemelfche geesten , ja wat zeg ik die den Opperzegenaar wélgevallen, en tot nieuwe weldaaden opwekken. Hoe wijd, hoe eindeloos zijn de grenzen binnen welke Gods goedheid werkt! hoe ruim is zij de geheele wereld door verfpreid! daar, waar menfehen, van de hulp hunner Natuurgenooten ontbloot, op zijne genade drijven; daar, waar zij in vergeetene oorden, in kommer en behoeften zouden verfinachten , daar ziet hen God, en zorgt voor hen; geen hoekjen op de wereld w rdt van Hem vergeeten: het woest gedierte der nooit bezochte wouden brult Hem in zijne ho-  L B O E K. 141 holen dank tegen ! zelfs de eenzaame distel deibarre zandwoeftijnen, dien Hij zaaide voor het infecfdat op hem zijn wereld vindt ,ruischt in zijne ftekelige bladeren loftoonen aan die goedheid toe: in den meestverfchoolen oord der wereld , waar nooit geen menschlijke voet ruischte, waar nooit geen menschlijk oog kon indringen , daar zijn milioenen onzichtbaare levens, die elk op hunne wijze, die goedheid gevoelen, en die door hun aanzijn eeren. Men behoeft alle de wonderverhaalen der reizigers niet te gelooven , om de onbepaaldfle goedheid van den Heer der wereld te erkennen; dit doende, zou men zeker dikwijls gevaar loo« pen, om zijne aangenaamfte en edelfle gevoelens op herfenfehimmen te laaten werken. Mij heugt nog hoe in vroeger leeftijd, toen ik minder nadacht en ligter geloofde, de befchrijving van een' wonderboom op het rotfige eiland Ferro , die deszelfs matte bewooners geheel fchadeloos Helde voor het gemis van den vruchtbaaren regen, die nooit deezen dorren grond befproeit, wiens breede takken een geheel fchaduwrijk bosch formeerde, wiens kruin altoos door een zwaare wolk die hem tot een milde bron verflrekte , gedekt was, en wiens bladeren altijd vloejcnde bceken waren, welke dorfiige menfehen, aamechtige kudden, en zelfs de drinkvaten der voorbij zeilende fchepen vervulden; mij heugt nog, welk  142 I. BOEK. welk eenen aangenaamen, van godsdienftige gevoelens verzelden indruk , het denkbeeld van deezen boom op mijn hart maakte : toen ik meer nadacht, gevoelde ik meer zwarigheden in zijn aanweezen, en ik zocht, daar ik dit fierlijk verfchijnzel tog gaarne in de fchepping wilde behouden, den grond voor zijn beftaan in Natuur- en aardsrijks-kundige boeken, doch vergeefs, en vond eindelijk de onaangenaame zekerheid dat deeze geliefde boom nooit anders, dan in de herfens van op wonderverhaalen verzotte reizigers beftaan had, en al het vergenoegen dat ik door hem ontvangen had, verdween met hem in ijdelheid. Doch het aangenaam gevoel van eenen alom zelfs op rottige eilanden, weldaadigen Schepper] is niet met hem verdweenen; duizend zekere berichten, eene menigte eigene ervaaringen houden dit telkens levendig ; en ik hoor — als mijn hart 'er Hechts vatbaar voor is, de geheele fchepping door , dien zachtftreelenden fchoonklinkenden toon: „ God is liefde." Nog korts geleden gebeurde 'er iets op de zee, dat deeze gevoelens een aangenaam voedzel gaf — Ik zag verfcheide kokosnootcn heendrijven , voorbij ons fchip ; rijpheid , ftorm , of andere toevallen hadden deeze vruchten misfehien van de boomen doen vallen, welke den  I. BOEK. 143 tien oever van een nabuurig of afgelegen eiland befchaduwden : waar hunne geboortegrond lag __ Waar de plaats hunner bedemming was, weet ik niet ; ik zag ze maar heendrijven , en verloor die binnen kort uit het gezicht terwijl ik mij voordelde, dat zij op dit of dat eiland, welligt tot zulk een, daar deeze boom tot nog toe onbekend is, aanfpoelen, en daar mogelijk een rampfpoedigen reiziger die naar dezelve verlangde , verkwikken zouden : fommige deezer vruchten, dacht ik, zullen daar misfehien wortelen , en hoornen worden, die, gekoesterd door daauw en zonnefchijn, de behoudenis van veele menfehen zullen zijn : geen klein vogeltjen dat de lucht opfnellc wiekjens doorzweeft , valt krachtloos ter aarde zonder Gods wil; geen nietig, naauwlijks zichtbaar hair, groeit op onzen fchedel, of God weet het, en voedt het; en zouden dan deeze wegdrijvende kokosnooten , niet door zijn alverzorgende goedheid beftemd kunnen zijn , tot grooter oogmerken dan het kortzichtig oog daar op vluchtig leezen kon ? — op deeze wijs is een menigte eilanden beplant — eene menigte fchipbreukclingen behouden — en Hij, die de roepende raven hoort, was nimmer doof, voor de zuchten van een lijdend mensch, maar vervulde zijnen nood. Door de geringde dingen, worden fomwijl de grootde oogmerken bereikt,en dooreen drijvende  144 I. BOEK. de kokosnoot kan de voorfpoed van een land bloejen— welligt dacht ik toen, zal de boom, welke uit een deezer vruchten opfchiet, over lange jaaren, misfehien over eene eeuw, het bezwijkend leven van eenen in zijn vaderland geëerbiedigden zeeheld onderfteunen; of welligt zal onder de fchaduw van deezen boom eens een groote, en waarlijk edele vriend der deugd, vol eerbied knielen voor zijnen God, en gewijde traanen zullen het gras befproejen , dat onder hem opfchiet welligt zal deszelfs vrucht den dank der wereld verdienen , in den man te behouden, die eens een zegen zijner eeuwe, en een roem zijner natie zal weezen. En welligt lacht mijn Karei, om de vlugge wandeling van zijnen vriend in het donker Rijk der mogelijkheid; maar ook daarin vind ik het fomwijl goed, en aangenaam voor mijnen geest, zoo lang als de reden mijne treden beftuurt, en mijne verbeelding in geene mogelijke onwaarfchijnelijkheden dwaalcn doet; en dit is hier het geval nog niet. Hoe veele ondervindingen van vroegere eeuwen, of hoe veele wonderlijke lotgevallen , gevaaren en reddingen, van door 't ongeluk bijnaverloorenemenfehen,geevenvoedzel aan dit romaneske denkbeeld, en leverden de verwen tot mijn tafereel van mogelijkheden! Hoe veele groote dingen fprooten uit onaanzienlijke beginfelen!—in de kleinfte, de minst aanmerkelijke ver-  L BOEK; ï4< verfchijnzelen, is de kiem opgeflooten van lotgevallen, welke naderhand geheele natiën verbaazen zullen Onzichtbaar is fomwijl de eerfte fchakel van eene keten van gebeurtenisfen, die in geene eeuwen eindigt: het aldoorgrondend oog der onnafpoorelijke wijsheid overziet die reeds geheel zij begint die reeds te werken, en haar doel te ontwikkelen , wanneer wij, kortzichtige wezens, nog naauwlijks eenen vlugtigen blik daarop werpen; Alle gedachten , alle beelden die mij in het zalig geloof van eene alregeerende Voorzienigheid bevestigen kunnen, kweek ik zorgvuldiglijk aan ; en hoe onvergelijkelijk veel aangenaamer is het mij, mijn geheele lot, de kieinfte toevalligheden die het verzwaaren, of ligt maaken, niet uitgezonderd , aan haare beftuuring toetekennen , dan dezelve aan een willekeurig toeval te danken! — voor dit toeval , vliedt mijne ziel, als voor een wreed en dreigend nachtverfchijnzel te rug; en ik zou met hetzelve , zelfs den grootften voorfpocd, met eene troostelooze kwijniug gemeten; maar het denkbeeld dat God alles regeert, alles doet verfchiinen en verijdelen ; dat Hij zoo wel het lijden van den worm, die zig onder mijnen onbedachtzaamen voet kromt, als de kwellingen van mijn hart heeft afgemeeten , dit denkbeeld doet mij juichen, zelfs in den tegenfpoed. I. DEEL. K XXXI;  I4G L BOEK. XXXI. Toen ik deezen morgen ontwaakte , hoorde ik een luider geroep en fcheepsgewoel , dan ik gewoon ben; nog maar half gekleed, begaf ik mij naar buiten , en werd verrast door een belovend gezigt : het was een fnelzeilend fchip, 't welk ons zoo digt genaderd was, dat wij de Hollandfche vlag van zijne mast zagen waajen: eenige matroozen maakten de floep gereed om zig daar heen te begeven ; een ander poogde door den fpreekhoorn , die het geluid verre weg voert, de gewoone fcheepsgroeten en vraagen verftaanbaar overtebrengen; terwijl ik , in eene aandoening tusfchen verwachting en onzekerheid, met eene nieuwsgierigheid die in mijne oogen, zoo wel als in mijne houding fprak, luisterde ; doch hunne taal was onverftaanbaar voor mij: welligt, dacht ik , is dit fchip het onze al rasch opgevolgd, en naar de eigen kust als dit beftemd: ach 1 dan zal het zeker een' brief van mijne dierbaare vrienden met zig voeren ; ik zal iets van hun hooren! welke gedachte! hoe onrustig klopte mij het hart bij dezelve! < doch wel rasch verdween zij op het bericht,dat dit fchip naar eene andere Colonie beftemd was, en mij niets berichten kon. Dat  I. BOEK, 14? Dat dit teleurftellmg heeten mag , gevoelt gij , Karei ! doch evenwel kreeg ik eene genoegelijke gewaarwording door de bewustheid, dat Hollanders dit fchip bevolkten — dat het uit de eigene haven gezeild was, welke wij hadden verlaaten ; het had voor mij iets aangenaams , dat ik onder geen' naam brengen kan; en het was mij liever dan veele andere fchepen , welke ik, onkundig van het volk dat ze voerden , op eenen verderen afftand befchouwde. Ik zie thans eene menigte flippen op de zee verfpreid ,welke,naar hunnen meerderen of minderen afftand, de gedaante van fchepen vertoonen , wanneer ik dezelve door het telescoop bezie': van fommigen kan ik de flikkering der witte zeilen , wanneer de zon daarop glanst , duidelijk befpeuren ; doch hunne gedaantevertooning wisfelt gedurig af, en fomwijl verdwijnen zij geheel uit mijn oog, tot dat ik hen op een andere ftreek wedervind welligt zal 'er onder deeze fchepen één zijn , dat mijnen wensch vervullen zal: doch waarom laat ik mijne rust door die onzekere hoop ftooren? laat ik liever die gedachte , even als een onrijpe vrucht, wegwerpen, dan dezelve tot mijne fchade genieten. Ook dit denkbeeld geeft mij eenig genoegen: de zee is een tooneel, waarop eene menigteK 2 vol-  ï4§ J. BOEK, volken , van alle wereldoorden zamenvloeien, om elk hunne rol te fpeelen; die wijde vloed, die met onafmeetelijke ruimten de bekende werelddeclen van elkander fcheidt — die, naar men zeggen zou, de verfchillende volken onherftelbaar van elkander fcheuren moest, is juist de onfcreekbaare band hunner verëeniging; menfehen, die den noord- en zuid-pool bewoonen, kunnen , «door de zee , gemeenfehap met elkander houden; zij is de ruime weg, dien alle natiën betreden mogen , en de bron van zegen , welke de milde Natuur voor allen vloejen doet; waarop de Othaheiter en de Laplander het zelfde recht hebben, en die America en Europa beiden met overvloed verrijkt. Doch diezelfde zee is ook al te dikwijls, zoo wel als de aarde, het treurig tooneel van menschlijke rampzaligheid, waar onrechtvaardige heerschzucht de onnozelheid verdrukt ; waar de wreede fterkergewapende den onfchuldigen zwakkeren overwint; waar geweld het recht der Natuur verkracht; met dén woord, waar de woedende driften der menfehen , zig met die der elementen fomwijl vereenigen om 5er ellenden en dood te zaajen: moest dan de woeste zee nog woester worden door de boosheid van haare bevolkers ? is 'er dan geen verblijf in de wereld waar menschlijke woelingen geene onheilen zaaide, om fmerten inteoogften? O!  I. BOEK. 149 O! hoe zoet zou het zijn., wanneer menfehen en menfehen elkander broederlijk beminden; als elk aardbewooner , als elk zwerver op dit onherbergzaam element , waar hij met zijne lotgenooten aan dezelfde gevaaren en winden onderworpen is, en hetzelfde doel bejaagt; als elk vreemdeling, het zij hij het volkrijk Europa, of de eilanden der ftille zuidzee tot een moederland heeft, als deeze allen, elk in elkander, een'vriend, een' helper, een' bevorderaar van zijne belangen , en nooit een' vijand , geen' verader, geen' wreedaart, vonden l doch welk een wensch! hoe ijdel is hij zoo lang de beste mensch nog een fterveling is! eene andere wereld zal op deeze volgen, maar waar geregtigheid woonen zal. XXXII. Zulke akelige dagen als nu, heb ik op onze geheele reis nog niet gehad -— een dikke, ondoordringbaars nevel omringt ons; geen fcheepslengte kan men van zig zien — de golven die mij geftadig doen fchommelen , en de hemel die zig boven ons uitbreidt, zijn beiden onzichtbaar! de zeilen zijn meer dan half geltreeken, en de matroos heeft geftadig het dieploot om den grond te peilen in de handen: de ftreek is hier geheel bekend , en niet klipachtig, K 3 niet  I. BOEK. niet door maalMroomen onveilig, anders zouden wij zeker de ankers moeten doen vallen, en ftil blijven In geen twee dagen zag ik de zon rijzen , noch dalen; dcverminderende, en aanwasfeude fchemeiïng , doet mij alleen weeten of zij boven, of beneden de kimmen is; geen enkelde ftar flonkert door deezen nevel heen; ook mijn getrouwe vriendin, de noordftar, is geheel onzichtbaar: goed dat het compas haaren dienst vervangt ; evenwel gevoel ik mijn hart beklemder dan anders ; ik zie de gevaaren die altijd den zeezwerver omringen, door deezen bedwelmenden nevel merkelijk vergroot; zoo de Capitein de ftreek eens miste, en dc Muurman, Jiet fchip, op dit woeste doolpad, eens verkeerd beftuurde — en zou dit voor den meest ervaarenen zeekenner een wonder zijn, in zulk eene misleidende donkerheid? — hoe ligt konden wij dan het gevaar in den mond zeilen J op ondiepten, tusfehen rotfen ingeflootcn — of in den omtrek van maalMroomen geraaken, daar ons gevaar geducht, en onze dood wreed zou kunnen worden ! hoe ligt konden wij tegen een ander fchip aanftooten, en dat, zoo wel als het onze, vernielen ! voorzeker , zoo ooit, hebben wij thans de leiding van Hem nodig , voor wien de nacht licht als de dag, en de donkerheid als de middag: Hij leidt het vogeltjen op fladderende wickjens door den dampkring, en heeft den weg getekend die het kleinfte jn»  I. BOEK. 151 iiifcctjen op gaaze vlerkjens doorzweeven zal; en een met menfehen beladen fchip veilig door de golven te leiden, is voor Hem niet zwaarder — zijn alziend oog wordt nooit door een nevel misleid; zijne wijsheid kan nooit faalen; Hij kan die, in een genoegzaame maate, inftorten aan den geest des menfehen ; door Hem geleid , kan de kunst des ftuurmans nooit misfen , en de gevaaren vlugten weg als ftof —— gelukkig oogenblik, wanneer men op die veilige hoedo gerust vertrouwen kan, en niets vreest! Dit zalig vertrouwen komt ons niet alleen op een gevaarvolle zee, maar in zeer veele gevallen van ons leven te ftade : dit leven gelijkt in veele opzichten niet kwalijk naar een ongeftadige zee , daar goede wind en noodftormen, daar nevels en zonnefchijn, elkander afwisfelen : hoe dikwijls wordt onze brooze kiel op woedende baaren gefchokt, terwijl de donderende noodftormen rondom ons loejen , het gevaar aan alle kanten dreigt, en de nacht, de akelige , de bedwelmende nacht, onze uitzichten verbergt: 0! dan te kunnen drijven op God's genade ; te gelooven dat ons pad door alle die onftuimigheden heen, juist is afgetekend, en dat Hij die dit deed, de wijze goedheid, en de beste vader is , die ons geluk in zijne hand heeft , en wil uitwerken — dit te gelooven, en zig op die zorg, geheel getroost, even K 4 a]s  ï5^ ï. BOEK. als een kind in de armen van zijne moeder, te verlaaten,getroost te zijn door de hoop van eens de ftille haven der eeuwige rust intezeilen dit is zaligheid J Als ons uitzicht op dit vérgelegen land der eeuwigheid helder is, Karei! hoe ligt worden dan tog alle zwaarigheden! hoe weinig verfchrikkend wordt dan het dreigend gevaar! dan fchijnt de hardfte ftorm flegts optefteeken , om de fingerende kiel te rasfcher voordtedrijvcn - . maar waarlijk, mijne gefteldheid is dit iians niet; neen , mijn vriend ! het moedig hoopen , het vrolijk uitzien, is mij onmogelijk! mijn ziel is zoo beneveld als de dampkring, waarin mijn hgchaam ademt, en de zwaarte die mijne leden drukt, fchijnt op mijne ziel te hechten; alles is mij even donker en ondoorkomelijk verward; mijn toekomftig lot ligt, in een oudoorzienelijken nacht, voor mij verborgen; dat gevoel, dat de wereld een traanendal, en een korte reis door dezelve voor mij een geluk wezen zou; dat alleen is recht levendig voor mij: afwisfelende akeligheden grimmen mij aan; mijne verbeelding fthildert zig duizende mogelijke rampen die op mij wachten; het onzeker lot van den toekomftigen vreemdeling maakt reeds den reiziger ongelukkig; mijne geheele onderneming fchijnt mijdwaasheid, en haar gevolg . ongeluk; de gedachte aan eene nu treurige en kinderloo- ze  I. BOEK. 153 ze moeder , is mij grievend pijnlijk , en die aan mijnen vriend wekt de onrustigfte verlangens van wederzien in mij op; met één woord, ik gevoel mij geheel ongelukkig: nog nooit geviel de klagt van den geestelijken zeeman zoo zeer aan mijn hart , offchoon mijn verftand eenige feilen in de tekening vinde, als thans: Waar toeft, waar toeft gij langer O hemelöog dat korts nog fcheen ? Het noorden valt mij wranger Dan ooit vootheen: Ik zie noch zon, noch maan, Noch geftarnte ftaan, Aan de hemelboogen! Ik mis de ftreek der hemelbaan 1 Ik zie noch zon, noch maan, Noch geftarnte ftaan, Daar ik op kan oogen! Ach, waar land ik aan? Hoe zal ik 't fcheepjen ftieren? 'c Compas is weg, en 't land verfchuilt, Daar elke rots, door 't gieren Der ftormen, huilt. Alfchoon geen noordftar duurt, Noch mijn baaken vuurt, Gij kunt fchijnfel geven; Mijn zon, die fchip en winden ftimrt, K 5 Al.  'i4 I. BOEK, Alfchoon geen noord Har duurt, Noch ayu bïaken vuurt, Stuur Gij zelf de Keven, Dien uvv oog begluurt! Deeze lieve woorden had ik voor mijnen geesr terwijl ik de melancholifche melodie daarvan welke Charlotte zoo gaarne hoorde , op mijn dwarsfluit fpeelde; en dit was het aangenaamfte half uur dat ik den geheelen dag gekend had ; mijn ziel werd zachter , en mijn bezwaarende angst, zonk weg in rustige treurigheid. Wonderlijk is tog de invloed der muzijk op daartoe gefterode zielen ! hoe aangenaam, hoe teder roert zij het hart! hoe zacht fchuift zij den drukkendcn last, die het bezwaarde, weg, en doet 'er ftille kalmte in heerfchen! hoe verhef:, en veradelt zij dikwijls den geest, en doet hem op de vleugelen der hoop , boven de wereld en haare woelingen zweeven! de toonen van het fpecltuig zijn de adem der ziele ; zij krijgt lucht door het klaagen van een riet; en het juichen der fnaaren vervoert haar tot vreugde: o! dat opleven van het fijnst gevoel, bij het wegfmelten der tederfte toonen , kan ik e;een' naam geven „ Karei! doch ik ondervind het, en ben dan gelukkig: maar zeker, voor tegen-  I. BOEK. 155 genwoordig was deszelfs werking op mij oogenbliklijk ; naauw ftierven mijne laatfte toonen in de lucht, of de zoete kalmte van mijn hart verdween mede; en mijn neergebogen ziel zonk zachtjes in haare oude fomberheid weder weg. Nog geen eenen dag heb ik zoo veel met de hand onder 't hoofd gezeten als deezen dag; die houding moet wel iets vertroostends hebben , dat mismoedige» haar doorgaans verkiezen; zijis zoo rustig en gclaaten , en verbergt de ftormachtige driften die in den boezem woelen: mijne oogen zijn bijna moede geftaard op den ondoorzienelijken nevel , welke ons fchip omringt : ik fpreek nog minder , dan ik gewoon ben : de Capitem ziet mij verwonderd aan, en denkt dat ik gemelijk ben ; zijne vraagen beantwoord ik kort ; de toon van mijne ftcm is dof en kwijnend ; en dan mijmer ik al weder voord; met dit woord wil ik den ftaat van mijne ziel het lieffte uitdrukken, fchoon mijne, op een op-eflagen boek , ftarende oogen mij leezende doen fchijnen: en wat zou ik ook fpreeken? de taal van mijn hart is onvertoonbaar voor eenen vreemdeling van mijn lot; en hij, die vriend, die mij geheel verftond , die elke blik van mijne oogen op den bodem van imjn hart. zien kon, is verre van mij ; en ik ben in het midden van mijne Natuurgeaooten, welke één lot met mij doelen — mismoedig, alleen. Hoe  *S* I. BOEK. Hoe verbazend groot is het onderfcheid tusfchen menfehen en menfehen, fchoon zij in het zelfde vaderland geboren, in dezelfde luchtftreek opgevoed, en in een zeker opzicht door één belang verbonden zijn! deeze wandelt in koekinnige onverfchilligheid, door geene lasten gedrukt zijn levenspad op , of huppelt over hetzelve ' als een kapél op ftruiken van roozen, heen; geen traan van kwelling ontrolt immer zijne oogen , en geen verkropte zucht doet zijn hart zwellen: een ander gevoelt zig nedergedrukt door het gewigt der zorgen, en zwarigheden, die zijn leven omringen; een ligte veder van verdrietelijkheid wordt lood aan zijne voeten, en hij vervordert zijnen weg al fJepende: deeze Haat, met een hardvochtigen moed , eenen trotfchen blik op de gevaaren welke hij beftrijdt en zijne ziel deelt naauwlijks in de fmerten van zijn ligchaam : een ander, niet onmeedogend, zelfs voor den klaagtoon van een infedt, gevoelt zijn eigen ongeluk met grievend lijden , en bezaait zijnen weg met verborgene traanen: en wie is gelukkiger, wie is meer gefchikt om het genoegen van zijn aanzijn te genieten? denkt gij niet, met mij, dat het de gevoelige is, Karei ? zijne traanen van mededoogen , of droefheid , worden fomwijlen met die der blijdfehap, en der dankbaarheid afgewisfeld, en doen hem eene vreugde kennen voor welke een ander niet vatbaar is; doch ook in die verfchcidenheid is wijsheid : hadden de zee¬ vaar-  L BOE K. 157 vaarders eene zoo weeke ziel,als die welke de Natuur mij gaf, hoe geheel ongefchikt voor hun lot zouden zij dan zijn ! doch 'er moesten verfcheidene oorzaaken, welligt opvoeding, levenswijs , voedzel, en wie weet welke toevallen meer? zamenwerken,om hun en mijn werktuiglijk geitel, zoo wel als onze zielen zoo te vormen, dat wij beiden geftemd zijn voor den kring, in welken wij geplaatst werden — de zeeheld , de matroos, werd gefchikt om met ftormen en afgronden te ftrijden, zig met dood en verderf gemeen te maaken, en zijn rust vaarwel te zeggen voor het gemeen belang — en ik , om ter liefde van eene tedere moeder mijn genoegen te verzaaken, en om,duizenden mijlen van mijnen besten vriend, afgefcheiden , met hem te blijven omgaan , en hem te beminnen als mijn leven. XXXIII. De nevel is zonder ongeluk, dank zij de voorzienigheid , welke ons veilig geleidde! geheel verdweenen. De lucht is nu weder helder; de zon fchijnt vrolijk; een Hevige wind doet ons luchtig voordfnellen , en waait ons een lieve frisfche koeling aan mijn ziel is nu ook weder helderer , en haar zichteinder wat ruimer en vrolijker ; ja., zoo ver dit in mijn geval mogelijk  m I. BOEK. gelijk is , reize ik thans mijnen weg met blijd» fchap en hoopend; zoo wisfelen in mijn hart, even als in de Natuur, droevige en blijde dagen zig telkens af; en deeze allen volgen elkander naar eene eeuwige wijze beftemming op, en zullen geen meer lijden veroorzaaken, dan deeze ons heeft toegemeeten. Zoo ongemerkt gaat de tijd al voord, en de reis kort op : dagelijks komen wij al zoo veel nader aan derzelver doel;en fchoon mijn levenswijs geheel eenzelvig zij , en zoo wel mijne verrichtingen , als de voorwerpen die zig aan mijn oog opdoen, dagelijks na genoeg dezelfde blijven, de tijd evenwel valt mij — de treurige luimen overgeflagen — tog niet lange ; mijne boeken, tekenpen, muzijk, en fchrijfpapier, die ik allen, elk op hunnen tijd, gebruik,behoeden mij voor den naarften fiaat dien menfehen kan te beurt vallen, voor zelfverveeling; en ik durf zeggen, dat mijne dagen ook hier niet in geheel onvruchtbaare genoegens wegvlugten; een weirrfgjen opmerkzaamheid, een Weinigjen ernftig nadenken op alles wat mij omringt, wat mij ontmoet, op mijn eigen hart, en deszelfs gewaarwordingen , neigingen en woelingen, kan ook hier vruchtbaar zijn in fchoone gevolgen; en mij meer in de noodzaakelijke, doch vernederende zelfkennis, maar ook meer in de verhevenheid, in de zaligheid van dat wezen, dat rijk genoeg is om  I. BOEK. (Sf om alle onze armoede te vervullen, doen indringen; en een dag, die mij hier in vordering doet maaken , is immers niet verlooren, zelfs niet voor de eeuwigheid? Evenwel, eene ontwikkeling van vermogens, eene oefening in bezigheden, welker duurzaamheid niet zoo uilgeltrekt is, reken ik ook geen misdaad: mijn dwarsfluit en guithar, vooral mijn tekenpen zouden dit anders ten minften getuigen ; in die dagen , toen eene bijna geheele windffilte ons fchip zoo bewegenloos, zoo zagt drijven deed, dat het een vrolijke, op het ftrand geplaatfte, hut geleek, kon ik hier het allerbest mede voord, en ik heb verfcheidene zeegezichtjens op het papier overgebragt: dan fchetfte ik een vlakke zee, met een enkel fchip, dat met bolle zeilen de bruifchende baaren klieft, en van geen eenen reisgenoot verzeld is; de eenzaamheid, welke hier op heerscht drukt zoo iets van het gevoel dat mijn hart doorzweeft, uit, en is mij daarom genoegelijk ; dan veranderde ik het tooneel een weinig, en maalde eene ftille, golveniooze zee, met een door boomen beplant eiland, en hier en ginds een bemoste rotspunt in 't verfchiet ; ik deed een paar vogels op die rotspunt ftaan,terwijl anderen, met wijd ontplooide vlerken, over den (tillen Oceaan zweefden, en het tooneeltjen met leven bezielden ; terwijl de  ióo h BOE K. de kalme rust die op het zelve heerscht in de ziel VaU den befchouvver moet invloejen. In een geheel anderen luim tekende ik, niet naar mijn oog, maar uit den voorraad mijner verbeelding, een Geldersch berggezicht,en wel dat van uw Belle-vue , dien fchoonen fteilen heuvel met deszelfs'kronkelenden bemosten toegang, en de flingerende boschlaantjens, die zijnen rijzenden rug zoo vol geheime bekooring, en zoo geheel bevallig maaken, met het ruim prieel dat zijnen top verheit, en de vruchtbaare koornlanden, de weiden, de boschjens die hem omringen; dit alles heb ik gefchetst om met den tijd te voltoojen ; ik moet daartoe alleen die luimen waarneemen, dat ik fterk genoeg ben, om mij al de weinig gekende, de rustige zaligheden van uw landleven op Kommerrust, en al liet voorbij gevloogen genoegen dat ik daar genoot, te kunnen herinneren, en evenwel op den woesten oceaan, ver af van al wat belangrijk voor mijn hart is, te vreden zijn. En weet gij, Karei! wat ik onlangs begon te tekenen f doch dit raad gij niet ligt; dien boom met zijn zooden bank, onder welks breede takken wij den laatftcn avond bij elkander zaten — doch u, Charlotte, en mij zeiven, met al het gevoel der fcheiding op ons gelaat uitgedrukt, daar  I. BOE K. daar onder te plaatfen, dat, mijn vriend! is boven mijne krachten, ik zal het evenwel beproeven — welke moejelijke dingen maakte de vriendfehap niet wel iigt! -f-f de boom ftaat 'er reeds; zijne copie is vrij gelukkig, hij brengt mij geheel het origineel voor mijnen geest ; doch de daarop gefneden naam is hier onzichtbaar, zoo als hij daar, ook voor u is : waarfchijnelijk hebt gij dien nog niet ontdekt, en dit behoeft ook nog niet; maar gij zult hem onder op den breeden (lam door de bladen van de fungerende klimop bedekt, daar eindelijk vinden; ik verborg denzelven met voordacht achter deeze groene ftruiken, op dat hij u niet flraks in 't oog vallen, en gij daar te rasch aan gewennen zoudt; eerst dan, als ik ver van u verwijderd zijn zou , moest hij zijne werking doen: „ als de woeste „ herfst," dacht ik, „ de blaadjens der klimop doet „ dorren en afvallen, dan zal mijn Karei de fchoon* gevormde moschplantjens, die zijnen boomftam „ bekleeden, nafpeuren, en de nette bloemtjens „ opzoeken en bewonderen ; dan zal hij de „ kaale plek op deezen flam ontdekken, en daar den, hem zoo bekenden naam, van zijnen ver afgefcheidenen vriend vinden; dit gezicht zal „ hem aangenaam verrasfehen, en roeren; die „ letters zullen hem dierbaar zijn om de hand „ die haar fneed , om den naam dien zij noemen; hij zal zijne lotvriendin daar bij brenI. deel* L J5Sen5  i6a I. BOE K. „ gen, die nu en dan zelf gaan befchouwen, „ de vruchtbaare moschzaadjens verhinderen om „ daarin niet te wortelen , en die door hun ,, groen te bedekken; en welke boomen de flag „ der bijlen in den omtrek van Kommerrust „ moge doen vallen, deezen boom zal hij niet „ aanroeren, hij zal ftaan tot de Natuur hem „ doet nederzinken , en als ik ook welligt al „ lang ftof ben." Zo dacht ik, lieve Karei! en als gij deeze gedachten nu op dit blad leest, dan heeft uwe ondervinding daaraan lang beantwoord ; dan zal de dorrende herfst en de kaale winter reeds zijn voorbijgegaan; dan zullen welligt nieuwe klimopftruiken den fchoonen boom weder vertieren, en den naam bedekken; doch dit zij zoo, in 't hart van mijnen vriend blijft hij onvergeetelijk dezelfde —— en dit is genoeg. XXXIV. Mijne fpccltuigen, zeide ik u reeds, vooral mijn dwarsfluit, bewijzen mij ook dikwijls eenen zeer aangenaamen dienst : gij kent de kracht der muzijk op mijn hart; gij weet hoe dikwijls ik de boschjens, de heuvelen, de ftille velden, naar de toonen van mijne dwarsfluit luisteren deedj  L BOEK. 163 deed; hoe ik het lied der nachtegaaien daardoor uitlokte, en dat vervong; hoe dikwijls de vertederende echo, wanneer ik in de heilige fchaduw , waarin zij zig verfchuilde, een adagio (peelde , meÊklaagde met den gevoelvollen jongeling, en nu hier'— 't is waar, hier zijn geene boschjens, geene philomeelen die met mij klaagen; geene beekjens wier muzikaal gemurmel harmonisch klonk met mijne toonen; geene zuide windjens die mijne ftille klagten op hunne wiekjens aan de vrienden van mijn hart overvoeren ; 't is niet dan voor bulderende golven, voor onmededogende rotfen , en ruwe fcheepslieden dat mijne toonen klinken — maar op mijn hart doen zij , zoo niet dezelfde, tog eene gehikkige uitwerking ; vrolijke zangen (peel ik wel nooit; dan zeker zou een gelukkiger lot de fnaaren mijner ziele anders moeten geftcmd hebben; of ik zou minder gevoelig moeten zijn: neen; mijne toonen zijn meestal die der klaagende droefgeestigheid, of der duldende hoop ; en die liederen , in wier woorden deeze hartstochten worden uitgedrukt , zijn belang-vol voor mijne ziel: dikwijls zing ik ook de volgende Coupletten van Lavaters lied op den dood, terwijl ik al den troost gevoel, welken de dood — dit fchrikbeeld voor een gelukkig mensch — aan eenen ongelukkigen, •— dan, als hij een christen is, kan inftorten: hoe dikwijls is mij, in moedelooze luimen, het uitzicht L 2 op  1*4 I. BOEK. op de rust, die hij fchenken zal, zoet! en dan zing ik met mijnen dichter: Bange doodfchrik wijk voor eeuwig, Juich in 't fterven, vrolijk hart! Ligt mijn lijk daar koud en zielloos, *t Ligt ook eeuwig vrij van fmart; Elke traanen-bron verteert, Als mijn ftof het ftof vermeert. Dood! gij heelt tog alle wonden; Zelfs het fpoor van elke wond; Gij, gij voert me in englenarmen: Vliegt mij de adem van den mond, Dekt de nacht mijn koud gebeent, O! dan heb ik uitgeweend. Beste vriend! aan uwe zijde, In een voorjaars avondftond, Als ik niet dan vreugde kende, En geen' wensch meer ovrig vond, Heb ik foms de nietigheid, Zelfs der beste vreugd befchreid. Hier  I. BOEK. 165 Hier niet, daar flechts, daar flechts vloejen, Vreugden, door geen fmart vergald, 'k Drink die eens met volle teugen, Als 't mijn vaders wil gevalt, En voor zorgen, en voor nood , Neemt de rust mij in haar' fchoot. Op eenen anderen tijd, geheel doordrongen van het gevoel der vergankelijkheid van de beste genoegens der wereld , zing ik dit Levenslied, van eenen ander Duitfchen Dichter; ik vond het onlangs, en vertaalde het : laat Charlotte het kezen, en oordeelen hoe juist het in den mond van Reinhart voegt: LEVENSLIED. Vindt de reinfle vreugd des levens, In der kolk des tijds haar graf? Moet ook 't best genot verdwijnen? Sille traanen vloeit dan af! Jongling met uw voelend harte, Dat flechts tedre min behoeft, Ach! gij weet nog niet hoe 't wijken, Deezer fchim het hart bedroeft, L 3 Zoet,  Ii6 I. B O E K. Zoet, met toverwiekjens, fpeelen Heifenbeelden om ons heen ; Doch de toekomst, bragt zij immer 't Geen zij vleiend fpelde? — Neen! In het land der gulden fchhnmen Droomen wij van eeuwigheid; Bouwen wij op losfeu zandgrond Sloten der verganklykheid: Al die fchoone lentebloefems Treft een ruwe noordewind ; Die, terwijl gij zachtjes (luiraert Heel uw paradijs verflmdt; Zalig, die een open hemel Aan het eind der loopbaan ziet! Hij alleen kan veilig hoopen, Schoon hem uur bij uur ontvlied'. Hoe veele ha-rtlijke , hoe veele aangenaame traanen van terugdenking , en nagevoel , rollen dikwijls langs mijne wangen, bij het uiten deezer woor-  I. BOEK. 167 woorden! hoe fmelt mijn hart onder dezelve, terwijl ik aan de goudene droomen mijner jeugd, aan de paradijzen mijner verbeelding, die, helaas! in woestenijen veranderden, weemoedig te rug denk! O Karei! wat beloofde de toekomst, aan een hart,zoo vatbaar voor Natuur en vriendfehap als het mijne, niet veel! aan uwen arm, in de fchaduw van uwe grijze boomen, zag ik duizend, duizend ftille, hartbevredigende genoegens vooruit ; welke nu, als verftrooide brokken van een ingeftorte ruïne, voor mij liggen: