Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1180 'De Nieuwendijk langes, en voort door alle straten. Het volk is hier goet geefs, 't blijkt an haar karitaten; Elk werpt sijn aalmoes weg, want is het niet van

't mal,

Dat men lieden geeft, die 't verkaatsen met de bal, Sundaags 's morgens voor de poort of daar iewers

buiten?

1185 Of verdofeb'len meit rabauwen en met guiten? Of ver-evenhouten 't of hutselen met mekaar? Og in 't kuiltje, of opschieten, of lecht se me daar? Wat voordeel doet haar 't geit?'niet, al sijn 't kop're

duiten,

Met siet 'r bloet-storting en doot-slagen uit spruiten, 1190 Ja, moort en dieverij) en worden se gevat

Van Schouten dienders of soldaten van de stad, En raken sij in 't gat, soo sullen de vis-wijven Dit eerloose volk nog voorspreken en voorschrijven, Of 't recht dat wort door 't geit geblint-doekt en

verdreit,

1195 Door den ijver van haar sotte barmhertigheit; En nog en mag men niet op dit misbruik eens

schempen,

Noch schrollen op die geen die 't geit onnut verslempen,

En laten wijf en kint in kommer en in rouw, Daar men het vlijtig voor den noot bewaren souw.

1181 Karitaten: aalmoezen.

1182 Is het niet Dan 't mal: is het geen dwaasheid.

1184 Iewers: ergens.

1185 Rabauwen: schelmen.

1186 Verevenhouten: opmaken bij kegelen. — Hutselen: opgooien. Ook in den volgenden regel worden dergelijke spelletjes bedoeld.

1188 Niet: nieti.

1192 't Gal: den bak.

1193 Voorschrijven: rekesten indienen voor 'die lui.

1196 Schempen: aanmerking maken.

1197 Schrollen: er op algeven. 1199 Daar : terwijl.

Sluiten