Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

gingen der spraakdeelen kunnen voortgebracht worden", terwijl andere „meerdere en zamengestelder bewegingen" vereischen, die beletten dat zij „in zoo kort een' tijd worden voortgebracht". Zoo is er een groote verscheidenheid in den vereischten duur tusschen een reeks lettergrepen als de volgende: be — bes — best — beest — breedst (blz. 122 vlg.). Voor de praktijk dient men echter een norm te vinden om alle lettergrepen in twee hoofdklassen, als lange en korte in te deelen, evenals de Grieken dit gedaan hebben. Dit is gemakkelijk genoeg voor de uitersten van een reeks als de gegevene; maar waartoe zal men bes en best moeten rekenen? „Deze middelsoortige Lettergrepen moeten tot de naaste soort van lang of kort, waartoe zij behooren, gebragt worden". Hier ligt voorshands echter een moeilijkheid en Hesselink meent, dat die niet met regels afdoende te ondervangen is; „hier moet noodwendig het Gezag van keurige Taalkenners tusschen beide komen, 't welk zulks bepale, en aan welk gebruik of bepaling men zich voorts houde"; bij de Grieken en Romeinen is het net zoo gegaan (blz. 202 vlg.). Vroegere schrijvers hierover hebben de vraag eigenlijk nooit zuiver gesteld: „De groote Taalkenner A. Moonen wordt door Mr. H. van Alphen (in zijn Inleidende Verhandeling, blz. 83) geprezen, als hebbende vele goede Regels, hieromtrent opgegeven. Schoon de Regels in zichzelve zeer goed zijn, kan ik echter niet zien, dat dezelve ons hier van dienst kunnen zijn, dewijl zij alleen aantoonen, waar, bijzonder in de zamengestelde, de Klemtoon valt; terwijl hij voorts alleen die Lettergreep, op welke de Toon valt,' lang noemt" (blz. 205 vlg.). Hesselink meent nu echter toch reeds eenige algemeene regels te kunnen geven, die geacht mogen worden „buiten tegenspraak" te zijn, en voorts zich „ter nadere beproeving" aan eenige „bepalingen in meer of min twijfelachtige gevallen" te kunnen wagen (blz. 204). In XV Regels vat hij zijn proeve samen (blz. 210—254) waaruit wij alleen aanhalen: „I. Dat alle Lettergrepen, waarop de Klemtoon valt, uit haren aard lang zijn"; en VIII—X, waarin wordt uiteengezet, dat niet alleen als twee of meer consonanten in dezelfde lettergreep achter den klinker, maar ook als deze daarvoor komen, die lettergreep lang wordt, en dat daarentegen consonanten, die tot de volgende lettergreep behooren, geen invloed hebben. Dit behelst dus een van de klassieken afwijkende opvatting (en wel op rationalistischen grond) over de kwestie van de grensbepaling tusschen de

Sluiten