mijn lot heeft alles vernietigd! alles ? — wat zeg ik! — neen, niet alles, Karei! mijn hoop heeft niet enkel in het losfe zand der ondermaanfche verwisfelingen, geheel voor de vergankelijkheid gebouwd; neen! ook op den rotsvasten grond der eeuwigheid, heeft zij duurzaame zaligheden gefticht , wier vooruitzicht hier gemis en lijden verzachten; dit leven is tog kort, en zeer rasch met alle zijne moeite , en alle zijne kwellingen doorgedroomd; lijden en vreugde wisfclen zig, in deezen engen kring, duizendmaal af, en eerst buiten deszelfs grenzen, is alles geruste en onfloorbaare genieting: hier zucht ik eens, en zing al zuchtende een lied des levens, terwijl ik vrolijk aan het fterven denk: maar daar, zijn moeite, lijden , en zorgen dood; en de dood overwonnen: daar zingt men niet dan Jubelliederen , en het voldaane hart zal daar geen'klaagtoon kennen; daar, mijn vriend! zal ik niet meer eenzaam de fnaaren van mijn L 4 zwak  I. BOE K. zwak fpeeltuig fpannen , en een treurige fola doen klinken; neen; de toon onzer hemelharpen zal dan, even als dien van ons hart, harmonie zijn! XXXV. Ik had niet gedacht, lieve Karei! dat ik de pen nog weder in de hand neemen , en u zelf van mijn lot bericht gecven zou; ik ftclde mij voor , dat gij na langduurige maanden van pijnlijke onzekerheid , na een uitgerekt verlangen, door het onnaauwkcurig bericht van eenen vreemden , het rampfpoedig noodlot van uwen vriend vernecmen zoudt; of dat gij na een lang angstvallig onderzoek, eindelijk bij alle fcheepstijdingen , ook dit koele verhaal leezen zoudt: „ Het Schip de Hoop is,met al zijn volk,door „ ftorm vergaan" -— alles wat gij, alles wat vooral mijn goede, grijze moeder,hier bij lijden zou, heelt mijn hart meer gedrukt, dan mijn eigen gevaar: want waarlijk,het fterven is zulke eene vreezelijke zaak voor hem niet, die al wat hem aan het leven boeide, vcrlooren heeft en die een beter wereld , waar hij niet meer ongelukkig wcezen zal, verwacht; doch om mijner vrienden wille, was het leven mij lief,en God's goedheid heeft het gered! welk eene dankbaare vreug-  I. BOEK. 169 vreugde doet mij het harte heviger kloppen daar ik u melden mag: „Reinhart met alle zijne „ fcheepsgenooten leeft; en heeft flechts daarom ,, nijpend gevaar geleeden, om meer te leeren dat „ de God van zijn vertrouwen alvermogend en ,, goed is, en al de aanbidding van zijn hoopend „ hart verdient." O wie, wie zou dien God zoo zien, zoo als ik Hem, in een wóesten ftorm, boven eenen gapenden afgrond zag, en Hem dan niet vreezen? De ftorm is reeds lang ftil,maar de zee is nog verbolgen; haare baaren rijzen, fchuimen, kooken, en brullen nog — zij fchijnt nog niet herfteld van den beroerenden fchrik, welke drie woedende elementen haar inftortten; doch in den dampkring is alles ftil, en de winden zwijgen. Gij, mijn vriend! die, even als ik, grootfche Natuurtooneelen bemint, gij zult verlangen dat ik u een zwaaren ftorm , die zonder ongeluk voorbijging, levendig afmaale — maar gij zult vruchtloos verlangen ; dat verfchijnzel is ver boven de kunsttrekken van het ftoutfte penfeel verheven; het zou dwaasheid zijn dit te beproeven: daarenboven , de benaauwdheid , de killa vrees, die het ongevoeligst, of het meest gelaaten mensch 111 dit oogenblik bevangen moet, verwart de verbeelding , en benevelt den waarL 5 nee-  I. BOE K. uecmenden geest te veel, dan dat hij alles naauvvkeurig zou kunnen befchouwen; het gevoel wordt te veel door verfchillende gewaarwordingen overrompeld om geregeld te kunnen werken ; de waarfchijnelijke nabijheid des doods , in de uuren des gevaars, plaatst alle de voorwerpen in een daar toe betrekkelijk gezichtpunt, en dit i'chrikbeeld bedwelmt het oog; de fchranderfte, de best redeneerende wijsgeer moet zidderen bij zulk een tooneel, en waar zou dan de moed van den diep gevoelenden jongeling zijn ? waarlijk ! ik hoop niet dat mijne jongde oogenblikken , als mij 't gantsch heelal ontzinken zal, van een dier angften zullen verzeld zijn, welken, bij de onzekerheid des noodlots van mij en mijne reisgenooten, telkens in mij afwisfelden. Reeds een paar dagen hadden zig een menigte bruinvisfehen rondom ons fchip vertoond, en, door een onbevallig geknor, een naderend onweêr voorfpeld; maar de zeehonden hielden zig fchuil: eindelijk kwamen 'er nu en dan, eenige niet zeer groote vogelen, als gevleugelde ftormboden rondom ons zweeven; hunne vlugt was fchuw, en, als door een onwillekeurigen angst gedreven, vlogen zij al af en aan; doch bleevcn beftendig in Ü fchaduw van ons fchip; kwamen rusten op de mast, en aan de zeilen; namen zelfs het voedzei, dat ik hun toewierp op, even of zij eenig genoegen vonden in de vriendfehap van menfehen , en  I. BOE Kt en bij hen een fchuilplaats kwamen zoeken, tegen het algemeene onheil, dat zij, met een bedwelmd voorgevoel, verkondigden. Met een zeker huiverachtig vermaak, waarmede de vrees evenwel zeer fterk worftclde, zag ik deeze voorfpellers , van eene, mij in haare volle kracht nog onbekende, verfchijning aan; doch allengs verdweenen zij, en weeken zeker naaide verborgene holen der vaste rotfen, of naar andere oorden, welke de Natuur hen tot fchuilplaatzen had aangeweezen; waar zij, in het naderend onheil, op grootere veiligheid konden rekenen, dan in onze drijvende hut, die welligt een prooi van den vernielenden ftorm worden zou,welken zij kwamen vermelden : ik ftaarde op deeze wegvliegende dieren met een fomberen ernst; bewonderde hunne fchranderheid , hunne aandrift om vooraf de zeelieden het gevaar, dat hun nadert, te berichten ; en, geloovende aan eene Voorzienigheid, die deeze weerelooze dieren dooide lucht, en ons fchip door de golven geleidde, die deezen eene fchuilplaats aanwees, en ons bewaaren kon, bad ik onze behoudenis af. Ondertusfchen begonnen zig de voortekens van eene der allergeduchtfte verfchijnzelen die de Natuur bijna oplevert, ook aan den hemel te vertoonen; en met eene wel angftige, maar niet geheel onaangenaame huivering , ftaarde ik op de-  i?2 h BOEK. dezelve, en zag die meer en meer toeneemen: graauwe , dikke wolken , op wier dreigende gedaante , dood en vernieling te leezen was, rcezen aan den zichteinder op ; klommen al hooger en hooger; breidden zig al verder en verder uit , tot zij allengs den geheelen hemel met een droevig zwart overdekten, en een ftatig rouwkleed over het ernftig gelaat der doodftille zee fcheenen te ontrollen : de doodfche, de plechtige en dreigende ffilte nam nog toe; geen windjen wapperde in 't wand, en wel rasch werd dit geftreeken: geen enkel luchtjen blies ons koeling aan ; de zee was geheel glad ; geen eene rimpel maakte het geduchte fpiegel, dat het beeld des droevigen hemels zoo dreigend wederkaatfte, oneffen; de gantfche Oceaan fcheen mij een ontzettend blad, op 't welk Jehova, voor het oog van eiken fchcpeling, met geduchte letteren fchreef: „ De Ileere regeert: dat de eilanden beeven !"— ik las die, en mijn hart beefde, en het ademde bang net de geheele Natuur! matte bewecgenlooshcid fcheen rondom in de fchepping te heerfcheh, en het was even of eene angflige verlegenheid de elementen bezielde , terwijl zij zig wapende tot eenen ontzachlijken tweeftrijd — een akelig voorgevoel fcheen te zweeven in den dampkring , en fluisterde beklemmend in deeze dreigende flilte : vreezelijk fprak die naare flilte tct mijne ziel, offchoon ik God's Hem in dezelve hoorde ; hoe moet zij dan voor den god-  I. BOE K. m godverzaker wel donderen! het gedruis der catrollen , het raazen der touwen , het opnaaien en rollen der zeilen, klonk akeliger in deeze ftilte , dan het gefchuifel van de fpade eens doodgravers , bij het zwijgend graf van eenen dooden. Eenigen tijd bleef alles bijna eenzelvig, vol dreigende majefteit : tegen den vallenden avond veranderde het wolktooneel, en werd veel grimmiger , veel dreigender dan te vooren : aan den zuidelijken horifon vertoonden zig wolken, wier gedaante zig als de graauwe torens van overoude kafteelen, of als brandende vuurbergen vertoonden ; zij feheenen, als met de Hof van onze vernieling belaaden, uit den afgrond opteklimmen, en dood en verwoesting te zullen baaren : terwijl ik hier op ftaarde, liet zig een akelig geruis, als het gefnuif van een rennend paard hooren; het vloog door den dampkring — doch het zoekend oog bemerkte niets dan een angftig geheim : een dommelig gedreun fcheen opterijzen uit .den afgrond, en wandelde langzaam, en mompelend onder de golven door; maar nog waren de golven ftil , en de winden fliepen: op ééns hoor ik een vreezelijken donder ratelen, die van den eenen tot den anderen pool fcheen voordterollen, en de gantfche zee was wederklank : de donderflagen herhaalden, en verdubbelden zig , en vliegende blikzemftraalen fchooten on-  ï74 I. BOE K. onafgebroken door den hemel, en verlichtten de graauvve zee met een akeligen flikkerglans, die angftiger was dan de donkerheid welke zij achterlieten: nog was de zee ftil — doch niet langer : een vreezelijke wind brak los, of liever ftrijdige winden, welken uit hunne holen ontkerkerd waren, vielen met hevige woede op elkander aan, en ftormden, met een donderend geweld,op ons' fel-geflingerd fchip aan,huilden door de touwen, en dreigden het met een akelige vergruizing: nu werd de korts zoo effen zee , een vervaarlijk tooneel van woedende golven, die eerst zachter kookten, fchuimden en brulden, tot zij eindelijk, met een donderend gedruis, zig tegen elkander verhieven als bergen,en het gefchokte fchip met zig op hunne akelige hoogten verhieven, om het te dieper te doen nederzinken in den afgrond die golf en golf van elkander fcheidde : nu werd het geklater des donders door het bulderen der orkaanen verdoofd; men kon geen onderfcheiden geluid meer hooren ; het beatlgftigd fcheepsvolk verftond elkander niet meer, en het geroep des Capiteins, het antwoord der matroozen , het noodgefchrei der bevreesden, vermengden zig onder het woest gehuil der aangierende winden, die telkens, met eene verdubbelde woede, op het flingerend fcheepjen aanvielen, en het met eene oogcnbliklijke vernieling dreigden; de groote mast brak, en ftortte met een feheurend gekraak neder; een dolle rukwind deed het be-  I. BOEK. i?5 bezaanzeil fcheuren, terwijl de golven het fchip vol water wierpen, en de matroozen met al hun pompen, bet naauwlijks van water ledig konden houden — elk arbeidde om het zeerst, om den aangrimmenden dood te ontgaan — de naare vrees en de ftervende hoop was nu op ieders gelaat getekend — elke opflag hunner oogen was angst; en elke afgebroken klagt , een noodgebed tot eenen God, aan wiens almagt zij nu geloofden, doch wiens goedheid hun geen troost geeven kon. Hoe veele benaauwende hartstochten wisfelden zig, in deeze noodlottige uuren , oogenbliklijk in mij af! — hoe veele akelige mogelijkheden, hoe veele grievende waarfchijnelijkheden , zworven voor mijnen moede-gekampten geest ! nu ftelde ik mij niet anders voor , of onze reeds kraakende, en zoo fel geflingerde wooning, zou eerlang verbrijzeld, en een verwoest wrak worden; op welks verftrooide overblijfzels, wij mogelijk ons noodlot eenige oogenblikken bejammeren , en dan met dezelve vergaan zouden; of, die ons misfehien naar een ongastvrij ftrand voeren zouden, waar wij, onder de wreedheid van onbarmhartige redders , misfehien duizendmaal op éénen dag , den ontvlugten dood wenfehen zouden : kunt gij u verbeelden, Karei ! hoe uw vriend bij de voorftelling van zulk een lot moest te moede zijn ? kunt gij u voorftellen, hoe  1-6 I. BOE K. hoe het grievend denkbeeld van te fterven, zon» der een laatst vaartwel, zonder eenig bericht aan mijne vrienden te kunnen achterlaaten; of van in flavernij en behoefte, dood voor mijne vrienden, en voor alle genoegens des aanzijns, verlaaten van alle mijne vleiende uitzichten , ftervende te leeven — hoe dit zijn hart doorpriemen moest? — in 't midden van deeze akelige voorftellingen hoorde ik uwe klagten, om uwen ongelukkigen vriend ; ik zag de hartetraanen van mijne ontroostbaare , van mijne verlaatene moeder over haaren verloorenen zoon vloejen -— en zij werd mij nog veel dierbaarder dan tc vooren ; om haaren wil werd zelfs het leven mij dierbaar, en fchoon deeze wereld veelte weinig vreugde voor mij hebbe, om het zelve anders driftig te begceren , op dit oogenblik deed ik dit, en ik fmeekte God vuurig om behoudenis, fa, ik mag meer zeggen, ik hoopte dat God's goedheid in deezen nood redding geeven zou, en ik had verademing. Heb ik ooit den troost van den waaren Godsdienst ondervonden , en de aanmerkelijke voordeden gezien, die hij zijne vrienden geeft bo* ven zijne verachters, het was op dit ontzachlijk oogenblik , toen ik hetzelfde gevaar met mijne woeste fcheepsgenooten deelde ; toen, toen de akelige dood in grimmige woede rondom ons waarde ,— toen bang gekerm, ernllige vrees,  1. BOE Ki 177 Vrees 5 en hopelooze verwenfchingen van hun noodlot , het geloei der (tonnen akeliger maakte — toen een troostloos noodgebed, uit, door angst, verflijfde lippen, tot een' God, wiens almagt zij met verpletterende vreeze zagen, maar wiens liefde zij niet gevoelden, al ftamelend werd uitgebragt, terwijl het zweet der benaauwdheid, hun gelaat overdekte; toen Karei! was mijn ziel kalm; toen geloofde ik, dat Hij, die alle deeze elementen woeden deed, mijn vader was, en dat Hij dit dan ook blijven zou, als alle gevreesde onheilen ons nu troffen : in het huilen van dien ijsfelijken ftorm, in het klateren der akelige donders, hoorde ik nu de (tem van eenen almagtigen befchermer , en ik vertrouwde Hem mijn lot: hoe meer ik voor mijne behoudenis, en die mijner fcheepsgenooten bad, des te meer groeide 'er ftille berusting, en ootmoedig vertrouwen in mij aan,zoo dat ik zeker geloofde, dat ook dan, als de winden ons fehip verbrijzelden tegen de rotzen,als ook de golven mij zouden afllaan van het flingerend wrak, dat ook dan liefde en goedheid mijn lot befluuren, en mijn best bedoelen zouden: in deeze gefteldheid ontzettede mij de hoopeloosheid van den Capitein niet zeer; ik zocht flechts bij den groejenderi nood, even als een dervende, door den arts opgegeeven kranken, mijne aardfche banden lostemaaken ; en , door een vernieuwd geloof' in het kruis van mijnen dierbaaren Verlosièr' 9 I. DEEL* M hSt  x?3 I. BOE K. het dal des doods licht en vrolijk te maaken, en het, aan zijne hand, zonder akelige vreeze inteltappen. Nog eenmaal zag ik het portrait van mijne lieve moeder, op den ring van mijne hand, aan, en dacht, terwijl een traan op het zelve nederviel: „ U, dierbaare vrouw! u die mij het le„ ven gaaft, dat zoo ftraks in de golven ver„ fmooren zal, u zal ik niet wederzien — uw 3, zoon zal uwe oogen niet fluiten, maar gij zult „ hem, en hij u, daar wederzien, daar men el,, kander nimmer verlaat;" ik kuschte het, deed den ring van mijnen vinger, frak die in mijn goudbeurs, om, zoo de Voorzienigheid mij eens, door wonderen, mogt bewaaren, dit dierbaar kleinood te behouden, en altijd, waar het lot mij voeren mogte, ongefchonden te bewaaren. Tien bange uuren bragten wij, in een telkens toeneemenden angst, door; het fchip had veel geleden, en was, door de inftortende baaren, nog vol water; het matte bootsvolk moest elkander, in het geftadig pompen , aflosfen , en geene blijmoedige hoop onderlteunde hunne krachten : het kermen om het geliefde leven, om achtergelaatene vrouwen en kinderen, hield hartbreekend aan ; de ftorm bleef woeden, de golven donderen , en deeze rijzende waterbergen wederkaatlten onophoudelijk de (haaiende blik- fems,  I. BOE K. fems, die de zwarte donkerheid des akeligen nachts tot ontzettende fchemering maakten. Eindelijk bedaarde het onweèr; de hevige rukwinden verminderden; de donders brulden nog maar flechts van verre, en alle de verfchijnzels van eenen haast eindigenden ftorm, vertoonden zig: de dageraad der blijde hoope ging voor mij op, en glansde reeds op het mat gelaat van eiken mistroostigen fchepeling; de angst verdween eindelijk geheel, en met denzelven de nacht en de dood: die vreezelijke, in zoo veele angftige doodsweën doorgebragte, die onvergeetelijke nacht, die door geen duizend fchoone morgens uit mijn geheugen kan gewischt worden, die was als een angftige droom voorbij; de fchemering van eenen vrolijken morgen glansde in het purperverwig oosten, en eindelijk verrees de zon, en haar vrolijk licht herfchiep dit verblijf van de fchaduwen des doods, in een lagchend Eden. Hoe wonderlijk , hoe onbevatbaar voor hem die het niet zelf ondervond, was de overgang der gevoelens en hartstochten, bij deezen aanblik ! zeker niet minder verfchillend , dan het geheele tooneel; niet minder dan de overgang van een angftig fterven , tot ëen hoopvol leven; van de hevigfte beroering der onverzadigde driften, tot de ftille kalmte van een gerust genot: met zoo veel. verbaasdheid, met zulk een M 2 won-  i8o I. BOEK. wonderlijk genoegen, zag ik nimmer de zon rij- * zen; ik had dc woede der Natuur in alle haare verfchrikkelijkheid gezien; en nu, nu lag zij zoo zacht als een onfchuldig kind voor mij; en Hortte, door een vriendlijke lach , de vreugde in mijn hart: mijne eerlte gewaarwording was ootmoedige dankbaarheid, en mijne eerde daad vrolijke aanbidding van Mem, die, en in den dorm , en in de ftilte , groot en heerlijk is. Doch, terwijl ik, met gevoelige dankbaarheid, de weldaad, welke God aan mij, en mijne reisgenooten beweezen had, erkende, dacht ik aan het noodlot, dat misfehien andere mijner lotgenooten, op andere dreeken des Oceaans getroffen had: wie weet hoe veele fchepen deeze zelfde ftorm verbrijzeld, hoe veele menfchenlevens hij verwoest, hoe veele fchatten hij verllonden heeft! — wie weet hoe veele onftervelijke zielen , die gisteren van de veegheid haars aardfehen levens nog onbewust waren, hij, deezen nacht, in de eeuwigheid overvoerde, aan welke zij voor eenige uuren nog niet geloofden!—voordeezen beftond gisteren niets als deeze wereld , en haare woelingen , en nu is alles voor hen verdweenen, behalven het verblijf der geesten, en deszelfs ontzetting; zij zijn van onder de levenden verdweenen ! hunne plannen, uitzichten, arbeid , ging met hun verlooren, en wij, wij zijn behouden ! Zoo  I. BOEK. lil Zoo dacht ik, terwijl het mededoogen mij met ernst vervulde, toen een drijvend {tip, dat op de onftuimige golven mede fchokte , en dan zichtbaar , dan onder dezelven als bedolven was, mijn oog op zig hechtte; ik nam mijn telescoop op, en na lang tuurens, ontdekte ik duidelijk het wrak van een vernield fchip ; eenige vaten en andere brokken, die zeker tot de laading van hetzelve zullen behoord hebben, dreeven daar rondom: Karei! welk een ontzettend tooneel was dit! het wrak was eenzaam , van alle zijne bewooners verlaaten, een fpeelbal der woeste golven: waren zij den dood op een nabuurig eiland ontkomen, of verfmoord in de golven?— welke eene gewigtige vraag, die mij tog onbeantwoord bleef! ik vreesde, ik giste en hoopte, voor mijne ongelukkige medemenfchen; doch de onzekerheid omtrent hun lot, verhinderde mij, om zoo vrolijk te zijn, als anders onze eigene verlosfing vorderde. Dieper dan ooit , heb ik thans den indruk der grootheid van den God der Natuur gevoeld ! nimmer zag ik geduchter bewijs daarvan : hoe ontzachlijk, en hoe waar, is die gedachte! Hij, die boven den kloot der aarde woont, en de wereld beheerscht door den fcepter zijner almagt, Hij ftrekte zijne hand uit over de zee, en beval een onweör ; de winden hoorden dit, en vloogen woedend uit hunne holen; de afM 3 gron-  i8* I. BOE K. gronden luisterden, en gaven dampen uit; de zee gehoorzaamde , en haare golven bruischtcn; de blikfemen en donders gevoelden hunne vrijheid, en rukten uit de kerkers, in welke de almagt hen anders geboeid hield: de geheele Natuur gehoorzaamde op hetzelfde oogenblik, het bevel van haaren glorierijken gebieder, en het geduchtst verfchijnzel ontftond: het ontftond — niet flechts voor de angftige oogen van verongelukte, en geredde menfehen; maar mogelijk ook voor die van milioenen geesten, die over de elementen gebieden , en de uitvoerders zijn van den wenk des Alregeerders: in deezen akeligen, donkeren nacht, zag Jehova, van zijnen eeuwigen zetel, op onze aarde neder; op een gedeelte derzelve was nacht, grimmige verwoestende nacht,welks ondoordringbaare fchaduwen uit den woesten Chaos fcheenen opgereezen , en zwanger waren van ellenden en verderf; rondom zijnen troon was licht cn vrolijkheid; Hij liet zijne blikfemen ftraalen, en de bulderende zee werd verlicht met doodelijke glanzen ; drijvende wooningen werden verbrijfeld , en van een aantal menfchenlevens , die met de eeuwigheid in verband ftonden, werd het lot beflist; de golven verbonden het ftof, en de geest verfcheen voor den Richter der wereld I doch deeze zelfde ftorm, had bevel om te fpaaren, en onbefchadigd te laaten, waar de Almagt dit wilde : het gevaar mogt fommigen dreigen en benaauwen , maar  I. BOEK. 1*3 maar dooden niet; en toen de onweders genoeg gewoed hadden, om het ondoorgrondelijk oogmerkvan God te bereiken, toen beval Hij weder, en zij waren ftil; geen blikfemftraal fchoot, geen donder rolde meer door het bruine zwerk; geen wind beroerde den dampkring meer; zij vloden weg in hunne holen; de eerst vliegende wolken dreeven nu langzaam daar heen; en wel rasch zullen nu ook de tuimelende baaren glad worden, en hun verbazend geftommel, waar naar ik met eerbied luister , en die het fchip nog zoo gevoelig doen fchokken, zal ophouden. Nooit heb ik meer het fchoone van de tekening des heiligen dichters in den 107 Pfalm, gevoeld dan thans: hoe majeftueus tekent hij daar den woedenden ftorm , en de kalme ftilte af! Hij wekt, met flechts te fpreeken, Een' ftormwind voor hun oog; Dan beeft het al, dan fteeken De golven 't hoofd om hoog. Nu ziet men 't fchip de lucht, Dan weêr den afgrond nadren; Hun hart geeft zucht op zucht, Hun bloed verflijft in de adren. M 4 Zij  1*4 t BOEK. Zij danfen, wagglen, vallen, Gelijk een dronken man ; De wijsheid van hun allen, Hoe groot, bezwijkt 'er van 5 Doch toen zij, in 't gebed, Tot Isrè'ls Heer zig wendden, Heeft hen zijn arm gered, Uit angflen en ellenden. Hij doet den fiorm bedaaren, De golven zwijgen ftil: Nu rijst de vreugd ; de baaren, Zijn effen , op Gods wil : Nu wijkt verflagenheid, Na zoo veel angftig flaaveii, Daar God hun veilig leidt In hun begeerde haven. Dit laatfte kan ik nog niet zeggen; nog ben ik ver van de begeerde haven af; doch de hoop dat ik daar komen, en welligt mijn doel bereiken zal, is nu weder geheel helder in mijn ziel : 'er heerscht een weemoedige vreugd in haar; zij is zoo kalm, Karei! als de geheele Natuur: het denkbeeld: „ Zou ik ook bewaard zijn voor een toekomftig geluk? zou ik in het iand , waar ik heen ga , ook tot een getuige moe-  I. BOEK. 185 moeten verftrekken, dat God vreemdelingen behoedt en zegent?" dit zweeft zoo aangenaam voor mij ; en werkt mede tot die genoegelijke mengeling van hartstochten, van dankbaarheid, hoop, rust , en weltevredenheid , die mij eene ftille zaligheid doen genieten: — nu ben ik waarlijk moede van het fchrijven , en leg de pen neder. XXXVL Hoe dikwijls heb ik al reden gehad om mij te verheugen in den ruimen voorraad van boeken, over alle vakken van wetenfchap, die ik heb medegenomen ! ik had eenige natuur- en zeden-kundige , gefchied- en reis-verhaalen, boven op in mijn kist bij elkander gelegd; en elk derzelve, heeft mij op zijn' tijd al dikwijls een interesfant vermaak bezorgd, en de kwijnende uuren van mijn eenzelvig fcheepsleven zeer ge- noegelijk doen voordrollen de ontdekking van Amenca door Robertfon , behoort onder die boeken, die mij, en om hunnen inhoud, en om de wijs op welke zij gefchreven zijn, bijzonder gevallen: hoe krachtig, hoe fierlijk, cn zachtvoordvloejend is de ftijl 1 de dorre historieschrijver is 'er geheel uit verbannen ; de kunstlooze, de waarheidfchetfende Dichter verM 5 vult  186 I. BOEK. vult zijne plaats, en boeit eenen frnaak als de mijne , (juist voor geene dorre geleerdheid gevormd,) geheel aan zijn belangrijk verhaal: en nog eene bijzondere betrekking gevoel ik op dit boek, daar het de lotgevallen van dat gedeelte der wereld betreft, waar ik heen reize, cm het beste deel mijns levens op deszelfs bodem te verflijten. Hoe vreemd is tog dat denkbeeld, dat zoo veele eeuwen, in onkunde, omtrent de waare gefteldheid van onzen aardkloot vervloogen zyn! de halve wereld was aan de fchranderfte Natiën dan onbekend, terwijl kunde en wetenfchap in veele dingen zig dagelijks uitbreidden: de meestdenkende Natuurkenner, giste Hechts naar het aanwezen van die landen , waar nu zoo veele Europifche volken door list, of geweld, door recht, of onrecht een eigendomverkreegen; het halve wereldrond was bewoond met kinderen van den algemeenen Bevolker der aarde, door broederfchap vermaagfchapt met alle de bewooners der andere oorden — en zij waren onbewust van elkanders aanzijn; doch een fchoone eeuw, vruchtbaar in wijsheid en moed , verfcheen onder de voordrollende eeuwen der wereld, en onderneemende geestenftonden op, die plannen beraamden, welker uitvoering den roem, het voordeel, en de wetenfchap der volgende tijden bevorderde, en nog door den  1. BOEK. 187 den zegen van de vrienden der wijsheid beloond wordt: en wie weet, welke ontdekkingen 'er nog voor laatere eeuwen gefpaard zyn, welke 'er nog , misfehien binnen den kring van zoo veele jaaren , als 'er nu wereldeeuwen verliepen, door het in wijsheid toeneemend, en door ervarenheid zig oefenend menschdom , zullen gemaakt worden! mogelijk zullen volgende tijden menfehen voordbrengen, wier moed groot genoeg , wier ligchaam fterk genoeg zal zijn', om doortedringen tot de nog onbekende Poolslanden , waar thans woeste onvruchtbaarheid, en doodende koude de levendige wezens terug ftooten ; misfehien zullen zij in die onbewoonbaare , van de koesterende Natuur verlaatene oorden , de wonderen der fcheppende Almagt van den Heere der wereld, voor ons ontdekken: deeze voordelling , het denkbeeld van rijpend menfehenverdand, van nadere ontwikkeling van de nooitgekende geheimen der Natuur, fpreidt zulk eenen aangenaamen glans voor mijne ziel; zij gevoelt dan met een zacht vermaak de krachten, aan haar wezen medegedeeld, en verheugt zig in haare toekomftige bedemming , al kan zij die nu meer door de hoop, dan door de ervaaring gevoelen , en eerst aan geene zijde des grafs bereiken. Maar hoe ver ben ik van America's eerden ontdekker, van Columbus, afgeraakt! .— mijne vlug-  i88 I. BOEK. vlugge verbeelding fnelde den loop des tijds nog vooruit; ik keer langs denzelven weder terug tot de eeuw van den wel beroemden,maar ongelukkigen held : zijne lotgevallen leveren een fchool van wereldwijsheid op, zo als zijn karakter een mengfel van grootheid en menfehenverlaagende hardheid was : hoe zeer acht ik den held , en bewonder ik de genie voor landontdekking, die hem bezielde, die hem, alle gevaaren tartende , en allen tegenltand overwinnende, zijne verhevene aandrift deed volgen, en daar, waar niemand hem voorging, kloekmoedige fchreden zetten deed maar hij wordt klein in mijne oogen — daar, waar hij door heerschzucht en eigenbelang bezield, de rechten der menschheid vergeet, en laaghartig genoeg is, om de goedhartige onfchuld te bedriegen en te verraaden. Groot was zeker zijne onderneeming ! nooit bevaaren zeeën, waar nog geen menfehenadem den dampkring bewogen had, waar nooit een dieploot de gronden gepeild had, geen zeekaart, die de maalltroomen, de klippen aftekent, hem den veiligen weg wees , waarin, alle de verloopene wereldeeuwen, niet dan redenlooze fchepfelen beftonden, te bevaaren: zig op vaartuigen, te zwak gebouwd, te weinig toegerust tot zulk een ongewoonen togt , met geene genoegzaame werktuigen, welken de kunst daarna uitvond ,  I. BOE K. vond, voorzien, over ongekende afgronden, op onzekere ftreeken te waagen; in veele beangftigende omftandigheden, en oproerige bejegeningen, bij zoo veel mislukte hoop, evenwel vol moeds en onderneemend te blijven, bij 't befef van mogelijke misrekening, zijne eigene onzekerheid achter het voorkomen van opgeruimde blohartigheid te verbergen, de onervarenheid zijner reisgenooten tot zijn voordeel te gebruiken, om hunnen bezwijkenden moed optebeuren: dit dunkt mij is het werk van een' man; hier toe behoort geene mindere grootheid van ziel, noch edelheid van genie, dan deeze held bezat; hoe zeer moeten zoo veele verfchillende driften in eene ziel, van zulke groote ontwerpen zwanger, door elkander geworfteld hebben ! vooral daar, daar eer en leven , met het wèl gelukken zijner gewaagde onderneeming in verband ftond: ik verbeeld mij de overwinnende vreugd die bij eiken (fraai van hoop op naderend land in zijn hart zal zijn opgevlamd ; de heimelijke verrukking die hij gewaar werd, toen hij het eerst een zwervend lichtjen, dat hem de verblijven van menfehen aankondigde , in de verte zag fchemeren; dc afwisfeling van hoop en twijfeling bij deszelfs verdwijning , en de juichende weltevredenheid bij de volkomene zekerheid, dat zijne gisfing waarheid was: mij dunkt ik hoor het geroep van den matroos uit den top van de mast: „ Land ! land!" met een algemeen gejuich beantwoord; en  i I. BOE H. en ik zie, bij deezen lieven klank,al de vooren van den kommer, van het geleden gevaar, in een oogenblik uit het gelaat verdweenen, en de hoop met de blijdfchap daarop getekend. Doch welk een groot,maar treurig vak, waarop mijn mededogen werken kan, zie ik voor mij, daar deeze behouden reizigers aanlanden: hunne eerlte voetftappen in dit gewest, trappen dé vrijheid, het geluk, den vreede, waarin alle de volken van dit werelddeel zoo veele eeuwen, onkundig van het aanzijn van hunne verwoes* ters,geleefd hadden, op het hart; en vernielden haar voor altijd : hoe beklaag ik de arme onfchuldige goedhartige eilanders, die, geheel onbewust van het akelig onweer dat reeds aan hunnen hemel graauwde, zonder eenigen argwaan, deverftoorders van hun geluk, met eene nieuwsgierige ingenomenheid,met eene eerbiedige opgetogenheid komen begroeten, en hen met goedhartigheid bejegenen! weinig dachten toen deeze onnozele menfehen, dat deeze gewaande Godenzoonen, met alle hunne opvolgers, tot eene natie behoorden, wier wreedheid, heerschzucht, en gierigheid, de akeligfte tooneelen van ge' weldaadige verwoesting in hun midden zou oprichten; die niet flechts hun land zouden ontblooten, van de voor hun, nutlooze fchatten, maar hun ook van alles wat hun dierbaar was \ van het leven zelfs zouden berooven. Bij  I. BOEK. 191 Bij deeze fchrikbaarende tooneelen ontwaakt al mijn menfchengevoel ; mijne ziel huivert, en fchrikt voor de boosheid , waarin haare natuur kan nederzinken; mijne ridderende verbeelding, kan naauwlijks het akeüg, met onnozele menfchen-lijken bezaaid, en door fchuldloos bloed befpat , het , met affchuwelijke gedenktekens der menschlijke wreedheid, getekende pad,waarop mijn fchrijver mij heenleidt, bewandelen — ik fchijn hier uit de verblijven der menfehen, in de wooningen der duivelen verplaatst, en evenwel dwingt mij eene medelijdende nieuwsgierigheid , naar het lot der nieuwe wereld, en deszelfs rampfpoedige bewooners, om daarop te vertoeven, en met affchrik te zien wat de wreedheid vermag; wat de gierigheid werkt; en hoe edele,tot verhevene deugd gefchapene menfehen, flaaven kunnen worden van de allerlaagfte driften: o goud! ongelukkig goed! bron van eindelooze rampen! hoe veele onheilen hebt gij op de wereld doen ftroomen! hoe veele deugden hebt gij verllonden! hoe veele menfchenlevens, oneindig bij uwe waarde, als ftof vernietigd! hoe veel wanhoop gebaard! en hoe weinig ftil geluk aan uwen bezitter gefchonken ! laag, nietig goud! hoe weinig rust bood gij uwe matgezwoegde aanbidders aan, na dat zij u hun gantfche leven hadden opgeofferd, en al hun geluk om u verfpeeld hadden! hoe troostloos liet gij hen heenen gaan, naar die wereld, daar uwe waarde niet geldt, daar uw  m 1. BOE K. uw fchoon geenen glans heeft; maar daar de bewustheid van het onrecht, door 't welk men u verkreeg , uwe rampzalige vrienden rustloos pijnigt: hoe veele gevreesde overwinnaars der volken , hoe veele tyrannifche opperbeheerfchers , zouden wel gaarne al hunnen roem, al hunnen fchat, nooit bczeeten hebben, om, bij het intreeden in de wereld der geesten, in het rijk der vergelding, ontflagen te zijn'van de benaauwende bewustheid der misdaaden , waardoor zij die verwierven, en om de pijnigende herinnering van de ellenden die zij veroorzaakten , uit hunne ziel te verbannen. Om het