Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelet op het vorenstaande, is bij óndergeteekende de vraag gerezen, of al dan niet een ander stelsel denkbaar ware, waardoor de hierboven geschetste nadeelen kunnen worden ontgaan.

Naar zijn oordeel moet die vraag bevestigend worden beantwoord.

HOOFDSTUK H.

Vrij algemeen wordt heden ten dage aangenomen, dat het pensioen is te beschouwen als „uitgesteld loon".

Die opvatting steunt — daargelaten of zij al dan niet op goede gronden aanvechtbaar is — naar het voorkomt, op het besef, dat het pensioen in het algemeen is en behoort te zijn eene vergelding van bewezen dienst en dat die vergelding verband behoort te houden met het voor den dienst genoten loon, d. w. z. met de in geld uitgedrukte waarde van dien dienst. Men kan, m. a. w. de formule: „pensioen is uitgesteld loon" omzetten in deze andere: „na het eindigen van den dienst geeft het pensioen loon naar werk".

Ook zij, die de opvatting: pensioen is uitgesteld loon, niet onderschrijven, kunnen erkennen, dat men in de evengestelde formule een rationeel en billijk uitgangspunt vindt voor de regeling van het pensioen, een uitgangspunt bovendien, dat bij de bepaling van het bedrag altijd in zijn geheel blijft, geen andere factoren noodig heeft, die het kunnen vertroebelen (zie de aanhef van hoofdstuk I).

Reeds dadelijk zij er op gewezen, dat een stelsel van pensioensberekening, waaraan dit beginsel ten grondslag wordt gelegd, leidt en moet leiden tot andere resultaten dan het uitgangspunt van het meerderheidsontwerp, dat het pensioen wil zien berekend naar verhouding van den diensttijd en den gedurende het laatste tijdperk der dienstvervulling verworven levensstandaard. Men zal zich dus, bij de beoordeeling van het hier geboden stelsel, los moeten maken met name van het denkbeeld, dat het pensioen verband moet houden met den verworven levensstandaard en er slechts op hebben te letten of het mag worden geacht te zijn eene billijke vergelding van bewezen dienst. Slechts zal, bij de beoordeeling van de wijze, waarop het stelsel is uitgewerkt de vraag moeten worden overwogen, of het bedrag van het pensioen in het algemeen voldoende mag worden geacht. De in bijlage A uitgewerkte voorbeelden zullen daarbij tot leiddraad kunnen strekken. Men raadplege in het bijzonder de voorbeelden nos. 6 en 7, die de wijze van pensioensberekening in dagelijks voorkomende gevallen aangeven en een vergelijkend overzicht geven van de berekeningen volgens de bestaande wet en de wetsontwerpen I en II. * *

Het beginsel, dat het pensioen behoort te worden berekend naar verhouding van het genoten loon, kan aldus worden uitgewerkt, dat ieder jaar een zeker percentage van de gedurende dat jaar genoten wedde voor den ambtenaar ter zijde wordt gelegd en dat het pensioen, gelijk zal zijn aan de som der ter zijde gelegde bedragen. Dit denkbeeld vindt, in wetsontwerp II, uitdrukking in art. 52.

De voordeden aan dit stelsel van pensioenberekening verbonden zijn velerlei en belangrijk.

Het bevordert niet slechts eene billijke en gelijkmatige vergelding van bewezen diensten voor alle ambtenaren, waardoor — integenstelling met het stelsel van het wetsontwerp I — voor gelijke dienstprestatie altijd en onder alle omstandigheden een gelijkwaardig pensioen wordt verzekerd, doch het heeft mede tot gevolg, dat het pensioensbedrag niet langer afhankelijk zal zijn van het toevallig verloop der ambtelijke loopbaan. Voorts heft het, automatisch, alle reeds zoo lang, ook onder de bestaande wetgeving gevoelde moeilijkheden aan de diensttijdberekening verbonden, op, wijl het den diensttijd als factor van die berekening uitschakelt. Niettemin blijft ook de diensttijd, zijdelings het bedrag van het pensioen beheerschen, omdat uit den aard der zaak, de som der ter zijde gelegde bedragen groeit, naarmate de ambtenaar langer in dienst blijft.

Tenslotte, het stelsel is eenvoudig en sluit iedere willekeur en iedere poging tot ongemotiveerde opdrijving van het pensioen

Sluiten