Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzoek van Tolbach was voldoende om weer al zijn vroegere nieuwsgierigheid en verwachtingen opnieuw op te wekken.'

Tevergeefs vroeg hij zich af, wat de geleerde hem wel te zeggen zou hebben. Die woorden „ik heb goed nieuws" vervulde hem met hoop, terwijl zij hem tevens bewezen, dat zijn vriend zijn plan nog niet had opgegeven. i

.Zijn afwezigheid was dus daarmede verklaard en hield blijkbaar verband* met een nieuwen zet, die gelukt scheen te zijn, want hij schreef toch, dat er nieuws was.

Maar waarom maakte hij dan zoo'n eigenaardige afspraak en dan nog wel in een grot op een openbare wandelplaats ?

Waarom werd hij niet eenvoudig 's avonds bij hem thuis ontboden, waar zij toch rustig met elkaar zouderi kunnen spreken ?

Met al deze overpeinzingen vlotte Jan s werk niet al te best. De meesterknecht moest hem tot twee keer toe berispen over zijn onoplettendheid en verstrooidheid.

Eindelijk sloeg het langverwachte uur. Zonder ook maar een oogenblik, zooals hij dat gewoonlijk deed, met zijn kameraden te blijven napraten, ging Jan onmiddellijk naar de kleedkamer. Hij gunde zich nauwelijks den tijd zich te verkleeden.

Eenmaal op straat sprong hij onmiddellijk op de tram naar de Avenue Alvenar. Hij stapte bij het park, dat aan de linkerzijde van de promenade gelegen is, af.

In het midden hiervan is een klein aarden heuveltje van nauwehjks vijf meter hoogte. In dit heuveltje bevindt zich een kunstmatige grot, het grootste vermaak van de jongens der stad.

Met voldoening zag Jan bij den ingang van de grot aangekomen, dat er weinig wandelaars in het park waren. Alleen zag hij een politieagent in de buurt, doch slechts de koperen punt van zijn helm was zichtbaar.

Voorzichtig als altijd zorgde Jan ervoor, dat de agent hem met de grot zag binnengaan. Hier vond hij Tolbach, gezeten op een steen op hem wachten.

Wij zeggen Tolbach, maar het kon net zoo goed iemand anders geweest zijn, ^nt het was zeer moeilijk in de ge-

Sluiten