rampzalig lot deezer mishandelde volken , zou men bijna liever wenïchen dat America in dengraauwen nacht der onkunde ware ge* biceven, tot dat laatere en zachtere ecuwen, befchaafder ontdekkers voor deeze vruchtbaare Janden hadden opgeleverd ; en aan den anderen kant, hoe veele wijsgeerige vernuften zegenen dien gelukkigen tijd, die een helder licht op zoo veele vakken der fchoonfte wetenfehappen verfpreidde, in welke eene verhevene aandrift hen doet werken: zegen en onheil gingen dar» ook hier, zoo als veeltijds in de wereld, hand aan hand ; en het fchoonfte einde werd Janos den droevigften weg verkreegen. Maar zeker, het zou luisterrijker voor den Foeroi  I. BOE- K. 193 roem der fchoone Christenleer geweest zijn, hadden liever deeze verduisterde volken in den nacht der onkunde , welke hun omringde , blijven voorddwaalen, dan dat zij flechts het fchemerend, en door bijgeloof omneveld licht des Euangeliums, door zulke bloedige handen onder hen ontdoken, zagen glimmen; dit zagen glimmen om de affchuwelijklte, de zwartfte daaden, die woedende gelddorst en laage wraak konden uitvoeren, met eene doodfche fchaduw te befchijnen. Wat al vernederende menschkunde doet men bij deeze roerende gefchiedenis op! hoe veele onderfcheidene karakters zien wij in dezelve getekend! veroveraars, en overwonnenen zijn hier leerzaam en belangrijk; laage verraderij en list, valsheid en hoogmoed, gierigheid en wreedheid , ftaan hier tegen ligt misleide, geen kwaad denkende goedheid, tegen onfchuld en vriendfehaplijke trouw, ja zelfs tegen kinderachtige onnozelheid over — en de onfchuld wordt hier nogthans het offer der boosheid! — God, de vader der menfehen, zag deeze gruweldaaden ; zijne wijsheid liet die gebeuren, doch zal die eenmaal in de wereld der vergeldinge wreeken: Engelen zagen de wreedheden der flervelingen, en wendden hunne aangezichten weg ; en menfehen, menfehen in befchaafder tijdperken geboren, flaan de Jaarboeken der wereld na, en verwon- I. DEEL. N de»  I. BOEK. deren, en bedroeven zig over de laagheid, tot welke hunne natuur verzinken kan. En hoe veele fchoone lesfen der wijsheid levert de groote zeeheld zelf ons , in zijne wisfelendelotgevallen, op! wie ziet in hem niet duidelijk, dat alle aardfche grootheid, dat rijkdom en eer, dat roem en vermogen, door toeval of verdienften verworven, zeer onbeftendige goederen zijn ? wie leert hier niet dat waare verdienlte zelden erkend, maar meestijds in het ftof begraven wordt; en dat zij, in plaats van den loon, dien zij verwachten kon, veeleer haare fchoonheid door nijd en argwaan verdonkeren, en haaren roem verijdelen ziet! hij, die Spanje's kroon , ja de halve wereld aan zig verpligt had; die, door zijne verhevene aandrift, de eer zijner natie, en de zegen van 't volk geworden was, voor 't welk hij zig waagde; die niet dan belooning en toejuiching verwachten kon, hij genoot die, maar zeer kort; werd een oogenblik met dankbetuiging en goedkeuring van zijnen Vorst overladen; doch moest naderhand, door den nijd gelasterd, en door de valschheid aangeklaagd, als een gevangen man in ketenen geboeid , vol onrustige vrees over eene onrechtvaardige beflisfmg van zijn lot, vol kwellend gevoel van het grievende der vernedering, welke hij zoo onverdiend moest lijden, en die zijn grootmoedig hart van fpijt barften deed, dien zelfden weg  I. BOEK. 195 weg bevaaren , waarop hij eens vol zegepraal, en gevoel van zijne verdienftelijke waarde, vol hoop op de edelmoedigfte belooning, zijne eerfte landing tegenzag: de grootfte, de verdienstvolle, en zeker voor Spanje's troon, niet ftraf baare man , moest als een misdaadige, aan het hof verfchijnen, daar hij heldenloon vorderen kon,en kreeg niet eens, op zijne verantwoording, die eervoldoening die zijne onfchuld verdiende: die zelfde held kon naderhand, bij eenen hervatten togt naar het door hem ontdekte gewest, nu onrechtvaardig door eenen anderen bevelhebber beftuurd, niet een» maal, bij een opkomenden ftorm, met zijne fchepen Hl de haven van dat eiland fchuilen, dat hij zelf had veroverd, en beftuurd ; kon daarna, bij eene kommerlijke fchipbreuk aldaar, onder zijne landgenooten, die hulp niet vinden, welke het wreedfte volk aan geenen vreemden weigeren zou; en moest eindelijk, van verdriet en moeite, van afmatting en onvoldaanheid verteerd, een tooneel verlaaten, waarop zijne groote verdienften hemhaatelijk maakten; waarop zijn driftig woelende genie, door gebrek aan eene magtige hulp , onbevredigd gebleeven , en zijn rechtmatige roem in het ftof vertreden was: zoo loont de wereld de verdienften van haare weldoeners! zoo wordt de braafheid miskend, en de valfche heerschzucht verheven! O arme wereldgrootheid' nietige rijkdom! wie zou u niet Verachten? wie zou naar dien bloejenden distel, N a wiens  19 1. BOEK. wiens bloemtjen zoo fchielijk fterft, en wiens kwetzende ftekels zoo lang fmarten baaren , de hand uitfteeken ? o gelukkige mensch! die, van beiden vreemd , zijn ftil verborgen leven onafhangelijk leeft; die , zonder gerucht groot, en ongekend weldaadig is;die zijn gerustgeweeten,als den edelflen troost in alle rampen, met zig voert, en die den loon van zijne ongefchatte verdienften in God's gunst, en al zijnen troost in de hoop op de eeuwigheid vindt! — niets, mijn vriend!. wensch ik vuuriger, dan dat ik altijd zoo mag blijven denken, en ook zoo handelen; in welke omftandigheden het wisfelvallig lot mij dan ook voeren moge , dan zal ftille rust mijne ziel behcerfchen. Zoo lang aan elkander heb ik nog nimmer gefchreven; ik was geheel verdiept in dc lotgevallen van Columbus, en vergat bijna, dat ik op het pad ben dat hij bevoer, en de wereld die hij ontdekte, nader. XXXVII. Is dan de kunst van gewennen omtrent alle dingen mogelijk, en in alle onaangenaamheden toereikende ? kunnen, niet flechts de zinnen, maar ook het hart, zig gewennen aan zijne behoeften? uit mijne eigene tegenwoordige ervaaring, zou ik dit  I. BOE K. 19? dit bijna gelooven; zoo lang gij mijn vriend waart — en hoe veele jaaren kenden ons reeds zoo! — was ik nog nimmer zoo lang van u verwijderd, als ik nu, reeds geheel onkundig van uw lot, ben; zelden verliepen 'er meer dan twee weeken zonder dat ik of u zag , of ten minften eenige regels fchrift van u ontving; en nu, nu zijn 'er bijna drie maanden weg, federt welken ik niets van u hoorde, niet weet of gij, met alle de uwen, leeft, en hoe gij leeft ; federt zijt gij voor mij bijkans niet meer aanwezig — voor mij niet aanwezig? welk een droevig, maar zeker ook een valsch denkbeeld! — zoo lang Karei leeft, blijft hij de vriend van zijnen Reinhart ; zoo lang kan hij nooit ophouden aan hem te denken , zijn geluk te behartigen , in zijn kleinfte belang te deelen, zig de verylogene jaaren van tedere vriendfchapsoefening , met ftil vermaak te herinneren, en zig nog op vleugelen der verbeelding dikwijls bij hem te vervoegen: de ruimte, 't is waar, die ons van één feheidt, wordt telkens grootcr; maar door vriendfchaplijke gewaarwordingen aangevuld, kan zij ons niet wezendlijk fcheiden: ik gevoel dagelijks dat mijne vriendfehap voor u meer groeit dan afneemt, en tog kan ik mij meer gewennen om die, ver van u afgefcheiden, in ftilte uitteöefenen, en zonder nieuwe proeven van uwe zijde , door de bewustheid van de onveranderlijkheid uwer gevoelens, gelukkig te zijn: een zelfde gevoel, dit weet ik, doei N 3 ons  ios i. Boe k. óns hart, in verfchiliende wereldoorden, broederlijk kloppen: ik begin reeds te gewennen om onkundig van uw lot te zijn, en mij zeiven met honderd daaromtrent gegiste mogelijkheden, bezig te houden; het wordt mij al ligter dan in den aanvang, om mijne eigene gedachten in mij zeiven te beltuiten,of die op het ziellooze papier overtedrukken; en de hoop dat gij ééns, al is het na verloop van veele maanden , dit blad leezen,en alle die gedachten met mij deden zult, maakt het onbeduidend papier belangvol voor mij; het is mij dan even of ik nog met u fprcek, en of gij mij hoort ; en (tel ik mij dan voor, de levendige vergenoeging, met welke gij' dit fchrift eens ontvangen; en hoe gij het zelve, met oogen , in welken de warmte der vriendfehap zoo zacht, zoo edel gloeit, dit eerst vlugtig overzien , en daarna , bedaarder herleezen zult; hoe gij in alle mijne gevoelens en omItandigheden deden , en het papier met uwe traanen befproejen zult; o! Karei! hoe veel genoegen geeft mij dan mijne verbeelding! — dan ben ik bijna niet meer alleen; mijn vriend zweeft rondom mij , en het is, of mijn Karei mij, de edele vriendfehapshand toereikende, hartlijk welkom groette. XXXVIII.  I. BOEK. 199 XXXVIII. Alle dingen verliezen tog hunne kracht door den tijd, en de gewoonheid ontneemt zoo wel het treffende aan de fchoonfte tooneelen, als aan het kwellend verdriet: die grootfche, die trotsgolvende Oceaan , wiens majestueuze gedaante mij in den aanvang mijner reize zoo trof, en mijne oogen aan zijne eenvormige beweeging zoo dikwijls kluisterde, is nog dezelfde die hij toen was; maar voor mij heeft hij een groot deel van zijne ontzachhjkheid, van zijne eerbiedwekkende grootheid verlooren : de zon rijst, bijna alle dagen, met denzelfden luister uit den fchoot des Oceaans op; de maan fpiegelt zig even zacht en glorievol in zijne fchuddende golven; maar dat aflos is nu voor mij niet meer dat, wat het in den aanvang van mijne reize was; alle die vertooningen zijn te gemeenzaam met mij geworden , en hebben haare kracht, om te verrukken , voor mij verlooren; ik vind ze daarom fchoon , dewijl ik overal Natuur fchoon vind; maar ik verlang hartlijk, om deeze rijke moeder, minder eenzelvig, op een meer verfchillend tooneel , in werking te zien; ik gevoel al te duidelijk , dat mijne ziel voor veel meer gewaarwordingen vatbaar is, dan hier binnen mijn bereik zijn; met één woord, ik verN 4 lang  2fe0 I. BOEK. lang na nieuwe tooneelen, en wel eigenlijk na land; na land dat ik in zoo veele weeken niet zag, en onze nadering aan hetzelve, doet mijne begeerte na de moederlijke aarde groejen : naarmaate ik nader onder 't bereik van uitgebreidere genietingen kom , naar die maate worden mijne behoeften voor dezelve grooter, en de bepaalde kring, waarin ik mij hier bevind, wordt zoo veel te enger en benaauwder, als ik hijg naar ruimer. Verandering, al ware het maar in kleinigheden , moet dikwijls nieuw leven aan het vuur van ons genoegen geeven, dat anders als een fmeulcnde vonk in zig zelf verteert : mijn dwarsfluit en mijn guithar, blijven mijne geliefde fpeeltuigen; hunne toonen kunnen mij nooit onvcrfchillig worden .; het contrast, dat zij met het gedruis deigolven maaken, is mij nog dikwijls zoet; maar ach ! hoe gaarne zoude ik die eens hooren in den lommer van een fchaduwrijken boom, in wiens takken een ruifchende landwind mij zachte rust toelispelde. Mijn Cheri is mij nog een even aangenaam gezelfchap, en zijne vriendfehap levert mij nog dezelfde genoegens op; maar hoe gaarne zou ik hem met de loopkracht van een Rhee door bosch en velden zien rennen, en hem geheel gelukkig zien! „Verveeling !"ftaat nu op zijn trouwhartig dierengelaat getekend ; hij gevoelt dat hij grooter  L BOEK. 201 ter werkkracht van de Natuur ontving , dan hij hier, in zijn, bijna beweegenloos, fcheepsleven , kan uitoefenen, en is niet gelukkig. Tot hier toe wandelde ik dikwijls, met eenig vermaak, al peinzend heen en weder op het half dek , en het geheele fchip langs ; maar ach! hoe hartlijk verlang ik nu, om eens onder groene verwulfzels , op een begroeiden grond, te wandelen, om alle die fcheepsklanken van kajuit en kampagne , van bakboord en fiuurboord , van loef en lei , van halfdek en kuil , eens met die van veld en bosch, van rivier en beek, van boom en ftruik , van laan en loofhut te verwisfelen ; om het dompig gekor der zeevogelen, door het gezang der boschbewoonertjens te hooren vervangen; de voorltelling alleen, van die aanftaande verandering , doet mij het hart fterker kloppen, en eene levendiger vreugd tintelt in mijne oogen. Een hoekjen van de kajuit, of het halfdek was dikwijls goed genoeg, om, bij het doorbladeren van een aangenaam, onderhoudend, leerend of vervrolijkend boek, een onvergeetelijk genoegen te verfchaffen; maar hoe veel liever zullen mij die boeken , onder de fchaduw der bosfchen , op een lieven heuvel, of in eene rusüge vlakte zijn 1 en waarlijk, zonder dezelven zou te land , zoo wel als ter zee, de tijd mij in naare zelfver veeling — N 5 en  2oa ï. BOEK. en waar is akeliger Maat voor den mensch? — wegkwijnen ; altijd zal ik die lieve boeken pi. genen, die mijn grootst gezelfchapmijn treffendst vermaak,op eenen doodfchen togt warenhoe aangenaam hielden zij mijnen werkzaamen geest bezig; verrijkten zij hem met nieuwe'denkbeelden; bewaarden zij hem voor nutlooze treurigheid, voor te veel moedloos peinzen op het droevig voorledene en onzeker toekomflige; en voor angftig naberouw, of woelige ontwerpen die m,jne rust zouden verfbord, en mijn ongeluk verzwaard hebben! hoe dikwijls leerden zij nuj de lotgevallen van anderen mijner medemenfchen in geen gunftiger licht 9 dan die van mij zeiven, te plaatfen, en mij nimmer als den eenigen ongelukkigen, en altijd beklagens vvaardigen fterveling, te befchouwen! hoe dikwijls fpoorden zij mij aan, om het geluk niet daar te zoeken waar zoo veele misleide menfehen het waanen' Met de gelatenheid van eenen wijze , die in zijn lot getroost is, floeg ik dikwijls het boek dat mij geleerd , en beter, bf wijzer gemaakt had, toe, en mijn zegen daalde op de"fluimt rende asch van zijnen fchrijver neder. Doch al dat bedaard genoegen op mijne reize, al die te vredenheid in mijn eenzelvig leven, is nu , nu ik de aangenaame verwisfeling zoo nabij zie, reeds in eene ernftigc onrust, en een pijnlijk verlangen veranderd : honderd fchilderijen , en plan-  L BOEK. aos plannen zweeven, in geduurig verwisfelende gedaanten, voor mij, en veranderen naar mxjne verfchillende luimen. Naar de rekening van den Capitein kunnen wij niet ver van het land verwijderd zijn; 'er is evenwel nog niets zichtbaar; het waarneemend oog van den matroos verliest zig rondom, in eene nevelige zee; al meer dan eens bedroog het zig, waande land te zien; en een verdrietig bedrog geeft altijd eene onaaiigenaame lengte aan den tijd; ik wil des niets verwachten , voor dat ik met zekerheid kan, en het land voor mij zie. XXXIX. De merktekenen van naderend land worden meer en meer kennelijk; de gronden worden ondieper; de zee hier en daar meer met wier ett kroos bedekt ; nu en dan zweeft 'er een landvogel digt bij ons; ik zag zoo even een grooten boomtak , wiens milde bladen nog frisch en onverwelkt waren, langs ons fchip drijven; o! hoe verkwikkelijk was mij 't gezicht van dit zachte groene blad! de geheele oeverltruik, of de boom, van welken hij een deel was, en met deezen een geheel bevallig landtooneel, kwam ftraks voor mijnen geest, en maakte mijne ver- lan-  204 I- BOEK. langens levendiger: land is 'er dan zeker nabij ons; en dit kan niet anders dan het vaste land van America weezen, naar welks oever wij beftemd zijn. X L. „ Land! Land!" roept de matroos, uit den vérzienden top der mast, aan ons toe ; eene wonderlijke aandoening brengt mijn bloed'in beweeging , en doet de blos van mijn gelaat, dit voel ik duidelijk , hooger gloejen ; nieuwsgierigheid en hoop, zoo wel als verveelende eenzelvigheid , maaken die tijding belangvol voor mijn hart, en zij is muzijk in mijn oor. Terwijl wij, met volle zeilen naar het aanlagchend land heenltuuren, ga ik mijn fcheepsleven nog eens bedaard nadenken: elf weeken heb ik in hetzelve doorgebragt, en onder eene lange rij, van, in ftil vergenoegen, voordgefnelde dagen , waren zeker eenige melancholifche, onbevredigde, en naar vriendfehap dorltige u'uren die langzaam voordkwijnden, en zwanger'waren van onbemerkt lijden; zij kwamen evenwel,zoo wel als de eerden, ook aan een einde; de wonderlijke tijd, hoe zeer hij,in verdrietvolle oogenblikken, met eenen loggen flakkentred, fchijnt voord- te-  I. BOEK. ao5 tekruipen , vliegt evenwel met zijne gewoone fnelheid heen; en van achteren nagerekend, is hij weg als een gedachte , en neemt tog altijd eene menigte benaauwde zuchten, en droevige traanen , met zig mede , zoo wel als hij altijd balfem aanbrengt, die de pijnlijke wonden , door de fchichten van het noodlot veroorzaakt, verzacht: hadde een goede Voorzienigheid die krachten aan den tijd niet gegeeven, voor hoe veelen ware het aardfche leven dan een eindelooze keten van ellenden ! en hoe veele duizenden zouden dan, zat van duldelooze kwelling, hun aanzijn verwenfchen! evenwel, wat de tijd ook doen kunne, wederbrengen wat verlooren is, ach! dit kon hij nimmer; mijne, in vriendenlooze eenzaamheid doorgekwijnde jeugd, zal hij nooit weder kunnen herroepen ; maar eenmaal ontnomene genoegens nog eindelijk eens wedergeeven, ja dit kan hij ; mij eindelijk, al ware het aan den avond van mijn leven, nog eens in uwe armen wederbrengen, dit kan hij ; maar zal hij het ook? o! al te vleiende gedachte! verdwijn uit mijne ziel, of de dagen worden mij jaaren ! neen; leef in mijne ziel! verfterk al haaren moed en kracht, en laat die zoete hoop mij zijn, wat de toekomftige morgen den waakenden kranke, in lijdensvolle nachten is. Karei! zal ik u eindelijk eens wederzien?' o ! dan wil ik de jaaren der afgefcheidenheid vleit-  s.o6 I. BOEK. vleugelen geeven, dan wil ik uwer waardig blijven, en eens juichen in uwen arm. XLI. Ja, mijn vriend! het was zoo; het land dat zig vertoonde, was America; men behoeft nu niet meer op de mast te klimmen , om deszelfs nadering te befpeuren ; ook op het benedenfchip, vertoont het zig federt lang geheel duidelijk ; eerst zeer hoog en blaauw , even als een rijzend gebergte, doch allengs meer in zijne natuurlijke gedaante; en wij zetleden nu reeds, eenigen tijd, onze koers in deszelfs nabijheid, naar den ftreek werwaards ons fchip beftemd is, voord ; wij heoben reeds het lang begeerd Guiana bereikt, lieten de Colonie van *** ter zijde liggen , en zullen waarfchijnelijk binnen ruim dertig uuren, die van *** aandoen, en daar de ankers laaten vallen. Welk eene gemengde aandoening vermeestert mijne ziel, bij dit denkbeeld ! dit zal dan de oord mijner beftemming zijn, waar eene zekere maate van lijdtn en vreugde voor mij bepaald is; een ftreek van dien grond „ zal ik met vreemdelingstraanen befproejen, die welligt niemand zal afdroogen: mogelijk bloejen daar de distels reeds,  I. BOEK. ?*7 reeds,aan welken mijn voet zig wonden zal; of welligt ontluikt 'er het bloemtjen al, dat den ge- voeligen vreemdeling zal tegengeuren of mij daar geluk of ongeluk treffen zal, weet ik niet; maar dit, dat alles wat mij daar zal treffen, door eene wijze en goede Voorzienigheid zal beftuurd worden — dat mijn pad door haar is afgetekend ; dat ik geene eene trede buiten haare leiding doen zal, en dat juist dat zelfde pad, het moge dan glibberig of vast, licht of donker, fteil of effen zijn, de best gefchikte toegang voor mij zal weezen, naar dat vérgelegen land der ruste, waar elk fterveling, hij moge America of Europa, Azia of Africa bewoonen, eens zijn burgerrecht wenfehen zal, als hij den weg zijns aardfehen levens heeft afgeloopen ■ dit immers is eene zekere waarheid; en zij, hoop ik, zal mijn troost blijven, hoe ook daar miju lot vallen moge. X L I I. Ik zie reeds de groene oevers van de Rivier ***, vlak voor mij: geheele heiren van landlijke watervogels zwerven thans rondom ons, en fchijnen ons te begroeten in deezen oord : na weinige oogenblikken fnellen wij, met volle zeilen , den wijden mond van deeze trotfche ha-  aoS I. BOEK. haven binnen : het kanon wordt geladen om de vreugdefchooten der landinge te kunnen uitbrommen ; en ik, daar mijn fcheepsleven nu geëindigd is, ik ga nu mijn fchrijfgereedfchap, en mijne andere zaaken bij elkander pakken om ze op dit fchip niet weder te gebruiken : bij deeze gedachte gevoel ik iets, dat niet enkel vreugde is : de indruk van de wisfelvalligheid onzes levens, en den voordgang onzer dagen, wordt hier dieper in mijne ziel; en ik gevoel, zelfs in weérwil van alle de fombere uuren, welken ik hier fleet, eene foort van gehechtheid aan de plaats, die ik hier befloeg, en aan alles wat ik gebruikte: aan de andere zijde, is de nabijheid mijner landinge mij tog aangenaam : ik zal weder vasten grond en groene velden zien; ik zal vreedzaame landbewooners, en welligt , in den kring der menfehen onder welken ik verkeeren zal —een éénigen vinden — hoe gaarne hoopt men tog ook onwaarfchijnelijkheden, waarin het hart belang heeft! — die mij het gemis van mijnen Karei! juist niet vergoeden , maar eenigzins draagelijk zal maaken— en mogt ik dit wezen eens vinden , gij zoudt daarom immers nooit iets vreezen, dat ik u vergeeten zal? konde dit u een oogenblik kommer baaren, dan bleef ik liever eenzaam uw afzijn beklaagen— maar welke eene gedachte! Karei zou kunnen twijfelen aan de eeuwigduurendheid der vriendfehap van zijnen Reinhart! dit is onmo- ge-  I. BOEK. 209 selijk — en nu, voor het laatst van dit fchip, vaarwel! — ik leg mijn pen neder. X L I I I. Deezen brief-, lieve Karei 1 fchrijf ik u niet meer in de enge cajuit van een bekrompen fchip, dat door ongeltadige winden voordgedreeven, fomwijl een fpel der tuimelende golven was; neen; ik zit thans op het vaste land, in de fchaduw van het gastvrij dak eens herbergzaamen planters ; alwaar ik nog eenige dagen vertoeven zal. Dank dan met mij,lieve Karei! dien God,die mij door de baaren geleidde, en bragt tot de haven van mijne begeerte ; wensch mij geluk met mijne behoudenis : hoe levendig gevoel ik thans het roerende van den aandrang des heiligen dichter8, tot den lof van God, in deeze woorden: Die hij van ver uit h.e oorden, Van 't oost en 't westen bragt, En van de zee, en 't noorden, Geleidde door zijn magt; Die op een aklig pad, ln woeste wildernisfen, Omzworven , en een ftad Ter wooning moesten misfen. I. deel. O Mijne  I. BOEK. Mijne eerfte aandoening van dankbaarheid deed' mij, zoo dra ik eenzaam was, knielen voor God mijnen weldoener; ik gevoelde zijne goedheid • ik gevoelde mijne verpligting, om dit weldaadig Wezen, dat, en op de zee, en op de ver gelegene gewesten der aarde , zijne menfehen wéldoet, ook hier te dienen; en zijnen naam te belijden, onder volken die Hem niet kenden ■ en deeze verpligting was mij zaligheid. Hoe veele gemengde hartstochten doorwoelden mijne ziel,toen wij de reede naderden;toen de vreugdefchooten van het bulderend kanon , door het ftrand en de golven der trotfche rivier' als door zoo veele klaterende echo's herhaald, mij nog terug voerden, naar de affcheidsgroeten welken voor omtrent drie maanden aan de vaderlandfche reede mijn hart verfcheurden, en de fints verloopene dagen langs leidden, tot ik mij wedervond aan de plaats mijner beftemminge: toen ik het fchip verliet, op 't welk ik zoo veele wonderen der fchepping gezien, zoo veele bewaaringen in gevaaren ondervonden had;dat zoo veele weeken mijn zwervend verblijf geweest was , en in het welk ik gemeenzaam geworden was met de vriendenlooze eenzaamheid, waartoe mijn lot mij fchikte; toen ik met de boot het vaste land naderde, mijne eerfte voetftappen daarop drukte,en onder verfcheideneNegers, die ik daar, in hunne vaartuigen, of'op de ftranden,met hunnen flaaf- fchen  "vreik een 'wonder' inen^yxel van g'cvaarivordiii^cii vcroopzaakte dit alles in mij, Ï.BJBladz .^n.   I. BOEK. fchen dienstarbeid bezig zag, 'er één vond, die mijn wegwijzer werd, naar den oord mijner beftemminge; welk een wonder mengzel van gewaarwordingen veroorzaakte dit alles in mij,dat tog in een opgetogen genoegen over de verandering van mijn verblijf eindigde! o! hoe zoet was mij de vrijheid, na dat ik zoo lang in eene drijvende gevangenis opgeflooten geweest was, toen ik gaan kon waar ik wilde , en door geene fcheepsboorden meer ingeflooten werd 1 toen ik de frisfche drooge landlucht inademde, en het zachte, het oogverkwikkende , het hartftreelende groen mij overal omringde; toen het mijn hoofd befchaduwde , en ik het met mijne voeten drukte! toen ik, in ftede van het dompig gebrom der golven , het geruis der landwinden in de bladeren hoorde fpeelen; en in plaats van breedgewiekte graauwe zeevogelen , die mij onderwegen tog een lief gezelfchap waren , kleine zangerige vogeltjens, in de boomen zag huppelen , en in hunne eenvoudige kunstlooze toonen een ftreelend confert hoorde! toen ik rondom mij, onder alle dieren, die vrijheid en dat geluk befpeurde , waarna ik zelf zoo fnakte! de blijdfehap van Cheri , die, al gillende van vreugde, heen en weder fnelde, en mij dankbaar aanzag, bragt zelfs iet toe om mijn genoegen te vergrooten. Onder 't geleide van mijnen Neger, kwam ik op het aanzienlijk landgoed van een welvaarend planter aan,die mijne komst nieuwsgierig tegenO 2 zag;  212 I. BOEK. zag; hij is de vriend van mijnen toekomftigen befchermer, die eenige uuren van hem verwijderd, zijne wooning heeft. Men bejegent mij hier, naar het gastvrije gebruik deezer landen, zeer minzaam en gul; ik zal denkelijk nog een paar dagen onder dit herbergzaame dak vertoeven , deeze vriendlijke behandeling , jegens mij onbekenden jongeling, ftort mij moed in voor 't vervolg , en dankbaarheid aan den God die vreemdelingen behoedt. Men zegt mij dat 'er een fchip naar het vaderland zeilreé ligt, welks brievenzak morgen fluit; ik zal dit bericht van mijne behoudene aankomst, met alle mijne, op de reis gefchrevenc brieven, aan hetzelve medegeeven: hoe veel uit het hart van uwen vriend, zult gij daarin vinden ! hoe belangrijk zal u deeze bondel zijn l en behoef ik mijnen Karei wel te vraagen om het ingeflooten paquetjen, zoo rasch mogelijk, aan mijne moeder te overhandigen? het denkbeeld, hoezeer gij die dierbaare, verlangende vrouw verkwikken zult, zal u genoeg bezielen : o 1 hoe zal zij de hand zegenen, die haar iet van haaren zoon overreikt! met welke moederlijke traanen zal zij die bladen befproejen! aangenaame gedachte! fpoedt dan gedienftige winden ! rolt, fchuimende golven! brengt deeze bladen in de hand van die moeder; zegt aan mijnen lieven Karei, dat op het ftrand van Guiana de vriend van zijne jeugd voor hem leeft, en (preekt hem van zijnen Reinhart.  TWEEDE BOEK. G U I A N A. s O 3   TWEEDE BOEK. G U I A N A. I. H oe misleidend is toch de verbeeldingskracht, door welke wij ons afweezende zaaken voorttellen ! welk een begochelenden glans verfpreidt zij op genoegens, die wij niet genieten! doch bij het genot verdwijnt dezelve, en wij gevoelen dikwijls onze hevigfte begeerte, niet dan door ledigheid beantwoord : zoo ging het uwen vriend, lieve Karei J toen hij, het eenvormig fcheepsleven moede , zoo hijgend zijne landing tegen zag , en, bij alle de ongenoegens, aan zijnen vreemdelingsltand verbonden, zig evenwel een heimelijk iet beloofde , dat zijnen ftaat verbeteren , O 4 zijn  ai6 II. BOE K. zijn hart bevredigen zou, en het toch niet vond. 't Is waar, de veranderingen welke de aangenaame vruchtbaare landtooneelen opleveren, is mij, na een zoo langduurend eenzelvig en woest zeegezicht, zeker niet onverfchillig; zij ftreelen mijn oog, en verkwikken mijn hart; maar onder die verkwikking, gevoel ik eene ledigheid die mij doet kwijnen, en het is mij, of alles van rondomme mij toeroept: ,, 't Is uw vaderland niet, en uwen vriend vindt gij ook hier niet weder! " had ik dit dan gedacht? neen Karei! dat juist niet; maar ik hoopte, onder zoo veele menfehen die ik dacht te ontmoeten, 'er ligt één te vinden, wiens gevoel eenigzins op den toon van het mijne geftemd was , en fimpatéthisch met mij werken zou; die op mijne verfchijning zoo verheugd zou zijn, als ik op de ontmoeting van hem ; maar niets van dat alles ontdekt zig: vruchtloos zocht ik, in de veertien dagen van mijn verblijf aan deeze kust, onder alle de bewooners, die ik ontmoette; ik vorschtc met mijne oogen, ik hoorde met mijne ooren, of ik ook zulk een wezen vinden mogt, waaraan mijn hart zig hechten , en dat de eenzaamheid , welke mij altijd omgeeft , eenigzins verzachten konde; doch ik vond niemand, aan wicn ik iets meer dan gemeene menfchenliefdc, en op zijn best koele achting gceven kan; niemand begeert ook meer van mij; vriendfehap  II. BOE K. 217 fchap is hier, in dien nadruk altoos, wélken wij aan dit woord geeven, geheel onbekend, en hulpvaardige gastvrijheid , is de hoogde graad van bclangneemïng voor elkander, tot welken men hier opklimt: de brandende luchtftreek fchijnt hier de zachtere aandoeningen van het menschlijk hart te verzengen ; terwijl zij wreedheid, heerschzucht, en andere hevigere driften ,voedzel geeft.; en dit treurige land, zal dan het beftendig verblijf van den, voor vriendfehap gevormden Reinhart zijn, daar hij, van den tederen vriend zijner jongheid verwijderd, zijn treurig leven eenzaam afkwijnt? — dikwijls vraag ik dit mij zeiven al zuchtende af, en mijn antwoord is niet dan een ftomme traan. Mijn Karei ! moest ik u dan flechts eens als mijnen vriend bezitten , en den zachtftcn troost van mijn hart, in alle mijne tegenfpoeden daarin vinden, om eens te heviger uw gemis aan eenen vriendloozen oever te gevoelen? fombere gedachte ! o getrouwe herinnering ! blijf gij mij dan bij, en maal mij de lieve beelden van mijn verdweenen geluk nog dikwijls af; ftreel mij nog eens door het genoegen mijner jeugdige dagen, en laat mij, ten minften nu en dan,een dropjen proeven van die zachtruifchende beek, die mijn levenspad — welligt voor altijd — verlaaten heeft. Nooit kan ik vergeeten, hoe gelukkig wij, als O 5 knaap-  3l8 II. BOE K. knaapjens met den anderen waren; wij wareü minder fpeelziek, meer leergierig, meer gehoorzaam aan onze opzichters, wanneer wij bij elkander waren: hoe openhartig deelden wij elkander de kleine lotgevallen van ons aanmerkelijk leven, onze fchielijk gemaakte kinderlijke ontwerpen tot kinderlijk geluk, onze genootene, of toekomflige genoegens, onze te leur gefielde verwachtingen , of bedwelmde vooruitzichten, met een onbekommerd vertrouwen mede ! hoe gretig luisterden wij na elkander! hoe warm deelden wij in elkanders gelukkig lot! en reeds in de eerite, onrijpe jaaren der losfe kindsheid , vlochten wij een' band der vriendfehap , die de blijdfehap bleef onzer jongelingsjaaren, en die eens, zoo als ik toen hoopte , de fterkte onzer grijsheid worden zou —maar ach! waarom zeg ik: hoopte? is dan nu die hoop afgefneeden, om dat gijin Europa, en ik inGuianawoon? —zal dan mijn leven hier eindigen? wie zegt mij dit? is het niet even mogelijk,dat ik nog eens, als dezelfde Reinhart die u verliet, tot u weder keer? dat wij, door eene vriendfehap, welke het lot eene zeldzaame rijpheid gaf, den last van elkanders ouderdom nog eens verligten? en zal dit al niet wezen, blijven wij dan ook niet, ver van den anderen gefcheiden, dezelfde betrekking op elkander behouden? kan de verplaatzing van eenige honderden van mijlen, hierin verandering maaken? kan de verste afftand eenen band breeken, dien  II. BOE K. 219 dien de Natuur weefde, en dien onderlinge deugd, zoo wel als de tijd, eene zoo taaje fterkte gaf? kan de inademing van eene andere lucht , de ihaaren onzer ziel minder melodiëusch doen klinken, of doen verdommen? neen, Karei 1 dit is onmogelijk! de zoo wijde afftand, kan niets anders, als den knoop onzer vriendfehap, even als de van elkander vliegende vogeltjens den draad, op het fignetjen, waarmede gij uw laatften brief verzegelde, naauwer toehaalen; hoe beviel mij de zinfpreuk, die het omringt: En s'éloignant k noeud fe ferme; ik gevoel dat zij waarheid is: hier niet minder, dan in 't vaderland, zullen wij elkanders vertrouwden zijn; ook hier zal ik u alle de gedachten, alle de gewaarwordingen van mijn hart, deszelfs lijden en vreugde zal ik u mededeelen; want ik weet, dat het uwe voor mij ontflooten is , en in mijn kleinfle lotgeval meer dan broederlijk deelen zal; en ik, meer dan ooit heb ik thans een vertrouwden nodig , aangezien ik in veele gevaaren, geheel aan mij zeiven overgelaaten, en jong ben: hier zie ik tog niemand, die wijsheid, deugd, en trouwhartigheid genoeg in zig verëenigt, om mijn leidsman te weezen; zelfs niemand die mij verftaat; eene geheel andere {lemming van ziel maakt de meeste menfehen hier voor mij, dat ik voor hun ben—onverfchillig. O! Karei! hoe zoet zal mij elke onderhandeling, elk briefgefprek met u dan hier blijven! hoe van zelf, zal ik telkens den  22© II\ BOE K. den koelen toon der bekendfchap , met dien der warme, der openhartige vriendfehap afwisfelen; wanneer ik de verzamelde gewaarwordingen, die zig dengeheelen dag, of week,in mij opkropten, zal kunnen lucht geeven, en aan u uitltorten! geen oogenblik, dat ik aan u geeven kan, zal verbeuzeld worden: moede van de bezigheid, waartoe mijn pligt mij hier roept, zal ik het nog met zijn, voor dien van mijn hart; elke avondftond die mij toebehoort, zal ik aan vriendfehap en kinderliefde wijden, en dat uur zal mij heilig zijn. In die oogenblikken, zal ik mij nog dikwijls de zalige avonden van Kommerrust herinneren; wanneer wij van de verltroojingen des daags dikwijls, na eene afwezigheid van bijna den geheelendag, vriendfchaplijk zamen vergaderden; als wij, gij fomwijlen van uwe fludie of jagtvermaaken, Chaiiotte van haare huislijke en moederlijke bezigheden , ik, van mijne verre, en peinzende wandelingen,vermoeid, met het boek dat mij in een eenzaamen hoek voor gezelfchap gediend had nog in mijn" zak, wederkeerden; dan was dikwijls een vrolijk prieel, een breede boom, of de open hemel, bij een mosfige vijverbank, het fchoon tooneel der openhartigfte, der nuttigde, der edelfte vriendfehap ; het genoegen dat elk in zijnen kring op den weggevloogen dag genoten , of de ontmoetingen die elk gehad had , leverden dikwijls de onderhoudende ftof tot ons ge-  II. BOEK. aai gefprek op, en de blijde, de fchoone, in ftille landlijke genoegens omgevlogen dag, werd beflooten, met eenen hemelfchen avond: o mijn vriend! de traanen van herinnering, van'vruchtloos verlangen, vallen op dit blad, en wisfchen mijne bevallige tekening bijna uit ; echter maar op het papier, in mijn hart blijft zij onuitwischbaar; en dit hart gevoelt al zuchtend — dat alles voorbij is. Doch zoo veel als ik kan, wil ik mijn gemis vergoeden; ik wil mijne eenzaamheid bezielen door uwe gedachtenis ; ik wil meer; in mijne verbeelding zal ik u naast mij plaatzen, op de bank, onder den boom , daar ik de avondkilte zoeken zal, terwijl mijne gedachten, of mijne pen met u bezig zijn, zal ik waanen met u te fpreeken ; uw antwoord zal ik mij verbeelden te hooren , en ik zal niet meer zoo eenzaam zijn: papier en inkt zullen hier, zoo als op het fchip, mijne beste fchatten weezen; geen goud , geen kostbaar gelteente , kan hier tegen opweegen! hoe dof is al de glans, welke daar in flikkert, voor een hart, dat fmacht naar vriendfehap .' maar het doodfche blad papier, kunnen wij beftroojen met levendige en vervrolijkende letters, die het bezielen , en deszelfs waarde onberekenbaar doen worden; uwe vriendfehap is, buiten den Godsdienst , mijn eenige troost in het land mijner vreemdelingfchap. Vreem-  *22 H. BOE K. \ Vreemdelingfchap, zeg ik — dit woord bevalt mij; het klinkt zoo verlaaten, zoo behoeftig! het onderftelt zoo veel gemis, en juist daarom koos mijn hart het: doch mijn verftand zegt: „Ook de ftand van eenen vreemdeling, heeft zijne „eigene genoegens," en dit is zeker zoo: hoe veele edele nieuwsgierigheid kan de reiziger voldoen? hoe veele begeerten kan hij vervullen, welke de geruste bewooner van zijn vaderland, die nooit de ftreek land verlaat , waar het toeval hem plaatfte, altijd onderdrukken moet: en kan de opoffering van eenige vaderlandfche genoegens niet eenigzins beloond worden, door de genietingen die hij elders vindt? hij tog, die met een hart, voor de fchoonheid van het gefchapene vatbaar, andere landen bezoekt, kan overal, aan alle oorden der wereld, voedzel vinden voor zijn edel vermaak; waar hij ook znne navorfchende oogen fla; waar hij zijne onzekere voeten zette; waar hij zijne luisterende ooren wende overal leest, overal hoort hij dien ftreelenden toon: ,, de Heere regeert! de wereld verheugt ,, zig!"