Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PENSIOENWETTEN AMBTENAREN EN MILITAIREN

396

amendement, waarin de termijn op 10 jaar was gesteld, ingetrokken.

Dinsdag 15 Nov, 1921 kwamen de ontwerpen aan de orde. * Van Stapele konstateert, dat het 6 jaar geleden is, dat een staatskommissie werd ingesteld, om de kodifikatie der pensioenwetten in studie te nemen. De regeering had een jaar noodig om de ontwerpen in te dienen en een jaar duurde het vóór ze op de agenda kwamen. Hadden de staatskommissie en de regeering vlugger geweest, dan zouden de voorstellen zeker gunstiger zijn dan nu.

Wat het amendement voor de opneming van groepen betreft werd besloten, bij de wet nader groepen op te nemen. Voorts bevestigde reeds spoedig de min. v. financiën, dat hij alle voorname amendementen, die geld kosten, onaannemelijk zou verklaren. Dit veto werd ook uitgebracht tegen een amendement, dat de bijdragen onder geen enkele voorwaarde op de ambtenaren mocht worden verhaald. Van- Stapele, die de wetten wilde zien aangenomen, trok toen het laatstbedoelde voorstel en ook andere amendementen in. Een amendement inzake den eisch van georganiseerd overleg voor de bepaling van wat meer sloopenden arbeid is (art. 44), werd overgenomen. Art. 94a werd gewijzigd aldus, dat gelezen werd:

„1. Een ambtenaar kan zich zoowel voor zich zelf als voor zijn weduwe en weezen het recht verzekeren op een percentsgewijze verhooging van het pensioen, waarop hij of zij ingevolge de voorgaande artikelen zullen recht hebben,

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt ten hoogste 50".

Ten slotte verdient nog vermelding de overname van een amendement-v. Stapele, waardoor voor allen die na de totstandkoming der wet en vóór 1 Jan. 1923 worden gepensionneerd, als grondslag het na 1 Jan. 1920 genoten salaris zal gelden.

23 Dec. 1921 werden de ontwerpen zonder hoofdei, stemming aangenomen.

In „De Ambtenaar" van 25 Nov. '21 schrijft van Stapele aangaande de bereikte resultaten inzake de weduwen- en weezenpensioenen o.a., dat de vrij gunstige einduitslag van de tot stand gekomen regeling voor een goed deel te danken is aan het aktieve optreden der Comm. van Rapporteurs en meer in 't bijzonder aan haren ijverigen voorzitter Gerhard. 't Is mij bekend, dat deze menige konferentie heeft gehad met den minister, met het bekende gevolg.

De 50 pet. zijn gehandhaafd tot een grondslag van ƒ 2000, daarboven wordt het 40 pet. Het max. pensioen eener weduwe kan, waar de ƒ3000 als max. grondslag is behouden, niet stijgen boven ƒ 1400. Terwijl, waar de 80 pet. als max. voor wed.en weezenpensioen is gehandhaafd, het hoogst te bereiken bedrag ƒ 2400 is.

Sluiten