Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IT bekleede betrekkingen, als in figuur II is aangegeven.

Is de ééne betrekking eerder aangevangen dan de andere, doch de ambtenaar uit beide gelijktijdig ontslagen, dan verkrijgt men de figuur III.

Zijn de beide ambten slechts ten deele gelijk_L tijdig vervuld, dan wordt dit uitgedrukt in figuur IV.

Heeft een ambtenaar aanvankelijk verschillende 11T ambten geheel of ten deele gelijktijdig vervuld en

is hij later overgegaan in andere betrekkingen, dan geeft figuur V het beeld van zulk een loopbaan. llj-r Uit de figuur V blijkt dus, dat de ambtenaar aan-

_ vankelijk in dienst trad in de betrekking a, eenigen tijd later in de betrekking b, na eenige jaren in de betrekking c (zie de horizontale stippellijnen).

ITerwijl hij laatstgenoemd ambt vervulde, werd hij T tegelijkertijd uit de betrekkingen a en & ontslagen, doch daarna herplaatst in het ambt d, later in het _!_ ambt e. Na die herplaatsing volgde zijn ontslag uit c, daarna uit d en eindelijk uit e. v a Tenslotte is het menigmaal noodig te vermelden.

^ -het bediag van de wedde en van den pensioens-

grondslag in eene bepaalde-betrekking verkregen.

c Dit wordt aangeduid (zie figuur VI) 1°. wannéér

wedde en grondslag gelijk zijn door het naast

de lijn geplaatste cijfer. 2°. wanneer de grondslag,

^'door bevestiging daarvan, hooger is dan de wedde,

t door het bedrag van den grondslag tusschen ( )

te plaatsen, De duur eener betrekking of van

een deel daarvan wordt aangegeven door eene naast de lijn geplaatste j 10 j(aren). De p aan het einde der lijn geplaatst geeft aan, dat de ambtenaar uit de betrekking door die lijn aangegeven is ontslagen met aanspraak op pensioen.

Uit de figuur VI ziet men dus met VI a. één oogopslag, dat het ambt a, waar-

/ aan eene wedde (= pensioensgrond-

7 . 1 • slag) van f1200 was verbonden, 7 jaren

J' j was bekleed toen de betrekking b

]20° ( l> (wedde = grondslag f 1400) werd aan-

( vaard. Gedurende 5 jaren werden a en

5 j. \ J b tegelijk vervuld. Uit a volgde toen

' v r ontslag zonder aanspraak op pensioen.

3 j I > 14 j. Drie jaren later werd de ambtenaar c. (I benoemd in de betrekking c, waarin

goo | i"400 1 zijne wedde f900 bedroeg, doch waarin

,, 200. i zijn grondslag werd bevestigd op het

' fp bedrag, dat in het verlaten ambt a tot

!12 j.- grondslag had gestrekt. Na 6 jaren

de betrekkingen b en c gelijktijdig te hebben vervuld, werd hij uit b met aanspraak op pensioen ontslagen. Hij p behield toen alleen de betrekking c,

waaruit hij ten slotte ontslag verkreeg mede onder toekenning van pensioen. Door de evengestelde verklaring werd het betoog onderbroken. Thans volge eene korte schets van de stelsels door de verschillende burgerlijke pensioenwetten achtereenvolgens aanvaard.

Het stelsel der Burgerlijke Pensioenwet van 1846. (Wet van 9 Mei 1846 Staatsblad n°. 24, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1886 Staatsblad n°. 64.)

De pensioenwet van 1846 bevatte de bepaling, dat de bijdrage voor het pensioen op de wedde of belooning zou worden ingehouden en (zie art. 15, derde lid, dier wet), dat, ten aanzien, van ambtenaren, die meer dan één post bekleeden, dit voorschrift zo» worden toegepast op het vereenigd bedrag hunner wedden of belooningen.

Derhalve werd op den voorgrond gesteld de individueele aanspraak van 'den ambtenaar op pensioen. De pensioensgrondslag, maatstaf zoowel voor de berekening der bijdrage, als

21

Sluiten