Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwarte tijd gekomen.... nu zeiden de menschen „Marguérite".... met zoo'n scherpe, doordringende, harde „r", waar je van rilde.

Weer streek ze met de hand over het hoofd en nu scheen ze hem met opmerkzaamheid aan te kijken.

De notaris verroerde zich niet, hij wist wel hoe het altijd ging, je moest maar stil blijven zitten, dan herinnerde zij zich opeens weer allerlei dingen uit het verleden.

Soms kon men wel eens een oogenblik met haar praten als met een gewoon mensch, maar dat was toch slechts zelden, dan volgden er weer dagen, dat ze niet wist wie de menschen om haar heen waren.

Maar hij had ook geen haast, God alleen wist, wat het voor hem was om daar te zitten. Er was nu een uitdrukking van herkennen op het gelaat van de zieke gekomen.

Zeker, daar zat hij de kleine Hollander Otto!

Zij had hem toch wel heel veel verdriet gedaan, jaren geleden, toen zij een ander koos boven hem, maar dat had ze toch niet kunnen helpen, je kunt toch niet geven wat je niet hebt, en dat is juist het treurigste, als je iemand bent die overal verdriet aanbrengt.

Toen stak zij ineens haar beide kleine handen naar hem uit en in haar zachten Franschen tongval zeide ze: „Nietwaar? .... dat heb je mij al lang vergeven?"

De notaris antwoordde niet, ze had het hem in den loop der jaren al zoo dikwijls gevraagd. Vergeven? .... Er was niets te vergeven, zij kon het toch niet helpen dat zij was die ze was? Een dwaas was hij geweest, om haar ooit te vertellen wat er omging in zijn hart. Hij had het toch wel op zijn vingers kunnen narekenen, dat zij, dat mooie, gevierde meisje, hem nooit als man zou begeeren? Nu had hij haar leven nog moeilijker gemaakt, nu waren er oogenblikken, dat zij er over tobde hem pijn te hebben gedaan.

Sluiten