Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd naar den pater. Hij dacht aan een sijsje dat hij overlang bezeten had en dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij :

— « En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en hij danst maar... »

Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde azuur. En de pater vroeg :

— « Hebt ge geen eetlust, beste Johan? »

Neen, hij had geen eetlust. Hij hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede...

Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het nauwe ijzeren bed. Het Klooster sliep. Johan

Sluiten