Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chef, zegt het jonge meisje, Iaat de muildieren optuigen.

Aan het verlangen der Donna zal voldaan worden.

Met een breed gebaar wees hij zijn krijgers de dieren aan. Deze hebben begrepen. Zij haasten zich, maar plotseling staan zij stil.

In weerwil van het Indiaansch flegma, dat de Roodhuid beschouwt als de eerste deugd, kunnen ze bun verbazing niet-verbergen. Een hunner keert terug naar zijn chef:

De krijgers van den Puma kunnen diens bevelen niet opvolgen.

Waarom niet?

De Ichamoïs (booze geesten) zitten- in de huid der paarden en muildieren.

Wat heeft dat te beduiden?

De oogen van den Puma moeten maar zien.

Dolora heeft het gehoord. Nog vóór het Opperhoofd is ze bij de dieren.

Een gedeelte der viervoeters ligt op den grond uitgestrekt; aamechtig halen de dieren adem, hun- buik gaat haastig op en neer, uit hun neusgaten ontsnapt een rauw en piepend geluid; hun gansche lichaam is met een klam zweet overdekt.

Maar deze arme dieren zijn ziek! roept het jonge meisje.

De Puma zwijgt. Met gefronste wenkbrauwen staart hij op de viervoeters en tracht hij de oorzaak uit te vorschen van het incident, maar hij vindt niets.

De Mayos zijn geen geboren ruiters zooals de Indianen van Texas. Hun stammen, afkomstig van de oevers der golf van Mexico, leiden gróotendeels een zittend leven. Voetgangers, als ze zijn, kennen zij het middel niet, dat in de LIano wordt gebezigd om de krachten van een paard te verminderen, dan wel te verdubbelen.

Ja, ziek, dat zijn ze. Waarom? De Puma weet het niet. Maar we kunnen" onzen tocht niet vervolgen. Wij moeten den nacht doorbrengen op dit plateau.

Dolora maakte een gebaar van ongeduld. Dat is een dag verloren, mompelde ze. Maar alles wel beschouwd, zal een verlengde rust niemand schaden.

(Het gelaat van Francis helderde op. Zijne list was dus gelukt. Vierentwintig uren moesten nog verloopen.-De Indianen, die hij verwachtte, zouden misschien wrf opdagen.

Maar eene hand werd hemH>p den schouder gelegd. Levendig keerde hij, zich om. Fabian Rosales en Krekel stonden1 vóór hem.

Meneer Gairon, begon de laatste, daar is mij iets te binnen geschoten, dat ik ook Senor Fabian heb medegedeeld. Wij zouden graag uwe meening er over vernemen.

Och! een jager is een armzalig beoordeelaar van invallende gedachten.

Dat zegt u maar. Maar wij houden het ervoor, dat u in deze zaak een bevoegde autoriteit zijt.

Dan ben ik geheel oor.

De Parijzenaar glimlachte, én met zijn onverstoorbaar humeur, zei hij:

Luister eens. De ziekte van onze rijdieren schijnt me alles behalve een natuurlijke oorzaak te hebben.

Een onmerkbare trilling verscheen op het gelaat van den Canadees.

Geen natuurlijke? herhaalde hij ongerust.

Wel zeker niet. Dat een paard koorts heeft, goed; maar dat nagenoeg een heele afdeeling rijdieren op hetzelfde oogenblik door een onbegrijpelijke epidemie wordt aangetast, dat 'heeft veel weg van een opzettelijk ongeluk, -te voren beraamd.

Opzettelijk? Hoe kan dat? Te voren beraamd? Door wien?

De stem van den jager beefde een weinig. Krekel bemerkte het niet.

Als ik het wist, mijn waarde heer, dan had ik ook den draad der intrige in handen; maar ik weet het niet, ik wilde alleen maar van u weten, of mijne onderstelling ook waarschijnlijkheid bezit.

Francis Gairon zat op de pijnbank. De vraag van den Parijzenaar eischte een afdoend antwoord. Daar viel hem eindelijk iets in.

Zoo we niet omringd waren door vrienden en trouwe dienaren, zou ik er misschien over denken als u, maar als ik ons geleide naga

Krekel wreef Zich de handen.

Goed zoo! Dus was ik zoo dom niet.... Uw vertrouwen in onze menschen belet u echter van mijn gevoelen te zijn.

Dat is zoo.

Welnu, ik, die niet zulk een onvoorwaardelijk vertrouwen stel in mijn evenmensen — het ligt niet in mijn aard — ik houd het ervoor, dat onder ons een verrader schuilt..

Een verrader! mompelde Francis verbleekend.

Ja Iemand die ons hier werkeloos wil houden. En met welk doel?

Dat is het juist wat ik niet snap. Maar ik

wil er mijn hand om missen, dat het niet is

om ons pleizier te doen. En fluisterend liet hij erop volgen: Senor Rosales en ik zullen een oog in het

zeil houden. U zult dit ook wel doen, niet

waar?

Daaraan h^bt u, hoop ik, nooit getwijfeld! riep de Canadees, van zijn ongerustheid bevrijd, in het besef dat hij niet werd verdacht.

Krekel stak hem de hand toe. Wil uwen landgenoot, meneer Peter, ook hiertoe aanzetten. De duivel hale ons, zoo we met acht oogen als de onze, er niet in slagen den kwaden toovenaar te ontdekken.

Gelukkig voor Francis, wléns loyale inborst een afschuw had van logentaal, kwam Coëllo, de gewaande bediende van den Parijzenaar, op dit oogenblik aanzetten:

Padrone, zei hij, zal ik het avondeten gereed maken?

Sluiten