Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

Aan het einde van den draad.

Een wacht van tien man, gecommandeerd door een onderofficier, stond op post voor den ingang van het onderaardsche gewelf. De soldaten traden onmiddellijk in het gelid, toen de kolonel, gevolgd door zijn oppasser, die zijn koffer droeg, uit de automobiel stapte.

„Ga je commandant zeggen, dat de prins von Gloecken hier is", gelastte Tolbach.

Een der mannen verwijderde zich vlug om dat bevel ten uitvoer te brengen, terwijl de valsche kolonel, gevolgd door Jan, de grot inging. De ingang van de grot bevond zich op zij van een heuvel en was door rotsen, boómen en planten geheel onzichtbaar.

De opening, waardoor men het gewelf betrad, was 10 Mr. groot, terwijl, naar mate men verder doordrong, de gang nauwer werd. Kon men dicht bij den ingang, die den indruk maakte van een soort anti-chambre, nog vrij goed zien, hoe verder men zich echter daarvan verwijderde des te donkerder werd het, zoodat men 'zich weldra in volmaakte duisternis bevond.

De kolonel haalde een electrisch lantaarntje uit zijn zak en na een plattegrond geraadpleegd te hebben, begon hij de gang in te loopen, maar spoedig daarop keerde hij terug en mompelde :

„Het is juist, zooals men ons gezegd heeft".

Jan volgde nieuwsgierig al de bewegingen van zijn meester en wachtte geduldig totdat deze eindelijk besluiten

Sluiten