Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proces-verbaal van alles op en, als dit geschied was, sprak de rechter het vonnis uit. (*)

Welnu, geen der wezenlijke voorschriften, voor iedere kanonieke afzwering vereischt, werden bij de zoogenaamde afzwering van Johanna op het kerkhof van Saint-Ouen in acht genomen.

Dit blijkt uit den officiëelen tekst van het proces, waar de bijzonderheden van het gebeurde op het kerkhof van Saint-Ouen verhaald worden.

„Te vergeefs zal men in heel dit tooneel en in den tekst van dit proces een spoor der voorwaarden zoeken, welke door het recht voor iedere kanonieke afzwering gevorderd werden. Voor deze zaak werd er geen raad door de rechtbank gehouden. Er werd geen aankondiging gedaan. De Maagd blijft onkundig omtrent hetgeen men haar gaat opleggen, over den aard van de afzwering en den zin van de formuul, welke zij moet uitspreken. Er is geen Evangelieboek op de tribuun, er wordt geen eed gedaan. Alles is improvisatie en verrassing, behalve de schaamtelooze schending van de wetten der Kerk." f)

2. Er bestaat nog een andere verklaring over het tooneel van den 24 Mei 1431 op het kerkhof van Saint-Oun, welke niet onaannemelijk lijkt.

Johanna had lezen en schrijven geleerd; zij had les gehad van geestelijken uit haar omgeving gedurende den wapenstilstand op het einde van 1429 en in het begin van 1430. Toen men haar nu, op het karkhof van Saint-Ouen, de cedel van afzwering aanbood, onthield zich Johanna, die wel onderteekenen kon, haar naam eronder te schrijven, en bepaald zich er bij een kruis te zetten. Zij had overigens verklaard, in den loop van het proces van Rouen, dat zij somtijVls een kruis cnder een stuk zette bij wijze van ontkenning. Bovendien bevestigen twee getuigen van het drama van Saint-Ouen, dat Johanna glimlachte, subridebat, en uit ironie en spot scheen te handelm, toen zij dit kruis zette onder de dubbelzinnige verklaring, welke men haar bezwoer te erkennen. En toen den 28 Mei Cauchon haar herinnerde aan den eed, dien zij onderteekend zoude hebben, met betrekking tot haar manskleeding, antwoordde Johanna : „ik heb nooit begrepen, dat ik een eed had gedaan, dat ik ze niet zoude dragen."

Zoo beschouwd, zou het zetten van een kruis onder de cedel van den 24 Mei door Johanna in werkelijkheid niet gelijk staan met een goedkeuring en een onderteekening en zou er geen spraak

O Nicolaas Eymeric, Directorium Inquisitorum, Romae 1589, 92—493.

O Ph. Dunand, l.c 1240.

Sluiten