Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

decreet van Juni 1791, waarin het verbod om te vergaderen werd uitgevaardigd voor burgers van hetzelfde beroep, voor werklieden, voor anderen, die immers, als zij toevallig samen waren, niet eens een voorzitter of secretaris mochten benoemen en geen besluiten konden nemen noch registers houden „over hun beweerde gemeenschappelijke belangen". En waarom dit? Het is duidelijk: Omdat men enkel wist van het bestaan der individuen en aan den samenhang binnen een bepaalden stand evenmin dacht als aan het hebben van een gezamenlijke taak. Ruim tien jaren tevoren had trouwens, om slechts één schrijver uit velen te noemen — maar dan een, die met wel groote klaarheid spreekt — had J. Bentham in zijn „Principles of Morals and Legislation" Ch. I, 4 zich ongeveer aldus uitgelaten, dat het gemeenschappelijk belang een van de meest gebezigde uitdrukkingen is binnen de phraseologie op het gebied van de ethiek. Als de uitdrukking een zin heeft, moet zij beteekenen, dat de gemeenschap een fictief lichaam is, saamgesteld uit individueele personen, die beschouwd worden als de fictieve leden van dat lichaam. Het gemeenschappelijk belang kan echter — zoo meent hij — nooit iets anders zijn dan de som der individueele belangen.

Gelijk men ziet, is hier alle besef teloorgegaan van een zekeren samenhang. Ook van deze gansche gedachtenwereld, die in het einde van de achttiende eeuw zoo veelvuldig heerechte, kan men aanwijzen, dat zij door een geestelijke overtuiging gedragen wordt; de overtuiging namelijk, dat de ontwikkeling van het geheel het best gevonden wordt zoo alle enkelen zich ongestoord kunnen ontwikkelen). Wat weder niet anders kan worden gehoopt dan zoo men den enkelen! mensch als in aanleg en bedoeling „goed" ziet, zoodat noch breideling noch stuur van noode is.

Naarmate in de negentiende eeuw de feiten deze individualistische beschouwing als volkomen onhoudbaar hebben geteekend, omdat die feiten al te scherp spraken, werd er geroepen om een macht, die dwingend zou Kunnen optreden, en zag men op naar den staat, die uniform regelend en massaal alles ziende de uitkomst brengen moest; gelijk bij voorbeeld en vooral de Sociaal-democratie vele jaren heeft betoogd.

Een christelijke maatschappij-beschouwing kan noch met dit individueele noch met dit massale zich vergenoegen. Zij erkent gemakkelijk het juiste in elk der beide standpunten, maar weet ook de schaduwzijde op te merken: het schoone van het individueele naast het bederf door het individualistische, het schoone van de solidariteit naast het bederf door het massale. Het vasthouden nu van die lichtzijde met gelijktijdige vermijding der schaduwzijde schijnt slechts mogelijk, waar de menschheid of waar een groep binnen die menschheid als een organisme wordt gezien.

m.

Het gevondene geldt ook voor de wereld van den arbeid, waar dus ook regeling noodig zijn zal. Om den samenhang, die er wezenlijk is, nu ook tot uiting te brengen, kan het organiseeren niet worden gemist. Organi-

Sluiten