Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LICHAMELIJKE OPVOEDING

318

dersbeweging. Voor het eerst stortte zij in 1921 een beduidende som voor dit doel. Tevens echter stichtte zij met haar geld menig volksgebouw, waarbij zij zich echter zeer terecht deugdelijke garanties verstrekte. Het beheer maakt op deskundigen een solieden indruk.

LICHAMELIJKE OPVOEDING.

Een ontwerp tot „Regeling van de lich. opvoeding van de rijpere mannelijke jeugd" werd 9 Dec. 1920 ingediend, waarvan art. 1, eerste lid, luidde:

„Ieder mannelijk Nederlander, die hier te lande werkelijke j woonplaats heeft, op 1 Januari het zestiende levensjaar heeft volbracht, en het twintigste nog niet is ingetreden, is verplicht j geregeld deel te nemen aan lichamelijke oefeningen op den voet van de volgende bepalingen. Bij ontbreken van werkelijke woonplaats geldt als zoodanig de plaats van verblijf".

Indiener is de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen, maar er was een militaristisch luchtje aan het ontwerp. De Mem. v. Toel. zeide o.m.:

„Alle physiek geschikte jonge mannen van 16, 17 en 18jarigen leeftijd zullen bij de wet verpÜcht moeten worden lichamelijk zich te oefenen. Deze, bij voorkeur in de open lucht te houden oefeningen, zullen elk militair karakter missen. Aan exerceeren, schieten, wapenhandel wordt niet gedacht. In het bijzonder treden lichte athletiek, springen, speerwerpen, hardloopen, vrije en orde-oefeningen, gymnastiek, wandel- en marsch-oefeningen, schietsport alsmede de verschillende openluchtspelen op den voorgrond." (Alles mooi, maar nu komt het:} „Bij het bereiken van den militieplichtigen leeftijd zijn dan, na de geregelde deelneming aan dergelijke oefeningen, alle gezonde jonge mannen lichamelijk voorbereid voor den militairen dienst. Alleen dan kan in blijvende vermindering van kontingent worden berust. Beide maatregelen vormen een onverbrekelijk ge-| heel. Wanneer alle gezonde jonge mannen in een minimum van tijd tot bruikbare soldaten gevormd kunnen worden, is hetl mogelijk zonder vermindering van de weerkracht, het eigenlijk]: gezegde kernleger tot betrekkelijk weinigen te beperken, Wiei dus dit laatste en de gevolgen daarvan, vermindering van het : getal kazernes, verkleining van het beroepskader enz. ernstigj verlangt, moet instemmen met eene verplichte lichamelijke: oefening van de rijpere jeugd, zonder welke het onverantwoord! zou zijn ingrijpende vermindering van het staande leger voor : te stellen".

Dat was duidelijk! Waarom ook de mannelijke jeugdI alleen? Het regende protesten ertegen, niet hét minst van mo-r derne vrouwenorganisaties, die betoogden: alles goed en weli maar geen jongens alleen! — Het ontwerp heeft, in de afdee-* lingen der Kamer, „op het meerendeel der leden een weinig!

Sluiten