Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-vogels, die als vernederde schooiers rondom de weinig welwillende woningen zwierven, volkomen tot den bedelstaf. Zelfs lag een glanzende spreeuw bevroren in mijn tuin ; de dood had hem ontmoet op zijn weg naar de Lente, die hij rook in de verte.

En een week geleden waren de hemelen gebroken en de sneeuw was neergedwereld en de heiden en de weiden hadden de blanke gaven als een witte vreugd ontvangen. Toen was de vorst gekomen en over de banen bewogen wemelend en wremelend de patineurs, licht en lenig, zwierige herborenen. Zij wendden en zwenkten en hun schaatsen sneden en snerpten, glipten en gleden, terwijl boven hen de zon blonk en flonkerde in een veld van fijn fluweel.

Dit was de winter en dit was Holland in zijn element!

Maar de zon was zoo koesterend en de lucht zoo innig blauw, dat ik wel moest denken aan het voorjaar, dat op een steenworp afstands van ons ligt. En zie: nu de luchten met goud gevuld zijn en het hcht stroomt van kim tot kim, maar nu het des nachts nog kan winteren, barsch en barbaarsch, kunnen de kieviten komen.

De kieviten!

Dit zijn de wonderlijke vogels van Holland en zoo wij, bewoners van Nederland, een godsdienst beleden, waarin plaats was voor religieuse vogelvereering, zouden wij, als de Egyptenaren de ibis, den kievit heilig verklaren.

Deze vogel behóórt bij het Hollandsche landschap met zijn vlakke velden, waar de met kleurige bloemen doorspikkelde grassen golven en wiegelen, de enthousiaste molens lustig draaien en de in

Sluiten