Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pensioensgrondslagen als ambtenaar. De betaling- geschiedt in eens, uiterlijk op 31 December van bet jaar waarin de overgang plaats heeft, of in tien zooveel mogelijk gelijke jaarlijksche termijnen, waarvan de eerste op genoemden datum wordt voldaan. De verplichting tot betalen vervalt niet door het ontslag of het overlijden van den ambtenaar.

Artikel 142.

1. In bijzondere gevallen kunnen Wij, den Pensioenraad gehoord, aan een provincie, een waterschap, veenschap, of veenpolder toestaan, de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in haren of zijnen dienst zijnde ambtenaren of sommigen van hen aan de toepassing van deze wet, hetzij in haar geheel, hetzij alleen voor zooveel haar bepalingen omtrent het ambtenaarspensioen of enkel die omtrent het ambtenaarsweduwen- en weezenpensioen betreft, te onttrekken voor den tijd gedurende welken zij in haren of zijnen dienst blijven.

2. Het derde en het vierde lid van het vorig artikel zijn hier van toepassing, met dien verstande, dat de in dat vierde lid bedoelde bijdrage verschuldigd is door de provincie, het waterschap, het veenschap of de veenpolder, die, of dat den belanghebbende uit haren of zijnen dienst ontslaat.

Artikel 143.

1. De besturen van provinciën, waterschappen, veenschappen of veenpolders, die op het tijdstip van het in werking, treden van deze wet voor hare of hunne ambténaren pensioensbepalingen hebben, die hoogere pensioensaanspraken geven dan deze wet, herzien die bepalingen binnen zes maanden na genoemd tijdstip met eerbiediging van verkregen aanspraken.

2. De datum van het in werking treden van de herziene bepalingen wordt gesteld op het tijdstip van het in werking treden van deze wet. Zij worden uitsluitend ten opzichte van de op dat tijdstip in dienst zijnde ambtenaren van toepassing verklaard.

3. De bepalingen, bedoeld in het tweede lid van art. 71 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 en die, bedoeld in het tweede lid van art. 47 der Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913, blijven, voor zooveel zij hoogere aanspraken geven dan deze wet, van kracht.

4. Wij behouden Ons voor, aan een provincie of — Gedeputeerde Staten gehoord — aan een gemeente, een waterschap, veenschap of veenpolder toe te staan van hare of zijne op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnde ambtenaren, die vroegere pensioensaanspraken, hooger dan de bij deze wet verleende behouden, voor die. hoogere aanspraken pensioensbijdragen te heffen.

Artikel 144.

Alle voorzieningen en regelingen van provinciën ter uitvoering of naar aanleiding van deze wet, zijn aan Onze goedkeuring onderworpen. Alle zoodanige voorzieningen en regelingen van gemeenten, waterschappen, veenschappen of veenpolders, zijn onderworpen aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Artikel 145.

De Provinciale Staten, de gemeenteraden en de besturen van waterschappen, veenschappen of veenpolders, blijven bevoegd bepalingen vast te stellen ten aanzien van de pensionneering van de leden der Gedeputeerde Staten, respectievelijk van de wethouders en van de leden dier besturen en van hunne weduwen eö weezen.

Artikel 146.

Met het tijdstip van het in werking treden van deze wet worden opgeheven het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren en het pensioenfonds voor de gemeenteambtenaren . Het fonds neemt de baten en lasten dier fondsen

Sluiten