Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kantoortje toeroept: „Je zult binnen kort ook een heele bonk koarten noar de stad te zenden hebben."

Ilse zag het allemaal gebeuren, alsof ze er zelf bij was, maar het kon haar niets schelen. Aan de menschen kon je je toch niet altijd storen. Nooit zou iemand het van haar te weten komen, wat er in haar binnenste omging, maar zij wist het maar al te goed: sinds hij op het dorp gekomen was, scheen het Geldersche dorp haar een paradijs. Had ooit de zon zoo heerlijk geschenen? Was er ooit zoo'n voorjaar in 't land geweest? Hadden de voorjaarsbloemen wel nog eens zoo kleurig gebloeid?

Als je nu uitging naar de zieken, ver weg of dicht bij, in de mooie Geldersche natuur, kon het gebeuren, dat je hem onverwacht tegenkwam. Enthusiast wees hij je dan op al het mooie om je heen. Of je vond hem bij een zieke, vol geduld luisterende naar de lange verhalen, gesproken in eigen dialect, waaruit een gewoon mensch niets wijs kon worden; of je zag hem zich neerbuigen over ouden en moedeloozen en als ze hem aankeken, was het, alsof er iets van zijn opgeruimdheid afstraalde op hunne gezichten.

Thuis in de pastorie, spon hij zijn vele voornemens uit en maakte hen deelgenoot van zijn idealen. Neen, nog nooit was er zoo'n voorjaar in 't land geweest en wat de zomer en de herfst zouden' brengen ? Ilse wist het niet, maar als ze er aan dacht, was daar een wondergroot geluk in haar hart en dan bad zij niet als hare moeder, dat het zoo zou mogen zijn, als God het wilde, maar zij hief hare handen op naar den hemel en .dringend vroeg zij om verhooring van hare gebeden. Toch bracht ze die niet onder woorden. Er zijn van die dingen, die je niet uitspreekt, je wil ze haast voor je zelf niet bekennen en toch moet je er telkens weer aan denken.

Op school hadden de meisjes veel over liefde gesproken, zij hadden lachend verteld, van wien ze wel het meest hielden,

Sluiten