Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart een teeken van troost af te smeeken, van den boom, dien men „gemoedsrust" noemt; ik zei mezelf: wanneer een safraangele bloem, eer ik tot honderd geteld heb, tusschen mij en den stam valt, dan leeft mijn beminde Kamanita nog. Toen ik tot vijftig had geteld, daalde er een bloem omlaag, doch het was een oranjekleurige. Aan tachtig gekomen, begon ik langzaam, al langzamer te tellen. Daar kraakte een deur in den hoek tusschen het terras en den muur van het huis, waar een kleine trap naar den tuin leidde, die eigenlijk alleen gebruikt werd door arbeiders en tuinlieden.

Mijn vader kwam er door binnen, onmiddelijk gevolgd door Satagira. Vervolgens verschenen een paar tot de tanden gewapende krijgslieden en daarna een man die een hoofd grooter was dan de anderen; ten laatste werd deze zeldzame, ja onverklaarbare optocht gesloten door nog meerdere krijgslieden. Twee hunner bleven bij de deur wachthouden, de overigen kwamen op mij af. Het viel mij op, dat de reus in hun midden zich zeer moeielijk bewoog, terwijl bij iederen stap een onheilspellend gerinkel en gerammel werd gehoord.

Op hetzelfde oógenblik kwam een safraangele acokabloem naar beneden zweven en bleef voor mijn voeten liggen. Maar in mijn verbazing had ik opgehouden met tellen en kon ik evenmin uitmaken of zij aan de goede zijde, namelijk tusschen mij en den boom was gevallen.

Toen de groep nu van uit de schaduw van den muur in het volle maanlicht kwam, ontdekte ik met schrik dat de reuzengestalte in hun midden geheel met ijzeren ketenen was behangen. Zijn handen waren op den rug

Sluiten