— zijne denkbeelden van de onbegrensde Almagt, de diepe wijsheid, en eindelooze goedheid van den Schepper der aarde , die van pool tot pool, van den diepst verhooien hoek, tot deszelfs uiterfte grenzen, zoo helder, zoo fchoon zoo harmonisch werken , en door de geheele fpraaklooze Natuur worden bezongen , worden meer uitgebreid en opgehelderd; zijn eerbied, zij-  II. BOE K. 213 zijne liefde voor dat Wezen groeit, en met dezelve de rust en de vrede van zijn harte. In dit opzicht wil ik het voordeel van mijnen ftand opmerken, en tot mijn nut zoeken te gebruiken; zoo kan ik de geheele wereld , en ook de Kust van Guiana, als mijn vaderland befchouwen; want God, de Vader der Natuur, de verzorger zijner fchepfelen, regeert, zegent, verzadigt alles , ook dit land, door zijne goedheid; ook hier lees ik die vader-goedheid, op alles wat mij omringt; en ieder blaadjen dat door de brandende zon niet verfmacht , en des morgens , door den nachtdaauw verkwikt, met nieuwe glanzen praalt , ritfelt mij tegen: „ Mijn „Schepper «al voor u zorgen!" onder zijne hoede ben ik hier zoo veilig als in uwe vriendfchaplijke armen, of op mijnen vaderlijken grond; en wat zegt het dan weinig, of ik op het plekjen gronds , alwaar mijne ouders mij het leven gaven , of eenige duizenden van mijlen verder, die hoede ondervind? ik wil danpoogen om hier, vrolijk en welgemoed, het goede dat God's vader-hand mij toereikt te genieten; afhangelijk van zijne zorg te verkeeren; geene plannen van voorfpoed vooraf te bepaalen , maar de fpooren zijner vooruitwerkende voorzienigheid te volgen , en gelooven dat Hij mijn lot allernaauwkeurigst kent, en het zoo zal Ituuren, dat ik eens zal kunnen zeggen: „ Zijne trouw heeft mij geleid." Hoe  «24 H. BOE K. Hoe veel verfchilt de gefteldheid mijner ziele, in den aanvang, en in het flot van deezen brief! zoo veel invloeds heeft reeds de kracht der vriendfchap op mijne verbeelding;ik heb nu, al fpreekende met u,mijn hart verligt; en het is mij of gij mij goedkeuring had toegeknikt: o Kareil dat die verbeelding altijd zulk eene gelukkige uitwerking hebbe J hoe veel moedverdoovende onrust, die tog tot niets dienftig is, zal zij dan verdringen uit de ziel van uwen Reinhart. I I. Mijnen voorigeu fchreef ik u ,zoo als gij weet, onder het gastvrij dak van een aanzienlijk planter, die mij als den aanbevolenen van zijnen vriend, met vermaak herbergde, tot dat deeze mij liet afnaaien naar die plantage, waar mijn duurzaamer verblijf zijn zal, en die hier eenige uuren afgelegen is ; ik word hier vriendlijk en gul bejegend, en vind niets van die ftijve wellevendheden, die beangltigende attenties, die ons, terwijl wij haar genieten, onze verpligting met eene lastige zwaarte doen gevoelen , en ons doen wenfchen van dezelve ontflagen te zijn ; neen, alles gaat hier gul, eenvoudig, en natuurlijk toe — men blijft onder de banden die vriendlijke hulpvaardigheid vlecht , volkomen vrij; en wenscht zig  Ui BOE K. a£5 zig niet anders: 'er is evenwel met dat alles , in den omgang , of liever in de karakters dar menfehen, welke ik hier ontmoet, niet dat geene dat recht verbindend voor mijn hart is, en voldaanheid daarin uitftort; dankbaarheid alleen, doet in hetzelve haare ftille werking , en voor 't overige blijft het in dit opzicht van gewaarwording ledig, en geniet niet. De vrije dagen, welke ik op rAbondance — zoo noemde men die plantage — heb doorga bragt, heb ik tot mijn voordeel zoeken te gebruiken, om de wijze, de omstandigheden, de genoegens en onaangenaamheden, de voor- en nadeelcn van het plantage-leven te onderzoeken, en door veel navraagens zoo wel als door eigene nafpeuringen, heb ik gemerkt,hoe men hier het best zijn fortuin maaken , en teffens het ftille geluk des levens, in aangenaame vrijheid, genieten kan: ik heb veel goeds , en ook zeer veel dat mij tegenftaat, gevonden doch van dit alles hier naa — deeze kundigheid kan mij nu in den aanvang nog niet zeer te ftade komen 4 maar ik hoop dat zij het daarna doen zal; en eene vooruit verkregene kundigheid kan intusfchen rijpen in mijne ziel, en meerder zaaden van voorfpoed in het vervolg voordbrengen. Ik ben thans op het ruime Landgoed van den Heere *** dat een paar mijlen meer landE deel, P waarda  zi6 H. BOE K. waards in gelegen , mij verder van u fchijnt te verwijderen, om dat het van de zee — de eenige weg die van het vaderland tot dit gewest voert — afgelegen is: hier, op deeze plantage, zal dan eigenlijk mijn duurzaamer verblijf weezen, en deszelfs eigenaar, den Heer *** moet ik mijn begundiger, of wilt gij liever, mijn meester noemen —waarom wilde dit woord zoo kwalijk uit mijn pen, Karei? is het de fchrik voor het verlies van die vrijheid , tot welke de Natuur liefde in mijn hart fchiep? is het die edele grootmoedigheid, die gaarne ongedwongen, vrij en goed handelt? — of is het hoogmoed?— ik geloof het laatfte; en dan vordert zij overwinning. Het onderfcheiden en afwisfelend lot, fchikte tog deezen om te hcerfchen, een anderen om te dienen; en de waare verdienden van deeze beiden is aan hunnen verfchillenden dand in 't geheel niet verbonden : de menfehenkenner ontdekt dikwijls eenen vorsten-geest in boejen , en eenen laaghartigen kruiper op den troon. Te bukken, waar onzen dand zulks vordert , en echter eene vrije ziel te behouden, die nimmer daafsch wordt, dit is waare edelmoedigheid, die meer verheft, dan den luister des aanziens; en door een ontijdigen hoogmoed zijnen pligt te vergeeten, dit is laaghartigheid, die den Vorst zou ontfieren: evenwel, mijn afftand van den eigenaar van dit goed, is niet zoo aanmerkelijk , en zijn gezach over mij niet zoo onbepaald ,  n. BOE K. £2? paald, dat het mij drukken kan; hij is bezitter, ik opzichter van zijne zaaken, en eene naauwkenrige oplettendheid, een belangneemende ie ver in mijnen pligt, kan mij voor hem eene onvergelijkelijke waarde geeven , en deeze minderheid bijna doen verdwijnen; en al ware dit ook zoo niet, dan nog zou ik bloozen over mij zeiven, zoo ooit de ontijdige hoogmoed mij kon Verhinderen , den eerften ftap op den weg des voorfpoeds te doen, al ware ook zijnen grond Wat moerasfig , of met distels begroeid : hoe valsch is tog alle fchaamte die aanzet om eene eerlijke pooging te verzuimen! hoe gaarne wil ik alles aanwenden, wat mij bevorderlijk zijn kan in het verkrijgen van een geluk, dat ik niet zoek voor mij zeiven ; en daar bij, dat, wat ik nu ben, zal ik met Gods zegen niet altijd blijven; al ieverende voor een ander, hoop ik zachtjens voor mij zeiven te werken, en allengs in het geval te komen, om eens een zoo goed opzichter te worden, als ik nu bediende tracht te zijn; door gewilligheid en vlijt, zal ik altijd den man, die welligt mijn fortuin in zijne hand heeft, edclr moedig zoeken te behaagen; doch kruipend vleien en laage fmeekingen kan hij nooit van mij wach* ten, maar zoo veel te meer op getrouwe waar* neeming van mijnen pligt rekenen : de godsdienftige denkbeelden, welke mij in denzelven verHerken zullen, fchijnen hier, helaas] iets vreemds te weezen, en zoo veel te meer zal ik 'er mijne P a eer  4aS II. BOE K. eer in (tellen, te toonen dat juist deezen, veraf van loome traagheid te koesteren , veelëer eerlijkheid en braafheid in het hart der menfehen doen aanwasfen. Het karakter van den man, in wiens dienst ik den eerften (tap tot mijn fortuin hoop te doen, kan ik u nog niet befehrijven; het zal u ook, buiten den invloed , welke het op mijn geluk hebben kan , geheel onverfchillig zijn: genoeg weet gij, wanneer ik u zeg, dat mijn verftand zoo min een voorbeeld van menschlijke deugd, dan mijn hart eenen vriend in hem vinden zal; zijn fmaak is grof, zijne zeden niet kiesch, en godsdienst fchijnt zijn hart niet te verheffen; doch met mij is hij te vreden; en ik dank Gods goedheid die mij welgevallig maakt in de oogen der menfehen., met welken ik verkeeren moet; en, waarlijk,men moet een' vreemdeling zijn, om al het aangenaame daarvan te kunnen gevoelen. Ik heb mij, den geheelen dag, door en door moede gefchreven, over zeer dorre, en mij geheel belanglooze dingen; doch daar zij tot mijnen pligt behooren, deed ik dit met genoegen, en met die aandrift , welke bij alle bezigheden mijne eerfte jeugd reeds is ingeboezemd; evenwel het uurtjen dat mij ontflaat, en tijd voor u. overlaat, is mij nog veel zoeter ; hieraan zult gij niet twijfelen* Som-  II. BOE K. 2i9 Somwijl gevoel ik dat het climaat hier een traagmaakenden invloed heeft, waartegen ik telkens moet worftelen ; doch ik vlei mij dat de gewoonte mij dit ligter maaken zal ; Natuur heeft mij nog meer dan andere Europeërs voor een warme luchtftreek gefchapen; de barre winters in mijn vaderland gevielen mij minder, dan iemand van mijnen ftand; ik fchijn des gevormd voor mijn lot. De lucht is hier zeer heet; de zon brandt met gloejende ftraalen; doch een koele oosten-wind, welke meestijds deeze kusten doorwaait, blaast de benaauwdheid uit den dampkring , en de gloed van het aangezicht af; en geeft in deeze , anders ondraagelijke hitte, een lieve verademing. De woningen zijn hier luchtig en vrolijk opgebouwd; het licht heeft 'er een onbelemmerden toegang, en wordt zelden door halfgeflooteneblinden weggeftooten: de altijd opene venfters geeven een gezonden doortogt aan de verfche lucht: de kleding is hier los en vrij, naar de hitte gcfchikt; elk volgt hierin zijne keus, en gaat zijnen weg: zonder een flaaf van algemeene gebruiken, of van elkanders grillen te zijn, behoeft men nooit angftig eenen verwonderden, vcrlegenmaakcnden blik , of dc lastige beoordeeling van nieuwsgierige praatzucht, te vreezen; elk zoekt hier zijn eigen gemak, zijn eigen belang, en zijne eigene vrolijkheid te bevorderen, en laat dit een P 3 au*  23o II. BOE K. ander even zoo Vrij verrichten: dit alles gevalt mij hier bijzonder wél; met één woord, aan luehtftreek en fommige gewoonten , zal ik mij al zeer rasch gewennen; maar deszelfs bewooners, m het lot, helaas! zoo zeer onderfcheidene bewooners , vervullen, elk op hunne wijs , mijne ziel met eene fombere droefgeestigheid, en ik kan niet vrolijk ademen in een' dampkring door zou veele zuchten van ongelukkigen, door zoo veele woeste klanken van ruwe menschlijke wezens gefchud. Ruwe wezens, zeg ik, en ik zeg niets te veel: Let edel menschlijk gevoel dat het hart verheft, en de zachtfte genoegens baart, fchijnt op deeze Colonie geheel onbekend , ten minften zeer fchaars te weezen: de zedelijke fmaak is te grof, om het fchoone der beste deugden te proeven ; zij zijn de fpeelballen van alle hevige , door het climaat en omftandigheden aangevuurde, en den mensch vernederende driften, welke de fchoonfte grondneigingen van een natuurlijk edel-gevormd hart, en de glinfterende vonken van zeer gaedverftand, als in eene dikke asch begraaven, en verhinderen te fchitteren; de godsdienst, zoo als ik u reeds zeide , is hier een vreemd verfchijnzel; fomtijds wordt hij hier zonder kennis veracht, en zonder geest befpot, offchoon zij, welke mijne , zo zij ze noemen, dweepachtige gevoelens kennen, dikwijls ontzien van zulks in mijne tegenwoordigheid te doen; hiervoor dank ik den Ile-  II. BOE K. 23I Hemel vuurig, want hoe zeer mijn hart dikwijls door waar medelijden , over hunne ongelukkige denkwijs, of gedachtenlooze losheid , die hen hunne beftemming voor de eeuwigheid doet vergeeten, en de dood als de eindpaal van hun aanzijn doet befchouwen, bezield zij; hoe gaarne ik hen anders wenschte , en uit mijne eigene ervaaring, het zalige van den godsdienst wel telkens zoude willen afmaaien; ik gevoel tog te duidelijk , dat 'er meer kracht van geest, meer doorziend verftand, en meer vasten moed, dan ik bezit, vereischt wordt, om altijd, door op zijn pas te zwijgen, of door overredend te fpreeken , te overtuigen, dat ongodsdienftigheid rampzalig , en deugd gelukkig maakt: intusfchen heb ik dagelijks gelegenheid, om mijne godsdienftige opvoeding, die de zaaden van mijne betere denkwijs in mijn hart ftrooide, en nog meer om de Godlijke genade van mijnen Verlosfer , die dezelve vruchtbaar maakte, met waare dankbaarheid te erkennen; door eene minder deugdzaame moeder,in andere omftandigheden,opgevoed,zou ik welligt, even als deeze menfehen^ God en mijn geluk vergeeten, en mijne eer in mijne vernedering {tellen : deeze gedachte verandert zeer dikwijls mijne verontwaardiging in medelijden, en in een ftil gebed voor hunne verbetering — en zij herinnert mij tevens aan mijne eigene zwakheid: o mijn vriend! als ik deeze gevoel, als ik bemerk hoe Üstig, hoe verleidend mijn hart, hoe hevig mijP 4 ne  232 II. BOE K. ne driften zijn, dan word ik angftig voor mijzeiven : wie zegt mij, dat mijne ziel alle haare beginfels, welke zij medebragt, hier zal bewaaren, en niet allengs medegevoerd worden tot het kwaad, dat zij nu bejammert? hoe veele goede karakters zijn door kwaade voorbeelden bedorven! hoe veele edele beginfels, hoe veele belovende fpruitjens van fchoone deugden, zijn in de heete zon der verzoekinge verzengd, en (Kerven weg! — ook in mijn hart heb ik die'zaaden van alle ondeugden met mij gebragt; verhinderden eenige gelukkige omftandigheden derzelver ontwikkeling in mijn vaderland, hier zullen zij welligt, in andere toevallige omftandigheden, voedzel voor hunnen aanwas vinden, uitfpruiten, en rampzalige vruchten draagen; driften, welke in mijn vaderland fluimerden, zullen welligt in dit hecte gewest ontwaaken; en die, welke daar reeds werkten, hier heviger worden , en mijnen val veroorzaaken : voorbeeld en verleiding kunnen hun dubbelde kracht geeven —nu is mijne aandoening, bij veele zedelooze bedrijven welke mij hier in het oogvallen, af keeten walg; en dit is zeer natuurlijk, naar mijne tegenwoordige denkwijs; elk tooneel dat den adel der menschheid vernietigt , moet mij doen terug deinzen, en mijne Waare grootheid doen (tellen in daarvoor op den duur te vlieden, en de deugd van het Euangelium getrouw te blijven : maar ach! Karei! ik ben een jongeling, wiens deugd zul-  n. BOE K. a33 zulke diepe wortelen niet heeft, of zij kan door den ftroom der verleidinge worden weggefleept; hier is niemand, die edele gevoelens in mijne ziel zal aankweeken; is het dan niet zeer ligt mogelijk, dat dagelijks vernieuwde voorbeelden mij , allengskens , doen gewennen aan dat kwaad, voor 't welk ik nu fchrik? dat het door herhaalde verzoekingen , minder affchuwelijk in mijne oogen wordt? dat mijn misleide geest allengs tot zulk een laag pijl nederzinkt , dat ik mij eindelijk diep inwikkel in alle die ondeugden , voor welke nu, al wat edel in mij is , terug deinst?— onmerkbaar is immers de voordgang der boosheid in het menschlijk hart ? en hoe groot , hoe akelig zou mijn val zijn , wanneer ik, na zulke eene opvoeding, na zelfs het fchoone der deugd gekend, en de ftille vrede , welke haare gebrekkige betrachting geeft, gefmaakt te hebben, mij liet nederrukken, in dien akeligen afgrond, op wiens oever ik nu zidder, en tot mijnen Hemelfchen Vader bid : „Leid mij niet in verzoeking!" Zeker, zoo lang ik mijn gevaar gevoel, en uit dit gevoel bij Gods bewaarende almagt dagelijks en oogenbliklijk hulp zoek, zoo lang heb ik geene zwaarigheid; want die getrouwe Verlosfer zal geene afgefmeekte genade* aan eenen behoeftigen weigeren; en, hoe zeer de arme deugd van ons nietige ftervelingen niets verdienstelijks in zig hebbe, en zoo geheel ver van die reine, bij God gelP 5 dende  234 II. BOE KL dende deugd, af zij, het poogen evenwel dat een mensch, dat een door Hem begunffigd jongeling doet, om zijn pad zuiver te houden, dit is Hem zoo aangenaam, dat Hij de moejelijke pligten, tot welken de godsdienst ons verbindt , door de zaligfte belooning veraangenaamen wil. Deeze denkbeelden zal ik zoeken levendio- te houden; en mijne gewoonte, om dagelijks, iet ten minden, in den bijbel te leezen, wil ik hier voordzetten; verder zal mijn lieve Gellert de vriend en de leidsman van mijne eerfte jongelings-jaaren, hier vooral mijn vriend blijven, en zijne Zedelesfen zullen altijd mijn getrouw handboek weezen; dien edelen man bemin ik met eenen bijna afgodifchen eerbied, welke tog niet ongeoorloofd is, om dat zijne braave , zijne godvereerende deugd, 'er de eenige oorzaak van is: hoe treffend fehildert die nu reeds zalige vriend der fchoone godsvrucht, de waare menschlijke grootheid, en den moejelijken, maar tog zaligen weg, om die te bereiken ! met welke haatelijke verwen tekent hij de ondeugd ! hoe vriendlijk waarfchuwt hij tegen de vermomming welke zij dikwijls aanneemt, om het zorgelooze hart in een oogenblik van onbehoedzaamheid te verflrikken , en te misleiden! welke eene diepe kennis moet hij van alle de vouwen en ploojen, zelfs van de diepfte fchuilhoeken van het mensch- lijk  II. BOE K. 235 lijk hart gehad, hoe zeer moet hij de waarde van de deugd gekend hebben, die hij zoo beminnelijk , zoo uitlokkend wist aftemaalen, dat hij elk zijner leezers, dat hij zelfs den heviglten vijand zijner lesfen, tegen zijnen wil gevoelen doet, dat Godsdienst de hoogftc zaligheid is, voor welke zijne Natuur vatbaar is; o die edele man! hoe veele dwalende jongelingen zijn door hem braave grijsaarts geworden! welk een onberekenbaar voordeel, heeft hij zelfs nog voor laate gedachten veroorzaakt! hoe zalig zal het loon zijn dat hij nu reeds geniet, en nog meer genieten zal, als alle door hem verbeterde zielen hem den dank daarvoor aan den troon van God komen geeven! beter menschlijk boek dan Gellerts lesfen, is welligt voor een handboek van eenen deugdlievenden, nergens meer; zeker hij die zulk eenen leermeester heeft, die daarbij zulk een' vriend heeft, als ik bezit, die eene moeder heeft, als de mijne; en die dan zijne beginzels verlaat; o Karei! hoe diep moet die vallen! Maar integendeel, hoe krachtig zal, dunkt mij , bij de andere drijfveeren tot een deugdzaam gedrag , mij deeze gedachte in voorkomende verzoekingen zijn : „ Zal ik de tedere ,, zorg mijner moeder voor mijn geluk verijde„ len? zal ik de verwachting, welke zij op mij „ had, befchaamen ? zal ik ooit de beloften, die „ ik  43.6' IJ. BOE K. ik haar, vóór ons fcheiden, gaf; (en is dit niet „ zoo veel als de belofte aan eene ftervende!) „ zal ik die vergeeten ? zal ik vergeeten hoe ,, veel geluks de Godsdienst aan haar fchonk? hoe veel rijkdom in armoede, hoe veel kalmte „ in onrust, hoe veel troost in de geheele droe„ vige verwisfeling van haar lot, zij door den„ zeiven genoot? — vergeeten hoe hij de traa„ ncn haars lijdens afdroogde , haaren gezon„ ken moed opbeurde , en haar in de hoop op „ een zeker goed, dat buiten 't bereik van on„ recht en wreedheid, en alle aardfche wisfclval„ ligli^id verheven is,juichen deed?"zal ik daaraan kunnen denken , en nog daarbij gelooven dat haar godsdienst mij dezelfde voordeden belooft, en dan niet poogen aan denzelven ge-? trouw te zijn? En waar is zaliger fchat in dc.gantfche ruime wereld , dan dat gerust geweetcn, dat hij zijne liefhebbers fchenkt ? kan het genot van alle ftreelende genoegens, het involgen van onze licffte neigingen, wel een genoegen geeven, dat haaien kan bij die ftille tevredenheid over ons zclven, bij dat levendig gevoel, dat wij, bij alle onze gebreken, tog die waarde bezitten, dat wij poogden beter te zijn; dat wij poogden die neigingen, welke reden en godsdienst afkeuren, in ons te overwinnen ? wat fpreidt meer fchoonheid over ons geheele lot, dan de bewustheid dat wij getracht  II. BOE K. 23? tracht hebben aan zijne beftemmirig te beantwoorden , en den God die ons met weldaadigheid omringt , den Verlosfer , die voor ons ftierf , dankbaar en ootmoedig te dienen ? hoe veele roozen zal zij op het doornig leger der krankheid ftroojen?op dien ontzettenden ftond,waarin ons geheele leven Hechts een ijdele droom fchijnen zal; wanneer alle onze rollen op het tooneel der wereld zullen afgefpeeld zijn; als het gordijn der eeuwigheid zoo terltondvoor hetzelve vallen zal; wanneer het akelig gevoel, dat al het gedaane onherdoenlijk is, den ontwaakten vijand der deugd, zal doen Adderen als een blad in den herfst* ftorm: dan immers zal hij die zijn eenig heil in den godsdienst, en de rust zijner ziele in *t geloof aan den Verlosfer vond, juichen, om dat zijne onvolmaakte vrede beftendig , en zijn aardsch geluk, hemel-zaligheid zal worden; geen enkel oogenblik van het afgelopen leven zal hij terug wenfchen , om dat hij daarin rijp werd voor een beter! hoe ligt 'zal hem de overgang in de wereld der vergeldinge zijn! om dat hij weet dat de zwakfte deugd, door het waar geloof aan 't voorbeeld van alle deugd verricht, de fchaal der eeuwige gerechtigheid veel dieper zal doen zinken , dan een geheele masfa van menschverblindende fchijndeugden immer zal kunnen doen: o mijn vriend! wanneer ik dit indenk , wanneer ik het liefderijk karakter van den Zaligmaaker naga, en mij herinner dat zijn leerling  238 II. BOE K. ling eens zeide : „ Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft;" dan herleeft . miJn moed ' en mij" voornemen is dan plechtig om afhangelijk, en hoopend,aan zijne getrouwe hand mijn pad te bewandelen; dan kan ik ha- mers niet dwaalen? I I I. De zon gaat onder, en haare zinkende ftraalen befchijnen het blad, waarop ik aan u fchrijf; welkom is mij het oogenblik dat aan onze vriendfehap geheiligd is; ik verlang om mijn hart aan u uitteftorten ; het is gedrukt door een medelijdend gevoel van de wreedheid en het onrecht, dat ik rondom mij zie heerfchen; en het fchreit tot God over de ellenden van mijne medemenfchen. Van het oogenblik af, dat ik mijne eerfte voetftappen hier op deezen grond drukte, maakte de moedelooze houding, de zwoegende arbeid van deeze onrechtvaardig verdrukte menfchen , een zeer fomberen indruk op mij; en zoo dikwijls ik de harde trotschheid , met welke wreede meesters, of ongevoelige opzichters, deeze ongelukkige, vernederde, mishandelde menfehen bejegenen, en hunne gedwongeiie gehoorzaam-  cn ik Tiras ftil te vreden; docli in de verte hoor ik de zweep ■van den homba , Ï.D.Bladz.^g.   H. BOE K. 239 aaamheid aanzie, word ik vervuld met verontwaardiging, en medelijden; ik geloof zeker dat deeze gewaarwordingen zig in mijne geheele houding en gelaat uitdrukken ; ten minden zeer dikwijls wierpen deezen of geenen deezer mishandelden een klaagenden, een droevigen blik op mij, even of zij merkten dat mijn hart voor hun belang pleitte ; zulk een blik , Karei! moet een ijzer hart verbreeken, en maakt het mijne nog weeker; die doet het dikwijls , in ftilte , een' traan van waar, van innig, maar van magtloos mededoogen, over het rampzalig lot van mijne ongelukkige broeders , voor den God die een wreeker is der verdrukten, fehreiën;en bij elke nieuwe gelegenheid word mijn treurig gevoel verlevendigd. Ik zit hier thans vrolijk geplaatst, en heb het uitzicht over een geheele rei van Coffijakkers , op wier fierlijk bloejende boomen de dalende zon een zeer fchoonen glans verfpreidt; ik zettede mij om aan u, mijnen besten vriend , te fchrijven, en dit aangenaam denkbeeld vloeide als een balfem des levens in mijne eenzaame ziel; en bij al mijn gemis, gevoelde ik een fchaduw van menfehen-geluk rondom mij zweeven, en ik was ftil te vreden ; doch in de verte hoor ik dc zweep van den bomba, of opperften der negers, klappen; ik zie hem een geheele troep zwarten van beide fexen in de matte, moedelooze hou-  U& Bi BOEK. houding van afgewerkte flaaven, met houweelen I fpaden, en hunne verdere werktuigen beladen voor zig heencn drijven , naar hunne hutten., waar zij hun avondmaal nog zeiven moeten toerichten , en den nakenden nacht op een hard leger van planken doorbrengen; dit gezicht j fchoon niet nieuw , echter altijd treffend voor mij, en in de tegenwoordige ltemming mijner ziele meer treffend dan immer, dooft het kleine vonkjen van rustige vergenoegdheid, dat in mij begon opteleevcn, geheel uit ; en hoe verëeld, hoe boos of hoe gedachteloos moet het hart van zulk een vrije zijn, welke met deeze arme flaaven niets lijdt! de gewoonte ontneemt zeker het treffende aan de allerakeliglb verfebijningen; ik hoop ook hartlijk, dat zij mij een wcinigjen meer onindrukbaar zal maaken voor deeze beklemmende tooncelcn; anders zal het leven mij hier waarlijk bang vallen; maar eene koele onverfchilligheid bij dezelve, die mij zou doen vergeeten het ongeluk, cn het belang deezer armen aan de ontferming van een vergeldend Richter aantebeveelen, die begcer ik nooit. Alle die fchoone velden, die ik hier en ginds wijd en zijd liggen zie, zijn dan allen door het gedwongen zweet van beroofde, mishandelde menfchen bebouwd , en liggen in eenen treurigen nevel van onrechtvaardigheid ingehuld, die mij akelig maakt, en doet zuchten. Die  if. BOEK. 241 Die onverwinnelijke trek tot vrijheid, die het kruipend infect, die veel meer den edelen mensch, het afdrukzel van het beeld zijns maakers , is ingefchaperi; die met het zuigend kind wordt geboren , met den moedigen jongeling opwast, en met den grijsaart in het graf zinkt; zonder wiens voldoening het leven geen zoet heeft, en de dood eene weldaad is ; deeze wordt zoo wreedaartig als onmenschlijk, uit het hart van zoo veele milioenen uitgefcheurd, of liever, deeze woedt inde ziel, en verdubbelt het ongeluk van alle die menigte rampzaligen, welke door onrechtvaardig geweld van het recht der menschheid beroofd werden: wie zal het getal van alle die (lachtoffers van laage driften, en vuig belang, die geduurendc verfcheidene eeuwen dc gronden van die gewest bebouwden, tellen? hoe veelen bliezen hier hun rampzalig leven ,moêgefloofd, in treurigheid , en bittere wanhoop, uit; terwijl hun geest voor den Richter der gantfche aarde om wraak roept, over de wreedheid, die men hen onfchuldig deed lijden! Alle die menfehen , of ten minden hunne voorouders waren eens vrij, en genoten alle de voorrechten der vrijheid , vrede , rust , en overvloed, in hun gezegend vaderland; hunne eenvoudige vreedzaame hutten ftonden in een gelukkigen oord,daar de dankbaare grond,hunnen geringen arbeid met overvloedige oogden beloonde ; zij I. DEEL. Q ge.  =4- H- BOE I?. genoten,op hunne wijze,de ftille genoegens der maatfchappij, en der vriendfehap, omringd van hunne bloedverwanten ; en de ftem der Natuur fprak in hun hart: in 't midden van dit gerust leven, genoten zij, met een kommerloos vergenoegen, den zegen van hunnen (tand, toen hun lot op één* veranderde, en diep rampzalig werd: door verraderlijk geweld, door listig bedrog, en roofzucht, door de wreede gierigheid van hunne omgekochte Vorflen, met wceste overmagt aangevallen , werden deeze onnozele fchepfels de fchuldlooze offers van de laagfte aller menschlijke driften; men fcheurde hen uit de armen hunner vrienden ; men fcheiddc gelukkige echtgenooten, lievende bloedvrienden , van elkander; ontrukte de kermende moeders aan hulplooze kinderen , en voerde hen, arm en berooid, met een verfcheurd hart uit hun gelukkig vaderland, uit hunne vreedzaame hutten weg, om in eenen anderen oord der wereld, in eene eeuwige flavernij, welke op hun, en hun rampzalig nageflacht rusten zal, hun afgemarteld leven te verkwijnen: overgegeeven aan het baatzuchtig opzicht van tyrannige menfehen die hen plaagden, dreigden, mishandelden, en hun die barmhartigheid weigerden, welke redenlooze dieren verdienen, werden zij tot een gretige prooi hunner helfche winzucht, in akelige benaauwde kerkers, in verblijven, voor de fchuldigfte misdadigers veel te flecht, over verre zeeën naar een ander werelddeel heenge- fleept,  II. BOE K. 343 fleept, waar zij nooit weder van de hunnen hooren , en waar ook hun lot altijd, voor hunne achtergeblevene, of elders heen gevoerde vrienden , verborgen blijft; hier worden zij het eigendom van den meestbiedenden kooper, en vallen welligt eenen meester in handen , dien zij, behalven het lot dat hen zoo verbazend 011derfcheidt, in waare grootheid verre overtreffen — want menfehen, welke in eerlijke trouw, in edelmoedige braafheid, in lijdend geduld uitmunten, zijn, onder deeze verachte negers , geene zeldzaame verfchijnfelen; evenwel, zij zijn flaaven, en ook den onëdelmoedigften meester moeten zij dienen, of zijne wreedc ftraf dulden: met bloedig zweet der vermoeidheid, en heete traanen des lijdens, moeten zij den akker van een meestal ondankbaaren eigenaar bewerken ; terwijl zijn karige hand hen mogelijk flechts met halve verzading , of met flecht voedzel, voor allen hunnen zwoegenden arbeid beloont, en elk gering vergrijp met wreede frraffe vergeldt; welk een lot voor menfehen, in wier hart Natuur ook fpreekt, al is hun gevoel niet zoo fijn, dat zij al het gewigt van hun ongeluk , door duidelijke voorftellingen, door peinzende nagedachten , en ontwikkelde redeneeringen zoo levendig kunnen gewaar worden, als een gevoelig mensch bij befchaafder volken! konden zij dit, dan was hun lot duldeloos; en moet het zulks evenwel, bij liet grofftc gevoel niet zijn! bij de herinQ ft nering  244 II. BOE K. nering van alles wat zij verlooren, bij het aandenken aan hunne vrienden ! of zou de van zijne , misfehien hartlijk geliefde wederhelft, afgefcheurde echtgenoot , op de vreemde kust, waar hij, of zij , haar leven in llavernïj verzucht , niet meer aan de genoegelijke dagen van hun geluk denken, en geen fmert gevoelen, dat zij voor altijd rampzalig, verftoord zijn? En wie weet, hoe veele deezer verachte Negers voorheen onder de hunnen een aanzienlijken ftand hadden? misfehien maakte de veehoederij, of landbouw, fommigen derzelven rijk; en nu is een half kleed , dat hunne matgefloofde leden dekt, al hun fchat! misfehien werden zij om hunnen rang geëerd, en konden gebieden door een' wenk, en nu moeten zij zidderen op het bevel van eenen onrechtvaardigen meefrer,en voor hem de laagfte,de moejelijkfte dicnften verrichten, zonder eenigen dank.' — onzalig noodlot! o! vruchtbaar land ! gezegend Africa ! hoe moeten uwe verbrande fteden , geplunderde dorpen , en ledige, van hunne vreedzaame bewooners verlaatene hutten, niet luide klaagen over de gierigheid van hunne Vorften, over de wreedheid van hunne verleiders, die het geluk van zoo veele duizende menfehen voor fpel achten, en hun laag belang op hunne rampzaligheid vestigden! hoe veele traanen van wanhoopig lijden moeten dien grond doorweeken! hoe veele ake-  II. BOE K. H5 akelige noodkreeten en affcheidsgillen, klonken wel over deeze verlaatene velden, en riepen wraak tot den God van 't Heelal! — gij, gevoelig mensch! die daar ooit uwe voetftappen zetten zult, ween over het lot van uwe broederen, of liever, denk op middelen tot hunne verlosfmg! O ! mogten alle onrechtvaardige eigenaars van deeze gekochte menfehen zig ten minften, terwijl zij hunnen dienst genieten, herinneren, dat zij vrij geboren zijn, en gevoelen, dat al hun geld, dat hunne geheele bezitting, in de fchaal der rechtvaardigheid, niet kan opweegen tegen de waarde der vrijheid, dat goed, waarop de arme Neger zoo veel rechts heeft , als de rijkfte Europeer , en dat hein wreedaartig ontftolen is: o ! denk! denk flaavenrijke Planter, dat het ongeluk alleen deeze menfehen in uwe handen leverde; behandel hen zacht als uwe broeders; verligt hun knellend juk, en geef hun zoo veel vreugds weder als in uwe magt is ; op dat geen knaagend verwijt, in oogenblikken van nadenken bij uw graf, uwe rust verftoore! De treurigheid van mijn onderwerp vervoert mij, Karei! ik vergat dat ik een' brief aan u fchreef: maar hoe is het tog mogelijk, dat zulke eene barbaarfche handelwijs met menfehen, bij volken is ingevoerd , die beltraald werden Q 3 door  VL BOE K. door het Iiclit van 't Euangelium des vredes? en hoe is het mogelijk, dat dit haatelijk gebruik zoo onveranderd blijft,in deeze laate,verlichte, verdraagzaams eeuwen,die het menfehenverftatid van zoo veele bedwelmende vooroordeelen ontheven , en , door befchaafder zeden, dc harten verzacht, en de ruwheid der voorige tijden verminderd hebben? zeker, men zou zulke bedrijven meer plaatfen in de voorige nachtlijke eeuwen, toen onkunde en bijgeloof de wereld overfchaduwdeu! en toen misfehien handelde men minder wreed, dan na dat de weelde telkens de hebzucht, en met deeze duizenden fchadelijke driften, die het menfehen-geluk verwoesten, deed aangroejen. Hoe zeer mijn hart nu reeds met deeze lijdenden die mij omringen , mede lijdt , Karei! het wordt nog wreeder gepijnigd door die gedachte, dat, wil ik aan het oogmerk van mijne reize beantwoorden, ik dan zal moeten deelen in het onrecht het welk ik nu veroordeel; en hadde ik dit vooraf in mijn vaderland overwogen, dan welligt had ik hier mijne voeten nooit gezet: evenwel , het ftuk aan den anderen kant befchouwd, dit is ook zeker, die flaaven, welke het lot, heeft het mij anders cenigen voorfpoed toegedacht, in mijne handen leveren zal , zullen zig het juk hunner flaavernije , dat hun tog niet om mijnen wille werd opgelegd, minder beklagen, dan onder  II. BOE K. 247 der een ander opzicht ; want gij weet, Karei! wreedheid is een trek, welke de goede Natuur san mijn karakter onthield; en dit zweer ik hun, bij de gevoelens der menschheid en van den godsdienst, die in mijn hart heerfchen — ik zal de drukkende ellenden van die medemenfehen, wier lot in mijne hand is, edelmoedig verminderen , en hun dezelve bijna niet doen gevoelen. Maar ook dan nog, al konde ik deeze ongelukkigen als mijne medebroederen behandelen, al gevoelden zij hunne flaavernij geheel niet — ook dan nog zijn deeze menfehen voorwerpen van mededogen voor elk nadenkend mensch: zie ik dit Homp, en voor de fijnlte vreugde des levens min gevoelig gelaat, dit fomtijds weinig betekenend oog, dat zoo zelden ftraalen van fchranderheid uitfehiet , waarin op zijn best onnozele goedhartigheid, of laage en dierlijke driften fpreeken , en ik denk dan , dat wij allen het nagedacht van denzelfden eerstvader zijn, en dat alleen toevallige omftandigheden , luchtftreek , levenswijze, opvoeding, deeze volken zoo ver van hunne oorfpronglijke grootheid ontaartcn deed; dat zij allengs tot deeze aan dieren-domheid grenzende laagte nederzonken; denk ik daarbij, dat mogelijk het wreede, het kracht- en lust-verdoovende lot, dat hen trof; dat de onderdrukking, in welke befchaafde Natiën haar hielden , medewerkte , om de fpruitjens van Q 4 mensch-  248 II. BOEK. menschlijken adel, welke nog in hunne ziel waren, te verdikken, en het onkruid der laagde driften, door hunne mishandeling, daarin op* tekweeken, terwijl daartegen het gelukkig werelddeel, waarin ik geboren werd, waarin deflaavernij geene kluisters voor den geest der menfehen fmeedt, in wijsheid, befcliaafdheid en fmaak, eeuw op eeuw toenam, en den afftand tusfchen den zwarten Africaan, en den blanken Europeer nog merkelijk vergrootte,; o! dan gevoel ik zoo geheel het onverdienftelijke, van mijne béterheid en uitmuntendheid boven deeze arme Negers; en, dankbaar over het, voor mij zoo gunftig beduur eener alregeerende Voorzienigheid, vraag ik dan: waarom was het verlicht Europa, en niet het woest Africa mijn Vaderland ? waarom had ik een' levenskring en eene opvoeding, welke de krachten, die in mijne ziel fluimerden, opwekten , in werking bragten, met uitdoofden zoo als in deeze ongelukkige Negers ? en zou ik , met zulke gedachten, ooit met laage trotschheid op den armen Haaf kunnen nederzien? God bewaare mij bij die gevoelens, dan zal het mijne flaaven nooit kwalijk gaan. Ik denk hier dikwijls aan de fchoone regels van onzen dichter vokt, daar hij de weldaadigheid eer Godheid op eenen vrolijken morgen bezingt t Mijn  II. BOE K- 249 Mijn wieg ftond in dit Vaderland, Daar milde zegens vloeien; Waarom niet daar waar 't zonlicht brandt, En 't moorenvel doet fchroeien, Daar 't hart, berooid Van heiige kennis, nooit Uw outervuur voelt gloeien ? Befchouw ik hunnen zedelijkcn toeftand Maar hier over op een anderen keer ; de avond is gevallen: door mijn onderwerp vervoerd, werd ik de toeneemende fchemering naauwltjks gewaar, tot dat ik nu bemerk dat ik meer op het gevoel, dan met mijne oogen fchrijf. I V. Befchouw Ik, wilde ik gisteren zeggen, hunnen zedelijken toeftand, het oogpunt vaneen' Christen, welke zijn hoogde goed in den godsdienst delt , hoe beklagenswaardig wordt dan de verblinde , de mishandelde Neger ! heeft hij al eenen God dien hij aanbidt, dan is dit Wezen zoo donker, zoo verward, in 011doordringelijke nevelen voor hem verborgen, dat hij het niet kent , en geen enkelden draal van troost van hetzelve op zig ziet affchijnen: Q 5 die  25° II. BOE K. die veilige toevlugt in welke de waare belijder van het Euangelie in alle zijne rampen verberging zoekt, is voor hem geflooten, en het zalig vertrouwen op denzelven, is hem geheel onbekend; ondertusfchen zonder deeze is de wereld eene troostlooze wildernis voor den gelukkigen; en wat is zij dan niet voor den mishandelden Neger? zijn godsdienst geeft hem geen enkel dropjen vreugde, daar hij in zijn ellendig leven ftroomen behoefde! het donker voorgevoel van eene onftervelijke voordduuring , ten minden van een herleevcn na den dood, in eenen vrijen ftaat,en in hun eigen land, fchijnt het eenige wrak te zijn, op 't welke zij in de onftuimige zee van hun droevig noodlot drijven; deeze hoop onderfteunt hun, als zij onrecht verdraagen; als zij zig onderwerpen moeten aan eenen harden Heer; deeze doet hen verlangen naar den dood, als de eindpaal hunner rampen ; en zonder afkeer fterven. En zou de verwachting deezer ongelukkigen op een beter lot na dit leven , ijdel zijn? welke eene akelige gedachten! ik kan dezelve geen oogenblik koesteren] hoe donker evenwel ligt hun toekomende ftaat voor ons verborgen! wij mogen gisfen , wenfehen en naipooren, alles blijft tog onzekerheid, en de God die de wereld regeert in gerechtigheid, en de volken beheerscht in rechtmaatigheid, voert, met  II. BOE K. sji met eene geheimvolle majefteit, zijn eeuwig plan uit; en meer verlichte geesten juichen Hem toe' dat het wijsheid is : doch hoe gaarne hoop ik met deeze ongelukkige^! hoe veel gronds eeeft ons de oneindige liefde van God voor zijne menfehen tot die hoop ! hier op deeze wereld is de arme Neger al zoo zeer ellendig, dat hij nergens eenig tegengift van eenige vreugde tegen alle zijne rampen vinden kan ; zijn godsdienst was dood-, en de fchoone vervrolijkende Natuur , die milde bron van troost voor elk gevoelig wezen, is voor hem dikwijls gedopt, ten minden zijne matgedoofde ziel heeft geen kracht om uit dezelve vergenoeging te fcheppen ; zij laaft hem met geen ééne troostende gedachte ; hij ziet den hemel met tintelende lichten bezaaid; hij ziet de aarde in alle haare pracht rondom zig , maar hecht 'er niet op; en vraagt nog minder: „ Waar is de oorzaak van dit alles?" hij ziet in dit ah les geene medefchepfelen, die hem toeroepen: God is liefde!" die klank is hem vreemd! hij heeft geen denkbeeld van een weldaadige Almagt, die vaderlijk voor haare fchepfelen zorgt, en de ellenden der menfehen gadedaat; wie weet of een wezenloos rupsjen , dat zorgloos op zijn' boom rondkruipt, en daar een wereld vol genot vindt, niet veel meer genoegen heeft, dan de geplaagde, de beroofde, de veelal misnoegde Neger , in zijn gantfche leven vinden kan! en bij dit genietenloos le-  252 II. BOE K. leven heeft bij nog die onaangenaame aandoeningen , die een verward denkbeeld van welligt misdadig te zijn,hem telkens geeft; dikwijls vreest hij eene onbekende Almagt, en heeft geen denkbeeld van verzoening met haar; zijne ziel heeft nooit de gedachte van eenen Verlosfer kunnen bevatten ; en niets dan verwarrende donkerheid blijft hem over zoo in deeze nachtlijke blindheid , verlaat de arme Neger met dit voor hem ongelukkig leven, het voorportaal der eeuwigheid , en komt , geheel onbereid voor zijne toekomftige beftemming, de wereld der Geesten binnen — wat zal hier nu zijn lot zijn? hoe zal Gods rechtvaardigheid en zijne goedheid daar, omtrent hem werkzaam zijn ? zal hij alle deeze akelige gevolgen der zonden, ook in die wereld ondervinden ? ook van die zonden welken hij als rampzalige uitwerkzels van zijn bitter noodlot bedreef ? — zal de Verlosfer der wereld , die gekomen is om te zoeken en zalig te maaken dat verlooren was voor hem niet geftorven zijn , om dat hij hier niet in Hem kon gelooven ? daar hij tog, of niet van Hem hoorde, of zijn verftand door eene aancenfchakcling van oorzaaken en gevolgen , die geen toeval, maar God zelf zoo gebeuren liet, zoo ftomp , en zijn vooroordeel zoo ingeworteld is , dat hij niet eens befeffen kan tot welk geluk de Godlijke goedheid zondaaren verheffen wil: of zal de nu dwaalende en verblinde Neger in de andere wereld, de verhevene waarde van. den  II. BOE K. 253 den hem hier onbekenden Verlosfer gevoelen, en in de vruchten van zijnen dood deelen? ten minften, zoo zij al niet geheel deelen zullen in die zaligheid , welke de geenen genieten , die hier reeds in dien Zaligmaaker geloofden, mogen wij dan tog niet met zekerheid verwachten dat hun lot in de wereld der vergeldinge , die maat van geluk hebben zal, welke zal kunnen opweegen tegen het onrecht , dat zij van de menfehen onfchuldig leeden? te meer, daar zijne almagt millioenen graaden in het geluk der fchepfelen maaken kan. De God die de aarde regeert, is tog geen wreed dwingeland, maar de oneindige goedheid, de weldaadige liefde; het geluk van de kleinlte bladluis is zijn werk ; Hij üaat een welgevalligen blik op het wormtjen, dat zig verheugt in de ftraalen van zijne zon; en den naar zijn beeld gefchapen mensch bemint Hij oneindig meer: Hij evenwel zag het ongeluk van deeze toilioenen menfehen, en de mishandelingen hunner overweldigers aan; wat zeg ik? met de hoogde wijsheid fchikte Hij zelf het lot der landen; ook het recht der natiën; wees elk volk de juiste plaats in de orde der menschheid aan; mat de toevallige omftandigheden aan elks lot toe, en liet geweld en wreedheid in zoo veele rampzalige oorden der wereldheerfchen; menfehen,van de voorrechten der menschheid beroofd, als de die-  =54 II. BOE K. dieren vernederd worden, en wegkwijnen onder onfchuldig lijden; dit zou de Goedheid laaten <*e. fchieden! een zoo groote menigte van menfehen zou Hij in hun gantfche leven, in 't welk andere Hekelingen ten minden nog vergankelijke bloemen van wellust plukken mogen , niet dan kwetsende distels doen oogften ; van de vreugd die duizenden met ftroomen toevloeit , zou hij hun geenen enkelden druppel doen proeven, en dit ellendig leven, zou van eene rampzalige eeuwigheid achtervolgd worden , en het vonkjen hoop, dat hier in hunne ziel flonkert, verdoofd worden in eenen eeuwigen nachti—neen Karei! dit te gelooven is de fchoonfte deugd van het Opperwezen, is den treffendften eernaam, den voor zondaaren zoo zagtklinkenden naam van Ontfermer, dien Hij zig zeiven geeft, te ontkennen: geheel ootmoed, geheel dankbaarheid knielt mijn vertederd hart voor dien Ontfermer, voor dien Vader der menfehen, die met hun geheel gedacht in den dood van zijnen Zoon verzoend is, neder; het vreest Hem kinderlijk, en leert gehoorzaamheid door liefde; terwijl het voor eenen willekeurigen regeerder, die het geluk van zijne fchepfelen met vrijmagt verwoest, vol bevenden angst wegkrimpt, en geen fchoon vindt in de deugd,die dit wezen gevalt. Ons naauwbegreusd verftand kan zig zeker geen denkbeeld maaken van de verfchillende wijzen ,  II. BOEK. 255 gen,op welke alvermogende liefde,en oneindige wijsheid het geluk van redelijke wezens , ja van ellendige menfehen bepaalen en bewerken kan; dikwijls verlaaten zij met eene geheimvolle grootheid het fpoor, dat menschlijk doorzicht hen aftekende , en verbergen zig in de donkerheid van een heiligen nacht; maar dat God liefde is, en geen vermaak vindt in den jammer van menfehen; dat Hij geene ongelukkigen veracht, maar de traanen der ellendigen ziet, en dc onderdrukten recht doet; dit is eene waarheid,die ons overal toelacht, en een helder licht op ons, dikwijls treurig levenspad, doet fchijnen; en kon ik op deezen troost, op dit beter lot na den dood, voor deeze arme negers niet hoopen , dan ware mij het verblijf onder dezelve onmogelijk: elk leed dat hun treft, ja zelfs de kinderachtige blijdfehap, die hen bij oogenblikken bezielt, zou mij meêdogend doen fchreien ; jammerend zou ik hunne, in flavernij geboren, kindertjens toeroepen : „ Rampzalige wigtjens ! wat doet gij „ op een droevige wereld,waar gij door moeite „ en lijden, flechts rijp wordt, voor eene ein„ delooze ellende ?" Ik ben lang over dit onderwerp , maar hef lag mij zwaar op het hart, ik heb zelf te veel gevoel wat het zegt van zijne lieffte wenfehen verdoken te zijn, om niet heel veel medelijden met hun te gevoelen, die alles misfen wat het le-  25^ XL BOE K. leven genoegelijk maakt; en daarbij gevoel ik al te fterk de kracht van eene zalige hoop op een beter leven, om niet ten minften een deel van het geluk der Christenen voor deeze arme verdoolde volken te hoopen. V. Al zoo lang ben ik hier geweest, en nog meldde ik niets van de gedaante der Natuur, die zoo geheel van die van mijn vaderland onderfcheiden is ; noch van haare werking op mijn hart; ik ben echter hier, zoo min als daar, een koel gevoelloos aanfchouwer van dezelve, maar bewonder ook , op deezen ftreek des aardbols, dikwijls haare orde, fchoonheid, pracht, rijkdom, grootsheid, en de overeenftcmming van alles met elkander, en ik gevoel dat haar Schepper oneindig is. Geheel andere voordbrengzelen, dan in gematigder of meer noordelijk gelegene landen, wasfchen hier op deeze, door de zon gezengde, gronden ; alles wat hier groeit en leeft, is zoo gevormd , dat het den gloed der zonne kan verdragen; en met een jaarlijks gezetten regen te vreden is : de dieren die hier ademen, de planten die hier welig tieren, zouden in noor- de-  II. BOE K. 257 delijker landen wegkwijnen, of ten minde eene armoede en onvruchtbaarheid vertoonen , die hunne vreemdelingfchap duidelijk aanwees: de geheele ruime wereld is dan vol van overvloed en majefteit ; maar eik deel , elke oord , elke hoek derzelve heeft zijn' eigen' rijkdom, zijne eigene pracht, die aan een bedaarden befchouwer van het grootsch geheel dc tvelfendfle contrasten, en de ftreelendfte harmonie te gelijk in 't oog doen vallen : de geltadige hooge graad van warmte, welke hier heerscht , veroorzaakt hier eene veel grootere ontwikkeling in het plantenrijk, dan in koeler oorden; één boom wordt hier fomtijds een bosch; de ftruiken, of eigenlijk de jaarlijkfche zaadgewasfen, fchieten hier tot boomen op; een blad kan dikwijls een geheel loofdak formeeren; elke moederplant is rijk in afzetfels , of jonge fpruiten; de vruchten hangen mild, en overvloedig, aan haare (lammen en takken, of pronken op haare planten ; terwijl fommige met al de fchoonheid eener voïkomene rijpheid praaien, en de inzamelende hand toelagchen, en tot zig lokken, belooft eene geheele menigte van halfvolwasfene vruchten haar denzelfden zegen bij vervolg; en het bloefemknopjen dat zig, hier en ginds, tusfehen de vruchten , en tusfehen de bladen zoo mild belovend vertoont , doet -intusfehen eene fchaduw van onflervelijkheid, en eeuwige jeugd over alles zweeven. I. DEEL. R De  -5" ÏI. BOE K. Dc (ierelijkite, de fijnfte vruchten, om wier aankweeking de kundige tuinman in ons vaderland , zig een geheel jaar afmat , en die hij dan nog onvoltooid, om dat hij de Natuur verkrachten moet, op de tafels der aanzienlijken levert, waar zij, hoe onvolmaakt, hoe beroofd van haare natuurlijke geur en fchoonheid, echter boven alle vaderlandfche voordbrengzelen worden voorgetrokken , vermits ze vreemd, en met moeite verkreegen zijn, iet dat al heel dikwijls de waarde van onze meest nagejaagde genoegens uitmaakt; deeze vruchten groejen hier in 't wilde, overvloedig, en tot eene verbazende volkomenheid op: de vette vruchtbaare grond, en de geftadig koesterende zon doen hier veel meer, dan de meest aangezette trekkast in Holland vruchtloos beproeft: de trotfche vorstlijke vrucht, die meer zeldzaam op de tafels der aanzienlijken , en dan nog maar zeer fchaars, en alleen om de grootheid des Gastheers teivertoonen, verfchijnt, de fchoone koelende Annanas, is hier eene verkwikking der Negers, en heeft een fijnheid van geur, welke den (maak alleraangenaamst (heelt, en waarvan geen Hollander, welke die vrucht nooit buiten zijn vaderland proefde, eenig denkbeeld heeft: de verfrisfende Citroen, de fterkcnde Oranje- de faprijke Chinas- de verkwikkende Curacao's-appel groeit hier aan milde fchaduwrijke boomen, en hangen, tusfehen groote, met glanzend groen geamaillecrde bladen aan takken, wel-  IL BOE K. 259 welken zig onder hunnen fchoonen last nederbuigen, terwijl zij het oog allerffreelendst behaagen, en eene aangenaame hartverfterkende geur in den dampkring die hun omringt, doen vloejen: de dwergachtige gekunflelde oranjeboomen, gevielen mij altijd in eenen vaderlandfchen tuin; maar nu ik ze in hun eigen moederland zie, nu zouden ze al hunne bekoorelijkheid voor mij verlooren hebben ; en ik zou ze Hechts aanzien als proeven , dat alle de pogingen der vergevorderde kunst tog zeer arm en zwak zijn bij de krachten der vrijwerkende Natuur ; doch van alle die dingen wel eens nader : zij behooren onder alle de verfchijnzels, welke de Natuur hier voor mij fchooner en belangrijker doen worden, daar zij drie zinnen te gelijk bekooren kunnen; en een zinlijk genot van deezen aart heeft, bij mij ten minden, een mcrkelijken invloed op het hart: zeer dikwijls heeft eene enkelde bloem, die mij van haar fleurig flruikjen, dat ik, onopmerkzaam in een fomber gepeins, voorbij trad, door haaren verkwikkelijken adem tegengeurde , een pijnlijke gedachte uit mijne z;el verdreeven , en een melancholiesch gevoel verdoofd, en zou ik minder aan deeze geurige boomen toebetrouwen ? Maar ik zou geheel van mijn ftuk afraaken; ik keer weder tot de voordbrengzelen of gedaante deezer landen: geen enkel graantjen vaderlandsch Ra Ko-  »6o ÏÏi BOE K. Koren, noch geurig bloejendeboekwijt, nochrurfchende Rog, noch hanige Gerst, noch roodgloejende Beegboonen, of goudgeel Lijnzaad; geene Wik^ ken, Linzen, noch een van alle die graanen, welke op de verfchillende gronden van ons vaderland, zoo welig tieren en het oog des gevoeligen wandelaars zoo zeer verkwikken als zij de inkomften des eigenaars, en het algemeen belang bevorderen , groeit in dit geheele werelddeel; doch andere gewasfen vervangen hunne plaats , en voorzien onze behoefte op eene verfchillende wijs; het turksch Koren of de Mais, fchiet hier tot eene trotfche hoogte op, en deeze zoo nuttige als fierlijke plant, dient tot voedzel voor menfehen , en vee : ons brood is hier niet in ruifchende halmen opgeflooten, maar groeit onder den grond, in den wortel der Mamok, en in de vrucht van den Banaanboom; deeze wortel, en deeze boom , zoo wel als de Patatten, die 't gemis der aardappelen vergoeden, zijn de zegen der Colonie, en het onontbeerelijke voedzel der Negers : verfchillende vruchtboomen, wier kracht ik nog nader moet kennen , als Goujevas, Papaijas, Tamarinde, Cacouw,Acajous,Granaten, en meer anderen, vergoeden hier het gemis van Abricozen, Perfiken , Peeren, Aard- en Struik-beziën, welke hier allen onbekend zijn, en die alle veel toebragten om ons zinlijk genoegen op Kommerrust te vergrootcn: dat bckoorelijk, of liever dat ellendig Kommerrust , komt telkens mijne  II. BOE K. 2<5i . mijne rust (looren , zweeft mij altijd door 't hoofd, vloeit telkens onvoorziens uit mijne pen, ook hier, waar ik, op een geheel ander halfrond gebannen, alle dc fchoonheden, welke de Natuur ook hier aanbiedt, opzoek, om mij fchadeloos te (lellen, tegen alles wat ik op mijn' geboortegrond verloor. Doch hoe geheel anders is hier alles ! geene Gelderfche bergen , geene groote donkere bosfchen, waarin men uuren lang, onder hooge (batige hoornen, de plechtigftc eenzaamheid genieten kan , vertoonen zig hier; doch men zegt mij dat zij, dieper landwaard in, beiden zijn , en de laatftêai veel grootfcher dan in mijn vaderland: ik hoop dat een volgende tijd, mij wel eens gelegenheid verfchalfen zal om daarheen te reizen: maar hierop de kust, waar de Hollanders eigenlijk hunne Coloniën oprichtten, heeft alles de gedaante van fchoone vruchtbaare kweektuinen , die aan elkander grenzen , en beplant of bezaaid zijn met verfchillende voordbrengzelen, welke het oog door hunne verfcheidenheid, en milde vruchtbaarheid , zoo zeer (treelen, als zij de inkomfien des planters vermeerderen; en waarlijk, de plantages zijn niet anders; naar de keus der eigenaaren , of de geaartheid der gronden, brengen zij Suiker, Koflij, Cacao , Catoen, of Indigo voord : alles vordert zijne eigene wijs van bewerking; zijne gebouwen , werktuigen en bearbeiding: elke planR 3 tage  26*2 II. BOE K. tage met zijne loges en negerhutten, maakt bijna de vertooning van een klein dorpjen; ten minfte van een landelijk gehucht ; fommige hoeken derzelve zijn bezaaid met de behoeften van deszelfs bewooners , zoo van den eigenaar of opzichter, als van de flaaven; voor 't overige worden alle de gronden zuinig, en tot het.meeste voordeel bebouwd; en alles wat tot fieraad, tot netheid, tot bevordering van die kleine bevallige genoegens dient, die de fmaak uitvindt, en die het hart van een voor fchoonheid gevoelig mensch de aangenaamfte verademing; na eenen zwoegenden arbeid, geeven kunnen, dat alles wordt hier gemist: misfehien is het de zucht tot aanwinst, die alle andere aandoeningen verdooft; misfehien gebrek aan fmaak, welke hen in de uuren der uitfpanning een grover vermaak doet zoeken, dan dat ftil ongezellig genoegen, dat de eenvoudige, een weinigje door de befchavende hand der kunst voordgeholpen, Natuur, aan een daarvoor vatbaare ziel geeven kan; met weinig onkosten en tijdverlies zou ik hier , waar het water mild, en overvloedig, elke plantage befproeit , mijnen fmaak kunnen botvieren ; en word ik ooit eens de eigenaar van een hoekjen gronas, dan zal ik zeker die voordeden der natuurlijke ligging niet ongebruikt rondom mij laaten; maar hoe diep, hoe ver verborgen fluimen dit geval nog op den achtergrond van het tooneel, waarop ik mij pas begin te vertoonen! dus  II. BOE KI 263 dus laat mij flechts voordgaan met u nog 't een en ander van dit land medetedeelen; maar neen; ik zal dit liever op een anderen dag hervatten ; het is nu zulk een lieve , zachte avond; hij lokt mij onweêrflaanlijk naar buiten; ik ga wandelen en peinzen , mijn geliefd bedrijf bij den fchemerenden avond vaar wel , Karei! V I. Ik vat het fiuk op, daar ik het gisteren liet: of liever ik vervolg mijne landbefchrijving: buiten deeze bebouwde plantages , door de voordeelzoekende Europeaanen, hier, en elders aangelegd, is alles hier woeste Savaan, of grasvelden , en ruwe bosfehen: ik zeg ruwe bosfchen, om dat hunne geheele gedaante niet dan wilde, ongehavende Natuur vertoont: het zijn fombcre wildernisfen, waar eene eeuwige woestheid woont; de dunne, fcheutige ftruik, fchiet hier onder den rijzigen ftamboom op, en hunne takken warren zig in elkander; kromme knoestige fiammen, wasfen hier aan en door elkander; de grond onder dezelve is mocrasfig , en onbetreedbaar ; 'er is niet eens een fmal voetpad voor den nadenkenden vriend der ftilte optefpeuren ; grimmige Metten woonen hier op R 4 al-  a*H II. BOE K. alle de takken,op alle de bladen, en zwermen onder dit digte hout, of kruipen over den grond, en langs de ftammen,en leven hier als in hun voorouderlijk eigendom,en toegewezene fchuilplaats; wild gedierte verbergt zig hier in hooien en hoeken, en vermeerdert de beklemmende fomberheid, welke hier heerscht; de bijl des Indiaans fnocide hier nooit de weelderige takken weg , maar de wind brak dezelven , en dor hangen zij bij hunnen moederlijken Ham neder, of liggen geftrooid op den grond: woeste orkaanen, ontwortelden hier fomwijlen eenen boom, en de verrotting verteerde anderen, of de ouderdom deed die fterven ; en zoo als dit alles viel, of brak, of hing, zo bleef het liggen; geen menschlijke zorg bekommert zig hier over; geen oog ipcurt het op, tot dat de eigenaar van den grond zijn plantzoen wil uitbreiden , en dat woeste bosch , en dien moerasfigen grond tot eenen vruchtbaaren kweektuin van voordcelige gewasfen aanlegt: zoo woest was meestal deeze geheele kust, eer befchaafder Natiën dan arbeidfchuwe, en met weinig te vredene Indiaanen, die voorheen haar bevolkten, hier hun voordeel kwamen zoeken , en de fchoonheid van dit gewest door een uitgebreiden landbouw deeden nangrocjeu ; en zoudt gij dit wel verwachten , Karei? die woeste bosfehen op eenen afftand te zien groenen, aan derzelvcr boorden te ftaan, en te wenfchen> „Ach! kon ik in deeze nacht-  II. BOE K. 265 lijke woestheid eens peinzende treeden zetten!" dit is een vermaak voor uwen eenzaamen, en gaarne in zijne eigene gedachten wegzinkenden vriend : waarlijk aileen het gezicht van het groen deezer bosfchen, en het denkbeeld van fchaduw dat zij medebrengen, heeft in dit heete land, waar men zoo dikwijls aamechtig naar koelte hijgt, reeds eene zeer verkwikkende uitwerking. En dit groen deezer bosfchen, zoo wel ais dat van meest alle boomen is onverwelkelijk; of liever het fchijnt altijdduurende: geen alles verdorrende, alles verwoestende herfst, doet hier al wat groeit wegwelken ; geen doodfche winter doet het geboomte bladerlooze takken , moedloos , ten hemel heffen, terwijl de daar doorheen gierende winden , een treurlied over de vergankelijkheid zijner weggevlogene fchoonheid murmelen; zij doet hier geene naare ledigheid in veld en bosch en Weide heerfchen; noch levert hier geen zoo diep treffend tooneel van de verwoesting des tijds als die, welke mij in mijne fombere luimen in het vaderland zoo zeer gevielen , wanneer ik in de fchemering van eenen herfstavond met vermaak door de afgevallene bladen van eene eenzaame laan ging heen cn weder wandelen, en in het fchuifelend geritfel dier dorre bladen, juist dien toon van erndig nadenken vond, die mijne melancholifche neiging vocdR 5 zei  *5Ó $ BOE K. zei gaf; zulk eene doode gedaante vertoont de Natuur hier nooit: maar of ik dit voor fchade of voordeel houden moet, weet ik niet; dit is zeker, daar waar de Natuur niet zoo zichtbaar dood is, kan zij ook niet zoo juichend weder verrijzen, en de betoverende, de alles belevende, dc wellust zaajende, de hemelfche lente, welke noordelijke landen jaar op jaar zoo heerelijk verfiert; die mij, zoo veele jaaren als mijn geheugen tellen kan, reeds zulke eene reine verhevene vreugde deed kennen, zulk eene lente zal mij hier ook niet meer ftreelen. Doch fchoon alles hier geene zoo merkelijke verandering onderga; fchoon de Natuur flechts voordga met beftaan, zij heeft evenwel haare gezette tijden van vernieuwing, verkwikking , opluistering en meer nadrukkelijke fchoonheid: het onfterveKjk loof verliest tog hier zoo wel als elders, met den tijd, door de brandende ftraalen der zonne, door de knagende infeéten en de zweependewinden, allengs zijne glanzende gedaante ; maar ongemerkt vernieuwt het zig ook weder; voor het oude, gegeeten , verflenste blad,verfchijnt een nieuw fleurig, glanzend blaadjen, en dc boom behoudt zijne fchoonheid: meer merkelijk evenwel, en meer verrukkend vertoont zig de vernieuwing deezer fchoonheid in het groejend rijk, in den vruchtbaaren krachtherftellenden regenrijd , welke hier jaarlijks bij hervatting de dubbelde  II. BOE K. 267 belde oogsttijden vervangt ; deeze doet eenigzins in America, wat de lente in Europa doet; hij vernieuwt de krachten der Natuur , befproeit de doorgefchroeide gronden, de matte boomen, de fmachtende planten, en het verkleurend loof, terwijl de loejende orkaanen, welke hem dikwijls verzeilen , den dampkring van het vergift der onreinheid zuiveren, en de gezondheid op hunne vleugelen medebrengen, offchoon zij dikwijls treurige verwoestingen hier en elders te weeg brengen. Geene zoo verbazend ongeftadige faizoensverwisfelingen maaken hier zulke eene merkelijke verandering in onze gefteldheid en levenswijs als in mijn vaderland, waar nu eene hevige zomerhitte ons het logge ligchaam met moeite doet voordfieepen, en het ademen bang maakt, terwijl, korte dagen daarna , een guure koude ons doet huiveren, even als of wij verfcheidene graaden naar den Noordpool verfchoven waren: alles is hier meer eenzelvig, meer geregeld, geëvenredigd naar de ligging van dit werelddeel, met opzicht tot de levensbron van de geheele aarde, de zon: deeze noodzaakt ons ook niet door haare ongelijke verfchijning, om hier laate donkere avonden, en vroege fombere morgens, bij het fchemerachtig kaars- of lamp - licht wegteademen : geen fchoone zomer-dageraad glipt hier ongenoten voorbij , terwijl de meeste menfehen , ge- fchapen  0-68 II. BOE K. fchapen om zijne heerlijke tooneelen toetejuichen, ongevoelig in de armen van den ijzeren flaap zig zeiven vergeeten; dag en nacht, hier bijna altijd eenvormig in lengte , laatcn ons eene genoeg, zaame rusttijd, en evenwel ook de gelegenheid over om de meest treffende tooneelen , een rijzende en een daalende zon, met alle de omftandigheden welke dit trotsch gezicht vergezellen , zoo wel den allcngsgroeienden dageraad, als de zinkende avondfchemering te befchouwen; beiden verfchaffen zij mij reeds zeer veele zachte genoegens, en zij zullen ook wel, in wat ftand, in wat oord , in welke betrekking ik ook keven moge, onder dc lieffte van mijne zinlijke genoegens blijven. 