Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus ook de verschüningsvorm van daarin verborgen menschelijke verhoudingen: „dasz ein gesellschafthches Produktionsverhaltnis sich als ein auszer den Individuen vorhandener Gegenstand und die bestimmten Beziehungen, die sie im Produktionsprozesz ihres gesehschaftlichen Lebens eingehen, sich als spezifische Eigenschaften eines Dinges darstellen, diese Verkenning und nicht eingebildete, sondern prosaisch reelle Mystifikation charakterisiert alle gesellschaftlichen Formen der Tauschwert setzenden Arbeit. Im Gelde erscheint sie nur frappanter als in der Ware.1)

Kritiek op de marxistische warenidee treft dus tevens, zelfs in nog versterkte mate, de marxistische geldidee: als men het specifieke kenmerk van den waardevorm, derhalve van den warenvorm, in zijn meest algemeene en oorspronkelijke openbaring niet in beginsel aanvaardt, kan er ook geen sprake van zijn, dat men dit bijzondere element, „verder ontwikkeld als het is in den geldvorm", in zijn denkbeelden over de geldtheorie waardeert: met name komt dit duidelijk uit bij Kuyper, waar hij in zijn artikel „Over waarde", de ruilwaarde van het geld bespreekt.

„De ruilwaarde van het geld — waaronder de Amsterdamsche privaat-docent verstaat ieder goed, dat algemeen ter vergemakkelijking van den ruil wordt gebruikt —, wordt oorspronkelijk op geheel dezelfde manier als bij andere goederen bepaald, dat is dus voor het stadium van economische ontwikkeling, waarin voor een markt verschillende soorten van goederen worden geproduceerd, in het schema van behoeften en voorraadsverhoudingen ten aanzien van finaalgoederen en productiefgoederen voornamelijk in verband met de subjectieve waardeschattingen, die er met het oog op het gebruik buiten het ruilverkeer aan gehecht worden, en m e t de offers in arbeid, die de productie ervan kost."2)

Dit is de zuivere grenswaardeleer, toegepast op het geld, en wanneer ik juist zie, dat de door mij gespatieerde woorden het resultaat zijn van Kuyper's meening, „dat de theorieën der moderne burgerlijke economie en die van Marx, wel verre van elkaar geheel uit te sluiten, ieder in een afzonderlijk methodisch verband recht van bestaan hebben en in zekeren zin (!) elkaar aanvullen",3) is

») Zur Kritik, blz. 28 en 29.

*) Marxistische beschouwingen, I, blz. 166.

») T.a.p., blz. 145.

275

Sluiten