Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stand kwam). Alvorens deel te nemen in den kostbaren aanleg van een. scheepvaartkanaal, dat de aanzienlijke diepte van 4.5 M. zou verkrijgen, wilden de Staten weten of dit kanaal onmiddellijk bij Delfzijl in Duitsch vaarwater zou uitmonden en zij vroegen daaromtrent de meening van Den Haag. Toen bleek, dat bij de onderhandelingen over het verdrag van 1824 de Nederlandsche regeering zich uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld, dat zij de Eems als grensstroom beschouwde, die deels tot het Nederlandsch, deels tot het Duitsch territoir moest gerekend worden. Zij liet door haar commissarissen voorstellen, om, nu de landgrens tusschen Nederland en Hannover zoo nauwkeurig werd vastgelegd, tegelijk ook de watergrens te regelen. De Hannoversché commissarissen verklaarden ziqh daartoe echter onbevoegd, waarschijnlijk in overleg met hun regeering. En ook latere pogingen tot onderhandeling zijn afgestuit op de bewering der laatste, dat de souvereiniteit over de Eems aan haar alleen behoorde.

* * *

De Eems-kwestie is sedert een paar malen in de Eerste Kamer ter sprake gebracht; het eerst in het zittingjaar 1903— 1904 door de leden Rahusen en Dojesi, Uit de schriftelijke gedachtenwisseling, die aan het debat voorafging, schijnt te blijken, dat onze regeering toenmaals van meening was, dat Pruisen de aanspraken van Hannover niet zou handhaven. Immers, in de Memorie van Antwoord schreef de minister' van Buitenlandsche Zaken, Melvill van Lijnden, „dat de grens Noord van den Dollard wordt geregeld volgens de algemeen erkende regelen van het internationaal recht aangaande het geval, dat de grens tusschen twee Staten door een rivier gevormd wordt."

Deze woorden gaven den heer Rahusen aanleiding op te merken, dat in zulk een geval de grens door de vaargeul getrokken placht te worden. Die vaargeul, zei hij, loopt dicht onder den Groninger wal; maar nu maken de Duitschers een tweede geul. Hoe wordt dat nu?

In deze vraag ligt de rationeele oplossing besloten: Wanneer een riviermond twee vaarwaters heeft, waarvan het eene voert naar een Nederlandsche haven, het andere naar een Duitsche, dan ligt het voor de hand, het eerste vaarwater te beschouwen als Nederlandsch, het andere als Duitsch

Sluiten