't Is waar, de morgen wordt hier door geene juichende leeuwrik begroet, en het vertederend liefdezangertjen, de ftreelende nachtegaal, maakt hier den avond niet zoo betoverend ; evenwel ook hier wordt de bezielfter der geheele Natuur, de zon , morgen- en avond-groeten van een zingend vogelchoor, dat , door haar gloed bezield, leeft, bemint, zijn aanwezen uitbreidt, en zig in zijn beftaan verheugt , toegewijd; ook hier zijn enkelde gevleugelde zangertjens , welke eenen kunstloozen wildzang formceren, en door de harmonifche mengeling- van hunne onderfcheidene toonen, een ftreelend confert maaken — al menigmaal heeft de boomvreugd mij hier,  II. BOE K. 269 hier, als in mijn Vaderland, geftreeld : evenwel de meefte vogelen munten hier meer in pracht van vederen uit, dan in kunftige zangwerktuigjens: het gloejend rood, het zachte groen, het vorstlijk purper, het heerelijk blaauw, het glanzend geel, het fchitterend oranje, dekt hier de pluimen van grootere en kleinere vogelen; deeze trotfche kleuren , fmelten daar in zachte nuances kunftig in elkander weg ; en wanneer de ftraalen der zon op dezelven vallen , praaien zij met eene verblindende fchoonheid, en vergoeden aan het ftaarend oog, alles wat zij aan het gehoor doen misfen: de Raaven en Perequiten, die ik zoo dikwijls in mijn vaderland, aan een kruk vastgeketend, of achter koperen tralies opgedotcn , met& bewondering befchouwde , vliegen hier vrolijk en vrij in de ruime lucht heröm , zitten op de boomen , en mastteen, bij het groen der bladeren , een alleraangenaamst contrast : nog weet ik bijna niet van de naamen en eigenfchappen van gevogelte of andere gediertcns, die ik hier ontmoet; maar gij verwacht, noch vergt niet van mij , dat ik eene natuurlijke historie van America levere , die weet gij uit boeken ; het is de historie van mijn onbekend, en onaanmerkelijk leven, van mijn hart , die gij mij verzocht hebt, en die belangrijk voor u is, oin de vriendfehap die ons verbindt; deeze zal ik geeven, en van de Natuur niets meer zeggen, dan  27o If. BOE K. dan voor zoo ver zij invloed op dezelve heeft? en dit zal u genoeg zijn. VII. Gij merkt wel uit alles wat ik u tot nog toe meldde, dat het climaat en het land mij redelijk goed bevalt, en dat ook hier, als elders, Natuur de lieve vriendin van mijn hart is •' denk evenwel niet , dat zij mij al te fterk zal binden ,en mijn vaderland doen vergeeten; dit heeft geen nood, Karei! al ware hier alles fchooner dan daar , het blijft hier een land van vreemdelingichap voor mij; en mijn hart blijft hier behoeften gevoelen , welke geen fchoone Natuur vervullen kan ; ja ik bemerk zelfs dat zij mij geheel ftnaakloos worden kan , naar maate ik die behoeften fterker gevoel: het is mijzoet , het verligt mij , wanneer ik hier mijne gedachten met mijne moeder, met u bezihoude:maar het antwoord wacht ik vruchtloosik zie dag aan dag daar naar uit, doch het verfchijnt niet. Intusfchen is mijn dierbaare Gelieft mijn vriend en raadsman: aan zijn vertoog over het ver rouwen op God, heb ik veele gelukkige hoopvolle oogenblikken te danken; 'er verliepen eeni-  EL BOE K. 271 eenige dagen dat ik niets aan u fchrcef, om dat ik u niets te zeggen had dat nieuw voor u was , en niets anders dan dat ik u reeds zoo dikwijls zeide : mijn levenswijs is hier vrij eenvormig, en mijne bezigheden veele; doch juist niet overcenkomftig mijn genie; den geheelen dag met de pen in de hand, beweegenloos te arbeiden aan dingen , waarvan het hart zoo geheel ledig blijft, dit heeft verademing noodig, en die zoek ik, als ik u niets te zeggen heb, in een wandeling of een boek. Vóór den dageraad fta ik altijd op ; terwijl de ftilte nog in de akkers heerscht, en de negers hunne hutten nog niet verlaaten hebben, ga ik doorgaans de plantage met een boek in mijn' zak rondwandelen: dan is dc lucht koel; en de nachtdaauw, welke hier, het geheele jaar door, nacht op nacht , het verflenste groen verkwikt, en weder in ftaat fielt om de brandende zonncftraalen te kunnen verduuren, ligt dan zoo mild op alles te glanzen; die groote bladeren, waarop duizende droppelen glinfleren , fchijnen «en veld met paarlen; en elk dropjen wacht op de rijzende zon , om door haare ftraalen een oogenblik met diamanten glans te flonkeren, en dan te verdwijnen door haaren gloed; de verkwikte planten en boomen ademen dan een verfterkende geur uit , alles wekt mij dan op om den dag zoo vrolijk te beginnen als de Natuur zig ver-  2?z H. BOE K. vertoont,en om den goeden milden Schepper zoo te danken als het rijk der planten Hem, al geurende , doet. Altijd beminde ik den morgenftond, de vérziende heuvel van Kommerrust zag mij dikwijls, nog pas half uitgeflapcn , met loome treeden zijn fchoonen top opfüjgen, terwijl gij nog aan de zijde van uwe Charlotte lluimerdet: eenzaam , maar zalig ftond ik dan daar; zag, onder in het dal, de koejen graazen , het koren door 't zachte morgenwindjen trillen; de geflootene fchaapskoojen, op 't hangen van eenen nabuurigen heuvel, in een kalme rust liggen; terwijl het geklink van de bellen der hamels, binnendcrzelver luchtige wanden-, hun verlangen naar den herder, die hun ontlluiten zou, te kennen gaf; zag hoe de hutten der landlieden, de een na de andere geopend werden , en den vakerigen knecht zijne oogen wreef; of de knappe melkmeid pas half gekleed, uk de kleine deur te voorfchijn trad ; terwijl de vrede en de vrolijkheid allengs door het geheele dal herleefde; ik hoorde de melodij der vogelen, die, uit duizend keelen, den groejenden dageraad tegenzongen, en mijn ziel Hemde met hun in; o! hoe onvermoeid ftaarde ik dan op den oostelijken hemel , en zag de glorie van den komenden dageraad; zag de verandering van elk wolkjen, dat door de, nog verborgene, zonneftraalen befchilderd, telkens eenen nieuwen wisfè>- lenden  II. BOE K. «71 lenden gloed vertoonde; zag die mengeling vau goud, zee-groen , en purper, en die fchoone kleuren in alle de nuances zoo toverachtig wegfmelten, tot dat de majeftueuze zon, bij haaren gloed, alle fchoon zinken deed : die heuvel, met veele andere genoegens, is hier voor mij verdvveenen; ik zie hier geen groejenden dageraad ; de luifterrijke opgang der zon is achter digte bosfchen voor mij verborgen ; evenwel juich ik haare eerfte belemmerde ftraalen gevoelig tegen , en zie haar wel rasch , in de volle glorie der verrijzinge, boven de toppen der hoornen klimmen, en het verkoelde plantenrijk beftraalen. Hier, nog meer dan in mijn vaderland, is mij de morgen dierbaar; de gloejende hitte ontzegt ons , den geheelen dag, die kalme rust , die de morgen aanbiedt, en al den waasfem der geurige planten drinkt zij ongemerkt op; ik zoek mij een aangenaam plekjen, dat door zijne vrolijkheid of eenzaamheid mij aantrekt , en zit daar te leezen , tot de tijd mij naar die bezigheid roept, die voor als nog mijne beftemming hier uitmaakt. I. DEEL. S vi-ir.  274 II. BOE K, V I I r. De mensch is voor de gezelligheid geboren; dit weet ik; Natuur gaf ons dien trek tot edele oogmerken: maar ik begrijp niet hoe 'er menfehen zijn kunnen , welke voldoening voor denzelven vinden in Hechts bij elkander te zitten hunne pijp te rooken , en hun wijnglas te ledigen , terwijl zij gefprekken houden , waarin het hart noch verltand geen greinden deel heeft; of in , met doode ziellooze kaarten in de hand , fchoone uuren, die vruchtbaar konden zijn van duurzaame vreugde , wegtemoorden ; dit evenwel was in onze ftad al zeer dikwijls , is hier meesttijds het geval, wanneer de nabuurige planters elkander bezoeken; nergens verveel ik mij meer, nergens ben ik eenzaamer, dan in zulke gczelfcbappcn , en ik word gemelijk tegen de welvoegeüjkhcid , wanneer zij aldaar mijne tegenwoordigheid vordert; met eiken zucht die mij onwillekeurig ontlhapt , vliegt 'er een wemoedige nagedachte door mijnen geest , aan die dagen, toen vriendfehap en gevoel onzen omgang bezielden — doch die tijd is voorbij. Wanneer men over de veldgewasfen, hunnen verfchillenden aart, wijze van behandeling , of an-  II. BOE K. 2?£ andere plantagezaaken , zoo als fomtijds 't geval is, fpreekt, wanneer men dc voor- en nadeden van deeze of geene dingen berekent, dan ben ik geheel aandacht; elke kundigheid zamel ik in ffilte in; met elke aanmerking doe ik mijn nut: ontmoet ik een kundigen planter, dan doe ik hem eene menigte vraagen, en zoek eene fchat van wetenfchap opteleggen, die mij door den tijd zal kunnen dienftig zijn. Maar wanneer de wijn zijn verheugende kracht begint te oefenen, wanneer het gefprek geheel zielloos , en de fcherts los wordt, (want van geestig fchertzen ben ik geen vijand, dit weet gij, Karei I) dan fluip ik ongemerkt heen, en ik zoek de ftilte; vooral wanneer dc maan fchijnt, en het eenzaame voetpad van cjnen ftillen wandelaar met licht en blijdfchap beftrooit; terwijl dan het gezelfchap de onedele vreugde, door den wijn ontftooken, bij haare fchoone majeltueuze glanzen voordzet, en bij dit zielvol, dit ffiï en zacht licht, het grove van zijn ruifchende vermaak niet eens bemerkt, dan ga ik meestijds weg, en zoek de eenzaamheid. Altijd hield ik het maanlicht te heilig om 'er andere gevoelens , dan die welke in eene deugdlievende ziel kunnen oprijzen, aan toetewijen; hier is zij dit meer dan immer; o! dat feet mij dit altijd blijven moge! dan ten minlte zal dit S 2 rg{.  276 II. BOEK. reine fülle nachtlicht mede een befchermlter van mijne deugd kunnen zijn : nog zoo even heb ik mij geheel verademd bij hetzelve , bij eenige akkers met Coffijboomen langs gewandeld; de geur der zig openende bloefemknoppen hong verkwikkend in den dampkring, welke nu door den koelenden avond eenigzins verdikt was ; de bladeren , door de hitte des dags flap en fmachtend geworden , begonnen weder opteftijven , en glansden de blinkende maan vriendlijk tegen; o ! dacht ik, 't geen de maan voor deeze boomen is , zou een gefprek met mijnen Karei voor mijn dor en fmachtend hart zijn: maar ik bleef eenzaam en fmachtend, en alleen de herinnering van 't voorledene, alleen 't nagevoel van dat wat voorbij is, gaf mij een fomber vermaak, of laat ik liever zeggen, gaf mij een fchaduw van vermaak, dat in mijn tegenwoordige luim tot alfem werd; eindelijk vielen mij de regels van dit gevoelvol liedjen in; ik neuriede dit op eenen zeer languifanten toon; en de ftille traanen die ik bij hetzelve weenen kon, waren mij, wat de daauw voor de planten was , verademing: Als de maan met bleeke glanzen, 't Bruine veld zoo zacht beftraalc, De avondftar in 't bloozend westen, Zachtjes flaauwend nederdaalt;  H. BOE K. a?7 Wen de rust, met diepe ftilte, Op verlaatene akkers huist, En geen enkel Iisplend windjen In het eenzaam ftruikjen ruischt; Dan gevoel ik meer dan immer Dat mijn hart verlaaten is, En het klaagt, bedrukt en treurig, Beste vriend! om uw gemis. 'k Denk dan, weenende, aan die tijden, Toen een heldere avondftond, Ons, in de eigen vreugde deelend, Zalig door de vriendfehap vond. Dan herroep ik al de beelden, Dier geftorven vreugde weêr, Doch helaas! zij klaagen allen: „ Ik herleef voor u niet meer." Neen; voor mij niet! edle vriendfehap Woont niet in deez' ruwen oord; En mijn teder deelend harte, Dwaalt hier altijd eenzaim voord. S 3 M*'  £78 II. BOE K. Niemand, die op 't pad des levens Mij een wijle tijds verzeic; Niemand, die mijn vreugde en fmsrten Onder zijn belangen telt. Niemant hoort mij treurig klaagen, Als een doren 't vel mij fcheur:; Niemant plukt met mij het plocmtjen, Dat mij elders tegengeurf. Gij alleen, getrouwe nachtftar! Mijn vriendin in 't vaderland, Blijft tien vreemdeling verzeilen Op het vergelegen flrand: Blijft getuigen van zijn traanen, Om den besten vriend gefchreid; Troost hem door uw lieve glanzen; Deelt foms in zijn treurigheid: Ar! verzacht ook'bij mijn vrienden, J Lieve maan ! hunne afzijns fmart;. Vind me eens weder in hunne afmen, Aan mijn Kareis broeder-hart. IX.  II. BOE K. 279 I X. Ach ! wanneer zal een vaderlandfche tijding rrffjn fmachtend hart eens Verkwikken ? reeds zoo veele wecken ben ik hier, en nog is 'er geen fchip van deszelfs oorden aangeland: eiken morgen ontfluit ik mijne oog;n, met die opbeurende hoop, dat die dag mijn verlangen vervullen zal; doch dc lange dag kwijnt telkens weg ; de avond is daar , cn ik heb vruchtloos begeerd. Het fchip, waarmede ik vertrok, zou rasch door een ander worden gevolgd; met deszelfs komst heb ik mij al zoo lang gevleid, en mij üuren vol vreugde en kinderliefde daar bij voorgeftcld ; doch alles blijft nog een herfenbeeld: houden dan tegenwinden het fchip mogelijk op, om eenen, door de fortuin verdreevcn jongeling, op een vreemden kust te vervolgen ; om ook daar de kalmte uit zijne ziel te jaagen, die zoo ligt te fcheppen was ? een blad papiers dat mij verzekerde: „ Uw Karei denkt aan u:" céne regel van de hand mijner moeder, die mij zcide: „ God onderfteunt mijnen ouderdom," zou al mijnen moed doen oplëeven: maar zelfs deezen zwakken troost fchijnt mij het lot te misgunnen Ach! wat zeg ik! het lot? duizendmaal S 4 hels  aSo 11. BOE K. heb ik den troost ondervonden , die het geloof in eene Voorzienigheid, ook over de geringde omftandigheden van ons leven waakende , geeven kan, en nu, nu laat ik door het denkbeeld van een blind medogenloos lot , het vonkjes troost dat in mij gloeide, noguitdooven : hoe meedogenloos behandel ik mij zeiven! hoe veel gerustftellénder is die gedachte : geen nietig ftof jen zweeft in den dampkring, of de Almagtige heeft daar zijn oogmerk mede , en beftuurt deszelfs wending ; en zeker wordt geen fchip in den Oceaan, door tegenwinden opgehouden, of Hij beval die winden , en heeft daar zijn oogmerk mede: de voordgang of vertraging van dit fchip, zulke een geringe zaak op zig zelve, ftaat, even als alle andere dingen, met duizend zaaken in een verband, dat ik niet kan doorzien,die ik niet noodig heb te weeten, maar dat tog wijs is; en hoe dwaas, hoe verwaand is het dan, om een gering eigen voordeel , de vernietiging van die n fchooncn ketcu der gebcurtenisfen te vorderen ! daar bij: duizendmaal wordt ons eigen geluk bewerkt door die dingen, welken tegen ons fchijncn, om dat wij, noch ons eigen geluk zelf, noch den besten weg om dat te bereiken, kennen: misfehien wil de goedertierene beftuurder van mijn lot wij gelukkiger maaken door tocneemende deugden ; misfehien wil Hij mij geduld, vertrouwen op Hem, en tevredenheid met Hem leeren; moge-  II. BOE K. ClS i gelijk moet een achterblijvende vrienden-tijding hier aan bevorderlijk zijn ; en waar blijft dan mijne reden tot verdriet? En daar boven, wie weet hoe veele menfehen hier meer bij lijden dan ik? wie weet of niet een veel edeler jongeling hierom bittere dagen doorkwijnt , en moedloos zijn lot beklaagt? doch daar dacht ik niet aan; ik dacht op niets dan op mij zeiven: hoe kleingeestig, hoe onbroederlijk en ingekrompen maakt ons toch de eigenlievende gezetheid op onze neigingen-! als ik dit alles bedenk, lieve Karei! dan bloos ik over mijne morrende ontevredenheid: ach! waarom ben ik niet dankbaarder voor al het goede dat God reeds op mijn pad gezaaid heeft ? en misfehien vervult Hij, in weêrwil van mijne onvergenoegde rusteloosheid, wel rasch mijne wenfchen ! wie weet of niet het zoo vuurig verlangde fchip met ftijfgefpannene zeilen naar dit land ruischt? mogelijk nadert het den oever, waar uw eenzaame vriend traanen van verlangen fchreit, die wel rasch zullen worden afgedroogd. Woonde ik digter bij de zee, hoe dikwijls zou ik dwaalen op het flrand! en op elk beweegend topjen mij blind tuuren ; maar dit is mij nu onmogelijk; doch dikwijls wandel ik dien weg op, langs welks einde, zes mijlen verder, de S 5 Oce-  282 If. BOE K. Oceaan heen ruischt; even of de nadering van eenige treeden , den afftand tusfehen ons, of mijne onzekerheid verminderen koude , en keer dien zelfden weg even onkundig weder : mijn goede Cheri dribbelt altijd met mij , en fchijnt mij door zijne trouwhartigheid te willen troosten: fomtijds Ha ik, geheel in mijmering verzonken, ftil; of ga op een bcmosten kei, dien ik op mijnen weg ontmoet, of een plekjen gronds met gras begroeid, zitten; terwijl ik vergeet, dat hij bij mij is, (preek ik het wachtende dier geen enkel woord toe, tot hij zelf, even of het fchrandcre fchepzel merkt, dat ik dan juist de aanfpraak van een' vriend het meeste noodig heb, mij aanhaalt, aan mijne knieën komt ftaan, en zijn trouwe zwaare poot op mijn hand legt, als of hij zeggen wilde: „ Zijt gij verdrietig, gij hebt immers uwen Cheri bij u?"_dc trouw van het beest roert mij; ik gevoel dat 'er een fchepzel is, dat mij bemint ; ik fpreek hem aan; zijne vreugd is onbepaald : hij trekt mijne gedachten af, en verftrooit de nevels, die mij bedwelmden : zoo veel dienst doet mij de ftommc taal van eenen vriendfehap!ijken hond; wat zou dc hand, het oog , en de woorden van een' vriend niet doen ? Karei! verflaat gij wat 'k fchrijf? X.  II. BOE K. 2.33 X. Ik. ben overftelpt van vreugde : uw brief, Karei! dc brief van mijne dierbaare moeder is in mijne handen! o! welk een dag is mij deeze! welk een zoet genot , na eene uitgcliclde hoop ! met hoe veele traanen heb ik die dierbaare bladen befproeid! waarlijk het is de droefheid niet alleen, die troost in traanen vindt; ook dc blijdfebap gevoelt die noodig , zal het volftroomde hart , niet in zijn eigen levendig gevoel verflikken ; bedwelmd van vreugde , kreeg ik het paquet in mijne handen — zag uw fehrift, uw zegel, rukte het los —en las — mijn ziel was daar, waar gij haarboeidet; niet meer aan deeze kust — maar in miju vaderland, in den kring van mijne vrienden — ik zag, ik hoorde na, en deelde in alles, wat daar voorviel ; ik las die woorden vol tederheid , vol kracht, vol godsvrucht, van mijne bedaarde , eelaatcne, in haar , en mijn lot berustende , ja , hoonende moeder : ik viel op mijne knieën neder , om den God te danken , die haar zoo onderfïeuude: ik verbeeldde mij het minzaam gelaat , waarmede die edele vrouw dit alles fchrecf — ik kende het uit de trekken van haare pen, en drukte, in de vervoering  a«4 lf. BOE K. ring mijner denkbeelden, een dankbaaren en tederen kusch op haare betraande wangen. Ik las verder uwen brief, en vond den edelen, grootmoedigen , zig zelven altijd gelijken vriend in elke regel die gij fchreeft; ik zonk weg in de zoete gewaarwording, dat 'er nog zoo veel reine, ongemengde, zielvolle vreugde in dit gewest voor mij bloeide; ik zag , of hoorde niets rondom mij dan die dierbaaren ; mijne moeder gij zelf, en uwe engelachtige Charlotte, waren alleen voor mij aanwezig ; de aandoenlijke trekken, met welken gij mij den invloed van mijne afwezendheid op uw geluk afmaalt, roerden mij; lees ik daar uit uwe pen: „ Ik wist „ niet dat gij mij zoo dierbaar waart i met „ u, mijn Reinhart! heeft mijn ziel alle haare „ voldaanheid verlooren; overal waar ik mijne „ voeten zet vind ik ledigheid; mijn zalig Kom„ merrust is mij een droevige oord; elk plekjen „ (preekt 'er van u; alles zegt mij: „ „ uw vriend -j „ heeft u verlaaten!"" een akelig, een diep „ doordringend gevoel van de vergankelijkheid „ van het edelst geluk verzelt mij overal; ik „ vind nergens een nieuw voorwerp dat waar„ dig fchijnt dat ik mij daar aan hechte ; al„ les floot mij van zig af , en mijn hart wil ,, zig niet meer ontfluiten voor eene vreugde, „ die zoo kort afwisfelend is." O ! Karei! welke woorden voor mijn hart! zij maaken mij dree-  II. BOE K. 285 droevig en blijde — uw ongeluk is het mijne, en, met een vol, welmeenend hart, wensch ik u al die voldaanheid toe, waarvoor uwe kalme ziel vatbaar is: en echter, kondet gij mij zonder eenige fmart misfen, dit zou mij bedroeven: evenwel ik wensch hartlijk dat de tijd, welke , zedert li deeze woorden uit uw hart vloeiden, verloopen is, uwe onaangenaame gewaarwordingen iets zal verzacht hebben; en u eenen anderen vriend — niet zulk eenen, die u uwen Reinhart doet vergeeten — maar die uwe mismoedige luimen verdrijft, zal weêrgegcevcn hebben : doch wat wensch ik! gij fchrijft: „ Uw „ verlies is mij onherftelbaar — welke edele „ menfehen mij mogen omringen, mijnen Reinhart, die een ziel bezat, welke zoo op mijn „ ziel werkte, dien vind ik nergens weêr : en „ ware hij 'er ook al, wat zegt dit dan nog bij „ onze vriendfehap, die, door eene veeljaarige „ ervaring, door de ligtzinnigfte tijdperken des „ levens heen , beproefd , en tot die edele „ vastheid, die onbreekbaare fterkte gekomen „ is, dat zij den dood en de eeuwigheid ver„ duuren zal."— Hoe vleiend voor mijn hart, dat mijn Karei zoo omtrent mij gevoelt ! elk blad dat ik u fchreef, zal voor u eenftemmige gevoelens ademen : 0! mijn Karei! ik gevoel, terwijl 'er iets fombers door mijne ziel zweeft, dat ik veel reden heb, om den Hemel te danken,  23ó II. B O E K. ken, daarvoor dat hij ons op den weg onzeslevens elkander deed ontmoeten; een geruim cindweegs wandelden wij zameu rog; wij leerden en raadden elkander ; wij traden zamcn door ruwe e!; effcne wegen ; plukten de roozen, die langs ons pad bloeiden; en kwetste een onzer zig aan distels dan gevoelden wij beiden fmarte, en zochten de' wonden te verzachten: dezelfde boom verkwikte ons dikwijls met zijne fchaduw, en het ei°-en beckjeu laaide onzen dorst; dezelfde ftorm donderde rondom ons , en het eigen hutjcn was onze fchuilplaats: o! dit waren lieve dagen ! hoe kort viel ons dc langde weg: en het mocjelijklle pad werd vrolijk! doch ons lot veranderde — Hij, die het pad van eiken flerveling aftekent, deedt u voordgaan, en wees mij eenen anderen weg, waar ik niets van u hoor, niets van u zie , naar daar ik mij al het nut , al de vreugde, die uwe tegenwoordigheid mij eenmaal gaf , met ftille weemoedigheid herinner — zal ik dit nu hardheid van mijn lot noemen? — was het geen goedheid dat ik u vond , en'zoo lang genoot? — en is het niet mogelijk even groote goedheid, dat ik u nu mis, al zie ik dit niet, al kan ik dit niet gelooven ? God , die ons pad aftekende , dacht dit beter om 'onze rijpheid voor den hemel te bevorderen : ons blijft des niet over, dan te berusten in die fclnkking , en alle onze krachten aanteleggen om  II. BOE K. 287 om het mecfte nut uit dezelve te trekken, op dat wij elkander eens waardiger weder ontmoeten l welligt vereenigt zig ons wandelpad nog ééns , eer wij in het land der ruste aankomen ; en anders zeker als wij daar gekomen zullen zijn en dan, voor eeuwig; vrolijke gedachte ! hoe vér gefcheiden , leven wij dus nog voor elkander ! wij blijven elkaêr tot troost en raad ; wij deelen in elkaêrs belangen, en bevorderen die broederlijk ; all' wat gij mij van uw huwelijksgeluk , van uwe lieve kinderen, van all' wat u betreft, vermeldt, is mij gewigtig; geen letter uit uwen brief wilde ik misfen; en all' wat gij mij als een edel, een voorzichtig, en een in het menschlijk hart ervaaren vriend , zegt , heeft eene onberekenbaare waarde voo<- mij: ga voord, mijn bestel mij zoo te behandelen! gij kent mijn karakter, mijne gebreken , en het kwaad waartoe mijn hart het meeste helt; waarfchuw mij altijd daartegen! eene vriendfehap, die deeze trouw niet dulden kan, is zeker de waareniet; is zeker die vriendfehap niet , waarvoor wij in de andere wereld, als voor de grootfte weldaad van ons leven, God zullen danken: ach! Karel ! blijf mij zulk een vriend ! ik bezweer u bij het rein geluk, bij de ftandvastigheid onzer vriendfehap , blijf mij zulk een trouwe , edele en warme vriend ! 0! ware het mogelijk , dat de tijd u minder belang in mij Hellen deed , dat  c83 II. BOE K. dat gij koeler omtrent mij worden kondet, o! dan zou ik in eene angftig grievende fmart mijn eenzaam leven afkwijnen; alle gevoel van geluk zou voor mij dood zijn.... maar welke eene ontijdige gedachte ! een treurig fpel van mijne vermoeide verbeelding , of de vervoering eener genietende ziel ! mijn hart heeft geen deel in die vreeze; wat bij anderen mogelijk is, is bij Karei onmogelijk: ik zal gerust op uwe vriendfehap leeven; en, zoo ik hier fterven moet, zal mijne ziel, onbekommerd over haare afgelegde hut, naar u toefnellen, en, zoo afgefcheiden, onder de menfehen verfchijnen ; dan zal mijn geest om u zweeven , u troosten , u moed inftorten.... doch, waar dwaal ik heen ? nog ben ik met u op dezelfde wereld, waar gij, waar ook uwe lieve Charlotte mij bemint; ook die edele vrouw heeft om mijn afzijn geweend , en vondt eenige verdienlten in uwen vriend ? bij die woorden gevoel ik mijne kleinheid , Karei en wensch te worden , dat uwe belangenlooze vriendfehap mij reeds maakt; omhels haar voor die woorden , voor die traanen , en zeg haar , dat, zoo lang dit hart vrouwlijke deugd, en zachte bevalligheid zal hoogfehatten , zoo lang ook haar beeld in hetzelve zal bewaard blijven : o! nooit zal eene wederhelft mij kunnen gelukkig maaken , die haar niet , ten minften in eenige trekken , gelijkt ! maar welk eene entijdige gedachte weder voor mij ? dit is een ge-  II. BOE K. 289 geluk dat zoo dagelijks niet gefchonkcn wordt, en daar een arm, uit zijn vaderland verdreven jongeling, wel nooit op hoopen mag; hier ten minften, zal ik dit niet ligt vinden ; ik mis in de vrouwen van dit Land, die ik tot nog toe zag, dat aantrekkelijke, dat mij doet wenfchen om eene lotgenoote in dezelven te vinden: maar zeker, grooter heil, dunkt mij, dan zulke eene echtvriendin als gij bezit, heeft de aarde wel niet; en gij verdiendet die: ach! goede Hemel! Hort al den zegen, dien gij op menfchen-hoofden uitgiet, op dit begunftigd paar neder, en laat de vruchten hunner liefde hun beeld vertoonen' — Nu ga ik mijne moeder fchrijven: ach! Karei! hoe veele traanen zullen dit blad weder bevochtigen ! en nogthans was laffe weekhartigheid in den man, in den jongeling, mij altijd iets afzichtelijks, en ftrijdig met mijn gevoel; maar natuur, kinderlijke natuur , die ook in den moedigen boezem des jongelings woont; die in zijn fterk geaderd hart klopt, die in zijn vuurig oog zoo teder {preekt, was mij altijd heilig; en ik fchroomde nimmer kinderlijke traanen aan een moederlijk hart te laaten vloejen: zij zijn de adem van het waar gevoel, en gelukkig hij , die ze, zonder pijnlijke fmart, weenen kan! I. DEEL. T XL  sqo II. BOE K. X I. Ik zit thans onder de fchaduw van een breeden Orange-boom; zijn glanzend loof, zijn geurige bloefem, zijne beloovende nog groene vrucht, alles verkwikt mij; maar zijne goudgcele appelen, die, tusfehen 't groen zulke eene aanlokkende vertoning maaken,treffen mij nog meer dan alles; en zij belooven alles aan het oog , wat zij voor nog twee andere zinnen worden zullen : ik heb zoo even hunne verfterkende, en verkwikkende kracht ondervonden ; hoe gaarne wilde ik die verkwikking met u deelen , konde ik u dezelve toezenden! maar ik weet wel, Karei! gij misgunt mij zeker dit kleine voorrecht boven u niet, daar ik zoo veele grooteren misfen moet : en zeker, gij kunt niet anders, dan met mij de wijze inrichting der Natuur bewonderen , die dit Land tot het moederland van deezen boom maakte, wiens vruchten zoo gefchikt zijn om de, door de geftadige hitte verffcrpté zenuwen, te verfterken ; doch mijn philofophie brengt mij van mijn ft uk af— onder deezen boom zat ik, wilde ik zeggen ; daar haalde ik zoo even nog eens mijne brieven uit mijn' zak; herlas alles nog eenmaal over, en gevoelde dat het gezegde van den ouden wijsgeer waarachtig is: ,, Eene goede tijding uit verren lande, is als koud water op  ir. BOE K. op ccn vermoeide ziel." Zeker, Salomon moet een zeer dierbaar peribon , ver afweezend, gehad, of bij zijne wijsheid, een zeer gevoelig hart bezeten hebben , om zulk een treffend beeld voor de grootheid van dit genoegen te kunnen vinden : en de wijs waarop men in dien tijd berichten uit verre landen ontving, hoe veel zal die wel verfchild hebben van die, waarop nu , na de uitvinding van zoo veele ligt verkrijgbaare middelen, gevoelige harten elkander hunne gedachten mededeclen! zeker, zulke brieven , als ik hier in mijne handen heb, waren toen wel zeldzaame verfchijnfels. Toen ik dezelven eerst ontving , overdwarste cene menigte hartstochten elkander; ik was niet vatbaar voor een bedaard genot; doch nu zijn die hevige, verwarde aandoeningen ftil en erfen geworden , en ik geniet dubbel : zie ik mijn moeders brief , haar zegel, haar fchril't, alle de regelmaatige, orde ademende trekken van haare fchoone, vrouwlijke . har.d, dan ben ik geheel eerbied; en lees ik die lieve tedere hartetaai, die zoo geheel de zachte moeder vertoont, o! die vloeit mij als Blij in het hart; en ik gevoel 'mij geheel den tederen zoon; en lees ik uwen brief, dan ben ik de gelukkigffe vriend: gelukkig! ja Karei! ik gevoel dat uwe vriendfehap mij nu nog een zegen is, en uwe T 2 deugd,  S92 H. BOE K. deugd, ook hier, haaren invloed op de mijne blijft behouden. Gij hebt gelijk, mijn vriend! de godsdienst verzoet alle leed; in alle ftanden, in alle lotgevallen geeft hij troost: even als een milde bron, die, uit het heilig donker van een digt bewasfen grot, met eene majestueuze fchoonheid, voordfchiet, door het ftatigst geklater de ooren reeds ftreelt, en zig in verfcheidene beekjens verdeelt, die allen even mild, en zacht lispelend heenvloejen, om, zoo wel dorre woeftijnen, en eenzaame wildernisfen, als bebloemde velden te doorkronkelen, op dat, niet Hechts de vergenoegde veldwandelaar , maar ook de beladen zwerver, en de afgematte pelgrim, die wel het meeste verkwikking behoeven, aangenaam gelaafd, en hun wegzinkend leven opgebeurd worde, en door het lief gemurmel , hunne geftorvene vreugde moge herleven; zoo, even zoo , is de godsdienst een eeuwigvloejende mildftroomende bron van zielsrust, en waar geluk. In de genoegelijkfte omftandigheden van ons leven , dan, als ons pad door bloemvelden, en vruchtbaare dalen, aangenaam heenkronkelt, dan is het de godsdienst, die het waare zoet aan alle genieting geeft; zonder hem is alles ledig en doods, voor eene, naar wezenlijk genot, dorstige ziel: en dan, wanneer de weg onzes levens ftijl en moejelijk, distelig en ruw  II. BOE K. 293 ruw is; als wij met een ongunftig noodlot worftelen, en de eene zwaarigheid de andere opvolgt; als de gloejende zon der rampen op ons hoofd brandt ; of als wij, van vrienden en bekenden verlaaten , de akeligfte eenzaamheid' eener wildernis romdom ons gapende zien, o dan ! dan geeft de godsdienst een' troost, eene verademing, een genoegen, dat tegen alle die rampen opweegt; en dat ons meer, ja veel meer dan het mildfte beckjen den matten pelgrim, kan verkwikken, ons verfterkt, laaft, en met frisfchen moed onzen weg, dezelve blij ve dan ook woest of eenzaam, doet voordwandelen , en afloopen: dit afloopen, welk een lieven klank heeft dit woord voor een moeden zwerver! het denkbeeld van een einde aan den weg daar onze voeten ruw gelopen zijn , is zoo zoet, en moedigt zoo aan om de weinige, nog overige , fchreden, vrolijk te doen! evenwel zijn grootHen toverklank mist het thans voor mij; zoo als mijne ziel nu geftemdis ben ik te vreden op mijnen weg ; hij mag duuren zoo lang mijn trouwe leidsman dit best oordeelt; ik wil voordreizen; ik zie , ik gevoel dat Hij mijn pad met goedertierenheid bezaait , en ik geloof thans dat dit ook dan, als ik het niet zie, mede waarachtig is: aan wien zou ik mijn lot beter toevertrouwen, dan aan Hem die de liefde zelve is ? die, om ongelukkige menfehen de beste, de reinfte , de voor hunne natuur meest berekende zaligheid te bezorgen, voor hun wilde ftervf'n aan een kruis ? T 3 die  n. BOEK. die goedheid, die zoo veel voor menfehen overhad, die zulk een groot doel met hun voorhad , zou die hun immer iets kunnen toezenden om hen te bedroeven, of te plaagen? zou die mij iets ontneemen, dat mij nuttiger ware te houden? dit is onmogelijk! moet ik dan niet gelooven , dat gemis en lijden , genieting en vreugde, dat, met dén woord, all' wat mij ontmoet het uitwerkzcl is van eene tedere zorg voor mijn beste geluk? — dit, mijn Karei! dit gevoel ik thans , en mijne ziel is zoo kalm, zoo rustig, als een lente-avondltoud: zoo veel edel genoegen heeft uw brief voor mij gefchapen ; vaar zoo voord, en herhaal het mij dikwijls, dat de Godsdienst alle leed verzoet. X 1 I. 