Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het fonds is, ook in verband met toekomstige verplichtingen, en of eenige voorziening noodig of eenige verbetering mogelijk en aanbevelenswaardig is. Eerst op het oogenblik waarop die toestand blijkt, kan worden bepaald of iets moet worden gedaan en zoo ja, wat. Slechts is het van overwegend belang, dat regelmatig balansen worden opgemaakt en gepubliceerd, zoodat de toestand van het fonds voortdurend bekend is en door deskundigen kan worden overwogen. Het ontwèrp geeft daartoe dan ook het uitdrukkelijk voorschrift, onder bepaling dat de wet telkens de voorzieningen zal treffen waartoe de balansen aanleiding mochten geven, (artikel 25).

De vraag kan nog worden gesteld of samenvoeging van de onderscheidene thans bestaande fondsen in één nieuw wel billijk' is ten opzichte van hen, die aan de oude fondsen hebben bijgedragen. Die vraag kan met name worden gesteld ten aanzien van de deelhebbers aan het pensioenfonds voor de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren, waarin, blijkens de per 31-December 1915 opgemaakte balans, een overschot is geconstateerd van 17.4 millioen gulden, welke thans, door reeds toegepaste verhooging der pensioenen, tot een geringer bedrag zijn gedaald. Men zou kunnen zeggen — en het ts door de belanghebbenden herhaaldelijk gezegd — dat dit geld bijeengebracht is door de tegenwoordige deelhebbers en ook alleen aan hen mag ten goede komen. In de eerste plaats moge daartegenover worden opgemerkt dat — gesteld, die redeneering was juist — zij een vrijwel onoverkomelijke hinderpaal voor uniformiteit der pensioenwetgeving voor de verschillende groepen zou vormen. De kern toch van- zulk een uniformiteit zal wel moeten liggen in de pensioens&edrac/m voor de verschillende groepen en, zou het standpunt moeten worden ingenomen dat het overschot in het tegenwoordige burgerlijke fonds alleen aan een bepaald deel der ambtenaren zou moeten ten goede komen, dan zou öf op het punt der pensioenen al aanstonds onderling onderscheid ontstaan öf zou uit Staatsmiddelen ook aan de andere groepen een bijslag moeten worden gegeven, waartoe, als men zich op het vroeger bijeengebrachte baseert, geen deugdelijke reden zou bestaan. Maar afgezien daarvan — het standpunt zelf, dat het overschot in het pensioenfonds voor de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren en daarmede gelijkgestelden, zou moeten komen aan de tegenwoordige deelhebbers van dat fonds alleen, is niet juist. Het overschot is ontstaan doordat de Staat in 1890 de bezittingen van het toen opgeheven pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren verminderd met een som van f 3 000 000, heeft beschikbaar gesteld voor het toen nieuw opgerichte weduwen- en weezenfonds. Aan die bate is uiteraard nagenoeg niet bijgedragen door thans fungeerende ambtenaren, maar wel door hun voorgangers, die voor verreweg het grootste deel zijn afgestorven. Was die som niet verstrekt, dan zou er een tekort zijn geweest. Maar is dat zoo, dan kan ook bezwaarlijk worden gezegd dat het overschot te danken is aan de bijdragen van de thans deelhebben den zelven en dan is er ook geen reden om dat overschot bepaaldelijk en uitsluitend aan hen ten goede te doen komen. Intusschen, neemt men ook dat niet aan, dan worde er nog op gewezen dat bij een regeling als het ontwerp voorstelt, ook de weduwen en de weezen van de deelhebbenden in het burgerlijk fonds, van het hier bestreden standpunt gezien, allerminst tekort komen. Tusschen het opmaken van de laatste balans en het indienen van dit wetsontwerp zijn, juist met het oog op het bestaande overschot, voor hen reeds verschillende verbeteringen in de pensioenbedragen ingevoerd. Daarmede is een belangrijk deel van het bedrag, waarom het hier gaat, reeds verslonden. Het ontwerp voert thans in de pensioenregeling voor de weduwen en de weezen, ook van burgerlijke ambtenaren, belangrijke nieuwe verbeteringen in, waarvan allen zullen profiteeren die na de in werking treding van de nieuwe wet — hoe kort ook daarna — zullen worden gepensionneerd. Wat meer zegt — de weduwenen weezenpensioenen, zooals zij thans worden vastgesteld, zouden, alleen reeds voor de tegenwoordige deelgerechtigden in het weduwen- en weezenfonds van burgerlijke ambtenaren, het overschot vai dit fonds niet slechts verbruiken, maar in

Sluiten