Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

FREDERIK VAN EEDEN'S ONTWIKKELINGSGANG

die, als wellicht nooit een sterveling, in onvervaarde ont* leding en ongeschokte aandacht zijn eigen ontwikkeling volgde tot in de duisterste schuilhoeken van zijn inner* lijkste wezen, zwijgt in zijn belijdenis over het oogenblik, waarop God Zijn intrede deed.

Evenwel, reëeler dan de natuur en hare veranderlijkheid is de genade in haar wezen en werking, in de macht, waarmede zij met één slag verheft tot vrede en zekerheid de ziel, die bereid is tot de groote wedergeboorte. De omzetting van het gansche zieleleven, de spontane over* winning op den ouden mensch, de even plotselinge als standvastige verlichting, zijn realiteiten, die getuigen van de wezenlijkheid der oorzaak. Voor deze feitelijkheid ver* stomt de redeneerende analyse; zij kan haar alleen aan* vaarden. Het hoé der genadewerking ontsnapt haar; het is genoeg aan het daarna te weten, dat zij zich in de ziel voltrokken heeft. Het daarna vertoont zich als de onmis* kenbare verrijzenis tot een hoogeren levensstaat; de onrust is geweken, de vrede gevonden. Deze opstijging van een levensproces tot een hooger niveau moge buiten de ver* standelijke bevatting vallen, zij is zeker geen sprong in het wilde uit pure wanhoop.

Tot vlak vóór het groote keerpunt is de keten der ontwikkeling te volgen: vlak daarna wordt zij wederom vatbaar; één schakel ontgaat aan onze bevatting, want zij is van goddelijke materie.

De ontvankelijkheid voor de genade en de hoogmoed des geestes sluiten elkaar uit. Hier dringt zich de herin* nering op aan Eckhart's woord, dat de mensch eerst zichzelf moet leeren verdragen. Met den waan, dat het redeneerende verstand zonder meer den mensch verheffen en redden kan, moet gebroken worden. De mensch moet zijn. ver* stand verdragen en dit weer het feit van zijn eigen beperktheid. Bekeering beduidt meer dan een wijziging van wijsgeerige opvatting. Zij betreft den geheelen mensch met al zijn functies, ook die welke de redeneering te boven

Sluiten