Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is een oud huis en wat laag van verdieping. De groote serre, die tegen den eenen kant aangebouwd is, doet vreemd modern aan, als men den ouden gevel aan den voorkant ziet.

Op zij van het huis, vlak bij den weg, half verborgen achter struikgewas, staat een witgeschilderd tuinhuisje, dat even weinig bij het oude gebouw behoort, als de groote serre. Maar het staat op een mooi plekje, vlak bij de hooge, oude populieren, schuins tegenover het hek, zoodat men juist langs de boschjes heen op den weg kan zien en een prachtig vergezicht heeft over het onafzienbare veld, dat het kleine kerkhof begrenst.

In het kleine tuinhuisje zit 's zomers bijna altijd de dominé's vrouw, tenminste als het weer het toelaat. Ze is erg rheumatisch en kan moeilijk loopen, het is haar een dage.lijksch kruis, dat haar vlugge geest gehuisvest is in zoo'n ziekelijk lichaam. Ze wil zoo graag op de hoogte zijn van alles wat er in de gemeente gebeurt, en als zij nu in haar hut zit, denkt ze dat ze dichter bij de menschen is dan in haar huis. Ze heeft misschien ook wel gelijk, want menigeen die voorbij loopt en haar ziet zitten, licht vanzelf de klink van het hek op en komt even bij haar, om haar wat te vertellen of wat te vragen. Ze mogen haar graag, de dominé's vrouw, en zijn trotsch op haar; ze heeft dan ook iets deftigs en voornaams over zich. Iedereen laat zich graag door haar bemoederen en helpen, want men weet hoe hartelijk en medelijdend ze is. Ze heeft mooie, witte krullen, die ze heel sierlijk achter tegen het hoofd opsteekt, en het witte haar golft om haar slapen. Ze heeft niets van een gewone doorsnee dominé's vrouw, iets gebiedends heeft ze in haar optreden en iets imponeerends. Ze heeft dan ook nooit geldzorgen gekend of een huis vol kinderen ter verzorging gehad; ze is altijd in staat geweest haar werk zoo mooi mogelijk op te vatten en ze heeft kunnen geven waar en wat ze wilde.

Sluiten