Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de overeenkomst is er op gerekend dat aan de Maatschappij de tijd moet gelaten worden om het materieel, 't welk zn' thans in gebruik heeft, op het bestaande spoor te verslijten. Daarom is haar de bevoegdheid toegekend om dat spoor nog gedurende 25 jaren te blijven bezigen, al is inmiddels het smalle spoor gelegd. Binnen dat tijdvak van 25 jaren kan de Maatschappij, tenzij haar van Regeringswege last wordt gegeven om smal spoor op de hoofdlijn van Samarang naar Djokjokarta aan te leggen, naar eigen verkiezing tot de versmalling overgaan. De Staat heeft bij de versmalling op de hoofdlijn geen belang — en de Regering zal dus den bedoelden last niet geven — dan tegen den tijd dat de lijn Soeraban'aMalang in verbinding wordt gebragt met Midden-Java. In geen geval kan de Staat er belang bij hebben om de spoorversmalling op den zijtak van Kedoeng Djati naar Willem I te verhaasten; daarom is te dien aanzien aan de Maatschappij geen andere verpligting opgelegd dan om den arbeid binnen 25 jaren te voltooijen.

Verdere toelichting schijnen de bepalingen der overeenkomst betreffende de spoorversmalling niet te vereischen. Over de betaling der bijdrage van den Staat wordt nader gehandeld in § 12.

Nieuwe concessie.

§ 8. In § 1 is gewezen op het standpunt, 't welk van Regeringswege werd ingenomen bij de eerste overweging der aanvraag van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, strékkende tot uitbreiding van hare onderneming in Midden-Java met hulp van den Staat. Vasthoudende aan haar beginsel — waarvan de wet van 6 April 1875 (Staatsblad no. 61) een uitvloeisel was — dat voortaan regtstreeks door den Staat in de behoefte aan spoorwegen op Java moest worden voorzien, was toch de Regering van oordeel dat er termen bestonden om aan de genoemde Maatschappij eene nieuwe concessie te verleenen. Bij hetgeen tot verdediging van deze afwijking van den regel werd aangevoerd in de Memorie van Antwoord betreffende de Indische begrooting voor 1876. en in het Koloniaal Verslag van dat jaar, zou nog 'wel het een en ander gevoegd kunnen worden in den geest van hetgeen werd opgemerkt in de Voorloopige Verslagen der Tweede Kamer betreffende de laatste twee Indische begrootingen. Het ligt thans op den weg van den Staat, om den spoorwegbouw van het oosten en van het westen van Java geregeld voort te te zetten in de rigting van Midden-Java. Maar het is niet wenscheln'k om Midden-Java op de benoodigde spoorwegen te laten wachten tot dat de arbeid in het oostelijk en in het westelijk gedeelte van het eiland voltooid zal zijn. Al telt men dus de bezwaren 'niet ligt, welke aan het verleenen van cpncessien voor spoorwegen in Indië verbonden zijn, er bestaat wel aanleiding om ten behoeve van de verbetering der communicatie in Midden-Java eene nieuwe concessie te verleenen aan de Nederlandsch-Indische

Sluiten