Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetsontwerp zich bij de geldende wetten aan. Pensioen wordt toegekend aan de weduwe van een overleden ambtenaar en aan de minderjarige kinderen van een vader of een moeder, die „ambtenaar" was. Overwogen is, of ook weduwnaarspensioen moest worden in uitzicht gesteld, nl. voor den ach ter blij venden echtgenoot van een vrouw- ambtenares, die voor hem den kost verdiende. Intusschen kwam het voor, dat een dergelijk pensioen zóó weinig door de bestaande zeden wordt gevorderd en bij eenig mistasten bij de toepassing zelfs zóó weinig door die zeden zou worden gebillijkt, dat tot invoering niet moest worden overgegaan. Ook voor het invoeren van pensioen aan pleegkinderen werd niet voldoende reden gevonden. Bovendien zou het niet gemakkelijk vallen, een goed criterium te vinden voor hen, die als „pleegkinderen" van het recht op pensioen zouden moeten genieten.

In één opzicht is intusschen een verandering aangebracht, die 'echter meer als een verschil van uitwerking dan van beginsel moet worden beschouwd. Overlijdt thans een ambtenaar met achterlating van vrouw en kinderen, dan wordt aan zijn weduwe een verhoogd weduwenpensioen toegekend, d. w. z. het weezenpensioen wordt mede aan de moeder toegekend. Daarmede wordt het beginsel uitgesproken dat het gezamenlijke pensioen een c/estKspensioen is, waarvan, door de zorg van de moeder, het gezin zal moeten worden onderhouden. Dat denkbeeld is volkomen rationeel en de uitwerking zal - ook in normale gevallen geen moeilijkheid opleveren. Maar wèl valt eenige moeilijkheid te verwachten als toepassing wordt gegeven aan de juist in den laatsten tijd gegroeide bepalingen omtrent ontheffing of ontzetting uit de voogdij. Dan zal het veelal aangewezen zijn, dat het pensioen voor één kind of voor alle kinderen aan anderen dan de moeder wordt gegeven. Daarom heeft het ontwerp bepaald, dat zal worden toegekend: 1°. een weduwenpensioen en 2°. een gezamenlijk weezenpensioen. Is de moeder voogdes, wat de regel is, dan zal ook dat weezenpensioen aan haar moeten worden uitgekeerd. Is zij het niet, dan zal dat pensioen moeten worden uitbetaald aan den voogd der kinderen. Zou de moeder slechts voor een deel der kinderen uit de voogdij zijn ontzet, dan zou een deel aan haar moeten worden betaald en een deel aan den persoon, die als vertegenwoordiger ■ voor de kinderen is aangewezen, wier voogdij niet meer door de moeder wordt waargenomen. Ter vergemakkelijking van den gang van zaken — opdat met name niet een tot teekenen onwillige moeder de uitoefening van het recht der kinderen zou kunnen vertragen of belemmeren — is voor dat geval bepaald, dat de Pensioenraad bij nader besluit het voor de gezamelijke kinderen toegekend pensioen kan splitsen.

Dit laatste wordt gemakkelijk gemaakt doordat het ontwerp in meerdere mate dan de geldende wetgeving het pensioen voor ieder kind als een geheel behandelt. Wel is waar wordt voor ieder kind ook thans een afzonderlijk pensioen berekend, maar het gezamenlijk bedrag daarvan wordt niet verminderd, zoolang niet het jongste kind den leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Die regeling schijnt niet geheel onaanvechtbaar. Het hangt thans van het toeval af, of men lang of kort het volle pensioen zal genieten en de duur van dat genot is niet evenredig aan de uitgave die tijdens dien duur in de verschillende gevallen voor het onderhoud van de kinderen benoodigd is. Het schijnt daarom rationeeler, het pensioen voor ieder kind afzonderlijk op een bepaalden leeftijd te doen afloopen. Die leeftijd zou dan, in plaats van op 18, op 21 jaar kunnen worden gesteld. Zoolang het gezin groot is, geniet het dan toch de voördeelen van het onverkorte pensioen en ook kinderen die bij het overlijden van den vader nog een ge heele opvoeding moeten ondergaan, zullen tot zij volwassen zijn, van het pensioen blijven proüteeren. Maar het totaalbedrag zal geleidelijk verminderen naarmate voor de opvoeding der kinderen minder noodig is.

Wat het bedrag der toe te kennen pensioenen betreft, is behouden het stelsel dat het wordt bepaald naar den laatsten grondslag van hem of haar, aan wie het pensioen wordt ontleend. Bovendien echter is, nu de bevestiging van grond-

Sluiten