't Is mij telkens aangenaam , wanneer mijn dor, eenzelvig penncgekras door eene bezigheid van andere natuur wordt afgewisl'eld: die welke ik gisteren verrichten moest , geviel mij bijzonder wél: zij voerde mij na een plantage, eenige mijlen hooger dc rivier op : in een boot die door zes negérs werd voordgeroeid, begaf ik mij op cie fchoone breede landrivier, die met ccji ihcllen vloed , mijlen ver , komt afdaakn; en zeker in een der b'er-  II. BOEK. =95 bergen, boven in het Land, zijn oorfprong beeft, daar zij misfehien , ten minften mijne verbeelding zag baar zoo, met een donderend gedruis, langs een fteile rots affchiet, zoo binnen haare bedding nederftort, en allengs een zoo breede ftroom wordt, die in kronkelende bogten deeze landen doorvloeit, en het fieraad , zoo wel als de zegen van dit gewest is ; even als de Ilhijn in ons vaderland , die, verre van zijn arm, maar gelukkig geboorteland, in zulke fierlijke kronkels langs Gelderlands vruchtbaare boorden , langs deszelfs rijzende heuvelen en betoverende dalen, vol majefteit heen ruischt: het aandenken aan het tooneel , dat mij, bij deeze flaauwe aftekening, voor den geest komt, geeft mij een pijnlijk genoegen ; maar het is geen afbeeldzel van dc vertooning , die hier mijne oogen trof: elk Land heeft zijne eigene bevalligheid: mijne vergelijking van denRhijn met dien ftroom, welken ik opvoer, is zelfs niet eens juist; deeze Itroom is veel grootfcher , breeder, en gelijkt meer op de trotfche Maas, daar, waar zij 't lustig, het volkrijk Rotterdam befpoelt , (ik vergelijk toch gaarne' met mijn vaderland;) doch ook hier verfchilde het tooneel verbazend! geene rijke koopftad rees hier uit dezelve op; geene prachtige gebouwen, die den overvloed, en het welvaaren van derzelver arbeidzaame bewooneren vertoonen, fpiegelden zig hier zoo trotsch in den breeden vloed af; neen! alles was hier eenvoudige kunstlooze AmericaanT 4 fche  296 II. BOE K. iche natuur , en in zoo verre voor mijn oog meer ïtreelend, dan de fchoonfte tooneelen der kunst, die de zinnen wel behaagen, maar op het hart weinig werking doen; alles wat ik hier zag , was een oever , die, hier zandig en afgekabbeld , ginds met eenig gras bedekt , en elders met mildwasfende mangele-, of andere ftxuiken, welke hunne frisfche takken over den golvenden ftroom lieten hangen, begroeid was, onder wier fchaduw de fchildpadden , rivierkoujen , en andere visfehen met vermaak heenzwemmen : aan beide kanten der fchoone rivier liggende vette gronden, met alle de voordbrengzels van dit Land beplant, in eene fchoone ,kunstlooze orde en evenredigheid : de eene plantage grenst aan de andere , en elk tekent het] beeld des overvloeds , cn der milde vruchtbaarheid af; ach ! dacht ik, terwijl mijn fchommelende boot, door wind en roejers voordgedrecven, iiiel vorderde , en mij nu hmgs een bloejende coffij-, dan langs ecu rujfchende fuiker-, verder langs mildbelovendc eatocn-plantages voerde — ware dit alles door vrije handen verricht! had liet geen meniehengeluk gekost, deeze akkers in zulk eenen Hand te brengen! hoe fchoon zou die verandering zijn , welke de bel'chaafde Europcërs op deeze woeste, voorheen onbebouwde velden aanrichten ! hoe zeer is hier het droevig beeld van dopdfqhe kwijning in dat van fcheppende nijverheid , en gelukkige vruchtbaarheid veranderd !  II. BOE K. 29.7 derd! en hoe zoet is dit denkbeeld! beide halve wereldronden , fchoon door groote zeeën op eene wijde ruimte van elkander gefcheiden , brengen, elk op zijnen vruchtbaaren grond, gewasfen voord, die den nooddruft van eikanderen voldoen; de klederen,1 de fieraaden welken het noordelijk Europa vordert; de dranken die daar zoo veele behoeften vervullen , zoo veel verkwikking geven , en de logheid van een arbeidzaamen geest verdrijven; het zout dat hunne fchadelijkheid vermindert, groejen in dit warm climaat; en die geestrijke wijnen die hier de, door hitte afëematte ligchaamen, moeten fterken , en gefchikter maaken om die te draagen , groejen in de meer gemaatigde ftreeken, en worden wijd en zijd over de geheele bewoonde Aarde heengevoerd : op deeze wijs wordt volk en volk, door wederzijdfche mededeelzaamheid en behoefte , onderling verbonden, en hun eigen belang vordert dat zij het belang van elkander zoeken: menfehin, die de poolen der aarde bewoonen, die den God van Abraham, of de zon aanbidden; die Mahomet of Christus eeren, allen zijn zij broeders; de aarde is de gemeenfchaplijke wooning, die dc algoede Vader der menfehen aan zijne kinderen verleent; en zij is vol van zijne goederen ; in het eene gedeelte zoo wel als in het andere vindt men de fpreekendfte bewijzen zijner mildheid en liefde; en zijne zorg gaat tot in de afgelegenfte oorden, waar het T 5 mensch-  ioS II. B O E K. menschlijk oog geen leven vermoeden zou — met dit denkbeeld adem ik zoo vrij en zoo ruim , en vind ik overal zegen, overal weldaad; en tevens rijst die edele zucht in mijnen boezem, dat alle mijne broeders, dc bewooners der geheele aarde, deezen algemcencn weldoener en vader, zoo mogtcn kennen als dc Christenen Hem kennen, en Hem zoo in gest en waarheid mogten aanbidden als wij wenfehen te doen. Terwijl de Harige kabbeling, want een anderen naam kan hij, die verbolgene zeebaaren bevoer, de golljens eener bruifchende rivier niet wel geeven —terwijl die kabbeling van deezen breeden ftroom onze fpocdende boot deed danfen, en eene aangenaame bewceging gaf, overzag mijn op eenvoudige Natuur verzot, oog, met een navorfehenuen blik, elk bevallig tooneel, elk onaanmerkelijk verfchijnzei dat zig hier aan mij opdeed — nu Haarde ik op het beeld des fchoonen hemels, op het helder blaauw, op elk wolkjen dat hier overheen zweefde, en welk alles zig in den ftroom bevallig en Hatelijk fpiegeldc; dan zag ik op de beweging van groote, of wonderlijk gevormde visfehen, welken zig hier in menigte onthielden, en, nu en dan,zig even onder het oppervlakvan het heldere water vertoonden, maar dra w eder wegdooken; dan trof mij een zwaarlijvige fchildpad, die met zijn' kop, boven het water uitfiekende, eenen langzaamen voordgang onder hetzelve maak-  II. BOE K. 299 maakte , enmet eene moejelijke beweeging arbeidde' om den oever te beklimmen, dat hem eindelijk gelakte: de zee had mij reeds met groote dieren gemeenzaam gemaakt ; anders zou misfehien dc vertooning van dit reusachtige klompdier iets ontzettends voor mij gehad hebben: nu zag ik zijne gcftalte verwonderd aan ; ik volgde het dier na, tot het ftil hield , even of het op iets, in de nabuurfchapvan eenen breeden ftruik, nieuwsgierig ftoud te ftaaren ; waarfchijuelijk was dit een zorgvuldige moeder, die, met de tederheid van eene ichikipad ,na de eieren kwam omzien, welke zij op de aandrift der Natuur in een' kuil verborgen , en aan de koefterende ftraalen der zon,ter mtbrocdingc ovcrgelaatenhad: of zij dezelven nog vond, of zij reeds na aan den ftaat van levendig dier gevorderd waren, dan of de graage Neger, of de reizende Indiaan, dezelve had "weggenomen, en 'er zijnen maaltijd van bereid, dit weet ik zoo min, als ik weet welke aandoeningen het , zoo 't mij toefchijnt , ftompc dier, in zulk een geval , dat dikwijls plaats heeft, gevoelt; misfehien wordt het 'er niets meer van gewaar dan de trouwe klokhen, die zig, buiten die tijden als Natuur haar moeder-tederheid inftort , haam eieren dag aan dag gerust laat wegneemen , en weêr een ander legt; hoe dit ook zij, ik verliet de fchildpad, en bewonderde, in ftilte, de onderfcheidene aandriften , krachten, en werkzaamheid der dieren : hoe  300 II. BOE K hoe veele, in geftalte en aart verfchillende,fchep. felen vormt de alom weldaadige Natuur in haar onmeetelijk Rijk! hier vertoont zig een luchtige fchuimachtige vlek op het water; de wind voert ze weg, en niemand vermoedt, dat 'eronder dit nietig verfchijnfel een levendig wezen bellaar: ginds ligt een ijzer-hard , ondoorboorelijk fchild; de fchoonheid der irerwèj de rondheid van deszelfs geftalte, trekt het oog tot zig ; maar wie zou denken, dat dit roereloos fchild' de hut, of liever het kleed van een groot, fterk, en nuttig dier is? doch zoo dra hij zijnen kop' uit het fchild doet hervoor komen, zijne glanzende oogen vertoont, zig beweegt, zijne weggefcholene voeten voordzet, ziet men in hem een dier , dat de goede Natuur met zulk een fchild wapende, om het voor de vijanden, die het in twee elementen vervolgen , te befchernien: zoo befchouwde ik de fchilpad; dobberde iutusfehen voord, en ging mijns wegs , terwijl de telkens meer kronkelende rivier, geduurig nieuwe vertooningen opleverde, en mij, onIst'r de gcnoegelijkfle gedachten, vrolijk haaren loop Z"S tegenzeilen , en na verrichte bezigheid denzelfden weg wederkeeren; hadde ik de taal der Negers genoeg magtig geweest, dan had ik mijne zwarte reisgenooten , of bootvoerders, nu en dan eens onderhouden; verfcheideue keeren beproefde ik dit vruchtloos — evenwel, mijne pcoging, of misfehien nog meer het  IL BOEK. 301 het vriendlijk en onheerschzuchtig gelaat, waarmede ik hen aanzag , fcheen hun wel te gevallen ; ten minden , zij behandelden mij met eerbiedige goedhartigheid, en bevestigden mij in de gedachten , dat edel menfchen-gevoel ook de ziel der verdrukte Negers bewoonen kan : voor 't overige reisde ik nu, zoo als ik veeltijds onder de meeste verkeering met menfehen ben — eenzaam. X I I L Hoe magtig verfchillend is het gevoel , door 't welk uwe en mijne zenuwen waarfchijnelijk thans zijn aangedaan! hier is de hitte bijna ondraagelijk, en bij u is het winter; mogelijk zit gij thans bij uwe bijna roodgegloeide kachel , wier bedwelmende koolendamp de lucht die u omgeeft verpest; die u, met eiken zwoegenden adem, vergif voor uwe gezondheid doet innaaien; en misfehien door den tijd uwe ongelukkige long, door zijn fijn ftof, zoo zwart bekleedt, als de muuren van uwe kamer ; elk die bij u inkomt, wrijft mogelijk thans zijne handen , en zegt: „ Wat is het koud!" hij legt zijn bontig overkleed neder, fnelt na de onzuivere bron van uwe warmte, en zijne geheele houding zegt met hem: „Het is koud!" welligt vertoont zig thans  3°2 IC BOE KL thans de winter in eene van zijne grimmigfte gedaanten; graauwe, dikke wolken, door welke mogelijk in langen tijd geen zonneftraal booren kon, die telkens aangroeiden en dreigender werden, ontlasten zig nu in- ruifelieude hagelfteenen, of vochtige fneeuvv,die in wild door elkander dwarlende vlokken nedervalt, en alles met een woest, rasch verdwijnend wit bekleedt, en , daar zij wegfmelt, al ftraalende van dc daken afvloeit, terwijl de grillige vorst op ééns verrijst , die ftraalen verftijft, en in ruwe ijskegels herfchept , die door hunne woeste vertooning elk doen huiveren, en verkleumen ; of mogelijk vormt een ftrenge koude de fneeuw tot kleine vlokken , die als zoo veele gefcherpte pijltjens al ritzelend nedervallen, en het verkleumde aangezicht zwcepen, terwijl zij op den grond, gelijk een effen dons, nederdaaleu, en door hun zuiver, onnabecldelijk zuiver en verblindend wit, eene luistervolle fchoonheid op de aarde verfpreiden, die behaagt en treft: maar, hoe jammer! dat dit glanzend fiertapijt op uwe woelige Ifraaten zoo rasch bezoedeld wordt, en eene walgelijke woeste vertooning oplevert!' Hoe fnel rennen nu misfehien de flgtë lleeden met fnuivende paarden, al rinkelend, langs uwe woningen, terwijl de, in pels of dikke pif gekleede , voetganger, door zijn verhaasten tred én door zijn rood aangezicht, dc allesdoordringende  IL BOEK. 303 geilde koude , levendig uitdrukt , en , zoo 't fchijnt, door de fnclheid zijner beweegingen liet uurwerk des levens, dat anders welligt zou ftilliaan, aan den gang houden moet ; terwijl dit bij u voorvalt, zit ik hier te fmagten naar eiken koelenden wind, dien ik door alle dc openingen der kamer tot mij lok, en mijne geheele kleeding is niets dan een hemd. Welk een verbazend onderfcheid van tooneelen levert het noordelijk Europa, en het zuidelijk America ten zeilden tijde niet op ! en wat dunkt u van mijne aftekening ? heb ik dit tafreel nog niet vrij levendig, in eene luchtftreek , waar alles met hetzelve contrasteert , bewaard? doch een vaderlandsch tooneel! zou ik dat vergeeten ? een tooneel , waarin zoo veele kleine,voor mij belangrijke, omftandigheden zijn ingeweeven ! hoe dikwijls was het mij aan uwen haart , bij die nu zoo verachte kachel, op den nog kouder avond van zulk eenen kouden dag, onuitfprcekelijk zoet, als gij daar zat, met Charlotte aan uwe zijde, en uwe lieve kleinen, dis, met de onfchuld van engeltjens, zamen fpeelden, rondom u ! hoe dikwijls moest ik mede in hun fpel , in hunne vreugde deelen , gebrokene fpeeltuigen herlfellcn , of nieuwe verzinnen, luisteren naar hun lief geluap, en hen voordhelpen; terwijl hunne lieve moeder met een vriendfchapvollen blik, haare goedkeuring over mijne hulp-  304 II. BOE K. hulpvaardigheid gaf, en mij eenmaal vader van zulke kindertjeris wenschte ! Hoe dikwijls deelden wij op eenen anderen ftvond, met liet volfte vertrouwen der vriendfehap, elkaêr de geheimfte gedachten, zwaarigheden , gisfmgen , overleggingen van ons hart mede! hoe veele belangrijke onderwerpen behandelden wij dikwijls, terwijl het maatig gebruik van een glas pons onze geesten deed opleeven! en maar zeer zelden was ons gefprek zielloos; maar zelden gingen wij onvoldaan van elkander ; dikwijls zou ik den tijd, en mijne wachtende moeder vergeeten, en de middernacht mij nog bij u gevonden hebben, hadde de orde-lievende Charlotte het niet verhinderd: och! Karei! dat waren tog hemelfche avonden! hier zijn zij mogelijk voor altijd verlooren ; maar daar boven zullen zij zig oneindig zaliger vernieuwen ; en daarop wil ik zien, om nu niet te treuren. X I V. De hitte blijft even fterk voordduuren; het loof aan boomen en planten kwijnt, en zou zeker fterven , als geen koele nachtdaauw het eenigzins verkwikte: alles fnakt naar regen; de tijd  II. BOE K. 305 tijd is daar; doch geen belovend wolkjen valt droppelend neder; het verfchijnt aan den blaauwen hemel, maar de heete dampkring zwelgt het in , en het verdwijnt ! dikke, zwaare, met onweêr beladene wolken, hangen dikwijls boven de fmachtende akkers ; men hoort de donders rommelen, en ziet de blikfemen ftraalen; maar de bui drijft naar zee, en geen koelend regendropjen valt neder op den dorftigen grond; het windjen zelfs, dat nu en dan in mijne hairlokken fuifelt , waait geene koeling aan, en de onreine dampkring wordt niet gezuiverd. Het is thans de tijd dat de landziekten eene menigte van menfehen wegneemen; zij beginnen hier reeds hevig te woeden; dagelijks hoor ik van geftorvene bekenden; jongelingen worden in den fchoonen bloei hunner dagen, mannen in hunne volle leefkracht , weggerukt ; en hun leven is als eene gedachte.' van eene fleurige gezondheid worden zij eensklaps bij de verzameling der dooden gebragt; en daar de ziekte doodlijk benaauwd, en het verftand meestal bedwelmd is , laat zij niet veele gelegenheid aan de ongelukkige lijders over , om zig toetebereiden voor die ontzachlijke ftaatsverwisfeling, waarop zij misfehien nooit te vooren dachten, en die zij welligt dan, als de dood die vordert, nog wezenloos ondergaan, tot dat zij in de eeuwigheid ontwaaken. I. DEEL. V O  306" II. BOE K. O Karei! mijn hart wordt mij zoo akelig, als ik zoo veel onheus rondom mij zie, en niemand die het opmerkt; als ik zoo deezen en geenen zie wegfterven, en hem, zonder dat zijne levenswijs mij gronden van hoop op zijn geluk achterlaat, de andere wereld zie intreeden: eene huivering bevangt mij bij de nagedachte over zijn lot en ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat ik die alleen gevoel; dit fchijnt evenwel zoo; ernftige, godsdienftige denkbeelden fchijnen geen indruk op iemands hart te maaken ; de dood moge hier en daar nog zoo verrasfend, nog zoo geducht aanvallen; men moge een meelijdend : „ dit fpijt mij! " tot zijne lijkklagt maaken , niemand denkt daarop om uit zijn voorbeeld te leeren; en niemand wil beginnen met zoo te leven, dat hij eens gerust mag kunnen Herven; niemand wil in het lot van anderen een afbeeldzel van het zijne zien , tot hij, welligt onverwachts , het getal der ongelukkigcn zeiven vergroot : dc hevige zucht naar gewin , of naar zinlijk vermaak fchijnt hier alle edelere aandoeningen te vermoorden, en redelijke, voor een eeuwig aanzijn gevormde menfehen, tot onnadenkende wezens te verlaagen ; anders ware het onmogelijk, dat men alle de fpreekende bewijzen, die eiken dag, die ieder oogenblik, althans in deezen tijd, oplevert, dat het gezegde des bijbels waarachtig is: „ de mensch hoe vast hij fta, is enkel ijdel- „ heid ;  II. BOE K. $07 5, heid; immers woelenze iedelijk, men brengt s, bijeen, en weet niet wie het na zig neemen „ zal;" dat men die allen koel, en onverfehillig zou aanzien, en niet eens zou bezorgd zijn voor het verkrijgen van een goed, dat men bij het fterven niet behoeft achtertelaaten, maar dat meu kan medeneemen in de onftoilijke wereld : o ! mijn vriend! wat is de mensch toch als hij aan zijne eigene dwaasheid is overgelaaten ? een wroetende mol, een kruipende worm, die de verhevenheid van zijne natuur vergeet, en zig begraaft in het ftof; och! hoe dikwijls gevoel ik eene aandrift in mij, om mijne treurige gedachten hier over, met de trouw van eenen broeder, aan mijne meestbekende medemenfchen, vrien* den kan ik nog niet zeggen , medetedeelen , doch volg ik die aandrift eens op, dan krijg ik zelden antwoord, en men houdt mij, op zijn best, voor eenen dweeper. X V. Een ledig uurtjen doet mij de pen voor mij* nen Karei in de hand neemen ; doch de lust , de moed ontbreekt mij om ze te gebruiken: ik ben niet koel, niet onverfehillig voor u, beste vriend! eer beu ik, buiten u, buiten mijne moeder , voor alles onverfehillig ; een naare nevel V a be-  3o8 II. BOE K. bedwelmt mijne ziel; ik zie niets dan een zwart veifchiet voor mij liggen; eene fombere neCrflagtigheid drukt mij neder; met moeite zet ik mijne treden voord; daar ik een rustplaats vind, val ik neder, en mijn boek ligt ongeopend naast mij; de geheele Natuur, ja het leven zelfs grimt mij aan ; o! hoe gaarne zou ik in gerusten flaap alles, mijn aanwezen zelfs, dat ik tog zonder vreugde gevoel, vergeeten ! o ! Karei! als de flaap des doods mij deezen matten rusttrek eens vervulde , en het graf mijn kommerloos leger wierd 1 — o! dan zal ik alle onrust vergeeten; misfehien is dit wel de laatfte brief, die gij van mij krijgt ; die gedachte maakt mijn gevoel wakker; zoo dit dus weezen mogt , vaar dan wel, dierbaare vriend! tot wederziens, boven de ftarren! X V I. Eindelijk kan ik de pen , die zoo veele weeken in rust lag , weder opneemen , om met een zwakke ziel, en een nog zwakker ligchaam, mijn volle hart aan mijnen Karei te ontlasten: nog, mijn Karei ! o ja ; ik bewoon nog hetzelfde moederland, dc aarde, met u, en de leeme hut is nog mijn verblijf; maar een vreeslijke ftorm heeft haar zwaar gefchokt, en doen kraaken, ik  II. BOE K. 309 ik dacht dat zij inftorten, en mijne ziel in de vrijheid geraaken zou; maar neen,mijn vriend,God's wijsheid vond beter dezelve weder opterichten, en te ver Merken : och ! mogt het zijn om dat mijn ziel nog meer voorbereid zou worden voor de wereld der geesten ! mogt het zijn om meer te lecven als een die zijneonftervelijkheid gevoelt, en gelooft dat de mensch als in een beeld wandelt , en dat zijn leven een hand breed gefield is. Ach! waarom vergeeten wij die waarheid zoo dikwijls ? waarom maaken wij tog, zelfs te midden van onze gewaarwording dat het leven moejelijk en vol ellenden is , geduurig nieuwe plans , als of het eindeloos duuren zoude ? hoe klein , hoe nietswaardig komen ons toch alle die plans, alle woelingen der menfchenkinderen, alle onze eigene bedrijven, alle onze eigene bedoelingen, in zoo verre zij aan het oogmerk onzer waare bestemming niet bevorderlijk zijn, dan voor, wanneer wij gewenkt worden om de aarde te verlaaten, en de eeuwigheid voor ons zienl Aan den ontzachlijken oever van dien geduchten ftroom ftond ik, Karei! ik ontzettede mij; ik zag naar u om; maar nergens, nergens vond ik eenen vriend om mij te troosten , en moed inteftorten ; en meer dan immer had ik dien noodig om mij eenen zekeren weg aantewijzen, V 3 en  3io II. BOEK. en mijne fchreden te bcftuuren: door de bedwelming der krankheid was alles verward voor mijn gezicht; het ruwe denkbeeld van dood en eeuwigheid was voor inij , maar geen eene troostrijke gedachte, die een christen bij zijnen dood voeden mag, was mij helder; ik was angftig en akelig; de moed ontzonk mij bijna, doch niet geheel: deeze akelige verwarring duurde niet lang; neen, de liefderijke Verlosfer, die vriend die te aller tijd lief heeft, die in alle lijden der menfehen ervaaren , eens wist wat het was van zijne vrienden verlaaten, alken een bangen ftrijd te ftrijden ; die liefderijke Verlosfer wilde niet gedoogen dat de angst mij overmeesteren zou! in den grootflen nood ftond Hij mij bij, en gaf mij kracht om in hem te gelooven; ik zag Hem voor mij als die den dood had overwonnen , en dc eeuwigheid tot eene veilige have van zalige rust voor de zijnen gemaakt had; genist op zijn geleide , was ik bereid, om die intczeilen , en cene wereld te verlaaten die buiten mijne dierbaare vrienden, niets aantrekkelijks voor mij had ; toen gevoelde ik de volle kracht van van alphen's fchoone ode aan Christus, dien wij zoo menigmaal met verrukking lazen : Mijn zangfter! zing dien held , die zig als God laat vinden Waar ons de mensch begeeft, waar ons 't heelal verlaat, Pk van zijn'zetel flapt in 't flerfmir van zijn vrinden, En bij hun krankbed ftaat. Msar  lts BOE K. 311 Maai' wie, wie ziet U daar ?... alleen die ftervende oogen... Gij onderfcheidt die taal die flechts door zwijgen fpreekt: Uit elke zucht en (hik, hebt gij alleen 't vermogen Te leezen wat men fmeekt. Gij fpreekt die dervende aan, en ze andwoordt op uw vraagen, Zij fcent u,dien ze 'teerst thans met haare oogen ziet: Zij hoort naar u alleen, en luistert naar het klaagen Van haare vrienden niet. Gij lonkt haar vrïendlijk toe, en zij verflaat dit teken; Bewustheid van geloof verjaagt den bangen fchrik: Zij wenkt den dood, die op uwe aankomst fcheen geweeken, En geeft den laatft»n fnik. 't Gordijn des tijds valt neêr,en 't rijk der eeuwigheden Vertoont zig in 't verfchiet: het doodsdal lacht haar aan, Zij vliegt in uwen arm, en fchroomt niet meer't betreden Dier onbekende paên. Zoo vertrouwend kon ik in de armen van mijnen Heiland vlugten , en vond mij daar geheel veilig ! doch mijn lot veranderde ; 't gordijn des tijds viel nog niet voor mij neder : God riep mij weder in het leven terug; ach! ware het om een getuige te weezen , dat alle zijne paden goedertierenheid en waarheid zijn ! en waarlijk, als ik aan mijne moeder denk, hoe V 4 zeer  312 II. BOE K. zeer wordt dan mijn' nieuw leven mij een weldaad! o.' had die ongelukkige vrouw, bij alle haare rampen, die nog moeten lijden, dat de zoon van haar hart flechts daarom haar verlaaten had om in eenen vreemden oord, verre van haare hulp verwijderd, te fterven, 'zonder haar iets anders dan eene enkele aflcheidsgroete achtertelaaten — zij had bezweken ! Hoe hard viel het mij reeds zoo veel pijn en afmatting te lijden , zonder dat haare lieve hand, die mij in voorige krankheden zoo veel onderfteuning en moederlijke hulp bezorgde , mij nu eenige verligting kon toebrengen ! hoe' hard viel het mij den troost te misfen , die de meewarige blik van eenen tederen vriend , die de druk van zijne trouwe hand aan het lijdend hart inftorten kon , en mij zoo geheel aan de zorg van vreemden, ongevoelige vreem, den, die mij welligt alleen uic eigenbelang oppasten, overgelaaten te zien; aan wicn ik geen ééne gedachte, geen ééne mijner jongde gevoelens, geen klagt, geen hoop kon mcdedeelen ! Verbeeld u, Karei! wat mijn krank bezwijkend hart, in het vooruitzicht van de wereld te verlaaten , zonder déne llervensgedachte, zonder één hartlijk vaarwel aan mijne vrienden te kunnen achterlaaten,lijden moest! dit kunt gij u zeker niet voorflellen zonder dat een traan van nagevoel in uwe oogen zwelt — o! hadde ik zulk  II. BOE K. 3i3 zulk eenen traan mogen zien! hadde uwe vriendfchaplijke blik maar ééne draal van troost in mijn hart gefchoten! de vreugde zou dan herleefd hebben, en mijn fmachtend hart meer verkwikt , meer geneezen zijn , dan door de beste medicijnen. Hoe menigmaal wenschte ik om u maar één oogenblik te zien, maar zoo lang dat ik u zeggen kon hoe zeer gij mij in mijne jongde Óögënblikken dierbaar bleeft! hoe menigmaal wenschte ik mijne lieve moeder nog maar eenmaal, al ware het maar door een vrolijken blik van mijn dervend oog, te kunnen verzekeren, van mijne verwachting op een beter leven, en van mijne hoop op God's vaderzorg voor haar, in eene wereld, daar zij kinderloos achterbleef; en haar,bij mijn laatden fnik, te mogen zegenen en danken! doch dit alles wenschte ik vruchtloos ! en het afmattend hijgen naar dit onmogelijk geluk, vermeerderde mijne krankheid, cn bedwelmde fomtijds mijn verdand door treurige verwarringen ; misfehien is het dwaasheid; maar dit denkbeeld viel mij zoo hard; dat niet flechts een vreemde grond, ver van het ouderlijke graf, daalde beenderen van mijnen vader reeds rusten , daar de asch van mijne moeder eens zal verzameld worden, mijn dof befluiten zou, maar dat zelfs noch bloedverwant noch vriend mij daarheen voeren , of zijn oog ooit met eenen edelen traan V 5 den  5H II. BOE K. den heuvel bevochtigen zou, die de fpade van eenen gevoelloozen neger boven mij zou ophoogen; dat hij nooit, op eenen trillen avondflond daar bij zou nederzitten, om de reine vlam zijner vriendfehap, die dan in mijn' boezem,in de zuivere lucht der eeuwigheid, zoo helder brandden zou, te voeden; ja, dat ik, als vergeeten van de mijnen , als uitgewischt uit de geflachtlijst van mijne voorouderen in eene ongekende eenzaamheid , tot asch verteeren zou , terwiji geen gevoelig mensch ooit zou zeggen : „ Hier ligt „ een hoopvolle jongeling neder , en nie„ mand beweende hem !" misfehien was dit een grillige luim van een al te gevoelig hart, dat een onbedwelmde reden welligt overwinnen kan; doch in mijne ziekte was die gedachte genoeg in ftaat om mijne afmatting volkomen te maaken, en mijn lijden te verdubbelen; dikwijls viel mijn vermoeid hoofd met deeze bedenking in eene flaapgelijkende bedwelming, en ademde niet dan verwarring. Evenwel , ik wil niet alleen klaagen , lieve Karei J door God's onverdiende goedheid mag ik ook veel roemen ; ik werd bezorgd van mijne medemenfehen , en zelfs een ernftig woord, dat mijn vol hart ter waarfchouwinge ontviel, fcheen fommigeu toen niette misvallen : een jonge neger , dien ik nog onlangs gekocht , cn met de zachtzinnigheid die het me-  %. BOEK. 3*5 medelijden met zijn lot, en 't gevoel van zijne menfehemvaarde mij inboezemde, behandeld had, bewaakte mij met de hartlijkfte zorg 5 de liefde en de trouw waren getekend op zijn negergelaat — begeerde ik iet, dan vloog lrj} wei« gerde ik hein iet , dan ontrustte hij zig; dikwijls kwam hij aan mijn bed, terwijl zijne houding , zijn Harend oog, dat alle mijne bewegingen, dat het zwoegen van.mijnen adem waarnam, mij den onrustiger, kommer voor mijn leven uitdrukte: meer dan ééns vroeg hij mij, in zijne taal: „ Hoe hebt gij 't meester?" en was dan mijn antwoord hem niet hoopend ; zeide ik: „Violet! ik ga fterven, en dan zijt gij vrij:' ochTdan rolden groote, milde traanen uit zijne oogen, die mij zeiden, dat hij liever mijn leven dan zijne vrijheid verkoos: hoe dierbaar waren mij die traanen ! welk een edel hart klopt 'er in deezen jongen! - zie daar dan een mensch die mij belangenloos bemint: o! hoe veel is hij mij waard' ! hoe zoet is mij de gedachte dat in mijn' dienst het verlies van zijne vrijheid hem'niet ongelukkig maakt! ik deed eene plechtige gelofte, dat ik, wanneer mijn leven gerekt wierd, geene moeite onbeproefd zou laaien om het verftand van deezen goeden jongen te verlichten , en zijn hart met waaren godsdienst, de eenige bron van alle geluk, bekend te maaken: dit voorneemen wordt in mijne groeiende beterfchap fterker, en ik hoop het te ' vol-  3 ió II. BOE K. volbrengen : ik gaf hem gisteren een gefchenk, tot erkentenis van zijne trouw; mijn hart neemt belang in den jongen; hij is mij, in zeker opzicht, een vriend; en nu, na zoo veel fchrijvens, leg ik de pen neder, en zink mat op mijne kanapé neder ; mijn hart klopt , mijne hand beeft: is het zwakheid ? of is het de zoete bewustheid dat ik mijn hart weder aan mijnen vriend ontfluit? — welligt beiden. XVII. Bemind te worden , en te beminnen , is tog waarlijk eene behoefte voor een gevoelig hart; wanneer dit hart dierbaare voorwerpen , die het vervullen, misfen moet, dan hecht het zig aan kleiner, en dan krijgen geringe, bij andere welligt ongeachte wezens eene aanmerkelijke waarde voor het zelve: daar ik geen moeder, geen' vriend, noch iemand in wicu mijn hart heel veel belang neemt, rondom mij vind, daar is mij de liefde van den vreemden neger onuitfpreekelijk veel waardig ; en zelfs de trouw van mijnen Cheri is mij dierbaar: och ! hoe veel heeft dit goede fchépTel met mij geleden! de droevige oogen, de klaagende toon , waarmede het zijn medelijden omtrent mij fcheen te willen  II. BOE K. 3'7 l«i uitdrukken, wanneer hij, met zijne beide pooten aan het bed (baande, mij aanzag, roerden mij dikwijls; maar het geen Violet mij naderhand van hem berichtte nog meer: denk eens , Karei I hij wilde zig geen oogenblik van mij verwijderen; en, om mij dan door zijne tegenwoordigheid niet lastig te zijn, lag hij meesttijds in eene moedelooze mijmering, met den kop op zijne pooten leunende, onder mijn ledikant, en fcheen daar het lot van zijnen meester te willen afwachten ; geen zijner gewoone genoegens wilde hij genieten, terwijl ik leed ; hij at niets, maar vertoonde door zijn geftadig drinken de angst, die hem om mij bezielde ; en waarlijk, zijn lot maakte mij fomwijl al mede droevig; ik verbeeldde mij hoe dit goede, trouwe dier, na mijn verfcheiden, verlaaten kwijnen zou; hoe niemand zijne trouw loonen, hoe hij mij overal zoeken, mijn afzijn beklaagen, en eindelijk op mijn graf zijn fterfplaats vinden zou: o! lach niet, Karei! met deeze hondeüjke vriendfehap l gij moest eerst een vreemdeling geweest zijn, en in een' hond een' reisgenoot,ja dikwijls een trouwen befchermer gevonden hebben, om mijne gewaarwording voor Cheri te kunnen beoordeelen : gij weet tog dat ik nooit een laffe dweepachtige jonge was,die op overdreevene gevoeligheid, of het zoogenaamde fentimenteele eenigen prijs ftelde: maar, wars van alle verwijfde tederhartigheid, was man-  3j8 II. BOE K, manlijke kloekmoedigheid, altijd mij in den jonge* ling , bekoorelijk ; doch natuurlijk uientcheugevoel, al ware het omtrent geringere voorwerpen, heb ik even zoo zeer, als wezenlijk den adel van onze natuur vergrootende befchouwd, en in mij opgekweekt; hoe uitgelaaten was zijne vreugde toen ik de eerfte keer het bed verliet! hij likte mijne handen — kwispelde met zijn' ftaart; en ilueg , met onafgewende oogen, alle mijne beweegingen gade — ffingerde het zoo lang door hem geweigerde brood,uit mijne handen gretig in ; volgde mij , toen ik over de kamer wandelde, langfaam na, en werd , met mijne beterfchap, allengs weêr vatbaar voor zijne voorige vreugde .-zeker, ha Jdet gij dit alles gezien, Karei! dan zoudt gij mij voor ondankbaar houden, wanneer ik minder prijs op de trouw van dit goede dier Helde, en als ik ook om zijnentwil niet blijde ware met mijne hcrftelling • ondankbaarheid was juist nooit een trek van mijn karakter; zou ik dit dan alleen voor den verdienftelijken Cheri zijn? met wiens gemis een zeer groot deel van mijn Americaansch geluk fterven zou? , hat mv edd hm ^ ^ woorden. Mijne gezondheid groeit van uur tot uur a-n en zal, hoop ik, wel rasch zijne voorige fterkte bekomen ; mijne ibinbere zwaarmoedigheid is geheel verdweenen ; mijne krachten beginnen fris- feher..  