Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vóór de vensters prijkten fleurige geraniums, vlammendrood of vriendelij k-rose, en oranje tulpen, als kleine flambouwen.

Het was alles zoo innig-rustig.

Een witte poes sloop stil-vergenoegd over de kraakheldere straat van vierkante steenen. Ze wipte zachtjes door het traliehek van één der huizen, naar een plekje, goud van zon, rolde zich in, sloot langzaam de groene oogen, en verzonk, rillend van genoegen, in een behaaglijk dutje. Het was, of niet een groote stad om haar woelde, met voor zoo'n katje honderd-duizend angstwekkende dingen ....

Langs de pomp, met glimmend-koperen kraan en hengselknop, tippelde een duif, nuffig knikkend bij eiken stap ja-ja. In het donzen kopje waren de oogjes als kralen van git, Daar ineens was er het eind van duifke's koket wandelen I Met klepperenden slag sloeg zij de vleugels open en zat in een ommezien in het open pastorieraam, verontwaardigd naglurend de vogelverschrikster : een meisje, dat touwtje sprong, en telkens hard het touw liet kleppen tegen de steenen.

Voorjaar was gekomen over de stad en over het hofke ! Na de grillige streken van een ruwe Maartmaand, die, evenals het vorig jaar, zonder verteedering was overgegaan naar April, had de Lente iets vertroetelends, wat het stille hofke dubbel intiem meiakte.

Zoo stil, zoo afgebakend wist ook Clémence heel haar

Sluiten