Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een ding of persoon, maar zien van alle fijner onderscheiding af, en zoodoende staan wij, bij het gebruik van zulke zinnetjes, nog op juist hetzelfde primitieve standpunt als Keesje in de laatste helft van z'n tweede levensjaar. Nooit aan gedacht? Toch wel de moeite waard!

23. Onderscheid Terwijl er nu echter allanger hoe meer 3de persoonstusschen infinitief vormen opkomen, ontwikkelt zich gaandeweg een en persoonsvorm, beteekenis-verschil tusschen deze persoonsvormen en de infinitieven. Terwijl Keesje toch de onbepaalde meer en meer voor de uiting van wenschen en verlangens gaat beperken, deelt hij met den persoonsvorm meestal een oogenblikkelijk waargenomen handeling mee. Zoo beteekenen: Oppapa: wil moeder dit eens voor me oprapen? Kees chapa: ik wil gaan slapen. Maan kijka: ik wou graag naar de maan gaan kijken. Fesje uika: laat me eens aan het fleschje ruiken. 7oem tja: zet den stoel eens andersom, om erop te rijen. Kees chaan: ik zal slaan hoor! (Cha)peeta: mag ik op vaders knie galoppeeren? Moena komma: mag ik bij moeder komen ? Oo Pier kijka: ik ga naar Oom Piet kijken. Maar Kees vaat beteekent: ik val. Foota /aar beteekent: hetvogeltje valt. Meisja cheit beteekent: het meisje schreit. Gaaf a oedlbeteekent: daar gaat m'n mutsl Sit fas beteekent: ik zit vast. Ster a mota! beteekent: daar zie ik den molen!

We merken bovendien in twee der voorbeelden uit het

24. Uitroeps- iaarste lijstje nog iets geheel nieuws. Gaar a oer en siel zinnetjes. ^ mota zijn eigenlijk meer uitroepen dan constateeringen, en dientengevolge staat het onderwerp of de voorlooper niet meer voorop, maar achteraan, en de nalooper staat er voor! Hoe rijmpt dat op elkaar? — Wel, heel eenvoudig. Sinds het doorpraten was opgekomen, sloten zich de vroegere interjecties dikwijls bij een substantief aan. Dag was vroeger een op zich zelf staande vriendelijkbddsuiting. Daar Keesje dit nu van moeder leerde zeggen, telkens als zij een kennis tegenkwamen, groeide dit woordje met de namen der familieleden tot interjecubneele zinnetjes aaneen: ag Oopa, dag moena, ag vaaja, ag Piet. Zoo ging het ook, als hij plotseling ergens pijn voelde. Stootte hij b.v. z'n beentje (dat hij koufol kous noemde) dan riep hij auwkouf. Deed hij z'n knietje pijn, dan klonk het auw boek (broek) enz. De vriendelijkheids- en pijnlijkheidsuitroep kwam hier voorop, omdat die hem natuurhjk het meest aangreep, het substantief kwam er min of meer als bijvoeging achter.

Welnu, zoo gaat het nu ook met uitroepszinnen, waar 25fcrtrt- w<?°rd' het werkwoord de plaats der interjectieinneemt. Keesje

uttroenszumen doet zn mond Das open' dc voor hct raamP)e

* van z'n bewustzijn elkaar beetgepakt hebben. Trekt nu de tweede om z'n opvallende eigenaardigheden Keesjes aandacht sterker dan de eerste, dan komt het woord voor den tweeden jongen voorop. Welnu, dat was juist hier het geval. Hij had z'n muts op het draaitafeltje

78

Sluiten