Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT MIJN PRACTIJK

|||^^gB|IJN eerste kennismaking met de „Louisa-Stichting" ligt in een ver

f /llliilft Het was in het begin van het ^aar 1883 dat ik 6en woning betrok I f=|B^I? in de Nobelstraat. De Prinsestraat was nog niet doorgetrokken en de ll^swIWJS Nobelstraat toonde nog geheel het karakter van- een stille straat in het midden der stad.

Tegenover mijne woning lag een groot huis, dat al spoedig de aandacht van mijne vrouw en mij trok.

Hier zetelde de' „Louisa-Stichting". Van buiten zag het huis zoo net en proper, en de bewoners, groot en klein, loonden een gezonde levenslust. Zij waren zoo gezellig onder elkaar, deden buren nooit overlast en het was een genot te zien hoe de kinderen den directeur en zijne vrouw met eerbied en liefde tegen kwamen.

Af en toe werd mijne hulp, naruurlijk als eerste hulp bij ongelukken, zoo dikwijls voorkomend in een groot gezin, ingeroepen en dan kon ik niet laten mijne vrouw te vertéllen wat een voorbeeld van huishouding deze stichting was. Alles — eetkamer of slaapzaal — was gezellig en kraakzindelijk en de houding der jongens en meisjes tegenover eèa vreemde onberispelijk.

Doch de tijd naderde dat wij onze gezellige overburen zouden missen. De eisch van het stadsverkeer. Den Haag, groeide op onrustbarende wijze, maakte de verbinding van de oude Prinsestraat met de Groenmarkt noodzakelijk en veel, wat het karakteristieke van dat stadsgedeelte uitmaakte, viel onder slopers hamer.

Zoo ook de woning der „Louisa-Stichting".

Wij verloren onze buren wel niet uit het oog, doch spaarzaam hoorden wij van hen, weinig denkend dat wij elkaar zouden terugvinden.

Eenige jaren later, nu vóór 27 jaar, na den dood van mijn collega Dr. J. Kips, den eersten trouwen geneesheer der stichting, kreeg ik een bezoek van den voorzitter der regenten, Mr. Maas Geesteranus, met het doel mij te vragen medicus der „LouisaStichting" te worden. Gedachtig aan onze vroegere overburen en wel denkënde dat de geest,' die in de Nobelstraat had geheerscht, zeker naar het Alexanderplein was mede verhuisd, aarzelde ik geen oogenblik om het voor mij vereerend voorstel van regenten aan te nemen.

En sinds dien heeft er een bizondere band tusschen de „Louisa-Stichting" en mij bestaan.

Ik mag wel zeggen dat ik nooit berouw van mijn besluit heb gehad. Integendeel met de jaren is mijne sympathie voor de Stichting hechter en dieper geworden. En de reden ?

Dat daar met liefde gewerkt wordt aan het groote doel: kinderen tot degelijke menschen op te voeden door woord en daad. En waar het hygiënische-of gezond-

Sluiten