Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak overgenomen, dit op raad van een verstandigen oom (een suikeroom!) die herhaaldelijk had aangedrongen toch iets om handen te nemen.

Toen echter bleek, dat de eindelijk gevonden werkkring het dolce-far-niënte schrikbarend deed inkrimpen, had hij — André — zich voor zijn doen bepaald uitgesloofd om een zaakwaarnemer te vinden. Ten slotte was hij uitstekend geslaagd ; Willem van Kampen was een werkezel, die honderd procent meer verstand had van de zaak dan de eigenaar zelf, en aan wien mettertijd 't heele boeltje, zij het ook met verlies, wel weer zou worden overgedaan. Eenige malen reeds was er op gezinspeeld. Clémence had als laatste troef tegen André uitgespeeld, of Bep zich verzoenen kon met de gedachte, dat hij geen vasten werkkring zou hebben, of 't aanlokkelijk scheen zoo n lui renteniersleventje.

O, zij vond 't ,,'n ideaal." Andere vrouwen zagen haar man zoo weinig ; zij zou hem aldoor bij zich hebben ; ze hadden al honderd leuke plannetjes samen.

„Hè, 't is toch véél prettiger," pleitte Clémence, „dat er iets is, waarin hij werkelijk belang stelt, dat hij een degelijken werkkring heeft, die vatbaar is voor uitbreiding, iets tenminste, wat ingrijpt in het groote leven."

„Die heele uitgeversboel," praatte Bep André na, „is n muf baantje ; altijd gezeur aan je hoofd van ontevreden auteurs, van drukkers, die niet opschieten."

„Als je van zoon béétje last terugschrikt" Ik stel

Sluiten