Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele bronnen te vinden? Als wij ze vonden, zouden de boomen weer op de hoogvlakte groeien, en dit land zou rijk en vruchtbaar wezen. Als wij ze vonden, zou dat meer waard zijn, dan dat we goud ontdekten."

Toen Gabriël met spreken ophield, begonnen de anderen zijn woorden te overwegen. Alle stemden toe, dat het wel wezen kon zooals hij zei, en dat het niet onmogelijk wezen zou den grooten stroom te vinden. Maar geen van hen stond op om heen te gaan, en met zoeken te beginnen. Niet eens Gabriël. Ze voelden wel, dat zijn woorden niet anders dan een voorwendsel waren, waarmee hij zijn verlangen zocht te stillen.

Toen begon Bo Ingmar Mansson, die tot nu toe stil naar de anderen had zitten luisteren. Hij zelf had geen koorts, maar niemand verlangde meer naar frisch water dan hij, want ook Gertrud was ziek geworden. Om harentwil smachtte hij zóó naar water, dat zijn lippen droog waren, en hij had, als de anderen, alleen gedachten voor bronnen en stroomen.

„Ik denk niet aan zulk heilig bizonder water als jelui," zei Bo langzaam. „Maar van den morgen tot den avond denk ik aan aan een beek, die frisch en klaar voortstroomt met prachtig helder water."

De boeren zagen op, met gespannen verwachting in de oogen.

„Ik denk aan een rivier, die uit veel beken en stroompjes komt, uit het donkere bosch, en zóó helder is, dat men al de kiezelsteentjes ziet, die op den bodem liggen te glinsteren. En die beek is niet uitgedroogd zooals Kidron, noch een droom, zooals de stroom van Ezechiël of onmogelijk te vinden, zooals die van Hiskia, maar die bruist en stroomt tot op den huidigen dag. Ik denk aan de Dalelf."

De drie mannen antwoordden niet. Ze zaten daar schuw, met neergeslagen oogen. Nu de Dalelf genoemd was, kon niemand meer spreken over de bronnen en de rivieren van Palestina.

Op denzelfden dag tegen den middag stierf weer een van de kolonisten, 't Was een van de Kolas Gunnars kinderen, een kleine vroolijke jongen, waar allen veel van hielden.

Maar nu gebeurde het, dat niemand het kind scheen te betreuren, maar alle boeren uit Dalecarlië werden door zulk een schrik aangegrepen, dat zij zich nauwelijks konden beheerschen. Het doode jongetje scheen hun een teeken, dat het onmogelijk zou zijn voor één hunner, de ziekte te boven te komen.

De gewone drukke voorbereidingen voor de begrafenis bégonnen al spoedig, maar zij, die aan de kist werkten, stonden zich af

269

Sluiten