II. BOE K. 3*9 fclier, en mijne beweegingen ligter te worden; de dampkring, waarin ik adem, fchijnt geheel onbeneveld , even als de zwoegende en fmachtende Natuur', na een zuiverend onweer, en na eenen koelenden regen , op nieuw herleeft; even als het glanzende loof, en de geurige bloem,die den wandelaar verkwikking toeademt , zoo ben ik; mijne lcvcnsfappen beweegen zig evenrediger ui hunne buizen ; het bloed vloeit fneller door mijne aderen, en welhaast neem ik mijne bezigheden weder bij de hand,en hoop door verdubbelden ijver mijne fchade te vergoeden. O! wat is God goed omtrent mij! hoe veele 'fterke jongelingen vielen aan mijne zijde, en ik werd weder opgericht , en mijne jeugd als vernieuwd! o misfehien, Karei! om nog eens, weenend , aan uwen hals hangende , te zeggen^: 0! God! ik dank u voor zoo veel vreugde. XVIII. Hoe zeer is het gelaat der Natuur in den tijd van mijne krankheid veranderd! de regen, die intusfehen is gevallen , heeft haare heilzaame werking, aan het geheele plantenrijk doen gevoelen ; en deszelfs dorre en kwijnende gedaante is geheel verjongd en vrolijk ; het groen der vel-  320 IL BOE K. velden en der boomen is levendig en versch; elke boom, elke ftruik, vertoont nieuwe bladen • zijne bloefems ademen geuriger, en zijne vruchten groejen zichtbaar; de lucht is koel, de dampkring ligt; de winden die hem fchudden zuiverend, de hemel is bedekt met dikke befchaduwende wolken, die zig telkens in regenftroomen ontlasten ; de zon, die 'er nu en dan door heen breekt, is nu verkwikking. Op eene rustige kanapé zit ik aan het open venfter, waar niet dan frisiche geuren, met elk koeltjen binnenwaajen; een mild Banaan-bosch ligt voor mij; verfchcidene fchoongekleurde vogelen , zweeven voor mij heen, 0f rusten op de ' takken van een nabuurigen vruchtboom uit, en eeten van zijne vruchten: tot mijne gewoone' bezigheid , of langduurige infpanning is mijn hoofd nog niet gefchikt, maar hier, op het voor mijliggend eenvoudig tooneel te ftaaren; terwijl mijn ligchaam rust, mijne oogen onvermoeid op dit zachte groen , en al de verfcheidenheid die het oplevert te laaten dwaalcn, daarop te rusten, en, terwijl eene dommelige matheid mij voor andere voorwerpen bijkans onvatbaar maakt, daarop alleen te hechten, en als te mijmeren, o Karei! dit is een lieve toeftand; dit is een wellustige rust: bij haar vreedzaam, van alle zorg en woeling ontbloot genot, gevoel ik dat de Natuur ook tot mijne verkwikking, zoo wel  II. BOE K. 321 Wel als tot voordeel van zoo veele millioenen wezens, zoo fchoon gefchapen werd; en , zonder dat mijn tong zig roert , ziet haar goede fchepper het lied van mijnen dank, in het gevoel van mijn hart , en in den traan , die in mijn oog beeft. Het leven is tog zoo ellendig niet, als wij ons in eene droevige luim dikwijls wijs maaken: men kan al zeer veel misfen, en nog veel blijven behouden: hij, die godsdienst bezit, en de Natuur genieten mag, hoe veel heeft die! niets kan ons heil dan ftooren: hoe dikwijls befchouwen wij met het ijsfelijk vergrootglas der zwaarmoedigheid, alle de rampen en ellenden die op de wereld woonen ; noemen haar een dal der traanen, een dorre woeltijn, een huilende wildernis , en weenen onze oogen rood , om dat wij daar ook al met een zwaar pak moeten doorkruipen , en hoe veele van die ellenden zouden de helft van haare akeligheid verliezen, wanneer wij die met een vrolijker oog bezagen! doch j helaas ! de ondervinding leert mij al te dikwijls dat zulks niet in onze magt is: en geen wonder; wanneer ons oog door traanen verdonkerd is, hoe kan men dan recht zien? en traanen , ja zeker , met deezen moet een gevoelig hart al zeer dikwijls zijn' weg befproejen; duizenden van ongelukken en verdrietlijkheden ontmoeten ons dikwijls; ons hart wordt fomtijds verfcheurd I. deel. X door  3»* ïï. BOE K. door gemis of lijden; die dit ontkennen wilde , moest zonder nadenken en gevoel wcezen; maar dit is ook waar, geheel ellendig is men maar zeer zelden: veeltijds is 'er zeker iet dat ons allergrievendst verlies verzoet , het lijden verzacht , dat allengskens de plaats van 't verloorene vervult, en de fmerten doet vergeeten: elke leeftijd , zoo wej ais elke omflandigheid, heeft zijn eigen lijden, en ook zijne eigene genoegens : in beiden weegt, wèl befchouwd, het goede doorgaans het kwaade over , en fchoon wij oneindig veel vruchtloos begecren, genieten wij ook nog genoeg, om het leven, zoo als wij het flijten moeten, lief te hebben. Als kind was ons bedwelmd aanzijn doorvlochten met onfchuldige vermaaken; eene kleinigheid,een niet, kon ons geheele hart doen opfpringen; en zorg was ons, zelfs in de oogenblikken des weenens, onbekend; die lieve leeftijd gaat als een droom voorbij: in de jongelingsjaaren ontwaaken wij, en gevoelen ons aanweezen; met de groejende driften , wasfen onrust en fmerten, zoo wel als onze nieuwe genoegens op: de teleur gefielde, of alte gevoelige jongeling,moge in eene mismoedige luim de kindfche vreugde met traanen terug wenfehen, hij zal tog de bron van zijn geluk , die in de ontwikkeling van zijne zielsen ligchaams-krachten, voor hem vloeit, daarvoor niet willen verruilen: de zorgvuldige man vindt bij  IK BOE K. 323 bij alle de kwellingen , welke zijne dagen verdonkeren , tog ook ftille, voor zijne jaaren berekende genietingen rondom zig , en dc wegzinkende grijsaart vermaakt zig, met de nagedachten van het geene hij eens was, genoot, en bedreef; en even als een zeeman, die het zwervend fchip, dat hij, zat van reizen, verliet, op het ftrand naoogt, zoo ziet hij al het gevoel, al de vreugde des levens, voor zig voorbij, en wenscht die niet weder terug ; zijne rust is hem zoet, daar zrj juist beantwoordt aan zijnen moed en krachten ; alle de kleine genoegens, voor welke hij nog vatbaar is, doet de hoop hem nog lange in 't vooruitzicht genieten ; het zwarte gordijn des doods, dat zijn gezicht te veel bepaalen zou, fchuift zij weg , en op de grenzen van het graf, ziet hij dikwijls nog een gantsch veld voor zig. Zoo heeft elke leeftijd, zijne eigene genoegens en bezwaaren, en in ieder derzelven is het leven ons zoet; de liefde tot het leven bezielt doorgaands zelfs den meest ongelukkigen in de zwaarfte ellenden ; de afgemartelde lijder, wiens uitgeteerd ligchaam jaaren lang, met pijnen worftelde, verkiest nog dat doornig leger der krankheid, boven de rust des grafs: de kwijnende armoedige, die, met oude lompen bedekt, zijne fchamele hut uittreedt, om van de wreede barmhartigheden van anderen, het fobere brood der bedruktheid aftebedelen, X 2 ziet  3^4 H. BOE K. ziet het leven aaH als een gcfchenk , en wil het, ten koste van veel lijdens , zoo lang uitrekken als mogelijk is : niet dan in de naare oogenblikken van moedlooze wanhoop, wanneer het verdriet de krachten fchijnt overtewccgen, ziet de bedrukte mensch, den dood als zijnen verlosfer aan , en hij reikt hem de fmachtende armen toe ; terwijl eene kleine afwisfeling hem, welligt het volgende oogenblik, het leven weder verkiezen doet; en het is alleen in de hoogfte woede der hartstochten , die het verftand verwilderen, dat een mensch het leven veracht, en zijne fchuldige hand tot deszelfs vernietiging kan uitftrekken. Heeft die liefde tot het leven haaren grond in den fchrik voor den dood? misfehien daarin mede, doch zeker niet alleen; want ook zij, die na dit leven een veel beter wachten, beminnen het verblijf op de tegenwoordige wereld; is zij dan een uitwerkzel van de goedheid onzes Scheppers, die deezen trek tot het leven in ons hart inwerkte, om dat wij zonder denzelven niet beftand zouden zijn , voor alle de ellenden , welke zijne wijsheid hier op aarde voor veele van zijne menfehen bertemde? dit geloof ik, en dit denkbeeld is mij lief. Och! mijn vriend! hoe gaarne wenschte ik dat dit gevoel , dat het leven ook voor niet gelukkigen  II. BOE K. 325 kigen nog veele vreugde heeft, altijd zoo levendig in mij ware als thans! ik zou dan dikwijls niet zoo moedloos naar een beter verlangen, hier meer met een ftille rust mijn pad bewandelen , en intusfehen in de uitoefening der pligten, welke de voorzienigheid van mij vordert, en in de ontwikkeling van alle mijne krachten, mij daarvoor zoeken toetebereiden , cn al poogen te worden wat ik kan worden, om op meer zaligheid aan geene zijde des grafs te kunnen hoopen. Het is tog waarachtig dat niet ons lot, maar de gefteldheid met welke wij het draagen, ons het leven tot een woeftijn of tot een eden maakt: hij die zijne begeerten fchikt naar zijn lot, en gelooft dat het zijn waar geluk bevorderen zal; 'die ervaaren is in de zalige kunst om altijd wel te vreden te zijn, die is nooit ongelukkig; maaibij vindt overal het geluk rondom zig , daar zelfs , waar een ander het nooit zoeken zal ; een boom , een ftruik , een plantjen, ja het kleinfte grasjen dat door den adem des winds beeft, het diertjen dat daar over kruipt, en het daauwdropjen dat opzijn fpigtig topjen trilt, honderd kleinigheden , welke anderen niet eens in 't oog vallen , zijn voor hem bronnen van ftil genot: geen woeftijn waar zijn pad doorheen kronkelt , is zoo dor , of voor hem murmelt, bieten daar, een fmal beekjen dat hem laaft: de distel X 3 die  326 II. BOE K. die voor zijne voeten opfchoot, maakt hem niet verdrietig, om dat een fchoon bloemtjen aan zijnen top bloeit en zijne oogen ftreelt; o! Karel! waarom zijn wij allen , waarom ben ik niet altijd zoo wèl te vreden, als God, als de Vader van onzen Verlosfer wil dat wij op zijne goede gezegende aarde zijn zullen? waarom verdonkeren wij door moedlooze klagten het fchoone van zijn werk , cn de mildheid zijner weldaadigheid , van welke elk fchepfeltjen juicht? Hoe zalig is die mensch, die, met een opgeruimde ziel, al het goede geniet dat hem omringt; alle de bloemtjens gieriglijk inzamelt die God op zijnen weg doet groejen, en met een dankbaar hart altijd zegt: „ het leven is tog zoet;" en dan evenwel 'er niet te veel aan verknocht is, maar gereed blijft om, op den wenk van zijnen weldoener , dit weder vrolijk vaarwel te zeggen voor een nog oneindig zaliger leven , waarvoor hij zig hier heeft toebereid? o! mijn vriend! welk een rustig leven! welk een zalig fterven! dit is menfehengeluk! — God fchenke het ons! XIX.  II. BOE K. 327 X I X. O! Karei! hoe blijde ben ik, niet alleen om mijnen, maar ook om zijnen wil, dat de goede Violet in mijne handen gevallen is, daar hij ten irimfteh het ongeluk dat hem trof, merkelijk minder dan elders gevoelt; hoe hard was het lot van den braaven jongen, tot hier toe! dat zult gij met mij gevoelen wanneer ik u deszelfs treurige verwisfeling mededeel. Ik begin de negertaal nu magtig te worden, en heb mij daarin met Violet, die mij dikwijls in mijn kamer bezocht, al fpreekende geoefend: ik vroeg hem naar zijne voorige levensomftandigheden —■ zijne ouders — zijn Land; en uit de ongekunftelde natuurlijke antwoorden op alle die vraagen, kan ik u dit kort aaneengeschakeld verhaal mededeelen , dat u, zoo wel als mij, met eenen fpreekenden traan in uwe oogen zal doen zeggen: welk een hardheid! ! Hij is de zoon van een welgegoed Africaan; woonde aan den oever van de rivier Senegal; zijne ouders waren rijk in kudden, die de vruchtbaare weiden in de nabuurfchap van hunne wooning afgraasden; zij bebouwden zoo veel iands , als zij tot gerief van hun talrijk gezin X 4 noodig  32S Iï. BOE K. noodig hadden; doch nimmer behoefden zij zig flaafsch aan eenen hardfn arbeid ovcrtegeeven , daar de dankbaare grond hunne minde moeite met eene milde vruchtbaarheid beloonde; hunne eenvoudige f maar vreedzaame hutten, ftonden in de fchaduw van grijze Cocos- en andere hoornen , en onderlinge vrede en het ftil geluk woonden in dezelven : liefde, door de Natuur gewrochte ; en door geene voorfchriften geleide liefde, verbond onderling hunne harten, en zij waren gelukkig door eenvoudigheid : in deezen rustigen levensftand, had Violet omtrent den ouderdom van tien jaaren bereikt, en zijne kindfche dagen waren, in vollen nadruk, ja kommerloos genoegen weggevlogen, toen hij, geheel onvoorbereid voor zijn volgend ongeluk , een gantsch ander lot ondergaan , en , te midden van zijne vrolijkheid , met anderen zijner fpcclmakkers, het rampzalig offer van wreede roofzucht en helfche gierigheid worden moest. Het was op eenen zeer hecten dag , zijne moeder was met zijne ouder zuster naar hef land om Mais te plukken, zijn vader was met twee van zijne broeders op de jagt ; hij alleen, cn een nog jonger broeder , waren bij de hut gcblecycn , en vermaakten zig in" het fpeelcn onder den lommer der hooge boomen, die voor dezelve ftonden, tot zij, geheel verhit yan hunne vreugde, de koelte van een bad gin- gen  II. BOE K. 329 gen zoeken: juist niet ver van hunne woning verwijderd vloeide een fmalle rivier, met kronkelende bogten , door hunne gezegende landftreek: de bewooners derzelve gingen zig hier dikwijls baaden ; en nu kwamen deeze vrolijke fpeelmakkertjens hier ook verkwikking en koelte zoeken: naauwlijks waren zij hier gekomen, of een derkgefpierde , affchuwlijke neger , die tot eene andere natie dan zij feheen te behooren, en wiens haatelijke gelaatstrekken hen deeden fidderen , naderde hen, nam Violet en zijnen broeder onder zijne armen : terwijl het jong gezelfchap hen angftig nagilde, en het geroofde broederpaar dit met een droevig gefchrci beantwoordde , fneldc deeze wreede mcnfchen-rover , voldaan over het wèlgelukkcn van zijn haatclijk doel, en gejaagd door eene angftige fchuwheid, met deeze onnozel verraschte kinderen, als een blikfem voord, voerde hen door digte bosfchen en akelige kronkelpaden langs geheel onbekende wegen, heen, tot zij, in den avond, aan eene zeer afgelegene eenzaame Neger-hut aankwamen, om daar te vernachten: hier hoopte!, zij eenen bekenden, ten minden een mensch tb vinden, die hun ongeluk bejammeren , en hen weder tot hunne ouders voeren zou ; maar een zeer ijdele hoop ! de bewooner deezer hut was gewoon aan die tooneelen , en deelde zelf iu de voordeden, welke deeze fnoode roverij bezorgde : de morgen van een nieuwen éii verX 5 rees  33° H. BOE K. rees naauwlijks, na een zoo troostloozen nacht als deeze knaapjens nog hun leven lang niet gekend hadden , of het gevoel van hun ongeluk, dat zij in de bedwelming van eenen akeligen droom, mogelijk half vergeeten hadden , verrees op nieuw, om hen geheel wanhoopig te doen worden; het monder dat hen van gelukkige kinderen in rampzalige (haven herfchapen had, was onbeweegelijk voor hunne klagten , voor hunne traanen, voor hun vleien, en vervorderde zijnen weg door geheel onbekende toepaden , en zwarte bosfchen, tot zij eindelijk aan een zeedrand kwamen waar zij de mast van een fchip zagen rijzen • het was een flaavenhaalder, aan wiens godloozen opzichter zij verkocht, en wiens eigendom zij zoo onrechtvaardig als wreed werden , terwijl hun droevig ongeluk hen hoe langer hoe ijsfelijker aangrimde: nu werd de donkere kuil van dit fchip hun onrein verblijf, of liever hun akelige kerker; en hier vonden zij reeds eene verzameling van ongelukkigen , die , op deeze of op eene andere onrechtvaardige wijs, van hunne vrijheid beroofd, hier gekomen waren , hun lot vervloekten, en hijgden naar den doo'd: en het getal dier ongelukkigen groeide nog dagelijks aan, tot eindelijk de menigte zoo groot werd, dat hun verblijf, door gebrek aan ruimte door benaauwde hitte en onreine uitwaasfeming', hun tot een dinkend graf werd, waar zij het lot van het vee dat hun vader bezat, duizend-  II. BOE K. 33» zendmaal benijdden: nu gevoelden zij al het gewigt van hun rampzalig noodlot met eene ondragelijke kracht: hoe verder zij zig verwijderden van hunne vaderlandfche kust, des te meer groeide de kinder- en broeder-liefde in hun hart aan, en het terug denken aan hunne vreedzaame hut, ftille landhoeve, en de droefheid van hunne beroofde ouders, martelde hen nog veel meer dan de wreede behandeling welke de ontmenschte gierigheid des Capiteins hen deed lijden. En verbeelden wij ons de akelige fmart deezer ongelukkigen , die zoo eensklaps uit hun vreedzaam kommerloos leven in de zwarte diepte van zulk een vertwijfelend noodlot nedergezonken waren; die zig van alles beroofd vonden , wat hun hart dierbaar was , en van alles omringd wat hen deedt lijden, en griefde; geen wonder zeker, dat zij, meer dan ééns, eene poging deeden om zig zeiven van het hun haatelijk geworden leven te berooven; de zee bood hun hiertoe gelegenheid aan ; zij wilden zig in dezelve nederftorten; doch de wreede Capitein bemerkte dit voorneemen ; hunne boejen werden verzwaard, en men bewaakte hen naauwkeuriger: wanneer zij, door verdriet of angst , of door afkeer van de Hechte fpijze welke men hun aanbood , voedzel weigerden, dwong men hen met dagen tot eeten, op dat zij zig niet mogten dood hongeren: zoo handelden menfehen met  33- tf. BOE K. met menfehen! wiens hart krimpt niet in één van akeligheid? en nogthans doet de leyendigfte in de plaats ftelling ons maar zeer ilaauw gevoelen wat deeze ongelukkigen zelvcn leeden. En wat zullen de van kinderen beroofde ouders gevoeld hebben! hoe veel fmart zal de, van haaren akker thuiskomende moeder, hoe veel l'pijt en woede den van zijne jagt weêrkeerenden vader , die welligt over zijnen voorfpoed verblijd was, het hart doorpriemd hebben, toen zij de hut ledig vonden , en toen de achtergeblevene fpcelmakkertjens hun berichtten van liet lot hunner kinderen I hoe angftig zullen zij gezocht, hoe medelijdend hen beklaagd hebben! hoe veele traanen van jammer en liefde zullen in die hut gevloeid zijn, op de grievende voorflelling van her harde lot deezer ongelukkige kinderen! Maar wat zegt al die fmart nog bij het lijden van de ongelukkige broeders, toen zij , na eenen akeligcn overtogt,in den doodsbenaauwden kerker , het vreemde Land naderden , waar hun flaaffchc arbeid eerst recht beginnen zou, en dat zij met zoo veele bange zuchten tegengilden! toen zij bier, evenals dieren, maar met minder barmhartigheid, te land gefkept , door eene menigte nieuwsgierige oogen , uit welke geen enkeldc ftraal van medelijden ('choot, bezien , van wreede handen betast , en aan den meest-  II. BOE K. 353 meestbiedenden verkocht werden ; toen het ongelukkig lot deeze goede kinderen , Violet en zijnen broeder, die in elkaêrs genegenheid nog hunnen eenigen, fchoon zwakken troost vonden, wreed vanéén fcheidde , en hen , in weerwil van de vuurigfte beden, om bij elkander te mo«ren blijven , wreed , aan geheel verfchillende meesters deed te beurt vallen, die hen zoo ver vanéén verwijderden dat zij nooit weder iet van den anderen hoorden', onbegrijpelijke wreedheid! en zij die dezelve bedrijven, heeten Christenen! Violet viel eenen redelijk goeden meester in handen, die, fchoon hij ongevoelig ware voor zijn ongeluk , hem evenwel zijnen zwaaren arbeid met genoegzaam voedzel beloonde: vier jaaren fleet hij in zijnen dienst, die hij niet alleen wegens eenen moejetijken arbeid, waartoe zijne jeugd niet was opgeleid , maar meer nog door een verborgen lijden , door een fmachten naar zijn vaderland , zijne ouders , zijne hut, zijne broeders en zusters, en door de onkunde van het lot zijns medeongelukkigen broeders, als zoo veele eeuwen wegkwijnde. Doch nu, zedert hij mijn eigendom geworden is , gevoelt hij zijn lot onbegrijpelijk verzacht; en zijn lijden verdwijnt nu hij een hart vindt dat 'er gevoelig voor is, belang in hem neemt, en dat , fchoon hij zijn meefters, echter ook zijne  334 11 BOE K. zijne menfchen-waarde gevoelt; dit verzoent hem met zijn noodlot, en hij wordt weder vatbaar voor vreugde: die goede jongen! dit alles zeide hij met een gelaat, dat zoo veel oprechtheid als edelheid van gevoelens vertoonde: waarlijk deeze jongen, al is hij Haaf en ik Heer, kan mij in mijne vreemdelingfchap eene ver' zachting geeven , en mij eenigzins tot eenen vriend worden; hij kan ten miuften een enkel bloemtjen van genoegen op mijn eenzaam pad ftroojen; dit is reeds veel voor mij, en dit zal hij vooral doen, wanneer het mij gelukken mag zijn verftand meer optehelderen , en hem denkbeelden van den waaren Godsdienst te geeven, die ook Negers gelukkig maakt; met hem ten minften zal ik op eenen voet kunnen omgaan , zoo als men fchaars met Negers doen kan, wil men den toom des gezachs niet uit de hand verliezen, en van onderworpene flaaven geene rebellige wreekers van hun onrecht maaken: 'er behoort wijsheid toe, zegt men, om recht gefchikt met deeze wezens omtegaan, en hen onder gehoorzaamheid te houden ; en dit geloof ik wel; maar wie kan deeze ongelukkige, deeze mishandelde menfehen veroordeelen, wanneer zij poogen hun hard juk aftefehudden, en het recht te herneemen, dat de Natuur ook aan hun fchonk, de vrijheid? ik zeker niet! Op dezelfde of eene andere even zoo noodlottige  II. BOE K. 335 tige wijs als Violet en zijn broeder , worden millioenen vrije Negers tot flaaven; dit doen Christenen, die zeggen den Godsdienst van Jefus te eeren, en den rechtvaardigen God verbrijzelt hen niet, door den donder zijner almagt ! o ! wanneer zullen belijders van het Euangelium des vredes eens ophouden, geweld en verwoesting in de menfchen-wereld te zaajen ? wanneer zullen 'er zachtere tijden voor deeze onderdrukte volken verfchijnen , en zij ademfcheppen van de mishandelingen, welken men hun doet lijden ? o ! komt gelukkige eeuwen, waarin menschlijkheid en recht heertenen! verrijs, edele vrienden der menschheid, die door uwen invloed het recht der volken befchermen kunt! zaait geluk onder menfehen, en vernietigt de flavernij. X X. Welke eene aangenaame omwending in mijn lot, lieve Karei! had ik mij dit durven voorftellen dat mij in 't Land mijner vreemdelingfchap zulk eene weldaad zou te beurt vallen? ik rekende ten minltcn nooit anders , dan door den langduurigen arbeid mij den weg te zullen moeten baanen tot dien zegen: dien zegen, zeg ik, maar die is nog verre af en onzeker! dit zelfs zou  83<* II. BOE K. zou mij tot een ongeluk worden kunnen i doch wanneer zulke eene onverwachte gunftige omftandjgheid, mij verder nog niets goeds zou doen hoepen, dan moest ik Reinhart niet zijn. Mo gelijk, zoo denk ik nu, dat de God mijner ouderen , door eenen dubbelen voorfpoed aan hunnen zoon te geeven , hun alle de rampen vergoedt, welke zijne wijsheid hun liet overkomendeblijdfchap ten minften tekent mij die aangenaa'me beelden voor mijnen geest — doch laat ik 'u bedaard vernaaien wat eigenlijk haar voorwerp is. Ik ben de eigenaar geworden van een aanzienlijk (tuk Lands, mij door eenen vriend geichonken: dit leezende , flaat gij uwe heldere oogen wijder open j de hartlijkfte blijdfehap iclnet 'er, onder de verwondering , welke daarin fpreekt, ftraalen uit, en gij juicht mij,, geluk'" toe: ik zelf Karei.' ik ben geheel verwondering — ik fta als verftomd, en de traanen van dankbaarheid en vreugde die langs mijne wangen rollen, en mijn ten hemel geOagen blik vraagen Hechts: wat zal ik God vergelden? maar hoor, heve Karei! de kleine gefchiedenis van mijne opkiemende voorfpoed: o! mogt dezelve tot eenen lchooncn boom opgroejen , onder welks fchaduwrijke takken mijne dierbaare moeder eene rustige zegenvolle grijsheid genieten mogt' dit geeve de hemel! en gij, goede Karei! gij wenscht dit met mij.' Ge-  II. BOE K. 337 Geheel van mijne ziekte herfleld, volbragt ik eene lang uitgeftelde reis naar eene afgelegene Plantage, die de Heer **** mij had opgedragen; van alle de kleine genoegens die mij op dit reisjen ontmoetten;van den aangenaamen invloed dien de geheele Natuur en alle. de verwisfelende voorwerpen , op • mijn geheel gezond , verfrischt ligchaam , en mijne nu ook vrolijker ziel hadden ; van het ftreelend voorgevoel van een toekomftig geluk, dat mij zoo aangenaam om het hart trilde , van dit alles fpreek ik thans met; het doet niets tot de zaak ; ik moet u flechts den planter van La bonne efptrance , die bij den eerflxn aanblik door zijne interesfante phifiognomie mij geheel innam, doen kennen; zulke edele menschlievende gelaatstrekken , zulke oogen, waaruit zoo veel goedheid en hulpvaardigheid ftraalden, een zoo fchrander voorhoofd, met één woord, een mensch, wiens geheele houding en gelaat zoo veel betekenden, had ik op deeze geheele kust niet gevonden; mijn hart vloog den onbekenden tegen, en eer mijn mond hier iets van zeide, verraadden mij mijne oogen, die, ftaarende op hem blecven hechten even of zij zeggen wilden: „Hier vind ik eene edele ziel;"en waarlijk , ons gevoel was wederkeerig; hij had geen minder welgevallen in mij , dan ik in hem; zijne gulhartige taal, houding en benaaming, alles verzekerde mij hier van; en in de vorfchende blikken die zijne fpreekende oogen telkens op mij I. deel. Y wier-  338- II. BOE K. wierpen, las ik de vraag : „ Jongeling wie zijt gij ? " Na eenige onverfchillige gefprekken gewisfeld, en aan het oogmerk van mijne komst voldaan te hebben , werden wij allengs guller en gemeenzaamer, en het discours interesfanter: eindelijk verhaalde mij de goede m™: „ In mijne jeugd „ had ik eenen fchoolvriend dien ik zeer hart„ lijk beminde, doch wij moesten elkander te „ vroeg, helaas! verlaaten, om elk naar zijne „ ftad wedertekeeren! zijn verblijf was te***het „ mijne te***; de verre afftand van die plaat„ fen deed alle verftandhouding tusfehen ons „ ophouden; dikwijls onderzocht ik naar hem , „ doch nimmer hoorde ik iet van zijn lot; „ maar hem vergeeten heb ik nooit " — dit zcide hij met vochtige oogen , Karei! — „ en „ gij , lieve jongen ! gij hebt zeer veele trek„ ken in uw gelaat, die de zijnen gelijken ; hoe ,, is uw naam? welke uwe geboorteplaats? wie is ,, uw vader ?" — ik antwoordde hem op alles, en het bleek waarlijk , dat mijn dierbaare overledene vader, die vriend was, dien ik aan deezen man herinnerde: welk eene wederzijdfche blijdfehap deeze ontdekking baarde, kunt gij u verbeelden , lieve Karei ! vooral wanneer gij u in de plaats ftelt, van den tot nog toe vriendloozen Reinhart: de braave Edelhart was blijde , den zoon van den geliefden fpeel- ge-  II. BOE K. 339 genoot zijner jeugd voor zig te zien ; en ik was het nog meer, in den edelen man, welken mijn hart zoo hoog fehatte, den vriend van mijnen vader, en nu den vereerder van zijne nagedachtenis te vinden, en door mijne gelijkheid aan dien vader zijne genegenheid tot mij te trekken : door al zijn belangneemend onderzoek geroerd, verhaalde ik hem de lotgevallen van mijnen vader, de tegenfpoeden, met welke hij lange jaaren geworfteld had , en die eindelijk zijne dagen geëindigd hadden ; ik verhaalde hem den toeftand van mijne moeder, en het oogmerk mijner reize naar dit gewest: edele traanen glinfterden bij dit bericht in zijne oogen, en een hart te vinden , dat dezelve kon weenen, was mij eene aangenaame fchat: ik gevoelde dat die man, in weêrwil van den afftand die de jaaren en het lot tusfehen ons Helden, mijn vriend was: wij fpraken nog veel over de wisfelvallighcid der wereldfche dingen;: over de ijdelheid van naarftigheid en vlijt, als een ongunftig noodlot ons tegenwerkt; over het fchoone van eerlijkheid en braafheid, ook dan, als zij ons nadeden berokkenen, en de voorkeur welke de lijdende deugd , boven eenen door onrecht verkregenen, of door naberouw verpesten voorfpoed altijd behouden zal: wij herdachten gebeurtenisfen, die voorbij zijn: al wat ik zeide, verftond hij, en elk zijner woorden toonde die edele denkwijs die zijn gelaat mij verfproken had. O! Y 2 hoe  340 II. BOE K. hoe zoet was het mij mijne zoo-lang opgeflotene gevoelens hier eens te kunnen lucht geeven, en iemand te vinden , die waarlijk belang in mij nam: de jaaren, de verouderende hichtftreek, mogen al het hevige vuur dat bij mij nog helder gloeit, in Edelharts boezem verdoofd hebben, de waare belanglooze vriendfehap woont daar tog , en zoekt bij hem zoo wel een gefchikt voorwerp om daarop te werken als bij mij — waarlijk ik verliet deezen man met moeite, vooral, daar ik geen' kans zag, hem zoo rasch weêr te zien, als mijn hart dit begeerde; want dat ik hem rasch daarna als mijnen weldoener zou wederzien , dit kon ik nog minder droomen : ik nam dan affcheid, door eene mengeling van aangenaame en onaangenaame aandoeningen geroerd, hij gaf mij zijn heufche hand, drukte de mijne vriendfchaplijk, en beloofde mij aan dezelve zijne beste hulp, in de bereiking van mijn oogmerk: ik, aangemoedigd door deeze belofte, ging vrolijk terug , en dankte den Hemel zeer hartlijk voor deeze ontmoeting , die, zonder alle aangenaame gevolgen, voor mij een wezendlijke weldaad zou geweest zijn. Maar hoe veel meer werd zij dit toen ik veertien dagen daar na dit brief jen van zijne hand ontving! lees het affchrift, Karei 1 en gevoel hoe uw vriend bij deszelfs ontvangst moest te moe ■ de zijn: „ Ik  II. BOEK. S4* • Ik heb' een ftuk gronds, tot een Catoenplantage gefchikt , en reeds gedeeltelijk daar- liiden van derzelver voorigen bezitter, bleef l zij toevallig eenigen tijd onbewerkt en aan & zelve overgelaaten, liggen, en zal daarom " een dubbelen arbeid vorderen; doch aan ijver " en moed zal het u niet ontbreeken: twaalf " ne(rers om U daarin behulpzaam te zijn, " zult gij'bij mij vinden: door vlijt en overleg " met God's zegen gepaard, kunt gij hier met " den tijd uw fortuin maaken , en uw edel " kinderlijk oogmerk bereiken: kunt gij het gefchoten geld, zoo ik dit ooit behoefde, van uwen overvloed eens terug geeven dan is het wèl ; 'maar wilt gij het als een gefchenk dat " u mijne achting voor uwe braafheid verze" kert, aanneemen, dit is mij nog aangenamer, " en het denkbeeld dat ik een lieven verdienst" vollen jongeling voordhelp, dat ik den zoon " van eenen vriend mijner jeugd het goede ver" gelden kan, hetwelk zijn edelmoedige vader " mii zou hebben willen doen, is mij meer dan " „enoegzaame belooning zijt voorfpoedig " braave Reinhart! en wees te vreden over uwen EDELHART." Y3 Ik  542 II. BOE K. Ik 'as dit briefjen Karei.' mijn hand beefde mijn hart floeg, en ik fchreide van vreugde' mijn geheele ziel was getroffen door een zalig' gevoel van God's vaderlijke zorg voor mij, zwervenden vreemdeling : knielend dankte ik eerst die goedheid, en ontlastte daarna mijne volle ziel aan mijnen cdelmoedigen weldoener': en zeker als afgebrokene woorden, half uitgedrukte gedachten de kentekens van waar gevoel zijn, dan zal mijn brief den grootmoedigen Edelhart verzekeren , dat zijn gunftcling waarlijk geroerd is door zijne belanglooze vriendfehap ; eerlang reis ik naar hem toe , en ga zijn gefchenk eens opneemen; dan fchrijf ik u weder. XXI. Aangenaamer en vrolijker traanen dan die , waarmede ik den dierbaaren grond, op welken de weldaadigheid van eenen onbekenden mij het recht van eigendom fchonk, befproeide, vloeiden nimmer langs mijne kaaken ; aan zijne zijde zettede ik hier mijne eerfte treden, en het gevoel wat hij, wat God's voorzienigheid , die tog de harten der menfehen tot alle edele daaden neigt, aan mij deedt, maakte mij peinzend en ftom: ik kan het naauwlijks gelooven, dat ik zoo een aanzienlijk eigendom in een vreemd land ^ - be-  II. BOE K. 343 bezit, en dit denkbeeld geeft mij zeker eene tot nog toe onbekende verbintenis aan het zelve. Hoe de naam der Plantage te vooren was, weet ik niet, maar ik zal haar , en om haare aangenaame ligging, en om de levenswijs die ik op dezelve denk te hebben, den hef klinkenden naam van L'hatreufe folitude geeven : gevalt u die naam niet wel, Karei? heeft hij niet iets charakteriftieks? brengt hij u de genie van zijnen eigenaar niet voor den geest? voor mij ten mmften luidt hij zeer lief; de hoop bezielt dien toon, en hij wordt harmonie. Zij ligt nog drie uuren ver van La bottne efperance verwijderd , in de meest gezonde ftreek der Colonie, daar land- en zee-winden, die de lucht koelen, en de kwaade dampen verdrijven, beiden eenen ongehinderden toegang hebben; zij ligt zoo nabij aan de zee, dat ik liet gedruis der golven, bij onftuimig weêr, en de. vreugdefchoteu der inkomende vaderlandfche fchepen, zeer wèl zal kunnen hooren: alweder eene nieuwe verdienfte van dit hoekjen lands, voor een'fmaak als de mijne. Hoekjen lands, zeg ik, doch deeze verkleinende benaaming, zou u welligt een valsch denkbeeld van deszelfs uitgebreidheid geeven, hetwelke nogthans die van uw Kommerrust overtreft,en zoo groot  344 II. BOE K. groot is dat ik geene mogelijkheid zie , om het zonder eene menigte Negers binnen veifeheidene jaaren bebouwd te krijgen; het is niet meer dan begonnen, het fchijnt vruchtbaar, maar vertoont ook veele merktekens, dat de hand, welke hier de befchaving der woeste Natuur begonnen had, reeds lang in het ftof des doods rusrte. 'Er ftaat nog geene ordentelijke Planters wooning ; maar eene eenvoudige houten hut is vooreerst ook een goed verblijf voor mij; en een paar ligt opgeflagene hutten heb ik gezien, fchoon de ingenomenheid met het geheel mij deed vergeeten haare fterkte en gefchiktheid waarteneemen ; doch zij zullen ligt in ftaat zijn om mij en mijne weinige Negers zoo lang te herbergen, tot men betere toericht; eerlang hoop ik dezelve te betrekken ; en zeker het zal mij niet moejelijk vallen , eenige kleine genoegens en gemakken opteofferen, voor dat genoegen , dat onafhangelijkheid, en arbeid voor mijn eigen fortuin, mij geeven zullen, en dit tenminften zal mij hier te beurt vallen. Ik hoop dat 'er eerstdaags een fchip zal afzeilen , 't welk u , en mijne lieve moeder deeze belangvolle'tijding kan overbrengen, en tevens de tederfte groet van uwen en haaren Reinhart. Einde van het eerfle Deel.