Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marx' uitgangspunt, waarin alleen een verband tusschen geest en stof, tusschen denken en zijn tot uiting komt, en waarin hij zich over de wijze, waarop men zich dit verband voor te stellen heeft, zelfs van elke aanwijzing zorgvuldig onthoudt; met name laat ook „de groote wending van de biologie tot het neo-lamarckisme" den .grondslag van „Het Kapitaal" onaangetast: een biologisch betoog, dat zijn karakter van natuurwetenschappelijk betoog behouden wil, kan alleen zuiver verklarend zijn, en mag nooit in een beoordeeling van waarden treden. Wanneer men echter, zooals Mevrouw Holand Holst — op het voetspoor van Trotzky — erkent „het schier onuitroeibaar voortleven van vooroordeelen, voorstellingen, overtuigingen en ideologieën", en de voortschrijdende ontwikkeling verklaart door middel van het geheimzinnig eigen leven der ideeën, die de wereld regeeren, lascht men in zijn aan de biologie .georiënteerde wereldbeschouwing een moment in, dat vreemd is aan die biologie als zuiver verklarende natuurwetenschap.

Het is in dit verband dan ook uiterst merkwaardig te lezen, dat Marx volkomen instemt met de kritiek, die de Peterburgsche Europeesche Bode op zijn arbeid levert: „Een diepere analyse van de verschijnselen bewees, dat sociale organismen zich van elkaar even grondig onderscheiden als plantaardige en dierlijke organismen .... Ja, een en hetzelfde verschijnsel is onderworpen aan volstrekt verschillende wetten, tengevolge van verschillende samenstelling van die organismen, van afwijking hunner afzonderlijke organen, van het verschil in voorwaarden, waaronder zü werken, enz." Het denkbeeld dringt zich zelfs op, als zou die zelfwerkzaamheid van het organisme Marx en Engels reeds voor den geest hebben gezweefd; in „Ludwig FeuerbaCh" schrijft Engels, naar aanleiding van de drie groote ontdekkingen — diejcaa-Jle ■cel, van de omzetting der energie en van de naar Darwin vernoemde ontwikkelingstheorie —, die onze kennis van den samenhang der natuurprocessen destijds hebben vermeerderd:

„Erstens die Entdeckung der Zelle als der Einheit, aus deren Vervielfaltigung und Hifferenzierung der ganze pflanzliche und thierische Körper sich entwickelt, sodasz nicht nur die Entwicklung und das Wachstum aller höheren Organismen als nach einem einzigen allgemeinen Gesetz vor sich gehend erkannt, sondern auch in der Ve r ander u n gs f ahigkeit der Zelle der Weg gezeigtist, auf dem Organismen ihre _Art verandern und damit eine mehr als in-

48

Sluiten