Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oningewijde den indruk kunnen maken, dat het mond- en klauwzeer spontaan kan ontstaan, zonder dat de smetstof van elders is aangevoerd.

De langerdurende onvatbaarheid moet als een weefsel-immuniteit worden opgevat en in alle gevallen, waarin een kortstondige immuniteit aanwezig is, mag men aannemen, dat de weefsel-immuniteit niet voldoende tot ontwikkeling is gekomen. Blijkbaar houdt een onvoldoende weefsel-immuniteit verband met eene voorafgaande te geringe bloed-infectie of met eene infectie door een smetstof van geringe virulentie. De zitplaats van deze weefsel-immuniteit schijnt vooral te zijn gelegen in de diepere lagen van epithelium en epidermis (stratum spinosum; stratum germinativum) alwaar bij het vatbare dier de voorwaarden voor den groei der smetstof van het mond- en klauwzeer, althans in bepaalde regionen hiervan, aanwezig zijn.

Deze weefselimmuniteit is blijkbaar de oorzaak, dat de poort, waardoor de besmetting binnentreedt, als het ware gesloten is.

Dat hierbij de in de immuniteitsleer bekende sessiele anti-lichamen en een allergische toestand in rekening moeten komen, is niet aan twijfel onderhevig.

Sluiten